Protocol inzake de bestuurlijke aanpak van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit in de Caribische landen van het Koninkrijk

Ondergetekenden:

• de staat der Nederlanden, te dezen vertegenwoordigd door de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, A.C. van Huffelen,

• het land Aruba, te dezen vertegenwoordigd door de Minister van Justitie en Sociale Zaken, R.G. Tjon,

• het land Curaçao, te dezen vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, S. Hato,

• het land Sint Maarten, te dezen vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, A. Richardson,

hierna te noemen 'de Partijen'.

Overwegende:

  • dat de Caribische landen van het Koninkrijk gezien hun ligging kwetsbaarder zijn voor (transnationaal) georganiseerde misdaad, hetgeen ontwrichtende gevolgen met zich mee kan brengen;

  • dat er verdere, structurele samenwerking tussen de Partijen benodigd is om de bestuurlijke aanpak van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit te versterken;

  • dat misdaad integraal moet worden aangepakt en derhalve niet slechts strafrechtelijk maar ook bestuursrechtelijk;

  • dat de Partijen aangesloten zijn bij de door het Justitieel Vierpartijen Overleg (JVO) ingestelde werkgroep bestuurlijke aanpak;

  • dat Nederland jaarlijks€ 1 miljoen beschikbaar heeft gesteld voor de bestuurlijke aanpak van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit in de Caribische landen;

  • dat de Partijen deze intensieve, structurele samenwerking tot uiting wensen te brengen in de vaststelling van dit protocol;

  • dat de Caribische landen ieder een plan van aanpak hebben vastgesteld met betrekking tot hoe zij voornemens zijn de bestuurlijke aanpak van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit te versterken;

gelet op artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden;

komen het volgende overeen:

HOOFDSTUK 1. DEFINITIEBEPALINGEN

Artikel 1

In dit protocol wordt verstaan onder:

de landen:

Aruba, Curaçao, Nederlan_den Sint Maarten;

de Caribische landen van het Koninkrijk:

Aruba, Curaçao en Sint Maarten;

de Minister:

de Minister van Justitie en Sociale Zaken van Aruba, de Minister van Justitie van Curaçao, de Minister van Justitie van Sint Maarten of de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

het protocol:

Protocol inzake de bestuurlijke aanpak van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit in de Caribische landen van het Koninkrijk

Plan van aanpak:

plan van aanpak zoals door ieder van de Caribische landen van het Koninkrijk is vastgesteld;

Werkgroep:

de werkgroep bestuurlijke aanpak, zoals benoemd onder artikel 9, eerste lid.

HOOFDSTUK 2. DOEL VAN HET PROTOCOL

Artikel 2

  • 1. Dit protocol heeft tot doel om bij te dragen aan het tegengaan van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit middels het ontwikkelen, implementeren en evalueren van initiatieven en instrumentaria bestemd voor de versterking van bestuurlijke aanpak van deze criminaliteit, alsook het delen van kennis, expertise en ervaringen en het versterken van de onderlinge samenwerking op dit punt tussen de landen.

  • 2. De Caribische landen van het Koninkrijk behouden de verantwoordelijkheid voor het beleid en de uitvoering van de bestuurlijke aanpak van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit.

HOOFDSTUK 3. DE BESCHIKBARE GELDEN

Artikel 3

  • 1. Nederland stelt jaarlijks € 1 miljoen ter beschikking voor de bekostiging van de activiteiten op het gebied van de bestuurlijke aanpak van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit in de Caribische landen.

  • 2. Het volledige bedrag is opgedeeld in vier verschillende budgetten van € 250.000 elk.

  • 3. Elk van de Caribische landen van het Koninkrijk kunnen aanspraak maken op een eigen budget van € 250.000.

  • 4. Op het vierde budget van € 250:000 kan slechts aanspraak gemaakt worden wanneer er naast de in artikel 5, derde lid, gestelde voorwaarden tevens wordt voldaan aan voorwaarden zoals beschreven in artikel 6, vierde lid.

  • 5. Eventueel resterende bedragen van de eigen budgetten, zoals bedoeld in het derde lid, worden na het verlopen van het tijdvak als bedoeld in artikel 5, eerste lid, toegevoegd aan het vierde budget.

HOOFDSTUK 4. DE AANVRAAG

Artikel 4

  • 1. Ter uitvoering van de plannen van aanpak werken de Caribische landen concrete voorstellen uit welke zien op het uitvoeren van activiteiten ter versterking van de bestuurlijke aanpak van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit.

