Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 december 2023, nr. 2023-0000735552 houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een specifieke uitkering ten behoeve van de financiering van soortenmanagementplannen die het voorkomen van vertraging van verduurzaming door isolatie als doel hebben (Regeling specifieke uitkering versnelling natuurinclusief isoleren)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Gelet op artikel 2, eerste lid, onderdeel m, en artikel 3 van het Besluit van 29 oktober 2022, houdende het stellen van regels over het verstrekken van specifieke uitkeringen aan gemeenten of provincies voor activiteiten die passen in het rijksbeleid met betrekking tot het bouwen, het wonen en de woonomgeving (Stb. 2022, 452);

Besluit:

Artikel 1. Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

alternatieve verblijfplaats:

een plaats die geschikt is voor verblijf door een beschermde diersoort, die is ingericht ter vervanging van een plaats geschikt voor verblijf door een beschermde diersoort die door verduurzaming van een gebouw ongeschikt is geworden of zal worden;

beschermde diersoorten:

in het wild levende:

  • a. dieren van soorten, genoemd in:

    • 1°. bijlage IV bij Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L 206);

    • 2°. bijlage II van het op 19 september 1979 te Bern tot stand gekomen Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijke leefmilieus (Trb. 1980, 60);

    • 3°. bijlage I bij het op 23 juni 1979 te Bonn tot stand gekomen Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten (Trb. 1980, 145);

    • 4°. onderdeel A van de bijlage bij de Wet natuurbescherming, bedoeld in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming; of

    • 5°. onderdeel A van bijlage IX bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

  • b. vogelsoorten, als bedoeld in artikel 1 van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20).

soortenmanagementplan:

een beleidsplan gericht op het versterken van de staat van instandhouding van beschermde diersoorten binnen een gemeente of enkele gemeenten, berustend op ecologisch onderzoek, dat wordt opgesteld met als doel het dienen als onderbouwing voor het aanvragen van een ontheffing, vergunning of vrijstelling van een verbod ten aanzien van beschermde diersoorten, als bedoeld in artikel 3.3, 3.8 en artikel 3.10, tweede lid, van de Wet natuurbescherming en artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g van de Omgevingswet, dan wel ten aanzien van hun voorplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren, ter versnelling van de energiebesparende isolatie van de thermische schil van gebouwen in de gebouwde omgeving;

stedelijk gebied:

een toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen, toegelaten op grond van:

  • a. een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van die wet of een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van die wet; of

  • b. een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Minister:

Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel 2. Doel en activiteiten van de specifieke uitkering

De minister verstrekt aan de provincie een specifieke uitkering ter bevordering van:

  • a. het adviseren van gemeenten over en ondersteunen van gemeenten bij het opstellen, voorbereiden, implementeren en monitoren van soortenmanagementplannen;

  • b. het inrichten van alternatieve verblijfplaatsen;

  • c. het beoordelen van ontheffingen, vergunningen of vrijstellingen die worden onderbouwd met een soortenmanagementplan, met als doel het versnellen van de energiebesparende isolatie van gebouwen in de gebouwde omgeving; en

  • d. het toezichthouden op en handhaven van voorschriften ter bescherming van beschermde diersoorten, in zoverre dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de energiebesparende isolatie van de thermische schil van gebouwen in de gebouwde omgeving.

Artikel 3. Hoogte van de specifieke uitkering

  • 1. De specifiek uitkering bedraagt exclusief btw voor de provincie:

    • a. Groningen: € 1.617.470;

    • b. Fryslân: € 2.109.585;

    • c. Drenthe: € 1.556.890;

    • d. Overijssel: € 3.205.584;

    • e. Flevoland: € 777.480;

    • f. Gelderland: € 6.034.523;

    • g. Utrecht: € 3.459.343;

    • h. Noord-Holland: € 7.023.834;

    • i. Zuid-Holland: € 8.637.156;

    • j. Zeeland: € 1.429.871;

    • k. Noord-Brabant: € 7.369.130; en

    • l. Limburg: € 3.839.753.

  • 2. De specifieke uitkering wordt niet verstrekt voor BTW verschuldigd over kosten voor de activiteiten bedoeld in artikel 2 voor zover het bedrag van de BTW in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds.

Artikel 4. Wijze van betaling en uitkeringsbeschikking

  • 1. De Minister verleent bij het besluit tot verlening van de specifieke uitkering een voorschot van 100 procent dat in één keer wordt uitbetaald.

  • 2. De uitkeringsbeschikking vermeldt in elk geval:

    • a. het totale bedrag van de uitkering;

    • b. het moment van uitbetaling van de uitkering;

    • c. de periode waarbinnen de uitkering moet zijn besteed en de activiteiten moeten zijn afgerond; en

    • d. het ingeschatte bedrag dat de provincie aan BTW verschuldigd zal zijn.

Artikel 5. Verplichtingen

  • 1. Gedeputeerde staten besteden het voor die provincie in de derde kolom van de tabel in bijlage I opgenomen bedrag uiterlijk 31 december 2027 aan:

    • a. het adviseren van gemeenten over het soortenmanagementplan;

    • b. het beoordelen van aanvragen van gemeenten van ontheffingen, vergunningen of vrijstellingen die worden onderbouwd met een soortenmanagementplan;

    • c. het realiseren of financieren van alternatieve verblijfplaatsen;

    • d. het toezichthouden op en handhaven van voorschriften ter bescherming van beschermde diersoorten, in zoverre dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de energiebesparende isolatie van de thermische schil van gebouwen in de gebouwde omgeving; of

    • e. alle kosten die direct samenhangen met de activiteiten, bedoeld in artikel 2.

  • 2. Gedeputeerde staten besteden ten minste zestig procent van het voor die provincie in de derde kolom van de tabel in bijlage I opgenomen bedrag aan de activiteiten genoemd in het eerste lid, onderdeel c.

  • 3. Gedeputeerde staten verstrekken uiterlijk 1 januari 2026 het voor die provincie in de tweede kolom van de tabel in bijlage I opgenomen bedrag aan een deel van de gemeentes binnen hun provincie ten behoeve van activiteiten die gericht zijn op het voorbereiden, opstellen, implementeren of monitoren van soortenmanagementplannen die ten minste het volledige stedelijk gebied van een gemeente beslaan, op een manier die naar hun oordeel bijdraagt aan een doelmatige versnelling van de isolatie van gebouwen.

  • 4. Wanneer gedeputeerde staten op grond van het derde lid een bedrag verstrekken aan een gemeente, dan verstrekken zij het voor die gemeente in bijlage II opgenomen bedrag.

  • 5. In afwijking van het vierde lid en onverminderd het achtste en negende lid, kan aan maximaal één gemeente in een provincie een lager bedrag, dan het voor die gemeente in bijlage II opgenomen bedrag, worden verstrekt op grond van het derde lid, indien het verstrekken van het voor die gemeente in bijlage II opgenomen bedrag ertoe zou leiden dat gedeputeerde staten in totaal meer zouden verstrekken dan het bedrag opgenomen in de tweede kolom van de tabel in bijlage I.

  • 6. Middelen die door gedeputeerde staten worden verstrekt aan gemeenten dienen uiterlijk 31 december 2027 door gemeenten te zijn besteed.

  • 7. Gedeputeerde staten besteden de specifieke uitkering alleen aan activiteiten die na 1 januari 2021 zijn gestart.

  • 8. In afwijking van het vierde lid, kunnen gedeputeerde staten een lager bedrag, dan het voor die gemeente in bijlage II opgenomen bedrag, op grond van het derde lid aan een gemeente verstrekken, indien de op het moment van verstrekking te verwachten werkelijke kosten lager liggen dan het voor die gemeente in bijlage II opgenomen bedrag.

  • 9. Indien gedeputeerde staten op grond van het achtste lid een lager bedrag verstrekken dan het bedrag opgenomen in bijlage II, dan kunnen zij het verschil tussen het verstrekte bedrag en het voor die gemeente in bijlage II opgenomen bedrag verstrekken aan een andere gemeente, of andere gemeentes, voor activiteiten als bedoeld in het derde lid, op een wijze die naar opvatting van gedeputeerde staten bijdraagt aan een doelmatige versnelling van de isolatie van gebouwen, ook als daarmee in totaal een ander bedrag wordt verstrekt dan het voor die andere gemeente, of andere gemeentes, in bijlage II opgenomen bedrag.

