Kennis- en Innovatieconvenant 2024–2027

Rotterdam, 2 november 2023

Inhoudsopgave

1.

Inleiding

1

2.

Kennis- en Innovatieconvenant voor 2024–2027

2

3.

Overige afspraken en aandachtspunten

4

4.

Overzicht voorgenomen budgetten voor 2024

6

5.

Toelichting overzicht voorgenomen budgetten 2024

9

6.

Partners en ondertekening

13

Bijlage 1: Aansluiting partners uit het middelbaar- en hoger beroepsonderwijs

16

Bijlage 2. Overzicht Nationaal Groeifonds-projecten die inhoudelijk aansluiten op de Kennis- en Innovatieagenda’s

19

1. Inleiding

Met dit hernieuwde kennis- en innovatieconvenant 2024–2027 bekrachtigen bedrijven, kennisinstellingen, overheden en andere organisaties opnieuw hun gezamenlijke inzet op het missiegedreven innovatiebeleid voor de komende jaren in Nederland. Het convenant bouwt voort op de samenwerking in de vorige periode, waarvoor het Kennis- en Innovatieconvenant 2020–2023 was aangegaan. Deze samenwerking is hard nodig, om de omslag te maken naar innovatieve, duurzame, sterke en welvarende economie.

Economische en maatschappelijke impact van innovatie vraagt om continue inzet van alle Partners: op onderzoek en ontwikkeling, maar óók op toepassing van nieuwe kennis in betere producten, processen en concepten. Met de publiek-private samenwerking in het KIC is er een bundeling van krachten, sluiten initiatieven beter op elkaar aan en worden slimmere keuzes gemaakt voor die (innovatie)activiteiten die nodig zijn voor de economie en de maatschappij. Dankzij deze samenwerking is duidelijk waar extra kennis nodig is of waar kan worden voortgebouwd op het werk van een Partner.

Dit convenant legt de afspraken vast tussen alle Partners die samenwerken aan missiegedreven innovatie, en verdere maatregelen die nodig zijn om innovatie te laten groeien – van probleem naar nieuw concept, van concept naar prototype, van prototype naar product dat op grote schaal kan worden uitgerold en geproduceerd.

Daarnaast beschrijft dit convenant de financiële inzet waarmee de Partners de komende jaren door publiek-private samenwerking willen bijdragen aan de missies en sleuteltechnologieën. Dit financiële commitment wordt jaarlijks geactualiseerd.

Missies en sleuteltechnologieën

In het missiegedreven innovatiebeleid staan vijf missies centraal1:

  • Energietransitie: Nederland klimaatneutraal in 2050;

  • Circulaire Economie: Nederland volledig circulair in 2050;

  • Gezondheid & Zorg: Mensen in Nederland leven 5 jaar langer gezond en er zijn 30% minder gezondheidsverschillen tussen sociaaleconomische groepen in 2040;

  • Landbouw, Water en Voedsel: Een vitaal landelijk gebied en een veerkrachtige natuur in een klimaatbestendig Nederland. Water en bodem zijn sturend, het landbouw- en voedselsysteem is duurzaam en gezond en de delta is veilig;

  • Veiligheid: Nederland is veilig en weerbaar tegen externe dreigingen en ondermijnende criminaliteit, zowel in de fysieke omgeving als het digitale domein.

Inzet op sleuteltechnologieën en digitalisering is een belangrijke voorwaarde om deze missies te realiseren. Denk aan technologieën zoals fotonica, kunstmatige intelligentie, quantum- en biotechnologie, die economische vernieuwing en maatschappelijke impact ondersteunen, mogelijk maken of zelfs vooruit drijven. Die maatschappelijke impact slaagt pas door een juiste combinatie van economische en juridische factoren, inzichten in gedrag en andere randvoorwaarden. Daarom is ook goede aansluiting van en samenwerking met het sociaal- en geesteswetenschappelijk domein van belang.

2. Kennis- en Innovatieconvenant voor 2024–2027

Doel van het convenant

Doel van dit convenant is het borgen van inhoudelijke afstemming van innovatieactiviteiten tussen alle betrokkenen: via het gezamenlijk programmeren en het verbinden en versterken van netwerken in de gouden driehoek van overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen. De Partners van het KIC zijn ervan overtuigd dat deze afstemming bijdraagt aan het realiseren van innovatie met economische en maatschappelijke impact en op die manier bijdraagt aan de realisatie van de missies.

Partners

Rijksbreed worden er publieke middelen ingezet op missiegedreven innovatie. De betrokken Miinisters (van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Buitenlandse Zaken, Defensie, Economische Zaken en Klimaat, Infrastructuur en Waterstaat, Justitie en Veiligheid, Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport) hernieuwen hun commitment op publiek-private samenwerking via directe programmering of vraagsturing en financiële instrumenten voor toepassing en opschaling van innovatie. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is sterk betrokken bij de KIA Maatschappelijk Verdienvermogen en levert een brede bijdrage aan het KIC via financiering van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (NWO) en de financiering van universiteiten en hogescholen. Tezamen dragen deze Partners als rijksoverheid bij aan dit KIC.

De diverse kennisinstellingen, zoals universiteiten, hogescholen en organisaties voor toegepast onderzoek (TO2), zijn essentiële Partners in het KIC en leveren een grote bijdrage aan het innovatie-ecosysteem in Nederland. Nieuwe Partner van het KIC is de MBO-raad, relevant zowel vanwege onderzoek dat wordt uitgevoerd door practoraten in het mbo, en – net als andere onderwijsinstellingen – cruciaal voor goed opgeleide medewerkers voor de toekomst.

Ook de provincies en de regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) hernieuwen hun partnerschap in het KIC. Gezien de toenemende aandacht voor valorisatie en marktcreatie zullen zij zich inspannen om de verbinding met de regio’s te versterken.

Invest-NL is sinds najaar 2021 lid van het Regieoverleg (in het kader van het KIC 2020–2023) en draagt aan vanaf dit KIC als Partner bij door middelen in te zetten langs de lijnen Capital (investeringen) en Business Development. De inzet van Invest-NL is specifiek gericht op groei- en innovatie-investeringen: in deep tech maar ook voor verduurzaming en transitiedomeinen zoals circulaire economie, landbouw, voedsel en zorginnovatie.

Kennis- en Innovatieagenda’s

Om de activiteiten goed op elkaar af te stemmen, werken de Partners van het Kennis- en Innovatieconvenant samen in het kader van acht Kennis- en Innovatieagenda’s (KIA's):

  • Klimaat en Energie (IKIA)

  • Circulaire Economie

  • Landbouw, Water, Voedsel

  • Gezondheid & Zorg

  • Veiligheid

  • Sleuteltechnologieën

  • Digitalisering

  • Maatschappelijk Verdienvermogen

De eerste vijf agenda’s gaan over de inzet op de missies, van onderzoek en ontwikkeling (R&D) tot valorisatie en aandacht voor marktcreatie. De KIA’s Sleuteltechnologieën en Digitalisering creëren belangrijke voorwaarden voor realisatie van de vijf centrale missies en economische groei. De KIA Maatschappelijk Verdienvermogen richt zich specifiek op wat er nodig is om van technologische ontwikkeling te komen tot daadwerkelijke versnelling van transities via opschaling van innovatie. Denk daarbij aan aandacht voor de maatschappelijke kant van innovatie, duurzame ontwerpprincipes en de ontwikkeling van vernieuwende businessmodellen.

Scope van middelen in relatie tot de KIA’s

De vernieuwde KIA’s zijn inmiddels gepubliceerd2. In dit KIC leggen de Partners overkoepelende afspraken vast voor samenwerking in het kader van die KIA’s en beschrijven zij hun voorgenomen financiële bijdragen aan deze KIA’s.

De voorgenomen financiële bijdragen zoals in dit convenant geformuleerd zijn een indicatie van de financiële middelen die de Partners verwachten de komende jaren in te gaan zetten voor innovatie gestuurd vanuit de publiek-private samenwerking in de acht KIA’s. Deze bijdragen betreffen dus de innovatiegelden die in onderlinge afstemming gericht worden ingezet om via innovatie bij te dragen aan de missies en sleuteltechnologieën die voor Nederland van belang zijn. Deze inzet vindt plaats in een veel bredere context van het beleid van de rijksoverheid; zo zetten de bij het KIC betrokken departementen meer en andere beleidsinstrumenten in ten behoeve van de missies, en dragen innovaties van private partijen en onderzoek van kennisinstellingen ook buiten het KIC om bij aan het behalen van missies. In een aantal KIA’s zijn naast de publiek-private inzet ook de publieke middelen die in lijn met die KIA’s zullen worden ingezet beschreven en tevens opgenomen in dit convenant.

Dit betekent dat publiek-private innovatiesamenwerking die niet vanuit de KIA’s wordt gestuurd, geen onderwerp is van de afspraken tussen de Partners en hun commitment in dit KIC. Denk hierbij aan de impuls voor publiek-private innovatie door de investeringen gefinancierd uit het Nationaal Groeifonds en Horizon Europe van de Europese Unie. In de bijlagen bij dit convenant zijn wel ramingen opgenomen van die investeringen, daar waar zij bijdragen aan de missies en/of sleuteltechnologieën3. Hiermee ontstaat een completer beeld hoe publiek-private innovatie in Nederland bijdraagt aan de missies.

Werkafspraken voor vier jaar, gestut met jaarlijkse budgetten

De missies beslaan een langere periode, met doelen voor 2030 en soms zelfs 2050. De KIA’s bestrijken evenwel een periode van vier jaar: 2024 tot en met 2027. Het KIC sluit hierbij aan en gaat uit van afspraken en voorgenomen jaarlijkse budgetten voor onderzoek en innovatie voor de periode 2024–2027, beginnend met een overzicht voor 2024 (zie Paragraaf 4 van dit KIC). Dit overzicht is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:

  • De bijdragen van de private Partners zijn geschat door de Topsectoren op basis van private bijdragen uit het verleden en voor de lopende en te verwachten publiek-private projecten;

  • De bijdragen van de rijksoverheid zijn gebaseerd op de Miljoenennota 20244;

  • De bijdragen van de kennisinstellingen zijn gebaseerd op hun begrotingen voor 2024 en verder. Over de werkwijze van NWO en de instellingen voor toegepast onderzoek zijn afspraken neergelegd in de spelregels voor publiek-private samenwerking5;

  • De gezamenlijke bijdrage van de twaalf provincies is indicatief en gebaseerd op een raming door het Rathenau Instituut voor 20246;

  • De gezamenlijke ROM’s dragen een indicatief bedrag aan investeringsvolume op basis van eigen fondsen aan de thema’s en sleuteltechnologieën;

  • De bijdrage van Invest-NL is gebaseerd op het beschikbare kapitaal voor Capital (investeringen) en het totaal van de jaarlijkse Business Development-subsidie (ontwikkeling) in deze periode, voor bedrijven en projecten in transitiedomeinen en voor de toegang van (innovatie)ondernemers tot financiering.

