Regeling van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van 6 juli 2023, nr. 2023-0000346511, tot wijziging van de Subsidieregeling ESF+ 2021–2027 in verband met het toevoegen van een hoofdstuk voor sectoren

De Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen

Gelet op Verordening (EU) 2021/1057 van het Europees parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) en tot intrekking van de Verordening (EU) nr. 1296/2013 (PbEU 2021, L 231) en de artikelen 3, eerste lid, en 5, van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

De Subsidieregeling ESF+ 2021–2027 wordt als volgt gewijzigd:

A

In de alfabetische opsomming van begripsbepalingen in artikel 1.1 worden de volgende begripsbepalingen ingevoegd:

Bbz 2204:

Besluit bijstandverlening zelfstandigen;

basisvaardigheden:

vaardigheden die de noodzakelijke basis vormen voor het leerproces, bedoeld in de ‘Aanbeveling van de Raad van 22 mei 2018, inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren’ (2018/C 189/01) en waaronder in elk geval taalvaardigheden, rekenvaardigheden, digitale vaardigheden en financiële vaardigheden vallen;

beroepsvaardigheden:

noodzakelijke vaardigheden gericht op het bijhouden of vergroten van vakkennis of het aanleren van extra vaardigheden voor het uitvoeren van een vak of het verwerven of versterken van de nodige beroepsvaardigheden, niet zijnde bedrijfsspecifieke opleidingen, waaronder begrepen cursussen of trainingen. Beroepsvaardigheden leiden tot een branchecertificaat uitgegeven door een door de branche erkende organisatie en die worden gegeven door opleiders, opleidingsinstituten of trainingsbureaus;

brancheorganisatie:

organisatie die belangen behartigt van leden die tot eenzelfde bedrijfstak behoren;

EVC:

Erkenning Verworven Competenties;

EVC-aanbieder:

organisatie die een EVC-procedure uitvoert aan de hand van een voor EVC erkende onderwijs-, beroeps- of branchestandaard en voor de EVC-standaard is geregistreerd in het register van het Nationaal Kenniscentrum EVC;

EVC-procedure:

geheel van processtappen en instrumenten waarmee een EVC-aanbieder eerder of elders verworven competenties van een kandidaat beoordeelt ten opzichte van een voor EVC erkende onderwijs-, beroeps- of branchestandaard, en waarbij de uitkomsten worden vastgelegd in een ervaringscertificaat;

intakegesprek:

een gesprek als bedoeld in artikel 2E.11, tweede lid;

IOAW:

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

IOAZ:

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

KvK-nummer:

uniek nummer, bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007;

Loonverletkosten:

loonkosten voor niet-productieve uren als gevolg van deelname aan subsidiabele activiteiten, voor zover die hebben geleid tot een vermindering van de werkbare uren voor de werkgever;

Meerwerk:

werk waarbij een parttime werknemer meer dan zijn contracturen werkt, maar niet meer dan de normale arbeidsduur die in de organisatie geldt;

NCP:

Nationaal Contactpunt;

NLQF:

Nederlands kwalificatieraamwerk;

normale arbeidsduur:

arbeidsduur die in de regel, dan wel bij voor de sector waarin de persoon werkzaam is geldende CAO, een volledige dienstbetrekking vormt;

onregelmatigheidstoeslag:

een toeslag op het brutoloon dat de werknemer ontvangt wanneer de werknemer een dienst werkt buiten de gangbare werkdagen en (kantoor)tijden. Dit betekent dat er een hoger bruto uurloon wordt ontvangen voor het werk tijdens onregelmatige uren. Dit geldt bijvoorbeeld voor diensten op zaterdag, zon- en feestdagen of avond- en nachtdiensten. Werken in de vroege ochtend wordt ook als onregelmatige arbeidstijd beschouwd;

Overwerk:

werk waarbij de werknemer meer uren werkt, waardoor de normale arbeidsduur wordt overschreden;

Opleidings- en ontwikkelingsfonds (verder te noemen: O&O-fonds):

organisatie als bedoeld in artikel 2E.6;

sector:

arbeidsorganisaties die actief zijn in dezelfde branche;

werkgeversorganisatie:

vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers die partij is bij een op het moment van de subsidieaanvraag geldende CAO, of een collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor personen werkzaam in openbare dienst, dan wel bij afwezigheid daarvan bij de laatst geldende CAO of collectieve arbeidsvoorwaardenregeling, dan wel een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers die is aangesloten bij een aangewezen algemeen erkende centrale of andere representatieve organisatie van ondernemers als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet op de Sociaal-Economische Raad;

werknemersorganisatie:

vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werknemers, die partij is bij een op het moment van de subsidieaanvraag geldende CAO of een collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor personen werkzaam in openbare dienst, dan wel bij afwezigheid daarvan bij de laatst geldende CAO of collectieve arbeidsvoorwaardenregeling.

B

In artikel 1.2, vijfde lid, wordt ‘hoofdstuk 2 tot en met 2D’ telkens vervangen door ‘hoofdstuk 2 tot en met 2E’.

C

In artikel 1.4 wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

f. het ondersteunen van personen met een kwetsbare arbeidsmarktpositie, nader uitgewerkt in hoofdstuk 2E.

D

Na hoofdstuk 2D wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK 2E. SECTOREN

Artikel 2E.1. Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden ingediend in het aanvraagtijdvak van 2 oktober 2023, 9.00 uur tot en met 2 februari 2024, 17.00 uur.

Artikel 2E.2. Subsidieplafond
  • 1. Het beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie op basis van dit hoofdstuk bedraagt € 70.000.000,–.

  • 2. In geval het totaalbedrag van de aangevraagde subsidies het vastgestelde subsidieplafond te boven gaat, worden de subsidieaanvragen met betrekking tot dat onderwerp door de minister afgehandeld in volgorde van het tijdstip van ontvangst.

  • 3. Als tijdstip van ontvangst als bedoeld in het tweede lid geldt het tijdstip waarop een volledige subsidieaanvraag is ingediend.

Artikel 2E.3. Doel van het project

Een project in het kader van dit hoofdstuk heeft tot doel:

  • a. personen met een kwetsbare arbeidsmarktpositie, als bedoeld in artikel 2E.4 te ondersteunen in het behouden en vinden van werk door het versterken van hun arbeidsmarktpositie;

  • b. werkgevers te stimuleren om werkzoekende personen uit de doelgroep, bedoeld in artikel 2E.15 in dienst te nemen.

Artikel 2E.4. Doelgroep

Een project in het kader van dit hoofdstuk is gericht op personen die tot ten minste één van de volgende categorieën behoren:

  • a. niet-uitkeringsgerechtigde werkzoekenden;

  • b. personen die in een periode van drie jaar voorafgaand aan de start van hun traject een uitkering, als bedoeld in artikel 5, onderdeel b van de Participatiewet of een IOAW-uitkering, een IOAZ-uitkering, bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004, een uitkering van het UWV hebben ontvangen, of nog steeds ontvangen;

  • c. personen met een opleidingsniveau dat niet hoger is dan MBO-2 of een diploma in het voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1.4 van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020;

  • d. personen waarvan het basissalaris, exclusief vergoedingen voor overwerk, meerwerk en onregelmatigheidstoeslag, niet meer bedraagt dan 130% van het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste en derde lid van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag;

  • e. personen op wie de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag niet van toepassing is, die gemiddeld bruto € 35,– exclusief BTW per gewerkt uur verdienen in de periode van zes maanden voorafgaand aan de start van hun traject;

  • f. hier te lande woonachtige vreemdelingen, die rechtmatig in Nederland verblijf houden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000;

  • g. de vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet als bedoeld in artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000, omdat hij onder de reikwijdte valt van het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Externe Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan (PbEU 2022, L 71/1) of een verlenging van dat besluit;

  • h. arbeidsbelemmerden, dan wel personen met een uitkering op basis van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, dan wel arbeidsbeperkten als bedoeld in artikel 38b van de Wet financiering sociale verzekeringen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, IOAW, IOAZ of Ziektewet dan wel personen met een recht op arbeidsondersteuning op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, dan wel personen in een dienstbetrekking op grond van artikel 10b van de Participatiewet;

  • i. personen die zijn geregistreerd in het doelgroepenregister in het kader van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten.

Artikel 2E.5. De aanvraag
  • 1. De subsidie voor een project in het kader van dit hoofdstuk kan worden aangevraagd door:

    • a. een O&O fonds, of;

    • b. een hoofdaanvrager van een samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 2E.7, derde lid.

  • 2. Een subsidieaanvrager kan binnen het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 2E.1, slechts één aanvraag indienen voor een subsidie op grond van dit hoofdstuk.

  • 3. Een aanvraag wordt niet in behandeling genomen indien deze is ingediend namens een samenwerkingsverband dat hetzelfde of grotendeels hetzelfde is als een samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 2E.7, namens wie al een subsidieaanvraag is ingediend.

  • 4. Onverminderd artikel 1.6 bevat de subsidieaanvraag de volgende gegevens:

    • a. een afschrift van de notariële akte van oprichting, bedoeld in artikel 286, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, van de subsidieaanvrager, bedoeld in het eerste lid en, indien na de datum van de akte van oprichting de statuten zijn gewijzigd, een afschrift van de gewijzigde statuten, neergelegd ten kantore van het in artikel 293 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde register;

    • b. een bewijsstuk dat aantoont dat de subsidieaanvrager de houder is van het bankrekeningnummer, vermeld in de subsidieaanvraag;

    • c. het KvK-nummer van de subsidieaanvrager en de partijen die deelnemen aan het samenwerkingsverband; en

    • d. de meest recente jaarrekening van de subsidieaanvrager, met dien verstande dat deze niet ouder is dan de jaarrekening die betrekking heeft op het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de subsidieaanvraag wordt gedaan, voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, of een mededeling, inhoudende dat van onjuistheden niet is gebleken, afkomstig van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 2E.6. O&O-fonds
  • 1. Een O&O-fonds is een stichting of vereniging die als doel heeft het optimaliseren van de werking van de arbeidsmarkt waarin het O&O fonds werkzaam is.

