Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport | Staatscourant 2023, 16894 | advies Raad van State |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport | Staatscourant 2023, 16894 | advies Raad van State |
9 juni 2023
3598425-1041419-WJZ
Directie Wetgeving en Juridische Zaken
Aan de Koning
Nader rapport inzake het voorstel van wet tot wijziging van diverse wetten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (Implementatiewet toegankelijkheidsvoorschriften producten en diensten)
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 5 januari 2023, no.2023000017, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 12 april 2023, No. W13.23.00011/III, bied ik U hierbij aan.
De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie.
Bij Kabinetsmissive van 5 januari 2023, no.2023000017, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van diverse wetten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (Implementatiewet toegankelijkheidsvoorschriften producten en diensten), met memorie van toelichting.
Het wetsvoorstel strekt tot de wijziging van meerdere wetten ter uitvoering van de Europese Richtlijn betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (hierna: richtlijn).
De Afdeling advisering van de Raad van State merkt op dat een goede beoordeling van het voorgestelde systeem van toezicht en handhaving niet goed mogelijk is, nu een inhoudelijke reactie op de uitvoeringstoetsen van de aangewezen toezichthouders ontbreekt. De Afdeling adviseert de toelichting met inachtneming van het voorgaande aan te vullen. Daarnaast adviseert de Afdeling nader in te gaan op de wijze waarop de betrokkenheid van relevante belanghebbenden bij de totstandkoming van richtsnoeren en instrumenten wordt gewaarborgd. In verband daarmee is aanpassing van de toelichting wenselijk.
De richtlijn heeft tot doel een bijdrage te leveren aan het goed functioneren van de interne markt door de toegankelijkheidsvoorschriften van lidstaten voor bepaalde producten en diensten voor personen met een handicap te harmoniseren. De richtlijn heeft ook als doel deze producten en diensten toegankelijker te maken voor personen met een handicap om zo hun maatschappelijke participatie te vergroten. Op grond van deze richtlijn zijn de lidstaten verantwoordelijk voor het beschikbaar maken van passende en doeltreffende middelen om te waarborgen dat de bepalingen van deze richtlijn worden nageleefd.
Het wetsvoorstel regelt een gedeeltelijke implementatie van de richtlijn in onder andere de Warenwet (producten), het Burgerlijk Wetboek (e-handelsdiensten), Wet op het financieel toezicht (bankdiensten), Telecommunicatiewet (elektronische communicatiediensten) en de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte en creëert onder andere grondslagen om voor de overige producten en diensten eisen te stellen op lager niveau.
In de toelichting wordt vermeld dat het toezicht en de handhaving van de nieuwe regels bij bestaande toezichthouders van de verschillende sectoren wordt belegd. Door middel van dit wetsvoorstel krijgen de aangewezen toezichthouders meerdere taken toebedeeld voor de handhaving van de verplichtingen die voortvloeien uit het bij of krachtens het wetsvoorstel bepaalde. Aan de uitoefening van het toezicht op de naleving kan op verschillende manieren door de toezichthouders invulling worden gegeven, aldus de toelichting.
De Afdeling merkt op dat de aangewezen toezichthouders een uitvoerings- en handhaafbaarheidstoets hebben uitgebracht. De toelichting gaat echter inhoudelijk enkel in op de reactie van de Autoriteit Consument & Markt. De toelichting vermeldt dat de resultaten van de overige toetsen worden verwerkt in de diverse algemene maatregelen van bestuur die in het kader van de implementatie van de richtlijn zijn of worden gemaakt.
Nu een reactie op deze uitvoeringstoetsen in de toelichting bij het wetsvoorstel ontbreekt, is een goede beoordeling van de handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid van het voorstel niet goed mogelijk. Dit klemt te meer nu de betrokken toezichthouders in hun uitvoeringstoetsen ingaan op de vormgeving van het toezicht als zodanig. Verschillende aangewezen toezichthouders uiten daarin hun zorgen over het verdeelde toezicht. Tevens benadrukken zij dat de toezichtstaak op het gebied van toegankelijkheidsvereisten een nieuw toezichtterrein is. Het stimuleren van afstemming tussen toezichthouders door de regering in een werkgroep om het toezicht waar mogelijk te uniformeren, lijkt daardoor des te belangrijker.
De Afdeling adviseert in de toelichting nader in te gaan op alle uitvoeringstoetsen van de aangewezen toezichthouders en daarbij met name aandacht te besteden aan de wijze waarop het toezicht wordt afgestemd en geüniformeerd.
Naar aanleiding van opmerking van de Afdeling zijn de ontbrekende uitvoeringstoetsen en de reactie van de regering daarop opgenomen in de memorie van toelichting. Voorts is in de memorie van toelichting aandacht besteed aan de afstemming en uniformering van het toezicht. Het kabinet wijst er daarbij op eraan te hechten dat het toezicht onderling tussen de verschillende toezichthouders wordt afgestemd en geüniformeerd. Derhalve is er onder voorzitterschap van het ministerie van VWS een werkgroep van voornoemde toezichthouders ingesteld. Deze werkgroep komt periodiek bijeen, en behandelt vragen en onderwerpen die zich in het kader van de implementatie en de uitvoering van het toezicht voordoen. Daarbij valt te denken aan onderwerpen als de hoogte van boetebedragen, en vragen over de interpretatie van bepalingen en begrippen uit de richtlijn. Waar nodig kunnen vragen die tijdens deze overleggen rijzen onderling worden besproken en, indien nodig, worden voorgelegd aan de Europese Commissie. Ook kunnen de toezichthouders, naar aanleiding van vragen die tijdens dit overleg ontstaan, contact zoeken met hun collega-toezichthouders in andere lidstaten.
De Afdeling vraagt aandacht voor de positie van personen met een handicap die op voet van gelijkheid met anderen de toegang dienen te verkrijgen tot producten en diensten. Het is de bedoeling dat de nieuwe regels – gelet op de geformuleerde ambitie uit de richtlijn – ervoor gaan zorgen dat veelgebruikte producten en diensten tegemoetkomen aan de specifieke behoeften van deze personen. De vraag is echter hoe dit gewaarborgd wordt bij de ontwikkeling van instrumenten voor micro-ondernemingen.
Hoewel sommige micro-ondernemingen zijn vrijgesteld van de toegankelijkheidsvoorschriften uit de richtlijn, dienen lidstaten aan micro-ondernemingen richtsnoeren en instrumenten te geven ten behoeve van de toepassing van de nationale maatregelen ter omzetting van de richtlijn. Dit dient in samenspraak met relevante belanghebbenden en vertegenwoordigers van personen met een handicap te gebeuren. Het is daarmee de bedoeling om deze ondernemingen, ook die zijn vrijgesteld, aan te moedigen te voldoen aan de toegankelijkheidsvoorschriften van de richtlijn.
De afzonderlijke departementen bezien of het nodig is om te bepalen welke richtsnoeren en instrumenten als effectief gezien worden om de micro-ondernemingen te ondersteunen. Voorts meldt de toelichting dat er samenwerking zal zijn wat betreft de totstandkoming van richtsnoeren met MKB-Nederland en VNO-NCW. De toelichting maakt echter niet duidelijk op welke wijze de samenwerking met relevante belanghebbenden en vertegenwoordigers van personen met een handicap zal worden gewaarborgd bij de ontwikkeling van instrumenten. Het betrekken van diverse partijen in de implementatie van de richtlijn in onderhavige wet- en regelgeving is niet voldoende, nu het geven van de nodige richtsnoeren en instrumenten geen deel uitmaakt van dit implementatietraject.
De Afdeling adviseert in de toelichting op het voorgaande in te gaan en daarbij nader te motiveren hoe wordt gewaarborgd dat relevante belanghebbenden worden betrokken bij het ontwikkelen van de nodige richtsnoeren en instrumenten voor micro-ondernemingen.
Naar aanleiding van voornoemd advies van de Afdeling is de memorie van toelichting aangepast.
Het kabinet hecht eraan om de belanghebbenden te betrekken bij de totstandkoming van de nodige richtsnoeren en instrumenten voor micro-ondernemingen. Het ministerie van VWS heeft, als coördinerend departement, in het kader van de implementatie contact met zowel marktdeelnemers en organisaties die hen vertegenwoordigen als met organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen. Deze belanghebbenden organiseren, samen met de betreffende ministeries, informatiesessies voor marktdeelnemers waarin onder andere een vertaalslag wordt gemaakt van de criteria in de richtlijn naar de producten en diensten. Dit vormt vervolgens de basis voor de ontwikkeling van richtsnoeren en instrumenten voor micro-ondernemingen. De ontwikkeling van deze richtsnoeren en instrumenten wordt samen met de betreffende vertegenwoordigende organisaties en ministeries nader ingevuld.
Het ministerie van VWS heeft vanwege zijn beleidsverantwoordelijkheid voorafgaand en gedurende het implementatietraject regulier overleg met Ieder(in) om de betrokkenheid van personen met een handicap en hen vertegenwoordigende organisaties tijdens de implementatie te waarborgen.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.
De vice-president van de Raad van State,
Th.C. de Graaf
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om het wetsvoorstel en de memorie van toelichting aan te passen voor wat betreft de wijziging van de Warenwet. De delegatiegrondslag die regelt dat de boetebedragen voor de op grond van de Warenwet op te leggen bestuurlijke boetes in de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde bijlage opgenomen worden, komt te vervallen. Het wetsvoorstel is zodanig aangepast dat in plaats daarvan wordt geregeld dat een bestuurlijke boete ter hoogte van maximaal hetzelfde bedrag als vastgesteld is voor de vijfde categorie in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, mag worden opgelegd.
Ik verzoek U het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister voor Langdurige Zorg en Sport, C. Helder.
No. W13.23.00011/III
’s-Gravenhage, 12 april 2023
Aan de Koning
Bij Kabinetsmissive van 5 januari 2023, no.2023000017, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van diverse wetten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (Implementatiewet toegankelijkheidsvoorschriften producten en diensten), met memorie van toelichting.
Het wetsvoorstel strekt tot de wijziging van meerdere wetten ter uitvoering van de Europese Richtlijn betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (hierna: richtlijn).1
De Afdeling advisering van de Raad van State merkt op dat een goede beoordeling van het voorgestelde systeem van toezicht en handhaving niet goed mogelijk is, nu een inhoudelijke reactie op de uitvoeringstoetsen van de aangewezen toezichthouders ontbreekt. De Afdeling adviseert de toelichting met inachtneming van het voorgaande aan te vullen. Daarnaast adviseert de Afdeling nader in te gaan op de wijze waarop de betrokkenheid van relevante belanghebbenden bij de totstandkoming van richtsnoeren en instrumenten wordt gewaarborgd. In verband daarmee is aanpassing van de toelichting wenselijk.
De richtlijn heeft tot doel een bijdrage te leveren aan het goed functioneren van de interne markt door de toegankelijkheidsvoorschriften van lidstaten voor bepaalde producten en diensten voor personen met een handicap te harmoniseren.2 De richtlijn heeft ook als doel deze producten en diensten toegankelijker te maken voor personen met een handicap om zo hun maatschappelijke participatie te vergroten. Op grond van deze richtlijn zijn de lidstaten verantwoordelijk voor het beschikbaar maken van passende en doeltreffende middelen om te waarborgen dat de bepalingen van deze richtlijn worden nageleefd.3
Het wetsvoorstel regelt een gedeeltelijke implementatie van de richtlijn in onder andere de Warenwet (producten), het Burgerlijk Wetboek (e-handelsdiensten), Wet op het financieel toezicht (bankdiensten), Telecommunicatiewet (elektronische communicatiediensten) en de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte en creëert onder andere grondslagen om voor de overige producten en diensten eisen te stellen op lager niveau.
In de toelichting wordt vermeld dat het toezicht en de handhaving van de nieuwe regels bij bestaande toezichthouders van de verschillende sectoren wordt belegd.4 Door middel van dit wetsvoorstel krijgen de aangewezen toezichthouders meerdere taken toebedeeld voor de handhaving van de verplichtingen die voortvloeien uit het bij of krachtens het wetsvoorstel bepaalde. Aan de uitoefening van het toezicht op de naleving kan op verschillende manieren door de toezichthouders invulling worden gegeven, aldus de toelichting.5
De Afdeling merkt op dat de aangewezen toezichthouders een uitvoerings- en handhaafbaarheidstoets hebben uitgebracht. De toelichting gaat echter inhoudelijk enkel in op de reactie van de Autoriteit Consument & Markt. De toelichting vermeldt dat de resultaten van de overige toetsen worden verwerkt in de diverse algemene maatregelen van bestuur die in het kader van de implementatie van de richtlijn zijn of worden gemaakt.6
Nu een reactie op deze uitvoeringstoetsen in de toelichting bij het wetsvoorstel ontbreekt, is een goede beoordeling van de handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid van het voorstel niet goed mogelijk. Dit klemt te meer nu de betrokken toezichthouders in hun uitvoeringstoetsen ingaan op de vormgeving van het toezicht als zodanig.7 Verschillende aangewezen toezichthouders uiten daarin hun zorgen over het verdeelde toezicht. Tevens benadrukken zij dat de toezichtstaak op het gebied van toegankelijkheidsvereisten een nieuw toezichtterrein is.8 Het stimuleren van afstemming tussen toezichthouders door de regering in een werkgroep om het toezicht waar mogelijk te uniformeren,9 lijkt daardoor des te belangrijker.
De Afdeling adviseert in de toelichting nader in te gaan op alle uitvoeringstoetsen van de aangewezen toezichthouders en daarbij met name aandacht te besteden aan de wijze waarop het toezicht wordt afgestemd en geüniformeerd.
De Afdeling vraagt aandacht voor de positie van personen met een handicap die op voet van gelijkheid met anderen de toegang dienen te verkrijgen tot producten en diensten. Het is de bedoeling dat de nieuwe regels – gelet op de geformuleerde ambitie uit de richtlijn10 – ervoor gaan zorgen dat veelgebruikte producten en diensten tegemoetkomen aan de specifieke behoeften van deze personen. De vraag is echter hoe dit gewaarborgd wordt bij de ontwikkeling van instrumenten voor micro-ondernemingen.
Hoewel sommige micro-ondernemingen zijn vrijgesteld van de toegankelijkheidsvoorschriften uit de richtlijn, dienen lidstaten aan micro-ondernemingen richtsnoeren en instrumenten te geven ten behoeve van de toepassing van de nationale maatregelen ter omzetting van de richtlijn. Dit dient in samenspraak met relevante belanghebbenden en vertegenwoordigers van personen met een handicap te gebeuren.11 Het is daarmee de bedoeling om deze ondernemingen, ook die zijn vrijgesteld, aan te moedigen te voldoen aan de toegankelijkheidsvoorschriften van de richtlijn.12
De afzonderlijke departementen bezien of het nodig is om te bepalen welke richtsnoeren en instrumenten als effectief gezien worden om de micro-ondernemingen te ondersteunen. Voorts meldt de toelichting dat er samenwerking zal zijn wat betreft de totstandkoming van richtsnoeren met MKB-Nederland en VNO-NCW.13 De toelichting maakt echter niet duidelijk op welke wijze de samenwerking met relevante belanghebbenden en vertegenwoordigers van personen met een handicap zal worden gewaarborgd bij de ontwikkeling van instrumenten. Het betrekken van diverse partijen in de implementatie van de richtlijn in onderhavige wet- en regelgeving is niet voldoende, nu het geven van de nodige richtsnoeren en instrumenten geen deel uitmaakt van dit implementatietraject.
De Afdeling adviseert in de toelichting op het voorgaande in te gaan en daarbij nader te motiveren hoe wordt gewaarborgd dat relevante belanghebbenden worden betrokken bij het ontwikkelen van de nodige richtsnoeren en instrumenten voor micro-ondernemingen.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.
De vice-president van de Raad van State, Th.C. de Graaf.
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo, Wij in overweging genomen hebben, dat regels dienen te worden gesteld ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
De Warenwet wordt als volgt gewijzigd:
B
Aan artikel 1, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel g door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (PbEU 2019 L 151).
C
Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.
Er wordt een tweede lid toegevoegd, luidende:
2. Met betrekking tot producten, als bedoeld in artikel 3, onder punt 2, van richtlijn (EU) 2019/882, kunnen ter uitvoering van die richtlijn regels gesteld worden in het belang van de toegankelijkheid van die producten.
D
In artikel 13 wordt ‘artikel 3’ vervangen door ‘artikel 3, eerste lid,’
E
Na artikel 33 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 3 van richtlijn (EU) 2019/882;
hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 3 van richtlijn (EU) 2019/882, voor zover behorend tot een krachtens artikel 35, eerste lid, aangewezen categorie;
hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 3 van richtlijn (EU) 2019/882
hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 3 van richtlijn (EU) 2019/882.
Dit hoofdstuk is van toepassing op marktdeelnemers en producten ter uitvoering van richtlijn (EU) 2019/882. De overige bepalingen van deze wet zijn, met betrekking tot de toegankelijkheid van producten, uitsluitend van toepassing voor zover dat in dit hoofdstuk is bepaald.
1. Ten behoeve van het weren van producten die niet voldoen aan de toegankelijkheidsvoorschriften van richtlijn (EU) 2019/882, kan bij algemene maatregel van bestuur worden verboden producten, behorende tot een bij die maatregel aangewezen categorie, in de handel te brengen, indien deze niet voldoen aan de eisen, bij die maatregel gesteld.
2. De eisen, bedoeld in het eerste lid, kunnen onder meer betrekking hebben op:
a. de wijze waarop en voorwaarden waaronder producten in de handel worden gebracht, alsmede op het ontwerpen, vervaardigen en het op de markt aanbieden van producten. Tot die voorwaarden behoren de toegankelijkheidsvoorschriften waaraan producten moeten voldoen;
b. de op het product of de verpakking aan te brengen dan wel in de verpakking op te nemen informatie;
c. de conformiteit van het product met de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften, waaronder de gevallen waarin producten worden geacht reeds conform te zijn, en het treffen van corrigerende maatregelen om producten, voor zover deze niet aan de toegankelijkheidsvoorschriften voldoen, daarmee in overeenstemming te brengen of zo nodig uit de handel te nemen;
d. de gevallen waarin en voorwaarden waaronder toegankelijkheidsvoorschriften beperkt of niet van toepassing zijn; en
e. het bijhouden en verstrekken van informatie en documentatie over het product of de onder a genoemde handelingen aan andere marktdeelnemers, Onze Minister die het aangaat of de aangewezen toezichthouders, of ter identificatie van de marktdeelnemers aan wie producten zijn geleverd of van wie producten zijn ontvangen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorts regels worden gesteld ter uitvoering van een met betrekking tot producten tot stand gekomen bindend besluit van de Europese Unie als bedoeld in artikel 26 van richtlijn (EU) 2019/882.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 35 en 35a zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren. De artikelen 25, vierde lid, 28 en 29 zijn van overeenkomstige toepassing.
De Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte wordt als volgt gewijzigd:
A
Aan artikel 1 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van dat onderdeel door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (PbEU 2019, L151);
B
Na artikel 5b worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
1. De bij algemene maatregel van bestuur aangewezen dienstverleners ontwerpen en verlenen hun diensten ter uitvoering van richtlijn (EU) 2019/882 in overeenstemming met de bij of krachtens die maatregel gestelde regels.
2. De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen onder meer betrekking hebben op:
a. de wijze waarop en voorwaarden waaronder diensten worden aangeboden. Tot die voorwaarden behoren de toegankelijkheidsvoorschriften waaraan diensten moeten voldoen,
b. de conformiteit van diensten met de toegankelijkheidsvoorschriften, waaronder de gevallen waarin diensten geacht worden daarmee reeds in overeenstemming te zijn, en het treffen van corrigerende maatregelen indien diensten niet aan de toegankelijkheidsvoorschriften voldoen,
c. de gevallen waarin en voorwaarden waaronder toegankelijkheidsvoorschriften beperkt of niet van toepassing zijn, en
d. het bijhouden en verstrekken van informatie of documentatie over de dienst of corrigerende maatregelen aan Onze Minister die het aangaat, de aangewezen toezichthouders of het publiek.
