Advies Raad van State inzake het Verdrag betreffende de automatische erkenning van diploma’s in het hoger onderwijs, Brussel, 14 september 2021 (Trb. 2021, 122)

Nader Rapport

Afdeling Verdragen

MINBUZA-2023.1331219

’s-Gravenhage, 12 oktober 2023

Aan de Koning

Nader rapport inzake het Verdrag betreffende de automatische erkenning van diploma's in het hoger onderwijs, Brussel, 14 september 2021 (Trb. 2021, 122)

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 6 oktober 2022, no. 2022002161, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk haar advies inzake het bovenvermelde verdrag rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 16 november 2022, nr. W05.22.0192/I/K, bied ik U hierbij aan.

De tekst van het advies treft U hieronder cursief aan, voorzien van mijn reactie.

Bij Kabinetsmissive van 6 oktober 2022, no. 2022002161, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt het verdrag betreffende de automatische erkenning van diploma's in het hoger onderwijs, Brussel, 14 september 2021 (Trb. 2021, 122), met toelichtende nota.

Het verdrag regelt de automatische erkenning van diploma’s in het hoger onderwijs tussen het Koninkrijk België, Estland, Letland, Litouwen, Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden.

De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk maakt een opmerking over de Koninkrijkspositie en territoriale toepassing van het verdrag. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van de toelichting.

De Afdeling onderschrijft het belang voor het Koninkrijk der Nederlanden van het verdrag inzake de automatische erkenning van diploma’s in het hoger onderwijs tussen de Benelux-landen en de Baltische staten. In artikel 10 van onderhavig verdrag wordt bepaald op welk grondgebied het verdrag van toepassing is. Daaruit blijkt dat voor wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft het verdrag van toepassing is op het Europese deel en het Caribisch deel van Nederland (Bonaire, Saba en Sint Eustatius). Volgens de toelichting is uitbreiding naar Aruba, Curaçao en Sint Maarten op grond van het verdrag mogelijk.1

De Afdeling merkt op dat uit het voorstel en de toelichting blijkt dat het verdrag wordt goedgekeurd voor het gehele Koninkrijk maar dat er nog onvoldoende zicht is op het moment van inwerkingtreding voor de Caribische landen. Dit hangt ook samen met de benodigde voorafgaande goedkeuring en inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon inzake erkenning en het Europees Cultureel Verdrag, en daarmee verbonden uitvoeringswetgeving.2

Het Verdrag van Lissabon inzake erkenning is nog niet bekrachtigd (en in werking getreden) voor de Caribische landen. Voor Aruba is het Verdrag van Lissabon inzake erkenning nog niet goedgekeurd. Het Verdrag van Lissabon inzake erkenning werd destijds wel goedgekeurd voor de Nederlandse Antillen, waardoor het voor de Afdeling onduidelijk is waarom Sint Maarten medegelding van het Verdrag van Lissabon inzake erkenning nog ‘in beraad houdt’.3 Het Europees Cultureel Verdrag is enkel goedgekeurd voor Europees Nederland.

Het is van belang dat duidelijk wordt op welke termijn de benodigde voorafgaande stappen inzake goedkeuring, bekrachtiging en uitvoering worden genomen voor onderhavig verdrag, het Verdrag van Lissabon inzake erkenning en het Europees Cultureel Verdrag in de verschillende delen van het Koninkrijk. De Afdeling adviseert om pas tot goedkeuring van onderhavig verdrag voor het gehele Koninkrijk over te gaan zodra duidelijk is op welke termijn de noodzakelijke voorafgaande stappen worden genomen.4 Daartoe is het van belang dat alle delen van het Koninkrijk op afzienbare termijn helderheid scheppen over de wenselijkheid van medegelding van het verdrag.

Daarnaast zou uit de toelichting moeten blijken of het Europees Cultureel Verdrag ook geldt op de BES-eilanden en wat dit betekent voor de goedkeuring en inwerkingtreding van onderhavig verdrag aldaar.

