Advies Raad van State inzake de Wijziging van het Besluit bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte in verband met indexering van boetebedragen 2023

Nader Rapport

24 januari 2023

Nr. 4415114

Directie Wetgeving en Juridische Zaken

Ministerie van Justitie en Veiligheid

Aan de Koning

Nader rapport inzake de Wijziging van het Besluit bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte in verband met indexering van boetebedragen 2023

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 10 oktober 2022, nr. 2022002192, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 19 oktober 2022, nr. W16.22.00122/II, bied ik U hierbij aan.

Het ontwerp geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.

Ik gebruik de gelegenheid de inwerkingtredingsdatum in artikel II van het ontwerpbesluit te wijzigen van 1 januari naar 1 maart 2023. Het openbaar ministerie verhoogt pas dan de strafrechtelijke boetes voor kleine overlast. De wijziging van de bedragen voor bestuurlijke boetes voor die feiten moet daarmee gelijklopen en dus ook later ingaan. In het ontwerpbesluit dat ik U met mijn rapport van 4 oktober 2022 stuurde, staat nog 1 januari 2023 als inwerkingtredingsdatum. De beslissing van het openbaar ministerie dateert van na mijn rapport en van na het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State.

Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Minister van Justitie en Veiligheid, D. Yeşilgöz-Zegerius

Advies Raad van State

No. W16.22.00122/II

’s-Gravenhage, 19 oktober 2022

Aan de Koning

Bij Kabinetsmissive van 10 oktober 2022, no.2022002192, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte in verband met indexering van boetebedragen 2023, met nota van toelichting.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.

De vice-president van de Raad van State, Th.C. de Graaf.

Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Wijziging van het Besluit bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte in verband met indexering van boetebedragen 2023

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 3 oktober 2022, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 4220552;

Gelet op artikel 154b, zesde lid, van de Gemeentewet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van PM 2022, nr. PM);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van PM 2022, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. PM;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

De bijlage van het Besluit bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. In voorschriften A.4, eerste tot en met derde liggende streepje, A.5, A.24, eerste tot en met derde liggende streepje, A.41a en C.8 wordt ‘250’ telkens vervangen door ‘260’.

  • 2. In voorschriften A.46 en C.4 wordt ‘410’ telkens vervangen door ‘420’.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2023.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Minister van Justitie en Veiligheid,

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Dit besluit regelt het jaarlijks gelijke tred laten houden van bedragen voor bestuurlijke boetes voor overlast in de openbare ruimte met de strafrechtelijke boetes die het openbaar ministerie heeft vastgesteld voor dezelfde feiten. De boetebedragen volgen de door het openbaar ministerie voor strafrechtelijke beboeting van dezelfde feiten doorgevoerde indexering en wijzigen als afronding er aanleiding toe geeft.

Gemeenteraden kunnen ervoor kiezen dat bestuurlijke boetes worden opgelegd voor overlastfeiten uit gemeentelijke verordeningen, die strafbaar zijn gesteld krachtens artikel 154 van de Gemeentewet, en voor bepaalde milieuovertredingen (artikel 154b, eerste lid, van de Gemeentewet). Kiest de gemeenteraad voor bestuurlijke beboeting, dan geldt deze keuze voor alle overtredingen die zijn genoemd in artikel 154b, eerste lid, van de Gemeentewet (artikel 154b, tweede lid, van de Gemeentewet). De gemeenteraad kan dus niet bepalen dat slechts overtreding van enkele van deze bepalingen bestuurlijk beboetbaar is.1 In artikel 2 van het Besluit bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte (hierna: Besluit bboor) staat een aantal overlastfeiten waarvoor bestuurlijke beboeting niet mogelijk is. De milieuovertredingen die bestuurlijk kunnen worden beboet, staan opgesomd in artikel 3 van het Besluit bboor. In de bijlage van het Besluit bboor worden de boetebedragen van een aantal feiten landelijk vastgesteld, voor zover ze door natuurlijke personen worden begaan. Voor het overige stelt de gemeenteraad de boetebedragen vast in een gemeentelijke verordening. Het maximum is een boete van de eerste categorie (artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht, dat is vanaf 1 januari 2022: € 450) voor natuurlijke personen en een boete van € 2.250 voor rechtspersonen (artikel 154b, zesde lid, van de Gemeentewet). Voor 12- tot 16-jarigen worden de boetebedragen gehalveerd (artikel 154b, zevende lid, van de Gemeentewet). Blijkens de wetsgeschiedenis kunnen gemeentebesturen voor recidive geen hogere boetes opleggen.2