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter uitvoering van door de Europese Commissie krachtens artikel 26 van richtlijn (EU) 2019/882 vastgestelde regels.
2. Een wijziging van de richtlijn gaat voor de toepassing van het bij of krachtens deze paragraaf bepaalde, gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
In de Telecommunicatiewet wordt na hoofdstuk 7 een hoofdstuk ingevoegd, luidende:
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
natuurlijke persoon die een elektronische communicatiedienst afneemt voor andere doeleinden dan zijn handels-, bedrijfs-, ambachts-, of beroepsactiviteit;
natuurlijke of rechtspersoon die een elektronische communicatiedienst verleent op de markt van de Unie of aanbiedt consumenten in de Unie een dienst te verlenen;
dienst voor elektronische communicatie in de zin van artikel 2, punt 4, van richtlijn (EU) 2018/1972, met uitzondering van transmissiediensten die voor de levering van machine-to-machinediensten worden gebruikt;
Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (PbEU 2019, L 151).
1. Het is verboden elektronische communicatiediensten te verlenen die niet voldoen aan toegankelijkheidsvoorschriften van bijlage I, afdelingen III en IV, onderdeel a, van richtlijn (EU) 2019/882.
2. Het is verboden in strijd te handelen met de bij of krachtens de artikelen 7a.4 en 7a.5 gestelde eisen.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op dienstverleners die een onderneming voeren met minder dan tien werknemers en een jaaromzet of jaarlijks balanstotaal van ten hoogste € 2.000.000,–.
4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing voor zover de naleving daarvan:
a. een ingrijpende wijziging van de elektronische communicatiedienst vereist, resulterend in een fundamentele wijziging van de wezenlijke aard daarvan; of
b. een onevenredige last voor de betrokken dienstverlener oplevert en de dienstverlener niet uit andere bronnen dan eigen middelen financiering ontvangt ter verbetering van de toegankelijkheid, ongeacht of het om publieke of particuliere financiering gaat.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:
a. de toegankelijkheidsvoorschriften, bedoeld in het eerste lid;
b. de beoordelingscriteria of sprake is van een fundamentele wijziging of een onevenredige last als bedoeld in het vierde lid.
1. De bevoegde nationale autoriteit, bedoeld in artikel 13, vierde en vijfde lid, van richtlijn (EU) 2019/882, is de Autoriteit Consument en Markt.
2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van richtlijn (EU) 2019/882, is de Autoriteit Consument en Markt.
In titel 5 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek wordt na artikel 230f een afdeling ingevoegd, luidende:
In deze afdeling wordt verstaan onder:
personen met langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperkingen die in hun interactie te kampen hebben met diverse drempels die hen kunnen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen in de samenleving te participeren;
dienst als bedoeld in artikel 230a;
natuurlijke of rechtspersoon die een dienst verleent op de markt van de Unie of aanbiedt consumenten in de Unie een dienst te verlenen;
natuurlijke persoon die een e-handelsdienst afneemt voor andere doeleinden dan zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit;
diensten die worden verleend op afstand, via websites en diensten op basis van mobiele apparaten, langs elektronische weg en op individueel verzoek van een consument met het oog op het sluiten van een overeenkomst;
Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (PbEU 2019, L 151).
1. De dienstverlener die e-handelsdiensten verricht jegens een consument ontwerpt en verleent die diensten in overeenstemming met de toegankelijkheidsvoorschriften in bijlage I, afdeling III en IV, onder g, en bijlage V bij richtlijn (EU) 2019/882.
2. Dienstverleners zijn verplicht tot:
a. het overeenkomstig bijlage V bij richtlijn (EU) 2019/882 opstellen van de vereiste informatie en toelichten van de manier waarop de diensten aan de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften voldoen;
b. het schriftelijk en mondeling ter beschikking stellen van informatie aan het publiek op een manier die mede toegankelijk is voor personen met een handicap;
c. het bewaren van die informatie zolang de dienst in werking is;
d. het toepassen van procedures die garanderen dat de dienstverlening in overeenstemming blijft met de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften;
e. het op gepaste wijze rekening houden met veranderingen in de dienstverlening, veranderingen in de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften, veranderingen in de geharmoniseerde normen of in technische specificaties op basis waarvan wordt verklaard dat een dienst aan de toegankelijkheidsvoorschriften voldoet;
f. het onmiddellijk treffen van corrigerende maatregelen indien de aangeboden dienst niet in overeenstemming is met de onderdelen a tot en met e.
1. Artikel 230fb is niet van toepassing op ondernemingen met minder dan 10 werknemers en een jaaromzet of een jaarlijks balanstotaal van ten hoogste 2 miljoen euro.
2. De in artikel 230fb bedoelde toegankelijkheidsvoorschriften zijn uitsluitend van toepassing voor zover de naleving ervan:
a. geen ingrijpende wijziging van een e-handelsdienst vereist die leidt tot een fundamentele wijziging van de wezenlijke aard ervan; of
b. geen onevenredige last voor de betrokken dienstverlener oplevert.
3. Dienstverleners die uit andere bronnen dan eigen middelen financiering ontvangen ter verbetering van de toegankelijkheid, ongeacht of het om publieke of particuliere financiering gaat, kunnen geen beroep doen op lid 2, onderdeel b.
1. Het verlenen van e-handelsdiensten wordt vermoed te voldoen aan de eisen, bedoeld in bijlage I, afdelingen III en IV, onderdeel g, van richtlijn (EU) 2019/882, indien is voldaan aan de met betrekking tot die richtlijn vastgestelde geharmoniseerde normen of delen daarvan, die betrekking hebben op de desbetreffende eisen.
2. Van een vermoeden van overeenstemming als bedoeld in lid 1 is sprake indien het verlenen van e-handelsdiensten voldoet aan:
a. de geharmoniseerde normen of delen daarvan waarvan de referenties bekend zijn gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en deze normen van kracht zijn;
b. de technische specificaties of delen daarvan, voor zover deze technische specificaties of delen daarvan die voorschriften bestrijken.
3. Het verlenen van e-handelsdiensten in overeenstemming met de eisen, bedoeld in bijlage I, afdeling VI, van richtlijn (EU) 2019/882, wordt vermoed te voldoen aan de verplichtingen inzake toegankelijkheid krachtens andere Uniehandelingen dan die richtlijn, tenzij in die andere Uniehandelingen anders wordt bepaald.
4. Het verlenen van e-handelsdiensten die voldoen aan de geharmoniseerde normen of technische specificaties of delen van die normen of specificaties, bedoeld in lid 2, onderdeel a of b, wordt vermoed in overeenstemming te zijn met lid 3, voor zover deze normen of technische specificaties of delen daarvan voldoen aan de toegankelijkheidsvoorschriften van richtlijn (EU) 2019/882.
De Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:
Na artikel 190 wordt een nieuw artikel 190aa ingevoegd, luidende:
1. Afdeling 2ab van titel 5 is niet van toepassing op e-handelsdiensten die voor het tijdstip van inwerkingtreding van die afdeling zijn verricht.
2. Dienstverleners als bedoeld in artikel 230fa van Boek 6 kunnen tot en met 27 juni 2030 hun diensten blijven verrichten met gebruikmaking van de e-handelsdiensten die zij vóór 28 juni 2030 al rechtmatig gebruikten bij het verlenen van vergelijkbare diensten.
3. Dienstverleningsovereenkomsten die door middel van e-handelsdiensten gesloten zijn vóór 28 juni 2025 kunnen ongewijzigd doorlopen totdat zij verstrijken, evenwel uiterlijk tot vijf jaar na die datum.
De Wet op het financieel toezicht wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 1:1 wordt in de alfabetische rangschikking een definitie ingevoegd, luidende:
richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (PbEU 2019, L 151);
B
Na artikel 4:22 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. Een aanbieder van krediet, bank, beleggingsonderneming, betaaldienstverlener of elektronischgeldinstelling die bankdiensten aan consumenten als bedoeld in artikel 3, onder 28, van de toegankelijkheidsrichtlijn verleent draagt er zorg voor dat die diensten voldoen aan bijlage I, afdelingen III en IV, onderdeel e, van die richtlijn.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toegankelijkheid van de in het eerste lid bedoelde bankdiensten, alsmede regels met betrekking tot:
a. de interne procedures om de toegankelijkheid tot die diensten voor personen met een handicap te waarborgen; en
b. de informatieverstrekking over die diensten.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op een onderneming met minder dan tien werknemers en een jaaromzet of een jaarlijks balanstotaal van ten hoogste 2 miljoen euro.
4. De bij of krachtens het eerste en tweede lid gestelde regels zijn slechts van toepassing voor zover de naleving van die regels geen ingrijpende wijziging van de bankdienst, resulterend in een significante wijziging van de aard van die bankdienst, vereist en geen onevenredige last voor de aanbieder van de bankdienst oplevert. De beoordeling of sprake is van een significante wijziging van de aard van de bankdienst en een onevenredige last geschiedt met inachtneming van de bij of krachtens artikel 14, tweede en zevende lid, van de toegankelijkheidsrichtlijn gestelde regels.
5. De aanbieder van een bankdienst die een beroep doet op het vierde lid neemt de in artikel 14, derde tot en met zesde en achtste lid, van de toegankelijkheidsrichtlijn opgenomen verplichtingen in acht.
C
In de bijlage bij artikel 1:79 en de bijlage bij artikel 1:80 wordt in de opsomming van artikelen in het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen in de numerieke volgorde ‘4:22.0a, eerste en tweede lid’ ingevoegd.
De Wet handhaving consumentenbescherming wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 1.1 worden in de alfabetische rangschikking van begripsbepalingen twee begripsbepalingen ingevoegd, luidende:
e-handelsdienst als bedoeld in artikel 230fa, onderdeel e, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek;
richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (PbEU 2019, L 151);
B
Aan hoofdstuk 8 wordt een artikel toegevoegd, luidende:
C
Na hoofdstuk 8 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:
1. Indien een dienstverlener als bedoeld in artikel 8.15 een beroep doet op artikel 230fc, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek voert hij een beoordeling uit om te kunnen bepalen of het naleven van de van toegankelijkheidsvoorschriften, bedoeld in bijlage I, afdelingen III en IV, onderdeel g, van richtlijn (EU) 2019/882 tot een fundamentele wijziging leidt, of overeenkomstig de desbetreffende criteria in bijlage VI van die richtlijn, een onevenredige last oplevert.
2. Indien het beroep, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op artikel 230fc, tweede lid, onderdeel b, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek voert de betrokken dienstverlener een nieuwe beoordeling uit ten minste een keer per vijf jaar en verder indien sprake is van:
a. een wijziging van de aangeboden dienst; of
b. een verzoek van de Autoriteit Consument en Markt onderscheidenlijk de Stichting Autoriteit Financiële Markten om een nieuwe beoordeling.
3. De betrokken dienstverlener documenteert de beoordeling, bedoeld in het tweede lid, en bewaart alle relevante resultaten gedurende een periode van vijf jaar nadat de e-handelsdienst op de markt is verleend. Op verzoek van de Autoriteit Consument en Markt onderscheidenlijk de Stichting Autoriteit Financiële Markten verstrekt de betrokken dienstverlener een exemplaar van de beoordeling.
4. Iedere dienstverlener die een beroep doet op artikel 230fc, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek verstrekt daarover informatie aan de Autoriteit Consument en Markt onderscheidenlijk de Stichting Autoriteit Financiële Markten.
1. Met het toezicht op de naleving van de wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel g van de bijlage bij deze wet, zijn belast de leden van het Commissariaat voor de Media en de bij besluit van het Commissariaat aangewezen medewerkers van het Commissariaat, bedoeld in artikel 7.11, tweede lid, van de Mediawet 2008.
2. Het Commissariaat voor de Media kan, indien naar zijn oordeel een overtreding van een van de wettelijke bepalingen als bedoeld in onderdeel g van de bijlage bij deze wet heeft plaatsgevonden:
a. een bestuurlijke boete opleggen;
b. een last onder dwangsom opleggen.
3. De in het tweede lid bedoelde bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie geldboete, bedoeld in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht.
1. Met het toezicht op de naleving van de wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel h van de bijlage bij deze wet, zijn belast de bij besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangewezen ambtenaren. Van dat besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan, indien naar zijn oordeel een overtreding van een van de wettelijke bepalingen als bedoeld in onderdeel h van de bijlage bij deze wet heeft plaatsgevonden:
a. een bestuurlijke boete opleggen;
b. een last onder dwangsom opleggen.
3. De in het tweede lid bedoelde bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie geldboete, bedoeld in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht.
D
De bijlage bij de wet wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan onderdeel a wordt een rij toegevoegd, luidende:
|
Artikelen 8.15 en 8a.1 van deze wet |
2. Er worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:
|
Het bepaalde krachtens de artikelen 5c, eerste lid, en 8, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte ter implementatie van de artikelen 2, 4, 5, 13, 14, 15 en 23 van richtlijn (EU) 2019/882 voor zover het e-boeken en specifieke software daarvoor en diensten die toegang verlenen tot audiovisuele mediadiensten betreft. |
|
Het bepaalde krachtens de artikelen 5c, eerste lid, en 8, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte ter implementatie van de artikelen 2, 4, 5, 13, 14, 15 en 23 van richtlijn (EU) 2019/882 voor zover het diensten voor personenvervoer per vliegtuig, per bus, per spoor, over water en stedelijke, voorstedelijke en regionale vervoersdiensten betreft. |
1. Dienstverleners als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (PbEU 2019 L 151) kunnen tot en met 27 juni 2030 hun diensten blijven verlenen met gebruikmaking van de producten die zij vóór 28 juni 2030 al rechtmatig gebruikten bij het verlenen van vergelijkbare diensten.
2. Dienstverleningscontracten die gesloten zijn vóór 28 juni 2025 kunnen ongewijzigd doorlopen totdat zij verstrijken, evenwel uiterlijk tot vijf jaar na die datum.
3. Zelfbedieningsterminals als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de richtlijn, bedoeld in het eerste lid, die vóór 28 juni 2025 rechtmatig zijn gebruikt voor het verlenen van diensten, kunnen tot het eind van hun economische levensduur maar niet langer dan 20 jaar na hun ingebruikname gebruikt worden bij het leveren van vergelijkbare diensten.
4. Dit artikel is, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek, niet van toepassing op dienstverleners van e-handelsdiensten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel f, van de richtlijn, bedoeld in het eerste lid, of daarop betrekking hebbende dienstverleningscontracten.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De Minister voor Langdurige Zorg en Sport,
Het onderhavige wetsvoorstel en de daarop te baseren uitvoeringsregelgeving strekt tot implementatie van Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (Pb EU 2019, L 151) (hierna: richtlijn). Deze richtlijn heeft tot doel een bijdrage te leveren aan het goed functioneren van de interne markt door middel van onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de toegankelijkheidsvoorschriften voor bepaalde producten en diensten aan personen met een handicap, in het bijzonder door belemmeringen voor het vrije verkeer van bepaalde producten en diensten als gevolg van uiteenlopende toegankelijkheidsvoorschriften in de lidstaten, weg te nemen en te doorbreken. De richtlijn heeft ook als doel deze producten en diensten toegankelijker te maken voor personen met een handicap om zo hun maatschappelijke participatie te vergroten. Het gaat, conform artikel 3 van de richtlijn, om personen met langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperkingen die in hun interactie te kampen hebben met diverse drempels die hen kunnen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen in de samenleving te participeren.
De richtlijn is op 27 juni 2019 in werking getreden en dient op uiterlijk 28 juni 2022 te zijn geïmplementeerd. De implementatiewet- en regelgeving dient uiterlijk op voornoemde datum bekend gemaakt te zijn. In de volgende paragrafen van dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op de achtergrond en hoofdlijnen van de richtlijn. In de daaropvolgende hoofdstukken wordt ingegaan op de hoofdlijnen van dit wetsvoorstel (hoofdstuk 2), de uitvoeringsaspecten (hoofdstuk 3), de consultatieparagraaf (hoofdstuk 4) en de artikelsgewijze toelichting (hoofdstuk 5). De transponeringstabel is als bijlage bij deze Memorie van Toelichting gevoegd.
De richtlijn heeft tot doel de voorschriften inzake toegankelijkheid voor bepaalde producten en diensten te harmoniseren, zodat de interne markt van de Europese Unie (hierna: EU) goed werkt door belemmeringen voor het vrije verkeer ten gevolge van uiteenlopende nationale voorschriften, weg te nemen en te voorkomen. De richtlijn geeft hiermee invulling aan de verplichtingen die voortvloeien uit het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap1 (hierna: verdrag). De EU is sinds 21 januari 2011 partij bij dit verdrag en het verdrag is door alle lidstaten geratificeerd. In dit verdrag is bepaald dat de partijen bij het verdrag passende maatregelen nemen om personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen de toegang te garanderen tot de fysieke omgeving, tot vervoer, tot informatie en communicatie, met inbegrip van informatie- en communicatietechnologieën en -systemen, en tot andere voorzieningen en diensten die openstaan voor of verleend worden aan het publiek, zowel in stedelijke als in landelijke gebieden. Het VN-comité voor de rechten van personen met een handicap heeft geconstateerd dat er een wetgevingskader nodig is met concrete, afdwingbare en tijdgebonden ijkpunten voor het toezicht op de geleidelijke invoering van toegankelijkheid.
Momenteel bestaan er binnen de Unie uiteenlopende nationale toegankelijkheidsvoorschriften. Door de extra kosten die nodig zijn om toegankelijke producten en diensten voor elke nationale markt te ontwikkelen en te verhandelen, hebben deze verschillen een negatief effect op het concurrentievermogen en de groei. De beperkte concurrentie tussen leveranciers brengt met zich mee dat gebruikers van producten en van hulptechnologieën en diensten worden geconfronteerd met hoge prijzen. De richtlijn heeft gelet daarop tot doel om deze uiteenlopende nationale toegankelijkheidsvoorschriften te harmoniseren. De richtlijn faciliteert zodoende de uitvoering van het verdrag in de EU met gemeenschappelijke EU-regels en draagt er voorts aan bij dat de lidstaten hun nationale afspraken en hun verplichtingen uit hoofde van het verdrag in verband met toegankelijkheid op geharmoniseerde wijze nakomen. Gelet op het toepassingsgebied van de richtlijn draagt deze ook bij aan een inclusievere samenleving en maakt deze het voor personen met een beperking gemakkelijker om zelfstandig te leven.
De richtlijn is van toepassing op de producten en diensten, opgesomd in artikel 2 van de richtlijn.2 Tot deze producten en diensten behoren onder meer:
• telefoons;
• computers en besturingssystemen daarvoor;
• betaalterminals, zoals een pinapparaat, en geldautomaten waar contact geld kan worden verkregen;
• zelfbedieningsterminals voor de aankoop van tickets voor personenvervoer via bus, spoor, water en lucht;
• bankdiensten voor consumenten, zoals consumptieve leningen, hypotheken en diensten met betrekking tot het opnemen en storten van geld;
• elektronische communicatiediensten, met inbegrip van bijvoorbeeld telefoon- en internetdiensten;
• het beantwoorden van noodcommunicatie via het noodnummer 112;
• toegangsdiensten tot audiovisuele mediadiensten zoals websites, onlinetoepassingen, en diensten op basis van mobiele apparaten, zoals mobiele applicaties en bijbehorende mediaspelers;
• elektronische lezers en boeken en
• elektronische handel, zoals webwinkels.