De Afdeling adviseert om in de toelichting op het voorgaande in te gaan.

Overeenkomstig het advies van de Raad van State van het Koninkrijk (hierna: de Raad) is paragraaf 3 van de toelichtende nota inzake de Koninkrijkspositie aangepast.

In de tweede alinea van de aangepaste paragraaf 3 is aangegeven dat behalve Curaçao, ook Sint Maarten medegelding wenst van het Verdrag van Lissabon inzake de erkenning. Dit verdrag dat destijds voor de Nederlandse Antillen werd goedgekeurd, kan voor deze landen worden aanvaard wanneer zij de uitvoeringswetgeving gereed hebben.

Op het voornemen om het onderhavige verdrag goed te keuren voor het gehele Koninkrijk kwam de Raad met het advies dat hiervoor van belang is duidelijk te hebben op welke termijn in de verschillende delen van het Koninkrijk de benodigde voorafgaande stappen inzake goedkeuring, bekrachtiging en uitvoering worden genomen voor het onderhavige verdrag, het Verdrag van Lissabon inzake erkenning en het Europees Cultureel Verdrag. Aangezien voor de Caribische landen van het Koninkrijk niet kan worden aangegeven wanneer voor deze verdragen de benodigde uitvoeringswetgeving gereed is, zal het onderhavige verdrag nu voor het Europese deel van Nederland en het Caribische deel van Nederland worden goedgekeurd. Het onderhavige verdrag zal pas voor een Caribisch land ter goedkeuring worden voorgelegd, wanneer voor dat land duidelijk is dat het Verdrag van Lissabon inzake erkenning en het Europees Cultureel Verdrag kunnen worden aanvaard.

Op advies van de Raad is in de aangepaste paragraaf 3 verduidelijkt dat het Europees Cultureel Verdrag nog wel voor het Caribische deel van Nederland dient te worden goedgekeurd en aanvaard. Daarbij is aangetekend dat zolang dit nog niet is gebeurd, dit deel van Nederland geen formeel lid kan zijn van de Europese Hogeronderwijsruimte. Wel zal het mogelijk zijn om alvast het onderhavige verdrag in het Caribische deel toe te passen overeenkomstig hetgeen in de Europese Hogeronderwijsruimte is overeengekomen op grond van onder andere artikel 1.1a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk heeft een aantal opmerkingen bij het verdrag en adviseert daarmee rekening te houden voordat het verdrag aan de beide Kamers der Staten-Generaal, de Staten van Aruba, die van Curaçao en die van Sint Maarten wordt overgelegd.

Naar aanleiding van het advies van de Raad is ervoor gekozen het onderhavige verdrag uitsluitend voor het Europese deel en het Caribische deel van Nederland ter goedkeuring aan de beide Kamers van de Staten-Generaal te overleggen. Met de regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten is afgesproken dat het onderhavige verdrag voor hun land kan worden goedgekeurd, wanneer het Verdrag van Lissabon inzake erkenning en het Europees Cultureel Verdrag kunnen worden aanvaard voor hun land. In dat geval zal het onderhavige verdrag betreffende de automatische erkenning van diploma's in het hoger onderwijs ter goedkeuring voor hun land overgelegd worden aan de Eerste en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal en aan respectievelijk de Staten van Aruba, aan de Staten van Curaçao of aan de Staten van Sint Maarten.

De vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk,

Th.C. de Graaf

Ik verzoek U, mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mij te machtigen gevolg te geven aan mijn voornemen het verdrag vergezeld van de gewijzigde toelichtende nota ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen aan de Eerste en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

De Minister van Buitenlandse Zaken, H.G.J. Bruins Slot.

Advies Raad van State

No. W05.22.0192/I/K

’s-Gravenhage, 16 november 2022

Aan de Koning

Bij Kabinetsmissive van 6 oktober 2022, no.2022002161, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt het verdrag betreffende de automatische erkenning van diploma's in het hoger onderwijs, Brussel, 14 september 2021 (Trb. 2021, 122), met toelichtende nota.