De Partners zorgen ieder jaar voor een actualisering van het overzicht van voorgenomen jaarlijkse budgetten.

Het is van belang op te merken dat deze voorgenomen jaarlijkse budgetten geen financiële toezeggingen of verplichtingen betreffen en evenmin een aanspraak op financiële middelen geven. Voor de voorgenomen budgetten van de rijksoverheid geldt het parlementaire budgetrecht. De Partners zullen op grond van hun eigen verantwoordelijkheden en bevoegdheden en in overeenstemming met de Unierechtelijke en nationale wettelijke kaders en procedures beslissen over het beschikbaar stellen van financiële of andere middelen. Daarbij zal door de rijksoverheid aandacht worden besteed aan het efficiënt inzetten van middelen door enerzijds samenloop van financiële stromen en kruissubsidiering te voorkomen en anderzijds parallel lopende financiële stromen waar mogelijk te bundelen en zodoende onnodige extra administratieve lasten te beperken.

3. Overige afspraken en aandachtspunten

Meer aandacht voor valorisatie en marktcreatie

Inzet op valorisatie en marktcreatie is een speerpunt in dit KIC en geeft daarmee ook invulling aan de ambities van de overheid, zoals beschreven in de Kamerbrief Innovatie en Impact7. Om daadwerkelijk impact te kunnen realiseren, is een goede wisselwerking tussen onderzoek en praktijk van belang. Dat begint bij goede samenwerking met die praktijk: in ecosystemen met bedrijven en publieke organisaties werken aan innovatie gericht op de missies. De continue interactie tussen onderzoeksvraag en antwoord. Om dat te realiseren is gerichte financiële inzet en instrumenten van de Partners nodig. Daarnaast moet er actief ingezet worden op een inbedding hiervan in ander overheidsbeleid: op het wegnemen van institutionele barrières, het verbeteren van wet- en regelgeving, het stimuleren van gedragsverandering en een proactieve overheid die via innovatiegerichte inkoop optreedt als launching customer. Ook standaardisatie kan bijdragen aan de ontwikkeling van nieuwe markten en de verspreiding van kennis8. Met gericht overheidsbeleid kunnen innovaties die bijdragen aan de realisatie van de missies versneld op de markt komen. Deze maatregelen (financieel en niet-financieel) verschillen per thema en worden uitgewerkt in de KIA’s. Ze zijn niet opgenomen in het financiële overzicht van het KIC.

Voor goede regionale aansluiting en implementatie verbinden de provincies en de ROM’s hun netwerken en instrumenten voor het versterken van de regionale innovatie-ecosystemen (denk aan startersstimulering, fieldlabs, campussen en kennisontwikkeling) sterker met de inzet van overige Partners om de gewenste extra aandacht voor valorisatie en marktcreatie samen te realiseren. Dat vereist per missie een samenhangende programmering van (inter)nationale kennisontwikkeling en toepassing in de regionale praktijk, onder meer via belangrijke instrumenten voor regionale economische ontwikkeling zoals Mkb-innovatiestimulering Regio en Topsectoren (MIT) en de Europese fondsen, zoals het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling voor Interreg-programma’s (EFRO). Ook willen provincies, waar mogelijk, hun andere beleidsinstrumenten (ruimtelijke ordening, inkoop) en beschikbare fondsen (energie, duurzaamheid) inzetten om transities te versnellen.

De aansluiting van de Partners uit het middelbaar beroeps-, hoger en universitair onderwijs draagt in belangrijke mate bij aan valorisatie en economische vernieuwing in het kader van Human Capital. Enerzijds via het (praktijkgericht) onderzoek dat binnen alle instellingen plaatsvindt, anderzijds via de verspreiding van nieuwe kennis en toepassing via de opleiding van toekomstige arbeidskrachten (zie bijlage 1). Wat er van die arbeidskrachten gevraagd wordt, verandert voortdurend en is een belangrijk aandachtspunt in het onderwijs en bij opleidingen. Niet enkel door de steeds snellere ontwikkeling van nieuwe technologie, maar ook door demografische ontwikkelingen en de verschuiving van activiteiten tussen verschillende sectoren.9

Afstemming met investeringen vanuit het Nationaal Groeifonds

Het Nationaal Groeifonds (NGF) beoogt tussen 2021 en 2025 circa € 19 miljard te investeren om het duurzaam verdienvermogen op de lange termijn te vergroten. Het NGF richt zich na de eerste investeringsronde op twee pijlers: kennisontwikkeling en onderzoek en ontwikkeling en innovatie. Tot november 2023 is in drie rondes vanuit het NGF aan meer dan 50 projecten een bijdrage toegekend.

Het missiegedreven innovatiebeleid en de KIA’s vormen bij het NGF een belangrijk kader bij de beoordeling van voorstellen op hun bijdrage aan het duurzaam verdienvermogen10. Daardoor is er een belangrijke samenhang tussen de KIA’s en de doelstelling van het NGF. Om de afstemming tussen NGF-projecten die worden uitgevoerd en het KIC te versterken zal de informatie-uitwisseling verbeterd worden om synergievoordelen te benutten. De wijze en vorm hiervoor zal worden uitgewerkt en afgestemd in het Regieoverleg, in overeenstemming met de relevante Europese en nationale wet- en regelgeving.11

Samenhang met Europese initiatieven

Nederland heeft een sterke positie binnen het huidige Horizon Europe (2021–2027) van de Europese Unie voor financiering van onderzoek en innovatie. Binnen Horizon Europe zijn er ook Europese missies geformuleerd om tot concrete oplossingen te komen voor grote maatschappelijke uitdagingen in de Europese Unie: klimaatadaptatie, behandeling en genezing van kanker, schone oceanen en wateren, klimaatneutrale steden en een gezonde bodem12. De Nederlandse missies en bijbehorende KIA’s sluiten hierbij goed aan. Met name de KIA’s Klimaat en Energietransitie, Circulaire Economie, Landbouw, Water en Voedsel en Gezondheid & Zorg ondersteunen de Europese missies. De verwachte bijdrage vanuit Horizon Europe is geschat op basis van de deelname tot nu toe door Nederlandse partijen aan Europese projecten op die missies en sleuteltechnologieën13.

Naast Horizon Europe wordt er nog meer geïnvesteerd in kennis en innovatie met Europese middelen. Zo ontvangt Nederland in de periode 2021–2027 € 506 miljoen uit het EFRO. Het geld is met name bedoeld voor het mkb om activiteiten te verrichten die zijn gericht op innovatie en de overgang naar een koolstofarme economie. Daarnaast ontvangt Nederland in de periode 2021–2027 € 623 miljoen uit het Fonds voor een Rechtvaardige Transitie (Just Transition Fund, JTF). Het JTF richt zich op regio’s die zwaarder geraakt zullen worden door de klimaattransitie, omdat ze bijvoorbeeld nu nog erg gericht zijn op fossiele industrie en in een hoog tempo de transitie moeten maken naar een duurzamere industrie, of omdat ze niet de juiste mensen en vaardigheden hebben voor de transitie. Het JTF investeert daarom in zowel innovatie en kennisontwikkeling, als het versterken van de arbeidsmarkt.

Er gebeurt dus zowel op nationaal als Europees vlak veel op het gebied van kennis, onderzoek en innovatie. Het is daarom van belang tijdens de uitvoering van de KIA’s de afstemming te blijven zoeken met de Onderzoek- en Innovatiestrategieën (RIS3) die ten grondslag liggen aan de meeste Europese programma’s (bijv. EFRO). Daarnaast wordt er ook vanuit de rijksoverheid extra nadruk gelegd op valorisatie en fieldlabs door de mogelijkheid van het inzetten van rijkscofinanciering op deze onderwerpen binnen de Europese programma’s. Des te belangrijker dus voor de Partners om gedurende de looptijd van het KIC op de hoogte te blijven van de verschillende Europese programma’s om zo synergiën te creëren waar mogelijk.

Monitoring en evaluatie

In 2026 wordt de doeltreffendheid en doelmatigheid van het missiegedreven innovatiebeleid geëvalueerd. Het KIC is de operationalisering van dit beleid en streeft ernaar via publiek-private samenwerking en gezamenlijke inzet van middelen de economische en maatschappelijke impact van innovatie te vergroten. De evaluatie zal zich richten op de vraag of het beleid daarin slaagt: om behalve economisch verdienvermogen ook positieve invloed uit te oefenen op het behalen van specifieke maatschappelijke doelen, via de ontwikkeling en toepassing van innovatie. De vraag of de maatschappelijke doelen behaald worden zal in de evaluatie niet centraal staan, gezien dit afhankelijk is van meer factoren dan enkel innovatie14.

Data en monitoring

Het volgen van de voortgang binnen het KIC kan plaatsvinden op drie niveaus: de missiedoelen, de bijdrage van de KIA’s aan die doelen en de voortgang van innovatieprojecten. Per niveau verschilt wie hier het voortouw heeft:

  • Het monitoren van de voortgang op de missies is de verantwoordelijkheid van de rijksoverheid15;

  • Het monitoren van voortgang van activiteiten binnen de KIA’s ligt bij de themateams;

  • Het monitoren van de voortgang van projecten ligt bij de uitvoerders van die projecten.

Voor een toekomstige evaluatie van het KIC zijn bepaalde gegevens nodig. Door deze gegevensverzameling nu in te regelen, kunnen de toekomstige administratieve lasten beperkt worden. Op het niveau van projecten die vallen onder de eigen inbreng van het KIC zet elke Partner zich in om informatie over enkele basiskarakteristieken te verzamelen. Goede datasets zijn onmisbaar voor goede monitoring en evaluatie. De werkwijze hiervoor wordt in 2024 uitgewerkt en afgestemd in het Regieoverleg, zodat de informatieverzameling en -uitwisseling in overeenstemming zijn met de daarvoor geldende Europese en nationale wettelijke kaders en procedures. Een ander belangrijk aandachtspunt daarbij is ook het beperken van onnodige administratieve lasten.