Het betreft hierbij producten die na 28 juni 2025 in de handel worden gebracht en diensten die na 28 juni 2025 aan consumenten worden verleend. Het is in beginsel niet toegestaan de bedoelde producten in de handel te brengen, respectievelijk de diensten te verlenen, tenzij wordt voldaan aan de in de richtlijn opgenomen toegankelijkheidsvoorschriften (artikel 4, eerste lid, richtlijn). In Bijlage I bij de richtlijn staan de van toepassing zijnde toegankelijkheidsvoorschriften opgesomd. Deze voorschriften betreffen zowel algemene voorschriften voor producten en diensten als specifieke voorschriften voor een aantal producten en diensten. Een voorbeeld van algemene voorschriften betreffen eisen inzake informatie over het gebruik van het product die op het product zelf is aangebracht (etiketten, instructies en waarschuwingen) en informatie over het product via andere manieren (zoals een website). Deze informatie moet beschikbaar gesteld worden via meer dan één zintuiglijk kanaal, bijvoorbeeld in leesbare tekst die tevens te beluisteren is met een voorleesfunctie. Daarnaast moet de informatie worden gepresenteerd op een begrijpelijke manier en moet er rekening worden gehouden met een passend lettertype, contrast, letter-, regel- en alinea-afstand. Verder worden er voorwaarden gesteld aan het aanpassen van producten. Een voorbeeld betreft het voorschrift dat het product geen bedieningswijzen heeft waarbij grote reikwijdte en veel kracht nodig zijn. Andere voorbeelden zijn dat de helderheid van een beeldscherm moet kunnen worden aangepast en het volume indien een product een geluidsfunctie heeft.
Zoals eerder genoemd zijn er in bijlage I ook specifieke eisen gesteld aan producten en diensten. Voor de producten zelfbedieningsterminals, e-readers en eindapparatuur voor elektronische communicatiediensten worden aanvullende specifieke eisen gesteld (afdeling I). Zo geldt voor zelfbedieningsterminals onder andere dat zij zijn voorzien van technologie voor het omzetten van tekst in spraak; kunnen worden beluisterd met een eigen koptelefoon, en dat zij via meer dan één zintuiglijk kanaal een waarschuwing afgeven indien de gebruiker binnen een gegeven tijd reageren moet. Elektronische lezers dienen te zijn voorzien van technologie voor het omzetten van tekst in spraak.
Voor een aantal diensten gelden ook specifieke voorwaarden (afdeling IV). Het gaat om elektronische communicatiediensten (inclusief noodcommunicatie), diensten die toegang geven tot audiovisuele mediadiensten, diensten voor personenvervoer per vliegtuig, bus, trein of over water, bankdiensten, e-boeken en e-handelsdiensten. Zo geldt voor bankdiensten voor consumenten dat er wordt gezorgd voor identificatiemethoden, elektronische ondertekening, beveiliging en betalingsdiensten die waarneembaar, bedienbaar, begrijpelijk en robuust zijn, en dient er voor gezorgd te worden dat de informatie begrijpelijk is, namelijk maximaal op B2 niveau (hoger middenniveau) van het gemeenschappelijk Europees referentiekader voor talen van de Raad van Europa. Voor e-boeken geldt dat door ervoor gezorgd moet worden, dat wanneer een e-boek naast tekst ook audio bevat, de tekst en audio gesynchroniseerd zijn, en dat de digitale bestanden van het e-boek niet beletten dat hulptechnologie naar behoren functioneert.
De toegankelijkheidsvoorschriften worden verder toegelicht in paragraaf 2.3 van deze Memorie van Toelichting.
Bijlage II bevat indicatieve niet-bindende voorbeelden van mogelijke oplossingen die bijdragen aan naleving van de toegankelijkheidsvoorschriften die zijn opgenomen in bijlage I.
De richtlijn legt verplichtingen op aan marktdeelnemers die zich met producten bezighouden – te weten, fabrikanten, gemachtigden, importeurs en distributeurs – of aan dienstverleners. Hieronder zal globaal per categorie deelnemer worden aangegeven welke verplichtingen er gelden.
Fabrikanten dienen hun producten te ontwerpen en vervaardigen overeenkomstig de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften, rekening houdend met latere wijzigingen in de geharmoniseerde normen. Zij dienen de technische documentatie op te stellen, een conformiteitsbeoordeling uit te (laten) voeren en zij dienen over procedures te beschikken om een continue conformiteit van hun serieproductie met de richtlijn te waarborgen. Voorts moeten zij het product vergezeld laten gaan van gemakkelijk te begrijpen instructies en veiligheidsinformatie (artikel 7, richtlijn).
Een gemachtigde voert de taken uit die vermeld zijn in het mandaat dat hij van de fabrikant heeft ontvangen, en mag op grond daarvan ten minste een drietal handelingen verrichten. Gedurende vijf jaar mag hij de EU-conformiteitsverklaring en de technische documentatie ter beschikking van de markttoezichtautoriteiten houden. Voorts mag hij ten aanzien van een gemotiveerd verzoek van de bevoegde nationale autoriteit alle benodigde informatie en documentatie verstrekken ter staving van de conformiteit van het product en op verzoek van de bevoegde nationale autoriteiten meewerken aan alle maatregelen die getroffen worden om de non- conformiteit met de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften van onder hun mandaat vallende producten weg te nemen.
Importeurs mogen uitsluitend conforme producten in de handel brengen. Zij zien erop toe dat het product de conformiteitsbeoordeling heeft doorlopen, vergezeld gaat van de noodzakelijke technische documentatie, met inbegrip van instructies in een taal die de gebruikers gemakkelijk kunnen begrijpen, en dat het product voorzien is van de CE-markering. Zij mogen een product waarvan zij menen dat het niet aan de toegankelijkheidsvoorschriften voldoet, niet in de handel brengen, in welk geval zij tevens de fabrikant en de toezichthouders daarvan op de hoogte brengen (artikel 9, richtlijn).
Distributeurs dienen zich ervan te vergewissen, voordat zij producten op de markt aanbieden, dat de vereiste CE-markering op het product is aangebracht en dat het product vergezeld gaat van de vereiste documenten (artikel 10, richtlijn).
Fabrikanten, importeurs en distributeurs moeten onmiddellijk maatregelen nemen als zij ontdekken dat het product niet meer aan de wetgeving voldoet.
Dienstverleners dienen hun diensten te ontwerpen en verlenen in overeenstemming met de op de betreffende dienst van toepassing zijnde toegankelijkheidsvoorschriften van de richtlijn. Zij dienen te zorgen voor procedures om aan de toegankelijkheidsvoorschriften te blijven voldoen. Voorts dienen zij aan het publiek schriftelijke en mondelinge informatie over de aangeboden dienst ter beschikking te stellen die gemakkelijk toegankelijk is voor mensen met een handicap, en uit te leggen op welke manier de dienst aan de toegankelijkheidsvoorschriften voldoet (artikel 13, richtlijn). Ook voor dienstverleners geldt dat zij onmiddellijk maatregelen moeten treffen als hun dienst niet meer in overeenstemming is met de richtlijn.
Marktdeelnemers zijn niet gehouden om onder alle omstandigheden de toegankelijkheidsvoorschriften van de richtlijn na te leven. De richtlijn voorziet in de mogelijkheid voor marktdeelnemers om een beoordeling uit te voeren om te kunnen bepalen of het naleven van de toegankelijkheidsvoorschriften tot een fundamentele wijziging leidt of een onevenredige last oplevert. Een fundamentele wijziging ziet op de wezenlijke aard van een product of dienst, terwijl de onevenredige last betrekking heeft op de financiële gevolgen waartoe het naleven van de toegankelijkheidsvoorschriften zou leiden. Hoewel in artikel 14, lid 1 van de richtlijn ‘en’ wordt gebruikt, wat de indruk wekt dat sprake is van twee cumulatieve voorwaarden, is dit niet het geval, en kan een beroep gedaan worden op één van beide uitzonderingsmogelijkheden3. In het tweede lid wordt ‘of’ gebruikt. In bijlage IV onder 2 wordt ‘of’ gebruikt. In overweging 68 staat ‘en/of’, in overweging 80 staat ‘of’. De hierbij te volgen procedure is nader omschreven in artikel 14 van de richtlijn en de hierbij geldende criteria inzake de onevenredige last zijn opgenomen in bijlage VI van de richtlijn. Marktdeelnemers kunnen naar eigen beoordeling gebruik maken van de uitzonderingen die de richtlijn biedt en hoeven niet actief om toestemming te vragen. Wel moeten zij, met uitzondering van micro-ondernemingen, de beoordeling documenteren en deze kunnen overhandigen wanneer een toezichthouder daarom vraagt.
Wat betreft de fundamentele wijziging van de wezenlijke aard van de dienst of het product is in artikel 14 van de richtlijn bepaald dat de toegankelijkheidsvoorschriften uitsluitend van toepassing zijn voor zover de naleving ervan geen ingrijpende wijziging van een product of dienst vereist, resulterend in een fundamentele wijziging van de wezenlijke aard ervan. Aan de hand van deze bepaling is het aan de marktdeelnemer om in zijn beoordeling vast te leggen dat van een dergelijke wijziging sprake is, en de toegankelijkheidsvoorschriften niet van toepassing zijn.
Voor wat betreft de onevenredige last bevat bijlage VI van de richtlijn een uitvoerige opsomming van criteria voor het uitvoeren en documenteren van de beoordeling of sprake is van een dergelijke last.
Deze criteria zijn verdeeld in drie hoofdcriteria:
1. Verhouding van de nettokosten van de naleving van de toegankelijkheidsvoorschriften tot de totale kosten (exploitatie- en investeringsuitgaven) van de vervaardiging, distributie of invoer van het product voor, of het verlenen van de dienst aan, de marktdeelnemers.
2. De geraamde kosten en baten voor de marktdeelnemers, inclusief productieprocessen en investeringen, in verhouding tot de geraamde voordelen voor personen met een handicap, rekening houdend met aantal keer dat het specifieke product of de specifieke dienst is gebruikt, en de frequentie van dat gebruik.
3. Verhouding van de nettokosten van de naleving van de toegankelijkheidsvoorschriften tot de netto-omzet van de marktdeelnemer.
Hoofdcriteria 1 en 3 die zijn onderverdeeld in elementen, die op hun beurt weer zijn onderverdeeld in criteria:
Elementen voor de beoordeling van de nettokosten voor de naleving van de toegankelijkheidsvoorschriften:
a) criteria met betrekking tot eenmalige organisatiekosten die in de beoordeling moeten worden meegenomen:
i) kosten voor extra personeel met expertise op het gebied van toegankelijkheid;
ii) kosten voor opleiding van personeel en competentieverwerving op het gebied van toegankelijkheid;
iii) kosten voor de ontwikkeling van een nieuwe procedure ter integratie van toegankelijkheid in de productontwikkeling of dienstverlening;
iv) kosten voor de ontwikkeling van richtsnoeren inzake toegankelijkheid;
v) eenmalige kosten voor het leren begrijpen van de wetgeving inzake toegankelijkheid;
b) criteria met betrekking tot de lopende productie- en ontwikkelingskosten die in de beoordeling moeten worden meegenomen:
i) kosten voor het ontwerpen van de toegankelijkheidsfuncties van het product of de dienst;
ii) kosten van de productieprocessen;
iii) kosten voor het testen van een product of dienst op toegankelijkheid;
iv) kosten met betrekking tot het samenstellen van documentatie.
Elementen voor het beoordelen van de nettokosten van de naleving van de toegankelijkheidsvoorschriften:
a) criteria met betrekking tot eenmalige organisatiekosten die in de beoordeling moeten worden meegenomen:
i) kosten voor extra personeel met expertise op het gebied van toegankelijkheid;
ii) kosten voor opleiding van personeel en competentieverwerving op het gebied van toegankelijkheid;
iii) kosten voor de ontwikkeling van een nieuwe procedure ter integratie van toegankelijkheid in de productontwikkeling of dienstverlening;
iv) kosten voor de ontwikkeling van richtsnoeren inzake toegankelijkheid;
v) eenmalige kosten voor het leren begrijpen met de wetgeving inzake toegankelijkheid.
b) criteria met betrekking tot de lopende productie- en ontwikkelingskosten die in de beoordeling moeten worden meegenomen:
i) kosten voor het ontwerpen van de toegankelijkheidsfuncties van het product of de dienst;
ii) kosten van de productieprocessen;
iii) kosten voor het testen van een product of dienst op toegankelijkheid;
iv) kosten met betrekking tot het samenstellen van documentatie.
Micro-ondernemingen
Een categorie die vrijgesteld is van de toegankelijkheidsvoorschriften en van elke verplichting in verband met de naleving van die voorschriften, betreft micro-ondernemingen die diensten aanbieden (artikel 4, richtlijn). De richtlijn definieert een micro-onderneming als een onderneming met minder dan 10 werknemers en een jaaromzet of een jaarlijks balanstotaal van ten hoogste 2 miljoen euro. De reden dat voornoemde ondernemingen worden vrijgesteld, is dat het uitvoeren van de in artikel 14 van de richtlijn omschreven beoordeling voor dienstverlenende micro-ondernemingen op zichzelf een onevenredige last zou vormen. Micro-ondernemingen die producten aanbieden moeten de voorschriften wel naleven.
Om alle micro-ondernemingen er, met het oog op een groter concurrentievermogen en groeipotentieel ervan in de interne markt, aan te moedigen om producten te vervaardigen, in te voeren of te distribueren en diensten te verlenen die voldoen aan de toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn, gebiedt de richtlijn de lidstaten micro-ondernemingen de nodige richtsnoeren en instrumenten te geven om de toepassing van de nationale maatregelen ter omzetting van deze richtlijn te faciliteren. De lidstaten dienen die instrumenten te ontwikkelen in samenspraak met relevante belanghebbenden. Als relevante belanghebbenden noemt de richtlijn in overweging 96 personen met een handicap en organisaties die hen vertegenwoordigen. Daarnaast kan worden gedacht aan marktdeelnemers en organisaties die hen vertegenwoordigen.
Naast verplichtingen voor marktdeelnemers bevat de richtlijn ook verplichtingen voor de lidstaat. Lidstaten dienen te zorgen voor handhaving van de bepalingen van de richtlijn (artikel 29) en voor het vaststellen van sancties (artikel 30), waartoe uiteraard ook toezichthouders zullen moeten worden aangewezen. Dit betreft het toezicht op de naleving door de marktdeelnemers van het bij of krachtens deze wet bepaalde. In dit verband wordt voor de volledigheid ook gewezen op de artikelen 19, 20, 21 en 22 waarin een procedure voor het markttoezicht op producten is neergelegd, en artikel 23 waarin is geregeld dat lidstaten dienen te zorgen voor procedures inzake conformiteit van diensten.
De Europese Commissie kan gedelegeerde en uitvoeringshandelingen vaststellen tot wijziging van technische aspecten van de richtlijn en kan de Europese normalisatieorganisaties verzoeken om geharmoniseerde normen voor de toegankelijkheidsvoorschriften op te stellen of om onder bepaalde voorwaarden technische specificaties vast te leggen. Voorts bepaalt de richtlijn dat de Europese Commissie een werkgroep opricht die bestaat uit vertegenwoordigers van de autoriteiten voor markttoezicht en de conformiteit van diensten, en uit belanghebbenden, waaronder belangenorganisaties van personen met een handicap, om onder meer de uitwisseling van informatie en beste praktijken te bevorderen, de samenwerking tussen autoriteiten en belanghebbenden te bevorderen (artikel 28, richtlijn).
Zoals hiervoor is vermeld, heeft de richtlijn betrekking op een breed scala aan producten en diensten. Deze producten en diensten vallen onder de verantwoordelijkheid van de volgende departementen: Financiën, Infrastructuur en Waterstaat, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Economische Zaken en Klimaat, Justitie en Veiligheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Het ministerie van VWS coördineert de implementatie van de richtlijn, gelet op haar coördinerende rol op het toegankelijkheidsdossier. Alle voornoemde departementen zijn betrokken geweest bij de totstandkoming van het onderhavige wetsvoorstel.
Voor de implementatie van de richtlijn is, overeenkomstig aanwijzing 9.7 van de aanwijzingen voor de regelgeving, aansluiting gezocht bij de verschillende sectorale wetten. Dit betekent dat de regels over producten worden geïmplementeerd in de Warenwet en daarop te baseren uitvoeringsregelgeving. Deze wet ziet onder andere op technisch voortgebrachte waren, een categorie die verwant is aan de producten waarop de richtlijn ziet. Hierbij wordt opgemerkt dat – anders dan in de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ) – ter uitvoering van de richtlijn ook eisen worden gesteld aan het ontwerpen en vervaardigen van producten, hetgeen in de Warenwet en daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving reeds gebruikelijk is. Implementatie in de Warenwet leidt ertoe dat de reikwijdte van die wet wordt uitgebreid met het gebied ‘toegankelijkheid’.
In de tweede plaats betekent dit dat de implementatie van regels over diensten plaatsvindt in een aantal sectorale wetten, namelijk in de Wet op het financieel toezicht (Wft) indien het gaat om bankdiensten voor consumenten zoals opgenomen in artikel 3, onder 28, van de richtlijn, de Telecommunicatiewet, waarin de regels over elektronische communicatiediensten worden geïmplementeerd en in het Burgerlijk Wetboek voor zover het gaat om e-handelsdiensten.
Voor diensten waarvoor geen geëigend sectoraal instrumentarium voorhanden is worden de nodige wettelijke grondslagen toegevoegd in paragraaf 3 van de WGBH/CZ. Hiertoe worden twee artikelen (5c en 5d) toegevoegd. De regels over bepaalde elementen van personenvervoer (artikel 2, tweede lid, onder c van de richtlijn), over diensten die toegang verlenen tot audiovisuele mediadiensten (artikel 2, tweede lid, onder b van de richtlijn) en de regels over e-boeken (artikel 2, tweede lid, onder e van de richtlijn) worden neergelegd in op artikel 5c en 5d WGBH/CZ te baseren uitvoeringsregelgeving. Wat betreft de regels over bepaalde elementen van personenvervoer wijst de regering erop dat regels over de algemene toegankelijkheid van openbaar vervoer thans ook zijn opgenomen in uitvoeringsregelgeving, gebaseerd op de WGBH/CZ (artikel 2a van de richtlijn). Bij die systematiek wordt zodoende aangesloten. Met ingang van inwerkingtreding van de richtlijn worden die regels over openbaar vervoer, voor zover zij betrekking hebben op de implementatie van de richtlijn, gebaseerd op de artikelen 5c en 5d WGBH/CZ.
In paragraaf 2.3 wordt nader ingegaan op de in dit wetsvoorstel opgenomen aanpassingswetgeving.
Het wetsvoorstel betreft zuivere implementatie, nu uitsluitend regels worden opgenomen die noodzakelijk zijn voor de implementatie. Van de mogelijkheden die artikel 32, tweede lid, van de richtlijn inzake overgangsmaatregelen biedt, wordt gebruik gemaakt. Van de mogelijkheden die artikel 4, vierde lid, van de richtlijn inzake de bebouwde omgeving biedt wordt geen gebruik gemaakt.
De richtlijn bevat geen verplichting om wijzigingen door te voeren in het Bouwbesluit of het Besluit bouwwerken leefomgeving, dat het Bouwbesluit gaat vervangen. De gebouwde omgeving valt namelijk niet onder het toepassingsbereik van de richtlijn zoals neergelegd in artikel 2 van de richtlijn en bevat in die zin geen verplichtingen voor de gebouwde omgeving. Op grond van artikel 4, vierde lid. van de richtlijn is een facultatieve mogelijkheid opgenomen voor lidstaten om regels te stellen met betrekking tot de toegankelijkheid van de gebouwde omgeving overeenkomstig bijlage III van de richtlijn. Van deze mogelijkheid hoeft geen gebruik gemaakt te worden omdat er al aangesloten wordt bij het doel van dit facultatieve artikel via bestaande nationale regelgeving en beleid. In het Bouwbesluit worden reeds eisen gesteld met betrekking tot toegankelijkheid, zoals bijvoorbeeld neergelegd in artikel 4.24, 4.25, 4.26, 4.27 en 6.48/6.49 en de regelgeving hieromtrent blijft in ontwikkeling. Daarnaast wordt er door het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) op nationaal niveau gewerkt aan een uitgebreide norm over het vergroten van de toegankelijkheid van gebouwen. Deze vrijwillige norm wordt momenteel ontwikkeld en geeft bouwende partijen een richtlijn om toegankelijk te bouwen.