  • 2. De stichting of vereniging, bedoeld in het eerste lid, is een organisatie die:

    • a. is opgericht bij een bij de minister aangemelde CAO;

    • b. paritair wordt bestuurd door vertegenwoordigers van een of meer arbeidsorganisaties, waarbij in ieder geval bij een arbeidsorganisatie ten minste 500 werknemers werkzaam zijn, alsmede vertegenwoordigers van een of meer werknemersorganisaties;

    • c. paritair wordt bestuurd door vertegenwoordigers van een of meer werkgeversorganisaties alsmede vertegenwoordigers van een of meer werknemersorganisaties;

    • d. de belangen behartigt van ten minste 1.000 aangesloten zelfstandigen zonder personeel en wordt bestuurd door vertegenwoordigers van zelfstandigen zonder personeel; of

    • e. de belangen behartigt van zelfstandigen zonder personeel en wordt bestuurd door vertegenwoordigers van organisaties van zelfstandigen zonder personeel, waarbij:

      • 1°. bij een of meerdere vertegenwoordigde organisaties ten minste 1.000 zelfstandigen zonder personeel zijn aangesloten, dan wel

      • 2°. ten minste een vertegenwoordiger afkomstig is van een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid die is aangesloten bij een aangewezen algemeen erkende centrale en andere representatieve organisaties van ondernemers dan wel een aangewezen algemeen erkende centrale organisatie van werknemers, als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet op de Sociaal-Economische Raad.

  • 3. Een organisatie, als bedoeld in het tweede lid, onderdelen b tot en met e bestaat bij aanvraag ten minste twee jaar.

  • 4. Het bestuur van de stichting of vereniging, bedoeld in het eerste lid, is bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen, en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de stichting of vereniging zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een ander verbindt.

Artikel 2E.7. Samenwerkingsverband
  • 1. Een samenwerkingsverband bestaat uit een of meer werkgevers- en werknemersorganisaties of O&O-fondsen die samenwerken met elkaar of met andere organisaties.

  • 2. In het samenwerkingsverband moet in ieder geval sprake zijn van vertegenwoordiging vanuit werkgeverszijde én vertegenwoordiging vanuit werknemerszijde.

  • 3. Samenwerking in een samenwerkingsverband wordt vastgelegd in een door de partijen in het samenwerkingsverband ondertekende samenwerkingsovereenkomst, waarbij gebruik wordt gemaakt van het door de minister elektronisch beschikbaar gestelde model voor een vast te leggen samenwerkingsovereenkomst.

  • 4. Een samenwerkingsverband:

    • a. heeft een hoofdaanvrager die op het moment van indiening van de subsidieaanvraag ten minste twee jaar bestaat;

    • b. heeft de hoofdaanvrager gemachtigd om de andere partijen gedurende het subsidieproces in en buiten rechte te vertegenwoordigen, op basis van een samenwerkingsovereenkomst.

Artikel 2E.8. Projectperiode
  • 1. Een project in het kader van dit hoofdstuk:

    • a. vindt plaats binnen de projectperiode van 2 oktober 2023 tot en met 31 januari 2026; en

    • b. heeft een duur van maximaal 24 maanden.

Artikel 2E.9. Specifieke eisen
  • 1. Een project in het kader van dit hoofdstuk:

    • a. past binnen het doel, genoemd in artikel 2E.3 en is gericht op personen die tot de doelgroep, bedoeld in artikel 2E.4 behoren;

    • b. heeft mede tot doel de bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen en de bevordering van gelijke kansen en non-discriminatie;

    • c. heeft een startdatum die niet eerder ligt dan de datum van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag en een einddatum die niet later ligt dan 31 januari 2026;

    • d. bevat een aanvraag voor een subsidiebedrag van ten minste € 200.000,– en maximaal € 2.500.000.

  • 2. Op een daartoe strekkend verzoek van de subsidieontvanger kan de minister besluiten om in de beschikking tot subsidieverlening een andere datum te vermelden dan de in de aanvraag genoemde startdatum

Artikel 2E.10. Subsidiabele activiteiten
  • 1. Voor subsidie komende volgende activiteiten in aanmerking:

    • a. intake en begeleiding;

    • b. scholing basisvaardigheden;

    • c. scholing beroepsvaardigheden; en

    • d. EVC-procedure.

  • 2. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid zijn enkel subsidiabel voor personen uit de doelgroep, bedoeld in artikel 2E.4.

Artikel 2E.11. Intake en begeleiding
  • 1. Onder intake vallen activiteiten die gericht zijn op het vaststellen van de leer- en ontwikkeldoelen van de persoon.

  • 2. Een intakegesprek is een vastgelegd gesprek bij de start van de deelname van een persoon aan een project tussen de begeleider en die persoon, welk gesprek onder andere betrekking heeft op de door de persoon ervaren situatie waarin hij zich binnen de arbeidsmarkt bevindt en in welke mate zijn arbeidsmarktpositie kan worden verbeterd.

  • 3. Intake en begeleiding wordt uitgevoerd door een begeleider, die als loopbaanprofessional of jobcoach is geregistreerd bij de beroepsvereniging van loopbaanprofessionals en jobcoaches Noloc, of die op een andere manier kan aantonen werkervaring, kennis en deskundigheid te hebben met het geven van begeleiding.

  • 4. De begeleider is een natuurlijk persoon, die niet in dienst is van de werkgever van de persoon en als taak heeft om met de persoon een intakegesprek te voeren over wat nodig is om de arbeidsmarktpositie van de persoon te versterken, of die als begeleider fungeert gedurende het doorlopen van een traject ter versterking van de arbeidsmarktpositie.

  • 5. De begeleider kan gedurende het traject ter versterking van de arbeidsmarktpositie begeleiding bieden aan de deelnemer.

  • 6. De begeleider kan gedurende het traject begeleiding bieden op het gebied van het bespreekbaar maken van schuldenproblematiek of het oplossen van de problematiek op andere leefgebieden zoals wonen, zorgen, financiën, lichamelijke gezondheid en psychische gezondheid.

  • 7. Indien de begeleider heeft vastgesteld dat er sprake is van schuldenproblematiek bij de deelnemer, bespreekt de begeleider de mogelijkheden van externe begeleiding, het bespreekbaar maken van de problematiek en, in geval van ernstige financiële problemen, vindt na instemming van de deelnemer actieve doorgeleiding naar gemeentelijke schuldhulpverlening.

Artikel 2E.12. Activiteiten scholing
  • 1. Scholing basisvaardigheden en scholing beroepsvaardigheden worden uitgevoerd door een opleider, die niet in dienst is van de werkgever van de deelnemer en zich beroepshalve bezig houdt met het geven van scholing.

  • 2. Het scholingsaanbod, bedoeld in het eerste lid:

    • a. wordt aangeboden door een opleidingsinstituut dat door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap erkend onderwijs verzorgt en leidt tot een diploma, certificaat of erkende beroepsopleidingen of onderdelen ervan, die leiden tot een mbo-diploma, mbo-certificaat of mbo-verklaring, uitgegeven door onderwijsinstellingen in het mbo als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, of als bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

    • b. leidt tot een door het Nationaal Coördinatiepunt NLQF ingeschaalde kwalificatie, die is opgenomen in het NCP-register;

    • c. wordt gegeven door een opleider die in het bezit is van het keurmerk van de Nederlandse Raad voor Training en Opleiding; of

    • d. leidt tot verstrekking van een overheids-, branche- of sector-erkend certificaat.

Artikel 2E.13. Activiteiten EVC-procedure

Een EVC-procedure wordt uitgevoerd door een EVC-aanbieder, als bedoeld in artikel 1.1.

Artikel 2E.14. Subsidiabele kosten
  • 1. In aanvulling op de subsidiabele kosten, genoemd in artikel 1.11, zijn de volgende kosten subsidiabel:

    • a. externe kosten van de door de begeleider werkelijk gerealiseerde uren, aantoonbaar besteed aan het intakegesprek en de begeleiding gedurende het traject. Het maximaal subsidiabele uurtarief van de begeleider is € 98,38, tenzij de subsidieaanvrager die een hoger uurtarief hanteert de marktconformiteit van dat tarief aantoont op de wijze als omschreven in het tweede lid;

    • b. kosten met betrekking tot scholing basisvaardigheden en scholing beroepsvaardigheden en opleidingen. Het subsidiabele tarief per deelnemer per gegeven lesuur bedraagt maximaal € 34,73, tenzij de subsidieaanvrager de marktconformiteit van het door hem gehanteerde tarief aantoont op de wijze als omschreven in het tweede lid;

    • c. de externe kosten van de door een EVC-aanbieder uitgevoerde EVC-procedure. Het maximaal subsidiabele tarief van de EVC-aanbieder bedraagt € 1.250,–, tenzij de subsidieaanvrager die een hoger tarief hanteert de marktconformiteit van het door hem gehanteerde tarief aantoont op de wijze als omschreven in het tweede lid;

    • d. de loonkosten, bedoeld in artikel 2E.15;

    • e. kosten met betrekking tot loonverlet, zijnde het aantal door de werkgever betaalde uren dat een deelnemer deelneemt aan gegeven scholing basisvaardigheden, scholing beroepsvaardigheden, met uitzondering van de uren voor voorbereiding, reizen en zelfstudie, waarbij de deelnemer niet productief kan zijn in de reguliere werkzaamheden, tegen een vast bedrag per uur ter hoogte van het wettelijke minimumloon vermeerderd met een opslag van 37,5% voor werkgeverslasten;

    • f. indirecte kosten, op basis van een toeslag van 7% op de subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met d.