Theory of Change

Het behalen van de innovatiedoelen, maar óók het inzichtelijk maken van de resultaten van de gezamenlijke inzet, zijn gebaat bij een heldere probleemstelling en een doordachte aanpak. Het opstellen van een Theory of Change is daarbij zowel tijdens de uitvoeringsfase als voor monitoring en evaluatie van het KIC uiterst relevant. Zowel om de beleidstheorie duidelijk te maken als om te bepalen welke indicatoren centraal dienen te staan in monitoring en evaluatie. Binnen de looptijd van dit KIC zal de Theory of Change van elke missie op gestructureerde wijze worden uitgewerkt of verder worden aangescherpt, om deze bruikbaar te maken voor programmering en monitorings- en evaluatiedoeleinden.

Overlegstructuur

Een goede organisatie is van belang voor de gezamenlijke aanpak door alle Partners. Het uitgangspunt is en blijft dat elke Partner zelf beslist over en verantwoordelijk is voor de inzet en besteding van zijn eigen middelen, maar hierover met andere Partners overlegt over de gezamenlijke inzet en activiteiten in de context van de verschillende KIA’s. Daartoe is er per KIA een overlegstructuur die er mede op gericht is om de nationale en de regionale inzet op missies beter af te stemmen. In deze structuur wordt de betrokkenheid van de provincies bestuurlijk verankerd en is nadrukkelijk aandacht voor valorisatie en voor samenwerking met regionale partners. Daarnaast is er ten minste twee keer per jaar een Regieoverleg op bestuurlijk niveau van de Partners. In het Regieoverleg wordt de totale aanpak en voortgang van het missiegedreven innovatiebeleid besproken. Een nadere concretisering van de overlegstructuur is beschreven in de PPS-spelregels16.

Het kan zijn dat een Partner vanwege een verandering van omstandigheden zich redelijkerwijs niet meer kan houden aan dit convenant. Na overleg in het Regieoverleg kan die Partner dit convenant schriftelijk en gemotiveerd opzeggen met een opzegtermijn van twee maanden17. De overige Partners kunnen besluiten hun gezamenlijke aanpak op basis van dit convenant voortzetten.

Inwerkingtreding

Dit convenant is het resultaat van de inzet van honderden spelers in de wereld van kennis en innovatie: ondernemers, onderzoekers, innovatoren en beleidsmakers. De ondertekening is het startsein om de Kennis- en Innovatieagenda’s gezamenlijk uit te voeren.

Dit convenant treedt in werking na ondertekening door alle Partners en loopt tot en met 31 december 2027. Halverwege de looptijd van dit convenant, eind 2025, wordt bekeken of de afspraken in dit convenant nog voldoen.

Het convenant wordt door de Partners ondertekend in verschillende exemplaren, die samengevoegd hetzelfde rechtsgevolg hebben alsof dit convenant is ondertekend door alle Partners in één exemplaar.

Iedereen kan kennisnemen van dit convenant dat gepubliceerd wordt in de Staatscourant.

Aldus overeengekomen en ondertekent.

4. Overzicht voorgenomen budgetten voor 2024

Kennis- en Innovatieconvenant 2024–2027: budgetten voor missiegedreven topsectoren- en innovatiebeleid 2024

bedragen € x 1.000

Thema's

Partners

Landbouw/ water/ voedsel

Gezondheid en Zorg *1

Veiligheid

Energietransitie en Circulariteit

subtotaal

Sleuteltechnologieën

Digitalisering

Maatschappelijk verdienvermogen

Nog toe te delen

Totaal

Klimaat & energie

Circulaire economie

Toekomstbestendige Mobiliteit*

Privaat

                       

1. T&U

62.900

                   

62.900

2. Water en Maritiem

34.140

300

 

700

300

 

1.000

       

35.440

3. Agri&Food

104.880

                   

104.880

4. LSH

 

100.000

               

20.000

120.000

5. Chemie incl. Bio-based economy

1.480

400

 

55.910

91.840

 

147.750

870

   

410

150.910

6. Energie

     

85.800

   

85.800

       

85.800

7. HTSM

2.000

2.000

20.000

2.000

2.000

10.000

14.000

465.000

     

503.000

8. ICT *2

               

108.700

   

108.700

9. Logistiek

650

500

500

13.200

4.900

4.500

22.600

350

400

300

 

25.300

10. Creatieve industrie

1.000

2.000

1.000

2.000

2.000

 

4.000

3.000

 

5.000

 

16.000

11. Private cofinanciering voor klimaatregelingen buiten de TS Energie regelingen

     

201.000

12.000

 

213.000

       

213.000

Publiek

                       

Kennisinstellingen

                       

12. TNO

1.957

10.719

9.812

36.752

2.036

6.638

45.425

53.824

   

32.482

154.220

13. Wageningen Research

53.700

                 

23.200

76.900

14. NLR

             

2.500

   

13.284

15.784

15. MARIN

1.453

 

218

400

     

0

     

2.071

16. Deltares

10.000

   

2.250

   

2.250

1.250

     

12.250

17. NWO-PPS

                   

120.000

120.000

18. NWO-SIA

                   

18.000

18.000

19. NWO-TTW

                   

28.146

28.146

20. KNAW

 

12.000

         

2.000

     

14.000

21. ZonMw

 

20

                 

20

22. Universiteiten

                   

104.400

104.400

23. UMC's

 

130.000

                 

130.000

24. RIVM*

                     

ntb*3

25. Hogescholen

15.000

20.000

8.000

     

24.000

12.000

 

18.000

 

97.000

26. MBO's

                   

52.000

52.000

Departementen

                       

27. EZK Digitale Economie

               

2.300

   

2.300

28. EZK Bedrijfsleven & Innovatie

2.905

14.132

20.210

13.950

10.339

8.887

33.176

1.652

   

375.338

447.413

29. EZK Klimaat & Energie

     

125.800

   

125.800

       

125.800

30. EZK Ruimtevaart

                   

83.719

83.719

31. Defensie

   

132.399

               

132.399

32. VWS

                     

ntb*4

33. IenW

2.500

   

40.000

78.000

7.500

125.500

   

2.500

 

130.500

34. OCW-Creat industrie

                 

20.000

 

20.000

35. BuZa-BHOS

                   

71.500

71.500

36. LNV

42.317

                   

42.317

37. SZW

 

11.007

                 

11.007

38. BZK

     

20.800

25.000

 

45.800

       

45.800

39. J&V

   

4.500

               

4.500

Andere

                       

40. Provincies

                   

138.000

138.000

41. ROM's

                   

100.000

100.000

42. Verwachte bijdrage Horizon Europe programma

                     

900.000

43 Invest-NL Capital (investeringen)

 

82.000

       

872.000

250.000

     

1.204.000

44 Invest-NL Business Development (ontwikkelen)

3.068

3.068

 

6.136

9.205

 

15.341

       

21.477

Totaal

339.950

388.146

196.639

606.698

237.620

37.525

1.777.442

792.446

111.400

45.800

1.180.479

5.731.453

waarvan privaat

207.050

105.200

21.500

360.610

113.040

14.500

488.150

469.220

109.100

5.300

20.410

1.425.930

waarvan publiek

132.900

282.946

175.139

246.088

124.580

23.025

1.289.292

323.226

2.300

40.500

1.160.069

4.305.523

Voor toelichting G&Z *1, Toekomstbestendige Mobiliteit*2, ICT*3, RIVM*4 en VWS*5 zie volgende bladzijde.

G&Z *1: In deze KIC periode 2024–2027 sluiten de volgende partners aan bij de KIA Gezondheid en Zorg. In de update van 2024 zal hun totale inzet zichtbaar worden gemaakt.

Een aantal partners heeft over de omvang van haar inzet al besloten (€ x 1.000): NLZVE18 (€ 240,00), Pharos19 (€ 16,5), RegioPlus (€ 99,5)20, SGF (€ 5.600,00)21, STZ (€ 7.250,00)22 en VIG (€ 100,00)23

Een aantal partners sluit zich aan maar zal gedurende 2024 over de omvang van haar inzet besluiten: ROS-netwerk24 en Vilans25

De MT G&Z KIC-partners zijn nog in gesprek met de volgende potentiële KIC-partners: GGD GHOR26, Patiëntenfederatie27 en ZN28

Toekomstbestendige Mobiliteit *2: Activiteiten in het kader van Toekomstbestendige Mobiliteit zijn ondergebracht in de IKIA Klimaat en Energie.

ICT*3: In de andere KIA’s wordt ook aandacht besteed aan digitalisering.

In de update van 2024 zal deze inzet o.a. door kennisinstellingen zichtbaar worden gemaakt.

RIVM *4: De RIVM-bijdrage aan de missies is opgenomen in de budgetten van opdrachtgevende departementen en zal in de update 2024 worden verwerkt.

VWS *5: VWS zal aan de hand van de KIA G&Z haar bijdrage aan het KIC nog vaststellen. In de update van 2024 zal de inzet zichtbaar worden gemaakt.

5. Toelichting overzicht voorgenomen budgetten 2024

De nummers hieronder refereren aan de regels in de tabel. De kolom ‘nog toe te delen’ bevat de bedragen die in de loop van 2024 beschikbaar zullen worden gemaakt aan de KIA’s. Op dit moment, najaar 2023, is dan ook nog niet aan te geven wat de verdeling zal zijn over vijf thematische KIA’s, en de KIA’s sleuteltechnologieën, digitalisering en het maatschappelijk verdienvermogen. Voor de toegepast onderzoekinstellingen (TNO, Wageningen Research, NLR, MARIN, Deltares) staan in deze kolom de bedragen voor hun kennisbasis.

  • 1–10: Dit zijn de voorgenomen private bijdragen voor kennis en innovatie in publiek-private samenwerking, zoals geschat door de topsectoren. Elke topsector heeft bij de bedrijven geïnventariseerd welke bedragen, in cash en in kind, in samenwerkingsprojecten met kennisinstellingen zullen worden ingebracht. Deels zijn dit extrapolaties van eerdere inventarisaties, deels zijn de bedragen gebaseerd op nieuwe uitvragen.

  • 11. Private cofinanciering bij de subsidieregelingen die niet vallen onder de subsidieregelingen topsector Energie. Dit zijn de subsidie-instrumenten Demonstratie Energie en Klimaatinnovatie (DEI) en daarbinnen de eigen bijdrage (75% voor DEI) van de begunstigden.