Artikel 6. Informatievoorziening na uitkering

  • 1. Gedeputeerde staten informeren de Minister op verzoek over de voortgang van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verstrekt.

  • 2. Gedeputeerde staten verlenen op verzoek van de Minister medewerking en verstrekken op verzoek van de Minister informatie ten behoeve van de voortgang en evaluatie van de doelmatigheid en doeltreffendheid van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verstrekt.

  • 3. Gedeputeerde staten informeren de Minister, in het jaar dat de provincie de in artikel 7, tweede lid, bedoelde eindverantwoording aan de Minister heeft verstrekt, over het aantal gemeenten dat de middelen heeft ontvangen voor het opstellen dan wel het uitvoeren van het soortenmanagementplan.

Artikel 7. Verantwoording, terugvordering en vaststelling

  • 1. Gedeputeerde staten leggen verantwoording af over de besteding van de specifieke uitkering op de wijze bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

  • 2. Indien uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, blijkt dat de specifieke uitkering niet volledig of onrechtmatig is besteed, kan de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door de Minister worden teruggevorderd. De Minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering aan gedeputeerde staten.

  • 3. De Minister stelt de specifieke uitkering vast uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de gedeputeerde staten, op de in het eerste lid bedoelde wijze, de eindverantwoording aan de Minister hebben verstrekt.

Artikel 8. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2029, met dien verstande dat deze regeling van toepassing blijft op specifieke uitkeringen die voor die datum zijn verstrekt.

Artikel 9. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering versnelling natuurinclusief isoleren.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, H.M. de Jonge

BIJLAGE I MET DE BEDRAGEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 5, EERSTE, TWEEDE, DERDE EN VIJFDE LID

Provincie

Verdeling middelen ter verstrekking aan gemeenten voor SMP’s (excl. btw)

Verdeling middelen voor ondersteunende taken provincies (excl. btw)

Totale specifieke uitkering per provincie (excl. btw)

Drenthe

€ 1.137.712

€ 419.177

€ 1.556.889

Flevoland

€ 568.213

€ 209.267

€ 777.480

Fryslân

€ 1.556.107

€ 553.478

€ 2.109.585

Gelderland

€ 4.447.204

€ 1.587.319

€ 6.034.523

Groningen

€ 1.161.414

€ 456.056

€ 1.617.470

Limburg

€ 2.817.647

€ 1.022.107

€ 3.839.754

Noord-Brabant

€ 5.378.403

€ 1.990.727

€ 7.369.130

Noord-Holland

€ 5.048.213

€ 1.975.621

€ 7.023.834

Overijssel

€ 2.344.949

€ 860.634

€ 3.205.584

Utrecht

€ 2.522.416

€ 936.926

€ 3.459.343

Zeeland

€ 1.061.392

€ 368.479

€ 1.429.871

Zuid-Holland

€ 6.173.512

€ 2.463.645

€ 8.637.157

Totaal

34.217.182

12.843.436

47.060.618

BIJLAGE II MET DE BEDRAGEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 5, VIERDE, VIJFDE, ACHTSTE EN NEGENDE LID

De bedragen exclusief btw die gemeenten ontvangen, indien zij door de gedeputeerde staten zijn geselecteerd voor een verstrekking:

  • 1. In de provincie Drenthe zijn de bedragen als volgt:

    • a. Gemeente Assen: € 226.853;

    • b. Gemeente Coevorden: € 176.991;

    • c. Gemeente Emmen: € 402.692;

    • d. Gemeente Hoogeveen: € 223.347;

    • e. Gemeente Meppel: € 138.348;

    • f. Gemeente Aa en Hunze: € 154.631;

    • g. Gemeente Borger-Odoorn: € 152.060;

    • h. Gemeente De Wolden: € 141.698;

    • i. Gemeente Noordenveld: € 178.082;

    • j. Gemeente Westerveld: € 126.428;

    • k. Gemeente Tynaarlo: € 189.301;

    • l. Gemeente Midden-Drenthe: € 164.993.

  • 2. In de provincie Flevoland zijn de bedragen als volgt:

    • a. Gemeente Almere: € 376.827;

    • b. Gemeente Zeewolde: € 89.733;

    • c. Gemeente Noordoostpolder: € 188.755;

    • d. Gemeente Urk: € 96.044;

    • e. Gemeente Dronten: € 138.193;

    • f. Gemeente Lelystad: € 246.875.

  • 3. In de provincie Fryslân zijn de bedragen als volgt:

    • a. Gemeente Achtkarspelen: € 145.828;

    • b. Gemeente Ameland: € 63.634;

    • c. Gemeente Harlingen: € 100.173;

    • d. Gemeente Heerenveen: € 204.259;

    • e. Gemeente Leeuwarden: € 426.376;

    • f. Gemeente Ooststellingwerf: € 144.036;

    • g. Gemeente Opsterland: € 157.202;

    • h. Gemeente Schiermonnikoog: € 54.363;

    • i. Gemeente Smallingerland: € 226.151;

    • j. Gemeente Terschelling: € 68.698;

    • k. Gemeente Vlieland: € 52.649;

    • l. Gemeente Weststellingwerf: € 140.841;

    • m. Gemeente Tytsjerksteradiel: € 175.043;

    • n. Gemeente Dantumadiel: € 113.418;

    • o. Gemeente Súdwest-Fryslân: € 361.011;

    • p. Gemeente De Fryske Marren: € 229.891;

    • q. Gemeente Waadhoeke: € 227.554;

    • r. Gemeente Noardeast-Fryslân: € 221.087.

  • 4. In de provincie Gelderland zijn de bedragen als volgt:

    • a. Gemeente Aalten: € 161.098;

    • b. Gemeente Apeldoorn: € 570.274;

    • c. Gemeente Arnhem: € 424.117;

    • d. Gemeente Barneveld: € 192.573;

    • e. Gemeente Beuningen: € 137.803;

    • f. Gemeente Brummen: € 122.611;

    • g. Gemeente Buren: € 139.984;

    • h. Gemeente Culemborg: € 129.155;

    • i. Gemeente Doesburg: € 83.423;

    • j. Gemeente Doetinchem: € 217.426;

    • k. Gemeente Druten: € 100.641;

    • l. Gemeente Duiven: € 125.493;

    • m. Gemeente Ede: € 406.821;

    • n. Gemeente Elburg: € 121.131;

    • o. Gemeente Epe: € 171.927;

    • p. Gemeente Ermelo: € 133.985;

    • q. Gemeente Harderwijk: € 164.915;

    • r. Gemeente Hattem: € 94.720;

    • s. Gemeente Heerde: € 115.443;

    • t. Gemeente Heumen: € 105.860;

    • u. Gemeente Lochem: € 176.290;

    • v. Gemeente Maasdriel: € 131.882;

    • w. Gemeente Nijkerk: € 176.991;

    • x. Gemeente Nijmegen: € 464.162;

    • y. Gemeente Oldebroek: € 120.741;

    • z. Gemeente Putten: € 120.741;

    • aa. Gemeente Renkum: € 181.588;

    • bb. Gemeente Rheden: € 215.400;

    • cc. Gemeente Rozendaal: € 56.700;

    • dd. Gemeente Scherpenzeel: € 82.332;

    • ee. Gemeente Tiel: € 147.308;

    • ff. Gemeente Voorst: € 134.920;

    • gg. Gemeente Wageningen: € 126.662;

    • hh. Gemeente Westervoort: € 102.510;

    • ii. Gemeente Winterswijk: € 171.382;

    • jj. Gemeente Wijchen: € 178.549;

    • kk. Gemeente Zaltbommel: € 133.908;

    • ll. Gemeente Zevenaar: € 200.519;

    • mm. Gemeente Zutphen: € 183.847;

    • nn. Gemeente Nunspeet: € 132.349;

    • oo. Gemeente West Maas en Waal: € 118.482;

    • pp. Gemeente Oude IJsselstreek: € 200.597;

    • qq. Gemeente Oost Gelre: € 167.019;

    • rr. Gemeente Lingewaard: € 199.507;

    • ss. Gemeente Overbetuwe: € 177.926;

    • tt. Gemeente Neder-Betuwe: € 114.275;

    • uu. Gemeente Berkelland: € 208.310;

    • vv. Gemeente Bronckhorst: € 193.975;

    • ww. Gemeente Berg en Dal: € 167.330;

    • xx. Gemeente Montferland: € 172.862;

    • yy. Gemeente West Betuwe: € 215.945.