  • 2. De marktconformiteit van tarieven die meer bedragen dan de tarieven als bedoeld in het eerst lid, onderdelen a, b en c, is aangetoond wanneer:

    • a. een offerteprocedure is uitgevoerd waarbij ten minste drie offertes zijn aangevraagd en beoordeeld; of

    • b. een transparante, objectieve en niet-discriminatoire aanbestedingsprocedure heeft plaatsgevonden.

  • 3. Artikel 1.11, tweede tot en met het vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op het eerste lid, onderdeel a tot en met c van dit artikel.

Artikel 2E.15. Loonkostensubsidie kwetsbare werknemers
  • 1. Loonkostensubsidie, met uitzondering van een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet, kan worden verstrekt aan een werkgever die een arbeidsovereenkomst sluit met een werknemer die direct voorafgaand aan het sluiten van deze arbeidsovereenkomst een uitkering, als bedoeld in artikel 5, onderdeel b van de Participatiewet, een IOAW-uitkering, een IOAZ-uitkering, of bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 ontvangten op voorwaarde dat;

    • a. de werknemer een opleiding krijgt aangeboden, die zal aanvangen binnen de eerste twaalf maanden na de start van de arbeidsovereenkomst;

    • b. de opleiding bijdraagt aan het behalen van een tot een diploma, certificaat of erkende beroepsopleidingen of onderdelen ervan, als bedoeld in artikel 2E.12, derde lid, onderdeel a;

    • c. de werknemer een arbeidsovereenkomst ontvangt van ten minste twaalf maanden;

    • d. de loonkostensubsidie uitsluitend wordt verstrekt als de plaatsing van de werknemer niet leidt tot verdringing op de arbeidsmarkt; en

    • e. het specifiek gaat om een nieuwe indiensttreding.

  • 2. De loonkostensubsidie wordt verstrekt over de kosten van ten hoogste het wettelijke minimumloon vermeerderd met een opslag van 37,5% voor werkgeverslasten gedurende maximaal zes maanden.

  • 3. De loonkostensubsidie wordt naar evenredigheid verminderd, indien de overeengekomen arbeidsduur korter is dan de normale arbeidsduur.

  • 4. De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever reeds loonkostensubsidie ontvangt voor de werknemer of op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer.

Artikel 2E.16. Niet-subsidiabele kosten

De volgende kosten zijn niet subsidiabel:

  • a. loonverletkosten die niet zijn toe te rekenen aan scholingsactiviteiten;

  • b. loonverletkosten, indien tegelijkertijd gebruik wordt gemaakt van een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 2E.15;

  • c. in rekening gebrachte BTW over gemaakte kosten van activiteiten binnen het project;

  • d. kosten voor activiteiten waarvoor al subsidie is aangevraagd of subsidie is verleend;

  • e. kosten in het kader van technische innovatie; en

  • f. kosten voor activiteiten die plaatsvinden in het kader van een wettelijke verplichting.

Artikel 2E.17. Bevoorschotting
  • 1. Na verlening van de subsidie kan de minister, indien de hoofdaanvrager dit in zijn subsidieaanvraag heeft aangegeven, een voorschot van maximaal 20% van het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde subsidie bedrag verstrekken.

  • 2. De minister kan gedurende de looptijd van het project, op verzoek van de hoofdaanvrager besluiten om een aanvullend voorschot te verlenen tot maximaal 50% van het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen maximale subsidiebedrag, indien:

    • a. de subsidieontvanger aan de hand van een financiële rapportage in de vorm van een door de minister beschikbaar gesteld formulier de reeds gemaakte kosten, waarop het gevraagde voorschot betrekking heeft, voldoende heeft gespecificeerd en onderbouwd.

    • b. het verzoek uiterlijk na 14 maanden vanaf de start van het project samen met een voortgangsverslag wordt ingediend; en

    • c. de minister heeft vastgesteld dat de financiële rapportage, bedoeld in tweede lid, onderdeel a, een juiste weergave vormt van de projectadministratie op het moment van indiening.

ARTIKEL II INWERKINGTREDING

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen, C.J. Schouten

TOELICHTING

I Algemeen deel

1. Inleiding

De afgelopen jaren heeft de arbeidsmark sterke fluctuaties laten zien. Van relatieve krapte in 2019, naar een snelle stijging van werkloosheid naar aanleiding van de coronapandemie, naar een recordhoogte van krapte in 2022. Vooral voor werkenden met een kwetsbare arbeidsmarktpositie zijn deze ontwikkelingen ingrijpend. Zij hebben over het algemeen flexibele contracten en worden als eerste met ontslag bedreigd bij afnemende arbeidsmarktkrapte.

Daarnaast staat, ondanks de arbeidsmarktkrapte, nog steeds een grote groep mensen langs de kant. De groep onbenut arbeidspotentieel is divers. Het betreft mensen in de bijstand, deeltijders, scholieren, statushouders, langdurig werklozen en niet-uitkeringsgerechtigden. De bestaande krapte in veel sectoren is een uitgelezen kans om deze groep aan het werk te krijgen. De mismatch tussen vraag en aanbod naar arbeid kan worden verkleind door scholing.

Met de toevoeging van het hoofdstuk sectoren aan de subsidieregeling ESF+ worden middelen beschikbaar gesteld aan sectoren om te investeren in medewerkers met een kwetsbare arbeidsmarktpositie. Dit kan het vaste personeel zijn, mensen op de payroll, uitzendkrachten of zelfstandigen zonder personeel. Ook maken we het mogelijk om te investeren in toekomstig personeel en stimuleren we dat werkzoekenden (vanuit de bijstand) in dienst worden genomen. Werkzoekenden die nu nog niet aan het werk zijn komen in aanmerking voor dezelfde begeleiding als werknemers met een kwetsbare arbeidsmarktpositie.

2. Doel en doelgroep

Doel van de regeling is om werkenden met een kwetsbare arbeidsmarktpositie en werkzoekenden te ondersteunen in het versterken van hun arbeidsmarktpositie. Op deze manier zijn zij weerbaarder en beter bestand tegen veranderingen op de arbeidsmarkt. Door het verbeteren van de arbeidsmarktpositie komen werkzoekenden eerder aan het werk, zijn werkenden met een kwetsbare arbeidsmarktpositie beter in staat om werk te behouden of een vast dienstverband te krijgen en komen werkenden gemakkelijker aan een nieuwe dienstbetrekking na het beëindigen van het dienstverband. Met de mogelijkheid om een deel van de loonkosten te subsidiëren van mensen die aan het werk worden geholpen vanuit een situatie in de bijstand, wordt een stimulans geboden aan werkgevers om deze doelgroep in dienst te nemen.

Met de subsidie vanuit het Europees Sociaal Fonds plus (ESF+) kunnen integrale trajecten worden aangeboden met passende scholing, waarin de deelnemer gedurende het traject kan worden begeleid/gecoacht zodat ingezette scholing en trajecten met succes worden afgerond en de opgedane kennis geoperationaliseerd wordt. Ook is er aandacht voor begeleiding bij eventuele schuldenproblematiek of problematiek op andere leefgebieden zoals wonen, zorgen, financiën, lichamelijke gezondheid en psychische gezondheid.

Ondersteuning van personen met een kwetsbare arbeidsmarktpositie

De doelgroep van personen met een kwetsbare arbeidsmarktpositie is breed gedefinieerd en kan zowel werkenden als werkzoekenden omvatten. Als we het hebben over werkenden, dan kan het gaan om werknemers in loondienst, zelfstandigen zonder personeel en overige werkenden in opdracht van een opdrachtgever. Gevraagd wordt om een bewijsstuk om aan te tonen dat de deelnemer een kwetsbare arbeidsmarktpositie heeft. Dit kan bijvoorbeeld een loonstrook of een bewijs van de hoogst genoten opleiding zijn.

Personen met een kwetsbare arbeidsmarktpositie in de zin van hoofdstuk 2E zijn personen die aantoonbaar vallen onder één van de onderstaande categorieën. Van belang om te benadrukken is dat de deelnemer moet vallen onder één van onderstaande categorieën.

Voorts is het van belang om te benadrukken dat slechts aan één van onderstaande criteria hoeft te zijn voldaan en dat de andere categorieën dan niet gelden als uitsluitingsgrond. Als iemand met een universitair opleidingsniveau (hoger dan MBO2) bijvoorbeeld valt onder het criterium van een inkomen onder 130% van het minimumloon, dan behoort deze deelnemer tot de doelgroep.

  • a) niet uitkeringsgerechtigde werkzoekenden. Dit betreft mensen zonder dienstverband, die niet in aanmerking komen voor een uitkering omdat bijvoorbeeld de partner een inkomen heeft;

  • b) personen die in de maximaal drie jaar voorafgaand aan de start van een project een bijstandsuitkering, een uitkering op grond van de IOAW, de IOAZ of het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004, dan wel een uitkering op grond van een sociale zekerheidswet ten laste van het UWV hebben ontvangen;

  • c) hieronder vallen ook werkzoekenden met een klein dienstverband, die aanvullend een uitkering ontvangen;

  • d) personen met een opleidingsniveau dat niet hoger is dan MBO-2 of een daarmee vergelijkbaar niveau.;

  • e) personen die op het moment van de aanvraag minder dan 130% van het minimumloon verdienen, exclusief toeslagen en overwerkvergoedingen;

  • f) indien het zelfstandigen zonder personeel betreft, als deze over de periode van zes maanden voorafgaand aan deelname een tarief hanteren dat gemiddeld niet hoger ligt dan € 35 exclusief BTW per gewerkt uur;

  • g) hier te lande woonachtige vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijf houden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, ook wel statushouders genoemd;

  • h) de vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet als bedoeld in artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000, omdat hij onder de reikwijdte valt van het Uitvoeringsbesluit van 4 maart 2022 van de richtlijn 2001/55/EG of een verlenging daarvan, hiermee worden ontheemden uit Oekraïne bedoeld;

  • i) arbeidsbelemmerden dan wel mensen met een uitkering zoals genoemd in artikel 2.E4;

  • j) personen die zijn geregistreerd in het doelgroepenregister in het kader van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten.