Hieronder wordt nader ingegaan op het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (hierna: verdrag) en enkele bepalingen van de WGBH/CZ die daaraan uitvoering geven, omdat dit van belang is voor een goed begrip van de verhouding van die wet tot de onderhavige implementatiewet.
Personen met een handicap worden nogal eens geconfronteerd met obstakels die het voor hen moeilijk of onmogelijk maken mensenrechten en fundamentele vrijheden uit te oefenen, een zelfstandig leven te leiden of te participeren in de samenleving. Het doel van het verdrag is om het volledige genot door personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden, op voet van gelijkheid te bevorderen, te beschermen en te waarborgen, en ook de eerbiediging van hun inherente waardigheid te bevorderen (artikel 1, verdrag). Het verdrag roept geen nieuwe rechten in het leven, maar geeft een verder toegepaste uitwerking van de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit bestaande mensenrechtenverdragen.4 In het verdrag speelt het beginsel van gelijke behandeling of non-discriminatie een centrale rol. Om rechten te kunnen uitoefenen op voet van gelijkheid met anderen is toegankelijkheid voor personen met een handicap zeer belangrijk. Toegankelijkheid wordt in artikel 3 van het verdrag dan ook genoemd als een van de algemene beginselen. Toegankelijkheid ziet op het wegnemen van obstakels en bestrijkt een groot gebied. Het gaat niet alleen over de toegankelijkheid van de fysieke omgeving, maar ook over de toegang tot vervoer, informatie en communicatie en tot andere voorzieningen en diensten die openstaan voor of verleend worden aan het publiek.
Het verdrag kent ook het begrip ‘redelijke aanpassingen’. Volgens de definitie (artikel 2, verdrag) gaat het bij redelijke aanpassingen om aanpassingen die in een specifiek geval nodig zijn. Bij toegankelijkheid als bedoeld in het verdrag gaat het juist om toegankelijkheid in het algemeen. Vanzelfsprekend is er wel een verband tussen toegankelijkheid en redelijke aanpassingen. Gesteld kan worden dat hoe toegankelijker de samenleving is, hoe minder aanpassingen in specifieke gevallen nodig zullen zijn.
Het eerste lid van artikel 9 van het verdrag verplicht partijen passende maatregelen te nemen teneinde personen met een handicap in staat te stellen zelfstandig te leven en volledig deel te nemen aan alle facetten van het leven. Het eerste lid bepaalt tevens dat die maatregelen onder andere van toepassing zijn op gebouwen, wegen, vervoer en andere voorzieningen in gebouwen en daarbuiten (met inbegrip van scholen, huisvesting, medische voorzieningen en werkplekken) en op informatie, communicatie en andere diensten (met inbegrip van elektronische diensten en nooddiensten). Het tweede lid geeft een opsomming van maatregelen die verdragsstaten dienen te nemen. Op het gebied van toegankelijkheid van het (personen)vervoer wordt navolgend onderscheid gemaakt tussen de verschillende vervoersectoren over de weg (openbaar vervoer, taxivervoer en besloten busvervoer), scheepvaart en luchtvaart. De maatregelen betreffen overwegend het garanderen van toegang tot vervoervoorzieningen (vervoermiddelen en stations), het vermijden en wegnemen van obstakels van barrières en het bieden van personele begeleiding naar en in het vervoer.
De richtlijn stelt specifieke toegankelijkheidseisen aan producten en diensten. De hiervoor genoemde verdragsbepalingen blijven onverminderd van toepassing. In de volgende alinea wordt ingegaan op de regelgeving ter uitvoering van het verdrag. De richtlijn heeft primair als doel een bijdrage te leveren aan het goed functioneren van de interne markt, in het bijzonder door belemmeringen voor het vrije verkeer van bepaalde toegankelijke producten en diensten ten gevolge van uiteenlopende toegankelijkheidsvoorschriften in de lidstaten, weg te nemen en te voorkomen. Dit zou de beschikbaarheid van toegankelijke producten en diensten in de interne markt vergroten en de toegankelijkheid van relevante informatie verbeteren. Hierdoor beoogt de richtlijn bij te dragen aan de volledige en effectieve participatie op voet van gelijkheid door te zorgen voor betere toegang tot veelgebruikte producten en diensten die door hun oorspronkelijke vormgeving of latere aanpassing tegemoetkomen aan de specifieke behoeften van personen met een handicap. Een omgeving waar producten en diensten beter toegankelijk zijn, draagt bij aan een inclusievere samenleving en maakt het voor personen met een handicap gemakkelijker om zelfstandig te leven. Deze richtlijn doet dan ook geen afbreuk aan de toegankelijkheid, zoals ook volgt uit het advies van het College van de Rechten van de Mens, maar beoogt deze juist te vergroten. Dit advies komt terug in hoofdstuk 4 Consultatie en advies.
De WGBH/CZ is ter uitvoering van het verdrag in Nederland met ingang van 14 juni 2016 gewijzigd. Personen met een beperking kunnen sindsdien de bescherming van deze wet inroepen in geval van discriminatie op het brede terrein van goederen en diensten. Artikel 5b WGBH/CZ bepaalt daartoe dat het verboden is onderscheid te maken bij het aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen of diensten en bij het sluiten, uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten.
Deze uitbreiding bracht in de eerste plaats met zich dat de in artikel 2 van de WGBH/CZ opgenomen verplichting om naar gelang de behoefte doeltreffende aanpassingen te verrichten, ook op het terrein goederen en diensten van toepassing werd. Het terrein goederen en diensten als bedoeld in de WGBH/CZ omvat niet het ontwerpen en produceren van goederen en diensten, zodat de verplichting om redelijke aanpassingen te treffen niet van toepassing is op het ontwerpen en produceren. Bij doeltreffende aanpassingen gaat het om aanpassingen die in een concrete situatie nodig zijn. Het is een verplichting die afhankelijk van de specifieke situatie ingevuld dient te worden. De verplichting geldt niet als het een onevenredige belasting vormt. Naast de verplichting om desgevraagd doeltreffende aanpassingen voor een individu te treffen, werd met de uitbreiding van de WGBH/CZ voor aanbieders van goederen en diensten in artikel 2a ook de verplichting opgenomen om geleidelijk zorg te dragen voor de algemene toegankelijkheid voor personen met een handicap of chronische ziekte, tenzij dat een onevenredige belasting vormt. De verplichting om zorg te dragen voor algemene toegankelijkheid ontstaat, anders dan bij een doeltreffende aanpassing als bedoeld in artikel 2 WGHB/CZ, niet pas als een individu daar om vraagt. Om duidelijkheid te scheppen over hoe ver de verplichting tot algemene toegankelijkheid reikt, is in artikel 2a, lid 2, vastgelegd dat over de inhoud hiervan bij AMvB nadere regels gesteld worden gesteld, welke in ieder geval betrekking op de geleidelijke verwezenlijking ervan, op het treffen van voorzieningen van eenvoudige aard en op de evenredigheid van de belasting. Het Besluit toegankelijkheid voor personen met een handicap of chronische ziekte geeft hieraan uitvoering. In dat besluit is bepaald dat binnen de verschillende sectoren van de terreinen waarop artikel 2a van toepassing is, actieplannen tot stand worden gebracht. Daarin wordt beschreven op welke wijze een sector werkt aan de geleidelijke verwezenlijking van de algemene toegankelijkheid.
Na inwerkingtreding van de onderhavige implementatiewet en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving blijven de bovengenoemde bepalingen van de WGBH/CZ onverkort van toepassing. De toegankelijkheidseisen die voor producten en diensten gaan gelden, doen daaraan niet af. Daarnaast zal dus gelden, ter zake van goederen en diensten die onder de werkingssfeer van de richtlijn vallen, dat met ingang van 28 juni 2025 aan de regelgeving ter uitvoering van de richtlijn moet worden voldaan (tenzij beroep wordt gedaan op het overgangsrecht). Dat betekent dat deze goederen en diensten vanaf dat tijdstip alleen in de handel mogen worden gebracht of alleen mogen worden aangeboden indien aan de in de implementatieregelgeving voorgeschreven toegankelijkheidsvoorschriften is voldaan (met uitzondering van de producten en diensten waarvoor gebruik is gemaakt van de uitzonderingsgronden uit artikel 14 van de richtlijn). Daarop zal worden toegezien door de toezichthouders die zijn aangewezen bij of krachtens de in deze implementatiewet genoemde sectorale wetten (zie hoofdstuk 3).
Zoals aan het slot van paragraaf 2.1 is aangeven wordt hieronder ingegaan op de wetten die met dit wetsvoorstel worden aangepast.
Alvorens in te gaan op de wijzigingen van de afzonderlijke wetten, zal omwille van de duidelijkheid eerst worden ingegaan op de vereisten van de bijlagen I – Algemene toegankelijkheidsvoorschriften voor alle producten die onder de richtlijn vallen – en bijlage V – informatie over diensten die aan toegankelijkheidsvoorschriften voldoen. Dit is mede van belang omdat krachtens diverse wetten die via het voorliggende wetsvoorstel worden gewijzigd nadere regelgeving tot stand zal worden gebracht waarvoor onderstaande toegankelijkheidsvoorschriften van betekenis zijn.
Bijlage I bij de richtlijn bevat de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten. De bijlage is onderverdeeld in een zevental afdelingen. Deze afdelingen bevatten algemene en specifieke toegankelijkheidsvoorschriften voor producten, diensten en het Europese noodnummer ‘112’.
De voorschriften uit Afdeling I zijn onderverdeeld in drie categorieën:
1. Voorschriften betreffende informatieverstrekking;
2. Ontwerp van de gebruikersinterface en van de functionaliteit;
3. Ondersteunende diensten.
De eerste categorie voorschriften kan worden onderverdeeld in twee subcategorieën, a en b, met elk een opsomming van vereisten.
Subcategorie a betreft de informatie over het gebruik van het product die op het product zelf is aangebracht (etiketten, instructies en waarschuwingen). Hierbij geldt dat de informatie beschikbaar gesteld wordt via meer dan één zintuiglijk kanaal, wordt gepresenteerd op een begrijpelijke manier en op een voor de gebruikers waarneembare manier, en met gebruikmaking van lettertypes in geschikte grootte en vorm, rekening houdend met de te verwachten gebruiksomstandigheden, alsmede met gebruikmaking van voldoende contrast en een aanpasbare letter-, regel- en alinea-afstand.
Subcategorie b betreft de instructies voor het gebruik van een product, indien die niet op het product zelf zijn aangebracht maar die worden aangeboden bij het gebruik van het product of op een andere wijze zoals via een website, onder meer ten aanzien van de toegankelijkheidsfuncties van het product, hoe ze geactiveerd worden en de interoperabiliteit ervan met hulpvoorzieningen, zijn bij het in de handel brengen openbaar toegankelijk. Ook hier geldt dat de instructies beschikbaar gesteld moeten worden via meer dan één zintuiglijk kanaal, gepresenteerd worden op een begrijpelijke manier en een voor de gebruikers waarneembare manier en met gebruikmaking van lettertypes in geschikte grootte en vorm, rekening houdend met de te verwachten gebruiksomstandigheden, alsmede met gebruikmaking van voldoende contrast en een aanpasbare letter-, regel- en alinea-afstand.
Voorts geldt dat wat de inhoud betreft, de instructies worden weergegeven in tekstformats die in alternatieve hulpformats kunnen worden omgezet, zodat zij op verschillende manieren en via meer dan één zintuiglijk kanaal kunnen worden aangeboden, vergezeld worden van:
• een alternatieve weergave van niet-tekstuele inhoud, van een beschrijving van de gebruikersinterface van het product;
• een beschrijving van de functionaliteit van het product zijnde het resultaat van functies die gericht zijn op de behoeften van personen met een handicap, in de beschrijving wordt voor elk punt aangegeven of het product al dan niet van deze functies voorzien is;
• een beschrijving van de software- en apparatuurinterface voor aansluiting van het product op hulpapparaten; de beschrijving omvat een lijst van dergelijke tegelijkertijd met het product geteste hulpapparaten.
De tweede categorie betreft het ontwerp van de gebruikersinterface en van de functionaliteit. Het product, met inbegrip van zijn gebruikersinterface, bevat kenmerken, elementen en functies waardoor personen met een handicap toegang hebben tot het product, en het product kunnen waarnemen, bedienen, begrijpen en controleren. Dit gebeurt door er voor te zorgen dat:
a) bij een product dat zorgt voor communicatie (waaronder communicatie tussen personen), bediening, informatie, controle en oriëntatie, deze functies via meer dan één zintuiglijk kanaal mogelijk zijn; daartoe behoort het aanbieden van alternatieven voor zien, horen, spraak en tactiele elementen;
b) bij een product met een spraakfunctie alternatieven voor spraak en steminvoer aanwezig zijn voor communicatie, bediening, controle en oriëntatie;
c) bij een product dat gebruik maakt van visuele elementen de functies flexibele vergroting, helderheid en contrast aanwezig zijn voor communicatie, informatie en bediening, en er is interoperabiliteit met de programma’s en hulpapparaten voor navigatie door de interface;
d) bij een product dat voor het overbrengen van informatie, het weergeven van een handeling, het vragen om een reactie of het identificeren van elementen gebruik maakt van kleur er een alternatief voor kleur voorhanden is;
e) bij een product dat voor het overbrengen van informatie, het weergeven van een handeling, het vragen om een reactie of het identificeren van elementen gebruik maakt van auditieve signalen er een alternatief voor auditieve signalen voorhanden is;
f) bij een product dat gebruik maakt van visuele elementen er flexibele manieren voorhanden zijn om de helderheid van het beeld te verbeteren;
g) bij een product dat gebruik maakt van auditieve elementen er functies zijn voor volume- en snelheidsregeling door de gebruiker voorhanden, evenals verbeterde audiofuncties, zoals vermindering van geluidsinterferentie van producten in de nabijheid en functies voor een helder geluid;
h) bij een product met manuele bediening en controle er alternatieven zijn voor sequentiële controle en alternatieven voor fijn-motorische controle voorhanden, waarbij wordt vermeden dat voor het gebruik simultane controle nodig is, en wordt gebruikgemaakt van via tast te onderscheiden onderdelen;
i) het product geen bedieningswijzen heeft waarbij grote reikwijdte en veel kracht nodig zijn;
j) het product niet tot aanvallen van foto-sensitieve epilepsie kan leiden;
k) het product de privacy van de gebruiker bij het gebruik van de toegankelijkheidsfuncties beschermt;
l) het product een alternatief voor biometrische identificatie en controle biedt;
m) de functionaliteit van het product consistent is en het voldoende en flexibele interactietijd biedt;
n) het product is voorzien van software en apparatuur voor aansluiting van het product op hulptechnologieën;
o) het product beantwoordt aan de volgende sectorspecifieke voorschriften:
i) zelfbedieningsterminals:
– zijn voorzien van technologie voor het omzetten van tekst in spraak;
– kunnen worden beluisterd met een eigen koptelefoon;
– geven via meer dan één zintuiglijk kanaal een waarschuwing af indien de gebruiker binnen een gegeven tijd reageren moet;
– bieden de mogelijkheid de tijd waarin voorzien wordt te verlengen;
– bieden voldoende contrast en zijn voorzien van toetsen en bedieningen die via tast te onderscheiden zijn;
– kunnen zonder inschakeling van een toegankelijkheidsfunctie gebruikt worden door gebruikers die de functie nodig hebben om de terminal aan te zetten;
– zijn, indien het product audiosignalen of hoorbare signalen verspreidt, compatibel met in de Unie beschikbare hulpapparaten en technologieën, met inbegrip van gehoortechnologieën als gehoorapparaten, luisterspoelen, cochleaire implantaten en apparatuur voor ondersteund horen;
ii) e-lezers zijn voorzien van technologie voor het omzetten van tekst in spraak;
iii) eindapparatuur voor gebruik door consumenten, met interactieve computerfuncties, voor gebruik voor elektronische communicatiediensten:
– beschikt, indien voorzien van stem- en tekstfuncties, over verwerking van realtimetekst en ondersteunt hifi- audio;
– beschikt, indien voorzien van videofuncties naast of in combinatie met stem- en tekstfuncties, over verwerking van totale conversatie met gesynchroniseerde stem, realtimetekst en video met een resolutie die communicatie via gebarentaal mogelijk maakt;
– beschikt over doeltreffende draadloze koppeling met gehoortechnologieën;
– vermijdt interferentie met hulpapparaten;
iv) eindapparatuur voor gebruik door consumenten, met interactieve computerfuncties, voor toegang tot audiovisuele mediadiensten maakt voor personen met een handicap de door de verlener van de audiovisuele mediadienst verstrekte toegankelijkheidscomponenten beschikbaar wat betreft toegang, keuze, controle en personalisering door gebruikers en wat betreft transmissie naar hulpapparaten.
Voor de derde categorie, de ondersteunende diensten, zijn de voorschriften tamelijk beknopt. Ze schrijven voor dat voor zover beschikbaar ondersteunende diensten (helpdesks, callcenters, technische ondersteuning, bemiddelingsdiensten, opleidingsdiensten) via toegankelijke communicatiemethoden informatie verstrekken over de toegankelijkheid van het product en de compatibiliteit ervan met hulptechnologieën.
Afdeling II bevat een aantal toegankelijkheidsvoorschriften die gelden naast de in afdeling I vermelde voorschriften, waarbij de voorschriften uit Afdeling II niet gelden voor zelfbedieningsterminals.
De toegankelijkheidsvoorschriften bepalen dat de verpakking en de instructies van de onder Afdeling II vallende producten toegankelijk gemaakt worden om het te verwachten gebruik van de producten door personen met een handicap zo veel mogelijk te bevorderen. Dit houdt in dat:
a) de verpakking van het product, met inbegrip van de daarin verstrekte informatie (bijvoorbeeld over openen, sluiten, gebruiken, verwijderen), en eventueel verstrekte informatie over de toegankelijkheidskenmerken van het product, toegankelijk wordt gemaakt; en deze toegankelijke informatie wordt, indien mogelijk, op de verpakking verstrekt;
b) de instructies voor installatie en onderhoud, opslag en verwijdering van het product, die niet op het product zelf staan maar met andere middelen, zoals een website, beschikbaar worden gemaakt, op het moment van het in de handel brengen van het product openbaar beschikbaar moeten zijn en voldoen aan de volgende voorschriften:
i) zij zijn beschikbaar via meer dan één zintuiglijk kanaal;
ii) zij worden op een begrijpelijke manier gepresenteerd;
iii) zij worden op een voor de gebruikers waarneembare manier gepresenteerd;
iv) zij worden gepresenteerd met gebruikmaking van een lettertype in geschikte grootte en vorm, rekening houdend met de te verwachten gebruiksomstandigheden, en met gebruikmaking van voldoende contrast, alsmede van een aanpasbare letter-, regel- en alinea-afstand;
v) wat betreft de inhoud, worden de instructies aangeboden in tekstformats die in alternatieve hulpformats kunnen worden omgezet, zodat ze op verschillende manieren en via meer dan één zintuiglijk kanaal kunnen worden aangeboden, en
vi) bij de instructies met niet-tekstuele inhoud wordt een alternatieve weergave van die inhoud gevoegd.