  • 2. Deze voorstellen worden als bijdrage-aanvragen middels een door de werkgroep vastgesteld aanvraagformulier ingediend bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

  • 3. De aanvragen dienen te worden ondertekend door de Minister van het betreffende land.

Artikel 5

  • 1. De aanvragen worden ieder jaar uiterlijk op 30 mei ingediend. Toekenning op basis van deze aanvragen gaat ten laste van het eigen budget als bedoeld in artikel 3, derde lid.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, kan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, op verzoek, en in het geval bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen, aanvragen die na 30 mei zijn ingediend alsnog in behandeling nemen ten laste van het eigen budget.

  • 3. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Justitie en Veiligheid, van Nederland, beoordelen tezamen de aanvragen op grond van de volgende criteria:

    • a) het voorstel is in de eerste plaats gericht op uitbreiding of versterking van het bestuurlijk instrumentarium of anderszins verbonden aan de versterking van de bestuurlijke aanpak van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit en draagt daarmee bij aan de doelstelling zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid;

    • b) de beoogde activiteit is kansrijk in de uitvoering;

    • c) de activiteit bevat een concrete planning en begroting;

    • d) de activiteit bevordert de duurzame aanpak van georganiseerde en ondermijnde criminaliteit.

    • e) het land blijft betrokken door middel van deelname aan de werkgroep.

  • 4. Voor de beoordeling van de aanvraag staat een termijn van vier weken. De beslistermijn kan eenmaal worden verlengd met vier weken. Hiervan wordt de aanvrager op de hoogte gesteld.

  • 5. Toekenning van een bijdrage geschiedt eenzijdig middels een bijdragebrief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Aan deze bijdrage kunnen voorwaarden worden gekoppeld.

Artikel 6

  • 1. Aanvragen voor het vierde budget kunnen niet voor 30 mei en niet na 30 september van hetzelfde kalenderjaar worden ingediend.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, kan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in het geval bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen, aanvragen die na 30 september zijn ingediend alsnog in behandeling nemen ten laste van het vierde budget.

  • 3. Deze aanvragen worden overeenkomstig artikel 5, tweede tot en met vijfde lid, ingediend, beoordeeld en behandeld.

  • 4. In aanvulling op de criteria zoals opgenomen in artikel 5, tweede lid, wordt een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, ook beoordeeld op:

    • a) de mate waarin meerdere landen gebaat zijn bij dit voorstel, en

    • b) de mate waarin het land zelf een bijdrage levert aan het behalen van de betreffende doelstellingen of resultaten van het betreffende voorstel.

  • 5. In afwijking van het eerste lid, kan een aanvraag voor het vierde budget vóór 30 mei van het betreffende kalenderjaar worden ingediend, mits de aanvraag door alle Caribische landen wordt gesteund.

  • 6. De uitbetaling van de middelen door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties volgt uiterlijk zes weken na toezending van de bijdragebrief als bedoeld in artikel 5, vijfde lid van deze overeenkomst.

Artikel 7

Indien een aanvraag niet voldoet aan de vereisten van dit protocol, kan dit verzoek door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gemotiveerd worden afgewezen. De aanvrager kan hierop verzoeken de afwijzingsbrief nader te bespreken alsook de beslissing te heroverwegen. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beslist binnen een redelijke termijn op een dergelijk verzoek.

Artikel 8

Indien er sprake is van onderuitputting van het vierde budget, vloeien de resterende middelen terug naar de Nederlandse staatskas.

HOOFDSTUK 5. VERANTWOORDING

Artikel 9

  • 1. De werkgroep bestaat uît vertegenwoordigers van het Nederlandse Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het Nederlandse Ministerie van Justitie en Veiligheid en vertegenwoordigers van de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten.

  • 2. De werkgroep komt in de regel minstens iedere drie weken samen, tenzij unaniem anders besloten.

  • 3. Het voorzitterschap van de werkgroep rouleert jaarlijks tussen de landen, tenzij unaniem anders besloten.

  • 4. De werkgroep monitort en bespreekt de voortgang van de uitvoering van de plannen van aanpak, alsook de voortgang van de toegekende aanvragen.

  • 5. De werkgroep informeert zo vaak als nodig, maar tenminste éénmaal per jaar, het Justitieel Vierpartijen Overleg over de voortgang van de uitvoering van de plannen van aanpak, alsook de voortgang van de toegekende aanvragen.

