Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 17 oktober 2023, nr. WJZ/38036389, tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies, houdende een wijziging van titel 3.2 vanwege de omzetting van de module PPS-toeslag onderzoek en innovatie naar PPS-innovatie, tevens houdende wijziging van de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies vanwege invoering van subsidieplafonds bij de module PPS-innovatie, en ophoging van subsidieplafonds bij de modules Innovatiekredieten en Duurzame Scheepsbouw

De Minister van Economische Zaken en Klimaat,

Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies en de artikelen 4, 19, 25, 34, 44 en 50 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies wordt als volgt gewijzigd:

A

Titel 3.2 komt te luiden:

Titel 3.2. PPS-innovatie

§ 3.2.1. Algemene bepalingen
Artikel 3.2.1. Begripsomschrijvingen

In deze titel wordt verstaan onder:

innovatieactiviteiten:

ondersteunende activiteiten, gericht op het betrekken van MKB-ondernemers bij een samenwerkingsproject of het stimuleren van de valorisatie van de kennis op het terrein van een PPS-programma, bestaande uit:

  • a. netwerkactiviteiten, bestaande uit voor ieder openstaande masterclasses, workshops, conferenties of het delen of uitwisselen van informatie via een website om kennisdeling en het netwerken tussen MKB-ondernemers te bevorderen, of

  • b. innovatieadviesdiensten, uitgezonderd opleiding, verstrekt aan een MKB-ondernemer door een innovatiemakelaar;

innovatiemakelaar:

een verstrekker van innovatieadviesdiensten;

private inzet in natura:

op geld waardeerbare inbreng in een samenwerkingsproject die:

  • a. niet direct of indirect afkomstig is van een onderzoeksorganisatie of een openbaar lichaam als bedoeld in de definitie van private bijdrage; en

  • b. wordt berekend op basis van een voor de deelnemers aan een samenwerkingsproject gebruikelijke en controleerbare methode, die gebaseerd is op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die de deelnemers aan een samenwerkingsproject stelselmatig toepassen;

KIA:

meerjarige kennis- en innovatieagenda waarin de ambities en doelen binnen het veld van publiek-private samenwerkingen op een specifiek terrein zijn beschreven, en die het vertrekpunt vormt voor verdere uitwerking van onderzoeksprogrammering en innovatieontwikkeling met onder andere onderzoeksorganisaties en ondernemingen;

PPS-programmasubsidie:

subsidie aan een TKI ter uitvoering van een PPS-programma door middel van aanwending door het TKI van de ontvangen subsidie voor uitsluitend samenwerkingsprojecten en innovatieactiviteiten die passen binnen het PPS-programma;

private bijdrage:

geldmiddelen, die niet direct of indirect afkomstig zijn van:

  • a. een onderzoeksorganisatie met inbegrip van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek en de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen,

  • b. een openbaar lichaam;

samenwerkingsproject:

project dat:

  • a. in daadwerkelijke samenwerking plaatsvindt;

  • b. door minimaal twee deelnemers waaronder een onderzoeksorganisatie en een ondernemer wordt uitgevoerd; en

  • c. bestaat uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een combinatie daarvan;

TKI:

Topconsortium voor Kennis en Innovatie, zijnde een rechtspersoon die als zodanig is genoemd in de wet houdende vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat van het kalenderjaar waarin de aanvraag, bedoeld in artikel 3.2.2, wordt ingediend;

PPS-programma:

op onderzoek en innovatie gericht meerjarig programma van een TKI dat van start gaat met ingang van de eerste januari van het kalenderjaar waarop de aanvraag voor PPS-programmasubsidie betrekking heeft:

  • a. dat weergeeft welke inhoudelijke koers het TKI wil voeren voor kennisontwikkeling en -toepassing in het kader van een KIA op het specifieke terrein waarop het TKI primair actief is en in voorkomend geval ook in het kader van een of meer andere KIA’s; en

  • b. houdende de samenwerkingsprojecten en, in voorkomend geval, innovatieactiviteiten van het TKI die binnen dit programma passen.

§ 3.2.2. PPS-programmasubsidie
Artikel 3.2.2. Aanvraag

De minister verstrekt op aanvraag PPS-programmasubsidie aan een TKI.

Artikel 3.2.3. Verdeling van subsidieplafonds

De minister verdeelt de subsidieplafonds op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 3.2.4. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor PPS-programmasubsidie indien:

  • a. het PPS-programma waarvoor de PPS-programmasubsidie is aangevraagd, naar het oordeel van de minister onvoldoende bijdraagt aan de verwezenlijking van de KIA of KIA’s die het TKI ingevolge artikel 3.2.6, tweede lid, onderdeel d, onder 1°, in het PPS-programma heeft aangewezen;

  • b. Het PPS-programma waarvoor de PPS-programmasubsidie is aangevraagd, naar het oordeel van de minister kwalitatief onvoldoende is, gelet op de wijze van de uitwerking in het PPS-programma van de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.2.6, tweede lid, onderdeel d.

Artikel 3.2.5. Steunintensiteit en aanwending
  • 1. Het TKI wendt de PPS-programmasubsidie voor samenwerkingsprojecten zodanig aan dat:

    • a. er geen overschrijding plaatsvindt van de aanmeldingsdrempel, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel i, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor fundamenteel of industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling;

    • b. het samenwerkingsproject of een onderdeel hiervan waarvoor het TKI de aangevraagde PPS-programmasubsidie wenst aan te wenden, niet reeds is gestart of niet zal starten voorafgaand aan die aanwending van de PPS-programmasubsidie door het TKI;

    • c. wordt voldaan aan de voorwaarden in paragraaf 2.2.2, onderdeel 29, onder b, c of d, in samenhang met onderdeel 30, van de O&O&I-kaderregeling;

    • d. het totale bedrag aan steun dat voor een deelnemer in een samenwerkingsproject beschikbaar is niet meer bedraagt dan:

      • 1°. 80 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek;

      • 2°. 50 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek;

      • 3°. 25 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;

    • e. het totale bedrag dat voor een onderzoeksorganisatie in een samenwerkingsproject beschikbaar is niet meer bedraagt dan 80 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten van de onderzoeksorganisatie in de vorm van onafhankelijk uitgevoerd fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een combinatie van die vormen van onderzoek, en deze niet-economische activiteiten in de boekhouding van deze onderzoeksorganisatie ook als zodanig zijn opgenomen;

    • f. verzekerd is dat ondernemers en onderzoeksorganisaties onder transparante en redelijke voorwaarden in aanmerking komen voor deelname aan samenwerkingsprojecten die bijdragen aan het PPS-programma;

    • g. de subsidie uitsluitend wordt aangewend indien het bestaan van het samenwerkingsproject, en de verschuldigdheid van private bijdragen en private inzet in natura daaraan, kan worden aangetoond aan de hand van een schriftelijke ondertekende samenwerkingsovereenkomst, waarin tevens de wijze is beschreven waarop deelnemers aan het samenwerkingsproject zullen omgaan met de intellectuele eigendomsrechten die voortkomen uit dit project; en

    • h. de subsidie uitsluitend wordt ingezet indien het samenwerkingsproject bijdraagt aan de Nederlandse kennisinfrastructuur.

  • 2. De subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, zijn kosten als bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 3. Het percentage, genoemd in eerste lid, onderdeel d, onder 2°, wordt verhoogd met tien procentpunten, respectievelijk het percentage, genoemd in eerste lid, onderdeel d, onder 3°, wordt verhoogd met vijftien procentpunten, indien voldaan is aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 4. Het TKI wendt de PPS-programmasubsidie voor innovatieactiviteiten zodanig aan dat:

    • a. bij netwerkactiviteiten:

      • 1°. slechts aan derden verschuldigde kosten met betrekking tot de netwerkactiviteiten met PPS-programmasubsidie betaald worden;

      • 2°. de opdrachtverlening door het TKI aan derden plaatsvindt op basis van transparante criteria en tegen marktconforme tarieven; en

      • 3°. netwerkactiviteiten en hieruit voortkomende resultaten voor iedere MKB-ondernemer zonder onderscheid toegankelijk zijn, ofwel, indien de netwerkactiviteiten niet voortdurend en voor een ieder vrij toegankelijk zijn, per € 1.000 PPS-programmasubsidie minstens één MKB-ondernemer deelneemt aan de netwerkactiviteiten.

    • b. bij innovatieadviesdiensten:

      • 1°. de door het TKI in te zetten innovatiemakelaars op basis van transparante en redelijke criteria geselecteerd worden;

      • 2°. het totale bedrag aan PPS-programmasubsidie maximaal 100% bedraagt van de subsidiabele kosten verbonden aan een innovatieadviesdienst, uitgezonderd opleiding, met een maximum van € 10.000 per MKB-ondernemer over een periode van één jaar;

      • 3°. het TKI van de in een kalenderjaar verleende PPS-programmasubsidie maximaal een bedrag van € 100.000 aanwendt voor innovatieadviesdiensten, of, indien 0,5% van de door het TKI in dat kalenderjaar verleende PPS-programmasubsidie een bedrag vertegenwoordigt van € 100.000 of meer, maximaal 0,5% van die PPS-programmasubsidie; en

      • 4°. aan een MKB-ondernemer gedurende maximaal drie jaar innovatieadviesdiensten worden geleverd.

  • 5. De subsidiabele kosten, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, onder 2°, zijn kosten als bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 6. Het TKI dat PPS-programmasubsidie ontvangt, neemt bij de aanwending van de PPS-programmasubsidie, indien van toepassing, de gemeenschappelijke ordening van de landbouwproducten in acht, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

  • 7. De PPS-programmasubsidie wordt aangewend binnen zes jaar na verlening.

Artikel 3.2.6. Informatieverplichtingen bij subsidieaanvraag
  • 1. Een aanvraag voor PPS-programmasubsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 2. Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor PPS-programmasubsidie ten minste:

    • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de organisatie is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;

    • b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;

    • c. het bedrag aan PPS-programmasubsidie dat wordt aangevraagd;

    • d. het PPS-programma waarvoor de PPS-programmasubsidie wordt aangevraagd, waarin in ieder geval is beschreven:

      • 1°. aan de verwezenlijking van welke KIA of KIA’s het PPS-programma bijdraagt en op welke wijze het PPS-programma daaraan bijdraagt;

      • 2°. op welke wijze het TKI voornemens is om samenwerkingsprojecten te identificeren of selecteren die passen binnen het PPS-programma en waarvoor het TKI de ontvangen PPS-programmasubsidie wil aanwenden;

      • 3°. op welke wijze het TKI zich zal inspannen om de omvang van private bijdragen en private inzet in natura aan samenwerkingsprojecten waarvoor het TKI PPS-programmasubsidie wil aanwenden, zo groot mogelijk te doen zijn;

      • 4°. op welke wijze uitvoering zal worden gegeven aan de verplichting, bedoeld in artikel 3.2.10, eerste lid, onderdeel b, in samenhang met het tweede lid van dat artikel;

      • 5°. indien het TKI voornemens is om samenwerkingsprojecten te identificeren of selecteren die niet alleen de kennisontwikkeling en -toepassing op het specifieke terrein van het TKI zelf raken, maar ook op het terrein van een of meer andere TKI’s en binnen andere KIA’s: op welke wijze het TKI dit voornemen vorm wil geven;

      • 6°. indien het TKI voornemens is om zich in te spannen om mkb-ondernemers aan te doen sluiten bij samenwerkingsprojecten waarvoor het TKI PPS-programmasubsidie wil aanwenden: op welke wijze het TKI dit voornemen vorm wil geven; en

      • 7°. indien het TKI voornemens is om PPS-programmasubsidie aan te wenden voor innovatieactiviteiten: welk deel van de totale programmasubsidie het TKI hiervoor wil aanwenden en voor welk type innovatieactiviteiten.

Artikel 3.2.7. Bepaling beoogde aanwending PPS-programmasubsidie en informatieverplichting

Uiterlijk 18 maanden na de startdatum van het PPS-programma waarvoor op grond van artikel 3.2.2 PPS-programmasubsidie is verleend, bepaalt het TKI voor welke samenwerkingsprojecten het de ontvangen PPS-programmasubsidie wenst aan te wenden en verstrekt het TKI aan de minister, met gebruikmaking van een middel dat hiervoor door de minister beschikbaar wordt gesteld, ten minste de volgende gegevens over elk van deze samenwerkingsprojecten:

  • a. gegevens over elk van de deelnemers van het samenwerkingsverband dat het samenwerkingsproject uitvoert, waaronder de naam van de deelnemer, het nummer waarmee de deelnemer is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en een duiding van de rol van de deelnemer binnen het samenwerkingsproject;

  • b. een samenvatting van de aard en strekking van het samenwerkingsproject, waaronder een korte beschrijving van het doel van het samenwerkingsproject, de wijze waarop dit bijdraagt aan de uitwerking van het PPS-programma, en de binnen het samenwerkingsproject te verrichten onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten;

  • c. de beoogde startdatum en looptijd van het samenwerkingsproject;

  • d. de omvang van de private bijdragen en private inzet in natura voor het samenwerkingsproject;

  • e. een verklaring dat er een door alle partijen ondertekende samenwerkingsovereenkomst beschikbaar is of beschikbaar zal zijn, uiterlijk op het moment dat het TKI de ontvangen PPS-programmasubsidie daadwerkelijk aanwendt voor het desbetreffende samenwerkingsproject, uit welke samenwerkingsovereenkomst blijkt:

    • 1°. op welk samenwerkingsproject de samenwerkingsovereenkomst betrekking heeft;

    • 2°. de omvang van private bijdragen en private inzet in natura per deelnemer aan dat samenwerkingsproject; en

    • 3°. de wijze waarop deelnemers aan dat samenwerkingsproject zullen omgaan met intellectueel eigendom dat voorkomt uit dit project;

  • f. een overzicht van de subsidiabele kosten per deelnemer van het samenwerkingsverband dat het samenwerkingsproject uitvoert, waarbij wordt aangegeven of de betreffende kosten betrekking hebben op fundamenteel onderscheidenlijk industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling;

  • g. de omvang van de PPS-programmasubsidie die het TKI aanwendt per deelnemer van het samenwerkingsverband dat het betreffende samenwerkingsproject uitvoert.

Artikel 3.2.8. Administratie

Onverminderd artikel 38 van het besluit, draagt het TKI zorg voor een administratie:

  • a. waaruit op eenvoudige en duidelijke wijze kan worden afgeleid of en hoe de PPS-programmasubsidie wordt aangewend voor het uitvoeren van de in het PPS-programma opgenomen samenwerkingsprojecten en voor innovatieactiviteiten; en

  • b. waaruit op eenvoudige wijze kennis genomen kan worden van de samenwerkingsovereenkomsten, bedoeld in artikel 3.2.7, onderdeel e.

Artikel 3.2.9. Rapportage

De rapportage, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van het besluit, wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat hiervoor door de minister beschikbaar wordt gesteld en bevat ten minste actuele informatie over de voortgang van de uitvoering van het PPS-programma door het TKI, die ten minste een overzicht omvat van:

  • 1°. de mate waarin de samenwerkingsprojecten waarvoor de PPS-programmasubsidie is of wordt aangewend, zijn gerealiseerd;

  • 2°. de private bijdragen aan en de private inzet in natura voor deze projecten; en

  • 3°. ingeval de PPS-programmasubsidie ook wordt aangewend voor innovatieactiviteiten: welke innovatieactiviteiten op het moment van rapportage gaande of gerealiseerd zijn en in welke mate, de aanleiding voor de desbetreffende innovatieactiviteit, alsmede de wijze waarop de desbetreffende innovatieactiviteit past binnen en een uitwerking vormt van de doelstellingen van het PPS-programma, zoals die in het PPS-programma verwoord zijn.