3. Subsidiabele activiteiten

De onderstaande activiteiten komen op grond van dit hoofdstuk voor subsidie uit het ESF+ in aanmerking. Het is van belang om te melden dat er geen verplichte combinatie van activiteiten per deelnemer hoeft te worden verantwoord. Alle activiteiten kunnen als op zichzelf staande activiteiten worden aangeboden aan de deelnemer. Het is bijvoorbeeld geen verplichting om voorafgaand aan de activiteit scholing een intake of een EVC-procedure te hebben doorlopen. Wel dient te worden benadrukt dat, indien kosten worden gedeclareerd voor loonkosten van de deelnemer, dit voorwaardelijk is gemaakt aan het volgen van een opleiding, in het geval van loonverletkosten, of, in het geval van loonkostensubsidie, het aanbieden van een opleiding binnen de eerste twaalf maanden van het ingaan van het dienstverband.

Intake:

Een intakegesprek vindt plaats door een externe aanbieder en dient om, op basis van de behoeften en de mogelijkheden van de deelnemer, de inhoud van het vervolgtraject te bepalen. Het intakegesprek is gericht op de mogelijkheden voor de deelnemer voor het verbeteren van de arbeidsmarktpositie. Dit kan zijn een EVC-procedure, scholing basisvaardigheden, scholing beroepsvaardigheden, waaronder scholing gericht op het volgen van (een deel van) een erkende mbo-opleiding, en de eventueel benodigde begeleiding. Ook kan blijken uit het intakegesprek dat er sprake is van mogelijke schuldenproblematiek en daarvoor kan de deelnemer ook begeleiding krijgen. Dit hoeft niet te worden gedocumenteerd in het intakeformulier. De begeleider van het intakegesprek is geregistreerd bij Noloc als loopbaanprofessional of jobcoach of heeft werkervaring met het geven van begeleiding. Met extern wordt bedoeld dat de persoon die de intake doet niet werkzaam is bij de werkgever van de kwetsbare werkende.

Begeleiding:

Deelnemers kunnen gedurende het traject begeleiding krijgen (een ‘buddy functie’). Het kan ook gaan om loopbaan- of ontwikkeladviezen. Deze begeleiding moet worden geboden door een externe partij. De begeleider moet zijn geregistreerd bij Noloc als loopbaanprofessional of jobcoach of aantoonbare werkervaring hebben met het geven van begeleiding. Een begeleider kan vanuit het samenwerkingsverband of O&O-fonds worden ingezet voor begeleidingsactiviteiten, of het betrokken samenwerkingsverband kiest ervoor de begeleiding van buiten in te huren. Met extern wordt bedoeld dat de begeleider niet werkzaam is bij de werkgever van de deelnemer.

Naast bovenstaande vormen van begeleiding is het mogelijk om externe begeleiding te bieden op andere leefgebieden, zoals financiën en schulden, wonen, zorgen en lichamelijke- en psychische gezondheid.

Begeleiding bij schuldenproblematiek:

In het geval van schuldenproblematiek is de begeleiding gericht op het stadium vóór de formele schuldhulpverlening door de gemeenten. Daarbij kan worden gedacht aan het signaleren van geldzorgen, het bespreekbaar maken van de problematiek, mensen helpen hun administratie op orde te krijgen en eventueel verwijzing naar de schuldhulpverlening bij gemeenten. Voor de duidelijkheid wordt nog vermeld dat schuldbemiddeling, als bedoeld in de Wet op het consumentenkrediet, niet onder deze vorm van begeleiding valt. Schuldbemiddeling is namelijk een van de interventies die een gemeente kan aanbieden.

Ondersteuning en begeleiding bij problematische schulden wordt in principe door gemeenten geboden. Schuldhulpverlening is voor gemeenten een wettelijke taak en zeker als de financiële problemen wat ernstiger zijn, is het van belang dat de begeleider de persoon actief begeleidt naar de gemeente. Het is niet de bedoeling dat begeleiders op de stoel van de professionele schuldhulpverlening vanuit de gemeenten gaan zitten, ook niet in het geval dat de begeleider beschikt over de relevante kennis en deskundigheid.

In het geval van schuldenproblematiek zou de begeleider ook met de deelnemer de test op Geldfit.nl kunnen invullen en via de Nederlandse Schuldhulproute kunnen kijken welke verdere dienstverlening passend is. Als blijkt dat begeleiding niet voldoende is en dat er meer nodig is om de (dreigende) ernstige financiële problemen op te lossen dan moet zo snel mogelijk doorgeleiding naar de gemeente plaatsvinden.

EVC-procedure:

EVC staat voor Erkenning van eerder Verworven Competenties. Bij een EVC-procedure beoordeelt een EVC-aanbieder eerder of elders verworven competenties van een kandidaat ten opzichte van een voor EVC erkende onderwijs-, beroeps- of branchestandaard. De uitkomsten worden vastgelegd in een ervaringscertificaat.

Net als bij ESF REACT-EU is vereist dat de EVC-aanbieder erkend is door het Nationaal Kenniscentrum EVC.

Scholing basisvaardigheden:

Het aanleren of versterken van basisvaardigheden is een belangrijk onderdeel van deze regeling. Onder basisvaardigheden worden verstaan alle basisvaardigheden zoals genoemd door de Europese Raad (Aanbeveling van de Raad van 22 mei 2018, inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren, 2018/C 189/01). Wij verwachten met name inzet op taalvaardigheden, rekenvaardigheden, digitale vaardigheden en financiële vaardigheden. De trainingen worden gegeven door een externe (hiertoe gecertificeerde) aanbieder.

Scholing beroepsvaardigheden:

Het kan zijn dat de deelnemer gebaat is bij scholing van beroepsvaardigheden. Voor scholing op beroepsvaardigheden is vereist dat de opleider erkend is door het Ministerie van OCW voor het verzorgen van de betreffende kwalificatie in het mbo. Het gaat om alle vormen van praktijkleren in het mbo. Zowel opleidingen gericht op een praktijkverklaring (als onderdeel van de mbo-verklaring), op een mbo-certificaat of mbo-diploma. Subsidie kan ook worden verstrekt voor kortdurende beroepsgerichte scholing gericht op het halen van een mbo-diploma. Dit kan bijvoorbeeld voor ZZP-ers met veel werkervaring en/of mensen die zonder startkwalificatie al wel jaren in het beroep werkzaam zijn, zeer zinvol zijn. Mbo-scholen bieden, naast reguliere mbo-opleidingen die meerdere jaren duren, steeds meer mogelijkheden om via een verkorte leerroute een mbo-diploma te behalen, als deelnemers al beschikken over veel relevante werkervaring.

Als er geen sprake is van erkenning door het Ministerie van OCW, dan dient er sprake te zijn van een NRTO keurmerk, of dat de opleider opleidt tot een door het NCP NLQF ingeschaalde kwalificatie of opleidt tot een branche- of sector-erkend certificaat. Een opleiding wordt aangemerkt als branche- of sector-erkend, wanneer het O&O fonds of een hoofdaanvrager uit de betreffende sector schriftelijk verklaard dat er bij de betreffende scholing beroepsvaardigheden sprake is van een branche- of sector-erkende opleiding en motiveert waarom dat zo is.

Voor alle duidelijkheid wordt onder subsidiabele scholing beroepsvaardigheden (of basisvaardigheden) in elke geval niet verstaan bedrijfsspecifieke training, EHBO-cursussen, VCA-cursussen en BHV-cursussen.

4. Aanvragers en de subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen kunnen worden ingediend door een paritair bestuurde organisatie, bijvoorbeeld O&O fondsen zoals gedefinieerd in deze regeling. Ook samenwerkingsverbanden van werkgevers- of werknemers en brancheorganisaties kunnen een aanvraag indienen, zolang er in dit samenwerkingsverband sprake is van vertegenwoordiging vanuit zowel werkgeverszijde als werknemerszijde. O&O fondsen kunnen individueel een aanvraag indienen voor de sector waar zij onder vallen, maar ze kunnen zich ook aansluiten bij een samenwerkingsverband, bijvoorbeeld van O&O fondsen, en zo een gezamenlijke aanvraag voor meerdere partijen of sectoren indienen.

Wanneer een subsidieaanvraag wordt ingediend door een samenwerkingsverband geldt de eis dat binnen dit samenwerkingsverband zowel werknemers- als werkgeversorganisaties deelnemen. De deelnemende organisaties machtigen één van de partijen in het samenwerkingsverband om als hoofdaanvrager op te treden en namens de overige partijen de subsidieaanvraag in te dienen. Aan de hoofdaanvrager wordt als voorwaarde gesteld dat dit een organisatie is die bij het indienen van de aanvraag minimaal twee jaar bestaat, hetgeen in de meeste gevallen blijkt uit zijn inschrijving bij de Kamer van Koophandel.

Voor de toegankelijkheid van de regeling is het van belang dat een aanvraag binnen een sector op zoveel mogelijk draagvlak kan rekenen. Van de subsidieaanvragers wordt gevraagd om binnen de sector(en) waarvoor zij de aanvraag indienen zoveel mogelijk bekendheid te geven aan hun voornemen om een aanvraag in te dienen. In de aanloop naar het indienen van de subsidieaanvraag zorgen de subsidieaanvragers ervoor dat het mogelijk is voor andere organisaties uit hun sector om zich aan te sluiten en dat het mogelijk is voor ZZP-ers die voldoen aan de vereisten in de regeling om deel te nemen. De subsidieaanvragers gebruiken alle mogelijke kanalen om bedrijven en zelfstandigen in hun sector over de mogelijkheden van hun project voor de doelgroep te informeren, zodat er sprake is van gelijke kansen voor iedereen die voldoet aan de doelgroepdefinities om deel te nemen.