  • 5. In de provincie Groningen zijn de bedragen als volgt:

    • a. Gemeente Groningen: € 581.025;

    • b. Gemeente Stadskanaal: € 163.123;

    • c. Gemeente Veendam: € 152.761;

    • d. Gemeente Pekela: € 95.966;

    • e. Gemeente Oldambt: € 192.105;

    • f. Gemeente Westerwolde: € 151.515;

    • g. Gemeente Midden-Groningen: € 259.652;

    • h. Gemeente Het Hogeland: € 239.552;

    • i. Gemeente Westerkwartier: € 264.171;

    • j. Gemeente Eemsdelta: € 222.957.

  • 6. In de provincie Limburg zijn de bedragen als volgt:

    • a. Gemeente Landgraaf: € 205.428;

    • b. Gemeente Beek: € 123.468;

    • c. Gemeente Beesel: € 100.563;

    • d. Gemeente Bergen: € 103.445;

    • e. Gemeente Brunssum: € 163.824;

    • f. Gemeente Gennep: € 110.769;

    • g. Gemeente Heerlen: € 336.704;

    • h. Gemeente Kerkrade: € 217.581;

    • i. Gemeente Maastricht: € 349.169;

    • j. Gemeente Meerssen: € 139.050;

    • k. Gemeente Mook en Middelaar: € 83.501;

    • l. Gemeente Nederweert: € 108.743;

    • m. Gemeente Roermond: € 225.606;

    • n. Gemeente Simpelveld: € 94.486;

    • o. Gemeente Stein: € 166.084;

    • p. Gemeente Vaals: € 84.981;

    • q. Gemeente Venlo: € 393.421;

    • r. Gemeente Venray: € 182.133;

    • s. Gemeente Voerendaal: € 105.237;

    • t. Gemeente Weert: € 232.306;

    • u. Gemeente Valkenburg aan de Geul: € 117.391;

    • v. Gemeente Horst aan de Maas: € 206.986;

    • w. Gemeente Leudal: € 206.596;

    • x. Gemeente Maasgouw: € 157.903;

    • y. Gemeente Roerdalen: € 144.036;

    • z. Gemeente Echt-Susteren: € 181.899;

    • aa. Gemeente Gulpen-Wittem: € 112.716;

    • bb. Gemeente Sittard-Geleen: € 394.979;

    • cc. Gemeente Peel en Maas: € 205.739;

    • dd. Gemeente Eijsden-Margraten: € 160.396;

    • ee. Gemeente Beekdaelen: € 220.152.

  • 7. In de provincie Noord-Brabant zijn de bedragen als volgt:

    • a. Gemeente Asten: € 107.497;

    • b. Gemeente Baarle-Nassau: € 73.996;

    • c. Gemeente Bergen op Zoom: € 257.938;

    • d. Gemeente Best: € 137.647;

    • e. Gemeente Boekel: € 83.734;

    • f. Gemeente Boxtel: € 154.943;

    • g. Gemeente Breda: € 587.336;

    • h. Gemeente Deurne: € 157.592;

    • i. Gemeente Dongen: € 141.465;

    • j. Gemeente Eersel: € 124.169;

    • k. Gemeente Eindhoven: € 640.625;

    • l. Gemeente Etten-Leur: € 166.473;

    • m. Gemeente Geertruidenberg: € 124.325;

    • n. Gemeente Gilze en Rijen: € 131.960;

    • o. Gemeente Goirle: € 134.141;

    • p. Gemeente Helmond: € 265.106;

    • q. Gemeente 's-Hertogenbosch: € 452.943;

    • r. Gemeente Heusden: € 198.494;

    • s. Gemeente Hilvarenbeek: € 106.795;

    • t. Gemeente Loon op Zand: € 131.259;

    • u. Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten: € 141.387;

    • v. Gemeente Oirschot: € 121.520;

    • w. Gemeente Oisterwijk: € 169.668;

    • x. Gemeente Oosterhout: € 222.100;

    • y. Gemeente Oss: € 335.535;

    • z. Gemeente Rucphen: € 130.635;

    • aa. Gemeente Sint-Michielsgestel: € 157.825;

    • bb. Gemeente Someren: € 115.599;

    • cc. Gemeente Son en Breugel: € 113.262;

    • dd. Gemeente Steenbergen: € 139.595;

    • ee. Gemeente Tilburg: € 578.610;

    • ff. Gemeente Valkenswaard: € 158.838;

    • gg. Gemeente Veldhoven: € 203.090;

    • hh. Gemeente Vught: € 160.396;

    • ii. Gemeente Waalre: € 122.143;

    • jj. Gemeente Waalwijk: € 204.259;

    • kk. Gemeente Woensdrecht: € 140.374;

    • ll. Gemeente Zundert: € 132.739;

    • mm. Gemeente Gemert-Bakel: € 144.114;

    • nn. Gemeente Halderberge: € 152.917;

    • oo. Gemeente Heeze-Leende: € 111.470;

    • pp. Gemeente Laarbeek: € 128.999;

    • qq. Gemeente Reusel-De Mierden: € 97.992;

    • rr. Gemeente Roosendaal: € 306.008;

    • ss. Gemeente Cranendonck: € 134.219;

    • tt. Gemeente Moerdijk: € 181.821;

    • uu. Gemeente Drimmelen: € 154.553;

    • vv. Gemeente Bernheze: € 147.542;

    • ww. Gemeente Alphen-Chaam: € 88.253;

    • xx. Gemeente Bergeijk: € 124.403;

    • yy. Gemeente Bladel: € 127.052;

    • zz. Gemeente Geldrop-Mierlo: € 189.924;

    • aaa. Gemeente Meierijstad: € 321.044;

    • bbb. Gemeente Altena: € 223.658;

    • ccc. Gemeente Land van Cuijk: € 364.050;

    • ddd. Gemeente Maashorst: € 232.774.

  • 8. In de provincie Noord-Holland zijn de bedragen als volgt:

    • a. Gemeente Aalsmeer: € 122.221;

    • b. Gemeente Alkmaar: € 431.986;

    • c. Gemeente Amstelveen: € 285.050;

    • d. Gemeente Amsterdam: € 1.562.985;

    • e. Gemeente Bergen: € 186.184;

    • f. Gemeente Beverwijk: € 170.369;

    • g. Gemeente Blaricum: € 90.435;

    • h. Gemeente Bloemendaal: € 149.801;

    • i. Gemeente Castricum: € 193.897;

    • j. Gemeente Diemen: € 115.989;

    • k. Gemeente Edam-Volendam: € 185.016;

    • l. Gemeente Enkhuizen: € 112.093;

    • m. Gemeente Haarlem: € 605.410;

    • n. Gemeente Haarlemmermeer: € 465.409;

    • o. Gemeente Heemskerk: € 164.604;

    • p. Gemeente Heemstede: € 166.006;

    • q. Gemeente Heiloo: € 146.685;

    • r. Gemeente Den Helder: € 252.562;

    • s. Gemeente Hilversum: € 370.360;

    • t. Gemeente Hoorn: € 258.561;

    • u. Gemeente Huizen: € 194.365;

    • v. Gemeente Landsmeer: € 89.889;

    • w. Gemeente Laren: € 100.952;

    • x. Gemeente Medemblik: € 189.924;

    • y. Gemeente Oostzaan: € 79.917;

    • z. Gemeente Opmeer: € 89.811;

    • aa. Gemeente Ouder-Amstel: € 90.902;

    • bb. Gemeente Purmerend: € 307.566;

    • cc. Gemeente Schagen: € 213.374;

    • dd. Gemeente Texel: € 107.419;

    • ee. Gemeente Uitgeest: € 89.266;

    • ff. Gemeente Uithoorn: € 132.583;

    • gg. Gemeente Velsen: € 275.779;

    • hh. Gemeente Zandvoort: € 114.742;

    • ii. Gemeente Zaanstad: € 469.460;

    • jj. Gemeente Drechterland: € 113.418;

    • kk. Gemeente Stede Broec: € 120.274;

    • ll. Gemeente Waterland: € 121.754;

    • mm. Gemeente Wormerland: € 100.952;

    • nn. Gemeente Koggenland: € 128.454;

    • oo. Gemeente Wijdemeren: € 145.828;

    • pp. Gemeente Hollands Kroon: € 212.985;

    • qq. Gemeente Gooise Meren: € 290.738;

    • rr. Gemeente Dijk en Waard: € 280.454.