Artikel 3.2.10. Transparantie
  • 1. Het TKI zorgt dat op eenvoudige wijze voor het algemene publiek kenbaar is:

    • a. het PPS-programma waarvoor PPS-programmasubsidie is verleend, uiterlijk twee weken na verlening van de programmasubsidie;

    • b. actuele informatie over de samenwerkingsprojecten waarvoor de PPS-programmasubsidie wordt aangewend; en

    • c. actuele informatie over de voorwaarden waaronder deelname door ondernemers en onderzoeksorganisaties aan samenwerkingsprojecten van het PPS-programma openstaat.

  • 2. De informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, omvat ten minste een beschrijving van het onderzoek, de deelnemende ondernemers en onderzoeksorganisaties, de planning en voortgang, alsook de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met de samenwerkingsprojecten worden opgedaan.

Artikel 3.2.11. Informatieverplichting bij aanvraag tot subsidievaststelling
  • 1. De aanvraag tot subsidievaststelling van PPS-programmasubsidie bevat in ieder geval:

    • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer;

    • b. gegevens over:

      • 1°. de totale subsidiabele kosten, uitgesplitst per specifiek samenwerkingsproject, specifieke netwerkactiviteit of specifieke innovatieadviesdienst waarvoor de PPS-programmasubsidie is aangewend;

      • 2°. de omvang van de aanwending van de PPS-programmasubsidie per deelnemer in een samenwerkingsproject.

  • 2. Indien de aan een TKI verleende PPS-programmasubsidie € 125.000 of meer bedraagt, kan de aanvraag tot vaststelling van deze subsidie voor het deel van de subsidie dat is aangewend voor de uitvoering van samenwerkingsprojecten, in afwijking van artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het besluit, vergezeld gaan van een rapport van feitelijke bevindingen als bedoeld in artikel 50, zesde lid, van het besluit, dat met inachtneming van de voorschriften, gesteld in bijlage 3.2.1, is opgesteld.

§ 3.2.3. Overige bepalingen PPS-programmasubsidie
Artikel 3.2.12. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 3.2.2, bevat staatssteun met uitzondering van de subsidie die betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties en op netwerkactiviteiten, en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 25 en 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 3.2.13. Vervaltermijn

Deze titel en bijlage 3.2.1 vervallen met ingang van 1 november 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

B

Het opschrift van bijlage 3.2.1 komt te luiden:

Bijlage 3.2.1. behorende bij artikel 3.2.11, tweede lid, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies

ARTIKEL II

De tabel bij artikel 1 van de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2023 wordt als volgt gewijzigd:

1. Na de rij betreffende titel 3.2: PPS-toeslag, artikel 3.2.9, worden de volgende rijen ingevoegd:

Titel 3.2: PPS-Innovatie

3.2.2

Stichting TKI Agri&Food

 

01-11-2023 t/m 31-12-2023

11.420.604

Titel 3.2: PPS-Innovatie

3.2.2

Stichting TKI CLICKNL

 

01-11-2023 t/m 31-12-2023

4.126.000

Titel 3.2: PPS-Innovatie

3.2.2

Stichting TKI Deltatechnologie

 

01-11-2023 t/m 31-12-2023

4.930.000

Titel 3.2: PPS-Innovatie

3.2.2

Stichting TKI Energie

 

01-11-2023 t/m 31-12-2023

15.445.000

Titel 3.2: PPS-Innovatie

3.2.2

Stichting TKI Groene Chemie & Circulariteit

 

01-11-2023 t/m 31-12-2023

8.688.011

Titel 3.2: PPS-Innovatie

3.2.2

Stichting TKI HTSM

 

01-11-2023 t/m 31-12-2023

37.500.000

Titel 3.2: PPS-Innovatie

3.2.2

Stichting TKI ICT

 

01-11-2023 t/m 31-12-2023

6.000.000

Titel 3.2: PPS-Innovatie

3.2.2

Stichting Life Sciences Health – TKI

 

01-11-2023 t/m 31-12-2023

59.402.053

Titel 3.2: PPS-Innovatie

3.2.2

Stichting TKI Logistiek

 

01-11-2023 t/m 31-12-2023

1.790.000

Titel 3.2: PPS-Innovatie

3.2.2

Stichting TKI Maritiem

 

01-11-2023 t/m 31-12-2023

1.813.417

Titel 3.2: PPS-Innovatie

3.2.2

Stichting TKI Tuinbouw en Uitgangsmaterialen

 

01-11-2023 t/m 31-12-2023

8.490.000

Titel 3.2: PPS-Innovatie

3.2.2

Topconsortium for Knowledge and Innovation Water technology

 

01-11-2023 t/m 31-12-2023

4.724.281

2. In de rij betreffende titel 3.9: Innovatiekredieten, artikel 3.9.2, ‘klinische ontwikkelingsprojecten’, wordt in de zesde kolom het bedrag ‘€ 30.000.000’ vervangen door ‘€ 40.000.000’.

3. In de rij betreffende titel 3.19: Duurzame innovatieve scheepsbouw, artikel 3.19.2, wordt in de zesde kolom het bedrag ‘€ 2.300.000’ vervangen door ‘€ 3.000.000’.

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 17 oktober 2023

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, M.A.M. Adriaansens

TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

Door middel van deze wijzigingsregeling is de module PPS-toeslag onderzoek en innovatie, titel 3.2 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (‘RNES’), omgezet in de module PPS-innovatie. In het verlengde daarvan is de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2023 (‘ROES 2023’) gewijzigd.

De belangrijkste wijzigingen in de systematiek van de huidige PPS-toeslagmodule in titel 3.2 van de RNES zijn de volgende.

In de eerste plaats geldt dat per Topconsortium voor Kennis en Innovatie (TKI) subsidieplafonds zijn ingevoerd, welke voortaan jaarlijks opnieuw zullen worden vastgesteld. Daarmee komt een einde aan het open einde-karakter van deze subsidiemodule en is de omvang van deze subsidie per TKI niet langer afhankelijk van de door het TKI verzamelde private inbreng (grondslag) in publiek-private samenwerkingsprojecten (PPS).

In de tweede plaats zijn er meer concrete eisen gesteld aan het programma dat TKI’s moeten indienen bij de aanvraag voor PPS-programmasubsidie, in vergelijking met de eisen die aan het toenmalige TKI-programma gesteld werden in het kader van de indiening van de aanvraag van de vroegere PPS-programmasubsidie. In het verlengde daarvan zijn TKI’s verplicht om binnen anderhalf jaar na de start van het PPS-programma vast te stellen voor welke samenwerkingsprojecten ze de ontvangen PPS-programmasubsidie willen aanwenden, en ook binnen die anderhalf jaar concrete informatie te verstrekken over die samenwerkingsprojecten aan de minister (de Rijksdienst voor ondernemend Nederland, hierna: RVO).

In de derde plaats is de PPS-projecttoeslag afgeschaft.

Tot slot worden de maximale steunintensiteiten voor fundamenteel onderzoek en voor niet-economische activiteiten verlaagd van 100% naar 80%. Verder is het mogelijk gemaakt voor TKI’s om aanspraak te maken op een in de algemene groepsvrijstellingsverordening voorziene ophoging (‘top-up’) van de steunintensiteiten voor industrieel onderzoek en voor experimentele ontwikkeling naar 60% respectievelijk 40%, mits aan de specifieke eisen voor toepassing van die top-up, als vervat in de algemene groepsvrijstellingsverordening, is voldaan.

In verband met het geheel aan wijzigingen in titel 3.2, is titel 3.2 omwille van de duidelijkheid als geheel opnieuw vastgesteld. Daarbij zijn enkele nieuwe definities toegevoegd, en zijn de bepalingen die betrekking hadden op het vergaren van de grondslag op basis waarvan de PPS-toeslag werd vastgesteld, alsook alle bepalingen betreffende de PPS-projecttoeslag, geschrapt. Omdat de subsidiemodule door de aard en strekking van de wijzigingen niet langer het karakter heeft van een toeslag, is de benaming van de titel ‘PPS-toeslag onderzoek en innovatie’ gewijzigd in PPS-Innovatie. Ook reflecteert deze naam de richting van het innovatiebeleid dat in paragraaf 2 van dit algemeen deel van de toelichting nader wordt besproken.

In het verlengde hiervan is het begrip ‘PPS-programmatoeslag’ gewijzigd in PPS-programmasubsidie’, en is ook het begrip ‘TKI-programma’ gewijzigd in ‘PPS-programma’. Een en ander wordt hieronder nader toegelicht.

Naast deze wijziging van de RNES en de ROES 2023 in het kader van de module PPS-innovatie, is de ROES 2023 ook nog op twee andere punten gewijzigd. Het gaat hierbij zowel om ophoging van het subsidieplafond dat is vastgesteld ten aanzien van de module ‘Innovatiekredieten’, titel 3.9 van de RNES, als om ophoging van het subsidieplafond ten aanzien van de module ‘Duurzame innovatieve scheepsbouw’, titel 3.19 van de RNES. Ook deze wijzigingen worden verderop toegelicht.

2. Achtergronden en aanleiding (titel 3.2 RNES (PPS-toeslag/PPS-innovatie))

Het subsidie-instrument ‘PPS-toeslag’ is in 2013 geïntroduceerd (toen nog TKI-toeslag geheten), met als doel de privaat-publieke samenwerking (PPS) binnen de zogenoemde topsectoren te versterken door een toeslag te verlenen op de private financiële bijdragen van ondernemingen aan publiek gefinancierd onderzoek dat binnen een PPS-consortium werd uitgevoerd. De TKI’s konden toeslag aanvragen (i) op de voormelde private bijdragen die zijn verkregen in het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de uitvoering van een bepaald TKI-programma plaatsvond waarop de subsidieaanvraag zag (PPS-programmatoeslag) of (ii) op meerjarige publiek-private samenwerkingsprojecten waarvan de private bijdragen al vast liggen in een samenwerkingsovereenkomst (PPS-projecttoeslag). Dit laatste type toeslag kon ook worden aangevraagd door samenwerkingsverbanden zonder tussenkomst van een TKI.

De omvang van de door de TKI’s te ontvangen PPS-programmatoeslag hing vervolgens af van hoeveel private bijdragen aan PPS-projecten en TKI-relevante onderzoeksopdrachten de TKI’s wisten te verzamelen. De programmatoeslag die werd verleend was namelijk een percentage van die verzamelde private bijdragen. Die private bijdragen vormden dus de grondslag op basis waarvan de omvang van de toe te kennen PPS-toeslag werd bepaald (grondslagsystematiek). Het was aan de TKI’s zelf om grondslag te verzamelen en om vervolgens PPS-projecten te vinden om de ontvangen PPS-toeslag op in te zetten. Voor de PPS-projecttoeslag gold dat het inzetproject in feite ook het grondslagproject was dat de omvang van de toeslag bepaalde.

De aanwending van de ontvangen programma- of projecttoeslag diende conform de eisen in titel 3.2 van de RNES plaats te vinden (waaronder de daarin opgenomen eisen voortvloeiend uit de toepasselijke staatssteunkaders).

Deze subsidiemodule heeft zich sinds de start in 2013 ontwikkeld en bewezen als een succesvol instrument om de publiek-private samenwerking op onderzoek en innovatie binnen de topsectoren te stimuleren, en heeft daarmee ook de private bijdragen aan publiek onderzoek verhoogd.

Er is echter een aantal aanleidingen om de module nu aan te passen:

  • 1. De aanbevelingen uit de evaluatie van 20211;

  • 2. De doorontwikkeling van het missiegedreven innovatiebeleid, zoals uiteengezet in de Kamerbrief ‘Innovatie en Impact’ van november 20222;

  • 3. De vanuit beleidsmatig en sociaal-maatschappelijk perspectief toegenomen behoefte aan grip op en transparantie omtrent overheidsbestedingen.

De evaluatie uit 2021 laat zien dat de subsidiemodule goed bijdraagt aan het stimuleren van private investeringen in publiek onderzoek, het bevorderen van samenwerking tussen onderzoeksorganisaties en private partijen en het tot stand brengen van oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen. Er zijn daarbij wel diverse aanbevelingen gedaan ter verbetering van deze regeling, onder andere wat betreft de lage microdoelmatigheid (meer uniformiteit in de uitvoering, verlaging van de administratieve lasten) en toegankelijkheid voor het MKB. Deze wijzigingsregeling strekt mede ter uitwerking van deze aanbevelingen.

Ook is de beleidscontext sinds 2013 veranderd. Het aanvankelijke zogeheten Topsectorenbeleid3 is in de loop der jaren verder ontwikkeld naar het Missiegedreven Topsectoren en Innovatiebeleid (‘missiegedreven innovatiebeleid'). Het vergroten van economische kansen en de concurrentiekracht van Nederland staat hierin nog steeds centraal, maar het beleid strekt er nu ook toe dat maatschappelijke uitdagingen worden opgelost en dat wordt geïnvesteerd in sleuteltechnologieën. In de brief aan de Tweede Kamer van november 20224 is de nieuwe richting van het kabinet binnen dit beleid nader uiteengezet. Zo zal er in het innovatiebeleid meer aandacht komen voor valorisatie en marktcreatie. Ook zullen er meer strategische keuzes gemaakt worden bij de inzet van overheidsmiddelen, waaronder de focus op drie transities uit het coalitieakkoord (klimaat en energie, digitalisering en sleuteltechnologieën, en de circulaire economie). Tegelijkertijd zal worden gekeken of het instrumentarium doelmatiger en toegankelijk kan worden ingericht. Als onderdeel van het Actieplan innovatie en valorisatie dat bij deze Kamerbrief is gevoegd, is de doorontwikkeling van de PPS-toeslag langs deze lijnen opgepakt.

Daarnaast is er vanuit beleidsmatig en sociaal-maatschappelijk perspectief een toegenomen behoefte aan grip op en transparantie omtrent overheidsbestedingen. Deze tendens vormde aanleiding om de bestaande subsidiemodule opnieuw kritisch te bekijken en te bezien in welke zin er wellicht verbeteringen op dit front mogelijk waren.

Hierbij werd onder meer gekeken naar het feit dat de PPS-toeslag een open-einde regeling was, waardoor gebrek aan budget formeel niet gehanteerd kon worden als afwijzingsgrond voor de aanvraag om TKI-toeslag. In de praktijk werd op de begroting weliswaar gewerkt met een gemaximeerd budget van circa 180 miljoen euro per jaar voor deze subsidie, maar indien de aanvragen van toeslag het beschikbare budget zouden overschrijden, en er ook geen andere afwijzingsgronden van toepassing waren, dienden aanvullende middelen binnen de begroting te worden gezocht om tot verlening van deze toeslag over te gaan, ten koste van andere budgetten. De onvoorspelbaarheid van de subsidiemodule, zowel wat betreft de hoogte van de jaarlijks aangevraagde toeslag, als de uitputting van de toegekende middelen, maakte het lastig om de regeling goed te kunnen beheersen. Deze situatie is financieel onhoudbaar geworden in de huidige context, waarbij de door de TKI’s aangeleverde grondslag die bepalend is voor de omvang van de toeslag, inmiddels is toegenomen tot boven het budget dat beschikbaar is voor deze regeling, en nog steeds doorgroeit. Ook hierin lag een aanleiding tot wijziging van de subsidiemodule.

3. Wijzigingen titel 3.2 RNES

De in deze regeling opgenomen wijzigingen ten aanzien van titel 3.2 van de RNES zijn erop gericht om de sterke punten van deze subsidiemodule te behouden, en tegelijk verbeteringen te realiseren naar aanleiding van de hierboven genoemde ontwikkelingen.

De doelstelling van de gewijzigde PPS-innovatiemodule blijft op hoofdlijnen gelijk aan die van de voormalige PPS-toeslagmodule, namelijk de publiek-private samenwerking binnen de topsectoren versterken voor onderzoek dat op (middel)lange termijn maatschappelijk en economisch relevant is, binnen de PPS-programma’s van de TKI’s die gericht zijn op de Kennis- en Innovatieagenda’s van het missiegedreven innovatiebeleid.