  • 12. TNO draagt bij aan oplossingen op de vier maatschappelijke thema’s van het missiegedreven innovatiebeleid: Energietransitie & Circulariteit, Landbouw, Water en Voedsel, Gezondheid en Zorg en Veiligheid en aan Sleuteltechnologieën voor een totaal bedrag van ruim € 154 miljoen. Daarbinnen is ruim € 34 miljoen bestemd voor het kennisbasisonderzoek.

  • 13. Wageningen Research draagt bij aan de KIA Landbouw-Water-Voedsel (LWV) en is ten opzichte van de vorige KIA verbreed. Opvallend is dat er eigenstandige missies toegevoegd zijn op het gebied van veerkrachtige natuur en vitaal landelijk gebied. WR kan expertise inzetten op de volledige breedte van deze KIA, inclusief het sleuteltechnologieprogramma dat onderdeel is van deze KIA. Het Ministerie van LNV stelt in 2024 € 54,2 miljoen beschikbaar voor LNV onderwerpen voor de missiegedreven programmering binnen het thema LWV met de Topsectoren. Budgetten voor 2025 en verder zijn afhankelijk van het nieuwe Regeerakkoord. Hiervan is € 2,5 miljoen specifiek voor kennisdeling naar het mkb via het programma Kennis op Maat. Per jaar is € 0,6 miljoen bedoeld voor het Seed Money-programma dat mkb-bedrijven ondersteuning biedt bij de opstart van innovatieve, internationale samenwerkingsverbanden. In 2024 wordt het instrumentarium verder doorontwikkeld om met de middelen effectief te sturen op de transities.

    WR ontvangt tevens € 23,3 miljoen van LNV voor de kennisbasisprogramma’s. Deze dragen ook bij aan de missies van LWV. WR versterkt hiermee expertises en deelname in netwerken en samenwerking die bijdragen aan de realisatie van de missie LWV. WR programmeert de kennisbasisprogramma’s zelf en betrekt daarbij inbreng van stakeholders. De inzet die WR pleegt via de missiegedreven programmering en de kennisbasis is voor circa € 17 miljoen ook relevant voor de KIA’s Klimaat en Energie, Circulaire economie, Gezondheid en Zorg en Sleuteltechnologieën.

  • 14. NLR draagt bij aan maatschappelijke oplossingen en versterking van de concurrentiekracht middels inzet op sleuteltechnologieën in nauwe samenwerking met de topsector HTSM. Tevens versterkt NLR haar kennisbasis. Voor de NLR-bijdrage aan de thema’s Energietransitie & Circulariteit en Veiligheid zie punten 28 en 31.

  • 15. MARIN zet haar expertise in voor de maatschappelijke uitdagingen Veiligheid, Toekomstbestendige mobiliteit en Landbouw, Water en Voedsel in samenwerking met de Topsector Maritiem.

  • 16. Deltares: voor Deltares zijn twee KIA’s van bijzonder belang: Klimaat en Energie en Landbouw, Water en Voedsel. Deltares is tevens actief in de categorie Sleuteltechnologieën als gebruiker, in veel mindere mate als ontwikkelaar.

    Regels 12-16, kolom ‘Nog toe te delen’: hier staan de bedragen voor de kennisbasis van de TO2-instellingen. Dit betreft de strategische capaciteit die noodzakelijk is om de drie hoofdtaken29 nu en in de toekomst betrouwbaar en vernieuwend te kunnen uitvoeren. De ontwikkeling van deze strategische kennisbasis richt zich op de instelling-specifieke kennisopbouw van de TO2-instellingen (zoals diepgaand inzicht in fysieke of andere processen) en de daarbij behorende nieuwe modellen en methoden, de ontwikkeling van algemene sleuteltechnologieën en risicodragend verkennend onderzoek met een langetermijnoriëntatie en een laag TRL (Technology Readiness Level).

  • 17-19. NWO-bijdrage

    NWO draagt bij aan het KIC 2024–2027 door middel van programmering en financiering van onderzoek in publiek-private samenwerkingen, gericht op de Kennis- en Innovatieagenda. Deze jaarlijkse bijdrage bestaat uit de volgende onderdelen:

    • NWO-PPS: NWO draagt € 120 miljoen per jaar bij aan onderzoek in publiek-private samenwerking gericht op de KIA’s; hierbij zetten onderzoekers en bedrijven samen in op publiek-private onderzoeksprojecten met financiering vanuit NWO. Deze middelen zijn afkomstig van de begroting van OCW.

    • NWO-SIA: Regieorgaan SIA draagt € 18 miljoen bij met praktijkgericht onderzoek bij hogescholen. SIA sluit hiervoor aan op onderwerpen van de KIA’s.

    • NWO-TTW: € 28 miljoen voor sleuteltechnologieën via het Perspectief-instrument van NWO-Toegepaste en Technische Wetenschappen. Deze middelen zijn afkomstig van de begroting van EZK.

    De NWO-PPS bijdrage wordt uitgezet langs drie hoofdlijnen Missie, Vraag en Strategie en door het financieren van EU Partnerschappen passend bij het KIC. Ook houdt NWO een flexibel budget aan om via de genoemde hoofdlijnen in te spelen op actuele (waaronder cross-over) onderwerpen gerelateerd aan de KIA’s. De NWO-programmacommissie KIC adviseert de raad van bestuur over de inzet van NWO-PPS middelen en de kwaliteit.

    NWO-PPS

    Gemiddeld budget 2024–2027 (€ x miljoen per jaar)

    Missiecalls

    Thematische publiek-private samenwerkingsprogramma’s. De thematische prioriteiten van de KIA’s zijn hiervoor het uitganspunt

    56

    Vraaggedreven partnerschappen

    Bedrijven en/of maatschappelijke organisaties agenderen (en financieren) samen met NWO relevante en urgente onderwerpen voor de wetenschap, passend binnen het missiegedreven innovatiebeleid

    15

    Strategie – langetermijnprogramma’s

    Voor strategische consortia die een tienjarige samenwerking tussen onderzoekers en private en publieke partijen willen opzetten, welke passen binnen het missiegedreven innovatiebeleid

    10

    EU Partnerschappen

    Nederlandse deelname in Europese cofunded partnerschappen op onderwerpen die aansluiten op het missiegedreven innovatiebeleid

    4,5

    Flexibel budget

    Wordt ingezet op actuele en cross-over thema’s (gerelateerd aan de KIA’s) via missiecalls, vraaggedreven partnerschappen of lange termijnprogramma’s. Dit budget dekt ook verplichtingen in lopende langetermijnprogramma’s en de beheerslasten van NWO.

    34,5

    Totaal

    1201

    X Noot
    1

    NWO verhoogt vanaf 2024 de jaarlijkse bijdrage aan het KIC van € 100 naar € 120 miljoen onder voorbehoud van vaststelling van de NWO-begroting voor 2024.

  • 20. KNAW (met name het Hubrecht instituut en het Nederlands Herseninstituut) draagt € 12 miljoen bij aan de missie Gezondheid en Zorg en € 2 miljoen aan de Sleuteltechnologieën. Deze middelen zijn afkomstig van de begroting van OCW.

  • 21. ZonMw draagt specifiek bij aan het thema Gezondheid & Zorg. ZonMw ontwerpt programma’s en financiert onderzoek en vernieuwing in gezondheid, zorg en welzijn. Daarnaast stimuleert ZonMw het gebruik van de ontwikkelde kennis en signaleert het waar meer kennis nodig is. Op basis van huidige inschattingen van reeds toegezegde en lopende programma’s, komt de bijdrage van ZonMw met een PPS-karakter neer op € 10 miljoen per jaar. Daarnaast is de verwachting dat er € 10 miljoen per jaar beschikbaar komt voor nieuwe nog te ontwikkelen programma’s in PPS-verband.

  • 22. Universiteiten financieren samen met hun partners een aantal langetermijnprogramma’s zoals QuTech, ARC-NL, RegMed XB en ARC-CBBC. Daarnaast geven de universiteiten en UMC’s uitvoering aan hun strategie Valorisatie met Ambitie. Verder ontwikkelen universiteiten eigen programma’s die bijdragen aan de kennis- en innovatieagenda’s. Een voorbeeld is ‘High Tech for a Sustainable Future’ van de 4TU Federatie. De UT, TU Delft, TU/e en WUR financieren dit met € 22 miljoen over een periode van vijf jaar (dus € 4,4 miljoen per jaar).

  • 23. UMC’s, de acht Universitaire Medische Centra zetten ‘in kind’ hun onderzoekers en technology transfer-organisaties in op het onderzoek en het innovatiemanagement van de publiek-private partnerships.

  • 24. Veel van de werkzaamheden van het RIVM zijn gekoppeld aan de missies die centraal staan in het MTIB en de KIA's. De RIVM-bijdrage aan de missies verloopt via opdrachten van de ministeries.

  • 25. Hogescholen: de vele lectoraten die actief zijn op thema’s gerelateerd aan één of meerdere KIA’s, dragen gezamenlijk naar schatting € 97 miljoen per jaar bij met praktijkgericht onderzoek op de missies. Deze middelen zijn afkomstig van de begroting van OCW. Hiermee dragen hogescholen naar schatting totaal € 115 miljoen per jaar bij aan praktijkgericht onderzoek: € 18 miljoen door Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht Onderzoek SIA en € 97 miljoen door hogescholen. Zie ook de inbreng van de hogescholen in bijlage 1 bij dit KIC.

    KIA 1: Energietransitie en circulariteit

    € 24 miljoen

    KIA 2: Landbouw, water en voedsel

    € 15 miljoen

    KIA 3: Gezondheid & zorg

    € 20 miljoen

    KIA 4: Veiligheid

    € 8 miljoen

    KIA 5: Sleuteltechnologieën

    € 12 miljoen

    KIA 6: Maatschappelijk Verdienvermogen

    € 18 miljoen

    Totaal:

    € 97 miljoen

  • 26: Middelbaar BeroepsOnderwijs (MBO): Het mbo investeert in publiek-private samenwerking. Sinds 2014 hebben al 187 samenwerkingsverbanden gebruik gemaakt van het Regionaal Investeringsfonds mbo (RIF) om de samenwerking tussen ROC’s, mkb’ers, studenten en docenten te stimuleren (bron: https://www.wijzijnkatapult.nl/). Zie ook de inbreng van de mbo’s in bijlage 1 bij dit KIC.

  • 27. EZK Digitale Economie zet in 2024 € 2,3 miljoen in voor de ondersteuning van PPS-en voor onderzoek en innovatie, zoals voor AI en Datascience/datadelen en voor internationalisering.