  • 9. In de provincie Overijssel zijn de bedragen als volgt:

    • a. Gemeente Almelo: € 256.847;

    • b. Gemeente Borne: € 123.857;

    • c. Gemeente Dalfsen: € 146.217;

    • d. Gemeente Deventer: € 318.083;

    • e. Gemeente Enschede: € 465.175;

    • f. Gemeente Haaksbergen: € 129.856;

    • g. Gemeente Hardenberg: € 240.720;

    • h. Gemeente Hellendoorn: € 177.692;

    • i. Gemeente Hengelo: € 311.383;

    • j. Gemeente Kampen: € 199.507;

    • k. Gemeente Losser: € 129.077;

    • l. Gemeente Oldenzaal: € 157.981;

    • m. Gemeente Ommen: € 109.756;

    • n. Gemeente Raalte: € 169.823;

    • o. Gemeente Staphorst: € 100.017;

    • p. Gemeente Tubbergen: € 112.483;

    • q. Gemeente Wierden: € 131.882;

    • r. Gemeente Zwolle: € 363.037;

    • s. Gemeente Twenterand: € 149.022;

    • t. Gemeente Steenwijkerland: € 190.625;

    • u. Gemeente Hof van Twente: € 173.875;

    • v. Gemeente Rijssen-Holten: € 160.241;

    • w. Gemeente Olst-Wijhe: € 112.639;

    • x. Gemeente Dinkelland: € 142.711;

    • y. Gemeente Zwartewaterland: € 117.391.

  • 10. In de provincie Utrecht zijn de bedragen als volgt:

    • a. Gemeente Amersfoort: € 420.377;

    • b. Gemeente Baarn: € 149.100;

    • c. Gemeente De Bilt: € 217.659;

    • d. Gemeente Bunnik: € 111.937;

    • e. Gemeente Bunschoten: € 119.494;

    • f. Gemeente Eemnes: € 79.761;

    • g. Gemeente Houten: € 154.787;

    • h. Gemeente Leusden: € 162.967;

    • i. Gemeente Lopik: € 97.992;

    • j. Gemeente Montfoort: € 99.939;

    • k. Gemeente Renswoude: € 62.387;

    • l. Gemeente Rhenen: € 108.198;

    • m. Gemeente Soest: € 215.867;

    • n. Gemeente Utrecht: € 751.022;

    • o. Gemeente Veenendaal: € 217.270;

    • p. Gemeente Woudenberg: € 89.967;

    • q. Gemeente Wijk bij Duurstede: € 130.012;

    • r. Gemeente IJsselstein: € 124.636;

    • s. Gemeente Zeist: € 241.889;

    • t. Gemeente Nieuwegein: € 259.107;

    • u. Gemeente Oudewater: € 85.526;

    • v. Gemeente Woerden: € 203.636;

    • w. Gemeente De Ronde Venen: € 198.572;

    • x. Gemeente Utrechtse Heuvelrug: € 228.722;

    • y. Gemeente Stichtse Vecht: € 292.140;

    • z. Gemeente Vijfheerenlanden: € 221.866.

  • 11. In de provincie Zeeland zijn de bedragen als volgt:

    • a. Gemeente Borsele: € 138.193;

    • b. Gemeente Goes: € 160.630;

    • c. Gemeente Hulst: € 166.006;

    • d. Gemeente Kapelle: € 93.551;

    • e. Gemeente Middelburg: € 219.919;

    • f. Gemeente Reimerswaal: € 123.624;

    • g. Gemeente Terneuzen: € 277.415;

    • h. Gemeente Tholen: € 138.115;

    • i. Gemeente Veere: € 155.566;

    • j. Gemeente Vlissingen: € 207.687;

    • k. Gemeente Schouwen-Duiveland: € 185.639;

    • l. Gemeente Noord-Beveland: € 89.967;

    • m. Gemeente Sluis: € 166.473.

  • 12. In de provincie Zuid-Holland zijn de bedragen als volgt:

    • a. Gemeente Alblasserdam: € 106.873;

    • b. Gemeente Alphen aan den Rijn: € 406.354;

    • c. Gemeente Barendrecht: € 127.675;

    • d. Gemeente Capelle aan den IJssel: € 237.448;

    • e. Gemeente Delft: € 274.221;

    • f. Gemeente Dordrecht: € 432.687;

    • g. Gemeente Gorinchem: € 126.117;

    • h. Gemeente Gouda: € 293.075;

    • i. Gemeente 's-Gravenhage: € 1.285.630;

    • j. Gemeente Hardinxveld-Giessendam: € 106.250;

    • k. Gemeente Hendrik-Ido-Ambacht: € 129.778;

    • l. Gemeente Hillegom: € 126.117;

    • m. Gemeente Katwijk: € 236.357;

    • n. Gemeente Krimpen aan den IJssel: € 139.984;

    • o. Gemeente Leiden: € 380.021;

    • p. Gemeente Leiderdorp: € 149.411;

    • q. Gemeente Lisse: € 124.403;

    • r. Gemeente Maassluis: € 139.205;

    • s. Gemeente Nieuwkoop: € 145.983;

    • t. Gemeente Noordwijk: € 195.455;

    • u. Gemeente Oegstgeest: € 133.985;

    • v. Gemeente Papendrecht: € 152.606;

    • w. Gemeente Ridderkerk: € 193.430;

    • x. Gemeente Rotterdam: € 1.290.928;

    • y. Gemeente Rijswijk: € 201.844;

    • z. Gemeente Schiedam: € 257.003;

    • aa. Gemeente Sliedrecht: € 120.897;

    • bb. Gemeente Albrandswaard: € 101.342;

    • cc. Gemeente Vlaardingen: € 254.588;

    • dd. Gemeente Voorschoten: € 141.698;

    • ee. Gemeente Voorne aan zee: € 308.423;

    • ff. Gemeente Waddinxveen: € 135.544;

    • gg. Gemeente Wassenaar: € 147.697;

    • hh. Gemeente Zoetermeer: € 366.698;

    • ii. Gemeente Zoeterwoude: € 83.033;

    • jj. Gemeente Zwijndrecht: € 205.038;

    • kk. Gemeente Teylingen: € 160.474;

    • ll. Gemeente Lansingerland: € 173.875;

    • mm. Gemeente Westland: € 362.959;

    • nn. Gemeente Midden-Delfland: € 102.666;

    • oo. Gemeente Kaag en Braassem: € 135.544;

    • pp. Gemeente Zuidplas: € 171.148;

    • qq. Gemeente Bodegraven-Reeuwijk: € 171.148;

    • rr. Gemeente Leidschendam-Voorburg: € 339.041;

    • ss. Gemeente Goeree-Overflakkee: € 209.323;

    • tt. Gemeente Pijnacker-Nootdorp: € 151.437;

    • uu. Gemeente Nissewaard: € 318.239;

    • vv. Gemeente Krimpenerwaard: € 239.318;

    • ww. Gemeente Hoeksche Waard: € 361.868;

    • xx. Gemeente Molenlanden: € 192.183.

TOELICHTING

1. Inleiding

Deze ministeriele regeling strekt ertoe dat een specifieke uitkering wordt verstrekt aan provincies voor het versnellen van de isolatieopgave in de gebouwde omgeving door middel van het voorbereiden, opstellen, implementeren en monitoren van soortenmanagementplannen (hierna: SMP’s) waardoor de bescherming van diersoorten bij de na-isolatie van gebouwen gewaarborgd blijft. Deze middelen – in totaal 40 miljoen euro, inclusief btw – dienen zij beschikbaar te stellen aan gemeenten. Daarnaast kan in totaal 14 miljoen euro, inclusief btw, van de specifieke uitkering worden gebruikt door provincies voor het adviseren over SMP’s en het beoordelen van aanvragen, vrijstellingen en vergunningen die worden onderbouwd met een SMP met eenzelfde doel. Daarnaast kunnen deze middelen worden ingezet voor het handhaven van voorschriften ter bescherming van beschermde diersoorten om isolatie mogelijk te maken. Deze middelen kunnen ook worden ingezet voor directe kosten verboden aan de activiteiten van deze specifieke uitkering. Ten minste 60% van deze 14 miljoen euro wordt ingezet om gemeenten te ondersteunen bij het plaatsen van alternatieve verblijven of deze op een andere wijze te realiseren.