De publiek-private interactie wordt nog altijd gestimuleerd, doordat de module een prikkel geeft richting zowel onderzoeksorganisaties alsook ondernemingen om tot onderlinge, daadwerkelijke samenwerking te komen. Onderzoeksorganisaties worden gestimuleerd om onderzoek en ontwikkeling uit te voeren waar het bedrijfsleven behoefte aan heeft. Ondernemingen worden gestimuleerd om inhoudelijk en financieel bij te dragen aan onderzoek en ontwikkeling in samenwerking met onderzoeksorganisaties. Immers, onveranderd blijft dat op grond van de eisen in de subsidiemodule de TKI’s de PPS-programmasubsidie enkel mogen aanwenden voor samenwerkingsprojecten (inzetprojecten) waarin sprake is van een private bijdrage en ook van daadwerkelijke samenwerking (in de zin van de algemene groepsvrijstellingsverordening) met die private partij. In die zin blijft de module hiermee aan zijn oorspronkelijke doelen voldoen. Wel is het zo dat het scharnierpunt van deze stimulans deels verschuift door deze wijziging. Voorheen volgde die stimulans immers niet alleen uit de hierboven bedoelde eisen die werden gesteld aan de inzetprojecten, maar ook uit het feit dat ten behoeve van het verzamelen van grondslag, ter verkrijgen van de PPS-toeslag, zoveel mogelijk private bijdragen aan samenwerkingsprojecten verzameld moesten worden; daarbij werd dus naar het verleden gekeken ter vaststelling van de omvang van die private bijdragen. Nu de systematiek van het verzamelen van grondslag is verlaten, maakt dit dat de stimulans tot publiek-private interactie voortaan primair volgt uit de eisen die worden gesteld aan aanwending van de subsidiemiddelen door een TKI ten behoeve van inzetprojecten. Daarnaast volgt de stimulans voor private bijdragen voortaan ook uit het feit dat de omvang van de private inbreng in de inzetprojecten mede bepalend zal zijn voor de toekomstige vaststelling van de hoogte van de subsidieplafonds per TKI.

De systematiek van de subsidiemodule is dus wel gewijzigd. In paragraaf 1 (Inleiding) van het algemeen deel van deze toelichting is al kort uiteengezet welke wijzigingen in titel 3.2 zijn doorgevoerd. Deze worden hieronder meer in detail besproken.

Invoering subsidieplafonds; verlaten van grondslagsystematiek en open-einde karakter

Er zijn subsidieplafonds per TKI ingevoerd, welke plafonds voortaan jaarlijks opnieuw zullen worden vastgesteld. Als vertrekpunt voor de in deze wijzigingsregeling opgenomen verdeling van beschikbare middelen onder het plafond per TKI, is een gemiddelde van de verkregen PPS-toeslag uit het verleden genomen. Dit reflecteert dan ook de omvang van private bijdragen in onderzoek per sector waarin het TKI actief is. Daarmee past het bij de huidige capaciteit van de TKI’s en de tot op heden gemiddelde omvang van hun programma. Omvangrijke schoksgewijze financiële wijzigingen zijn hiermee voorkomen. Daarnaast is in de verdeling – in meer beperkte zin – rekening gehouden met beleidsprioriteiten van EZK. Een belangrijk gevolg van de invoering van subsidieplafonds is dat de omvang van de toeslag per TKI daarmee niet langer afhankelijk is van de door het TKI verzamelde private inbreng in samenwerkingsprojecten (grondslag). De grondslagsystematiek is hiermee geheel verlaten.

Een ander belangrijk gevolg van invoering van de subsidieplafonds is dat hiermee een einde is gekomen aan het open einde-karakter van deze subsidiemodule. De regeling is hiermee financieel beheersbaar geworden, omdat de in paragraaf 2 van deze toelichting beschreven onvoorspelbaarheid op het totaal volume verdwijnt.

Het is tevens een relatief grote vereenvoudiging van de regeling. Om scherp af te bakenen welke soorten private bijdragen meegerekend mochten worden om tot de grondslag voor de toeslag gerekend te worden, en in hoeverre de diverse soorten bijdragen dan meegerekend mocht worden, bleek namelijk een relatief complexe set voorschriften in de subsidiemodule noodzakelijk. Afschaffing van de grondslagsystematiek heeft tot afschaffing van deze complexe voorschriften geleid, in lijn met de aanbevelingen uit het evaluatierapport.

Meer inhoudelijk PPS-programma; verplichting tot tijdige vaststelling van samenwerkingsprojecten waarvoor PPS-programmasubsidie wordt aangewend en tot verstrekking van informatie daaromtrent

De TKI’s ontwikkelen zelf hun PPS-programma (zoals voorheen ook het TKI-programma) en dienen daarvoor een aanvraag in bij de minister (RVO). De aanvraag ziet op verkrijging van programmasubsidie, die ter uitvoering van het PPS-programma worden doorgezet naar PPS-projecten. Anders dan voorheen, zijn er nu meer concrete eisen gesteld aan het programma dat TKI’s moeten indienen bij de aanvraag voor PPS-programmasubsidie, in vergelijking met de eisen die aan het toenmalige TKI-programma gesteld werden in het kader van de indiening van de aanvraag van de vroegere PPS-programmatoeslag. Het gaat er met name om dat de TKI’s voortaan niet alleen samenwerkingsprojecten onder het programma brengen, maar ook een beschrijving opnemen van de koers die ze voor de looptijd van het programma voor ogen hebben, qua ontwikkeling en toepassing van kennis via de consortia die de samenwerkingsprojecten uitvoeren. Daarnaast dient het PPS-programma voortaan bijvoorbeeld ook te vermelden op welke wijze het programma bijdraagt aan de verwezenlijking van een of meer Kennis- en innovatieagenda’s (KIA’s), zoals gedefinieerd in artikel 3.2.1 van de RNES en toegelicht in de artikelsgewijze toelichting.

Verder is nieuw dat het TKI voortaan verplicht is om binnen 18 maanden na de startdatum van het PPS-programma te bepalen voor welke samenwerkingsprojecten ze de ontvangen PPS-programmasubsidie willen aanwenden. De TKI’s moeten met andere woorden binnen de genoemde termijn in ieder geval een bestemming hebben gevonden voor de PPS-programmasubsidie die ze hebben ontvangen. In het verlengde daarvan zijn ze verplicht om informatie over deze samenwerkingsprojecten aan te leveren bij de minister (RVO). Daarmee is eerder dan voorheen (namelijk niet pas in het kader van rapportage en vaststelling) zicht op de samenwerkingsprojecten, zodat vanuit de overheid omtrent deze PPS-programmasubsidie een beter risicomanagement gevoerd kan worden. Ook is hierdoor sneller zicht op de resultaten en potentiële impact van de PPS-programma’s.

PPS-projecttoeslag afgeschaft

De PPS-projecttoeslag onder de oude subsidiemodule was een toeslag voor meerjarige strategische PPS-en waarbij het privaat commitment voor de start van het desbetreffende project al vastlag en in een getekende samenwerkingsovereenkomst was opgenomen. De private bijdrage in dit project vormde de grondslag voor de PPS-projecttoeslag, en de ontvangen toeslag werd vervolgens ingezet op dit samenwerkingsproject. Dit ‘grondslagproject’ was dus tegelijk ook het ‘inzetproject’ waarvoor de middelen werden aangewend (anders dan in het kader van de PPS-programmatoeslag doorgaans het geval was). Deze vorm van toeslag kon niet alleen bij de minister worden aangevraagd door een TKI (die dan de ontvangen toeslag zou aanwenden voor dit project), maar ook door het betreffende consortium zelf dat dit project zou gaan uitvoeren (dus zonder tussenkomst van een TKI als subsidieontvanger; er was enkel nog een verklaring nodig van het TKI dat het project binnen het TKI-programma paste). Met name van deze laatste mogelijkheid werd in de praktijk door slechts een beperkt aantal sectoren en dan ook slechts in zeer beperkte mate gebruik gemaakt, vanwege de complexiteit van deze mogelijkheid. Gelet hierop bleek deze zogeheten ‘directe route’ voor verkrijging van PPS-projecttoeslag nauwelijks meerwaarde te hebben.

Daarnaast geldt voor de PPS-projecttoeslag die door een TKI werd aangevraagd en vervolgens door het TKI voor het desbetreffende project werd aangewend, dat ook deze vanwege de nu doorgevoerde wijzigingen in de subsidiemodule de meerwaarde heeft verloren. Destijds was deze vorm van toeslag namelijk onder andere ingevoerd om te zorgen dat voor de deelnemende partijen aan een samenwerkingsproject meer zekerheid zou bestaan over de omvang van de te genereren toeslag en daarmee ook over de (omvang van de) inzet van de toeslag door het TKI in het desbetreffende samenwerkingsproject. Deze zekerheid vooraf omtrent de omvang van de door de TKI’s aan te wenden middelen wordt in de nieuwe praktijk gegeven door de vooraf vastgestelde subsidieplafonds waarbinnen de TKI’s voortaan hun aanvraag kunnen indienen voor de subsidie voor hun PPS-programma’s; de omvang van de bij het TKI beschikbare middelen is niet langer afhankelijk van de omvang van de private bijdragen binnen de ingediende grondslagprojecten.

Bovendien geldt dat dit type activiteiten in de nieuwe situatie nog altijd binnen de PPS-programma’s geborgd kan worden door een TKI, door aanwending van de ontvangen PPS-programmasubsidie voor meerjarige strategische PPS-en, dus ook voor het soort projecten dat voorheen via de PPS-projecttoeslag werd gefinancierd.

Daar komt bij dat de tot op heden geldende titel 3.2 feitelijk drie soorten toeslag omvatte (althans drie soorten ‘routes’ om toeslag ter verkrijgen), hetgeen maakte dat de module als complex werd ervaren. De afschaffing van de PPS-projecttoeslag is tegen deze achtergrond dan ook te zien als een vereenvoudiging van de subsidiemodule.

De PPS-projecttoeslag is via deze wijzigingsregeling dan ook geheel afgeschaft. De TKI’s bleken zich in de consultaties tijdens de totstandkoming van deze regeling ook te kunnen verenigen met het feit dat geen afzonderlijke PPS-projecttoeslag meer aangevraagd kan worden.

Steunintensiteit

De maximale steunintensiteiten voor fundamenteel onderzoek en voor niet-economische activiteiten worden verlaagd van 100% naar 80%. Hiermee is beoogd de vormen van toegepast onderzoek c.q. valorisatie te stimuleren boven fundamenteel onderzoek. Dit sluit aan op de doelstellingen binnen de KIA’s die voortkomen uit het missiegedreven innovatiebeleid van de regering.

In het verlengde hiervan is het mogelijk gemaakt voor TKI’s om aanspraak te maken op een in de algemene groepsvrijstellingsverordening voorziene ophoging (‘top-up’) van de steunintensiteiten voor industrieel onderzoek en voor experimentele ontwikkeling naar 60% respectievelijk 40%, mits aan de specifieke voorwaarden voor toepassing van die top-up, als vervat in de algemene groepsvrijstellingsverordening, is voldaan. Daarvan is in ieder geval sprake als het samenwerkingsproject daadwerkelijke samenwerking behelst tussen een onderneming en één of meer onderzoeksorganisaties5, waarbij deze onderzoeksorganisaties ten minste 10% van de in aanmerking komende kosten dragen en het recht hebben hun eigen onderzoeksresultaten te publiceren. Het is de verwachting dat in het merendeel van de gevallen aan deze voorwaarden voor toepassing van de top-up voor industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling zal kunnen worden voldaan.

Deze combinatie van wijzigingen maakt het dan ook aantrekkelijker om, in lijn met het missiegedreven innovatiebeleid, de middelen op toepassingsgericht onderzoek en innovatie in te zetten, in plaats van op fundamenteel onderzoek, en maakt het gemakkelijker voor ondernemingen om bij te dragen aan onderzoek dat meer op toepassing van kennis ziet.

4. Ophoging subsidieplafond bij subsidiemodule Duurzame innovatieve Scheepsbouw

Door middel van deze wijzigingsregeling is tevens het subsidieplafond voor de subsidiemodule Duurzame Innovatieve Scheepsbouw (‘SDS-module’, titel 3.19 van de RNES) opgehoogd. Dit plafond is vervat in de ROES 2023. De SDS-module is bestemd voor de ontwikkeling van innovaties voor een duurzame scheepsvaart. De module is gericht op subsidiëring van Nederlandse scheepswerven die in het kader van een scheepsbouwinnovatieproject (‘SDS-project’) vernieuwende technologieën toepassen die bijdragen aan emissievermindering, het gebruik van alternatieve brandstoffen, vermindering van geluid en/of een duurzame levenscyclus. Meer specifiek is deze module gericht op scheepswerven die op het punt staan een bouwcontract af te sluiten met een klant, waarbij deze klant innovatieve duurzaamheidbevorderende technologie wil implementeren. Een SDS-project kan ook leiden tot een verhoogd kennis- en kundeniveau bij de scheepswerven, met een positief effect op hun internationale concurrentiepositie.

De periode waarin de SDS-subsidiemodule voor het jaar 2023 is opengesteld, liep tot en met 6 september 2023. Voor subsidiëring van de SDS-projecten was het subsidieplafond vastgesteld op € 2.300.000. In de openstellingsperiode is voor een groter bedrag subsidie aangevraagd dan beschikbaar was onder het plafond. Gelet hierop, en gelet op het feit de evaluatie van de SDS-module, en daarmee ook de besluitvorming over verlenging en toekomstig budget van de module, vertraging heeft opgelopen, is via wijziging van de ROES 2023 het subsidieplafond met € 700.000 opgehoogd naar € 3.000.000. Aldus is het extra bedrag beschikbaar gesteld voor SDS-projecten die tijdens de openstellingsperiode in 2023 zijn ingediend en aan de verleningscriteria van de SDS-module voldoen.

5. Ophoging subsidieplafond subsidiemodule Innovatiekredieten

Deze wijzigingsregeling strekt eveneens tot ophoging van het in de ROES 2023 opgenomen subsidieplafond voor de subsidiemodule Innovatiekredieten, opgenomen in titel 3.9 van de RNES. Deze module is bestemd voor de ontwikkeling van veelbelovende en uitdagende innovaties met een uitstekend marktperspectief. Dit wordt gedaan door subsidie te verstrekken in de vorm van een krediet voor risicovolle klinische ontwikkelingsprojecten enerzijds en technische ontwikkelingsprojecten anderzijds, waarin nieuwe producten, processen of diensten worden ontwikkeld. Het innovatiekrediet kan worden gebruikt voor de ontwikkeling van een zogenoemd proof-of-concept, alsook projecten die een positieve bijdrage leveren aan de Nederlandse economie en technisch innovatief en uitdagend zijn.

De periode waarin de subsidiemodule Innovatiekredieten voor het jaar 2023 is opengesteld, loopt voor zowel klinische ontwikkelingsprojecten als technische ontwikkelingsprojecten van 2 januari 2023 tot en met 29 december 2023. Voor klinische ontwikkelingsprojecten was het subsidieplafond vastgesteld op € 30.000.000. Dat subsidieplafond voor klinische ontwikkelingsprojecten wordt met € 10.000.000 opgehoogd naar € 40.000.000, omdat de vraag bij de gebruikers van deze subsidiemodule voor dit type projecten hoger bleek dan verwacht.

6. Regeldruk

Met de onderhavige wijziging ten aanzien van titel 3.2 van de RNES wordt qua systematiek een relatief grote vereenvoudiging doorgevoerd. De systematiek van het aanleveren van grondslag op basis waarvan de PPS-toeslag wordt bepaald, verdwijnt, vanwege de invoering van subsidieplafonds. Voor de TKI’s betekent dit dat alle activiteiten die gericht waren op het verzamelen en administreren van private bijdragen binnen samenwerkingsprojecten als grondslag ter verkrijging van (voorheen) PPS-toeslag, niet langer verricht hoeven te worden. Dit kan gezien worden als een verlichting in de door de TKI’s ervaren regeldruk. Ook de mogelijkheid voor het aanvragen van PPS-projecttoeslag verdwijnt, en daarmee dus ook de hiermee samenhangende regeldruk.