Het verdrag regelt de automatische erkenning van diploma’s in het hoger onderwijs tussen het Koninkrijk België, Estland, Letland, Litouwen, Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden.

De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk maakt een opmerking over de Koninkrijkspositie en territoriale toepassing van het verdrag. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van de toelichting.

De Afdeling onderschrijft het belang voor het Koninkrijk der Nederlanden van het verdrag inzake de automatische erkenning van diploma’s in het hoger onderwijs tussen de Benelux-landen en de Baltische staten. In artikel 10 van onderhavig verdrag wordt bepaald op welk grondgebied het verdrag van toepassing is. Daaruit blijkt dat voor wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft het verdrag van toepassing is op het Europese deel en het Caribisch deel van Nederland (Bonaire, Saba en Sint Eustatius). Volgens de toelichting is uitbreiding naar Aruba, Curaçao en Sint Maarten op grond van het verdrag mogelijk.1

De Afdeling merkt op dat uit het voorstel en de toelichting blijkt dat het verdrag wordt goedgekeurd voor het gehele Koninkrijk maar dat er nog onvoldoende zicht is op het moment van inwerkingtreding voor de Caribische landen. Dit hangt ook samen met de benodigde voorafgaande goedkeuring en inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon inzake erkenning en het Europees Cultureel Verdrag, en daarmee verbonden uitvoeringswetgeving.2

Het Verdrag van Lissabon inzake erkenning is nog niet bekrachtigd (en in werking getreden) voor de Caribische landen. Voor Aruba is het Verdrag van Lissabon inzake erkenning nog niet goedgekeurd. Het Verdrag van Lissabon inzake erkenning werd destijds wel goedgekeurd voor de Nederlandse Antillen, waardoor het voor de Afdeling onduidelijk is waarom Sint Maarten medegelding van het Verdrag van Lissabon inzake erkenning nog ‘in beraad houdt’.3 Het Europees Cultureel Verdrag is enkel goedgekeurd voor Europees Nederland.

Het is van belang dat duidelijk wordt op welke termijn de benodigde voorafgaande stappen inzake goedkeuring, bekrachtiging en uitvoering worden genomen voor onderhavig verdrag, het Verdrag van Lissabon inzake erkenning en het Europees Cultureel Verdrag in de verschillende delen van het Koninkrijk. De Afdeling adviseert om pas tot goedkeuring van onderhavig verdrag voor het gehele Koninkrijk over te gaan zodra duidelijk is op welke termijn de noodzakelijke voorafgaande stappen worden genomen.4 Daartoe is het van belang dat alle delen van het Koninkrijk op afzienbare termijn helderheid scheppen over de wenselijkheid van medegelding van het verdrag.

Daarnaast zou uit de toelichting moeten blijken of het Europees Cultureel Verdrag ook geldt op de BES-eilanden en wat dit betekent voor de goedkeuring en inwerkingtreding van onderhavig verdrag aldaar.

De Afdeling adviseert om in de toelichting op het voorgaande in te gaan.

De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk heeft een aantal opmerkingen bij het verdrag en adviseert daarmee rekening te houden voordat het verdrag aan de beide Kamers der Staten-Generaal, de Staten van Aruba, die van Curaçao en die van Sint Maarten wordt overgelegd.

De vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk, Th.C. de Graaf.

Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State van het Koninkrijk: Verdrag betreffende de automatische erkenning van diploma’s in het hoger onderwijs; Brussel, 14 september 2021 (Trb. 2021, 122)

Toelichtende nota

1. Inleiding

Op 8 november 2019 hebben de regeringen van de Benelux Unie (het Koninkrijk België1, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden) en de Baltische staten (de Republiek Estland, de Republiek Letland en de Republiek Litouwen) een intentieverklaring ondertekend om te komen tot een multilateraal verdrag inzake de wederzijdse automatische erkenning van diploma’s in het hoger onderwijs.