Artikel 10

  • 1. De Caribische landen van het Koninkrijk leggen iedere twee jaar een geschrevenverantwoording, inclusief auditverklaring, over de besteding van de middelen voor aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

  • 2. De verantwoording wordt uiterlijk 30 maart opgeleverd over de twee voorgaande jaren.

Artikel 11

Partijen evalueren iedere drie jaar de werking van dit protocol. D uitkomsten van die evaluatie kan aanleiding vormen dit protocol, met inachtneming van hetgeen bepaald in artikel 13, te wijzigen.

HOOFDSTUK 6. GESCHILLEN

Artikel 12

  • 1. Indien er een verschil van inzicht bestaat over de uitvoering van de in, of op grond van, dit protocol gemaakte afspraken, dan wel ten aanzien van de interpretatie of toepassing van dit protocol, wordt dit verschil van inzicht besproken in de werkgroep, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid.

  • 2. Indien het verschil van inzicht daar niet beslecht kan worden, dan zal het verschil van inzicht besproken worden in een daarvoor in te stellen hoogambtelijk overleg.

  • 3. Indien dit hoogambtelijk overleg het verschil van inzicht evenmin kan beslechten wordt dit verschil van inzicht besproken in het Justitieel Vierpartijen Overleg.

HOOFDSTUK 7. SLOTBEPALINGEN

Artikel 13

Besluiten aangaande toevoegingen of wijzigingen van dit protocol dienen, na overleg met de aangesloten partijen, unaniem genomen te worden.

Artikel 14

  • 1. Dit protocol is met alle partijen overeengekomen en treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2023 en wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

  • 2. Behoudens het gestelde in artikel 13, dient een Caribisch land van het Koninkrijk een eventuele wens om uit het protocol te treden, mede te delen tijdens het Justitieel Vierpartijen Overleg. De uittreding vindt vervolgens plaats per het daarop volgende Justitieel Vierpartijen Overleg. Alle verplichtingen die reeds voor de uittreding zijn aangegaan, dienen ook na uittreding te worden nagekomen.

Artikel 15

Als het uit Nederland beschikbare budget, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, niet meer beschikbaar wordt gesteld door de Nederlandse regering, komt dit protocol, evenals de daaruit vloeiende rechten en verplichtingen, te vervallen.

Aruba, 7 augustus 2023

R.G Tjon

Curaçao, 29 augustus 2023

S. Hato

St. Maarten, 8 september 2023

A. Richardson

’s-Gravenhage, 20 juli 2023

A.C. van Huffelen

TOELICHTING

Inleiding

Op het Justitieel Vierpartijen Overleg (JVO) van 6 juli 2021 zijn Aruba, Nederland en Sint Maarten overeengekomen om een werkgroep bestuurlijke aanpak van ondermijning in te stellen waarin de betrokken landen zijn vertegenwoordigd. Curaçao is later ook toegetreden tot deze werkgroep. Het JVO heeft deze werkgroep gevraagd om te faciliteren bij het opstellen van een probleemanalyse, bestaande initiatieven tegen georganiseerde en ondermijnende criminaliteit binnen de landen te inventariseren, de wensen te inventariseren en hierop plannen van aanpak op te stellen. Deze plannen van aanpak zijn in 2022 vastgesteld. Daarnaast zorgt de werkgroep voor expertise en informatie uitwisseling tussen partijen ten aanzien van de bestuurlijke aanpak.

Nederland stelt vanaf 2022 jaarlijks een bijdrage van € 1 miljoen beschikbaar voor de bestuurlijke aanpak van ondermijning in Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Met deze middelen worden initiatieven van de Caribische landen gefinancierd.

Hoofdstuk 2. Doel van het protocol

Het in artikel 2 van het protocol gestelde doel heeft alleen betrekking op die instrumenten die geheel of deels ‘bestuurlijk’ zijn. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan het weigeren of intrekken van vergunningen en subsidies, ingrijpen via een bestemmingsplan, screening bij aanbestedingen of het creëren van awareness met betrekking tot georganiseerde en ondermijnende criminaliteit op de eilanden. Overheden kunnen deze instrumenten inzetten bij het bestrijden, preventief of repressief, van criminele activiteiten, al dan niet in samenwerking met andere partners in een (geïntegreerde) aanpak, naast de strafrechtelijk en fiscale aanpak.