Daar tegenover staat dat de TKI’s nog wel een aanvraag moeten indienen voor PPS-programmasubsidie, waarbij een PPS-programma moet worden aangeleverd dat aan wat meer concrete eisen moet voldoen dan het geval was ten aanzien van het TKI-programma, ter uitvoering waarvan de PPS-toeslag voorheen werd verleend. Ook geldt er voortaan een informatieverplichting voor het verstrekken van informatie over de samenwerkingsprojecten waarvoor de PPS-programmasubsidie wordt aangewend, op basis waarvan bepaalde informatie die voorheen veelal pas in het kader van de rapportage of vaststelling van de PPS-toeslag werd aangeleverd, nu in een eerder stadium al moet worden aangeleverd. Bij elkaar genomen is de aanname dat dit zal leiden tot een verlaging van de regeldruk.

Voor de duidelijkheid wordt opgemerkt dat deze subsidiemodule niet alleen de regeldruk in strikte zin kent (de regeldruk die uit de regeling zelf voortvloeit jegens de TKI’s als subsidieontvangers). In de praktijk ervaren ook de consortiapartners die de samenwerkingsprojecten uitvoeren waarvoor de TKI’s de ontvangen middelen aanwenden (en die deels dus eindbegunstigden zijn), een bepaalde lastendruk. Deze druk volgt technisch gezien echter niet uit de subsidiemodule zelf, maar uit de wijze waarop de TKI’s tot selectie komen van samenwerkingsprojecten en welke administratie-eisen de TKI’s vervolgens zelf stellen jegens die deelnemers (met het oog op de informatie die de TKI’s op hun beurt uiteindelijk in het kader van de subsidiemodule aan de minister moeten verstrekken). Het staat de TKI’s namelijk vrij om in de praktijk verschillende procedures toe te passen om de samenwerkingsprojecten te selecteren, en om de formats te bepalen op basis waarvan de consortia informatie bij de TKI’s moeten aanleveren over de samenwerkingsprojecten die ze met behulp van de TKI-middelen uitvoeren (welke informatie de TKI’s vervolgens gebruiken om aan de eigen verplichtingen ex titel 3.2 van de RNES te voldoen). Hoewel dit dus geen regeldruk in strikte zin is, wordt het wel van belang geacht deze vorm van ervaren lastendruk zo transparant mogelijk te maken. Doordat deze lastendruk jegens de deelnemers in een samenwerkingsverband echter vanuit de TKI’s zelf vormgegeven wordt, is het lastig om vanuit de overheid een goede berekening van deze ervaren lastendruk (‘regeldruk op het tweede niveau’) te maken. Daarom zal worden volstaan met een inschatting van deze ‘regeldruk’ op het niveau van de samenwerkingsprojecten.

De regeldrukkosten voor de TKI’s die uit deze subsidiemodule voortvloeien, betreffen kennisnamekosten, kosten in verband met het indienen van de aanvraag, kosten als gevolg van monitoring en kennisverspreiding en kosten in verband met de eindverantwoording. Bij het inschatten van de regeldrukkosten wordt ervan uitgegaan dat de handelingen zullen worden verricht door hoog opgeleide medewerkers, waarop een standaarduurtarief van € 54,– van toepassing is conform het Handboek Meting Regeldrukkosten.

Kennisnamekosten

De TKI’s die een aanvraag voor PPS-programmasubsidie gaan indienen, zullen zich op de hoogte moeten stellen van de eisen waaraan zij moeten voldoen. De tijdsbesteding hiervoor wordt ingeschat op 4 uur per aanvraag. Er zullen 12 aanvragen worden ingediend (12 TKI’s). De totale eenmalige kennisnamekosten komen naar verwachting uit op € 2.592.

Kosten in verband met de aanvraag

Voor het indienen van een aanvraag voor PPS-programmasubsidie dient een TKI een (online) aanvraagformulier in te vullen. Naast het aanvraagformulier dient er een PPS-programma te worden opgesteld en ingediend. De verwachte tijdsbesteding is 55 uur per aanvraag. Bij 12 aanvragen komen deze eenmalige kosten voor de TKI’s in totaal uit op € 35.640.

Kosten in verband met monitoring

Tijdens de uitvoering van het PPS-programma moeten (net als voorheen bij het TKI-programma) tussentijdse resultaten worden verantwoord. Het gaat dan om de informatieverplichting voor het verstrekken van initiële informatie over de samenwerkingsprojecten (dit is nieuw), het jaarlijks opstellen van een voortgangsrapportage omtrent het programma en de samenwerkingsprojecten daaronder, en een jaarlijkse inspectie. De totale tijdsbesteding hieraan door TKI’s wordt ingeschat op 312 uur per PPS-programma (en de daaronder hangende samenwerkingsprojecten). Bij 12 PPS-programma’s van maximaal 6 jaar komen de totale regeldrukkosten in verband met monitoring uit op € 202.176.

Kosten in verband met kennisoverdracht

De brede verspreiding van de kennis die de PPS-programma’s gaan opleveren, is (net als voorheen) een verplicht onderdeel van de regeling. Te denken valt aan het verspreiden van kennis via onder andere publicaties, conferenties en online media. De totale tijdsbesteding hiervan wordt ingeschat op 240 uur per PPS-programma. Bij 12 PPS-programma’s van maximaal 6 jaar komen de totale regeldrukkosten in verband met kennisoverdracht uit op € 155.520.

Kosten in verband met de eindverantwoording

Zodra de samenwerkingsprojecten binnen een PPS-programma zijn afgerond dient de eindverantwoording te worden ingediend. Het gaat dan om het indienen van een verzoek tot vaststelling van de PPS-programmasubsidie, het opstellen van de eindrapportage en de financiële rapportage, en het verkrijgen van de controleverklaring. Na afloop van de vaststelling zijn de deelnemende partijen verplicht deel te nemen aan een eindevaluatie. De verwachte tijdsbesteding is 70 uur per PPS-programma. Het verkrijgen van de controleverklaring zal per project € 5.000 kosten. Bij 12 PPS-programma’s komen deze eenmalige kosten voor de TKI’s in totaal uit op € 105.360.

Totale regeldrukkosten TKI’s

Op basis hiervan zullen de totale regeldrukkosten voor de TKI’s naar verwachting uitkomen op € 501.288, wat neerkomt op 0,3% van het beschikbaar gestelde budget (€ 165 miljoen). Ter vergelijking, de regeldruk voor de oude subsidiemodule PPS-Toeslag is vastgesteld op 0,5%, dus de regeldruk komt onder de nieuwe werkwijze substantieel lager uit. Bij het huidige subsidievolume komt dit neer op een regeldrukbesparing van € 330.000. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de TKI’s subsidie kunnen aanvragen voor de programma-ondersteunende activiteiten (POA) die zij verrichten, zoals het organiseren van de calls om samenwerkingsprojecten tot stand te doen brengen die binnen het PPS-programma passen en het verzamelen van informatie over startende en lopende samenwerkingsprojecten. Deze subsidies zijn direct afkomstig van de begroting van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en worden op aanvraag via maatwerkbeschikkingen ter beschikking gesteld.

Ervaren lastendruk bij partners binnen de samenwerkingsprojecten

Zoals eerder aangegeven is het lastig om voor dit niveau een goede berekening te maken van de lastendruk die door de consortiapartners wordt ervaren. Het is immers niet bekend welke processen de TKI’s zullen gaan hanteren voor het selecteren en beheren van de samenwerkingsprojecten waarvoor de PPS-programmasubsidie zal worden aangewend.

De verwachting is echter dat de door deze partners ervaren lastendruk op een vergelijkbaar niveau zal liggen als bij andere regelingen op het terrein van onderzoek en innovatie, zoals in de subsidiemodule MIT-onderzoek- en ontwikkelingssamenwerkingsprojecten, waarvan de regeldruk op 1,5% is vastgesteld. Ook andere subsidiemodules, zoals de regeling voor Topsector Energie-projecten (0,9% gemiddeld) en de R&D-regeling Mobiliteitssectoren (1,4%), kunnen als referentie genomen worden. Daarom is het aannemelijk dat de regeldruk voor de consortiapartners binnen de samenwerkingsprojecten in de ordegrootte van 1% à 1,5% zal liggen. Op basis van het beschikbare budget van € 165 miljoen zullen de regeldrukkosten dan uitkomen op een bedrag van circa € 1,7 miljoen à € 2,5 miljoen.

De wijzigingen in de ROES 2023, betreffende de invoering van de subsidieplafonds per TKI bij titel 3.2 van de RNES, en de ophogingen van de subsidieplafonds bij titel 3.9 respectievelijk titel 3.19 van de RNES, hebben naar hun aard geen gevolgen voor de regeldruk. Deze wijzigingen zien niet op informatieverplichtingen, maar enkel op materiële vaststelling van de hoogte van subsidieplafonds.

Deze wijzigingsregeling is ter beoordeling voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

7. Staatssteun

Titel 3.2 bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd onder artikel 25 (wat betreft de samenwerkingsprojecten die bestaan uit fundamenteel of industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een combinatie daarvan) en artikel 28 (wat betreft innovatieadviesdiensten) van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Voor zover het gaat om programmasubsidie die door het TKI wordt aangewend voor het door derden laten uitvoeren van netwerkactiviteiten, geldt dat hier geen sprake is van staatssteun. Het TKI wendt de subsidie enkel aan ter dekking van marktconforme kosten die derden maken bij de organisatie van netwerkactiviteiten. Daarbij valt te denken aan kosten voor de inhuur van gastsprekers, zaalhuur, congresmateriaal e.d. De subsidie kan derhalve niet gebruikt worden door een TKI om te voorzien in eigen apparaatskosten. Uit de administratie van de TKI moet dit ook blijken.

Ook de derden die de netwerkactiviteiten (opdrachten) uitvoeren, ontvangen geen staatssteunrechtelijk voordeel omdat zij op grond van transparante criteria zijn geselecteerd en de opdrachten onder normale marktvoorwaarden uitvoeren. De uiteindelijke ontvanger van het voordeel is derhalve de MKB-onderneming die deelneemt aan de netwerkactiviteiten. Doordat de organisatiekosten lager liggen, zullen MKB-ondernemingen tegen lagere tarieven deelnemen aan de activiteiten. Ook in dat opzicht is echter geen sprake van staatssteun in de zin van artikel 107 VWEU. Het TKI moet hiertoe kunnen aantonen dat de netwerkactiviteiten en hieruit voortkomende resultaten voor iedere MKB-ondernemer zonder onderscheid toegankelijk zijn. Dit kan het TKI bijvoorbeeld doen door een uitnodiging op zijn website te plaatsen en achteraf het verslag of bij presentaties gebruikte sheets op haar website te publiceren. Bovendien is de subsidie die kan worden ingezet per MKB-ondernemer die deelneemt aan een netwerkactiviteit zo gering (maximaal € 1.000), dat er geen sprake is van dreigende vervalsing van de mededinging / (merkbare) beïnvloeding van de tussenstaatse handel.

De steunintensiteit in relatie tot de aanwending van ontvangen PPS-programmatoeslag voor samenwerkingsprojecten bedraagt voor elke begunstigde onderneming voortaan ten hoogste 80% van de in aanmerking komende kosten voor fundamenteel onderzoek (tot op heden was dit 100%),

50% van de in aanmerking komende kosten voor industrieel onderzoek en 25% van de in aanmerking komende kosten voor experimentele ontwikkeling. Nieuw in dit opzicht is dat de steunintensiteit voor industrieel onderzoek met 10% kan worden verhoogd, en voor experimentele ontwikkeling met 15%. Wat de verhoging met deze laatste percentages van 10 respectievelijk 15 betreft, geldt dat deze verhoging enkel kan worden toegepast indien het betreffende samenwerkingsproject voldoet aan de voorwaarden van artikel 25, zesde lid, onderdeel b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Voor de goede orde wordt opgemerkt dat het TKI zelf, evenals voorheen, niet als begunstigde van steun wordt aangemerkt, ook al is het TKI de ontvanger van de PPS-programmasubsidie. De verstrekte subsidie is bedoeld om integraal door te geven en het TKI verkrijgt hiervan zelf geen voordeel. Het TKI moet wel aantonen dat alle ontvangen subsidiemiddelen daadwerkelijk zijn doorgegeven aan de uiteindelijke ontvangers van de steun. Daartoe zijn verplichtingen opgenomen in artikel 3.2.5 van de RNES.

De hierboven beschreven wijzigingen in titel 3.2 van de RNES hebben geen gevolgen voor de staatssteunrechtvaardiging. De PPS-programmasubsidie wordt door de TKI’s net als de vroegere PPS-programmatoeslag (enkel) aangewend voor samenwerkingsprojecten en voor innovatieactiviteiten, waaronder innovatieadviesdiensten, welke steun nog altijd wordt gerechtvaardigd door de artikelen 25 en 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Er is dus geen sprake van een wijziging of uitbreiding van de activiteiten waarvoor steun wordt verleend. Dat de vroegere PPS-projecttoeslag is geschrapt, maakt dit niet anders.

Omdat titel 3.2 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies echter als geheel opnieuw is vastgesteld, de benaming van titel 3.2 van de RNES ‘PPS-toeslag onderzoek en innovatie’ is gewijzigd in ‘PPS-Innovatie’, en de ‘PPS-programmatoeslag’ is verworden tot ‘PPS-programmasubsidie’, wordt de onderhavige wijziging voor de goede orde binnen 20 dagen na publicatie ter kennisgeving bij de Europese Commissie gemeld.

8. Vaste verandermomenten

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie van deze regeling in de Staatscourant. Met de bekendmaking en inwerkingtreding van deze regeling wordt afgeweken van de systematiek van de vaste verandermomenten, inhoudende dat ministeriële regelingen met ingang van de eerste dag van een kwartaal in werking treden, en er minimaal twee maanden zitten tussen het moment van publicatie en de inwerkingtreding van de regeling. Deze afwijking is echter gerechtvaardigd omdat de doelgroep, (potentiële) gebruikers van PPS-innovatiemiddelen, baat heeft bij deze wijziging, onder meer nu de complexe grondslagsystematiek is losgelaten. Door de openstelling nog in het najaar te publiceren, in plaats van het volgende vaste verandermoment af te wachten, kunnen TKI’s tijdig de aanvraag voor hun PPS-programma indienen en direct in het nieuwe jaar (2024) starten met de uitvoering daarvan.

Daarnaast geldt dat alle TKI’s tijdig, namelijk reeds vanaf april 2022 zijn meegenomen in het totstandkomingsproces van deze wijzigingsregeling en daarmee dus ook in de beleidskeuzes binnen dat proces en de effecten daarvan. In dat proces is waar mogelijk en nodig ook rekening gehouden met de signalen die de TKI’s hebben afgegeven. De afwijking van het kabinetsbeleid betreffende vaste verandermomenten stuit derhalve ook in dat opzicht niet op enig beletsel.

II. Artikelen

ARTIKEL I, ONDERDEEL A

Door middel van dit artikel is de gehele titel 3.2 van de RNES opnieuw vastgesteld. Dit bleek nodig omdat in vergelijking met de tot nu toe bestaande titel 3.2 van de RNES diverse artikelen geheel zijn geschrapt, en eerder reeds bestaande artikelen zijn gewijzigd en in sommige gevallen ook gesplitst of verplaatst. Verder is ook een ten opzichte van de vroegere titel 3.2 van de RNES geheel nieuwe bepaling opgenomen. Hierdoor is de volgorde en de nummering van de artikelen die in de kern ook al in de voorgaande titel 3.2 van de RNES voorkwamen, anders dan destijds.