  • 28. EZK Bedrijfsleven & Innovatie: deze budgetten bevorderen publiek-private samenwerking bij onderzoek en innovatie. Samenwerking wordt gestimuleerd met de PPS-toeslag en de MIT. Internationale samenwerking wordt gestimuleerd door EU-cofinanciering, Innovatie Attachés en technologiemissies. Daarnaast zijn middelen beschikbaar voor zgn. EU-Partnerschappen (zie ook de Overzichtstabel Bedrijfslevenbeleid en Missiegedreven Innovatiebeleid van de begroting van EZK 2024 pag. 59 e.v.). In deze regel zijn ook de budgetten opgenomen voor TNO voor publieke programma’s op de thema’s Gezondheid en Zorg (€ 14,1 miljoen), Energietransitie en Circulariteit (€ 32,8 miljoen) en Veiligheid (€ 7,6 miljoen TNO en 12,6 miljoen NLR). Daarnaast draagt ook Marin bij aan publieke programma’s op binnen de KIA’s Landbouw, Water, Voedsel ( € 2,9 miljoen), Veiligheid (€ 0,6 miljoen), Klimaat en Energie (€ 0,3 miljoen) en Sleuteltechnologieën (€ 1,6 miljoen).

  • 29. EZK Klimaat & Energie: de bijdrage bestaat uit € 54 miljoen voor de klimaatenvelop industrie (via DEI en TSE calls), € 5 miljoen voor de klimaatenvelop elektriciteit (TSE calls), € 25 miljoen voor DEI. Verder uit de middelen voor de topsector Energie: € 41,8 miljoen (TSE zelf € 30 miljoen, POA en internationale contributies IEA en opdrachtmiddelen € 11,8 miljoen).

  • 30. EZK ruimtevaart voor de optionele programma’s van ESA die bijdragen aan de missies. Deze middelen worden door Nederlandse partijen benut voor onderzoek en ontwikkelingsopdrachten. De middelen maken bijvoorbeeld een Nederlandse bijdrage mogelijk aan de nieuwe missie van het Europese aardobservatieprogramma Copernicus om CO2 en andere broeikasgassen in beeld te brengen. Deze ruimtevaartinschrijvingen dragen bij aan de thema’s Veiligheid, Landbouw, Water en Voedsel, Energietransitie & Circulariteit en Sleuteltechnologieën.

  • 31. Defensie heeft in beginsel voor de gehele periode 2024–2027 ca. € 527 miljoen beschikbaar (ca. € 132 miljoen/j) voor publiek-private samenwerking. In beginsel, omdat deze middelen budgetten betreffen voor technologieontwikkeling en (kort-)cyclische innovaties met defensiebedrijven. Er kan gebruikt worden gemaakt van deze middelen als er concrete voorstellen liggen en de voorstellen voldoen aan de eisen van deze regelingen. Defensie geeft aan beide pijlers komende jaren een flinke impuls. Die investeringen worden gedaan in zowel de breedte (de basis), als in een aantal speerpunten en innovatiegebieden (focus). Daarnaast gaat Defensie nog nauwer samenwerken met onze kennis- en innovatiepartners in ecosystemen en op Europees en in internationaal verband (samenwerking met kennis- en innovatiepartners). Defensie onderhoudt daarnaast een strategisch partnerschap met de kennisinstituten TNO, MARIN en NLR. Dit partnerschap gaat verder dan de gebruikelijke vormen van inschakeling van derden door Defensie. Deze instituten houden een door Defensie vastgesteld pakket aan defensie-specifieke kennis- en expertisegebieden in stand, gefinancierd uit het centraal budget voor wetenschappelijk onderzoek op de defensiebegroting (doelfinanciering). Daarnaast verrichten deze instituten defensieonderzoek met middelen uit de rijksbijdrage (begroting EZK).

  • 32. VWS zal aan de hand van de KIA G&Z haar bijdrage aan het KIC vaststellen. De bijdrage van VWS aan P3Venti (onderzoek naar ventilatie en COVID) of de Coalitie Leefstijl in de Zorg die focust op leefstijl in de context van contact tussen mensen met fysieke of mentale klachten/aandoeningen en hun zorgprofessionals in de curatieve zorg of met betrouwbare digitale bronnen, zijn voorbeelden die potentieel onderdeel worden van het KIC.

  • 33. IenW draagt bij aan vier thema’s:

    • De bijdrage van IenW voor publiek private samenwerking binnen het thema LWV bedraagt € 2,5 miljoen. Hiernaast bedraagt de jaarlijkse inzet vanuit NGF-projecten op het thema LWV circa € 45 miljoen. Aanvullende beleidsmatige kennis en innovatie inzet op het thema LWV bedraagt door IenW, incl. RWS circa € 94 miljoen.

    • Voor Klimaat en Energie heeft IenW € 47,5 miljoen. Het gaat om de Klimaatenvelop-middelen voor duurzame mobiliteit, waarmee IenW circa € 40 miljoen per jaar inzet op innovaties middels diverse instrumenten. Daarnaast betreft het € 7,5 miljoen van het IenW-budget voor de Topsector Logistiek o.b.v. het meerjarenprogramma. Ook zet IenW andere innovatiemiddelen in via het MIRT en MF (in samenwerking met de regio’s).

    • IenW heeft voor Circulaire Economie in 2024 € 78 miljoen beschikbaar. Daarvan is € 58 miljoen vanuit het Klimaatfonds voor pilot- en demoprojecten in de DEI+ CE-regeling en de ondersteuning van ketenvorming en recyclingtechnieken voor circulaire plasticketens (deze bedragen lopen de komende jaren nog op, voor 2024–2027 staat per jaar gemiddeld € 85,6 miljoen begroot). De overige middelen zijn voor de KIA CE-regeling (€ 2,5 miljoen), de regeling Circulaire ketenprojecten (PM), de ondersteuning van grote ketenprojecten van het Versnellingshuis Nederland Circulair! (€ 6 miljoen) en de nieuwe Subsidieregeling Implementatie en Opschaling Circulaire Strategieën (€ 7 miljoen).

    • Bij de KIA Maatschappelijk Verdienvermogen draagt IenW € 0,5 miljoen bij aan het programma Safety Delta Nederland (SDN) en € 2 miljoen voor de Subsidieregeling Versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten (ook Safety Deal-regeling genoemd).

  • 34. OCW-Creatieve industrie: Met het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, de Actieagenda Ruimtelijk Ontwerp, en het Programma De Publieke Ontwerppraktijk (PONT) stimuleert OCW de ontwerpdisciplines die bijdragen aan oplossingen voor urgente maatschappelijke opgaven, zoals met ruimtelijke inpassing van innovatie.

  • 35. BuZa/Buitenlandse Handel-Ontwikkelingssamenwerking draagt in 2024 € 71,5 miljoen bij ten behoeve van de internationale profilering en het versterken van exportkansen van Nederlandse bedrijven, met aandacht voor de nieuwe kennis en innovatie op de maatschappelijke uitdagingen en sleuteltechnologieën. Het gaat om innovatie- en handelsmissies, de Nederland-branding in het buitenland, Partners for International Business (PIB, een programma om clusters van bedrijven te positioneren in het buitenland), deelname aan strategische beurzen.

  • 36. Voor LNV is de KIA Landbouw Water Voedsel tevens de agenda voor de kennis- en innovatieprogrammering ter ondersteuning van het beleid. Hiermee wil het departement de samenhang tussen publiek-private en publieke programmering borgen, en optimale synergie bewerkstelligen. LNV zet in 2024 (de budgetten voor 2025 en verder zijn afhankelijk van het nieuwe Regeerakkoord) € 42 miljoen in voor kennis- en innovatieprogramma’s bij WR en andere kennisinstellingen, die bijdragen aan het realiseren van de missiedoelen in deze agenda. Dit omvat ten eerste de middelen voor onderzoek ter ondersteuning van het beleid op de volle breedte van de KIA. Ook zijn hierin programma’s opgenomen die gericht zijn op kennisdeling zoals via Groenpact en Duurzaam Door. LNV investeert de komende jaren in de EU-partnerschappen Agroecology and living labs, Agriculture of data, Animal health and welfare, en Safe and sustainable food systems met bedragen oplopend naar € 5 miljoen per jaar. Met € 7,6 miljoen co-financiert LNV bovendien onderzoeksprogramma’s van het Europese kaderprogramma van WR die bijdragen aan de missies, ter versterking van de link tussen de nationale en de EU programmering. Vanaf 2025 zal een start worden gemaakt met een programma voor onderzoek, kennisontwikkeling en kennisdeling via (grotendeels) publiek-gefinancierde, deels nieuwe, instrumenten en samenwerkingsvormen om de transities te versnellen. Bovenop het bedrag in de KIC-tabel investeert LNV in onderzoek bij WR en RIVM als onderdeel van diverse beleidsprogramma’s in kennisontwikkeling en innovatie rond o.a. klimaat en stikstof.

  • 37. SZW draagt bij aan het thema Gezondheid en Zorg, gebaseerd op raakvlakken met gezonde arbeidsomstandigheden en duurzame inzetbaarheid. SZW onderhoudt hiertoe langlopende kennisprogramma’s bij onder meer TNO, RIVM, Gezondheidsraad en het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten op onder meer innovatie op gedrags- en technologische interventies ten behoeve van preventie van beroepsziekten, gevaarlijke stoffen, fysieke belasting, preventie en de bedrijfsgezondheidszorg. Daarnaast is er ook een verbinding tussen SZW en de human capital-agenda rond de inzetbaarheid van mensen op de arbeidsmarkt: langer kunnen doorwerken, participatie van mensen met chronische aandoeningen, alsmede de aansluiting van onderwijs op arbeidsmarkt. Het aandeel dat TNO hierin uitvoert voor SZW is € 3,9 miljoen voor het onderdeel gezonde arbeidsomstandigheden.

  • 38. BZK zet middelen in voor de IKIA (€ 20,8 miljoen p/j voor o.a. MOOI, DEI+ aardgasvrij) en de KIA-CE (€ 25 miljoen p/j en voor het Interdepartementaal Opschalingsplan Biobased Bouwen (IDOBB), € 20 miljoen p/j NGF-programma Toekomstbestendige Leefomgeving), alsmede voor Kennis, opschalings-, en praktijkervaringsprogramma onder Schoon en Emissieloos Bouwen (€ 5 miljoen p/j). Dit zijn bijdrages in het kader van de meerjarige missiegedreven innovatieprogramma’s om de gebouwde omgeving CO2-neutraal en toekomstbestendig te maken. Het betreft middelen voor pilots en demonstratieprojecten van innovaties die op korte termijn commercieel toegepast kunnen worden bij het aardgasvrij maken van gebouwen en middelen die de ontwikkeling en opschaling van duurzame (ver)bouwketens ondersteunen.