Afdeling III betreft algemene vereisten voor diensten. Om het te verwachten gebruik van deze diensten door personen met een handicap zo veel mogelijk te bevorderen, geldt de onderstaande vereisten:
de producten die bij het verlenen van diensten worden gebruikt, zijn toegankelijk in overeenstemming met afdeling I en, waar van toepassing, afdeling II van deze bijlage;
a) er wordt informatie verstrekt over het functioneren van de dienst en, wanneer bij het verlenen van de dienst producten worden gebruikt, over de link naar die producten, alsmede informatie over de toegankelijkheidskenmerken en interoperabiliteit van deze producten met hulpapparaten en voorzieningen, en wel als volgt:
i) de informatie wordt via meer dan één zintuiglijk kanaal aangeboden;
ii) de informatie wordt op een begrijpelijke manier gepresenteerd;
iii) de informatie wordt op een voor de gebruikers waarneembare manier gepresenteerd;
iv) de informatie wordt, wat de inhoud betreft, beschikbaar gesteld in tekstformats die in alternatieve hulpformats kunnen worden omgezet, zodat zij door de gebruikers op verschillende manieren en via meer dan één zintuiglijk kanaal kunnen worden weergegeven;
v) de informatie wordt gepresenteerd met gebruikmaking van een lettertype in geschikte grootte en vorm, rekening houdend met de te verwachten gebruiksomstandigheden, en met gebruikmaking van voldoende contrast, alsmede van een aanpasbare letter-, regel- en alinea-afstand;
vi) niet-tekstuele inhoud wordt aangevuld met een alternatieve weergave van die inhoud, en
vii) er wordt elektronische informatie verstrekt die nodig is om de dienst op een consistente en geschikte manier te kunnen leveren, en wel door deze informatie waarneembaar, bedienbaar, begrijpelijk en robuust te maken;
b) websites, inclusief de daaraan gerelateerde onlinetoepassingen, en diensten op mobiele apparatuur, inclusief mobiele toepassingen, worden toegankelijk gemaakt op een consistente en geschikte manier, door ze waarneembaar, bedienbaar, begrijpelijk en robuust te maken;
c) ondersteunende diensten (helpdesks, callcenters, technische ondersteuning, bemiddelingsdiensten en opleidingsdiensten), die, voor zover beschikbaar, via toegankelijke communicatiemethoden informatie verstrekken over de toegankelijkheid van de dienst en de compatibiliteit ervan met hulptechnologieën.
Naast de algemene toegankelijkheidsvoorschriften voor diensten uit Afdeling III, zijn in Afdeling IV aanvullende toegankelijkheidsvoorschriften voor een negental specifieke diensten opgenomen.
Om het te verwachten gebruik van de diensten door personen met een handicap zo veel mogelijk te bevorderen, wordt bij het verlenen van diensten gezorgd voor het opnemen van functies, werkwijzen, beleid, procedures en veranderingen in de uitvoering van de dienst die gericht zijn op de behoeften van personen met een handicap, en op interoperabiliteit met hulptechnologieën:
a) elektronischecommunicatiediensten, met inbegrip van de vormen van noodcommunicatie bedoeld in artikel 109, lid 2, van Richtlijn (EU) 2018/1972:
i) door aanbieding van realtimetekst naast gesproken communicatie;
ii) door aanbieding van totale conversatie wanneer naast gesproken communicatie ook video wordt verstrekt;
iii) door ervoor te zorgen dat noodcommunicatie op basis van stem, tekst (met inbegrip van realtimetekst) is gesynchroniseerd en dat deze indien er video wordt geleverd tevens gesynchroniseerd is met het oog op totale conversatie alsmede door de aanbieders van elektronischecommunicatiediensten wordt doorgestuurd naar de meest geschikte alarmcentrale;
b) tot audiovisuele mediadiensten toegang verschaffende diensten:
i) door elektronische programmagidsen (EPG’s) te leveren die voor de gebruikers waarneembaar, bedienbaar, begrijpelijk en robuust zijn, en informatie verstrekken over de beschikbaarheid van toegankelijkheid;
ii) door zorg te dragen voor volledige transmissie van de toegankelijkheidscomponenten (toegangsdiensten) van audiovisuele mediadiensten, zoals ondertiteling voor doven en slechthorenden, audiodescriptie, gesproken ondertiteling en vertolking in gebarentaal, met passende kwaliteit voor accurate weergave, met synchronisatie van geluid en video, en met mogelijkheid tot weergave- en gebruikscontrole voor de gebruiker;
c) diensten voor personenvervoer per vliegtuig, bus, trein en over water, met uitzondering van stads- en voorstadsvervoersdiensten en regionale vervoersdiensten:
i) door zorg te dragen voor informatieverstrekking over de toegankelijkheid van voertuigen, de omringende infrastructuur en de bebouwde omgeving en over assistentie voor personen met een handicap;
ii) door zorg te dragen voor informatieverstrekking over slimme ticketingsystemen (elektronische reservering, boeken van tickets enz.), voor realtime-reisinformatie (dienstregelingen, informatie over verkeersstoringen, verbindingsdiensten, aansluiting op andere vervoermiddelen enz.), alsmede voor aanvullende dienstinformatie (bijvoorbeeld personele inzet op stations, liften die buiten werking zijn of diensten die tijdelijk niet beschikbaar zijn);
d) stedelijke en voorstedelijke vervoersdiensten en regionale vervoersdiensten door ervoor zorgen dat de zelfbedieningsterminals die bij het verlenen van de dienst worden gebruikt, toegankelijk zijn in overeenstemming met afdeling I van deze bijlage;
e) bankdiensten voor consumenten:
i) door te zorgen voor identificatiemethoden, elektronische ondertekening, beveiliging en betalingsdiensten die waarneembaar, bedienbaar, begrijpelijk en robuust zijn;
ii) door ervoor te zorgen dat de informatie begrijpelijk is, namelijk maximaal van de moeilijkheidsgraad B2 (hoger middenniveau) van het gemeenschappelijk Europees referentiekader voor talen van de Raad van Europa.
f) e-boeken:
i) door ervoor te zorgen dat, wanneer een e-boek naast tekst ook audio bevat, de tekst en audio gesynchroniseerd zijn;
ii) door ervoor te zorgen dat de digitale bestanden van het e-boek niet beletten dat hulptechnologie naar behoren functioneert;
iii) door te zorgen voor toegang tot de inhoud, voor de navigatie door de inhoud en de lay-out (met inbegrip van de dynamische lay-out) van het bestand, alsmede voor structuur, flexibiliteit en keuze voor de weergave van de inhoud;
iv) door alternatieve weergave van de inhoud mogelijk te maken en zorg te dragen voor interoperabiliteit met een veelheid aan hulptechnologieën, op een manier die waarneembaar, begrijpelijk, bedienbaar en robuust is;
v) door ze vindbaar te maken via metadata-informatie over hun toegankelijkheidsfuncties;
vi) door ervoor te zorgen dat maatregelen van digitaal rechtenbeheer geen toegankelijkheidsfuncties blokkeren;
g) voor e-handelsdiensten:
i) door te zorgen voor informatie over de toegankelijkheid van de te koop aangeboden producten en diensten wanneer deze informatie door de verantwoordelijke marktdeelnemer wordt verstrekt;
ii) door te zorgen voor de toegankelijkheid van de functies voor identificatie, beveiliging en betaling wanneer deze als onderdeel van een dienst en niet van een product worden geleverd, door deze informatie waarneembaar, bedienbaar, begrijpelijk en robuust te maken;
iii) door te zorgen voor identificatiemethoden, elektronische ondertekening en betalingsdiensten die waarneembaar, bedienbaar, begrijpelijk en robuust zijn;
Afdeling V heeft betrekking op het gemeenschappelijke Europees noodnummer ‘112’. Om het te verwachten gebruik van dit noodnummer door personen met een handicap zo veel mogelijk te bevorderen, wordt bij het beantwoorden van noodcommunicatie daarnaar door de meest geschikte alarmcentrale, gezorgd voor het opnemen van functies, werkwijzen, beleid, procedures en veranderingen die gericht zijn op de behoeften van personen met een handicap.
Noodcommunicatie naar het gemeenschappelijk Europees noodnummer ‘112’ worden passend beantwoord op de voor de nationale organisatie van noodhulpdiensten meest geschikte wijze en door de meest geschikte alarmcentrale, met gebruikmaking van hetzelfde communicatiemiddel als waarmee de noodcommunicatie ontvangen is, dat wil zeggen met gebruikmaking van gesynchroniseerde stem en tekst (met inbegrip van realtimetekst) en indien er video wordt geleverd met gesynchroniseerde stem, tekst (met inbegrip van realtimetekst) en video voor totale conversatie.
Afdeling VI betreft toegankelijkheidsvoorschriften voor kenmerken, onderdelen en functies van producten en diensten overeenkomstig artikel 24, lid 2 van de richtlijn. In dit artikellid is bepaald dat producten en diensten waarvan de kenmerken, onderdelen en functies aan de overeenkomstig afdeling VI vastgestelde toegankelijkheidsvoorschriften in bijlage I van de richtlijn voldoen, geacht worden te voldoen voor wat deze kenmerken, onderdelen en functies betreft aan de desbetreffende verplichtingen inzake toegankelijkheid krachtens andere Uniehandelingen dan deze richtlijn, tenzij in die andere handelingen anders wordt bepaald. Het betreft twee andere richtlijnen, te weten Richtlijn 2014/24/EU betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en Richtlijn 2014/25/EU betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten.
Voor het vermoeden dat voldaan is aan de relevante verplichtingen krachtens andere Uniehandelingen ten aanzien van kenmerken, onderdelen of functies van producten en diensten is het volgende vereist:
1. Producten:
a) de toegankelijkheid van de informatie ten aanzien van hoe een product werkt en welke toegankelijkheidsfuncties het bezit, beantwoordt aan de overeenkomstige elementen in afdeling I, punt 1, van deze bijlage, te weten via op het product zelf aangebrachte informatie over het gebruik van het product en via niet op het product aangebrachte instructies voor het gebruik van het product, maar die beschikbaar worden via het gebruik van het product of op een andere manier, bijvoorbeeld via een website.
b) de toegankelijkheid van kenmerken, elementen en functies van de gebruikersinterface en het functionaliteitsontwerp van producten beantwoordt aan de overeenkomstige toegankelijkheidsvoorschriften in afdeling I, punt 2, van deze bijlage.
c) de toegankelijkheid van de verpakking, met inbegrip van de daarin verstrekte informatie en instructies voor installatie, onderhoud, opslag en verwijdering van het product, die niet op het product zelf staan maar op een andere manier beschikbaar worden gesteld, bijvoorbeeld via een website, doch zelfbedieningsterminals uitgezonderd, beantwoordt aan de overeenkomstige toegankelijkheidsvoorschriften in afdeling II van deze bijlage.
2. Diensten:
de toegankelijkheid van de kenmerken, onderdelen en functies van diensten beantwoordt aan de overeenkomstige toegankelijkheidsvoorschriften voor die kenmerken, onderdelen en functies beschreven in de afdelingen over diensten van deze bijlage.
Afdeling VII betreft functionele prestatie-eisen voor producten en diensten. Om het te verwachten gebruik door personen met een handicap zo veel mogelijk te bevorderen en ingeval de toegankelijkheidsvoorschriften uit afdelingen I tot en met VI van de bijlage geen betrekking op één of meer functies van het ontwerp en de productie van producten of de verlening van diensten hebben, worden die functies of middelen via conformiteit met de desbetreffende functioneleprestatie-eisen toegankelijk gemaakt.
Deze functioneleprestatie-eisen mogen uitsluitend als alternatief voor één of meer specifieke technische voorschriften worden gebruikt indien er in de toegankelijkheidsvoorschriften naar verwezen wordt, en uitsluitend indien bij toepassing van de desbetreffende functioneleprestatie-eisen voldaan wordt aan de toegankelijkheidsvoorschriften en wordt vastgesteld dat bij het te verwachten gebruik door personen met een handicap het ontwerp en de productie van producten en de verlening van diensten tot gelijkwaardige of verhoogde toegankelijkheid leidt.
a) gebruik zonder zicht:
bij producten of diensten met visuele bedieningswijzen is minstens één bedieningswijze beschikbaar die geen zicht vereist;
b) gebruik met beperkt zicht:
bij producten of diensten met visuele bedieningswijzen is minstens één bedieningswijze beschikbaar waarmee gebruikers met beperkt zicht het product kunnen bedienen;
c) gebruik zonder waarneming van kleur:
bij producten of diensten met visuele bedieningswijzen is minstens één bedieningswijze beschikbaar waarvoor de gebruiker geen kleur hoeft te kunnen waarnemen;
d) gebruik zonder gehoor:
bij producten of diensten met auditieve bedieningswijzen is minstens één bedieningswijze beschikbaar die geen gehoor vereist;
e) gebruik met beperkt gehoor:
bij producten of diensten met auditieve bedieningswijzen is minstens één bedieningswijze met versterkte audiofuncties beschikbaar waarmee gebruikers met beperkt gehoor het product kunnen bedienen;
f) gebruik zonder stemvermogen:
bij producten of diensten die steminvoer van gebruikers vereisen, is minstens één bedieningswijze beschikbaar die geen steminvoer vereist. Steminvoer omvat alle met de mond geproduceerde geluiden zoals spraak, fluit- of klikgeluiden;
g) gebruik met beperkte manueel-motorische of kracht:
bij producten of diensten die manuele handelingen vereisen, is minstens één bedieningswijze beschikbaar waarmee gebruikers het product kunnen gebruiken door middel van alternatieve handelingen die geen fijne motoriek en manuele vaardigheden of gelijktijdige bediening van meer dan één besturingselement vereisen;
h) gebruik met beperkte reikwijdte:
de bedieningselementen van producten bevinden zich binnen het bereik van alle gebruikers. Bij producten of diensten met manuele bedieningswijzen is minstens één bedieningswijze beschikbaar die met beperkte reikwijdte en met beperkte kracht bediend kan worden;
i) minimalisering van het risico op het veroorzaken van lichtgevoelige aanvallen:
bij producten met visuele bedieningswijzen zijn geen bedieningswijzen beschikbaar waarvan bekend is dat zij lichtgevoelige aanvallen veroorzaken;
j) gebruik met beperkt cognitief vermogen:
bij deze producten of diensten is minstens één bedieningswijze beschikbaar met functies die het gebruik ervan eenvoudiger en gebruiksvriendelijker maken;
k) privacy:
bij producten of diensten die functies ten behoeve van de toegankelijkheid bevatten, is minstens één bedieningswijze beschikbaar die bij het gebruik van deze functies ten behoeve van de toegankelijkheid de privacy van de gebruiker waarborgt.
Artikel 13, lid 2, van de richtlijn bepaalt dat dienstverleners overeenkomstig bijlage V de vereiste informatie opstellen en uitleggen op welke manier de diensten aan de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften voldoen. De informatie wordt het publiek schriftelijk en mondeling ter beschikking gesteld, mede op een manier die toegankelijk is voor personen met een handicap. Dienstverleners bewaren die informatie zolang de dienst in werking is.
Bijlage V bevat voor bovenstaande verplichting een drietal regels:
1. De dienstverlener neemt in de algemene voorwaarden of een gelijkwaardig document de informatie op waaruit blijkt dat de dienst aan de in artikel 4 vermelde toegankelijkheidsvoorschriften voldoet. Deze informatie omvat een beschrijving van de toepasselijke voorschriften en heeft, voor zover relevant voor de beoordeling, betrekking op het ontwerp en de werking van de dienst. In aanvulling op de voorschriften voor consumenteninformatie volgens Richtlijn 2011/83/EU omvat de informatie, indien van toepassing, de volgende elementen:
a) een in toegankelijke formats weergegeven algemene beschrijving van de dienst;
b) de beschrijvingen en toelichtingen die nodig zijn om te begrijpen hoe de dienst werkt;
c) een beschrijving van de manier waarop de dienst aan de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften uit bijlage I voldoet.
2. Om aan punt 1 van deze bijlage te voldoen mag de dienstverlener de geharmoniseerde normen en technische specificaties waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, geheel of gedeeltelijk toepassen.
3. De dienstverlener verschaft informatie waaruit blijkt dat de conformiteit van de dienst met punt 1 van deze bijlage en met de toepasselijke voorschriften van deze richtlijn door het dienstverleningsproces en het toezicht daarop wordt gewaarborgd.
Hierna zal worden ingegaan op de wijziging van de afzonderlijke wetten.
Dit onderdeel van het wetsvoorstel voorziet in de nodige wijzigingen van de Warenwet. Daarmee wordt een grondslag gecreëerd voor uitvoeringsregeling. De verplichtingen voor marktdeelnemers die zich met producten bezighouden en de eisen aan producten worden, conform de systematiek van de Warenwet, (in beginsel) neergelegd in een algemene maatregel van bestuur (hierna: AMvB). Omdat de Warenwet een groot aantal artikelen bevat die zijn toegesneden op voedsel- en productveiligheid, wordt een afzonderlijk hoofdstuk ‘toegankelijkheid’ toegevoegd aan de Warenwet (zie artikel I, onderdeel B). Op die manier is geen ingrijpende wijziging van de bestaande artikelen nodig en blijft de Warenwet ook na implementatie van de richtlijn leesbaar. Voor de inhoud van de wijziging van de Warenwet wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.
Zoals in paragraaf 2.2 van deze toelichting reeds is vermeld, voorziet deze wijziging in de toevoeging van een aantal grondslagen aan de WGBH/CZ, zodat ter uitvoering daarvan de implementatie van de materiële normen kan plaatsvinden op het niveau van AMvB of ministeriële regeling voor zover het gaat om de diensten waarvoor geen sectorale regelgeving voor handen.
De toegankelijkheidsvoorschriften waaraan diensten op grond van de richtlijn moeten voldoen hebben ook betrekking op elektronische communicatiediensten. Voor elektronische communicatiediensten zijn die voorschriften neergelegd in artikel 4 van de richtlijn juncto bijlage I, afdelingen III en IV, onderdeel a, bij de richtlijn. De dienstverlener moet ook voldoen aan bijlage V bij de richtlijn en de daarin opgenomen informatiebepalingen, zoals volgt uit artikel 13 van de richtlijn. Naast de algemene toegankelijkheidsvoorschriften zoals ten aanzien van de informatievoorziening over de aangeboden dienst, zijn er enkele aanvullende toegankelijkheidsvoorschriften voor elektronische communicatiediensten. Die betreffen het aanbieden van realtime tekst naast gesproken communicatie, het aanbieden van totale conversatie ingeval er ook video wordt verstrekt en eisen aan communicatie met de alarmcentrale. Zowel de algemene als de aanvullende toegankelijkheidsvoorschriften worden opgenomen in de Telecommunicatiewet. Hierin voorziet het voorgestelde artikel III van dit wetsvoorstel.
Hoewel de betrokken bepalingen betrekking hebben op elektronische communicatiediensten die aan consumenten worden geleverd, is er niet voor gekozen deze op te nemen in hoofdstuk 7 (Eindgebruikersbelangen) van de Telecommunicatiewet, waarin bepalingen over consumenten zijn opgenomen. De reden hiervoor is het feit dat het nu – anders dan in hoofdstuk 7 het geval is – gaat om een specifiek aspect van de elektronische communicatiedienst, te weten de toegankelijkheid, en het begrip elektronische communicatiedienst in dat kader beperkter is dan het begrip elektronische communicatiedienst zoals dat in hoofdstuk 7 wordt gehanteerd. De voorschriften over toegankelijkheid zijn daarom in een nieuw hoofdstuk 7a van de Telecommunicatiewet opgenomen. Daarbij is zo veel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de in hoofdstuk 10 opgenomen regels over radioapparaten, waarin zowel verbodsbepalingen als bepalingen over specifieke verplichtingen zijn opgenomen.