De wens om tot dit verdrag te komen vloeit voort uit de reeds juridisch bindende regionale wederzijdse akkoorden inzake automatische erkenning in het kader van de Benelux Unie2 en in het kader van de Baltische staten3, alsmede het verlangen om de automatische erkenning van diploma’s in het hoger onderwijs in de Europese Hogeronderwijsruimte4 (EHEA) uit te breiden door deze regionale afspraken te integreren in een multilateraal verdrag tussen de partijen.

Onder leiding van het Secretariaat-Generaal van de Benelux-unie hebben onderhandelingen plaatsgevonden. Op 14 september 2021 is het Verdrag inzake de automatische erkenning van diploma’s in het hoger onderwijs (hierna: het Verdrag) tot stand gekomen.

Het Verdrag inzake de erkenning van diploma’s betreffende hoger onderwijs in de Europese regio, Lissabon, 11 april 1997 (hierna: het Verdrag van Lissabon inzake erkenning) (Trb. 2002, 113), dat gezamenlijk is opgesteld door de Raad van Europa en de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, is voor elk van de partijen in werking getreden en vormt de basis van de genomen stappen om in het Verdrag te komen tot de volgende stap: automatische erkenning van diploma’s in het hoger onderwijs. De ambitie om te komen tot grootschalige automatische erkenning van diploma’s in het hoger onderwijs door de lidstaten tussen nu en 2025 is opgenomen in een aanbeveling van de Raad van de Europese Unie5.

Het Verdrag houdt in dat iedereen die in één van de Benelux-landen of de Baltische staten een onder het Verdrag vallend diploma van hoger onderwijs heeft behaald, ervan is verzekerd dat het niveau van zijn diploma automatisch wordt erkend in de andere landen die partij zijn bij het Verdrag. In de praktijk zullen afgestudeerden niet langer worden geconfronteerd met langdurige erkenningsprocedures en de daarmee gepaard gaande kosten, noch zullen zij in onzekerheid verkeren of hun kwalificatie geldig is in het land waar zij willen werken of verder studeren. Voor de houders van dergelijke kwalificaties betekent dit een onmiddellijke administratieve vereenvoudiging. Het Verdrag zal het vrije verkeer vergemakkelijken van personen met een diploma uit een van de zes landen die in het andere verdragsland willen studeren of er hun beroepscarrière willen voortzetten.

Door diploma's automatisch te erkennen, werken de landen een potentieel obstakel weg om in een van de landen te studeren of een baan te vinden. Deze maatregel kan ook het zoeken naar een baan vergemakkelijken door een betere vergelijkbaarheid van de studieniveaus.

Het Verdrag toont het wederzijdse vertrouwen van de partijen in elkaars hogeronderwijssystemen. Automatische erkenning van diploma’s draagt bij aan de transparantie omtrent erkenningsvraagstukken, doordat het Verdrag een basis legt voor toegankelijke informatie over erkenning van diploma’s voor studenten en voor instellingen. Automatische erkenning van het niveau van een diploma zonder procedure gaat een stap verder dan het Verdrag van Lissabon inzake erkenning. In Nederland is de wettelijke basis hiervoor vastgelegd in de Variawet hoger onderwijs 20216. Hierin wordt bepaald dat indien uit verdragen waarbij het Koninkrijk der Nederlanden partij is voortvloeit dat het niveau van een buitenlands diploma gelijkwaardig is aan het niveau van een Nederlands diploma, een instellingsbestuur niet bevoegd is om een aanzienlijk verschil aan te tonen tussen de algemene toegangseisen tot het hoger onderwijs in het land waar het diploma werd behaald en de bezitter van een diploma te vragen om bewijs aan te leveren dat het niveau van het behaalde diploma gelijkwaardig is aan het niveau van een Nederlands diploma.