Bij het isoleren van woningen en gebouwen moet aan de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) worden voldaan. De Wnb bevat verbodsbepalingen voor het opzettelijk doden, hinderen en verstoren van onder andere in de habitat- en vogelrichtlijn opgenomen beschermde soorten, zoals vleermuizen en inheemse vogels. Burgers en bedrijven hebben met deze verbodsbepalingen te maken wanneer zij hun gebouwen willen isoleren. Daarnaast is in artikel 1.11 Wnb opgenomen dat een ieder voldoende zorg moet dragen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

Gedeputeerde staten zijn bevoegd om een ontheffing te verlenen van verboden voor handelingen met betrekking tot beschermde diersoorten op grond van de Wnb. Een ontheffing wordt echter alleen verleend indien er geen andere bevredigende oplossing is, zij nodig is voor een wettelijk belang en de maatregelen niet leiden tot een verslechtering van de instandhouding van de betreffende soort.

Dit betekent dat bij na-isolatie de noodzakelijke maatregelen moeten worden genomen om nadelige gevolgen voor beschermde dieren te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Een uitspraak door de Raad van State – waarin werd geoordeeld dat het verrichten van een enkel endoscopisch onderzoek onvoldoende was om aan de zorgplicht te voldoen – onderstreept het belang hiervan.1 Deze uitspraak heeft geleid tot veel onzekerheid over de reikwijdte van de zorgplicht van artikel 1.11 Wnb en de kosten die het voor gebouweigenaren en ondernemers met zich mee kon brengen om, deze zorgplicht in acht nemend, over te gaan tot isolatie van hun woning of gebouw.

Zoals vermeld in een Kamerbrief van 4 oktober jl. wordt er op de korte termijn gekozen voor een werkwijze waarbij isolatiebedrijven de zorgplicht uit de Wnb in acht nemen door te werken volgens de voorschriften van het “natuurvriendelijk isoleren”.2 Met deze methode worden woningen eerst natuurvrij gemaakt, wordt gewerkt volgens de natuurkalender en worden alternatieve verblijfplaatsen verzorgd.

Voor de middellange- en lange termijn wordt er ingezet op gemeentelijke soortenmanagementplannen. In het soortenmanagementplan wordt de (stads)natuur in kaart gebracht en worden er maatregelen getroffen om deze te stimuleren. Er worden maatregelen genomen om de biodiversiteit langdurig te beschermen en te verbeteren, wat de wettelijke grond is om een gebiedsgerichte ontheffing te krijgen. Door een uitgebreid, jaarrond ecologisch onderzoek worden alle mogelijke populaties in kaart gebracht en gevolgd. Naar aanleiding hiervan worden er ook maatregelen getroffen, zoals het creëren van alternatieve verblijfplaatsen en kraamverblijven voor vleermuizen of het plaatsen van nestkasten of het creëren van een valse spouwmuur waar (vooral) vleermuizen graag in verblijven. De specifieke uitkering kan ook worden ingezet voor een zogenaamd pre-SMP. Met een pre-SMP wordt in de twee jaar vóór het SMP al een beperktere ontheffing verleend, waardoor een aantal gebouwen al kan worden geïsoleerd.3 Het is echter wel uiteindelijk ter beoordeling van gedeputeerde staten of een pre-smp voldoende basis biedt voor een ontheffing van een verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming.

De inzet op het soortenmanagementplan is een oplossing waarmee de bescherming van de natuur samengaat met de noodzakelijke verduurzaming. Daarbij zorgt het voor een extra plus op het gebied van biodiversiteit en ontzorgt het inwoners en ondernemers. Naar verwachting wordt in januari 2024 een handreiking over soortenmanagementplannen gepubliceerd door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Sinds 1 januari 2017 zijn gedeputeerde staten bevoegd om ontheffing te verlenen in het kader van soortenbescherming. Hiermee zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag. Op basis van het soortenmanagementplan kan de gedeputeerde staten aan de gemeente een gebiedsontheffing verlenen. Hiermee wordt in één keer een ontheffing verleend aan een gemeente, waar individuele burgers, woningcorporaties en VvE’s ook gebruik van kunnen maken. Hierdoor hoeven particuliere woningeigenaren geen ontheffing per individuele woning meer aan te vragen bij de gedeputeerde staten. Met de ontheffing wordt men ontheft van de verbodsbepalingen uit de Wnb en kunnen isolatiewerkzaamheden voortgezet worden. Een gebiedsgerichte ontheffing wordt in de praktijk verleend voor vijf tot tien jaar. Voor een gebiedsgerichte ontheffing gelden eveneens de eisen die aan een reguliere ontheffing worden gesteld.

2. Inhoud van de regeling

Met deze regeling wordt aan provincies een specifieke uitkering toegekend voor activiteiten van de provincie die zijn gericht op het tot stand laten komen van SMP’s binnen de gemeenten van hun provincie.

In de regeling is opgenomen dat provincies € 14 miljoen (incl btw) van het totale bedrag kunnen inzetten voor hun adviserende en ondersteunende taken naar gemeenten toe en bepaalde handhavingstaken, waarvan 60% is bedoeld om gemeenten te ondersteunen bij het plaatsen van alternatieve verblijven. De overige € 40 miljoen (incl. btw) is bestemd voor gemeenten die hiermee SMP’s voorbereiden, opstellen, implementeren en monitoren. De middelen zijn dus opgesplitst in twee categorieën.

De tabel in Bijlage I geeft de totale bedragen weer die aan iedere provincie worden uitgekeerd. Hierin wordt ook inzichtelijk hoe de middelen per provincie worden verdeeld over de verschillende activiteiten.

Rol van provincies

Om SMP’s te kunnen realiseren is de rol van de provincies van cruciaal belang. Gedeputeerde staten zijn op grond van de Wet natuurbescherming bevoegd gezag voor het verlenen van voor isolatie relevante ontheffingen van verboden ter bescherming van beschermde diersoorten. Provincies ontvangen al middelen uit het provinciefonds om hun taken als bevoegd gezag op grond van de Wet natuurbescherming uit te voeren. Om de gewenste snelheid van de landelijke uitrol van SMP’s te behalen zal er echter sprake zijn van een piekbelasting op korte termijn op de personele capaciteit van de provincies. Provincies worden geacht gemeenten te adviseren over het SMP en de aanvraag tot een gebiedsgerichte ontheffing. Ook zullen zij de aanvraag tot gebiedsgerichte ontheffing van gemeenten moeten beoordelen. Daarnaast kunnen er ook kosten gemoeid gaan met het proces dat ten grondslag ligt aan het opstarten van een SMP-traject.

Een derde activiteit die provincies met deze middelen kunnen bekostigen is het ondersteunen van gemeenten bij het plaatsen van, of anderszins realiseren van alternatieve verblijven. Door bouwwerkzaamheden, zoals na-isolatie, kunnen verblijfplaatsen van beschermde diersoorten verloren gaan. Door het inrichten van alternatieve verblijfplaatsen kan dit worden gecompenseerd.

Er is gekozen om gedeputeerde staten ook een belangrijke rol te geven in het verdelen van de middelen binnen hun gemeente. De gedeputeerde staten hebben naast veel inhoudelijke kennis over natuurbescherming ook goed zicht op de lokale omstandigheden binnen hun provincie. Zij kunnen dus het beste beoordelen welke gemeenten het eerst met deze middelen aan de slag moeten kunnen om een SMP op te stellen, zodat op een doelmatige manier snel vooruitgang kan worden gemaakt met het realiseren van de isolatieopgave. Als gevolg van de bedragen opgenomen in bijlage II, kunnen gedeputeerde staten gemiddeld ongeveer 50% van de gemeenten binnen hun provincie selecteren. Aan deze gemeenten verstrekken zij het bedrag dat is opgenomen in bijlage II. Hiermee is verzekerd dat met deze tranche een grote groep gemeenten in Nederland aan de slag kan met activiteiten in het kader van een SMP.