Met de voorgestelde artikelen 7a.2 en 7a.4 van de Telecommunicatiewet worden de toegankelijkheidsvoorschriften van de artikelen 4, eerste en derde lid, en 13 van de richtlijn geïmplementeerd, voor zover die voorschriften betrekking hebben op elektronische communicatiediensten.
Het voorgestelde eerste lid van artikel 7a.2 van de Telecommunicatiewet bevat het verbod om diensten aan te bieden die niet voldoen aan de toegankelijkheidsvoorschriften van bijlage I, afdelingen III en IV, onderdeel a, van de richtlijn (invulling van artikel 4, eerste en derde lid, richtlijn). Het voorgestelde tweede lid van dat artikel betreft het verbod om in strijd te handelen met de bij of krachtens artikel 7a.4 gestelde regels en betreft de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 13 van de richtlijn. Op deze verboden gelden ingevolge de artikelen 4, vijfde lid, en 14 van de richtlijn twee uitzonderingen. Deze zijn opgenomen in het derde en vierde lid van artikel 7a.2 van de Telecommunicatiewet. Ze betreffen de algemene uitzondering voor dienstverleners die zijn aan te merken als een micro-onderneming in de zin van de richtlijn en een specifieke uitzondering voor dienstverleners indien sprake is van een ingrijpende wijziging van een dienst of een onevenredige last voor een dienstverlener. Omwille van de overzichtelijkheid zijn deze uitzonderingen, in lijn met de in hoofdstuk 7 van de Telecommunicatiewet opgenomen uitzondering voor onder meer micro-ondernemingen, ook in het nieuwe hoofdstuk 7a opgenomen (derde en vierde lid van artikel 7a.2, Telecommunicatiewet).
Ingevolge het vijfde lid van het voorgestelde artikel 7a.2 van de Telecommunicatiewet kunnen bij of krachtens AMvB nadere regels worden gesteld met betrekking tot de reikwijdte van het verbod, bedoeld in het eerste lid, en de uitzondering, bedoeld in het vierde lid. In de krachtens dit artikellid op te stellen AMvB zullen de criteria worden opgenomen die relevant zijn voor de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 14 van de richtlijn en het vermoeden van conformiteit, bedoeld in artikel 15 van de richtlijn. Verder kunnen bij of krachtens AMvB regels worden gesteld over de procedure in het kader van de conformiteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 23 van de richtlijn (zie het voorgestelde artikel 7a.5, Telecommunicatiewet).
Tot slot wordt met het voorgestelde artikel 7a.3 en het bestaande artikel 15.1, derde lid, van de Telecommunicatiewet invulling gegeven aan de bepalingen over toezicht en handhaving in de richtlijn (artikelen 13, vierde en vijfde lid, 23, tweede lid, 29 en 30, richtlijn).
Een omgeving waar producten en diensten beter toegankelijk zijn, draagt bij tot een inclusievere samenleving en maakt het voor personen met een handicap gemakkelijker om zelfstandig te leven. Hieronder vallen ook toegankelijkheidsvoorschriften voor e-handelsdiensten met het oog op het sluiten van een consumentenovereenkomst. Algemene regels die gelden voor het sluiten van overeenkomsten door consumenten op afstand, via websites en langs elektronische weg staan al in Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De toegankelijkheidsvoorschriften voor e-handelsdiensten worden opgenomen in titel 5 van Boek 6 van het BW, na afdeling 2a. ‘Informatie over dienstverrichters en hun diensten naar aanleiding van de dienstenrichtlijn’ omdat in die paragraaf de algemene bepalingen over diensten zijn opgenomen in het kader van de implementatie van de dienstenrichtlijn en de toegankelijkheidsrichtlijn voor de begripsomschrijving van dienst aansluit bij het begrip ‘dienst’ van de dienstenrichtlijn. Implementatie van voorschriften ingevolge van de toegankelijkheidsrichtlijn onder de implementatie van de dienstenrichtlijn is dus passend.5 Vanuit de doelstelling dat ook iedere consument met een handicap een overeenkomst moet kunnen sluiten door middel van e-handelsdiensten, moet een dienstverlener die e-handelsdiensten verricht voldoen aan de toegankelijkheidsvoorschriften van de richtlijn, zodat die consumenten daadwerkelijk gebruik kunnen maken van e-handelsdiensten. Vanzelfsprekend moet de e-handelsdienst zelf toegankelijk zijn op grond van Bijlage I, afdeling III. Daarnaast moet de dienstverlener die e-handelsdiensten verricht ook voldoen aan bijlage V bij de richtlijn, zoals volgt uit artikel 13 van de richtlijn. De eisen hiervan staan beschreven in paragraaf 2.3. onder het kopje ‘Bijlage V’ van deze toelichting.
De toegankelijkheidsvoorschriften voor e-handelsdiensten hebben meer specifiek betrekking op het door dienstverleners zorgen voor:
a. informatie over de toegankelijkheid van te koop aangeboden producten en diensten als deze informatie door de verantwoordelijke marktdeelnemer wordt verstrekt;
b. de toegankelijkheid van de functies voor identificatie, beveiliging en betaling wanneer deze als onderdeel van de dienst en niet van een product worden geleverd, door deze informatie waarneembaar, bedienbaar, begrijpelijk en robuust te maken;
c. identificatiemethoden, elektronische ondertekening en betalingsdiensten die waarneembaar, bedienbaar, begrijpelijk en robuust zijn.
Een voorbeeld van een e-handelsdienst is een webshop, die producten of diensten te koop aanbiedt aan consumenten. De webshop dient aan de toegankelijkheidsvoorschriften voor personen met een handicap te voldoen, die zien op het doen van een aankoop, zoals:
• ervoor zorgen dat beschikbare informatie over de toegankelijkheidsfuncties van een product dat via de website wordt verkocht niet wordt gewist;
• de gebruikersinterface van de betalingsdienst via stem beschikbaar stellen, zodat blinden/visueel gehandicapten onafhankelijk online aankopen kunnen doen;
• ervoor zorgen dat de identificatiedialogen op een scherm door schermlezers kunnen worden gelezen, zodat blinden/visueel gehandicapten ze kunnen gebruiken.
• Een blinde/- visueel gehandicapte consument koopt bijvoorbeeld via deze toegankelijke webshop een laptop. De situatie kan ontstaan dat de laptop vervolgens niet aan de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten voldoet. De fabrikant die de laptop via de webshop aanbiedt is verantwoordelijk voor de toegankelijkheid daarvan en de informatieverstrekking daarover. De webshop is wel verplicht om de informatie over toegankelijkheid van de laptop op de website te plaatsen, wanneer hij deze ontvangt van de betreffende fabrikant. Als de laptop niet toegankelijk genoeg is, dan is de fabrikant of ontwerper van de laptop de eindverantwoordelijke partij. Naast de toegankelijkheidsvoorschriften geldt het consumentenkooprecht op grond waarvan de consument de overeenkomst kan ontbinden als de laptop niet aan de overeenkomst beantwoordt (titel 1 Boek 7 BW). Ingeval van een non-conform product kan de consument op grond van het consumentenkooprecht de verkoper aanspreken, maar dat hoeft niet dezelfde persoon te zijn als de fabrikant/ontwerper die ingevolge de toegankelijkheidsrichtlijn verantwoordelijk is voor het product en ervoor moet zorgen dat het product conform is.
De artikelen in de richtlijn die betrekking hebben op diensten en dienstverleners zijn van toepassing op bankdiensten voor consumenten. In onderstaand schema is opgenomen over welke bankdiensten het op grond van artikel 3, onder 28, van de richtlijn gaat en hoe die bankdiensten zijn omschreven in de Wft.
|
Bankdiensten voor consumenten (art. 3, onder 28, van de richtlijn) |
Wft |
|---|---|
|
Kredietovereenkomsten die vallen onder de richtlijn consumptief krediet en de richtlijn hypothecair krediet |
Krediet (consumptieve lening en hypotheek) |
|
Diensten als omschreven in bijlage I, deel A, onder 1, 2, 4 en 5 of nevendiensten als bedoeld in bijlage I, deel B, onder 1, 2, 4 en 5 van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 |
Beleggingsdiensten als bedoeld in de onderdelen a tot en met d van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de Wft of nevendiensten als bedoeld in de onderdelen a, b, d en e, van de definitie van nevendienst in artikel 1:1 van de Wft (hieronder valt onder meer het ontvangen, doorgeven en uitvoeren van orders en adviseren) |
|
Betaaldiensten |
Betaaldiensten: Bedrijfswerkzaamheden als bedoeld in de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten1 (o.a. diensten met betrekking tot het opnemen en storten van contanten op een betaalrekening en uitvoering van betalingstransacties). |
|
Diensten die verband houden met betaalrekeningen: alle diensten die verband houden met het openen, gebruiken en opheffen van een betaalrekening, met inbegrip van betalingsdiensten en betalingstransacties evenals geoorloofde debetstand. |
Betaalrekening: op naam van een of meer betaaldienstgebruikers aangehouden rekening die voor de uitvoering van betalingstransacties wordt gebruikt, als bedoeld in artikel 4 van de richtlijn betaaldiensten. Diensten die daaraan zijn verbonden zijn o.a. de uitgifte van een betaalpas, mogelijkheid tot internetbankieren en mobielbankieren, verstrekken papieren rekeningafschriften, mogelijkheid rood staan. |
|
Elektronisch geld |
Elektronisch geld: geldswaarde die elektronisch of magnetisch is opgeslagen die een vordering op de uitgever vertegenwoordigt, die is uitgegeven in ruil voor ontvangen geld om betalingstransacties te verrichten als bedoeld in artikel 4, punt 5, van de richtlijn betaaldiensten, en waarmee betalingen kunnen worden verricht aan een andere persoon dan de uitgever (bijvoorbeeld plastic cadeaukaarten waarmee in winkels en soms ook in webshop kan worden betaald). |
Richtlijn 2015/2366/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betaaldiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PbEU 2015, L 337).
Gelet op het bovenstaande gaat het om aanbieders van krediet, banken die betaalrekeningen aanbieden, beleggingsondernemingen die beleggingsdiensten verlenen als bedoeld in de onderdelen a tot en met d van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 of nevendiensten als bedoeld in de onderdelen a, b, d en e, van de definitie van nevendienst in artikel 1:1, betaaldienstverleners die betaaldiensten verlenen of elektronisch geldinstellingen die elektronisch geld uitgeven. Deze ondernemingen dienen straks ervoor zorg te dragen dat de bankdiensten voldoen aan de relevante artikelen van de toegankelijkheidsrichtlijn zodat de bankdiensten toegankelijk zijn voor personen met een handicap.
In het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft zullen nadere regels worden opgenomen met betrekking tot de toegankelijkheid van bankdiensten.
De artikelen 29 en 30 van de richtlijn bevatten bepalingen over handhaving en sancties. Ten aanzien van een aantal diensten wordt voorgesteld deze bepalingen te implementeren via wijziging van de Wet handhaving consumentenbescherming. Daarmee wordt zo veel mogelijk aangesloten bij bevoegdheden die de voor die diensten aangewezen toezichthouders al op grond van die wet hebben. Dit betreft onder meer de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom. Naast dit handhavingsinstrumentarium dat in eerste instantie gericht is op herstel, voorziet de Wet handhaving consumentenbescherming in de mogelijkheid van het opleggen van een bestuurlijke boete. Dit sluit aan bij het criterium van de richtlijn dat sancties niet alleen doeltreffend maar ook afschrikkend moeten zijn. Het betreft de volgende diensten en toezichthouders:
• diensten voor personenvervoer per vliegtuig, per bus, per spoor, over water en voor stedelijke, voorstedelijke en regionale vervoersdiensten (Inspectie Leefomgeving en Transport, hierna: ILT),
• e-handelsdiensten (Autoriteit Consument en Markt, hierna: ACM, onderscheidenlijk de Autoriteit Financiële Markten, hierna: AFM),
• e-boeken en software daarvoor (Commissariaat voor de Media, hierna: CvdM), en
• diensten die toegang verlenen tot audiovisuele mediadiensten (CvdM).
Daartoe is voorzien in een nieuw hoofdstuk 8a waarin specifieke regels over de richtlijn zijn ogenomen en in wijziging van hoofdstuk 8 en de bijlage. Hierop wordt nader ingegaan in de artikelsgewijze toelichting op deze wijziging. Het toezicht wordt verder toegelicht in hoofdstuk 3.
Artikel 4, achtste lid inzake specifieke toegankelijkheidsvoorschriften voor het beantwoorden van noodcommunicatie via het noodnummer 112, is geïmplementeerd door middel van de Beleidsregel toegankelijkheid 112 van [datum] met kenmerk 3712897, ter nadere uitwerking van artikel 2 van de Regeling hoofdlijnen beleid en beheer meldkamers, voortvloeiend uit artikel 23a van de Politiewet.
Artikel 29 van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten er verantwoordelijk voor zijn dat passende en doeltreffende middelen beschikbaar zijn om te waarborgen dat de bepalingen van deze richtlijn worden nageleefd. Hiertoe dienen lidstaten te zorgen voor bepalingen waarbij een consument zich krachtens nationaal recht tot de rechter of de bevoegde administratieve instanties kan wenden om te bewerkstelligen dat de nationale bepalingen waarin deze richtlijn is omgezet, worden nageleefd. Tevens dienen lidstaten te zorgen voor bepalingen waarbij overheidsorganen of particuliere verenigingen, organisaties of andere juridische entiteiten die er een legitiem belang bij hebben dat deze richtlijn wordt nageleefd, krachtens nationaal recht namens of ter ondersteuning van de eiser en met diens toestemming, bij de rechter of de bevoegde administratieve instanties gerechtelijke of administratieve procedures kunnen aanspannen die voor de handhaving van de verplichtingen krachtens deze richtlijn beschikbaar zijn. In het onderstaande wordt toegelicht hoe deze verplichting is vormgegeven.
Net zoals de implementatie van de richtlijn is ook het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de in dit wetsvoorstel genoemde wetten een gedeelde verantwoordelijkheid. Hieronder wordt toegelicht welke toezichthouders belast worden met het toezicht op daarbij genoemde diensten of producten en welke uitgangspunten daarbij zijn gehanteerd. Bij het selecteren van de toezichthouders is het streven om zo veel mogelijk aan te sluiten bij reeds bestaande toezichtsgebieden van de gekozen toezichthouder dan wel een raakvlak met een dergelijk toezichtsgebied. Dit heeft geleid tot de volgende keuze.
• Voor alle producten, zoals gedefinieerd onder artikel 2 onder 1 van de richtlijn, zal de Rijksinspectie voor Digitale Infrastructuur (hierna: RDI) optreden als toezichthouder;
• Voor elementen van personenvervoer per vliegtuig, bus, trein en over water wordt als toezichthouder aangewezen de ILT;
• Voor bankdiensten voor consumenten en e-handelsdiensten van financiële aard wordt de AFM aangewezen als toezichthouder;
• Voor e-boeken en diensten die toegang geven tot audiovisuele mediadiensten wordt het CvdM aangewezen als toezichthouder;
• Voor telecommunicatiediensten en e-handelsdiensten zal de toezichtstaak worden belegd bij ACM;
• Ten slotte zal de Inspectie JenV toezicht houden op het noodnummer 112.
De toezichthouders zullen moeten zorgen voor de handhaving, waaronder het nalevingstoezicht en de sanctionering in geval niet wordt voldaan aan het bij of krachtens deze wet bepaalde. Dit brengt een uitbreiding van taken en bevoegdheden van deze autoriteiten met zich mee.
De volgende taken worden toebedeeld aan de nationale markttoezichtautoriteiten en betreffen:
• nagaan of de marktdeelnemer de in artikel 14 van de Richtlijn bedoelde beoordeling heeft uitgevoerd; deze beoordeling en de resultaten ervan, en gaan onder meer na of de criteria van bijlage VI juist zijn toegepast, en controleren of aan de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften wordt voldaan (artikel 19 richtlijn);
• het uitvoeren van een beoordeling van een product als zij voldoende reden hebben om aan te nemen dat een onder deze richtlijn vallend product niet aan de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften voldoet. (artikel 20, lid 1, richtlijn)
• het gelasten van de betrokken marktdeelnemer om onverwijld passende corrigerende maatregelen te treffen om het product binnen een door hen vast te stellen redelijke termijn die evenredig is met de aard van de non-conformiteit, in overeenstemming met deze voorschriften te brengen (artikel 20, lid 1, richtlijn);
• indien de betrokken marktdeelnemer heeft verzuimd om binnen de in de tweede alinea bedoelde termijn adequate corrigerende maatregelen te treffen, schrijven de markttoezichtautoriteiten voor dat hij het product binnen een redelijke extra termijn uit de handel neemt (artikel 20, lid 1, richtlijn);
• Indien de markttoezichtautoriteiten van mening zijn dat de non-conformiteit niet beperkt is tot hun nationale grondgebied, brengen zij de Commissie en de andere lidstaten op de hoogte van de resultaten van de beoordeling en van de maatregelen die zij van de marktdeelnemer hebben verlangd (artikel 20, lid 2, richtlijn);
• indien de betrokken marktdeelnemer niet binnen de voornoemde termijn adequate corrigerende maatregelen treft, treffen de markttoezichtautoriteiten alle passende voorlopige maatregelen om het op hun nationale markten aanbieden van het product te verbieden of te beperken, of om het product daar uit de handel te nemen (artikel 20, lid 4, richtlijn);
• de markttoezichtautoriteiten brengen de Commissie en de andere lidstaten onverwijld van deze maatregelen op de hoogte (artikel 20, lid 4, richtlijn).
Aan de uitoefening van het toezicht op de naleving kan op verschillende manieren door de toezichthouders invulling worden gegeven. Het nalevingstoezicht kan in het algemeen plaatsvinden op basis van meldingen en signalen van incidenten, themagericht door bijvoorbeeld te toetsen of in een bepaalde sector diensten of producten voldoen aan de gestelde regels en ook de overige regels (op de juiste wijze) wijze worden toegepast, of risicogestuurd waarbij de uitoefening van het nalevingstoezicht zich toespitst op reeds door de toezichthouder gesignaleerde bekende risico’s. Ook kan door de toezichthouder aansluiting worden gezocht bij gecoördineerde Europese toezichtacties ten aanzien van bepaalde productgroepen.
Voor wat betreft het handhavingsinstrumentarium in het kader van het bestuursrecht wordt er op gewezen dat de toezichthouders gebruik kunnen maken van de mogelijkheden die hen daartoe wordt geboden in de sectorspecifieke wetgeving, in samenhang met de algemene bepalingen inzake handhaving van hoofdstuk 5 van de Awb. Daarbij valt te denken aan instrumenten als het opleggen van een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom dan wel het toepassen van bestuursdwang.
De regering zet zich ervoor in om het toezicht door de verschillende toezichthouders waar mogelijk te uniformiseren en verschillen in interpretaties zoveel mogelijk te voorkomen door afstemming tussen toezichthouders in een werkgroep te stimuleren.
Consumenten kunnen met vragen en klachten terecht bij de betreffende toezichthouder. Omdat het toezicht over verschillende toezichthouders is verdeeld, komt er een centrale plek op een pagina van de Rijksoverheid. Dit is een reeds bestaande pagina6 met informatie over de inhoud van het wetsvoorstel welke wordt aangevuld met een verwijzing naar de juiste toezichthouder met bijhorende contactgegevens. Voor alle producten kunnen mensen terecht bij RDI. Voor de diensten zal per dienst de juiste toezichthouder worden weergegeven. Toezichthouders zullen de consument doorverwijzen naar de juiste toezichthouder indien nodig. Bij de invulling van het centraal punt worden, naast de toezichthouders, belangenorganisaties voor mensen met een beperking en het bedrijfsleven betrokken.
In het kader van sanctionering kan een onderscheid worden gemaakt tussen markttoezichtautoriteiten en belanghebbende partijen.