  • 39. De herijking van de missies heeft voor JenV gezorgd voor meer focus en minder missies. Voor het jaar 2024 is het € 4,5 miljoen. Daarnaast voert TNO het vraaggestuurde programma Veilige Maatschappij uit. Een deel van een deel van dit programma Digitalisering Strafrecht is gericht op kennis- en innovatie-inspanningen ter bestrijding van ondermijning van de rechtstaat en kennis en innovatie-inspanningen van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en Wetschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC).

  • 40. De gezamenlijke bijdrage van de twaalf provincies is indicatief door het Rathenau Instituut30 geraamd voor 2024 op € 138 miljoen.

  • 41. De regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) dragen indicatief circa € 100 miljoen aan investeringsvolume uit eigen fondsen bij aan de missies en de sleuteltechnologieën.

  • 42. Verwacht uit Horizon-programma: de schatting is gemaakt door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland aan de hand van de bijdragen die Nederlandse partijen verwierven in de afgelopen jaren op de missies en sleuteltechnologieën. In 2021 is Horizon Europe van kracht geworden. Gemiddeld haalde Nederland voor de maatschappelijke uitdagingen en sleuteltechnologieën over jaren 2021 en 2022 € 918 miljoen per jaar op. In de update van het KIC in 2024 zullen de laatste cijfers weer worden verwerkt, omdat er dan zicht is op drie complete jaren Horizon.

  • 43-44. Invest-NL biedt zowel Capital (investeringen) als Business Development (ontwikkeling) voor bedrijven en projecten in transitiedomeinen en voor de toegang van (innovatie) ondernemers tot financiering. Vanuit Capital is in de periode nog ca. € 1,2 miljard investeringskapitaal beschikbaar voor additionele en marktconforme investeringen in bedrijven die leiden tot transitie en innovatie. Grootste focus daarin ligt op de transitie naar een carbonneutrale en circulaire economie, incl. Agrifood, en daarnaast budgetten voor LSH en Deep Tech.

Het jaarlijks Business Development budget van ca. € 11,5 miljoen is bedoeld om transitiemarkten en ondernemingen daarin te ontwikkelen zodat ze financierbaar worden, met marktonderzoek, productontwikkeling en propositiebegeleiding. Dit gebeurt op dezelfde thema’s als Capital in gezamenlijke teams, maar Business Development ontwikkelt ook als anderen de financiering daardoor verstrekken.

6. Partners en ondertekening

Topsectoren, voorzitters van de Topteams

Boegbeeld Agri & Food,

Mr. drs. ing. D. Duijzer

Boegbeeld Chemie,

Ir. J.C.V. Vaessen

Boegbeeld Creatieve Industrie,

Ir. J.C. de Waal

Boegbeeld Energie,

Ir. P.C. Molengraaf MBA

Boegbeeld High Tech Systemen en Materialen,

Ir. M. H. Hendrikse

Boegbeeld ICT,

Ir. W.A.A. Peek-Vissers

Boegbeeld Life Sciences & Health,

Ir. C.F.M. van Vilsteren

Boegbeeld Logistiek,

Dr. ir. A.W. Veenman

Boegbeeld Tuinbouw en Uitgangsmaterialen,

J.H.N. Bond

Boegbeeld Water en Maritiem,

Ing. T.E. Bodewes

Kennisinstellingen

Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, de president,

Prof. dr. A.M. Dogterom

MBO-Raad, de voorzitter,

A. Tekin

Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, de voorzitter Raad van Bestuur,

Prof. dr. M. M. Levi

Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU), de voorzitter,

Dr. B.E. Lahuis

TO2-federatie, vertegenwoordigd door Wageningen Research,

Prof. dr. ir. A.P.J. Mol

Universiteiten van Nederland, de vice-voorzitter,

Prof. dr. J. de Vries

Vereniging Hogescholen, de voorzitter,

Mr. M.H.J. Limmen

Rijksoverheid

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

H.M. de Jonge

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,

E.N.A.J. Schreinemacher

De Minister van Defensie,

K.H. Ollongren

De Minister van Economische Zaken en Klimaat,

M.A.M. Adriaansens

De Minister voor Klimaat en Energie,

R.A.A. Jetten

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

M.G.J. Harbers

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,

V.L.W.A. Heijnen

De Minister van Justitie en Veiligheid

D. Yesilgöz-Zegerius

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

P. Adema

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

R.H. Dijkgraaf

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

C.E.G. van Gennip

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. J. Kuipers

Andere Partners

Interprovinciaal Overleg namens de 12 provincies,

M.P.J.M. van Gruijthuijsen

Invest-NL, de CEO,

drs. R. Zonneveld

Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s),

mr drs. W.E.M. de Jong

BIJLAGE 1: AANSLUITING PARTNERS UIT HET MIDDELBAAR- EN HOGER BEROEPSONDERWIJS

A. Inbreng middelbaar beroepsonderwijs (MBO-Raad)

Inleiding

Nederland staat voor grote maatschappelijke opgaven. Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) staat midden in de maatschappij en leidt studenten op voor de hele breedte van de arbeidsmarkt. Het is een belangrijke schakel voor grote maatschappelijke uitdagingen, zoals de energietransitie, de woningbouw, het onderwijs en de zorg. De titel van de Werkagenda mbo 2023–2027 is niet voor niets ‘Samen Werken aan Talent’. Het zijn de studenten van nu die oplossingen bedenken en maken voor de uitdagingen van morgen. Meer dan 40% van de beroepsbevolking heeft een mbo-diploma op zak. Er zijn 58 mbo-scholen (roc’s en beroepscolleges) die op 549 locaties, 736 crebo-opleidingen en meer dan 1.000 keuzedelen verzorgen. Momenteel zijn er 485.000 studenten, jongeren en volwassenen, ingeschreven in het mbo.

Het mbo heeft een brede publieke opdracht. Het initiële onderwijs kent een drievoudige kwalificatie: opleiden voor een beroep, doorleren naar een vervolgopleiding en succesvol participeren in de samenleving. Momenteel groeit de markt voor een leven lang ontwikkelen (LLO) met maatwerkscholing snel. Het mbo is ook emancipator voor het sociaal domein van gezinnen en huishoudens. Gezien deze maatschappelijke uitdagingen ervaart het mbo de urgentie van een langetermijnvisie. De regionale opleidingscentra en beroepscolleges, verenigd in de MBO Raad, hebben deze langetermijnvisie opgetekend in het ‘Strategisch meerjarenperspectief MBO Raad 2022–2030’.

Het mbo kent een lange traditie van nauwe samenwerking met het bedrijfsleven, zowel landelijk, als regionaal en lokaal. Op landelijk niveau wordt binnen Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) samengewerkt in het ontwikkelen van de kwalificatiestructuur, het erkennen van leerbedrijven voor stages en leerbanen, het leveren van stage- en arbeidsmarktinformatie, en het maken van afspraken over de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt. Op regionaal en lokaal niveau werken mbo-instellingen nauw samen in de beroepskolom met andere onderwijsinstellingen, met individuele leerbedrijven en samenwerkingsverbanden van (sectorale) werkgevers, gemeentelijke en provinciale overheid. Dit alles met als primair doel om het onderwijsaanbod voor studenten (BOL en BBL), maar ook initieel, post initieel en LLO), optimaal af te stemmen op de behoeften en belangen van al deze verschillende belanghebbenden.

De opgaven waar Nederland voor staat, beïnvloeden de maatschappelijke opdracht van het mbo. Tegelijkertijd is het mbo van cruciale waarde voor de realisatie en het verder ontwikkelen van deze maatschappelijke opgaven. Dat gaat niet zonder professionalisering en innovatie, en daarvoor is onderzoek nodig. Zoals ook het kabinet erkend heeft, moeten onderzoek en innovatie structureel ingebed worden in het mbo en het mbo in de landelijke kennis- en onderzoeksinfrastructuur. Het mbo heeft als ambitie haar innovatie- en onderzoekskracht te vergroten, zodat er vloeiende wisselwerking ontstaat tussen het uitwisselen van kennis en ervaring van én naar het mbo. Digitalisering kan een rol spelen bij het vergroten van innovatiekracht. Cybersecurity en privacybescherming zijn randvoorwaarden voor veilige digitalisering in het onderwijs. Om dit alles te realiseren, is het noodzakelijk dat het mbo op het gebied van onderzoek en innovatie een volwaardige en gelijkwaardige partner in de onderzoeks- en kennisnetwerken wordt. Het mbo wil onderzoek, innovatie en digitalisering stevig inbedden in de sector, in nauwe samenwerking met de overheden, het bedrijfsleven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties. Het mbo wil de verbinding tussen onderwijsteams en kennis/wetenschap doorontwikkelen en consolideren, zodat onderwijsteams evidence-informed, en soms evidence-based, kunnen werken.

Het mbo is op dit moment al op verschillende manieren actief bezig met de diverse missies binnen de thema’s van het innovatiebeleid en de daarbij behorende kennis- en innovatie agenda's (KIA's). Deze agenda’s zullen impact hebben op veel mbo-opleidingen, en in sommige sectoren zelfs op álle opleidingen. Verschillende bedrijfstakgroepen binnen de MBO Raad zijn al direct of indirect betrokken bij de KIA’s. Kortom, het mbo heeft veel inzicht in wat nodig is.

Publiek-private samenwerking

Het mbo investeert in publiek-private samenwerkingen met bedrijven en instellingen. Sinds 2014 hebben al 187 samenwerkingsverbanden gebruik gemaakt van het Regionaal Investeringsfonds mbo (RIF) om de samenwerking tussen ROC’s, mkb’ers, studenten en docenten te stimuleren (Bron: https://www.wijzijnkatapult.nl/). In 2023 is € 27 miljoen beschikbaar voor aantrekkelijk en eigentijds sterk mbo-onderwijs. De bedoeling is dat deze regeling in 2024–2027 wordt voortgezet. Voor vakgebieden waar technologische ontwikkelingen snel opeenvolgen is het van belang dat onderwijs ook goed aansluit op de veranderende vraag van de arbeidsmarkt. Dit geldt bijvoorbeeld voor de topsectoren. De Centra voor Innovatief Vakmanschap zijn voorbeelden van succesvolle publiek-private samenwerking. Hier werken mbo-scholen, bedrijfsleven en (regionale) overheid nauw samen en leren studenten zich voor te bereiden op een beroepscontext met de nodige technologische uitdagingen.