Middelen voor SMP’s (gemeenten)

De overige middelen (€ 40 mln. inclusief btw) moeten door de provincie worden verstrekt aan gemeenten ter ondersteuning van de totstandkoming van SMP’s en, indien nodig, alternatieve verblijfplaatsen voor beschermde soorten, vooruitlopend op het SMP. Lopende SMP’s en/of de uitvoering en monitoring van al tot stand gekomen SMP’s kunnen met de middelen ook bekostigd worden. Ook kunnen woningcorporaties bij het proces betrokken worden, aangezien zij ook gebaat zijn bij de verlening van een gebiedsgerichte ontheffing.

Het soortenmanagementplan is geen wettelijk begrip. Het SMP dient ter onderbouwing voor de ontheffing in het kader van de soortenbescherming. Om ontheffing te krijgen op grond van de Wnb moet er voldaan worden aan ten minste één wettelijk belang. Met een soortenmanagementplan worden maatregelen getroffen om biodiversiteit langdurig te beschermen en te verbeteren en dit biedt een grond voor een gebiedsgerichte ontheffing. De provincie Utrecht heeft een handleiding ontwikkeld voor het opstellen van een SMP, en biedt ook informatie aan over het pre-soortenmanagementplan.4

Met deze specifieke uitkering wordt geen specifieke vorm van het SMP voorgeschreven. In de definitiebepaling wordt de inhoud van een SMP wel omschreven, zo moet een SMP een beleidsplan zijn, berustend op ecologisch onderzoek, en moet deze worden opgesteld met als doel het aanvragen van een ontheffing, vergunning of vrijstelling ter bevordering van de isolatie. Het is uiteindelijk ter beoordeling van de gedeputeerde staten als bevoegd gezag of een opgesteld SMP ook daadwerkelijk voldoet aan de natuurbeschermingsvereisten die voortvloeien uit wetgeving en jurisprudentie.

In artikel 5, tweede lid, is wel bepaald dat een SMP, om te voldoen aan de voorwaarden van deze specifieke uitkering ten minste het volledig stedelijk gebied van één gemeente moet dekken. Dit betekent dat SMP’s die bijvoorbeeld gericht zijn op wijkniveau niet in aanmerking komen voor middelen vanuit deze regeling. Wel kunnen SMP’s een gebied beslaan dat groter is dan dat van één enkele gemeente, bijvoorbeeld wanneer er bovenlokaal gewerkt wordt. Het stedelijk gebied omvat het stedenbouwkundig samenstel van bebouwing dat is toegelaten. Of een stedelijk gebied is toegelaten is thans doorgaans gebaseerd op een bestemmingsplan. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet zal dit zijn toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning.

De middelen kunnen ook voor lopende SMP-trajecten worden ingezet. Zo kan het bijvoorbeeld voorkomen dat een SMP al is opgesteld, maar dat er nog compenserende of mitigerende handelingen moeten worden verricht. Hier zouden de middelen op grond van artikel 2, derde lid, vervolgens voor kunnen worden ingezet. Bij een nog verder gevorderd SMP-traject zouden de middelen bijvoorbeeld kunnen worden besteed aan monitoring van de stand van de beschermde diersoorten. Er kan ook voor worden gekozen om SMP’s op te stellen die gemeentegrens overstijgend zijn.

De middelen dienen uiterlijk 1 januari 2026 door gedeputeerde staten aan gemeenten te worden verstrekt. Deze middelen dienen uiterlijk 31 december 2027 door de gemeente te zijn besteed.

Verdeling middelen aan gemeenten

Provincies zijn verplicht om middelen beschikbaar te stellen aan gemeenten. Gedeputeerde staten kunnen zelf bepalen hoe zij dit doen, mits het naar hun oordeel bijdraagt aan een doelmatige verbetering van de isolatie van gebouwen in hun provincie. Er kan worden gedacht aan het inrichten van een aanvraagprocedure. Gedeputeerde staten kiezen dus welke gemeenten binnen hun provincie de middelen ontvangen. Wel zijn ze gehouden om de door hen geselecteerde gemeenten de middelen over te maken die in bijlage II is opgenomen. Hiermee wordt bewerkstelligd dat ongeveer 50% van de gemeenten in Nederland middelen ontvangen om aan de slag te gaan met het SMP. Wel kan een lager bedrag worden vastgesteld indien er naar verwachting lagere werkelijke kosten worden gemaakt. Dit zou bijvoorbeeld kunnen blijken uit een offerte die door een gemeente is aangevraagd, waaruit blijkt dat er naar verwachting een lager bedrag wordt uitgegeven. Gedeputeerde staten kunnen deze middelen overmaken naar een andere gemeente, of naar andere gemeentes. In deze gevallen kunnen gedeputeerde staten afwijken van de bedragen genoemd in bijlage II. Ook kan bij één gemeente in een provincie het bedrag lager worden vastgesteld dan is opgenomen in bijlage II omdat er anders een restbedrag zou overblijven.

De bedragen die gemeenten kunnen ontvangen zijn de bedragen opgenomen in Bijlage II. Deze verdeling is gebaseerd op een basisbedrag van € 50.000 met daarbovenop een bedrag dat per gemeente varieert, gebaseerd op het aantal koopwoningen geselecteerd op bouwjaar van voor 1992, op gemeenteniveau. Hiervoor is gekozen omdat voor deze gebouwen het belang van spouwmuurisolatie het grootst is. Dit hangt samen met de veranderingen in bouwregels in 1992.

Op grond van artikel 3, onderdeel c, kunnen provincies middelen inzetten om gemeenten te ondersteunen om alternatieve verblijfplaatsen te realiseren. Provincies kunnen deze middelen aan gemeenten doorverstrekken. Op dergelijke verstrekkingen zijn de bedragen genoemd in bijlage II uitdrukkelijk niet van toepassing. Een dergelijke verstrekking kan dus ‘bovenop’ een bedrag opgenomen in bijlage II komen. Ook kan er een dergelijke verstrekking worden gedaan aan een gemeente die geen bedrag genoemd in bijlage II ontvangt.

Verantwoording en terugvordering

In deze regeling wordt er gebruik gemaakt van Single information, Single audit-systematiek (SiSa-systematiek) tussen medeoverheden. Ten minste één keer per jaar rapporteren gedeputeerde staten in de jaarrekening conform artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, over de rechtmatigheid van bestedingen waarvoor een specifieke uitkering is verstrekt (via de SiSa verantwoording).

Daar waar sprake is van overdracht van middelen naar een medeoverheid is SiSa tussen medeoverheden van toepassing conform artikel 17a, tweede lid van de Financiële-verhoudingswet.

Indien uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat de uitkering niet volledig is besteed aan de activiteiten waarvoor deze is verstrekt of onrechtmatig zijn besteed dan kan de Minister (dat deel van) van de toegekende specifieke uitkering terugvorderen. De Minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering aan de gedeputeerde staten. De gedeputeerde staten leggen verantwoording af aan de Minister.

In het geval dat een provincie financiële middelen van de specifieke uitkering aan een gemeente ter beschikking stelt zal die gemeente aan de provincie moeten aantonen dat het geld aan de activiteiten is besteed zoals voorgeschreven in deze regeling of dat die activiteiten daadwerkelijk zijn uitgevoerd. De provincie legt verantwoording af aan de Minister.

Tijdsperiode activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen de specifieke uitkering gebruiken voor activiteiten die zijn gestart na 1 januari 2021. Kosten die zijn gemaakt voor activiteiten die zijn gestart voor of op 1 januari 2021 komen dus niet aanmerking voor financiering middels deze specifieke uitkering.

BTW

De activiteiten waarvoor de uitkering wordt verstrekt kunnen activiteiten zijn waarover de provincie BTW verschuldigd is. De uitkering wordt niet verstrekt voor deze verschuldigde BTW, aangezien de provincies en gemeenten zich kunnen beroepen op het BTW-compensatiefonds. Voor de middelen bestemd voor gemeenten om SMP’s mee te vergoeden is gerekend met een btw-percentage van 17,5%. Dit is gebaseerd op de verwachting dat met deze middelen veel externe ecologische bureaus zullen worden ingeschakeld. Voor de middelen bedoeld voor de ondersteunende en beoordelende taken van de provincie is gerekend met een percentage van 10%. De verwachting is hier dat er meer zal worden gewerkt met interne ambtelijke capaciteit.