Belanghebbende partijen zoals individuele eisers en belangenorganisaties kunnen twee verschillende wegen bewandelen om non-conformiteit aan de orde te stellen. Ten eerste kunnen zij zich tot de bevoegde markttoezichtautoriteiten wenden en melding maken van vermeende non-conformiteit, met het verzoek aan deze markttoezichtautoriteiten om hiertegen op te treden in het kader van hun wettelijke taken.
Voorts hebben belanghebbende partijen de mogelijkheid om marktdeelnemers via de civielrechtelijke weg aan te spreken op non-conformiteit en naleving van de toegankelijkheidsvoorschriften. Individuele eisers kunnen in het kader van een procedure stellen dat het door hen gekochte product of de dienst niet aan de wettelijk voorgeschreven toegankelijkheidsvoorschriften voldoet, en via de rechter trachten alsnog naleving van deze voorschriften af te dwingen. Belangenorganisaties kunnen op grond van hun statutaire doelstellingen eveneens een civielrechtelijke procedure starten tegen een marktdeelnemer indien de organisatie van oordeel is dat deze marktdeelnemer de toegankelijkheidsvoorschriften schendt.
Wat betreft sanctionering door markttoezichtautoriteiten wordt verwezen naar hetgeen in de vorige paragraaf is opgemerkt over het bestuursrechtelijk handhavingskader. Hierbij kunnen via een last onder dwangsom of bestuursdwang marktdeelnemers worden verplicht om alsnog de toegankelijkheidsvoorschriften na te leven, dan wel hen voor het niet-naleven van deze voorschriften een bestuurlijke boete worden opgelegd. Producten kunnen ook uit de handel worden genomen of het aanbieden van de producten kan worden beperkt of verboden als de markttoezichtautoriteiten van mening zijn of reden hebben om aan te nemen dat het product niet aan de richtlijn voldoet (artikelen 7, 9, 10 en 20,richtlijn).
Als markttoezichtautoriteiten hebben vastgesteld dat een marktdeelnemer een product aanbiedt dat niet aan de toegankelijkheidsvoorschriften voldoet, kunnen zij de betrokken marktdeelnemer gelasten om onverwijld passende corrigerende maatregelen te treffen om het product in overeenstemming met deze voorschriften te brengen. Daarvoor stellen zij een redelijke termijn vast die evenredig is met de aard van de non-conformiteit. Laat de betrokken marktdeelnemer dit na, dan kunnen de markttoezichtautoriteiten maatregelen treffen dat de marktdeelnemer het product binnen een redelijke extra termijn uit de handel neemt (artikel 20 van de richtlijn). Om naleving af te dwingen, kunnen de markttoezichtautoriteiten gebruikmaken van hun bestuursrechtelijk handhavingsinstrumentarium.
De regering kan geen inschatting geven van het aantal te verwachten bestuursrechtelijke en civielrechtelijke procedures die zullen voortvloeien het voorliggend wetsvoorstel. De regering verwijst daarbij naar de reactie van de Raad voor de rechtspraak (hierna: Rvdr). De regering onderschrijft de inschatting van de Rvdr dat wat betreft bestuursrechtelijke (handhavings)zaken sprake zal zijn van een toename, die evenwel niet substantieel zal zijn.
Voor zover dit wetsvoorstel voorziet in het nemen van besluiten, staat daartegen overeenkomstig de regels van de Awb rechtsbescherming open volgens de reguliere rechtsgang in de Awb. Dit betekent dat bezwaar kan worden gemaakt bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen, dat tegen de beslissing op bezwaar beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank Rotterdam en dat tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep kan worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna CBb). Ook kan aan de rechtbank Rotterdam respectievelijk het CBb een voorlopige voorziening (schorsing van het besluit) worden gevraagd.
Voor zover het gaat om het Burgerlijk Wetboek is reeds in de toelichting op die onderdelen van dit wetsvoorstel ingegaan op de rechtsbescherming.
Het wetsvoorstel en de ter uitvoering daarvan op te stellen uitvoeringsregelgeving brengt uitvoeringslasten met zich voor marktdeelnemers (fabrikanten, importeurs, distributeurs en dienstverleners), toezichthouders en departementen. Dit betreft financiële lasten en administratieve lasten. Het wetsvoorstel brengt geen regeldruk voor burgers met zich. Daarnaast brengt dit wetsvoorstel uitvoeringslasten met zich voor de overheid en toezichthouders.
Marktdeelnemers zullen ervoor moeten zorgen dat hun producten en diensten voldoen aan de toegankelijkheidsvoorschriften. Dit betekent voor marktdeelnemers die zich bezighouden met producten dat zij waar nodig hun productieprocessen, technische en administratieve procedures, technische documentatie en controle moeten aanpassen, terwijl dienstverleners het ontwerp en verlening van hun diensten waar nodig dienen aan te passen. Bovendien dienen zij mogelijkerwijs procedures in te voeren of aan te passen die garanderen dat de dienstverlening in overeenstemming is met de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften.
De regering zet zich samen met MKB-Nederland en VNO-NCW in om marktdeelnemers goed te informeren over de toegankelijkheidseisen. In 2023 wordt bijvoorbeeld voorlichtingsmateriaal ontwikkeld waarin de eisen per product en dienst inzichtelijk worden gemaakt en worden er informatiesessies voor ondernemers georganiseerd. Deze sessies zullen samen met de lessons learned worden verspreid via kanalen als brancheverenigingen en Ondernemersplein. Mede op basis van hoe de informatiesessies verlopen wordt een communicatieaanpak voor de jaren 2024 en verder bepaald.
De administrative lasten van de richtlijn voor het bedrijfsleven zijn opgenomen in het impact assessment met kenmerk ‘SWD(2015) 264 final’ (verder te noemen: impact assessment) dat een begeleidend document is bij het document Proposal for a Directive of the European Parliament and of the Council on the approximation of the laws, regulations and administrative provisions of the Member States as regards accessibility requirements for products and services.
De kosten voor het aanleveren van informatie over de toegankelijkheid van producten en diensten aan consumenten en toezichthouders worden geschat op 144–1.440 euro per bedrijf en per type product en dienst. Er wordt daarbij vanuit gegaan dat deze taak eenmalig moet worden uitgevoerd.
De huidige totale jaarlijkse kosten voor ondernemers om op de hoogte te zijn van de verschillende toegankelijkheidseisen in lidstaten en om producten en diensten toegankelijk te maken zodat ze in meerdere lidstaten kunnen worden aangeboden op de markt, liggen op circa 20 miljard euro. De inschatting is dat deze kosten door de richtlijn met 9 miljard euro worden verlaagd, omdat hierdoor in alle lidstaten dezelfde toegankelijkheidseisen gaan gelden.
Zoals in hoofdstuk 4 is toegelicht is het wetsvoorstel voor advies voorgelegd aan het Adviescollege Toetsing Regeldruk en is het voorstel niet geselecteerd voor advies.
Implementatie van de richtlijn leidt niet tot een verhoging van de administratieve lasten voor de burger.
De budgettaire dekking voor de incidentele kosten in 2023 en 2024 (á 3 miljoen euro) wordt ingepast binnen de begroting van VWS, EZK, IenW en OCW. Bij de voorjaarsbesluitvorming 2025 worden de structurele kosten in beeld gebracht en ingepast binnen de begrotingen van deze betrokken departementen. Dit wetsvoorstel heeft geen financiële gevolgen voor andere overheden.
Het wetsvoorstel is in consultatie gebracht via www.internetconsultatie.nl en gelijktijdig voor advies voorgelegd aan de Raad voor de rechtspraak (hierna: Rvdr), het College voor de Rechten van de Mens en het Adviescollege Toetsing Regeldruk. Tot slot hebben de RDI, de AFM, de ACM en ILT een uitvoeringstoets gedaan. Naast de ontvangen adviezen zijn 18 consultatiereacties ontvangen. In dit hoofdstuk is (op hoofdlijnen) een samenvatting opgenomen van de reacties en adviezen en is toegelicht hoe deze zijn verwerkt.
Voor de implementatie van de richtlijn heeft de regering ervoor gekozen om aansluiting te zoeken bij de verschillende sectorale wetten die worden gewijzigd. Op enkele van wetswijzigingen zal ook uitvoeringsregelgeving volgen. In de reactie van onder meer IederIn wordt gewezen op de onduidelijkheid die mogelijk ontstaat nu gekozen wordt voor implementatie in sectorale regelgeving. Ook wordt in enkele reacties gewezen op het risico van verdere versnippering omdat de implementatie van de richtlijn een verantwoordelijkheid is van meerdere departementen.
IederIn geeft voorts aan dat er onduidelijkheid bestaat over wat de AMvB’s die uitvoering geven aan de verschillende wetten moeten bevatten, over hoe de samenhang en eenheid tussen aanpassingen in bestaande wetten en AMvB’s bewaakt wordt, en over het tijdpad van de implementatie van de wet en per AMvB’s. IederIn vraagt de overwegingen waarom niet gekozen is voor één wet, te verduidelijken. IederIn adviseert ook om in de overwegingen duidelijkheid te geven over hoe toegankelijkheid een gedeelde verantwoordelijkheid wordt bij de bij deze implementatiewet betrokken ministeries. Ook VNO-NCW en MKB Nederland wijzen erop dat dat de verschillende wetswijzigingen als onbedoeld negatief gevolg kunnen hebben dat voor ondernemers niet duidelijk is aan welke regels zij voor welke producten en diensten moeten gaan voldoen.
De regering benadrukt op deze plaats dat de implementatie van de richtlijn een gedeelde verantwoordelijkheid is van verschillende departementen. In dit proces wordt ook gewaarborgd dat waar nodig afstemming plaatsvindt, dat geldt zowel voor de tot stand te brengen uitvoeringsregelgeving als voor uitvoeringsaspecten zoals de inrichting en uitoefening van het toezicht. Een afzonderlijke toegankelijkheidswet is hiervoor niet noodzakelijk en naar de mening van de regering ook niet opportuun omdat dat zou kunnen leiden tot verdere versnippering en onduidelijkheid. Er zijn immers reeds sectorale wetten (of uitvoeringsregelgeving) waarin regels worden gesteld over de producten of diensten waarop de richtlijn betrekking heeft. Die wetten hebben ook hun eigen specifieke kader en terminologie, zoals bijvoorbeeld de Wft, waarmee rekening dient te worden gehouden. Het tot stand brengen van een afzonderlijke toegankelijkheidswet zou naar het oordeel van de regering eerder tot meer dan tot minder onduidelijkheid zorgen.
Personal Too en C.V. Works hebben voorgesteld om de verantwoordelijkheid voor de wet te beleggen bij één departement, en daar één ambtenaar het mandaat te geven om andere departementen, waar nodig, te activeren en corrigeren.
De regering wijst er op dat, zoals hiervoor is vermeld, het voorliggende wetsvoorstel tot stand is gebracht door meerdere departementen. De richtlijn heeft immers betrekking op de beleidsterreinen van verschillende departementen, terwijl het ministerie van VWS een coördinerende rol heeft vervuld vanwege de doelgroep van personen met een beperking. Voorts zullen voor de handhaving van de toegankelijkheidsvoorschriften op de diverse terreinen verschillende toezichthouders, vallend onder verschillende departementen, verantwoordelijk worden. Gelet op de brede inhoudelijke reikwijdte van de wet, en vanwege de betrokkenheid van diverse toezichthouders is het centraliseren van de verantwoordelijkheid voor de wet bij één departement wenselijk noch werkbaar. Wel zal het ministerie van VWS een coördinerende rol behouden.
IederIn adviseert mensen met een beperking te betrekken en in de wet op te nemen dat mensen met een beperking en hun vertegenwoordigende organisaties structureel en op de verschillende beleidsterreinen worden betrokken bij de implementatie, de uitvoering en de monitoring van de richtlijn, en dit verder uit te werken in een algemene maatregel van bestuur. IederIn adviseert voorts een adviescommissie in te stellen, waarin naast vakdeskundigen ook vertegenwoordigers van mensen met een beperking zitting hebben (ervaringsdeskundigen).
Ook het College voor de Rechten van de Mens wijst erop dat met mensen met een beperking en hun (vertegenwoordigende) organisaties nauw overleg moet worden gevoerd in het implementatietraject, bij de toekomstige uitvoering van de implementatiewet en bij de evaluatie van de richtlijn. Het College adviseert om en in de toelichting bij de regelgeving te expliciteren wat er met hun input is of wordt gedaan.
Zoals het College voor de Rechten van de Mens en ook IederIn aangeven is het van belang om mensen met een beperking en hun vertegenwoordigende organisaties nauw te betrekken in het implementatietraject, bij de toekomstige uitvoering en bij de evaluatie van de richtlijn. De regering licht graag toe hoe zij dit voor zich ziet.
Het wetsvoorstel is in openbare consultatie gebracht, waarbij organisaties zoals IederIn uitdrukkelijk zijn gewezen op de consultatie. De regering merkt daarbij op dat richtlijn één op één wordt geïmplementeerd wordt, en dat om die reden de mogelijkheid tot wijzigingen van het wetsvoorstel beperkt zijn. Dat laat onverlet dat de regering inbreng op het wetsvoorstel en de implementatie daarvan van groot belang acht, zowel van marktdeelnemers als van personen met een beperking. Op 17 februari 2022 is een interactieve online bijeenkomst georganiseerd waarin diverse departementen een toelichting hebben gegeven op de richtlijn, het implementatietraject en de gevolgen voor de marktdeelnemers. Ook verschillende vertegenwoordigers van de organisaties van personen met een beperkingen, waaronder IederIn, hebben, als ervaringsdeskundige een bijdrage geleverd aan de bijeenkomst. Deelnemers hadden de mogelijkheid geboden tot het stellen van vragen en hebben daar volop gebruik van gemaakt. De regering zal ervaringsdeskundigen en hun vertegenwoordigende organisaties betrekken in de implementatie van de wet- en regelgeving. Bijvoorbeeld in het vormgeven van het toezicht, de communicatie naar ondernemers, monitoring en evaluatie van de wet- en regelgeving.
De AMvB’s zijn thans in voorbereiding en worden door de onderscheiden departementen in procedure gebracht. Een openbare consultatie en adviesaanvraag bij het College, de ATR en de Raad van de Rechtspraak, toezichthouders maakt uiteraard ook deel uit van dat proces. De organisaties waarnaar het College verwijst zullen daarbij ook worden gewezen op de consultatie. Dit neemt overigens niet weg dat overleg ook via andere reguliere kanalen kan plaatsvinden. In dit verband wordt gewezen op de reguliere overlegstructuren van het ministerie van VWS met belangenbehartigers van personen met een beperking. De regering is bereid om met deze organisaties in overleg te treden inzake de inrichting van het toezicht en, te zijner tijd, inzake de evaluatie. De regering neemt het advies van IederIn om de (wijze van) betrokkenheid te formaliseren niet over, aangezien dit noch gebruikelijk noch noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken.
De Rvdr constateert dat de voorgestelde toegankelijkheidsvoorschriften ingrijpende gevolgen hebben voor de aanbieders van producten en diensten. Dit laatste geldt temeer nu het toepassingsbereik van de richtlijn nogal algemeen is geformuleerd. Het College voor de Rechten van de Mens constateert dat het bij het realiseren van toegankelijkheid niet alleen om de fysieke toegankelijkheid gaat, maar om de toegankelijkheid in brede zin. Dus ook informatie en communicatie en andere diensten, met inbegrip van elektronische diensten en nooddiensten (artikel 9, eerste lid, sub b, VN-verdrag). Voor het College wordt niet duidelijk welke goederen en diensten precies onder de reikwijdte van het wetsvoorstel vallen. Hiervoor verwijst de consultatieversie van de Memorie van Toelichting (onder ‘toepassingsbereik’) slechts naar de opsomming in artikel 2 van de richtlijn. Deze opsomming, zo geeft het College aan, is echter relatief technisch van aard en het zal voor de burger, consument of producent zonder nadere toelichting niet altijd evident zijn wanneer een product of dienst onder de reikwijdte valt. Verduidelijking op dit punt, bij voorkeur aan de hand van voorbeelden, is van essentieel belang. Het College adviseert in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel te verduidelijken welke goederen en diensten onder de reikwijdte van het wetsvoorstel vallen.
De regering wijst er op dat de voorgestelde toegankelijkheidsvoorschriften gevolgen kunnen hebben voor marktdeelnemers, maar merkt daarbij op dat zij de mogelijkheid hebben een beroep te doen op de uitzondering die artikel 14 van de richtlijn inzake de fundamentele wijziging en onevenredige last van de richtlijn biedt. Voorts geldt een uitzondering voor micro-ondernemingen die diensten aanbieden, en zijn er minder vergaande vereisten van toepassing op micro-ondernemingen die zich met producten bezighouden. Het beeld van mogelijk verregaande gevolgen zoals het aanpassen van een product vanwege linkshandigheid, zoals de Rvdr als voorbeeld geeft, herkent de regering niet.
Wat betreft de algemene formulering van personen met een handicap in artikel 3 van de richtlijn merkt de regering op dat het niet wenselijk is deze formulering nader te preciseren in het voorliggende wetsvoorstel. De richtlijn bevat toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten, waaraan marktdeelnemers dienen te voldoen. Het voldoen aan deze voorschriften is het oogmerk van de richtlijn, ongeacht voor welke categorie binnen de breed geformuleerde doelgroep van personen met een handicap een specifiek product of specifieke dienst toegankelijker wordt door het voldoen aan de voorschriften.
Het advies van het College is overgenomen. In paragraaf 1.3 van de toelichting waarin artikel 2 van de richtlijn wordt genoemd zijn per onderdeel voorbeelden toegevoegd.
IederIn constateert dat de richtlijn zich voornamelijk beperkt tot elektronische producten en diensten. Echter, een toegankelijke geldautomaat is voor veel mensen met een beperking nutteloos als ze het bankgebouw niet kunnen betreden door fysieke ontoegankelijkheid. IederIn adviseert daarom de toegankelijkheidsvereisten van NEN-EN 17210 over de toegankelijkheid van de gebouwde omgeving verplicht te stellen voor ruimtes waarop de richtlijn betrekking heeft, bestaand en nieuw.
Er wordt door NEN in samenwerking met een groot aantal belanghebbende partijen gewerkt aan een vrijwillige norm voor toegankelijk bouwen. Er wordt hierbij ook aandacht besteed aan hoe ervoor kan worden gezorgd dat de norm zoveel mogelijk gebruikt wordt. De norm kan gebruikt worden door ontwerpende en bouwende partijen om toegankelijker te bouwen. De norm is nauw verbonden met NEN-EN 17210 en moet in samenhang gelezen worden. In het Bouwbesluit worden daarnaast algemene toegankelijkheidseisen gesteld. Hieronder vallen ook openbare gebouwen waar diensten worden verleend zoals bedoeld in de richtlijn. Zie ook paragraaf 2.1.