De Benelux-landen en Baltische staten vormen nu samen de enige regio in de Europese Hogeronderwijsruimte waartussen het niveau van diploma’s automatisch wordt erkend en lopen hiermee als pioniers voorop. Het is de ambitie van de verdragspartijen dat andere landen dezelfde weg inslaan. Het Verdrag staat dan ook open voor toetreding door andere landen van de Europese Hogeronderwijsruimte, mits wordt voldaan aan de kwaliteitsvereisten voor de automatische en algemene wederzijdse erkenning van het niveau van diploma’s, zoals vastgelegd in het Verdrag.

Naar het oordeel van de regering bevat het Verdrag een eenieder verbindende bepaling in de zin van artikel 93 en 94 van de Grondwet, die aan rechtssubjecten rechtstreeks rechten toekent of plichten oplegt. Het gaat hierbij om artikel 3, waarin de automatische erkenning van diploma’s in het hoger onderwijs zonder verdere procedure binnen de verdragspartijen is vastgelegd.

2. Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1. Doelstellingen en toepassingsgebied

In artikel 1 wordt het hoofddoel van het Verdrag geëxpliciteerd, namelijk waarborgen dat een uitgereikt diploma hoger onderwijs door een van de partijen gerelateerd is aan het Europees kwalificatiekader voor levenslang leren (hierna: EQF) en automatisch wordt erkend op hetzelfde niveau als diploma’s hoger onderwijs die door alle andere partijen worden uitgereikt. Tevens wordt vermeld waar het Verdrag niet op van toepassing is. Het Verdrag is niet van toepassing op de erkenning van specifieke programma’s voor diploma’s in een bepaalde studierichting, studieperioden, diploma’s die geen deel uitmaken van hogeronderwijsstelsels van de verdragspartijen, of beroepskwalificaties. Daarbij wordt benoemd dat het Verdrag toepasselijke bepalingen en beginselen van het Verdrag van Lissabon inzake erkenning, bepalingen die binnen de Europese Unie zijn vastgesteld en de nationale wetgeving van de partijen, onverlet laat.

Artikel 2. Begripsomschrijvingen

In artikel 2 worden omschrijvingen gegeven van de in het Verdrag gebruikte begrippen.

Artikel 3. Algemene bepaling inzake automatische erkenning

Artikel 3 legt vast voor welke diploma’s de automatische erkenning geldt, mits aan de in artikel 4 bepaalde voorwaarden is voldaan, en regelt dat automatische erkenning plaatsvindt zonder verdere procedure.

Artikel 4. Voorwaarden voor automatische erkenning

Artikel 4 schetst de voorwaarden die worden gesteld aan het automatisch erkennen van Associate degrees, bachelors en masters, en doctoraatsdiploma’s.

Zo geldt voor Associate degrees, bachelors en masters dat de minimumkwaliteit van de genoten opleiding is gewaarborgd door de erkenning van de bevoegde autoriteiten van de partij waar het diploma is uitgereikt. Ook wordt verwezen naar bijlagen II en III van het Verdrag waarin typen erkende instellingen en opleidingen genoemd worden die in overeenstemming zijn met de geldende wetgeving van de partij waar het diploma is uitgereikt. Voor Nederland wordt in beide bijlagen verwezen naar het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO).

Voor het doctoraatsdiploma geldt dat dit diploma verleend dient te zijn door een instelling voor hoger onderwijs ofwel een andere daartoe bevoegde instantie overeenkomstig de wetgeving van de partij waar het diploma is uitgereikt. Hierbij wordt verwezen naar bijlage IV van het Verdrag. Voor Nederland wordt verwezen naar de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW).

Artikel 5. Vrijwaringsclausule

De vrijwaringsclausule zoals beschreven in artikel 5 bepaalt dat indien de automatische erkenning overeenkomstig artikel 3 van het Verdrag in buitengewone omstandigheden tot aanzienlijke moeilijkheden kan leiden voor het hogeronderwijsstelsel van een partij, deze partij vrijwaringsmaatregelen kan nemen ten aanzien van het diploma of de diploma’s. Dit houdt in dat het diploma niet automatisch wordt erkend. Dit kan alleen wanneer deze maatregel strikt noodzakelijk is en geen afbreuk doet aan het Verdrag van Lissabon inzake erkenning, de wetgeving van de betrokken partij of andere relevante regelingen.