Samenwerking wordt toegejuicht en ook samenwerking tussen verschillende sectoren is mogelijk. Om het aantal aanvragen, en daarmee de uitvoeringskosten, te beperken kan elke subsidieaanvrager slechts één aanvraag indienen op grond van dit onderdeel van de subsidieregeling.

Zeker voor projecten die zijn gericht op de scholing en begeleiding van werkzoekenden wordt samenwerking met gemeenten toegejuicht. Hierover kan bijvoorbeeld afstemming worden gezocht met de (relevante) gemeenten vertegenwoordigd in de Regionale Mobiliteitsteams (RMT’s), zoals bedoeld in artikel 6 van de Tijdelijke regeling aanvullende crisisdienstverlening, of een vergelijkbare regionale samenwerking waarin sociale partners zijn vertegenwoordigd, wanneer deze tijdelijke regeling afloopt. Deze samenwerking is niet verplicht gesteld, aangezien het voor landelijk opererende sectoren soms lastig te bepalen is, in hoeverre regionale samenwerking (op het niveau van de arbeidsmarktregio’s) een toegevoegde waarde heeft bij het bereiken van de doelstellingen in dit hoofdstuk.

Aanvraagformulier

In de subsidieaanvraag neemt de aanvrager een beschrijving op van het project. Daarbij gaat aanvrager in op:

  • de onderliggende maatschappelijke problemen of het gemeenschappelijk belang van het aangevraagd project;

  • de keuze voor de specifieke activiteiten en de doelgroep waarop het project zich richt;

  • op welke wijze de activiteiten een bijdrage leveren aan het bevorderen van de arbeidsmarktpositie van de doelgroep;

  • op welke wijze het project gelijke kansen en non-discriminatie bevordert.

Het principe van gelijke kansen en non-discriminatie (GKND) gaat er van uit dat niet iedere groep mensen een gelijke startpositie heeft in de maatschappij en/of op de arbeidsmarkt en dat extra inzet nodig is om deze groepen mensen een gelijke kans te bieden. Het thema is een zogenaamd horizontaal thema binnen ESF+ en dient in alle aanvragen aandacht te krijgen.

Rapporteren deelnemersgegevens

Op grond van artikel 1.15, eerste lid, dient de subsidieontvanger jaarlijks een lijst in met de Burgerservicenummers van alle deelnemers aan het project. Ook bij het indienen van de einddeclaratie, op grond van artikel 1.16, eerste lid, verstrekt de subsidieontvanger de burgerservicenummers van alle deelnemers aan het project. Dit gebeurt onder gebruikmaking van een daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier. Dit formulier zal beschikbaar worden gesteld in het e-portaal. De burgerservicenummers zijn nodig om te kunnen rapporteren aan Europese Commissie over bepaalde deelnemerskenmerken.

5. Subsidiabele kosten

Binnen deze regeling is dubbelfinanciering of cofinanciering door middel van andere ESF+, EFRO- of JTF- projecten, andere nationale of internationale subsidieregelingen niet toegestaan. Activiteiten kunnen alleen binnen deze regeling bekostigd worden indien zij niet reeds (deels) bekostigd worden op grond van een andere subsidieregeling, waaronder de subsidieregelingen NL Leert Door, STAP-budget en Tel mee met Taal.

Externe kosten

Voor externe kosten geldt dat kosten worden vergoed op basis van werkelijk gemaakte en betaalde kosten en op basis van onder anderen prestatieonderbouwing, factuur en betaalbewijs. Om de administratieve lasten te beperken is per activiteit in de regeling een drempeltarief opgenomen dat als marktconform geldt. Onder dit tarief hoeft de marktconformiteit niet te worden aangetoond. Boven dit tarief dient marktconformiteit te worden aangetoond.

Marktconformiteit:

Wanneer binnen een project kosten worden opgevoerd die boven het in de subsidieregeling vastgestelde marktconforme tarief liggen, of waarvoor dit tarief niet kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld omdat het niet mogelijk is de opleidingskosten per uur inzichtelijk te maken, dienen aanvullend op de factuur en het betaalbewijs bewijsstukken van de marktconformiteit te worden aangeleverd. Hiervoor gelden de volgende procedures:

  • een offerteprocedure waarbij ten minste drie offertes zijn aangevraagd en beoordeeld;

  • een transparante, objectieve en niet-discriminatoire aanbestedingsprocedure.

Bij een offerteprocedure wordt een bestek opgesteld waarin duidelijk is aangegeven wat de opdracht is. Een bestek is een beschrijvend document waarin de gunnings- en selectiecriteria zijn beschreven op basis waarvan de selectie plaatsvindt. Op basis van dit bestek wordt aan minimaal drie partijen gevraagd een offerte uit te brengen. De uitnodiging voor het verstrekken van een offerte moet bij alle partijen gelijk zijn. Hierbij moet het gaan om partijen waarvan redelijkerwijs mag worden verwacht dat zij in staat zijn de opdracht uit te voeren. Nadat de offertes zijn binnengekomen worden deze met elkaar vergeleken op basis van de criteria die zijn opgenomen in het bestek. Het is belangrijk dat de totstandkoming van de keuze duidelijk wordt vastgelegd in het dossier. Dit gebeurt onder andere door middel van een ondertekende gunningsmatrix en indien van toepassing gespreksverslagen met de offrerende partijen. De opdracht wordt verstrekt aan de aanbieder met de economisch meest voordelige aanbieding en de afgewezen partijen ontvangen een brief waarin staat aangegeven dat zij de opdracht niet gegund krijgen.

De vast te leggen gegevens in het dossier bestaan uit:

  • procedurebeschrijving offerteprocedure;

  • bestek (beschrijvend document) ten behoeve van de opdracht met selectie- en gunningscriteria en wegingsfactoren;

  • de uitvraag voor offertes;

  • de ingediende offertes;

  • de gunningsfase (gespreksverslagen en gunningsmatrix);

  • motivering van de gemaakte keuze;

  • de gunnings- en afwijzingsbrieven;

  • het contract met de gegunde partij.

Wanneer hier niet aan wordt voldaan kunnen kosten maximaal worden gesubsidieerd op basis van de tarieven zoals opgenomen in deze regeling.

Voor aanbestedende diensten blijft onverkort de verplichting bestaan om opdrachten te verstrekken in overeenstemming met de Aanbestedingswet 2012.

Loonverletkosten:

Dit zijn kosten van de werkgever voor improductiviteit van werknemers tijdens de uren dat de werknemer externe scholing (basisvaardigheden of beroepsvaardigheden) volgt. Dit kan, zeker gezien de doelgroep van mensen met een kwetsbare arbeidsmarktpositie, net die aanvullende stimulans bieden voor werkgevers om werknemers tijdens werktijd te laten deelnemen aan deze trajecten. Op deze manier is beoogd de regeling maximaal toegankelijk te maken ook voor werkgevers die weinig kunnen investeren in de ontwikkeling van hun personeel.

Om de controle van loonverletkosten goed uitvoerbaar te maken en het risico op misbruik of oneigenlijk gebruik waar mogelijk te voorkomen worden de volgende voorwaarden gesteld:

  • voor de hoogte van vergoeding van loonverletkosten komt een uurtarief voor subsidiering in aanmerking dat is gebaseerd op het wettelijk minimumloon met een opslag van 37,5% voor de werkgeverslasten. Dat maakt de verantwoording op dat aspect eenvoudig. Uitgegaan wordt van de hoogte van het wettelijk minimumloon in de periode waarop de loonverletkosten betrekking hebben;

  • loonverletkosten zijn slechts subsidiabel als ook de kosten voor de scholing of opleiding waarop de loonverletkosten betrekking hebben voor de betreffende deelnemer zijn gedeclareerd;

  • loonverletkosten dienen door de aanvrager te worden onderbouwd door de volgende zaken:

    • een tijdsregistratiesysteem (kan ook een aanwezigheidsregistratie zijn);

    • een loonstrook/of verzamelloonstaat welke de dienstbetrekking bij de betrokken werkgever aantoont gedurende periode waarop gedeclareerde loonverletkosten betrekking hebben;

    • een verklaring ondertekend door zowel werkgever, werknemer (deelnemer) als externe opleider waarin in elk geval het totaal aantal lesuren per opleiding, alsmede het aantal van deze door de deelnemer bijgewoonde lesuren onder betaalde werktijd (de verleturen) is vastgelegd.

  • Loonverletkosten kunnen voor dezelfde deelnemer niet voor een overlappende periode worden opgevoerd met loonkostensubsidie zoals hieronder toegelicht.

Loonkostensubsidie

Onder loonkostensubsidie wordt verstaan de subsidiering van de loonkosten voor werknemers voor de eerste zes maanden na indienststreding. Het gaat specifiek over een nieuwe indiensttreding, en dus niet om het aanbieden van een nieuw contract aan personen die al in dienst waren bij betreffende werkgever, bijvoorbeeld door middel van een urenuitbreiding. Daarnaast gaat het specifiek over werkzoekenden die in dienst zijn genomen vanuit een situatie waarin zij een uitkering ontvingen in het kader de Participatiewet. Het kan gaan om de volgende uitkeringen: een uitkering, als bedoeld in artikel 5, onderdeel b van de Participatiewet, een IOAW-uitkering, een IOAZ-uitkering, of bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.

Als voorwaarde voor het verstrekken van loonkostensubsidie dient minimaal een jaarcontract geboden te worden door de werkgever. Om in aanmerking te komen voor de subsidie dient de werknemer dit contract uit te dienen of dient de werknemer na afloop van de projectperiode nog aantoonbaar werkzaam te zijn. In het geval van vroegtijdige beëindiging van het contract komen de kosten, voor de periode dat de deelnemer in dienst was, slechts voor subsidie in aanmerking bij het tussentijds indienen van het ontslag door de werknemer. Hiervoor is een schriftelijke verklaring van de werknemer noodzakelijk met motivering van de beëindiging van het dienstverband. De loonkostensubsidie wordt gebaseerd op de arbeidsduur in de arbeidsovereenkomst.