Artikel 3.2.1 (Begripsomschrijvingen)

De meeste begripsomschrijvingen zijn ongewijzigd gebleven. Ook de begripsomschrijving van ‘TKI’. Daarbij zij wel aangetekend dat er ten opzichte van het vorige jaar inmiddels wel weer wijzigingen zijn wat betreft welke TKI’s binnen het toepassingsbereik van deze omschrijving vallen. Zo is op de begroting een nieuwe TKI opgenomen, de stichting TKI ICT. Benadrukt zij dat enkel de TKI’s die als zodanig op de begroting vermeld staan, binnen het toepassingsbereik van deze subsidiemodule vallen en derhalve een aanvraag voor PPS-programmasubsidie kunnen indienen. Dat betekent derhalve dat andere stichtingen die weliswaar eveneens de aanduiding ‘TKI’ in hun statutaire naam dragen, maar die niet expliciet op de begroting vermeld zijn, geen aanvragen op grond van deze subsidiemodule in kunnen dienen; ook niet als ze in feite ressorteren onder een TKI dat wél op de begroting staat.

Wat betreft de ongewijzigd gebleven omschrijving van het begrip ‘samenwerkingsproject’ wordt volledigheidshalve benadrukt dat het wat betreft het in onderdeel a benoemde vereiste van ‘daadwerkelijke samenwerking’ moet gaan om ‘daadwerkelijke samenwerking’ in de zin van artikel 2, onderdeel 90, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder h, van het O&O&I-steunkader (vgl. ook artikel 1.1 van de RNES, en zie tevens: paragraaf 2.2, punt 28, van het O&O&I-steunkader). Dit betekent onder meer dat de samenwerking moet plaatsvinden op basis van een taakverdeling, waarbij een gemeenschappelijke doelstelling wordt nagestreefd en gezamenlijk de reikwijdte van het samenwerkingsproject wordt bepaald. Ook moet gezamenlijk worden bijgedragen aan de uitvoering ervan en worden gedeeld in de daaraan verbonden financiële, technologische, wetenschappelijke en andere risico’s, alsmede in de projectresultaten. Contractonderzoek en het verrichten van onderzoeksdiensten worden niet als vormen van daadwerkelijke samenwerking beschouwd.

Het begrip en de bijbehorende omschrijving ‘geldmiddelen’ is geschrapt. Deze hadden geen zelfstandige meerwaarde meer.

Daarnaast is de definitie van ‘onderzoeksinstelling’ geschrapt en is het begrip ‘onderzoeksinstelling’ in de gehele module vervangen door het begrip ‘onderzoeksorganisatie’. Voorheen was het beleidsmatig wenselijk om binnen titel 3.2 van de RNES de definitie ‘onderzoeksinstelling’ te hanteren, die enigszins afweek van de definitie ‘onderzoeksorganisatie’ die uit de algemene groepsvrijstellingsverordening volgde (zoals die sinds 2014 luidde). Onder de algemene groepsvrijstellingsverordening waren de rechtsvorm en de financieringsvorm, en daarmee ook het winstoogmerk, van een onderzoeksorganisatie sinds 2014 geen belemmering meer voor het aanmerken van een organisatie als onderzoeksorganisatie in de zin van deze verordening.

Maar gelet op de grondslagsystematiek binnen titel 3.2 van de RNES, waarbij de omvang van de te verlenen TKI- of PPS-toeslag afhing van de verzamelde samenwerkingsprojecten (en dan in het bijzonder de private bijdragen daaraan), was het wenselijk om enige beperkingen te stellen aan (onder meer) het type onderzoeksorganisatie dat zou kunnen opereren binnen een samenwerkingsverband ter uitvoering van een samenwerkingsproject dat vervolgens als grondslagproject zou kunnen worden opgevoerd door een TKI. Daarom is jarenlang het begrip ‘onderzoeksinstelling’ gehanteerd in plaats van ‘onderzoeksorganisatie’, en strekte de begripsomschrijving van ‘onderzoeksinstelling’ ertoe om enkel onderzoeksorganisaties in de zin van de algemene groepsvrijstellingsverordening tot ‘onderzoekinstelling’ te rekenen, die géén winstoogmerk hadden (dit gold tot 2016), onderscheidenlijk die alle winst opnieuw investeerden in fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, in het verspreiden van de resultaten daarvan, of in onderwijs (dit gold vanaf 2016). Nu echter de grondslagsystematiek is verlaten, ontbreekt de noodzaak voor afwijking van de definitie van ‘onderzoeksorganisatie’ in de zin van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Tegen deze achtergrond zijn het begrip ‘onderzoeksinstelling’ en de bijbehorende omschrijving dan ook geschrapt, en is in de gehele module het begrip ‘onderzoeksinstelling’ vervangen door ‘onderzoeksorganisatie’.

Op deze manier is bovendien de situatie gelijkgetrokken met die in vele andere subsidiemodules binnen de RNES, waarin het begrip ‘onderzoeksorganisatie’ in de zin van de algemene groepsvrijstellingsverordening wordt gevolgd en waarin dus geen separate, afwijkende definitie wordt gehanteerd.

Ook het begrip en de bijbehorende begripsomschrijving ‘TKI-relevante onderzoeksopdracht’ is geschrapt. Deze definitie was in titel 3.2 van de RNES opgenomen omdat het een functie vervulde in diverse bepalingen betreffende het verzamelen van grondslag. Zoals echter ook in het algemeen deel van de toelichting uiteen is gezet, zijn alle bepalingen die betrekking hadden op het verzamelen van grondslag, geschrapt. Daarom heeft ook deze definitie geen functie meer en is deze geschrapt.

Het begrip en de bijbehorende omschrijving van ‘TKI-programma’ zijn gewijzigd. Voortaan wordt ‘TKI-programma’ aangeduid als ‘PPS-programma’, omdat deze aanduiding beter aansluit bij de andere kernbegrippen in deze subsidiemodule, zoals PPS-programmasubsidie en de naam van de titel (PPS-innovatie). Bovendien heeft een belangrijk deel van het programma van een TKI betrekking op PPS-en (samenwerkingsprojecten), zodat het begrip ook in die zin een betere reflectie vormt van en aansluit bij de inhoud en strekking van titel 3.2 van de RNES.

De bijbehorende omschrijving van (voorheen) het TKI-programma was relatief globaal, maar is nu ten behoeve van de duidelijkheid aangescherpt.

Het bestuur van het TKI zorgt voor de totstandkoming van een privaat-publiek gefinancierd meerjarig PPS-programma. Er is geen concrete minimum- of maximumduur van het programma opgenomen, maar een belangrijke factor hier is dat indien het TKI de aangevraagde middelen ontvangt, het TKI die middelen binnen maximaal (voortaan) zes jaar moet aanwenden conform de eisen in de RNES. Gelet hierop zal de looptijd van het PPS-programma doorgaans ook zes jaar bedragen. Een TKI mag er echter ook voor kiezen om een kortere looptijd te hanteren, bijvoorbeeld wanneer de aanwending van de ontvangen middelen doorgaans door een TKI veel sneller, bijvoorbeeld al binnen drie jaar, plaatsvindt.

De aanscherping in de begripsomschrijving is gelegen in het feit dat het PPS-programma voortaan meer moet omvatten dan een gedurende de looptijd van het programma aanwassende lijst van samenwerkingsprojecten en innovatieactiviteiten; de TKI’s worden voortaan geacht op voorhand te beschrijven welke inhoudelijke koers het TKI wil gaan varen binnen de KIA op het terrein waarop het TKI primair actief is (dat zal het KIA zijn dat betrekking heeft op de topsector in het kader waarvan het TKI is opgericht), en, in voorkomend geval, welke koers daarnaast gevaren zal worden binnen een of meer andere KIA’s, bijvoorbeeld in het kader van de zogenoemde cross-sectorale samenwerking met andere TKI’s (zie onderdeel a van de begripsomschrijving). Het beschrijven van die inhoudelijke koers kan een TKI vormgeven door een meer concrete beschrijving op te nemen van de doelstellingen, ambities en beoogde instrumenten en beoogde aanpak van het TKI, wat betreft het voeren van de regie en de netwerkvorming en kennis(ver)deling op het terrein van de onderzoeks- en innovatieactiviteiten binnen dat PPS-programma. Zie in dit verband ook de weergave van onderwerpen die ingevolge artikel 3.2.6, tweede lid, onderdeel d, van de RNES in het PPS-programma moeten worden besproken.

Naast deze duiding van de toekomstige koers van het TKI in de zin van onderdeel a van de begripsomschrijving, volgt uit onderdeel b daarvan dat het PPS-programma ook de samenwerkingsprojecten en innovatieactiviteiten zal omvatten die gedurende de looptijd bij het programma worden ‘ondergebracht’. Voor de goede orde wordt echter opgemerkt dat op het moment van het indienen van de aanvraag voor PPS-programmasubsidie en dus ook het PPS-programma zelf, er veelal nog geen concrete samenwerkingsprojecten of activiteiten zullen zijn die al in het PPS-programma zelf kunnen worden genoemd als projecten of activiteiten die passen binnen het PPS-programma en waarvoor het TKI middelen wil inzetten; die projecten en activiteiten zijn op dat aanvraagmoment veelal gewoonweg nog niet in beeld (en gelet op artikel 3.2.7 van de RNES hoeft dat ook niet, als maar uiterlijk binnen 18 maanden concrete samenwerkingsprojecten zijn geselecteerd die binnen het programma passen en waarvoor het TKI de ontvangen subsidie wil aanwenden). Niettemin worden, net als voorheen, deze samenwerkingsprojecten en innovatieactiviteiten die in de loop der tijd worden geïdentificeerd als passend binnen het PPS-programma, wel gerekend tot het PPS-programma zelf; de projecten en activiteiten gaan met andere woorden onderdeel uitmaken van het PPS-programma. Op die manier omvat het PPS-programma met andere woorden uiteindelijk niet alleen de koers van het TKI, maar ook, bij wijze van aanwassende lijst, de samenwerkingsprojecten van fundamenteel onderzoek tot en met experimentele ontwikkeling die steeds in pre-competitieve samenwerking tussen private en publieke partijen tot stand komen, alsook de innovatieactiviteiten, waarbij MKB-ondernemers meer worden betrokken bij de samenwerkingsprojecten en waarbij gestimuleerd wordt om de resultaten van de samenwerkingsprojecten en overige inzichten op het terrein van het programma ook daadwerkelijk te leiden naar innovatieve producten.

Overigens maakt het feit dat bij indiening van de subsidieaanvraag nog geen concrete samenwerkingsprojecten of innovatieactiviteiten geïdentificeerd zijn in het PPS-programma, dat de focus bij de beoordeling van de aanvraag ook ligt op beoordeling van hetgeen ingevolge onderdeel a van de begripsomschrijving in het PPS-programma is opgenomen, dus op de (beschrijving van de) koers van het TKI voor kennisontwikkeling en kennistoepassing op het in die omschrijving bedoelde terrein of terreinen. Die focus op de in onderdeel a bedoelde inhoud van het PPS-programma blijkt ook uit de aard en strekking van de afwijzingsgronden in artikel 3.2.4.

Het begrip ‘PPS-programmasubsidie’ en de bijbehorende omschrijving zijn nieuw. Zoals in het algemeen deel van de toelichting ook uiteen is gezet, is door het verlaten van de grondslagsystematiek in deze subsidiemodule technisch gezien geen sprake meer van een toeslag. Daarom wordt de subsidie waar het in deze subsidiemodule om gaat, voortaan aangeduid als ‘PPS-programmasubsidie’. In de kern is deze echter nog altijd vergelijkbaar met de vroegere PPS-programmatoeslag, waar voorheen geen formele definitie voor was vastgesteld in artikel 3.2.1 van de RNES, maar die wel een inhoudelijke duiding kende binnen artikel 3.2.2 van de RNES.

Omwille van de duidelijkheid is nu echter een separate begripsomschrijving geformuleerd, waarin ook expliciet tot uitdrukking is gebracht dat de PPS-programmasubsidie bedoeld is voor uitvoering van het PPS-programma, en dat het bij die uitvoering moet gaan om het aanwenden van de PPS-programmasubsidie voor samenwerkingsprojecten en – eventueel – innovatieactiviteiten. De PPS-programmasubsidie is uitdrukkelijk niet bedoeld ter financiering van de kosten die de TKI’s zelf maken om hun eigen programmerende en coördinerende activiteiten te verrichten, zoals het programmeren van calls of andere procesondersteunende activiteiten. Voor dergelijke activiteiten kunnen de TKI’s een separate subsidie (‘POA’) aanvragen (zie ook paragraaf 6, onder ‘Totale regeldrukkosten TKI’s’ van deze toelichting).

Nieuw is ook de omschrijving van het begrip ‘KIA’. In het missiegedreven innovatiebeleid, dat in paragraaf 2 van het algemeen deel van de toelichting ook al wat nader is toegelicht, werken overheid, bedrijfsleven, onderzoeksorganisaties en andere stakeholders samen aan innovatie voor economische en maatschappelijke impact aan de hand van missies. Het kabinet heeft in 2023 vijf centrale missies gedefinieerd voor het missiegedreven innovatiebeleid: Energietransitie, Circulaire Economie, Gezondheid & Zorg, Landbouw, Water en Voedsel en Veiligheid6. Daarnaast wordt ook ingezet op (digitale) sleuteltechnologieën en maatschappelijk verdienvermogen. In gezamenlijke Kennis- en Innovatieagenda’s (KIA’s) worden de ambities en doelen ten aanzien van deze missies verder uitgewerkt door de topsectoren en de bij de missies betrokken ministeries en maatschappelijke stakeholders. De herijkte KIA’s worden eind 2023 bekend gemaakt. Deze KIA’s vormen op hun beurt het vertrekpunt voor verdere, meer concrete uitwerkingen, zo ook voor de PPS-programma’s van de TKI’s. Een KIA kent veelal een looptijd van vier jaar. De diverse (weblinks naar de) KIA’s zijn te vinden op de website https://www.topsectoren.nl/missiesvoordetoekomst.

Artikelen 3.2.2 (Aanvraag) en 3.2.3 (Verdeling subsidieplafonds)

Een TKI kan een aanvraag indienen voor PPS-programmasubsidie die bedoeld is voor de uitvoering van een PPS-programma door een TKI. Om uitvoering te geven aan het PPS-programma zal een TKI ontvangen PPS-programmasubsidie (uitsluitend) moeten aanwenden voor samenwerkingsprojecten en eventuele innovatieactiviteiten.

De aanvragen voor PPS-programmasubsidie worden ingediend bij RVO. Nadat een aanvraag is ontvangen en deze aanvraag aan de vereisten voldoet als vervat in artikel 3.2.6 van de RNES, wordt deze door RVO getoetst aan de in artikel 3.2.4 van de RNES genoemde afwijzingsgronden.

Anders dan voorheen, heeft de PPS-innovatiemodule niet langer het karakter van een zogenoemde open-einde-regeling, en wordt de hoogte van de subsidie niet langer bepaald door de omvang van de private bijdragen aan samenwerkingsprojecten die door TKI’s als ‘grondslag’ zijn opgevoerd voor de toenmalige PPS-toeslag. Voortaan wordt per TKI een subsidieplafond vastgesteld. Deze plafonds worden steeds vastgesteld bij het openstellen van de periode voor indiening van aanvragen voor PPS-programmasubsidie. De openstellingsperiode en het subsidieplafond per TKI wordt steeds opgenomen in de jaarlijkse Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies (nu de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2023 – zie ook artikel III van deze wijzigingsregeling).

De formulering die in artikel 3.2.3 van de RNES is gehanteerd, is de standaardformulering die ook elders in de RNES gehanteerd wordt om tot uitdrukking te brengen dat vervolgens, na publicatie van de subsidieplafonds en de openstellingsperiode, de aanvragen die door één TKI binnen de openstellingsperiode worden ingediend, worden behandeld op volgorde van binnenkomst en gehonoreerd voor zover het budget voor het desbetreffende PPS-programma het toestaat, dus voor zover het past binnen het subsidieplafond voor het desbetreffende TKI dat in de hiervoor bedoelde openstellingsregeling is gepubliceerd. Benadrukt wordt dat het dus niet gaat om de volgorde van binnenkomst van alle aanvragen van alle TKI’s; er is qua volgorde van binnenkomst tussen de TKI’s geen ‘concurrentie’, omdat voor elk TKI een specifiek subsidieplafond bestaat. De bepaling maakt enkel kenbaar dat de ruimte onder elk van deze plafonds ‘verdeeld’ wordt op basis van volgorde van binnenkomst van de aanvragen vanuit het TKI waarvoor dat plafond geldt.