Practoraten

Met de toekenning van 25 miljoen in 2023–2026 door OCW ten behoeve van de doorontwikkeling van practoraten, heeft de mbo-sector de facto de wettelijke opdracht gekregen om het thema Onderzoek & Innovatie (O&I) te verankeren in het strategisch meerjarenperspectief, zowel voor wat betreft het thema in brede zin als voor de practoraten in het bijzonder. Een practoraat is een expertiseplatform binnen een mbo-instelling waar praktijk(gericht) onderzoek wordt uitgevoerd. Doel is het verspreiden van kennis en innovatie. Een practoraat bestaat uit een ‘kenniskring’ met een practor en docent-onderzoekers. Ook docenten, studenten en partners vanuit het (regionale) bedrijfsleven zijn actief betrokken om op te leiden tot innovatief vakmanschap. Practoraten willen een actieve bijdrage leveren aan de professionalisering en innovatiekracht van de mbo-sector. Hiervoor wordt binnen de practoraten praktijkgericht onderzoek uitgevoerd, ook in samenwerking met het werkveld en het hoger onderwijs. De ambitie is om de kwaliteit en de positionering van practoraten binnen de kennisketen van het onderwijs te versterken.

Gezondheid & Zorg

Een voorbeeld van sectorale vernieuwing, zoals beoogd in de KIC, biedt de sector zorg, welzijn en sport. De MBO Raad is sinds 2020 actief betrokken bij Health Holland voor het Maatschappelijk Thema Gezondheid en Zorg (zie de transitieagenda human capital). Inzet op gezondheid, vitaliteit en preventie zijn sleutelwoorden, die in alle opleidingen worden uitgedragen. In juni 2022 is hiertoe een landelijk symposium georganiseerd. De practoraten worden nauw betrokken om de transitieopdracht te ondersteunen met praktijkgericht onderzoek. De sector is bestuurlijk vertegenwoordigd in het themateam en MT gezondheid en zorg van de KIA 2024–2027, en biedt op deze manier een langjarige bijdrage aan de noodzakelijke transitie van de sectorale arbeidsmarkt.

Tot slot

Al deze activiteiten willen we komende jaren voortzetten en intensiveren om het mbo én het Nederlandse onderwijsstelsel verder te versterken. De KIC biedt een uitgelezen kans om met een stevige mbo-agenda te werken aan de opbouw en de versterking van de kennispositie van mbo-instellingen en daarmee aan het vergroten van de responsiviteit op de arbeidsmarkt.

B. Inbreng Hogescholen (Vereniging Hogescholen)

De missies die centraal staan in het missiegedreven innovatie- en topsectorenbeleid zijn ontstaan en geworteld in vraagstukken in de maatschappij. Het praktijkgericht onderzoek van hogescholen wordt gekenmerkt door co-creatie tussen onderwijs, onderzoek en de beroepspraktijk en haalt in constante wisselwerking met het regionale beroepenveld en overige actoren in de maatschappij de vragen op om deze gezamenlijk te onderzoeken en de resultaten terug te geven. Hierdoor is er grote overlap tussen de thema’s in de Kennis- en Innovatieagenda’s (KIA’s) en de thema’s waar praktijkgerichte onderzoekers in het hbo op actief zijn. Bovendien draagt het praktijkgericht onderzoek toepasbare oplossingen aan die het verwezenlijken van die agenda’s mogelijk maakt.

De omvang en impact van het praktijkgericht onderzoek neemt significant toe. De afgelopen KIC-periode hebben hogescholen zich georganiseerd rondom de KIA’s door zes zogenaamde ‘hbo-thematafels’ in te richten, voorgezeten door hogeschoolbestuurders. Deze thematafels fungeren enerzijds als focuspunt voor de onderzoeksinspanning van hogescholen op de KIC-thema’s (vormgegeven in Centres of Expertise, SPRONG groepen, lectorenplatforms, fieldlabs, etc.) en anderzijds als vertegenwoordiging van het hbo in de landelijke KIC-gremia. Zo wordt binnen het hbo het bestuurlijke proces gekoppeld aan de inhoudelijke thema’s van het missiegedreven innovatiebeleid.

In de komende periode willen hogescholen bovendien meer investeren in hun valorisatie-opgave. De plek die praktijkgericht onderzoek binnen het Nederlandse onderzoeksbestel heeft, maakt het bij uitstek geschikt voor het welslagen van maatschappelijke vraagstukken die de basis vormen van de Kennis- en Innovatieagenda’s. Door meer expertise en ondersteuning beschikbaar te maken voor valorisatie zal de impact nog groter worden. In dat kader hebben de hogescholen een convenant getekend met de regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) om hun wederzijdse kennis en netwerken in te zetten om de innovatieve kracht van het bedrijfsleven in Nederland te vergroten; ook dat zal direct bijdragen aan de realisatie van de Kennis- en Innovatieagenda's.

Waar voor de vorige KIC-periode alleen nog gekeken is naar de inzet van hogescholen op basis van de Centres of Expertise, is de onderzoeksinzet van hogescholen voor de komende KIC-periode berekend op basis van het aantal lectoraten dat zich richt op één of meerdere KIA’s. Een lectoraat vormt immers de meest fundamentele onderzoekseenheid binnen het hbo. De lectoraten zijn veelal actief binnen de eerdergenoemde onderzoekscentra van hogescholen. Hieronder volgt op hoofdlijnen een overzicht van de bijdrage van hogescholen aan de KIA’s.

Hogescholen dragen bij aan alle deel-KIA's onder Energietransitie & Circulariteit, o.a. via ruim tien Centres of Expertise, zeven lectorenplatforms en negen SPRONG groepen. Met name op het terrein van circulaire economie dragen hogescholen stevig bij aan de KIA. Belangrijke aandachtsgebieden van hogescholen zijn biobased economy, duurzaam transport en logistiek en de energietransitie, inclusief de gerelateerde gedragsaspecten die daar mee samen hangen.

Op het terrein van landbouw en voedsel organiseren 'groene' hogescholen zich in een gezamenlijk Centre of Expertise. Op het vlak van water zijn hogescholen goed georganiseerd via het Centre of Expertise Delta Platform en het Centre of Expertise Water Technology. Er is één gezamenlijk lectorenplatform rond beide thema's. De aansluiting op de kennisinfrastructuur is vanuit het lectorenplatform en de Centres of Expertise goed georganiseerd. In de afgelopen KIC-periode zijn met deze partners onder andere verschillende living labs gerealiseerd.

Op de KIA Gezondheid en Zorg zetten hogescholen stevig in, met ongeveer tien Centres of Expertise, negen lectorenplatforms, 12 SPRONG groepen en ruim 130 lectoraten voor technologische innovatie, sociale innovatie en de wisselwerking daartussen. Toepasbare, multidisciplinaire kennis, die zorgprofessionals direct helpt. Hierbij is er veel nadruk op het verleggen van de focus van zorg naar gezondheid en wijkgericht werken en oplossingen bieden voor concrete problemen in de regio. Dit in samenwerking met innovatieve bedrijven, maatschappelijke organisaties en zorgprofessionals. Daarnaast is er aandacht voor thema's als toegang tot zorg, eHealth, dementie en geriatrie.

Aan de KIA Veiligheid dragen hogescholen met name bij aan de missies cyberveiligheid en ondermijning. Met vijf Centres of Expertise en living labs, een SPRONG groep en verschillende lectorenplatforms organiseren hogescholen zich via de hbo-thematafel rond de relevante vraagstukken. Hierbij is ook veel aandacht voor sociale veiligheid, civiel-militaire samenwerking en kansen rond AR/VR/serious gaming.

Op diverse manieren dragen hogescholen bij aan de KIA Sleuteltechnologieën. Met een toenemend aantal Centres of Experise en lectorenplatforms, met de hbo-thematafel Sleuteltechnologieën en met betrokkenheid van het bedrijfsleven en maatschappelijke partners organiseren de hogescholen zich op het spectrum van sleuteltechnologieën en technologisch innoveren. Denk bijvoorbeeld aan hightech systems, ICT, materialen, smart industry, robotica, AI, zorgtechnologie en fotonica.

De nieuwe KIA Digitalisering richt zich op nieuwe digitale- en informatietechnologieën en digitale transformaties. Er zijn veel mogelijkheden bij de hogescholen om de ambities van deze nieuwe KIA te ondersteunen.

Binnen de KIA Maatschappelijk Verdienvermogen wordt door de hogescholen sterk ingezet op de (door)ontwikkeling van methoden en aanpakken (de KEM’s) en de inzichten voor het organiseren van transities en versnellen van maatschappelijke innovaties. De diverse expertises die bijdragen aan brede welvaart, op het gebied van gedrag-, en veranderkunde, op nieuwe economische verdienmodellen en op creatief en sociaal ontwerp, zijn de afgelopen periode sterk ontwikkeld en duurzaam genetwerkt in zeven lectorenplatforms en zes SPRONG-groepen.

In onderlinge afstemming zullen hogescholen in samenspraak met de KIA-trekkers en de regionale stakeholders de inzet op de KIA’s bepalen. Gebaseerd op de omvang van de direct aan de KIA’s te relateren lectoraten is de inschatting dat hogescholen jaarlijks ongeveer € 115 miljoen bijdragen met praktijkgericht onderzoek dat relevant is voor de KIA’s (zie de tabel voor de onderverdeling per KIA). We verwachten dat dit de komende vier jaar nog verder zal toenemen vanwege de groei van het praktijkgericht onderzoek en de toenemende aandacht voor de KIA’s.

Inzet Regieorgaan SIA

Regieorgaan SIA is onderdeel van NWO, en draagt jaarlijks vanuit die positie € 18 miljoen euro bij aan het KIC 2024–2027. Deze inzet vindt plaats langs de volgende instrumenten:

  • SPRONG (circa € 12,5 miljoen per jaar); gericht op het stimuleren van krachtige onderzoeksgroepen bij hogescholen en een robuuste infrastructuur in praktijkgericht onderzoek.

  • L.INT (circa € 3 miljoen per jaar); gericht op het bevorderen van samenwerking tussen een hogeschool en onderzoeksinstituut (o.a. TO2, NWO-instituut, KNAW-instituut, Rijkskennisinstelling) in de vorm van een dubbelaanstelling van een lector aan beide instellingen.