De Caribische landen van het Koninkrijk hebben momenteel niet de beschikking over uitgebreide expertise en instrumentaria die een noodzakelijke voorwaarde zijn voor een goede bestuurlijke aanpak van ondermijning. Dit protocol biedt de Caribische landen mogelijkheden om de bestuurlijke aanpak van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit op orde te brengen

De landen van het Koninkrijk geloven dat gezamenlijk optrekken in de aanpak van georganiseerde ondermijnende criminaliteit in het wederzijdse belang is van ieder van de landen van het Koninkrijk. Hiervoor is het nodig dat landen open en proactief kennis, expertise en ervaringen delen, zodat niet steeds het wiel opnieuw hoeft te worden uitgevonden.

De landen zijn zich er evenwel van bewust dat de verantwoordelijkheid voor het beleid en de uitvoering van de bestuurlijke aanpak van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit géén verantwoordelijk is van het Koninkrijk, en de landen hier dus primair zelf de verantwoordelijkheid voor houden.

Hoofdstuk 3. De beschikbare gelden

Nederland stelt, conform artikel 3, eerste lid, jaarlijks € 1 miljoen beschikbaar voor de bestuurlijke aanpak. Er is voor gekozen om dit bedrag in beginsel gelijk te verdelen over Aruba, Curaçao en Sint Maarten, omdat de grootte van het Land of het inwoneraantal niet maatgevend zijn voor de noodzakelijke investeringen. De landen kunnen jaarlijks in ieder geval gebruik maken van een budget van € 250.000. Het resterende bedrag van € 250.000 (de zogenaamde vierde pot) wordt vermeerderd met die delen van de budgetten per land die op 30 mei nog niet zijn aangevraagd. Hierdoor beoogt het protocol volledige uitputting van het beschikbare geld.

Uit artikel 3, vierde lid, volgt dat aanvragen met betrekking tot het vierde budget niet alleen aan de standaard voorwaarden van artikel 5, derde lid, moeten voldoen, maar ook aan de aanvullende voorwaarden van artikel 6, vierde lid. Hiermee is gepoogd het geld van die vierde pot zo effectief mogelijk in te zetten.

Hoofdstuk 4. De aanvraag

Het indienen van concrete voorstellen geschiedt door middel van een formulier dat voldoet aan de interne (kwaliteits)vereisten van het Nederlandse Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en zal worden vastgesteld door de werkgroep bestuurlijke aanpak van ondermijnende criminaliteit. De aanvragen dienen te worden ondertekend door de betreffende Minister van de Caribische landen van het Koninkrijk. Het is evenwel natuurlijk goed denkbaar dat een aanvraag namens de Minister wordt getekend. De keuze die hierin wordt gemaakt is aan het land zelf, zolang er maar politieke commitment is.

Artikel 5 schrijft voor dat de aanvragen voor het toegewezen budget per land uiterlijk 30 mei worden ingediend. In het tweede lid is hierop een uitzondering gemaakt. Deze uitzondering beoogt enige flexibiliteit te kunnen bieden in het geval bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen. Gedacht moet worden aan zeer buitengewone gebeurtenissen, zoals: een natuurramp, pandemie, of anderszins een crisis die zich geheel onverwachts ontvouwd. Ook kortdurende omstandigheden kunnen onder deze bijzondere omstandigheden worden geschaard. Dit zal per geval moeten worden beoordeeld door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). Als een aanvrager meent dat het een beroep kan doen op de uitzondering zoals bedoeld in dit tweede lid, dan dient de aanvrager daartoe een gemotiveerd verzoek te doen.

De aanvragen zoals omschreven in artikel 5 van het protocol moeten allereerst betrekking hebben op het doel van het protocol. Daarnaast wordt de aanvraag getoetst op de mate van kansrijkheid in de uitvoering, wat wil zeggen dat de beoordelaars de aanvraag slechts goedkeuren als het doel of doelen van de aanvraag redelijkerwijs behaald kan of kunnen worden met de activiteiten die in de aanvraag omschreven staan. Een concrete planning en begroting zijn daarbij essentieel. Aanvragen worden voorts getoetst op duurzaamheid, dat wil zeggen dat de aanvraag van dien aard is dat redelijkerwijs vermoed kan worden dat de impact een langdurig karakter heeft. Indicaties hiervan zijn bijvoorbeeld cofinanciering, toewijzen van menskracht of bestuurlijk commitment op de langere termijn.