In de praktijk zal het subsidieplafond veelal echter het karakter hebben van een subsidiemaximum, doordat veelal per TKI slechts één aanvraag voor programmasubsidie per openstellingsperiode zal worden ingediend, die waarschijnlijk het gehele budget onder het subsidieplafond beslaat. In die zin zal in de praktijk vaak niet een daadwerkelijke ‘verdeling’ van de ruimte onder het subsidieplafond per TKI plaatsvinden. Maar het is in beginsel wel mogelijk dat een TKI binnen de openstellingsperiode bijvoorbeeld eerst een aanvraag voor PPS-programmasubsidie doet met het oog op aanwending ten behoeve van samenwerkingsprojecten die binnen het PPS-programma passen, en wat later binnen die openstellingsperiode een aanvraag voor PPS-programmasubsidie ten behoeve van innovatieactiviteiten (of in omgekeerde volgorde). Dan kiest het TKI er dus in feite voor om een en ander niet in één PPS-programma te vatten, maar op te splitsen in deelprogramma’s die tezamen een geheel vormen en waarbij elk deelprogramma wel per 1 januari van het desbetreffende kalenderjaar van start gaat. Dat is geheel aan de TKI’s. RVO beslist namens de Minister van Economische Zaken en Klimaat op deze aanvragen (op grond van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies (‘Kaderbesluit’): binnen 8 weken).

Artikel 3.2.4 (Afwijzingsgronden PPS-programmasubsidie)

Dit artikel bevat de afwijzingsgronden voor de PPS-programmasubsidie. De afwijzingsgrond vervat in artikel 3.2.4, onderdeel a, van de RNES is nieuw. Hierin wordt duidelijk gemaakt dat het PPS-programma inhoudelijk dient bij te dragen aan de uitwerking van een KIA (of, als het TKI actief is op een terrein dat ook gedekt wordt door een andere KIA: meerdere KIA’s). Het PPS-programma dient derhalve aan te sluiten op en te passen in een of meer KIA’s. Het is aan het TKI om te bepalen op welke KIA of welke KIA’s het PPS-programma wordt toegespitst. Gelet op het brede karakter en de relatief grote reikwijdte van de KIA’s zal een PPS-programma zeker niet geacht worden een uitwerking te vormen van een gehele KIA, maar wel zal het moeten dienen ter verwezenlijking van onderdelen van een KIA.

Ook de afwijzingsgrond vervat in artikel 3.2.4, onderdeel b, van de RNES is nieuw. Hieruit volgt dat indien het PPS-programma kwalitatief onvoldoende is, de aanvraag voor PPS-programmasubsidie geweigerd kan worden. Bepalend hierbij zal zijn of het PPS-programma naar het redelijke oordeel van de minister inhoudelijk te summier of anderszins ontoereikend moet worden geacht. Essentieel hierbij is of en op welke wijze de onderwerpen die ingevolge artikel 3.2.6, tweede lid, onderdeel d, van de RNES in het PPS-programma moeten worden opgenomen, zijn behandeld in het PPS-programma. Indien die onderwerpen te summier, onduidelijk of onvolledig zijn weergegeven, kan de aanvraag hierop worden afgewezen. De gedachte hierachter is dat het PPS-programma (dat ingevolge artikel 3.2.10, eerste lid, onderdeel a, van de RNES ook gepubliceerd moet worden door het TKI) inhoudelijk dusdanig volledig en transparant moet zijn, dat het in ieder geval voor geïnteresseerde potentiële deelnemers aan een samenwerkingsproject, waaronder ook private partijen, helder wordt welke koers het TKI gaat varen en of en in welke zin die potentiële deelnemer daar wellicht in zou kunnen stappen en een rol in zou kunnen gaan vervullen. Daarnaast is het PPS-programma voor de minister als subsidieverlener essentieel, omdat dit weergeeft waar de verleende middelen voor zullen aangewend en of dit past binnen de subsidiedoelstellingen. Indien de kwaliteit van het PPS-programma ondermaats is, kan de minister dit niet goed beoordelen, en moet de aanvraag afgewezen worden.

Verder is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de verhouding te verduidelijken tussen het moment van verlening van de PPS-programmasubsidie (en de daarbij geldende eisen), het moment van aanwending door het TKI van ontvangen subsidie voor samenwerkingsprojecten en innovatieactiviteiten en de eisen die in dat verband gelden, en artikel 22 van het Kaderbesluit.

Hiertoe zijn in het onderhavige artikel, waarin de gronden tot afwijzing van de subsidieaanvraag voor uitvoering van het PPS-programma zijn opgenomen, de vroegere afwijzingsgronden ex artikel 3.2.4, onderdelen a, d en e, van de RNES (oud) die betrekking hadden op verenigbaarheid met het O&O&I-steunkader en de algemene groepsvrijstellingsverordening, niet teruggekeerd. Dit geldt ook voor het vroegere onderdeel b, dat zag op de aanwezigheid van een samenwerkingsovereenkomst omtrent de uitvoering van een samenwerkingsproject.

Tegelijkertijd is artikel 3.2.5 van de RNES, dat ziet op de eisen die betrekking hebben op de aanwending door het TKI van de ontvangen subsidie, uitgebreid; daarbij geldt dat 3.2.5 in feite is uitgebreid met die eisen omtrent verenigbaarheid met de steunkaders en de eis omtrent de samenwerkingsovereenkomst die nu uit het vroegere artikel 3.2.4 van de RNES zijn geschrapt. Die onderdelen zijn met andere woorden verplaatst vanuit artikel 3.2.4 van de RNES betreffende de afwijzingsgronden, naar artikel 3.2.5 van de RNES betreffende de aanwending van subsidiemiddelen door de TKI’s.

De achtergrond hiervan is tweeledig. In de eerste plaats geldt voor elk van de ‘geschrapte’ afwijzingsgronden (betreffende de verenigbaarheid met de staatssteunkaders en het bestaan van een schriftelijke samenwerkingsovereenkomst) dat deze beter op hun plek zijn in artikel 3.2.5 van de RNES betreffende de aanwending door de TKI’s van de ontvangen subsidiemiddelen.

Immers, de verlening van de subsidie aan de TKI’s zelf is geen steunverlening, maar pas bij de daadwerkelijke aanwending van de ontvangen subsidiemiddelen door de TKI’s gaat het om steun die enkel gerechtvaardigd is als die conform de staatssteunkaders is. Dus de eisen die betrekking hebben op de staatssteunkaders, zijn het meest gepast in artikel 3.2.5 van de RNES dat op die aanwending ziet, en zijn minder op hun plek in artikel 3.2.4 van de RNES dat de gronden tot afwijzing van de subsidieaanvraag bevat.

Daarnaast geldt ten aanzien van de beschikking omtrent de subsidieverlening aan de TKI’s dat uit artikel 22 van het Kaderbesluit ten algemene al volgt dat een subsidieaanvraag onder meer afgewezen moet worden indien de aanvraag niet voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels (zoals de regels in de RNES), en indien de subsidieverstrekking zou leiden tot (kort gezegd) strijd met de toepasselijke staatssteunkaders. In dat artikel (alsook in artikel 23 van het Kaderbesluit) zijn namelijk afwijzingsgronden opgenomen die van toepassing zijn binnen alle subsidiemodules binnen de RNES (omdat de RNES op het Kaderbesluit is gebaseerd), náást de eventuele specifieke afwijzingsgronden die in de subsidiemodule zelf (zoals die in artikel 3.2.4 van de RNES) zijn opgenomen. Dit betekent dat het in feite overbodig is om separaat in artikel 3.2.4 van de RNES nog te bepalen dat indien uit het PPS-programma bij de aanvraag naar voren komt dat de beoogde aanwending van de subsidiemiddelen in strijd zal zijn met de staatssteunkaders, afwijzend op de subsidieaanvraag voor de uitvoering van dat programma wordt beslist. Die bevoegdheid tot afwijzing van de subsidieaanvraag voor PPS-programmasubsidie volgt immers al uit artikel 22 van het Kaderbesluit. Tegen deze achtergrond zijn de eerdere afwijzingsgronden uit het vroegere artikel 3.2.4 van de RNES die samenhingen met de staatssteunkaders, geschrapt.

Omdat artikel 22 van het Kaderbesluit niet van toepassing is op de aanwending door de TKI’s van de ontvangen subsidiemiddelen (terwijl juist die aanwending de daadwerkelijke staatssteun aan de samenwerkingsprojecten vormt), zijn de diverse eisen die uit de hier toepasselijke staatssteunkaders volgen en relevant zijn voor de aanwending door de TKI’s, al sinds jaar en dag opgenomen in titel 3.2 van de RNES. Via artikel 3.2.5 van de RNES zijn de TKI’s onverkort verplicht om de in dat artikel verwoorde staatssteunrechtelijke eisen in acht te nemen bij de aanwending van de ontvangen subsidiemiddelen.

Bij de onderhavige herziening van titel 3.2 is echter gebleken dat het wenselijk is – gelet op hetgeen hierboven is opgemerkt over de artikelen 3.2.4 en 3.2.5 van de RNES, de relatie tot artikel 22 van het Kaderbesluit, en omwille van de duidelijkheid en volledigheid – de staatssteuneisen die voorheen in artikel 3.2.4 van de RNES als afwijzingsgrond waren vormgegeven, nu in artikel 3.2.5 van de RNES op te nemen in de vorm van eisen aan de aanwending door de TKI’s (voor zover die eisen daar niet ook al in stonden; er was deels sprake van een overlap).

Artikel 3.2.5 (Steunintensiteit en aanwending)

Zoals hierboven ook in de artikelsgewijze toelichting op artikel 3.2.4 van de RNES uiteen is gezet, bevat artikel 3.2.5 diverse eisen voor aanwending door het TKI van de ontvangen subsidiemiddelen. Deze zijn overgenomen uit de toepasselijke staatssteunkaders, om te borgen dat de TKI’s deze bij de aanwending van de middelen in acht nemen. Het merendeel van artikel 3.2.5. van de RNES is ongewijzigd gebleven. De onderdelen a en b van het eerste lid zijn echter nieuw ten opzichte van het vroegere artikel 3.2.5 van de RNES. De in deze onderdelen opgenomen eisen voor aanwending waren aanvankelijk als grond voor afwijzing van de subsidieaanvraag vormgegeven in het vroegere artikel 3.2.4 van de RNES. Zie bovenstaande artikelsgewijze toelichting op artikel 3.2.4 van de RNES voor een nadere toelichting op de achtergronden voor deze ‘verplaatsing’ en ‘omvorming’ van voorschriften.

Inhoudelijk bepaalt artikel 3.2.5, eerste lid, onderdeel a, van de RNES dat aanwending van de ontvangen middelen niet is toegestaan indien deze aanwending neerkomt op een bedrag aan steun per onderneming per project van 55 miljoen EUR of meer (ingeval het project overwegend fundamenteel onderzoek betreft), respectievelijk 35 miljoen EUR of meer per onderneming per project (ingeval het project overwegend industrieel onderzoek betreft), respectievelijk 25 miljoen EUR of meer per onderneming per project (ingeval het project overwegend experimentele ontwikkeling betreft). Indien deze zogenoemde aanmeldingsdrempels uit de algemene groepsvrijstellingsverordening niet in acht worden genomen, is deze verordening niet meer van toepassing en vervalt daarmee de rechtvaardiging van de verlening van de staatssteun, waardoor deze steun onrechtmatig moet worden geacht te zijn verleend. Aangezien deze aanmeldingsdrempels per onderneming per project relatief hoog zijn in de context van de toepassing van titel 3.2 van de RNES, is de kans dat in een concreet geval een van deze aanmeldingsdrempels overschreden zou worden, zeer klein. Illustratief in dit verband is dat het subsidieplafond per TKI veelal al onder deze drempels zal liggen, terwijl de middelen onder dit plafond niet bestemd zijn voor één onderneming en één project, maar voor álle samenwerkingsprojecten van de diverse consortialeden en álle innovatieactiviteiten die binnen het PPS-programma passen en waarvoor het TKI de middelen conform titel 3.2 van de RNES kan aanwenden. Zekerheidshalve is deze verplichting wel opgenomen.

Uit het nieuwe artikel 3.2.5, eerste lid, onderdeel b, van de RNES is de eis verwoord dat er een stimulerend effect dient uit te gaan van de steunmiddelen die ten behoeve van samenwerkingsprojecten worden aangewend. Die eis vloeit voort uit artikel 6 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 3.2.5, eerste lid, onderdeel c, van de RNES is niet nieuw. Als voorheen is bepaald dat bij aanwending voldaan moet worden aan de voorwaarden in paragraaf 2.2.2, onderdeel 29, onder b, c of d, in samenhang met onderdeel 30, van het O&O&I-steunkader. Dit betekent kort gezegd dat de omgang van de betrokken partijen met het intellectueel eigendom dat mogelijk het resultaat is van een samenwerkingsproject, conform het O&O&I-steunkader moet zijn geregeld vóórdat het onderzoek van start gaat.

Artikel 3.2.5, onderdeel d, van de RNES ziet op het totale bedrag aan steun dat voor een deelnemer in een samenwerkingsproject maximaal beschikbaar is in relatie tot de subsidiabele kosten voor de diverse soorten onderzoek. De strekking van deze bepaling is grotendeels ongewijzigd. Wel geldt, anders dan voorheen, dat slechts 80 procent van de subsidiabele kosten kan worden vergoed, in plaats van de vroegere 100 procent.

In het verlengde hiervan geldt ingevolge artikel 3.2.5, onderdeel e, van de RNES, dat ook niet-economische activiteiten van onderzoeksinstellingen in de vorm van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling binnen samenwerkingsprojecten niet langer voor 100 procent, maar slechts voor 80 procent vergoed kunnen worden (mits een gescheiden boekhouding wordt gehanteerd ten opzichte van de economische activiteiten die een onderzoeksorganisatie verricht). Zoals in het algemeen deel van de toelichting (paragraaf 3, ‘Steunintensiteit’) al is opgemerkt, is hiermee beoogd om de vormen van toegepast onderzoek c.q. valorisatie te stimuleren boven fundamenteel onderzoek, in lijn met het missiegedreven innovatiebeleid van de regering7.

Uit artikel 3.2.5, onderdeel f, van de RNES volgt de eis jegens de TKI’s dat ondernemers en onderzoeksorganisaties onder transparante en redelijke voorwaarden in aanmerking moeten kunnen komen voor deelname aan samenwerkingsprojecten die bijdragen aan het PPS-programma. Ook deze eis is niet nieuw. De wijze waarop een TKI zorgt dat een samenwerkingsverband geselecteerd wordt of tot stand komt dat een samenwerkingsproject uitvoert waaraan de ontvangen subsidiemiddelen worden besteed, bijvoorbeeld door middel van calls, moet dus als voorheen voldoende transparant zijn en moet voldoende open staan voor geïnteresseerde partijen.

Verder volgt uit artikel 3.2.5 ook nog altijd dat het bestaan van samenwerkingsprojecten met private bijdragen, waaraan een TKI subsidiemiddelen wil besteden, moet worden aangetoond door middel van een schriftelijke ondertekende samenwerkingsovereenkomst (zie onderdeel g van dit artikel). In die overeenkomst moet ook worden beschreven hoe omgegaan wordt met intellectuele eigendomsrechten die voortkomen uit het samenwerkingsproject. Op die manier kan ook vóór aanwending door het TKI nagegaan worden of ook daadwerkelijk voldaan is aan onderdeel c van artikel 3.2.5 van de RNES en of dus de beoogde aanwending in die zin dus conform titel 3.2 van de RNES is.