Buitengewone omstandigheden kunnen aan de orde zijn wanneer de kwaliteit van een specifiek diploma niet aan de maat lijkt te zijn. Er kunnen bijvoorbeeld tijdelijke kwaliteitsproblemen zijn bij een specifieke hogeronderwijsinstelling, waardoor het voor de andere landen problematisch wordt om de daar behaalde diploma’s te erkennen. Een concreet voorbeeld is de kwaliteitszorg van diploma’s die in een zogenaamde Transnational Education (TNE) constructie worden verleend. De student behaalt dan een nationaal diploma van een verdragspartij aan een niet-geaccrediteerde instelling in een derde land. Van sommige van deze TNE-constructies lijkt de kwaliteit niet altijd voldoende gewaarborgd.

Alle partijen dienen misbruik van het Verdrag te voorkomen. In geval van vernomen misbruik neemt de betreffende partij maatregelen om deze gevallen uit te sluiten van toepassing van het Verdrag en deelt dit met de depositaris, die de andere partijen informeert.

Artikel 6. Informatievoorziening en -uitwisseling

Artikel 6, eerste lid, bepaalt dat de partijen informatie over het Verdrag beschikbaar stellen voor het brede publiek. Partijen dienen deze informatie te plaatsen op websites van overheden en ENIC-NARIC (nationale informatiecentra voor academische mobiliteit en erkenning in de zin van het Verdrag van Lissabon inzake erkenning).

De officiële bekendmaking van het Verdrag vindt plaats in het Tractatenblad van het Koninkrijk der Nederlanden. Daarnaast zullen de verdragsgegevens en de verdragstekst raadpleegbaar zijn via de Verdragenbank7 van de overheid.

Nuffic, de Nederlandse organisatie voor internationalisering in onderwijs, is de ENIC-NARIC voor Nederland. Op de website van Nuffic8 is uitleg beschikbaar over de betekenis van automatische erkenning en de toepassing van het Verdrag. Ook is het Verdrag raadpleegbaar op de website.

In het tweede lid van artikel 6 wordt vastgelegd dat de partijen elkaar onderling informatie verstrekken over de toepassing van het Verdrag en over de hogeronderwijsstelsels van de verdragspartijen. Het uitwisselen van informatie geschiedt in de reguliere overleggen die plaatsvinden over het Verdrag en de actualiteit, waar zowel het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap als Nuffic vertegenwoordigd zijn. Nuffic zal ook binnen de ENIC-NARIC netwerken relevante informatie uitwisselen met de ENIC-NARIC’s van de andere partijen.

Artikel 7. Toegang tot hoger onderwijs

Artikel 7 regelt dat partijen onderling informatie uitwisselen over de algemene toegangseisen tot het hoger onderwijs die voortvloeien uit hun nationale wetgeving om hiermee de wederzijdse toegankelijkheid van de hogeronderwijsstelsels te waarborgen. Het uitwisselen van deze informatie geschiedt ook in de reguliere overleggen zoals hierboven bij artikel 6 genoemd, waar zowel het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap als Nuffic vertegenwoordigd zijn. Nuffic zal ook binnen de ENIC-NARIC netwerken relevante informatie uitwisselen met de ENIC-NARIC’s van de andere partijen.

Artikel 8. Bijlagen

Artikel 8 bepaalt dat bijlagen I tot en met IV integraal onderdeel uitmaken van het Verdrag. Deze Bijlagen zijn aan te merken als zijnde van uitvoerende aard. Wijziging van de Bijlagen gebeurt conform de procedure neergelegd in artikel 12. Verdragen tot wijziging van de Bijlagen behoeven, ingevolge artikel 7, onderdeel f van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, geen parlementaire goedkeuring, tenzij de Staten-Generaal zich thans het recht tot goedkeuring terzake voorbehouden.