De Minister van BZK heeft vier weken de tijd om op een aanvraag te beslissen. Dit is een vrij korte termijn waarvoor bewust is gekozen. Het is immers van belang om snel duidelijkheid te verschaffen voor de aanvragende partij. Hoewel de intentie is om op alle verzoeken binnen die termijn te beslissen, kan het zich voordoen dat deze termijn bij een bepaald verzoek niet haalbaar is gebleken. De termijn kan dan ook eenmaal met vier weken worden verlengd. Indien een aanvraag wordt toegewezen ontvangt de aanvrager een bijdragebrief waarin de bijdrage staat opgenomen. Tevens kunnen in deze brief voorwaarden staan vermeld waaraan de aanvrager gebonden is. Voorbeelden kunnen zijn: het tijdsbestek waarbinnen het geld moet zijn uitgegeven, de activiteiten waaraan en de wijze van rapporteren.

Artikel 6 ziet op de aanvragen voor het vierde budget. Deze aanvragen dienen in beginsel ingediend te worden tussen 30 mei en 30 september van het betreffende jaar. De uitzondering van het tweede lid is dezelfde als bij artikel 5. Voor een toelichting wordt dan ook daarnaartoe verwezen. Het vijfde lid behelst ook een uitzondering, namelijk dat een aanvraag ook eerder ingediend kan worden dan 30 mei. De reden is dat als alle landen gezamenlijk een aanvraag willen doen en dit al in februari weten, er geen reden is om niet eerder die vierde pot aan te spreken. Voorwaarde is uiteraard dat alle landen de aanvraag steunen. Hiervoor is het nodig dat de aanvrager de aanvraag voor het budget uit de vierde pot in een overleg van de werkgroep agendeert. Landen spreken daarna wel of niet gemoveerd hun steun uit. Dit wordt vastgelegd in de notulen. Indien de landen akkoord zijn, dan dient de aanvrager de aanvraag in bij BZK.

In het vierde lid zijn twee aanvullende voorwaarden opgenomen waaraan aanvragen voor de vierde pot worden getoetst, te weten de mate waarin meerdere landen gebaat zijn en de mate waarin het land zelf een bijdrage levert. De eerste voorwaarde dient te toetsen of een aanvraag voor de vierde pot daadwerkelijk impact heeft op andere landen. Het is mogelijk dat deze aanvraag door meerdere landen wordt gesteund, maar dit is evenwel niet noodzakelijk. De tweede voorwaarde ziet op de betrokkenheid van het betreffende land. Wanneer een land ook zelf middelen (bijvoorbeeld geld of persoonlijke capaciteit) wil investeren in een aanvraag, dan blijkt daaruit de commitment van dat land. Dat geeft vertrouwen voor een succesvolle afronding van de aanvraag.

Tenslotte wordt in het zesde lid van artikel 6 bepaald dat de Minister van BZK binnen zes weken na toezending van de bijdragebrief overgaat tot de uitbetaling van de gelden. Dit artikel is opgenomen om te borgen dat de uitbetaling niet te lang op zich laat wachten. Het is immers goed denkbaar dat de activiteiten pas kunnen starten zodra het geld is ontvangen.

Artikel 7 ziet op de situatie dat een aanvraag wordt afgewezen. Hoewel dit in de praktijk niet snel zal voorkomen – er wordt namelijk in de aanloop tot een definitieve aanvraag goed contact onderhouden – is het wel mogelijk en dient er stil bij gestaan te worden. De aanvrager kan ik een dergelijke situatie een beroep doen op de Minister van BZK om de afwijzing nader te bespreken. Ook kan verzocht worden om de afwijzing na de bespreking te heroverwegen. Het is aan de Minister van BZK om al dan niet over te gaan tot een heroverweging. Dit wordt binnen een redelijke termijn schriftelijk gecommuniceerd aan de aanvrager. De aanvraag kan altijd in een volgende ronde opnieuw worden ingediend.

Conform artikel 8 zullen gelden uit de zogenaamde vierde pot, inclusief de gelden uit de individuele potten die niet zijn aangevraagd, aan het einde van ieder kalenderjaar terugvloeien in de Nederlandse staatkas.

Hoofdstuk 5. De verantwoording

Met het voorzitterschap zoals bedoeld in artikel 9, derde lid, wordt slechts het technisch voorzitterschap van de bijeenkomsten van de werkgroep bestuurlijke aanpak van ondermijnende criminaliteit bedoeld. Hier vloeien geen andere rechten of verplichtingen uit voort.