Artikel 3.2.5, onderdeel h, van de RNES bepaalt tot slot (als voorheen) dat de PPS-programmasubsidie uitsluitend wordt ingezet indien het samenwerkingsproject bijdraagt aan de Nederlandse kennisinfrastructuur. Op deze manier wordt voorkomen dat indien het samenwerkingsverband dat een samenwerkingsproject uitvoert een internationaal karakter heeft (door betrokkenheid van een of meer buitenlandse partijen), kostbare Nederlandse belastingmiddelen wegvloeien naar projecten waar de Nederlandse kennisinfrastructuur (en op die manier ook de Nederlandse economie) zelf uiteindelijk op geen enkele wijze baat bij heeft.

Nieuw is dat in het derde lid van artikel 3.2.5 van de RNES de zogenoemde ‘top up’-percentages zijn opgenomen die kunnen worden toegepast ingeval van samenwerkingsprojecten waarin industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling plaatsvindt en voldaan wordt aan de voorwaarden voor toepassing van de desbetreffende top-ups als vervat in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, van de algemene groepsvrijstellingsverordening (zie ook in dit verband de toelichting in paragraaf 3 (onderdeel ‘Steunintensiteit’) van het algemeen deel van deze toelichting).

Tot slot blijkt uit artikel 3.2.5, zevende lid, van de RNES dat het TKI de ontvangen PPS-programmasubsidie binnen maximaal zes jaar moet aanwenden overeenkomstig de eisen in de subsidiemodule. Dit betekent dat het TKI de ontvangen subsidiemiddelen binnen die termijn moeten hebben ingezet, dus daadwerkelijk hebben uitbetaald, ten behoeve van samenwerkingsprojecten en eventuele innovatieactiviteiten. Voorheen gold in dit verband een periode van vijf jaar. Door deze verruiming qua termijn is er meer ruimte om projecten die passen binnen het PPS-programma goed voor te (laten) bereiden en tot een goed einde te brengen, zodat de door het TKI ontvangen middelen zo effectief mogelijk kunnen worden aangewend.

Artikel 3.2.6. (Informatieverplichtingen bij aanvraag tot subsidieverlening)

Het merendeel van de voorheen geldende informatieverplichtingen bij aanvraag van verlening van de subsidie, is behouden. Voor zover de verplichtingen samenhingen met het verzamelen van grondslag, zijn deze echter geschrapt.

Nieuw is het tweede lid van artikel 3.2.6, onderdeel d, van de RNES. Daarin is aangegeven dat het PPS-programma waarvoor subsidie wordt aangevraagd, bij de aanvraag moet worden gevoegd, en is in de subonderdelen 1° tot en met 4° aangegeven welke punten in ieder geval in dat PPS-programma beschreven moeten zijn. In de subonderdelen 5° en 6° zijn de punten beschreven die slechts in het PPS-programma hoeven te worden opgenomen, indien en voor zover die relevant zijn voor en zich in de praktijk daadwerkelijk (zullen) voordoen bij het betreffende TKI. De punten die in de diverse subonderdelen worden benoemd, zijn hieronder nader toegelicht.

Ingevolge subonderdeel 1° moet in het PPS-programma worden vermeld welke KIA of KIA’s door het programma worden uitgewerkt. Ook moet beschreven worden in welke zin het PPS-programma dan een uitwerking vormt van die KIA(‘s) of bepaalde onderdelen daarvan.

Subonderdeel 2° vereist dat in het PPS-programma is geduid op welke manier het TKI voornemens is de samenwerkingsprojecten waarvoor het TKI de PPS-programmasubsidie zou willen aanwenden, te ‘vinden’. Hierbij zal bijvoorbeeld aangegeven kunnen worden of het TKI zelf bepaalde calls zal gaan uitzetten, of een bepaalde specifieke strategische inzet van middelen voor ogen heeft.

Ingevolge subonderdeel 3° dient het TKI in het PPS-programma te vermelden op welke manier het TKI zal proberen te borgen dat de omvang van de private bijdragen aan de samenwerkingsprojecten waarvoor het TKI de subsidie wil aanwenden, zo groot mogelijk is (in lijn met de doelstelling van deze subsidiemodule, zoals ook in het algemeen deel van de toelichting uiteen is gezet).

Subonderdeel 4° stelt in essentie als eis dat in het PPS-programma wordt aangegeven waar of op welke wijze de actuele informatie over de samenwerkingsprojecten (als bedoeld in artikel 3.2.10, eerste lid, onderdeel b, van de RNES) beschikbaar wordt gesteld voor het algemene publiek. Als die informatie bijvoorbeeld op de website van het TKI wordt geplaatst, dan is dat wat in het PPS-programma vermeld kan worden.

Uit subonderdeel 5° volgt dat indien en voor zover een TKI voornemens is om gedurende de looptijd van het PPS-programma, kort gezegd, cross-sectoraal samen te werken met een andere TKI, dit in het PPS-programma aangegeven moet worden.

Subonderdeel 6° ziet op de situatie dat het TKI zich gericht wil inzetten om de ontvangen subsidiemiddelen met name of in ieder geval meer dan voorheen aan te wenden voor samenwerkingsprojecten waaraan deelgenomen wordt door MKB-ondernemers, en waarbij deze MKB-ondernemers eventueel zelf (deels) ook de eindbegunstigden zijn van deze middelen. Indien die situatie zich voordoet, dient het TKI dit ingevolge dit subonderdeel weer te geven in het PPS-programma.

De gedachten hierachter zijn als volgt. Met het oog op de toekomstige beleidsvorming en koersbepaling ten aanzien van dit subsidie-instrument in titel 3.2 van de RNES, is het van belang om mede op basis van de PPS-programma’s inzicht te vergaren over of, en zo ja, in hoeverre er in de diverse topsectoren gerichte aandacht is voor het MKB op basis van een gerichte koers. Daarnaast worden TKI’s door de onderhavige eis genoodzaakt om voorafgaand aan de start van een PPS-programma al gericht na te denken over de eventuele ambities of koers ten aanzien van het MKB, hetgeen naar verwachting alleen maar kan bijdragen aan de kwaliteit van de PPS-programma’s.

Uit subonderdeel 7° volgt dat indien en voor zover het TKI ontvangen PPS-programmasubsidie wil aanwenden voor innovatieactiviteiten, het TKI dit in het PPS-programma duidelijk dient te maken. Daarbij dient ook de omvang van de middelen die het TKI daarvoor zou willen aanwenden, te worden vermeld.

Artikel 3.2.7. (Bepaling beoogde aanwending PPS-programmasubsidie en informatieverplichting)

Geheel nieuw is de verplichting voor de TKI’s in artikel 3.2.7 van de RNES om binnen 18 maanden na de startdatum van het PPS-programma te bepalen voor welke samenwerkingsprojecten het de ontvangen PPS-programmasubsidie wil aanwenden. Met andere woorden: binnen die periode dient het TKI een bestemming gevonden te hebben voor de ontvangen middelen. De daadwerkelijke aanwending van de middelen hoeft niet binnen die periode plaats te vinden. Uit artikel 3.2.5, zevende lid, van de RNES volgt immers dat het TKI hiertoe zes jaar de tijd heeft (waarna vaststelling wordt aangevraagd).

In het verlengde hiervan is een verplichting opgenomen om aan de minister informatie te verstrekken over de samenwerkingsprojecten waarvoor het TKI bepaald heeft de ontvangen middelen te willen aanwenden.

Dat de TKI’s informatie moeten verstrekken over de projecten die ze onder het PPS-programma (voorheen: TKI-programma) brengen, is op zichzelf niet nieuw. Nieuw is nu echter dat binnen anderhalf jaar na de startdatum van het PPS-programma over alle projecten die het TKI onder de uitvoering van het programma wil brengen (en die dus ook nog niet allemaal van start zijn gegaan), in ieder geval de belangrijkste informatie moet worden aangeleverd.

Door de nieuwe verplichting voor de TKI’s tot het relatief vroegtijdig bepalen waaraan de ontvangen middelen worden besteed, in combinatie met de informatieverplichting omtrent die beoogde aanwending, wordt voor de overheid in een relatief vroegtijdig stadium alvast duidelijk waar de ontvangen PPS-middelen voor worden aangewend gedurende de zes jaar die het TKI heeft om de middelen daadwerkelijk aan te wenden (wijzigingen in het PPS-programma even daargelaten).

Voorheen hoefden de TKI’s enkel ten aanzien van reeds gestarte projecten informatie aan te leveren in het kader van de jaarlijkse rapportageplicht, en vervolgens bij de uiteindelijke vaststelling van de toenmalige PPS-programmatoeslag, waardoor in feite pas na vijf jaar (de vroegere termijn waarbinnen de ontvangen middelen moesten worden aangewend) een overzicht bestond van het totaal aan projecten (en innovatieactiviteiten) waaraan het TKI de ontvangen middelen had besteed. Daardoor kon steeds pas in een relatief laat stadium toezicht worden gehouden op de aanwending van de middelen door de TKI’s en op de conformiteit met de voorschriften in de PPS-toeslagmodule. De mogelijkheden om in een eerder stadium signalen op te vangen dat de aanwending van middelen voor bepaalde projecten wellicht niet (geheel) conform de PPS-subsidiemodule is of zal zijn, zijn door deze nieuwe verplichtingen in artikel 3.2.7 van de RNES verruimd. Met name vanuit de in het algemene deel van de toelichting beschreven gewijzigde beleidscontext c.q. maatschappelijke context is deze wijziging noodzakelijk geacht, ter versterking van de transparantie omtrent de aanwending van de subsidiemiddelen door de TKI’s.

Hierbij wordt benadrukt dat de TKI’s te allen tijde zelf verantwoordelijk blijven voor de correcte aanwending van de PPS-programmasubsidie. Het feit dat de minister als gevolg van de invoering van deze nieuwe verplichtingen eerder zicht heeft op de boogde aanwending van de ontvangen PPS-programmasubsidie door een TKI, maakt dit niet anders.

De rapportageverplichtingen over de daadwerkelijk gestarte en lopende projecten blijven voortbestaan. De informatie die in dat kader verstrekt moet worden is op diverse fronten weer een slag concreter dan de informatie die in het kader van de onderhavige informatieplicht moet worden verstrekt, simpelweg omdat dan meer bekend is over de voortgang en de resultaten van de projecten zelf.

In artikel 3.2.7, onderdelen a tot en met g, van de RNES is nader gespecificeerd welke gegevens betreffende die samenwerkingsprojecten in het kader van de nieuwe informatieverplichting moeten worden verstrekt.

Zo volgt uit onderdeel e dat het TKI op basis van deze verplichting in ieder geval een verklaring moet verstrekken die inhoudt dat er op dat moment (waarop het TKI uitvoering geeft aan deze informatieverplichting) ofwel een door alle partijen binnen een samenwerkingsverband getekende samenwerkingsovereenkomst (met in ieder geval de in onderdeel e beschreven elementen) aanwezig is, ofwel dat het TKI die getekende samenwerkingsovereenkomst op een later moment beschikbaar heeft, uiterlijk op het moment dat het TKI de ontvangen PPS-programmasubsidie daadwerkelijk aanwendt voor het desbetreffende samenwerkingsproject.

Uiteraard gaat de voorkeur er naar uit dat op het moment dat het TKI scherp heeft voor welke samenwerkingsprojecten het de PPS-programmasubsidie wil aanwenden en dit ingevolge artikel 3.2.7, tweede lid, van de RNES ook gaat melden bij de minister, die samenwerkingsprojecten ook reeds zodanig juridisch verankerd zijn dat er een getekende samenwerkingsovereenkomst is en het TKI die ook in handen heeft. Echter, met name indien het TKI pas tegen het eind van de in dit artikel genoemde termijn van anderhalf jaar nog bepaalde samenwerkingsprojecten heeft geselecteerd voor aanwending van PPS-programmasubsidie, is de kans aanwezig dat een door alle partijen al getekende samenwerkingsovereenkomst op dat moment eenvoudigweg nog niet beschikbaar is – de daadwerkelijke ondertekening van de overeenkomst door meerdere partijen en de terbeschikkingstelling daarvan aan het TKI kost in de praktijk soms de nodige tijd, die aan het eind van die termijn van anderhalf jaar dan wellicht ontbreekt. Met het oog op die situatie is het in onderdeel e mogelijk gemaakt dat het TKI dan ten aanzien van die samenwerkingsprojecten ook kan volstaan met een verklaring dat die getekende samenwerkingsovereenkomst dan in ieder geval bij het TKI zal zijn voordat het TKI tot aanwending van de PPS-programmasubsidie overgaat ten aanzien van die projecten.

Dit impliceert dus ook een verbod voor de TKI’s om de ontvangen PPS-programmasubsidie daadwerkelijk aan te wenden voor een project, zolang het TKI niet beschikt over de desbetreffende getekende samenwerkingsovereenkomst (met in ieder geval de in onderdeel e beschreven elementen), zoals ook volgt uit artikel 3.2.5, eerste lid, onderdeel c, van de RNES. Doet het TKI dit toch, dan blijkt de afgegeven verklaring niet correct te zijn geweest, en is niet voldaan aan subsidieverplichtingen, hetgeen gevolgen kan hebben voor de uiteindelijke vaststelling van de subsidie.

Artikel 3.2.8 (Administratie)

Deze bepaling betreffende de administratie (voorheen artikel 3.2.6 van de RNES) is qua strekking niet gewijzigd. Uit artikel 3.2.8, onderdeel a, volgt als voorheen dat uit de administratie op eenvoudige en duidelijke wijze moet kunnen worden afgeleid of en hoe de PPS-programmasubsidie wordt aangewend voor het uitvoeren van de in het PPS-programma opgenomen samenwerkingsprojecten en voor innovatieactiviteiten. Uit onderdeel b volgt dat de samenwerkingsovereenkomsten die betrekking hebben op die samenwerkingsprojecten ook moeten worden geadministreerd.

Nieuw is dat wat betreft een duiding van de inhoud van de samenwerkingsovereenkomsten wordt verwezen naar het nieuwe artikel 3.2.7, onderdeel e, van de RNES. Langs deze weg wordt duidelijk dat die getekende samenwerkingsovereenkomst (die op grond van artikel 3.2.8 van de RNES door een TKI in de administratie moet worden opgenomen) mede betrekking moet hebben op de wijze waarop wordt omgegaan met het intellectueel eigendom dat voortkomt uit het desbetreffende samenwerkingsproject. Gelet hierop is het vroegere onderdeel c van artikel 3.2.6 van de RNES, dat verplichtte tot het afzonderlijk administreren van die informatie, overbodig geworden, en is het geschrapt.

De in dit artikel vervatte administratieverplichtingen gelden in aanvulling op de administratieverplichtingen vervat in artikel 38 van het Kaderbesluit (op basis van toepassing van artikel 44 van het Kaderbesluit).

Artikel 3.2.9 (Rapportage)

Het vroegere artikel 3.2.7 van de RNES had betrekking op zowel rapportage als transparantie. Ten behoeve van de duidelijkheid zijn deze verschillende typen voorschriften nu opgenomen in separate artikelen van de RNES: artikel 3.2.9 (rapportage) en artikel 3.2.10 (transparantie).

Artikel 3.2.9 van de RNES beschrijft de materie waarover gerapporteerd moet worden. Er zijn hierin geen wezenlijke wijzigingen doorgevoerd ten opzichte van voorheen, op de volgende elementen na.

In de eerste plaats is de verplichting geschrapt tot rapportage over de resultaten van TKI-relevante onderzoeksopdrachten die voorheen als grondslag waren opgevoerd ter verkrijging van PPS-toeslag. Dit omdat voortaan vanwege de invoering van een vaststaand subsidiebudget (subsidieplafond) per TKI het verzamelen van grondslag niet langer bepalend is voor de omvang van de aan te vragen subsidie. Alle bepalingen die raken aan het verzamelen van grondslag zijn om die reden geschrapt, zo ook deze specifieke rapportageverplichting.