3. Verhouding tot hoger recht en ander nationaal recht

Staatssteun en aanbesteding

Afhankelijk van de aard van de activiteiten die met behulp van de specifieke uitkering worden uitgevoerd is het mogelijk dat er sprake is van aanbestedingsplichtige activiteiten. Dit is met name het geval indien er gewerkt wordt met externe inhuur in plaats van interne ambtelijke capaciteit.

Daarnaast zijn de provincies en de gemeenten, net als in hun reguliere werkzaamheden, verantwoordelijk voor het voldoen aan de voorschriften rondom staatssteun. De provincie is zelf verantwoordelijk voor het correct toepassen van deze Europese regels en de uitwerking in de Aanbestedingswet 2012, omdat de provincies bij de onderhavige uitkering zelf kiezen op welke wijze ze de inzet van extra mankracht vormgeven. In dit geval is deze vormgeving nog onvoldoende bepaald om op het niveau van de rijksoverheid een toets uit te voeren.

Inwerkingtreding Omgevingswet

Deze specifieke uitkering beoogt de decentrale overheden te faciliteren in het uitoefenen van bevoegdheden die zij hebben op grond van de Wet natuurbescherming. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet (1 januari 2024) gaat het instrumentarium er anders uit zien. De ontheffing wordt dan vervangen door de omgevingsvergunning. Naast het instrument van de gebiedsgerichte omgevingsvergunning, zal gedeputeerde staten ook gevallen als vergunningsvrij kunnen aanwijzen in een programma. De doelen van deze regeling en de verstrekte specifieke uitkeringen wijzigen niet.

4. Gevolgen

Administratieve lasten

Er is geen sprake van administratieve lasten voor burgers en bedrijven. Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het naar verwachting geen (omvangrijke) gevolgen voor de regeldruk heeft.

Gevolgen voor Caribisch Nederland

Deze uitkering word niet verstrekt voor Caribisch Nederland omdat de desbetreffende soorten in de gebouwde omgeving in dit gebied niet voorkomen. Daarbij wordt er in Caribisch Nederland niet zodanig geïsoleerd dat hier soorten door geraakt worden en biedt de soortenbescherming geen verdere belemmering in de isolatieopgave.

5. Financiële gevolgen rijk

In totaal is er € 54.000.000 beschikbaar voor deze specifieke uitkering. De middelen worden verstrekt aan de provincies. De provincies kunnen € 14.000.000 (incl. btw) van het totaal beschikbare bedrag inzetten voor het adviseren en, beoordelen van aanvragen voor SMP’s en het bekostigen van processen in relatie tot de totstandkoming van SMP’s, waarvan 60% wordt gebruikt om gemeenten te ondersteunen bij het plaatsen van alternatieve verblijven. Het grootste deel van het bedrag, namelijk € 40.000.000, dient te worden verstrekt aan gemeenten voor het voorbereiden, opstellen, implementeren en monitoren van SMP’s binnen de gemeenten. De specifieke verdeling van het beschikbare bedrag over de provincies is gebaseerd op het aantal gemeenten binnen de provincie. Op het totale bedrag van € 54.000.000 wordt nog een bedrag in mindering gebracht voor een bijdrage aan het BTW-compensatiefonds.

De huidige middelen in deze SPUK zijn toereikend voor de helft van alle gemeenten in Nederland. Dit betekent dat provincies deze in kunnen zetten voor ongeveer 50% van het aantal gemeenten binnen de provincie. Voor de andere 50% komt naar verwachting budget vrij in het voorjaar van 2024. De regeling wordt daarom in twee tranches opgedeeld, waarbij op den duur alle gemeenten aan de beurt kunnen komen. Over deze aanvullende tweede tranche moet nog financiële besluitvorming plaatsvinden en volgt naar verwachting in het voorjaar van 2024.

De middelen die worden verstrekt met deze regeling zijn grotendeels afkomstig uit de 1e suppletoire begroting van 2023, namelijk 44 miljoen euro (incl btw). De overige 10 miljoen euro (incl. btw) berusten op de 2e suppletoire begroting van 2023, die nog niet is vastgesteld. De 2e suppletoire begroting kent terugwerkende kracht tot en met 1 december van dat jaar, waardoor inwerkingtreding van deze regeling vanaf die datum mogelijk is.

6. Consultatie

De regeling is voor openbare consultatie gepubliceerd op www.internetconsultatie.nl en de consultatietermijn liep van 14 juli 2023 tot en met 7 september 2023. Verschillende partijen hebben via de internetconsultatie gereageerd op het ontwerp van de regeling. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) hebben in het kader van de Code Interbestuurlijke Verhoudingen gereageerd. De kern van de reacties is overwegend positief. Partijen hebben op onderdelen wel zorgen geuit en suggesties voor aanpassingen gedaan. Dit betrof onder meer het beschikbare bedrag voor provincies en gemeenten, de borging van de verdeelsystematiek van de middelen, het ontbreken van meerjarige zekerheid van de regeling en de behoefte aan een landelijk uniforme systematiek over de huidige situatie. Onderstaand wordt op de belangrijkste punten ingegaan.

Meer middelen voor SMP’s

Onder andere de VNG, de G40 en de Vereniging Eigen huis roepen op om op meer middelen beschikbaar te stellen voor gemeenten voor het opstellen van een SMP. De VNG geeft aan dat de inzet van € 40 miljoen voor gemeenten in de versie die in internetconsultatie is gegaan, niet in verhouding staat tot de kosten die gemeenten moeten maken. De VNG bepleit op korte termijn extra middelen in te zetten en deze desnoods uit het Nationaal Isolatieprogramma (NIP) te halen.

Het Ministerie van BZK heeft voor dit jaar € 54 miljoen beschikbaar gesteld voor de totstandkoming van SMP’s. Dit betekent ten opzichte van de versie die in consultatie ging € 8,8 mln. extra. Deze middelen komen grotendeels uit het NIP. In het NIP stond voor natuurinclusief isoleren in 2023 en 2024 € 20 mln. gereserveerd. Vanwege de urgentie tot versnelling is 20 miljoen vanuit 2024 naar 2023 geschoven en in deze regeling opgenomen. Daarbovenop is € 4 miljoen toegevoegd uit de BZK-begroting. Na de consultatieperiode is nog een extra € 10 miljoen aan deze regeling toegevoegd. Daarnaast is voorgenomen om een tweede tranche van deze regeling te openen in 2024.

Ondertussen kan er aanvullend op deze regeling gebruik worden gemaakt van de ‘Tijdelijke regeling capaciteit decentrale overheden voor klimaat- en energiebeleid’ (CDOKE) middelen om SMP’s te bekostigen. Daarbij sluit de regeling van de lokale aanpak isolatie (NIP) het gebruik van de middelen voor SMP’s niet uit. Wel worden gemeenten aangemoedigd om met de middelen natuurvriendelijk te isoleren in de lokale aanpak volgens de werkwijze die voor de korte termijn wordt ontwikkeld. Hierover heeft de Minister van BZK, mede namens de Minister voor Natuur en Stikstof, onlangs een brief heeft gestuurd aan de Tweede Kamer.7 Voor de lokale aanpak geldt in ieder geval een resultaatverplichting van ten minste 1 isolatiemaatregel voor het aantal woningen waarvoor gemeenten een aanvraag doen. Of gemeenten daarnaast middelen voor de lokale aanpak inzetten om SMP’s te bekostigen is aan gemeenten zelf. Zij kunnen zelf het beste de afweging maken hoe zij de kwetsbare huishoudens zo goed en snel mogelijk aan een lagere energierekening kunnen helpen.

Zowel IPO als VNG pleiten voor meer duidelijkheid over de middelen voor 2024. In het voorjaar van 2024 vindt financiële besluitvorming plaats over de middelen voor een voorgenomen tweede tranche van deze regeling. Het is de bedoeling dat deze tranche € 44 mln. aan middelen bevat en in 2024 opent.