  • KIEM (circa € 2,5 miljoen per jaar); gericht op het stimuleren van verkennend innovatie-onderzoek in een netwerk van praktijkpartners en kennisinstellingen.

Voor de thematische keuzes sluit Regieorgaan SIA enerzijds aan op de thema’s die in de KIA’s worden benoemd, en anderzijds op de strategische keuzes die de hogescholen hierin zelf maken.

BIJLAGE 2. OVERZICHT NATIONAAL GROEIFONDS-PROJECTEN DIE INHOUDELIJK AANSLUITEN OP DE KENNIS- EN INNOVATIEAGENDA’S

Nationaal Groeifonds-projecten die inhoudelijk aansluiten op de Kennis- en Innovatieagenda's (KIA)

Ronde

Project

Gerelateerde KIA

Departement

Voorwaardelijk toegekend (x € 1 miljoen)

Toegekend (x € 1 miljoen)

1

Nationaal Onderwijslab

Digitalisering

EZK

 

79,6

1

AiNed

Digitalisering; Landbouw, Water, Voedsel

EZK

44,0

160,5

1

Health-RI

Gezondheid & Zorg; Digitalisering

EZK

 

69,0

1

QuantumDeltaNL

Sleuteltechnologieën

EZK

 

342,2

1

RegMed XB

Gezondheid & Zorg

EZK

 

56,3

1 en 2

GroenvermogenNL

Klimaat & Energie (IKIA)

EZK

396,0

442,0

2

Nationale LLO Katalysator

Klimaat & Energie (IKIA); Circulaire Economie

OCW

225,0

167,0

2

(Katapult) Opschaling publiek private samenwerking in het beroepsonderwijs

Landbouw, Water, Voedsel

EZK

57,4

152,6

2

Biotech Booster

Gezondheid & Zorg; Landbouw, Water, Voedsel; Circulaire Economie

OCW

196,4

49,6

2

Cellulaire agricultuur

Landbouw, Water, Voedsel

LNV

 

60,0

2

Circular Plastics NL

Circulaire Economie

EZK

96,0

124,0

2

CropXR

Landbouw, Water, Voedsel

LNV

21,5

20,8

2

Digitale Infrastructuur en Logistiek

Digitalisering

I&W

 

51,1

2

Groeiplan Watertechnologie

Landbouw, Water, Voedsel; Circulaire Economie

I&W

 

135,0

2

Nieuwe Warmte Nu!

Landbouw, Water, Voedsel

EZK

 

200,0

2

NL2120, het groene verdienvermogen van Nederland

Landbouw, Water, Voedsel

I&W

40,0

70,0

2

NXTGEN HIGHTECH

Sleuteltechnologieën; Landbouw, Water, Voedsel

EZK

 

450,0

2

Oncode-PACT

Gezondheid & Zorg

EZK

164,0

161,0

2

PharmaNL

Gezondheid & Zorg

VWS

 

79,0

2

Photondelta

Sleuteltechnologieën; Landbouw, Water, Voedsel

EZK

204,6

266,6

2

Toekomstbestendige leefomgeving

Circulaire Economie; Klimaat & Energie (IKIA)

BZK

40,0

60,0

2

Werklandschappen van de toekomst

Landbouw, Water, Voedsel

BZK

 

26,2

3

Creative Industries Immersive Impact Coalition (CIIIC)

Maatschappelijke Verdienvermogen

OCW

200,0

 

3

DUTCH

Gezondheid & Zorg

VWS

84,0

48,0

3

6G Future Network Services

Digitalisering

EZK

 

61,0

3

Biobased Circular

Circulaire Economie; Landbouw, Water, Voedsel

EZK

 

102,0

3

Circulaire geïntegreerde hoogrendementszonnepanelen

Circulaire Economie; Klimaat & Energie (IKIA)

EZK

277,0

135,0

3

Maritiem Masterplan

Veiligheid; Landbouw, Water, Voedsel; Digitalisering

I&W

110,0

100,0

3

Material Independence & Circular Batteries

Circulaire Economie

EZK

 

118,0

3

POLARIS

Veiligheid

DEF

101,7

 

3

Re-Ge-NL

Circulaire Economie; Landbouw, Water, Voedsel

LNV

 

129,0

 

Totaal

   

4.035,2

3.915,5

           

De bedragen in deze tabel zijn op basis van toegekende en voorwaardelijk toegekende projecten, zoals opgenomen in de Miljoenennota 2024. RE-Ge-NL wordt opgenomen in de Voorjaarsnota 2024.

Voor meer informatie over de projecten, zie www.nationaalgroeifonds.nl


X Noot
1

Tweede Kamer 2022–2023, 33 009 nr. 120.

X Noot
2

De nieuwe Kennis- en Innovatieagenda’s zijn te raadplegen via de website www.topsectoren.nl.

X Noot
3

De strategische keuzes binnen de KIA Sleuteltechnologieën worden ingevuld na publicatie van de Nationale Technologiestrategie (verwacht eind 2023). Dan wordt ook beter duidelijk welke lopende NGF-projecten binnen die KIA passen.

X Noot
4

De bijdragen vloeien voort uit de departementale begrotingen. Sommige zijn daarin herkenbaar als begrotingsartikel (zoals het instrument PPS-toeslag bij EZK). Andere bijdragen zijn onderdeel van grotere artikelen.

X Noot
5

De spelregels zijn opnieuw vastgesteld op 26 november 2021 en zullen in 2024 worden geactualiseerd naar aanleiding van de gewijzigde inbreng van NWO. De geactualiseerde spelregels zullen worden gepubliceerd via topsectoren.nl. Deltares, Marin, NLR, en Wageningen Research ontvangen financiering op basis van de Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek, TNO op basis van de TNO-wet; NWO-budget is afkomstig van OCW, het NWO TTW-budget is afkomstig van EZK.

X Noot
6

De gezamenlijke bijdrage van de 12 provincies is indicatief. De schatting is ontleend aan het rapport ‘Totale investeringen in wetenschap en innovatie 2021–2027’ (Rathenau Instituut 2023)

X Noot
7

Tweede Kamer 2022–2023, 33 009 nr. 117.

X Noot
8

In Nederland is NEN het normalisatie-instituut om publieke en private partijen te faciliteren bij kennisontwikkeling, standaardisatie en aanverwante vormen van zelfregulering. Standaarden kunnen innovatieprocessen versnellen, bieden juridische zekerheid en vergemakkelijken internationale samenwerking. Breed gedragen standaarden dragen via onder andere goede afspraken over terminologie, producten, processen, meet- en testmethoden in belangrijke mate bij aan kennisvalorisatie / de verspreiding van kennis.

X Noot
9

In de oproep Zet werken, leren en innoveren centraal voor groei van brede welvaart in economie en maatschappij zet de Denktank Human Capital een aantal actielijnen voor een responsieve arbeidsmarkt uiteen. Deze oproep is te raadplegen via de website Topsectoren.nl.

X Noot
10

Kamerstuk 33 009, nr. 117.

X Noot
11

In bijlage 2 is ter informatie een overzicht opgenomen van de Nationaal Groeifondsprojecten uit rondes 1, 2 en 3, die inhoudelijk aansluiten op de verschillende KIA’s.

X Noot
13

De schatting is gemaakt door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland aan de hand van de bijdragen die Nederlandse partijen verwierven in de afgelopen jaren op de missies en sleuteltechnologieën. In 2021 is Horizon Europe van kracht geworden. Gemiddeld haalde Nederland voor de maatschappelijke uitdagingen en sleuteltechnologieën over jaren 2021 en 2022 € 918 miljoen per jaar op. In de update van het KIC in 2024 zullen de laatste cijfers weer worden verwerkt omdat er dan zicht is op drie complete jaren Horizon.

X Noot
14

Ter voorbereiding op deze evaluatie heeft het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat een onderzoek laten uitvoeren door de Universiteit Utrecht over welke gegevens nodig zijn voor een toekomstige evaluatie. Dit rapport zal onder andere worden gepubliceerd via www.topsectoren.nl.

X Noot
15

Daarbij is ieder betrokken ministerie verantwoordelijk voor het monitoren van de voortgang op de door hen opgestelde missies.

X Noot
16

Actualisering PPS-spelregels | Nieuwsbericht | Topsectoren. Deze zullen in 2024 worden geactualiseerd.

X Noot
17

Er zal dan ook moeten worden bekeken wat de gevolgen zijn voor de voorgenomen financiële bijdragen.

X Noot
18

Nederland Zorgt Voor Elkaar (NLZVE): https://www.nlzorgtvoorelkaar.nl/default.aspx

X Noot
19

Landelijk Expertisecentrum Pharos: https://www.pharos.nl/

X Noot
20

RegioPlus: https://regioplus.nl/

X Noot
21

Vereniging Samenwerkende Gezondheidsfondsen (SGF): https://www.gezondheidsfondsen.nl/

X Noot
22

Samenwerkende Topklinische Ziekenhuizen (STZ): https://www.stz.nl/

X Noot
23

Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen (VIG): https://www.vereniginginnovatievegeneesmiddelen nl/

X Noot
24

Regionale Ondersteuningsstructuren Netwerk (ROS-Netwerk) https://www.ros-netwerk.nl/

X Noot
25

Vilans: https://www.vilans.nl/

X Noot
26

GGD: GGD GHOR https://ggdghor.nl/

X Noot
27

Patiëntenfederatie Nederland: https://www.patientenfederatie.nl/

X Noot
28

Zorgverzekeraars Nederland: https://www.zn.nl/

X Noot
29

De drie hoofdtaken van de TO2-instellingen zijn:

i. Het ontwikkelen, toepassen en verspreiden van kennis ten behoeve van het oplossen van maatschappelijke vragen en ondersteuning van overheidstaken- en beleid. Een deel van dit onderzoek valt onder wettelijk verplichte taken.

ii. Het ontwikkelen, toepassen en verspreiden van kennis voor het versterken van de innovatiekracht en concurrentiepositie van Nederland, in het bijzonder voor de topsectoren.

iii. Het beheren van strategische onderzoeksfaciliteiten welke soms uniek zijn in Nederland en deels ook internationaal.

X Noot
30

De gezamenlijke bijdrage van de 12 provincies is indicatief. De schatting is ontleend aan het rapport ‘Totale investeringen in wetenschap en innovatie 2021–2027’ (Rathenau Instituut 2023).

Naar boven