Artikel 9. Geschillen

In artikel 9 wordt aangegeven dat, onverminderd de vrijwaringsclausule in artikel 5, de partijen welwillend met elkaar in gesprek zullen treden om eventuele geschillen met betrekking tot de interpretatie of toepassing van het Verdrag te beslechten.

Artikel 10. Territoriale toepassing

Artikel 10 bepaalt op welk grondgebied het Verdrag van toepassing is. Voor wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft is het Verdrag van toepassing op het Europese deel en het Caribisch deel van Nederland (Bonaire, Saba en Sint Eustatius). Uitbreiding naar Aruba, Curaçao en Sint Maarten is op grond van het Verdrag mogelijk, zie paragraaf 3 Koninkrijkspositie.

Artikel 11. Depositaris

Artikel 11 wijst de depositaris van het Verdrag aan, namelijk het Secretariaat-Generaal van de Benelux Unie.

Artikel 12. Inwerkingtreding, wijziging en beëindiging

Artikel 12 bevat de gebruikelijke slotbepalingen over onder meer bekrachtiging, aanvaarding en goedkeuring, de taken van de depositaris, inwerkingtreding, wijzigingen en opzegging.

Artikel 13. Toetreding

Artikel 13, eerste lid, biedt de mogelijkheid aan andere staten die het Verdrag van Lissabon inzake erkenning hebben geratificeerd en deel uitmaken van de Europese Hogeronderwijsruimte te verzoeken om toetreding tot het Verdrag, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan. Toetreding tot het Verdrag door nieuwe partijen draagt bij aan de Europese ambitie van grootschalige automatische erkenning van diploma’s in het hoger onderwijs en wordt verwelkomd, mits deze partijen aan de gestelde voorwaarden voldoen.

De leden 2 en 3 bevatten de procedure die gevolgd moet worden voor een staat om toe te kunnen treden tot het Verdrag. Het verzoek om toetreding bevat in ieder geval de informatie zoals bedoeld in de bijlagen I tot en met IV van het Verdrag. Toetreding kan alleen plaatsvinden, indien alle partijen het verzoek tot toetreding schriftelijk bij de depositaris hebben aanvaard.

Bijlagen I t/m IV

Bijlage I biedt een overzicht van de titels van bestaande diploma’s van de partijen die zijn gelijkgesteld volgens het Europees Kwalificatiekader voor levenslang leren, dat de onderverdeling van diploma’s in het (hoger) onderwijs toont.

Bijlagen II tot en met IV geven aan welke aan erkende instellingen voor hoger onderwijs behaalde diploma’s (respectievelijk associate degrees, bachelors en masters, en doctoraats) vallen onder de automatische erkenning van dit Verdrag. Voor Nederland is hiervoor onder meer een verwijzing naar het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO) opgenomen.

3. Koninkrijkspositie

Aanvaarding van het Verdrag voor de Caribische landen is op grond van de bepalingen van het Verdrag eerst mogelijk wanneer het Verdrag van Lissabon inzake erkenning is goedgekeurd en aanvaard voor het betreffende land en wanneer het land deel uitmaakt van de Europese Hogeronderwijsruimte. Om deel uit te maken van de Europese Hogeronderwijsruimte dient het Europees Cultureel Verdrag, Parijs, 19 december 1954 (Trb. 1955, 117), goedgekeurd en aanvaard te zijn voor het land.

De regering van Curaçao heeft aangegeven medegelding van het Verdrag, alsmede van het Verdrag van Lissabon inzake erkenning en het Europees Cultureel Verdrag, wenselijk te achten. Voor deze verdragen geldt dat uitvoeringswetgeving noodzakelijk wordt geacht. Het Verdrag van Lissabon is reeds goedgekeurd voor Curaçao. Wanneer Curaçao de uitvoeringswetgeving van het Verdrag van Lissabon inzake erkenning gereed heeft, kan dit verdrag voor Curaçao worden aanvaard. Het Europees Cultureel Verdrag dient voor Curaçao nog te worden goedgekeurd. Wanneer het Europees Cultureel Verdrag is goedgekeurd en de uitvoeringswetgeving gereed is, kan het worden aanvaard voor Curaçao. Indien deze stappen genomen zijn en de uitvoeringswetgeving voor het onderhavige Vedrag gereed is, zal het Verdrag voor Curaçao kunnen worden aanvaard.