Ook dient de werknemer een opleiding te krijgen aangeboden, binnen de eerste twaalf maanden na indiensttreding, gericht op het halen van een mbo-diploma, een mbo-certificaat of een praktijkverklaring (als onderdeel van een mbo-verklaring). De subsidieaanvrager dient dit te onderbouwen aan de hand van een bewijs van inschrijving of behaald certificaat voor betreffende deelnemer.

De subsidiabele kosten bedragen de loonkosten aansluitend op de contractduur en gebaseerd op het wettelijk minimumloon met daarbovenop een opslag van 37,5% voor de werkgeverslasten. Uitgegaan wordt van de hoogte van het wettelijk minimumloon in de periode waarop de loonkostensubsidie betrekking heeft. In aansluiting op het ESF+ financieringspercentage wordt 40% van deze loonkosten gesubsidieerd.

Voor het verstrekken van de loonkostensubsidie mag er geen sprake zijn van verdringing. Het is niet de bedoeling dat een werkgever afscheid neemt van tijdelijke werknemers om deze te vervangen voor nieuwe werknemers met loonkostensubsidie. Het moet dus gaan om nieuwe vacatures.

Daarnaast mag de werkgever geen andere tegemoetkoming krijgen voor de loonkosten van de werknemer. Dit betreft alle vormen van tegemoetkoming, zoals bijvoorbeeld loonkostenvoordeel, fiscale aftrek 50+ers, loonkostensubsidie in het kader van de participatiewet. De werkgever dient te verklaren dat er geen sprake is van andere tegemoetkomingen.

Om de controle van loonkostensubsidie goed uitvoerbaar te maken en het risico op misbruik of oneigenlijk gebruik waar mogelijk te voorkomen worden de volgende voorwaarden gesteld:

  • Ondertekende arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer.

  • Loonstrook van de werknemer waaruit blijkt dat de werknemer loon ontvangt.

  • Bewijs van inschrijving voor (een deel van) een mbo-opleiding, of, indien het traject succesvol beëindigd is, bewijs van afronding (diploma, certificaat, praktijkverklaring).

  • Verklaring van de werkgever dat er geen sprake is verdringing. Hieruit blijkt dat voor het beschikbaar stellen van deze vacature geen dienstverband van een andere werknemer eenzijdig is beëindigd door de werkgever.

  • Verklaring van de werkgever dat er geen sprake is van andere (fiscale) voordelen zoals loonkostensubsidie, loonkostenvoordeel of fiscale aftrekregelingen.

Directe loonkosten:

Wanneer subsidiabele activiteiten uit artikelen 2E.10 worden verricht door medewerkers van de aanvrager zelf, een van de partijen uit het samenwerkingsverband, een organisatie die is vertegenwoordigd in het bestuur van de subsidieaanvrager of in het bestuur van een partij uit het samenwerkingsverband, of een aan voorgenoemde organisaties verbonden organisatie, dan kunnen deze activiteiten enkel op basis van de loonkosten van betreffende medewerker worden gedeclareerd. Dit is zo omdat in de commerciële tarieven die door genoemde organisaties aan derden in rekening worden gebracht opslagen voor winst en overhead (kunnen) zijn vervat, die niet voor subsidiering in aanmerking kunnen komen.

De berekening van de loonkosten bestaat uit de som van de componenten brutoloon (basisbedrag zonder toeslagen) en de eindejaarsuitkering. Deze som wordt vermeerderd met een opslag van 37,5% voor werkgeverslasten. Om het uurtarief te berekenen, worden de totale loonkosten bij een voltijds dienstverband gedeeld door 1.720 uur per jaar. Dit betreft een vereenvoudiging van de berekening van het uurloon. Deze berekeningswijze geldt ook bijvoorbeeld in het geval een 36-urige werkweek op basis van de CAO als een voltijds dienstverband wordt gezien. Indien het dienstverband van een medewerker minder uren dan een voltijds dienstverband bedraagt, dient het aantal werkbare uren evenredig te worden toegepast.

Indirecte kosten:

Dit betreft kosten die noodzakelijkerwijs moeten worden gemaakt om het project tot een goed einde te brengen en de subsidie hiervoor vastgesteld te krijgen, maar die niet direct zijn te verbinden aan een deelnemer, zoals het geval is bij de kosten zoals opgesomd in artikel 2E.15, eerste lid, onderdelen a tot en met d. Voor dit onderdeel van de regeling is ervoor gekozen om kosten die niet direct zijn te verbinden aan de deelnemer als indirecte kosten te definiëren. Het gaat dan om kosten van projectcoördinatie, projectadministratie en projectcommunicatie. Om deze kosten te kunnen dekken wordt, conform artikel 54 letter a van de Verordening (EU) 2021/1060, een flat rate van 7% over de subsidiabele directe kosten gehanteerd (artikel 2E.15, eerste lid, onderdelen a tot en met d). De indirecte kosten die zijn geacht te worden gedekt door toepassing van de flat rate, hoeven door de subsidieontvanger niet meer te worden onderbouwd met bewijsstukken.

6. Advies en consultatie

Door de uitvoerder van de subsidieregeling ESF+ (DSU/UVB als onderdeel van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) is een UMO-toets uitgevoerd, met het doel de uitvoerbaarheid en de risico’s op misbruik en oneigenlijk gebruik van deze regeling in kaart te brengen. De toets bestaat uit twee delen; een toets op de uitvoering (U-deel) en de risico’s op misbruik en oneigenlijk gebruik (MO-deel).

In het U-deel worden alle praktische zaken nader bekeken waaronder personele capaciteit, de ICT, de planning, politieke en maatschappelijke risico’s. De uitvoerder geeft met deze toets inzicht in de praktische uitvoerbaarheid dit hoofdstuk in de Subsidieregeling ESF+. In het MO-deel wordt de regeling artikelsgewijs getoetst op mogelijke uitvoeringsrisico’s en de risico’s op misbruik en oneigenlijk gebruik. Voor ieder geconstateerd risico wordt een inschatting gemaakt van de kans en de impact van het geconstateerde risico waarna er beheersmaatregelen aangedragen worden. Vervolgens wordt het restrisico berekend. Op basis van deze toets krijgen UVB, als uitvoerder, en het Ministerie van SZW een helder beeld van de met de regeling gepaard gaande risico’s en het effect van mogelijk beheersmaatregelen.

Uit de UMO-toets komt naar voren dat door UVB de nodige beheersmaatregelen zijn geformuleerd ten aanzien van bevindingen met betrekking tot mogelijke uitvoeringsrisico’s en de risico’s op misbruik en oneigenlijk gebruik. Hieruit is de conclusie getrokken dat er geen significante restrisico’s overblijven en dat de regeling uitvoerbaar is.

7. Financiële gevolgen

Het benodigde budget voor dit hoofdstuk is afkomstig uit het ESF+ (2021–2027)-budget voor de lidstaat Nederland en is na goedkeuring van het Programmadocument, door de Europese Commissie (EC) in augustus 2022, beschikbaar gekomen.

Het ESF+ subsidiepercentage bedraagt 40%. Subsidieontvangers zijn zelf verantwoordelijk voor de cofinanciering van (minimaal) 60%. Aan de subsidieontvanger kunnen voorschotten worden verstrekt.

8. Privacy

Om te kunnen vaststellen of de deelnemers daadwerkelijk tot de beoogde doelgroep van de regeling behoren en niet ook aan andere regelingen deelnemen, om te kunnen rapporteren aan de Europese Commissie en om de regeling te kunnen evalueren is het van belang om inzicht te krijgen in de kenmerken van de deelnemers. Bij de opzet van de subsidieregeling ESF+ is gekeken naar de bescherming van de privacy van deelnemers bij het verzamelen van deze gegevens. Dit heeft geresulteerd in een gegevensbeschermingseffectbeoordeling.

Deze beoordeling, de zogenaamde DPIA (digital privacy impact assessment), beschrijft de verantwoordelijkheden voor de uitvoerder van deze regeling. Gegevens van deelnemers zullen worden verzameld voor controlevereisten, om over de kenmerken van de deelnemers te kunnen rapporteren en om de regeling te kunnen evalueren.

De DPIA voor de Subsidieregeling ESF+ 2021–2027 is opnieuw beoordeeld, specifiek gericht op de wijzigingen in de subsidieregeling. Voor dit hoofdstuk in de subsidieregeling gaat het aanvullend om de verwerking van salarisgegevens, (arbeids)contracten en facturen (in het geval van ZZP-ers) en gegevens met betrekking tot de hoogstbehaalde opleiding of uitkeringsverleden. Deze persoonsgegevens zijn afkomstig van de subsidieontvangers. In de herbeoordeling zijn geen nieuwe of aanvullende risico’s naar voren gekomen ten opzichte van de oorspronkelijke DPIA.

9. Staatssteun

Er is sprake van staatssteun als aan de vijf cumulatieve criteria van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is voldaan. Deze criteria zijn voor deze regeling beoordeeld en de conclusie is dat de subsidieverstrekking op basis van deze regeling niet kan worden aangemerkt als staatssteun. De maatregel leidt namelijk niet tot (potentiële) vervalsing van de mededinging en een ongunstige beïnvloeding van de handel tussen lidstaten.

De subsidieregeling is niet selectief omdat de regeling openstaat voor alle partijen. Ook wordt aan alle EU-lidstaten ESF-subsidie beschikbaar gesteld. Voor de externe uitvoerders kan de regeling wel selectief zijn. Daarom wordt in de regeling gewaarborgd dat de tarieven die de externe uitvoerders ontvangen marktconform zijn. Hiermee wordt concurrentievervalsing en marktverstoring voorkomen.