De verplichting tot rapportage over de activiteiten en doelen voor het eerstvolgende jaar is geschrapt omdat deze overbodig is geworden door de invoering van artikel 3.2.7. van de RNES (waarin onder meer de verplichting is vervat tot informatieverstrekking over de samenwerkingsprojecten waarvoor de TKI de ontvangen subsidie wil aanwenden).

Ook is geschrapt dat in de rapportage opgave gedaan moet worden van de afwijkingen van het (toen nog: TKI-)programma (voorheen: artikel 3.2.7, eerste lid, onderdeel b, van de RNES). Bij nader inzien blijkt dat dit in dit rapportageartikel al gedekt wordt door het feit dat informatie moet worden verstrekt over de uitvoering en de voortgang van het PPS-programma, en dat dit ook omvat dat actuele informatie verstrekt moet worden over de mate waarin samenwerkingsprojecten zijn gerealiseerd. Het spreekt voor zich dat in het kader van die rapportage ook duidelijk gemaakt moet worden dat eventuele wijzigingen in het programma of in de samenwerkingsprojecten zelf hebben voorgedaan en wat dan op dat moment de stand van zaken is ten aanzien van het programma als zodanig c.q. van het samenwerkingsproject dat daar onder is gebracht.

Dit neemt overigens niet weg dat een TKI als subsidieontvanger ingevolge artikel 36a van het Kaderbesluit hoe dan ook onverwijld schriftelijk mededeling moet doen aan de minister zodra aannemelijk is dat (a) de subsidiabele activiteiten niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht, of (b) niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan. Dit betekent dus dat als het PPS-programma ter uitvoering waarvan de PPS-programmasubsidie is verleend, niet, niet tijdig of niet geheel wordt uitgevoerd (doordat er bijvoorbeeld, anders dan in het programma was beschreven, geen specifieke call worden opgezet gericht op het mkb, of doordat een samenwerkingsproject dat kort gezegd onder het PPS-programma was aangemeld ingevolge artikel 3.2.7 van de RNES, niet doorgaat), dit onverwijld (dus niet pas bij de jaarlijkse rapportage) bij de minister (RVO) gemeld moet worden. Het is vervolgens aan RVO om te beoordelen wat de eventuele gevolgen zijn van dergelijke wijzigingen voor de hoogte van de PPS-programmasubsidie.

Een afzonderlijk onderdeel in het rapportage-artikel waarin opgave gevraagd wordt van afwijkingen van het programma, bleek tegen deze achtergrond dan ook overbodig. Het zou zelfs de (onterechte) indruk kunnen wekken dat volstaan kon worden met opgave van de wijzigingen op het moment van de jaarlijkse rapportage, en dat de onverwijlde mededeling ingevolge artikel 36a van het Kaderbesluit niet (meer) aan de orde zou zijn. Daarom is dit onderdeel niet teruggekeerd in titel 3.2 van de RNES.

Verder is nu duidelijker gemaakt dat de rapportage ziet op de voortgang van het PPS-programma als geheel (omdat men daarvoor de PPS-programmasubsidie heeft verkregen), en dat als onderdeel daarvan bepaalde overzichten aan informatie verstrekt moeten worden. Daarbij is de beschrijving van de gegevens die binnen de rapportage moeten worden verstrekt ten aanzien van innovatieactiviteiten aangescherpt, omdat ervoor gekozen is deze activiteiten geen onderdeel te laten zijn van de verplichtingen onder artikel 3.2.7 van de RNES. Voorheen moest al een overzicht worden verstrekt van de mate waarin deze innovatieactiviteiten van het lopende jaar zijn gerealiseerd. Om tijdig en goed zicht te kunnen hebben op of die activiteiten daadwerkelijk passen binnen het PPS-programma (en de aanwending van de programmasubsidie dus ook correct plaatsvindt), zijn thans uitdrukkelijk enkele andere typen gegevens benoemd die in het kader van de rapportage moeten worden verstrekt.

Tot slot is in de aanhef van dit lid opgenomen dat de rapportage voortaan aangeleverd moet worden via een door de minister (in de praktijk: RVO) beschikbaar gesteld format. De verwachting is niet alleen dat de door TKI’s aangeleverde informatie meer uniform zal zijn en daardoor de beoordeling van de rapportages door de minister zal vergemakkelijken, maar (niet minder belangrijk) dat het voor de TKI’s zelf eenvoudiger wordt om te bepalen welke informatie moet worden aangeleverd om te kunnen voldoen aan de rapportageplicht. Mede hiermee is vorm gegeven aan de aanbevelingen in het evaluatierapport betreffende het aanbrengen van meer uniformiteit.

Artikel 3.2.10 (Transparantie)

Wat betreft de transparantievoorschriften die nu in artikel 3.2.10 van de RNES zijn opgenomen, geldt dat vanaf de inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling niet alleen actuele informatie moet worden verstrekt over de samenwerkingsprojecten waarvoor de door het TKI ontvangen middelen worden aangewend (onderdeel b). Voortaan geldt ook de verplichting voor TKI’s om het PPS-programma actief publiekelijk kenbaar te maken, bijvoorbeeld door publicatie op de eigen website, uiterlijk twee weken na verlening van de PPS-programmasubsidie voor dat programma (onderdeel a). Op die manier wordt voor eenieder, dus ook voor potentieel geïnteresseerden in samenwerkingsprojecten, op voorhand duidelijk wat een TKI voor de komende jaren voor ogen heeft en welke kansen daar wellicht liggen voor partijen (waaronder private partijen). Dit draagt vervolgens bij aan de doelstellingen van deze regeling als geformuleerd in het algemeen deel van de toelichting.

Omwille van de duidelijkheid en leesbaarheid is het vroegere artikel 3.2.7, derde lid, van de RNES anders vormgegeven en is de inhoud daarvan nu in artikel 3.2.10, eerste lid, onderdeel c, van de RNES opgenomen. Inhoudelijk is geen wijziging beoogd.

In artikel 3.2.10, tweede lid, van de RNES is nader gespecificeerd welke actuele informatie de TKI’s publiekelijk kenbaar moeten maken over de samenwerkingsprojecten waarvoor de ontvangen middelen worden ingezet (als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, van dit artikel). Nieuw hierin is dat nu expliciet is opgenomen dat hieronder ook wordt verstaan het aanleveren van gegevens over de resultaten van de samenwerkingsprojecten, dus over kennis en informatie die met de samenwerkingsprojecten worden opgedaan (voor zover die informatie niet bedrijfsgevoelig is). Dit betekent dat dat een TKI voortaan op eenvoudige, en zo duidelijk mogelijke wijze publiekelijk kenbaar moet maken wat de (onderzoeks-)resultaten zijn uit een samenwerkingsproject. Uiteraard dient het TKI daarbij wel de eventuele intellectuele eigendomsrechten die op die resultaten rusten, te respecteren, hetgeen ertoe kan leiden dat niet alle onderdelen van de resultaten door het TKI geopenbaard kunnen worden.

Het openbaren van de resultaten kan bijvoorbeeld plaatsvinden via de website van het TKI. Mede afhankelijk van de toegankelijkheid en begrijpelijkheid voor het publiek van het uiteindelijke (onderzoeks-)rapport ter afronding van het samenwerkingsproject, zou een TKI dan bijvoorbeeld het rapport (of onderdelen daarvan) als zodanig kunnen openbaren, of een gedegen, inhoudelijke samenvatting van de resultaten.

Artikel 3.2.11 Informatieverplichting bij aanvraag tot subsidievaststelling

In artikel 3.2.11 van de RNES zijn de informatieverplichtingen vervat die in acht genomen moeten worden bij de aanvraag tot subsidievaststelling van de PPS-programmasubsidie. Hierin zijn geen beleidsmatig inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd ten opzichte van hoe de tekst van dit lid luidde vóór inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling (zie het vroegere artikel 3.2.8 van de RNES (Informatieverplichtingen)).

De strekking van het vroegere artikel 3.2.8, vijfde lid, van de RNES (nu: artikel 3.2.11, tweede lid, van de RNES) is verder niet gewijzigd door deze regeling. Het artikel voorziet in de mogelijkheid om de aanvraag tot vaststelling van de PPS-programmasubsidie vergezeld te doen gaan van een rapport van feitelijke bevindingen, indien een aan een TKI verleende PPS-programmasubsidie € 125.000 of meer bedraagt8. In vergelijking met het vroegere artikel 3.2.8 van de RNES zijn enkel de verwijzingen geschrapt naar de toeslagen die op basis van de voorgangers van titel 3.2 zijn verleend (zoals de vóór 1 februari 2017 verleende TKI-programmatoeslag). Dit omdat deze verwijzingen geen toegevoegde waarde meer hebben.

Artikelen 3.2.12 (Staatssteun) en 3.2.13 (Vervaltermijn)

Deze artikelen zijn enkel hernummerd in het kader van het opnieuw vaststellen van titel 3.2. van de RNES (voorheen: artikelen 3.2.17 en 3.2.18 van de RNES). Inhoudelijk is hierin niets gewijzigd.

ARTIKEL I, ONDERDEEL B

Door middel van artikel I, onderdeel B, van deze regeling is het opschrift van bijlage 3.2.1 bij de RNES gewijzigd. Gezien de nieuwe vaststelling van titel 3.2 van de RNES is in dit opschrift de verwijzing naar het artikel in titel 3.2 waarin aan de bijlage wordt gerefereerd, aangepast.

ARTIKEL II

Dit artikel strekt tot wijziging van de ROES 2023. Hierin is in de eerste plaats de openstelling voor het indienen van aanvragen voor PPS-programmasubsidie ex titel 3.2 van de RNES geregeld (van 1 november 2023 tot en met 31 december 2023), waarbij ook het subsidieplafond per TKI kenbaar is gemaakt. Zoals in het algemeen deel van de toelichting al uiteen is gezet, waren er binnen titel 3.2 van de RNES niet eerder subsidieplafonds vastgesteld, en had deze subsidiemodule derhalve het karakter van een open einde-regeling. Via de onderhavige wijzigingsregeling is hierin verandering gekomen.

Het uitgangspunt van de omvang van elk van de plafonds betreft de omvang van de PPS-toeslag die een TKI ontving over de periode 2018-2022, op basis van de toen ontvangen toeslag per TKI (dus op basis van de omvang van de toen verzamelde private bijdragen aan samenwerkingsprojecten). Dit omdat het a) weerspiegelt binnen welke sectoren (en daarmee bij welke TKI’s) privaat commitment aanwezig is en in welke mate, b) aansluit bij het bestaande organiserend vermogen van TKI’s en c) dit recht doet aan de door de overheid in acht te nemen algemene beginselen van behoorlijk bestuur, ook gelet op het structurele karakter van de subsidierelaties met de TKI’s.

Omdat de omvang van de ontvangen toeslag per TKI, in deze periode al relatief sterk verschilde, verklaart dit ook dat nu ingevoerde subsidieplafonds voor de TKI’s onderling relatief sterk verschillend zijn in hoogte.

Vanuit het beleidsvoornemen (zie Kamerbrief ‘Innovatie en Impact’ van november 20229) om het EZK-innovatie instrumentarium (zoals de PPS-module) meer te richten op strategische beleidsprioriteiten, is voor 2024 9 miljoen euro (5%) van de PPS-middelen op de begroting van EZK strategisch ingezet op de grote beleidsmatige uitdagingen die geïdentificeerd zijn op de terreinen klimaat en energie, digitalisering en sleuteltechnologieën en circulaire economie. Deze middelen zijn daarom onder de subsidieplafonds gebracht van de TKI’s Energie, ICT (nieuwe TKI), HTSM en Groene Chemie en Circulariteit. Tevens is de beleidsmatig toegenomen focus op valorisatie ingevuld door een ophoging van het subsidieplafond voor TKI ClickNL, ten behoeve van de KIA Maatschappelijk Verdienvermogen. Deze 9 miljoen is budgettair in mindering gebracht bij de subsidieplafonds voor TKI’s LSH en HTSM. De verdeling onder de TKI’s wordt hierdoor ook evenwichtiger.

In de toekomst zal het op enig moment echter niet meer rechtvaardig en verantwoord zijn om wat betreft de omvang van de vast te stellen subsidieplafonds terug te grijpen op de gedurende 2018 tot en met 2022 door de TKI’s ontvangen PPS-toeslag. Dan zullen de subsidieplafonds op basis van andere parameters moeten worden vastgesteld. Dit kan leiden tot (stapsgewijze) verlaging van de subsidieplafonds bij bepaalde TKI’s, en juist tot verhoging van plafonds van andere TKI’s, uiteraard met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Gelet ook op de doelstellingen van de regeling, als beschreven in het algemeen deel van de toelichting, is het uitgangspunt om in de toekomst in ieder geval de omvang van private bijdragen aan de samenwerkingsprojecten waarvoor de TKI’s de ontvangen PPS-programmasubsidie zullen aanwenden, mede bepalend te doen zijn voor de toekomstige vaststelling van de subsidieplafonds. Ook (andere) prioriteiten binnen het bredere bedrijfsleven- en innovatiebeleid

zullen een rol spelen. Dat is ook in de nu doorgevoerde subsidieplafonds reeds het geval, zoals ook blijkt uit bovenstaande toelichting omtrent de strategische inzet van middelen op specifieke terreinen.

Ook op andere fronten is de ROES 2023 gewijzigd. Het gaat hierbij zowel om de ophoging van het subsidieplafond voor Innovatiekredieten in titel 3.9 van de RNES, als de ophoging van het plafond voor de SDS-module in titel 3.19 van de RNES. Zie paragrafen 4 respectievelijk 5 van het algemeen deel van de toelichting voor de achtergronden van deze wijzigingen.

ARTIKEL III

Deze wijzigingsregeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie van deze regeling in de Staatscourant. In paragraaf 8 van het algemeen deel van de toelichting is aangegeven hoe deze publicatie en datum van inwerkingtreding zich verhouden tot het kabinetsbeleid betreffende de vaste verandermomenten.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, M.A.M. Adriaansens


X Noot
1

Brief van de Minister van Economische Zaken en Klimaat aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 30 september 2021, ‘Aanbieding resultaten evaluatieonderzoek PPS-toeslagregeling’, Kamerstukken II 2021/22, 33 009, nr. 101 (inclusief bijlagen 1000793 en 1000794).

X Noot
2

Brief van de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 11 november 2022, ‘Innovatie en impact’, Kamerstukken II, 33 009, nr. 117 (inclusief bijlagen 1061986 en 1061987).

X Noot
3

Bedrijvenbeleid om de Nederlandse kenniseconomie te stimuleren, door het beschikbaar stellen van overheidsmiddelen aan de zogenoemde topsectoren (Agri & Food, Chemie, Creatieve Industrie, Energie, Hightech, ICT, Logistiek, Life Sciences & Health, Tuinbouw en Water). De topsectoren werden opgericht om de innovatie en investeringen gezamenlijk in te richten en weer op gang te helpen. Het beleid richtte zich op deze tien topsectoren. Daarbinnen zouden consortia tot stand worden gebracht, gericht op publiek-private samenwerking ten behoeve van een sterkere kenniseconomie en vergroting van economische kansen. Zie ook https://www.topsectoren.nl/

X Noot
4

Zie voetnoot 2

X Noot
5

Gelet op de definitie van samenwerkingsproject in artikel 3.2.1 van de RNES zal daar voor de toepassing van deze module dus sowieso al aan moeten worden voldaan.

X Noot
6

Brief van de Minister van Economische Zaken en Klimaat aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 30 mei 2023, ‘Herijkte missies van het missiegedreven innovatiebeleid’, Kamerstukken II, 2022/23, 33 009, nr. 120.

X Noot
7

Zie paragraaf 2 van het algemeen deel van de toelichting, en voetnoot 2

X Noot
8

Zie voor de achtergronden hiervan de toelichting op de desbetreffende wijzigingsregeling waarbij deze mogelijkheid is geïntroduceerd: Stcrt. 2018, 2752

X Noot
9

Zie voetnoot 2

Naar boven