De regering van Aruba beraadt zich nog over de wenselijkheid van medegelding van het Verdrag, alsmede van het Verdrag van Lissabon inzake erkenning en het Europees Cultureel Verdrag, voor hun land. Met het oog op de implementatie van de verdragen op Aruba, zal uitvoeringswetgeving nodig zijn.

De regering van Sint Maarten beraadt zich nog over de wenselijkheid van het Verdrag, alsmede van het Verdrag van Lissabon inzake erkenning en het Europees Cultureel Verdrag, voor hun land. Met het oog op de implementatie van de verdragen op Sint Maarten, zal uitvoeringswetgeving nodig zijn.

Om het mogelijk te maken dat het Verdrag op termijn ook zal kunnen worden aanvaard voor Aruba en Sint Maarten, wordt goedkeuring gevraagd voor het gehele Koninkrijk.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

De Minister van Buitenlandse Zaken,


X Noot
1

Paragraaf 2 ‘Artikelsgewijze toelichting’ van de toelichtende nota.

X Noot
2

Paragraaf 3 ‘Koninkrijkspositie’ van de toelichtende nota.

X Noot
3

Trb. 2002, 113 en 137.

X Noot
4

Zie ook aanbeveling 4 van het ongevraagde advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over het Koninkrijk, verdragen en het Unierecht, 14 juni 2021, nr. W04.20.0361/I.

X Noot
1

Paragraaf 2 ‘Artikelsgewijze toelichting’ van de toelichtende nota.

X Noot
2

Paragraaf 3 ‘Koninkrijkspositie’ van de toelichtende nota.

X Noot
3

Trb. 2002, 113 en 137.

X Noot
4

Zie ook aanbeveling 4 van het ongevraagde advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over het Koninkrijk, verdragen en het Unierecht, 14 juni 2021, nr. W04.20.0361/I.

X Noot
1

Vertegenwoordigd door: de Vlaamse regering, de Regering van de Franse Gemeenschap en de Regering van de Duitstalige Gemeenschap.

X Noot
2

Beschikking M (2015) 3 van het Benelux Comité van Ministers betreffende de automatische wederzijdse generieke niveauerkenning van diploma’s hoger onderwijs, zoals aangevuld met Beschikking M (2018) 1.

X Noot
3

De op 8 juni 2018 te Vilnius ondertekende Overeenkomst tussen de Regering van de Republiek Estland, de Regering van de Republiek Letland en de Regering van de Republiek Litouwen inzake de automatische academische erkenning van diploma’s betreffende hoger onderwijs.

X Noot
4

De Europese Hogeronderwijsruimte komt voort uit de Bologna Verklaring, die op 19 juni 1999 in Bologna door 29 Europese ministers van Onderwijs, waaronder die van Nederland, is ondertekend. Het doel van de Europese Hogeronderwijsruimte is om het voor studenten eenvoudiger te maken om overal in Europa te studeren, te werken en te wonen. Het Bolognaproces is een internationale samenwerking en de drijvende kracht achter de EHEA. Bij dit proces werken tegenwoordig 49 Europese landen samen aan de implementatie van hervormingen die leidt tot een geintegreerde EHEA. Informatie over toetreding tot de EHEA is beschikbaar op de website: http://www.ehea.info/page-how-to-apply-for-becoming-a-member

X Noot
5

Aanbeveling van 26 november 2018, PB EU 2018 C 44, blz. 1–8

X Noot
6

Wet van 7 april 2021 tot wijziging van de wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met een verbeterde regeling voor diverse onderwerpen op het terrein van het hoger onderwijs en de studiefinanciering (Variawet hoger onderwijs (Stb. 2021, 263).

Naar boven