10. Toepassingsgebied

Op grond van de Algemene Bepalingenverordening (VERORDENING (EU) 2021/1060 VAN HET EuropEES parlement EN DE RAAD) kunnen de subsidies uit het ESF+, bestemd voor de lidstaat Nederland, niet worden ingezet in Caribisch Nederland. Vergelijkbare financiering wordt op een andere wijze geborgd.

11. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze wordt geplaatst.

II. Artikelsgewijs Deel

Artikel I

Onderdeel A

Dit onderdeel geeft een aantal definitiebepalingen voor begrippen die in dit hoofdstuk worden gebruikt.

Het intakegesprek bevat geen limitatieve omschrijving van dit gesprek tussen begeleider en werkende.

Een EVC-procedure wordt aangeboden door een erkende EVC-aanbieder. Deze erkenning verkrijgt een aanbieder bij het Nationaal Kenniscentrum EVC. Tijdens een EVC-procedure worden de kennis, ervaring en kunde van de deelnemer in kaart gebracht. Hetgeen de werknemer heeft geleerd buiten en binnen de werkzaamheden die hij heeft verricht mondt uit in een Ervaringscertificaat. In dat document is vastgelegd wat hij kan en weet. Deze kennis en ervaring worden vergeleken met een landelijke standaard zoals die in het mbo of in een branche wordt gebruikt, waarmee voor de deelnemer inzicht bestaat in welke richting zijn volgende stap in de arbeidsparticipatie zich kan bevinden. Het resultaat van de EVC-procedure is voor de werkende eveneens dat hij een toekomstige werkgever inzicht kan verschaffen in zijn kennis en ervaring.

In dit artikel zijn ook definities opgenomen van basisvaardigheden en beroepsvaardigheden. Deze definities zijn met name van belang voor de vaststelling wanneer de desbetreffende scholing kan worden ingezet. Dat is verder bepaald in artikel 2E.10 (activiteiten scholing).

Onderdeel B en C

De artikelen 1.2 en 1.4 zijn gewijzigd zodat in deze artikelen in het algemeen deel, behalve naar de bestaande hoofdstukken 2, 2A, 2B en 2C, ook wordt verwezen naar het nieuwe hoofdstuk 2E.

Onderdeel D
Hoofdstuk 2E. Sectoren
Artikel 2E.2. Subsidieplafond

Voor de verdeling van de subsidie wordt toepassing gegeven aan de verdelingssystematiek die uiteen is gezet in artikel 2E.2, het eerste tot en met het derde lid. Als tijdstip van ontvangst wordt verwezen naar het tijdstip waarop een volledige subsidieaanvraag is ingediend. Een aanvraag is volledig wanneer het elektronische formulier en de bijbehorende bijlagen volledig zijn ingevuld en zijn ontvangen door de minister, zodat op basis van de verstrekte informatie de aanvraag kan worden beoordeeld. Bij het indienen van de aanvraag moeten ook de eisen opgenomen in artikel 2E.5 in acht worden genomen.

Artikel 2E.3. Doel en 2E.4. Doelgroep

De doelgroep wordt gevormd door personen die door verschillende oorzaken in een kwetsbare arbeidsmarktpositie zijn gekomen. In het geval van werkenden gaat het erom dat zij, als zij met werkloosheid zullen worden geconfronteerd, zeer moeilijk weer aan de slag komen. Daarom zullen deze personen, op instigatie van de werkgever of opdrachtgever aan een activiteit deelnemen.

Conform de definities van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) bij de beschrijving van precaire arbeid in ‘De onderkant van de arbeidsmarkt in 2025’, wordt een grens gehanteerd voor werkenden met een laag persoonlijk inkomen een uurloon dat gelijk is aan maximaal 130% van het wettelijk minimumloon. Dit tarief geldt exclusief eventuele toeslagen voor onregelmatige diensten, of aanvullende betalingen voor overwerk of meerwerk. Zelfstandigen zonder personeel die in de periode van zes maanden voorafgaand aan deelname, voor de arbeid die zij hebben verricht, gemiddeld een tarief hebben gehanteerd van maximaal € 35 exclusief BTW per gewerkt uur kunnen op basis van deze voorwaarde ook deelnemen. Van hen wordt altijd een verklaring gevraagd van het gemiddeld gehanteerde tarief, het werkzaam zijn als ZZP-er en de naam en het KVK-nummer van zijn bedrijf. De minister kan de ZZP-er vragen deze verklaring te onderbouwen met bewijsstukken, waaronder facturen en betaalbewijzen

Binnen deze regeling vallen onder de doelgroep arbeidsbeperkten alle werkenden die in het doelgroepenregister staan. Dit zijn werknemers waarvoor een werkgever loonkostensubsidie ontvangt of waar een werkgever loondispensatie voor kan aanvragen. Het doelgroepenregister is een landelijk register waarin alle mensen staan vermeld die onder de banenafspraak vallen. Dit zijn:

  • mensen in de Wajong die kunnen werken (arbeidsvermogen);

  • mensen met een Wsw-indicatie;

  • mensen met een WIW-baan;

  • mensen met een ID-baan;

  • mensen die onder de Participatiewet vallen en van wie is vastgesteld dat zij niet het wettelijk minimumloon kunnen verdienen;

  • mensen die tussen 1 september 2014 en 1 juli 2015 zijn afgewezen voor de Wajong;

  • schoolverlaters van het voortgezet speciaal onderwijs (vso), praktijkonderwijs (pro) en entree-opleiding in het mbo van het schooljaar 2014/2015;

  • mensen die zonder een voorziening niet het wettelijk minimumloon kunnen verdienen.

Verder vallen onder de doelgroep ook de werkende statushouders in Nederland, oftewel werkende asielzoekers van wie de asielaanvraag is ingewilligd en die een (legale) verblijfsstatus hebben gekregen en Oekraïense vluchtelingen die naar aanleiding van de oorlog in Oekraïne naar Nederland zijn gevlucht.

In het geval dat een deelnemer een opleiding heeft genoten in het buitenland en de opleiding kan niet worden vergeleken met het Nederlandse opleidingsniveau onder het ISCED, wordt dit gezien als een opleiding waarvoor geen vergelijking kan worden gemaakt met het Nederlandse opleidingsniveau. De betreffende deelnemer valt dan onder het criterium met betrekking tot het opleidingsniveau onder MBO2. Dit zal bij de toetsing op dit criterium niet nader worden gecheckt (bijvoorbeeld bij Nuffic).

Onder de doelgroep vallen ook personen die op de start van het traject, of tot drie jaar voorafgaand aan de start van het traject, een volledige of aanvullende uitkering hebben ontvangen. Hiermee worden alle uitkeringen van het UWV en uitkeringen op basis van de Participatiewet bedoeld die mede voorzien in het levensonderhoud. Hieronder vallen ook het Bbz levensonderhoud en de Tozo die betrekking hebben op zelfstandigen zonder personeel.

Artikel 2E.5. De aanvraag

De subsidieaanvrager is de aanvrager van een subsidie op grond van deze regeling. De subsidie kan worden aangevraagd door een O&O fonds of in het geval van een samenwerkingsverband, door de hoofdaanvrager van dat samenwerkingsverband. Op het moment van indiening van de subsidieaanvraag zal het samenwerkingsverband al moeten zijn gevormd en vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst, neergelegd in het model dat elektronisch beschikbaar is op de website www.uitvoeringvanbeleidszw.nl. Op deze website wordt ook elektronisch formulier beschikbaar gesteld voor het bijvoegen van de machtiging van de hoofdaanvrager. De formulieren zullen per opening tijdvak beschikbaar zijn.

De subsidie kan ook worden aangevraagd door O&O-fondsen, die geen partij zijn in een samenwerkingsverband, maar die zelfstandig een aanvraag indienen. O&O-fondsen kunnen ook deelnemen aan een samenwerkingsverband. De O&O-fondsen zijn stichtingen of verenigingen die aan een aantal eisen dienen te voldoen.

Een samenwerkingsverband is een samenwerking tussen in elk geval een of meer werkgevers- en werknemersorganisaties of O&O fondsen. In het samenwerkingsverband moet in ieder geval sprake zijn van vertegenwoordiging vanuit werkgeverszijde én vertegenwoordiging vanuit werknemerszijde. Het samenwerkingsverband kan worden aangevuld met andere organisaties. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan beroepsorganisaties, brancheorganisaties of kennisinstituten. Dit is geen limitatieve opsomming, ook andere dan genoemde organisaties komen in aanmerking. Een samenwerkingsverband kan worden gevormd binnen een sector of branche, binnen een of meer sectoren en tussen branches.

Een subsidieaanvrager (dat is een hoofdaanvrager of een O&O fonds) kan slechts eenmaal een subsidieaanvraag indienen. Een tweede aanvraag ingediend door de betreffende organisatie komt niet voor verlening in aanmerking, maar deze organisatie zou wel als onderdeel van een samenwerkingsverband betrokken kunnen zijn bij een subsidieaanvraag waarvoor een andere partij hoofdaanvrager is. Wel geldt hiervoor de beperking dat het niet mogelijk is dat voor (grotendeels) hetzelfde samenwerkingsverband meerdere subsidieaanvragen worden ingediend waarbij door verschillende deelnemers aan het samenwerkingsverband als hoofdaanvrager wordt opgetreden. Onder grotendeels hetzelfde wordt verstaan een samenwerkingsverband waarin 70-80% van de deelnemende organisaties overeen komen. Het doel is om te voorkomen dat voor dezelfde doelgroep en dezelfde activiteiten meerdere keren aanspraak wordt gemaakt op subsidie. Eén samenwerkingsverband kan wel activiteiten aanbieden aan meerdere doelgroepen, maar zal dan deze doelgroepen in één aanvraag moeten opnemen en benoemen. De voorwaarde om verschillende activiteiten van een O&O fonds of een samenwerkingsverband in één project bijeen te brengen, dient ook het doel van een zo effectief mogelijke uitvoering. Belangrijk is ook te vermelden dat binnen deze openstelling een deelnemer waarvoor activiteiten worden ontplooid slechts één keer mag voorkomen in een aanvraag.