Het monitoren van de uitvoering van de plannen van aanpak en de aanvragen geschiedt conform artikel 9, vierde lid, in de regel door mondelinge toelichtingen in bijeenkomsten van de werkgroep bestuurlijke aanpak van ondermijnende criminaliteit. Zoals gesteld in het vijfde lid committeert de werkgroep zich aan een minimaal één jaarlijkse rapportage aan het JVO. De rapportage wordt opgesteld door het Nederlandse Ministerie van Justitie en Veiligheid of het Nederlandse Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en vastgesteld in de werkgroep alvorens het wordt ingebracht bij het JVO.

De geschreven verantwoording, zoals bedoeld in artikel 10 van het protocol bevat in ieder geval:

  • Per gehonoreerde aanvraag voor een plan een uitspraak over het behalen van de doelen die in aanvraag zijn gesteld.

  • Indien mogelijk per gehonoreerde aanvraag voor een plan de impact die implementatie van het plan aantoonbaar heeft gehad.

  • Per gehonoreerde aanvraag een uitspraak over knelpunten die al dan niet aanwezig waren en de uitvoering van het plan gedeeltelijk of geheel vertraagd hebben of doen mislukken.

  • Indien knelpunten uitvoering in de weg staan per knelpunt per gehonoreerde aanvraag een voorstel om dit knelpunt weg te nemen.

  • Een auditverklaring, uitgevoerd door een externe partij.

Conform artikel 11 van het protocol committeren partijen zich aan een driejaarlijkse evaluatie van het protocol. De evaluatie kan in beginsel uitgevoerd worden door de partijen gezamenlijk. Indien unaniem besloten wordt dat dit beter uitgevoerd kan worden door een externe partij, is dit evenwel een mogelijkheid. De kosten die gemoeid gaan met het uitvoeren van deze evaluatie zal ten laste komen van de vierde pot. Op grond van de evaluatie kan de werkgroep ervoor kiezen om wijzigingen of toevoegingen voor te stellen aan de partijen.

Hoofdstuk 6. Geschillen

Het hoogambtelijk overleg, als bedoeld in artikel 12, is geen vaste structuur maar zal slechts incidenteel samengesteld en bijeengeroepen worden indien een geschil in inzicht tussen de leden van de werkgroep bestuurlijke aanpak van ondermijnende criminaliteit niet beslecht kan worden op het niveau van de werkgroep en de uitvoering van dit protocol of het uitvoeren of aanvragen van plannen in de weg staan. Wanneer het hoogambtelijk overleg eveneens niet tot een vergelijk kan komen, wordt het geschil zoals omschreven in artikel 12, derde lid, voorgelegd aan het JVO.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Conform artikel 13 kan het protocol, al dan niet naar aanleiding van evaluaties, gewijzigd worden. Voorstellen voor wijzigingen in het protocol worden per brief namens een Minister van het ene land aan de betreffende Ministers van de andere landen voorgelegd of voorgelegd aan het JVO. Ieder van de landen moet instemmen met het voorstel om het protocol te wijzigen.

Conform artikel 14 zal de inwerkingtreding van het protocol terugwerkende kracht hebben. Hier is voor gekozen om te borgen dat aanvragen die na 1 januari 2023 zijn ingediend, maar voor de ondertekening van dit protocol, aan de hand van dezelfde voorwaarden zullen worden beoordeeld. Dit heeft de voorkeur nu deze aanvragen ook ten laste van dezelfde gelden zullen worden toegewezen. Het protocol wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. Hier is voor gekozen omdat het uit Nederland beschikbare budget in beginsel een ieder jaar terugkerend budget is. Indien deze structurele financiering wordt ingetrokken, zal het protocol conform artikel 15 in zijn geheel vervallen. Mocht deze situatie zich voordoen dan zal Nederland dit minimaal één jaar van te voren meedelen.

Artikel 14, tweede lid, omschrijft de wijze waarop een Caribisch land uit het protocol kan stappen. Uittreding van één van de Caribische landen leidt niet tot het vervallen van het protocol. Uit het proces volgt dat wanneer bij een JVO de wens tot uittreding wordt medegedeeld, deze uittreding pas per het volgende JVO daadwerkelijk van kracht gaat. Hiermee heeft het betreffende Caribisch land nog een aantal maanden de tijd gehad om zich er van te verzekeren dat dit de gewenste keuze is. Alle verplichtingen die voor de uittreding zijn aangegeven, blijven geldig na de uittreding en dienen op de gebruikelijke wijze te worden afgehandeld.

Naar boven