Verdeling middelen over gemeenten

De VNG heeft aangegeven de verdeling van de middelen over de gemeenten graag anders te zien. Dit aangezien de kosten die de gemeenten moeten maken voor het opstellen van een SMP uiteenlopen. Het Stedennetwerk G40 (hierna: de G40), het warmtetransitiecentrum Groningen, en de gemeenten Rotterdam, Wijdemeren, Hilversum en Huizen hebben een vergelijkbare reactie.

In de definitieve versie van de regeling is de verdeelsleutel op basis van dit verzoek aangepast. De verdeelsleutel voor de middelen die beschikbaar komen voor gemeenten was in de conceptregeling gelijk verdeeld over de gemeenten, met als voorwaarde voor de provincies dat zij aan maximaal 50% van de gemeenten in de desbetreffende provincie de middelen mochten toekennen. Op dit punt waren ook reacties gekomen van o.a. het IPO, de VNG, de G40, de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE) en diverse gemeenten.

Deze verdeelsleutel is daarom aangepast om meer recht te doen aan de verschillen tussen de opgaven per gemeente. Er is hierom gekozen voor een opzet waarbij ongeveer de helft van de gemeenten geld uitgekeerd krijgt. Er geldt hierbij een basisbedrag van € 50.000. Daarbovenop komt een bedrag dat per gemeente verschilt, dat gebaseerd is op het aantal woningen met een bouwjaar voor 1992.8

Landelijke duidelijkheid

In de reacties wordt onder meer door de VNG, G40, de Vereniging Eigen Huis, de NVDE en de gemeenten Hilversum, Gooise Meren, Huizen, Wijdemeren, Rotterdam en Amsterdam gepleit voor een uniforme werkwijze voor de SMP’s. Momenteel wordt er gewerkt aan een ‘SMP-handreiking’ door het Ministerie van LNV. Deze wordt naar verwachting in januari 2024 gepubliceerd. Gemeenten en provincies kunnen deze handreiking gebruiken als leidraad. Meer informatie is te vinden in de toelichting van de regeling.

Afbakening regeling

Vanuit de VNG en G40 wordt gepleit voor een afgebakende regeling waarbij de middelen alleen voor het opstellen van een SMP kunnen worden gebruikt. Voor de mitigerende en compenserende maatregelen zou een aparte regeling gewenst zijn. In de regeling is opgenomen dat gemeenten de middelen in kunnen zetten voor het voorbereiden en opstellen van SMP’s, monitoring hiervan en het treffen van compenserende en mitigerende maatregelen. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan het feit dat gemeenten momenteel in verschillende fasen van de uitvoering van een SMP zijn. Het kan voorkomen dat er al een SMP is opgesteld, maar dat er nog compenserende of mitigerende handelingen moeten worden verricht. Bij een nog verder gevorderd SMP-traject zouden de middelen bijvoorbeeld kunnen worden besteed aan monitoring van de stand van de beschermde diersoorten. Per gemeente kan het dus verschillen waar de middelen het best ingezet kunnen worden. Op deze manier houden gemeenten de vrijheid om zelf de beste inzet te bepalen. Onder meer het Warmte Transitiecentrum Groningen en de gemeente Leusden hebben aangegeven hier behoefte aan te hebben.

In een anonieme reactie uit Gouda wordt opgemerkt dat een SMP ook als onderbouwing kan dienen voor andere activiteiten dan het isoleren van de thermische schil van gebouwen in de gebouwde omgeving. Aanpassing van de regeling is op dit punt echter niet nodig, omdat deze regeling niet voorschrijft dat een SMP zich uitsluitend richt op na-isolatie. Een SMP kan dus ook andere doelen hebben, en ook ter bescherming dienen voor andere flora en fauna dan in de definitie van het SMP in deze regeling zijn opgenomen.

De Groninger gemeenten en het Warmte Transitiecentrum Groningen geven in een gezamenlijke reactie aan dat er onduidelijkheid bestaat over of het soortenmanagementplan ook voor plattelandsgemeenten gebruikt kan worden, aangezien er in de toelichting het begrip ‘stadsnatuur’ wordt gebruikt. Het soortenmanagementplan is nadrukkelijk ook in plattelandsgemeenten in te zetten. De toelichting is op dit punt aangepast. De gemeente Rotterdam merkt op dat in de definitie van beschermde diersoorten de diersoorten onder artikel 3.8 en 3.10 niet zijn opgenomen. Dit is aangepast.

De Groninger gemeenten en het Warmte Transitiecentrum Groningen vragen of de middelen uit deze specifieke uitkering ook gebruikt kunnen worden voor zogenaamde pre-soortenmanagementplannen. Op basis van deze methode wordt, bijvoorbeeld in de provincie Utrecht, in de periode vooruitlopend op de ontheffing van een SMP al een ontheffing verleend met een beperktere omvang, gebaseerd op een modelmatige inschattingen van de staat van de natuur. Het antwoord hierop luidt bevestigend, aangezien de eigenschappen van de pre-SMP methodiek voldoen aan de definitie van het SMP, zoals gegeven in artikel één van de regeling. Dit is verduidelijkt in de toelichting. Het is belangrijk op te merken dat het voldoen aan de definitie van SMP in deze regeling niet direct betekent dat daarmee ook voldaan is aan de eisen van de Wet natuurbescherming; dit is ter beoordeling van het bevoegd gezag van de Wet natuurbescherming, de gedeputeerde staten.

Versnelling SMP’s

Een aantal anonieme reacties geven aan dat de SMP-inzet niet de nodige versnelling zal bewerkstelligen vanwege onder andere de tijdsduur van het onderzoek en de beperkte capaciteit onder ecologen. De (middel)lange termijn oplossing van het Rijk blijft de inzet op SMP’s. Tegelijkertijd is het Rijk zich ervan bewust dat de landelijke uitrol van de SMP’s tijd nodig heeft. Voor de overbrugging van deze periode is een tussentijdse oplossing aangekondigd. Hiervoor verwijzen we naar de Kamerbrief van 4 oktober jl.9

Verhoging subsidiebedragen voor bewoners

Vereniging Eigen Huis en de NVDE verzoeken om de beschikbare subsidies voor bewoners in de ISDE te verhogen om eventuele extra kosten op te vangen. Deze regeling heeft als doel het bevorderen van soortenmanagementplannen op gemeentelijk niveau en wijziging van individuele isolatiesubsidies valt dus buiten de reikwijdte. De invoering van soortenmanagementplannen op gemeentelijk niveau zal voor bewoners de kosten van natuurvriendelijk isoleren wel verlagen ten opzichte van de situatie zonder soortenmanagementplan.

7. Evaluatie en monitoring

Deze regeling betreft een uitkering aan provincies met als doel de landelijke uitrol van soortenmanagementplannen. Gezien dit karakter en de looptijd zal er eventueel enkel een eindevaluatie plaatsvinden, maar het is ook mogelijk dat er informatie over de voortgang wordt opgevraagd voor de monitoring. De tussentijdse monitoring richt zich op kerngegevens als aantallen gemeenten die gestart zijn met hun SMP en het aantal middelen dat daarmee gemoeid is.

8. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op de dag na publicatie in de Staatscourant en wijkt daarmee af van de vaste verandermomenten en de minimale invoeringstermijn voor medeoverheden. Deze afwijking is echter noodzakelijk, vanwege de urgentie van de isolatieopgave en het voorkomen van publieke nadelen, gezien het feit dat middelen nog in het jaar 2023 moeten worden uitgekeerd aan dit doel op grond van de rijksbegrotingssystematiek.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, H.M. de Jonge


X Noot
1

Raad van State, ECLI:NL:RVS:2023:2969.

X Noot
2

Brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 4 oktober 2023, 2023-0000608632, www.rijksoverheid.nl.

X Noot
7

Brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 4 oktober 2023, 2023-0000608632, www.rijksoverheid.nl.

X Noot
8

Centraal Bureau voor de Statistiek, Koopwoningen naar bouwperiode per gemeente, 1-1-2022, https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2023/42/koopwoningen-naar-bouwperiode-per-gemeente-1-1-2022

X Noot
9

Brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 4 oktober 2023, 2023-0000608632, www.rijksoverheid.nl.

Naar boven