Artikel 2E.8. Projectperiode

De maximale duur van de projecten, waarvoor subsidie wordt aangevraagd onder dit hoofdstuk, bedraagt twee jaar. De uiterste einddatum van projecten is 31 januari 2026. Deze maximale projectduur is van belang om binnen de programmeringsperiode van het ESF+ nog een tweede aanvraagtijdvak te kunnen openen. Daarnaast is het voor de uitvoerder van de subsidieregeling ESF+ van belang dat projecten een duur hebben van maximaal twee jaar, zodat de uitgaven tijdig kunnen worden gedeclareerd bij de Europese Commissie.

Artikel 2E.9. Specifieke eisen

Het project kan niet eerder starten dan de datum waarop de volledige subsidieaanvraag is ontvangen. Zijn er goede redenen voor de subsidieaanvrager om een project op een andere datum te starten dan de in de subsidieaanvraag genoemde datum, dan is het mogelijk voor de subsidieontvanger om een andere startdatum te verzoeken, zolang deze startdatum niet ligt voor de datum waarop de volledige subsidieaanvraag is ontvangen. De einddatum is niet later dan 31 januari 2026.

Artikel 2E.12. Activiteiten scholing

In het artikel wordt onder andere verwezen naar scholingsaanbod dat leidt tot een diploma, certificaat of erkende beroepsopleidingen of onderdelen ervan, die leiden tot een mbo-diploma, mbo-certificaat of mbo-verklaring. Het verschil tussen een diploma, certificaat en verklaring is als volgt:

Een diploma op Mbo-niveau wordt verstrekt na het afronden van de volledige opleiding in de beroepsopleidende leerweg (bol), de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) of de derde leerweg. Een opleiding die wordt afgerond met een diploma is voor iedereen die opgeleid wil worden tot beginnend beroepsbeoefenaar: jongeren die vanuit het voortgezet onderwijs doorstromen naar het mbo, werkenden en werkzoekenden.

Een certificaat wordt verstrekt na het afronden van een deel van een opleiding waarvoor een certificaat is vastgesteld. Opleidingen die afgerond worden met een certificaat worden vaak gekozen door werkenden en werkzoekenden die bij-, of omgeschoold willen worden met een deel van een opleiding waarvoor een certificaat is vastgesteld.

Een verklaring ziet in de meeste gevallen op een praktijkverklaring, waarin de praktijkopleider aangeeft welke werkprocessen de student in het leerbedrijf heeft leren uitvoeren. Deze vorm wordt vaak gekozen door werkenden en werkzoekenden zonder startkwalificatie voor wie een mbo-diploma (van entree of hoger mbo-niveau) of een mbo-certificaat vooralsnog niet haalbaar is. Mensen die al wel een startkwalificatie hebben gehaald maar voor wie een mbo-diploma of mbo-certificaat vooralsnog niet haalbaar is, kunnen ook in aanmerking komen.

Onder scholing vallen niet de opleidingen die ondernemingen geven om te voldoen aan bindende nationale opleidingsnormen. Dit valt namelijk onder de leerplicht en de kwalificatieplicht. Dit betekent dat de deelnemers tenminste 18 jaar of ouder moeten zijn.

Artikel 2E.14. Subsidiabele kosten

Het eerste lid, onderdeel a, geeft de externe kosten aan die door de begeleider zijn besteed aan het intakegesprek en de begeleiding van de deelnemer aan het project tegen een maximumbedrag van € 98,38. Deze uurvergoeding is gebaseerd op het bedrag voor Persoonlijke ondersteuning/Jobcoaching uit het Besluit normbedragen voorzieningen UWV 2021.

In het eerste lid, onderdeel b, wordt een maximumbedrag van € 34,73 aan kosten bepaald voor scholing basisvaardigheden en -beroepsvaardigheden. Dit bedrag is gebaseerd op het bedrag uit de Gedelegeerde verordening (EU) 2021/702 van de commissie: aantal aan werkenden verstrekte opleidingsuren per deelnemer voor Nederland. Indien de kosten boven dit maximumbedrag per uur uitkomen, of als het bedrag per uur niet kan worden onderbouwd, dan dient de aanvrager de marktconformiteit van de kosten aan te tonen.

In onderdeel c wordt eveneens met betrekking tot de EVC-procedure een maximum bedrag aan externe kosten aangegeven, te weten € 1.250. Dit bedrag is gebaseerd op het bedrag voor de EVC-procedure uit de regeling NL leert door met inzet van sectoraal maatwerk.

In onderdeel d wordt, in afwijking van artikel 13, onderdeel d van de regeling voor loonverletkosten een vast bedrag aangehouden van het wettelijk minimumloon per uur, vermeerderd met een opslag van 37,5% voor de werkgeverslasten bij de scholingstrajecten. Uitgegaan wordt van de hoogte van het wettelijk minimumloon in de periode waarop de loonverletkosten betrekking hebben.

Bij alle bovengenoemde maximumtarieven geldt dat als de aanvrager hogere tarieven rekent, of het uurtarief niet kan onderbouwen, de marktconformiteit van het gehanteerde tarief dient te worden aangetoond.

Tot slot wordt in het eerste lid, onderdeel e, voor indirecte kosten voor de uitvoering van het project een toeslag van maximaal 7% op de subsidiabele kosten in artikel 2E.14, eerste lid, onderdelen a tot en met d aangehouden. Deze flat rate dient ter dekking van de kosten voor projectcoördinatie, projectadministratie en projectcommunicatie. Vanwege het gebruik van een flat rate kunnen deze kosten niet afzonderlijk in de einddeclaratie worden opgenomen en hoeven ze niet te worden onderbouwd.

Als gemeld worden voor de onderdelen a, b en c maximum bedragen voor externe kosten aangehouden. Als een hoger tarief wordt gehanteerd bij inschakeling van een externe begeleider of EVC-aanbieder, dan geldt de verplichting dat wordt aangetoond dat het desbetreffende tarief marktconform is. In het tweede lid wordt aangegeven hoe die marktconformiteit kan worden aangetoond. Kosten die uitkomen boven de in de regeling genoemde maximumtarieven en die niet marktconform zijn komen niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 2E.16. Niet-subsidiabele kosten

Betaalde BTW kan niet worden opgevoerd als subsidiabele kosten. Dit geldt ook voor niet btw-plichtige organisaties. Dit uit het oogpunt van een zo eenvoudig mogelijke uitvoering en controle van de projecten. Ook kosten van bepaalde technische innovaties, bijvoorbeeld technische aanpassingen aan de werkplek, komen niet voor subsidie in aanmerking. Verder komen kosten voor activiteiten die plaatsvinden in het kader van een wettelijke verplichting, waaronder, maar niet uitsluitend risico-inventarisatie en -evaluatie, periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek op grond van de Arbeidsomstandighedenwet of gangbare branchestandaarden als ISO-certificering en Vca-certificering niet in aanmerking voor de subsidie. Tot slot is het van belang te benadrukken dat loonverletkosten en loonkostensubsidie voor een deelnemer niet binnen een overlappende periode en dus tegelijkertijd kunnen worden gedeclareerd. De aanvrager zal in deze situatie moeten kiezen voor één van de twee kostensoorten.

Artikel 2E.17. Bevoorschotting

Dit artikel regelt de mogelijkheid om, op maximaal twee momenten, een voorschot aan te vragen op het toekomstig vast te stellen subsidiebedrag.

Het eerste moment is bij de subsidieaanvraag. Op het aanvraagformulier kan de subsidieaanvrager dat aangeven. Het voorschot is dan 20% van het in de verleningsbeschikking vermelde subsidiebedrag.

Ongeacht of hij al bij zijn aanvraag een voorschot heeft gevraagd, kan de subsidieontvanger tijdens de looptijd van het project een (aanvullend) voorschot aanvragen tot maximaal 50% van het in de verleningsbeschikking vermelde subsidiebedrag. Dit betekent dat als de subsidieontvanger bij de subsidieverlening reeds een voorschot van 20% heeft aangevraagd, nog maximaal 30% aanvullend kan worden aangevraagd. De hoogte van de totale gevraagde bevoorschotting, zolang dit maximaal gelijk of lager is dan 50% van de verleende subsidie, is ter keuze van de subsidieontvanger. Teneinde dit voorschot tijdens de looptijd van het project te kunnen ontvangen geldt dat subsidieontvanger een financiële rapportage dient te overleggen, waaruit blijkt dat het gevraagde voorschot overeenkomstig de reeds gemaakte kosten is. Daarvoor wordt hem een elektronisch formulier verstrekt waarin hij zijn gevraagde voorschot kan specificeren en onderbouwen. De financiële (voortgangs)rapportage zal steekproefsgewijs worden gecontroleerd door Uitvoering van Beleid van het Ministerie van SZW.

Artikel II

Deze wijzigingsregeling treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze wordt geplaatst. Daarmee wordt afgeweken van de minimuminvoeringstermijn voor regelgeving (Aanwijzingen voor de regelgeving 4.17). Doordat in de voorbereidingsfase nauw contact is geweest met de subsidieaanvragers die met de regeling te maken zullen hebben, is er voldoende tijd om zich voor te bereiden op de nieuwe regeling. Verder wordt het aanvraagtijdvak voor een lange periode opengesteld, zodat de subsidieaanvragers die alsnog knelpunten ervaren met betrekking tot de regeling voldoende tijd hebben om zich voor te bereiden op de in te dienen aanvraag.

De Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen, C.J. Schouten

Naar boven