Belangrijk uitgangspunt is dat het qua beboeting geen verschil maakt of een gedraging bestuurlijk of strafrechtelijk wordt afgedaan. Bij de totstandbrenging van de Wet bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte is de wens geuit dat vanuit het strafrechtelijke perspectief bezien coördinatie van boetes en van het optreden bij normovertredingen wenselijk is. De regering onderschreef deze wens ten volle. De boetehoogten (tarieven) van de bestuurlijke boete worden daarom bij algemene maatregel van bestuur bepaald. De tarieven zijn uit een oogpunt van overzichtelijkheid opgenomen in een bijlage bij de algemene maatregel van bestuur op grond van die wet. Daarbij is toegezegd dat er ‘uiteraard voor [zal] worden zorg gedragen dat de tarieven worden afgestemd op de tarieven van Justitie zoals die voor de desbetreffende feiten zijn vastgelegd in (...) beleidsregels van het OM.’ Dit betekent dat de tarieven van de bestuurlijke boete ‘op centraal niveau bij algemene maatregel van bestuur [worden] vastgesteld en (...) afgestemd op de tarieven die Justitie krachtens het strafrecht (...) hanteert’.3 Daarom wordt de bijlage van het Besluit bboor elk jaar gewijzigd. De wijziging heeft dus geen gevolgen voor de bestuurlijke beboetbaarheid van feiten. Een feit is bestuurlijk beboetbaar als dat volgt uit artikel 154b van de Gemeentewet, in samenhang met de artikelen 2 en 3 van het Bboor. Met de wijziging worden slechts de landelijk vastgestelde bestuurlijke boetebedragen afgestemd op de laatste versie van de ‘Tekstenbundel voor misdrijven, overtredingen en Muldergedragingen’, die het College van procureurs-generaal vaststelt voor de strafrechtelijke afdoening.

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het naar verwachting geen nieuwe (omvangrijke) gevolgen voor de regeldruk heeft.

Artikelsgewijs

Artikel I

Negen bestuurlijke boetes voor bepaalde overlast in de openbare ruimte die in 2022 € 250 bedragen en twee boetes die € 410 bedragen, worden voor 2023 met € 10 verhoogd, zoals het openbaar ministerie dit ook doet voor strafrechtelijke boetes voor die feiten.

Artikel II

De inwerkingtredingsdatum is gelijk aan de datum waarop strafrechtelijk de laatste versie van de Tekstenbundel voor misdrijven, overtredingen en Muldergedragingen in gebruik wordt genomen. De besluitvorming daarover vindt jaarlijks in de herfst plaats door het openbaar ministerie. Door vervolgens met dit besluit een gelijke tred te houden van de bedragen voor bestuurlijke boetes voor overlast in de openbare ruimte met de strafrechtelijke boetes voor diezelfde feiten wordt de aanmerkelijk ongewenste situatie voorkomen waarbij het voor de burger verschil maakt of een gedraging bestuurlijk of strafrechtelijk wordt afgedaan en hetzelfde feit onder het ene regime lichter wordt bestraft dan onder het andere. Dit rechtvaardigt afwijking van de gebruikelijke minimuminvoeringstermijn.

De Minister van Justitie en Veiligheid,


X Noot
1

Zie onder meer Kamerstukken II 2004/05, 30 101, nr. 3, p. 22.

X Noot
2

Zie Kamerstukken II 2005/06, 30 101, nr. 6, p. 26 en Kamerstukken I 2007/08, 30 101, C, p. 13.

X Noot
3

Zie Kamerstukken I 2007/08, 30 101, C, p. 9.

Naar boven