Het College voor de Rechten van de Mens wijst erop dat het VN-verdrag drie lagen kent: het verbeteren van de algemene toegankelijkheid, het treffen van specifieke maatregelen en het doen van redelijke aanpassingen. Deze gelaagde toegankelijkheid uit het VN-verdrag handicap ziet het College niet duidelijk terug in het wetsvoorstel. Het College geeft aan dat het voorstel de gelaagdheid zelfs tegenwerkt, door de verplichting tot het doen van doeltreffende aanpassingen te ondergraven. Het College adviseert de regering dan ook met klem om, naast aan de algemene toegankelijkheid, ook aandacht te besteden aan de andere twee aspecten van toegankelijkheid en de voorgestelde toevoegingen aan artikel 2 van de WGBH/CZ (zoals opgenomen in de consultatieversie) te schrappen. Daarin werd kort gezegd bepaald dat producten en diensten die aan de richtlijn voldoen, ook voldoen aan de verplichting om doeltreffende aanpassingen te verrichten. De Stichting Drempelvrij vraagt zich af in hoeverre de implementatiewet recht doet c.q. afbreuk doet aan het (digitaal) toegankelijk maken van diensten en producten voor alle burgers, in het bijzonder voor mensen met een handicap en ouderen. In de wetstekst is sprake van diverse termijnen van invoering. Voor een aantal diensten en producten is dit, zo geeft de Stichting aan, een punt op de horizon waar naartoe gewerkt kan worden. Echter, zo vraagt de Stichting, het kan toch niet de bedoeling zijn dat bestaande verworven rechten en verplichtingen zoals deze onder andere zijn vastgelegd in de WGBH/CZ worden teruggedraaid? Dit zou de positie van mensen met een handicap en ouderen eerder achterstellen dan gelijkstellen of bevorderen overeenkomstig de aard van de richtlijn. De Stichting verzoekt of op dit punt een artikel kan worden toegevoegd waarin expliciet staat dat huidige rechten en verplichtingen en termijnen gewaarborgd zijn.
De regering heeft goede notie genomen van de door het College en de Stichting Drempelvrij aangehaalde bezwaren en adviesopmerkingen. Dit heeft ertoe geleid dat de in de consultatieversie voorgestelde aanpassingen van artikel 2 en 2a van de WGBH/CZ zijn vervallen en dat de memorie van toelichting op dit onderdeel is aangevuld.
De Rvdr constateert dat de verwijzing naar producten als bedoeld in artikel 33 van de Warenwet niet duidelijk is. Het huidige artikel 33 ziet namelijk op kosten die aan ‘de aanvrager of houder van de aanwijzing of erkenning’ ten laste kunnen worden gebracht. Dit terwijl de voorgenomen wijziging van artikel 3 van de Warenwet suggereert dat in artikel 33 (categorieën) producten worden opgesomd. Gelet hierop is het onduidelijk op welke producten de nieuw toe te voegen toegankelijkheidsvoorschriften zien. De Raad adviseert het Wetsvoorstel op dit punt te verduidelijken.
De regering heeft dit advies overgenomen. De verwijzing in artikel 3, tweede lid, naar artikel 33 was niet juist en is aangepast. Verwezen wordt nu naar de producten, zoals opgenomen in artikel 2, eerste lid, van de richtlijn.
De Raad voor de rechtspraak (hierna: Rvdr) geeft in zijn advies over het voorontwerp aan dat de wijzigingen in het BW onvoldoende duidelijk zijn en vragen oproepen. De Rvdr wil ten eerste graag verduidelijking van ‘in overeenstemming met de toegankelijkheidsvoorschriften in bijlage I, afdeling III en IV, onder g, en bijlage V bij richtlijn (EU) 2019/882’ in artikel 6:230fb BW. De overweging van de Rvdr om deze toegankelijkheidseisen uit de bijlagen expliciet in de wet op te nemen is niet overgenomen omdat het algemene beleid is om in de verschillende wetten en AMvB’s waarin de toegankelijkheidsrichtlijn wordt geïmplementeerd dynamisch door te verwijzen naar de (bijlagen bij de) richtlijn. Op deze wijze wordt de richtlijn uniform en zo veel mogelijk eenduidig geïmplementeerd. Bovendien is bij wijziging van de bijlagen geen wetswijziging noodzakelijk. Wel is artikel 6:230fb BW uitgebreid met een tweede lid waarin de verplichtingen uit artikel 13 van de richtlijn zijn verduidelijkt. Omwille van een sluitend beleid voor toegankelijkheid zijn ook de verplichtingen waaraan dienstverleners moeten voldoen op grond van de richtlijn in het algemeen deel van de memorie van toelichting verduidelijkt.
Daarnaast acht de Rvdr de uitwerking in artikel 6:230fc BW van de ontheffing van de verplichting om aan de in artikel 6:230fb BW bedoelde toegankelijkheidsvoorschriften te voldoen onvoldoende. De Rvdr geeft terecht aan dat het afhankelijk is van de omstandigheden van het geval wanneer is voldaan aan de normen ‘fundamentele wijziging’ of ‘onevenredige last’ in artikel 6:230fc BW. Deze maatregel is overgenomen uit artikel 14 van de richtlijn en zorgt ervoor dat dienstverleners onder voorwaarden een beroep kunnen doen op een vrijstelling. De maatregel beoogt te voorkomen dat dienstverleners met onevenredige kosten worden opgezadeld (onevenredige last) dan wel hun e-handelsdienst zodanig moet worden gewijzigd dat er in wezen sprake is van een geheel nieuwe e-handelsdienst (fundamentele wijziging). De procedurele verplichtingen die hiervoor gelden zijn uitgewerkt in artikel 8a.1 Whc. Daarnaast zijn de begrippen ‘onevenredige last’ en ‘fundamentele wijziging’ in het algemeen deel van de memorie van toelichting verduidelijkt. De criteria die gelden voor de beoordeling of sprake is van een onevenredige last zijn opgenomen in bijlage IV bij de richtlijn.
Tot slot wenst de Rvdr een uitwerking van de rechtsgevolgen als niet voldaan is aan de toegankelijkheidseisen voor het aanbieden van e-handelsdiensten. Aangezien het bij de toegankelijkheidseisen voor e-handelsdiensten gaat om diensten die worden verleend op afstand, via websites en diensten op basis van mobiele apparaten, langs elektronische weg en op individueel verzoek van een consument met het oog op het sluiten van een overeenkomst is er bij het niet voldoen aan de toegankelijkheidseisen nog geen sprake van een overeenkomst. Er is sprake van een precontractuele inspanningsverplichting. Mocht een consument na het sluiten van een overeenkomst echter constateren dat de betreffende website waar hij een aankoop heeft gedaan niet voldeed aan de toegankelijkheidsvoorschriften, dan kan sprake zijn van een oneerlijke handelspraktijk (artikel 6:193a BW e.v.). Toezichthouders en de rechter kunnen handelaren dwingen om aan de toegankelijkheidsvoorschriften te voldoen. De Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) gaat toezicht houden op de naleving van de toegankelijkheidsvoorschriften die gelden voor dienstverleners die e-handelsdiensten verlenen. Ingeval een consument van mening is dat een e-handelsdienst niet voldoende toegankelijk is, ligt het dan ook voor de hand dat deze daarover een klacht indient bij de ACM. De ACM kan daarop besluiten een onderzoek in te stellen naar de niet-naleving van de regels over de toegankelijkheid en zo nodig handhavend optreden en een boete opleggen. De verwachting is dan ook dat geschillen over het al dan niet voldoen aan de toegankelijkheidsvoorschriften niet snel bij de burgerlijke rechter terecht zullen komen.
De Rvdr adviseert om in artikel 4:22.0a expliciet te vermelden aan welke toegankelijkheidsvoorschriften een aanbieder van bankdiensten dient te voldoen. In artikel 4:22.0a is duidelijk aangegeven aan welke afdelingen van bijlage I van de Toegankelijkheidsrichtlijn dient te worden voldaan. Het uitschrijven van al deze toegankelijkheidsvoorschriften in de wettekst maakt de wettekst onleesbaar waardoor het niet duidelijker wordt aan welke normen dient te worden voldaan. Bij algemene maatregel van bestuur zullen de overige toegankelijkheidsvoorschriften worden opgenomen waaraan de aanbieder van bankdiensten dient te voldoen. Op deze manier is voor aanbieders van bankdiensten duidelijk aan welke normen van de Toegankelijkheidsrichtlijn dient te worden voldaan.
Voor de opmerking van de Rvdr dat onvoldoende is uitgewerkt welk rechtsgevolg de burgerlijke rechter dient te verbinden aan de constatering dat producten of diensten niet voldoende toegankelijk zijn wordt verwezen naar paragraaf 3.1 van deze toelichting.
Over e-boeken is een reactie ontvangen van Dedicon. Over digitale leermiddelen zijn van verschillende partijen (vergelijkbare) consultatiereacties ontvangen. Hierop wordt hieronder ingegaan.
Dedicon vraagt wat betreft e-boeken duidelijkheid over verschillende aspecten. Allereerst het voorgenomen tijdpad en de inhoud van de tot stand te brengen AMvB, inclusief het toezicht, het handhavingsinstrumentarium. Daarnaast vraagt Dedicon hoe de overheid de samenloop met de regels over toegankelijkheid van websites en apps van overheidsinstanties ziet, hoe tegenstrijdigheid binnen de regels over e-boeken wordt voorkomen, en hoe invulling wordt gegeven aan het concept ‘design for all’. Dedicon vraagt tevens naar de reikwijdte en invulling van een aantal begrippen uit de richtlijn, te weten micro-onderneming, e-boek, onevenredige last en fundamentele wijziging. Ook vraagt Dedicon of martkdeelnemers CE-markering moeten hanteren, of distributeurs moeten toezien op de metadata over toegankelijkheid en de toegankelijkheid van instructies, en of producenten toegankelijke instructies moeten toevoegen. Voorts vraagt Dedicon hoe zal worden gezorgd voor de nodige kennis en vaardigheden bij de toezichthouder, en hoe vaak marktdeelnemers ten minste onderzoek moeten doen naar toegankelijkheid en daarover moeten rapporteren. Tot slot vraagt Dedicon in welke situaties e-boeken van vóór 28 juni 2025 zijn uitgesloten van deze regelgeving.
De regering begrijpt dat bij Dedicon veel vragen leven over de totstandkoming en inhoud van de regelgeving omtrent e-boeken. Deze regelgeving zal worden opgenomen in een AMvB, die het tijdpad van onderhavig wetsvoorstel volgt. Bij de totstandkoming van deze AMvB zal een afzonderlijke consultatie worden gehouden. Een aantal vragen van Dedicon kan reeds in het kader van onderhavig wetsvoorstel worden beantwoord. Zo wordt de samenloop van de richtlijn met de regels over de toegankelijkheid van websites en apps van overheidsinstanties (die voortkomen uit Richtlijn (EU) 2016/2102) besproken in de overwegingen 35, 46 en 47 van de richtlijn. Daarin is onder meer opgenomen dat dezelfde beginselen – waarneembaarheid, operabiliteit, begrijpelijkheid en robuustheid – en uitzonderingen relevant zijn, dat de voorschriften uit de richtlijn naast de voorschriften uit Richtlijn (EU) 2016/2102 kunnen gelden, en dat deze voorschriften moeten worden afgestemd op de voorschriften van Richtlijn (EU) 2016/2102. Onderhavig wetsvoorstel dient ter implementatie van de richtlijn, die onderdeel uitmaakt van een breder streven naar steeds toenemende toegankelijkheid van producten en diensten. Om een samenhangende toepassing van de voorschriften uit de richtlijn te stimuleren richt de Europese Commissie een werkgroep op bestaande uit vertegenwoordigers van onder meer toezichthouders en belangenorganisaties. De begrippen micro-onderneming en e-boekdienst hebben een zelfstandige definitie in de richtlijn. Voor de onevenredige last geldt dat Bijlage VI bij de richtlijn criteria geeft voor de beoordeling hiervan door marktdeelnemers. Of sprake is van een fundamentele wijziging van de wezenlijke aard van een product of dienst zal van geval tot geval beoordeeld moeten worden. De aangewezen toezichthouder op het gebied van e-boekdiensten zal in staat gesteld worden dit toezicht effectief uit te voeren. De richtlijn bevat geen zelfstandige, algemene rapportageverplichtingen voor marktdeelnemers. Wel zijn marktdeelnemers verplicht om in voorkomende situaties beoordelingen uit te voeren en/of informatie te verstrekken aan de toezichthouder. De overige vragen van Dedicon vallen buiten de reikwijdte van het wetsvoorstel, en zullen aan bod komen bij het ontwerpbesluit betreffende e-boekdiensten.
Dedicon verzoekt duidelijk te maken wat onder een e-boek wordt verstaan en of digitale leeromgevingen eveneens onder de wetgeving vallen, zeker als deze e-boeken bevatten. Dedicon verzoekt om digitale leeromgevingen en methoden ook onder deze wetgeving te laten vallen om ervoor te zorgen dat lesmethoden voor álle leerlingen toegankelijk zijn. Dit is een belangrijke stap richting inclusief onderwijs.
De Oogvereniging Nederland constateert dat leermiddelen helaas zijn uitgesloten van de richtlijnen, zodat aan de markt wordt overgelaten of ze toegankelijk worden geproduceerd. Wat de Oogvereniging betreft is dit een gemiste kans. Zij verzoekt de regering te heroverwegen of digitale leermiddelen niet alsnog onderdeel kunnen zijn van deze regelgeving, zij het niet Europees, dan wel in Nederland.
De Vereniging Onbeperkt Lezen ging ervan uit dat ook digitale leermiddelen onder de reikwijdte van de richtlijn zouden vallen, maar begrijpt dat dit niet het geval is. Volgens de Vereniging kan dat niet de bedoeling zijn, aangezien op vrijwel alle maatschappelijke terreinen er wettelijke maatregelen van kracht worden om af te dwingen dat mensen met een leesbeperking volledig toegang hebben tot digitale informatie, maar niet in het onderwijs. De Vereniging pleit ervoor om digitale leeromgevingen alsnog mee te nemen in deze wetgeving.
De Koninklijke Visio en Bartimeus constateren dat het ernaar uitziet dat de toegankelijkheid van (digitale) leermiddelen onvoldoende wordt geborgd in deze regelgeving. Dat is niet alleen een gemiste kans, het is ook, zo geven zij aan, een zorgelijke ontwikkeling in het kader van de weg naar complete inclusiviteit van leerlingen met een visuele beperking. Niet-toegankelijke leermiddelen leidt tot kansenongelijkheid in het onderwijs aan deze doelgroep. Dat was volgens de instellingen voor mensen met een visuele beperking juist datgene waarvoor deze nieuwe regelgeving bedoeld was. Zij verzoeken de regering maatregelen te nemen om dit probleem op te lossen. Verder verwijst Bartimeus naar de reacties van de Vereniging Onbeperkt lezen, Dedicon en Iederin.
De regering wijst erop dat alleen e-boekdiensten onder de richtlijn vallen. Als digitale leermiddelen onder de definitie van een e-boekdienst vallen dan moeten ze voldoen aan de AMvB die zal gaan gelden voor e-boekdiensten. Dat neemt niet weg dat de richtlijn niet van toepassing is op digitale leermiddelen die niet onder de definitie van een e-boekdienst vallen, en dit wetsvoorstel uitsluitend strekt ter implementatie van de richtlijn. Er bestaan verschillende definities van digitale leermiddelen. In de meeste gevallen is een digitaal leermiddel interactief en niet op zichzelf staand (bijvoorbeeld te gebruiken met een specifiek platform), waardoor geen sprake is van een e-boekdienst. Een losstaande, digitale variant van een leerboek kan wel onder de definitie van een e-boekdienst vallen. In de MvT is verduidelijkt dat de richtlijn geen afbreuk doet aan de andere lagen van toegankelijkheid. Toegankelijkheid wordt in artikel 3 van het VN-verdrag handicap genoemd als een van de algemene beginselen. Toegankelijkheid ziet op het wegnemen van obstakels en bestrijkt een groot gebied, waaronder voorzieningen en diensten die openstaan voor of verleend worden aan het publiek. Het verdrag kent ook het begrip ‘redelijke aanpassingen’. Volgens de definitie (artikel 2 van het verdrag) gaat het bij redelijke aanpassingen om aanpassingen die in een specifiek geval nodig zijn. Het eerste lid van artikel 9 van het verdrag verplicht partijen passende maatregelen te nemen teneinde personen met een handicap in staat te stellen zelfstandig te leven en volledig deel te nemen aan alle facetten van het leven. De WGBH/CZ is ter uitvoering van het verdrag in Nederland met ingang van 14 juni 2016 gewijzigd. Personen met een beperking kunnen sindsdien de bescherming van deze wet inroepen in geval van geval van discriminatie op het brede terrein van goederen en diensten. De in artikel 2 van de WGBH/CZ opgenomen verplichting om naar gelang de behoefte doeltreffende aanpassingen te verrichten, is ook van toepassing op het terrein goederen en diensten. Bij doeltreffende aanpassingen gaat het om aanpassingen die in een concrete situatie nodig zijn. Naast de verplichting om desgevraagd doeltreffende aanpassingen voor een individu te treffen, is in artikel 2a van de WGBH/CZ ook de verplichting opgenomen om geleidelijk zorg te dragen voor de algemene toegankelijkheid voor personen met een handicap of chronische ziekte, tenzij dat een onevenredige belasting vormt. Om duidelijkheid te scheppen over hoe ver de verplichting tot algemene toegankelijkheid reikt, is in artikel 2a, lid 2, vastgelegd dat over de inhoud hiervan bij AMvB nadere regels gesteld worden gesteld. Het Besluit toegankelijkheid voor personen met een handicap of chronische ziekte geeft hieraan uitvoering. In dat besluit is bepaald dat binnen de verschillende sectoren van de terreinen waarop artikel 2a van toepassing is, actieplannen tot stand worden gebracht. Daarin wordt beschreven op welke wijze een sector werkt aan de geleidelijke verwezenlijking van de algemene toegankelijkheid. Dat geldt ook voor digitale leermiddelen.
IederIn adviseert om in het inkoopbeleid rekening te houden met toegankelijkheidsvoorschriften en deze als verplichting op te nemen in het publieke inkoopbeleid, voor door de overheid aangeschafte producten en diensten.
De Aanbestedingswet 2012 bevat reeds meerdere verplichtingen voor aanbestedende diensten om rekening te houden met criteria voor toegankelijkheid. Bijvoorbeeld, de technische specificaties in aanbestedingstukken dienen zodanig opgesteld te worden dat rekening wordt gehouden met criteria inzake toegankelijkheid voor personen met een handicap of de geschiktheid van het ontwerp voor alle gebruikers (zie art. 2.75, lid 4 Aw2012). Ook bepaalt de Aanbestedingswet 2012 dat, indien door de EU verplichte toegankelijkheidsvoorschriften zijn vastgesteld (in dit geval via de Toegankelijkheidsrichtlijn), de technische specificaties worden bepaald door een verwijzing naar de desbetreffende criteria (zie art. 2.75, lid 5 Aw2012). Deze verplichting zorgt ervoor dat het inkoopbeleid van rechtswege rekening houdt met de nieuwe toegankelijkheidsvoorschriften en deze hierin meeneemt.
De Rvdr merkt in algemene zin op dat het wetsvoorstel voorziet in het vaststellen van wetgeving die voor een groot deel nog nader uitgewerkt dient te worden in lagere regelgeving. Hierdoor kan op dit moment niet duidelijk worden overzien op welke wijze de richtlijn inhoudelijk wordt geïmplementeerd. Iederin constateert dat onduidelijkheid bestaat over wat de sectorale AMvB’s moeten bevatten en wat de effecten daarvan moeten zijn. IederIn adviseert in dit verband te zorgen voor duidelijke en volledige toegankelijkheidsvoorschriften, de minimale vereisten van de richtlijn duidelijk en volledig op te nemen in de regelgeving, de samenhang tussen deze wet en bestaande regelgeving helder en inzichtelijk, te maken, bijvoorbeeld ten aanzien van actuele toegankelijkheidsstandaarden zoals EN301549 voor overheidswebsites, apps en andere digitale middelen, scherper te formuleren op welke gronden marktdeelnemers een beroep kunnen doen op de onevenredige last en fundamentele wijzigingen, en om tevens scherper te formuleren op welke wijze voorkomen gaat worden dat hierop een onterecht beroep wordt gedaan.
Dedicon constateert dat via de internetconsultatie alleen kon worden gereageerd op deze algemene implementatiewet en niet op de invulling van specifieke onderdelen, zoals e-boeken, aangezien de AMvB’s nog in voorbereiding zijn. Dedicon verzoekt het wetsvoorstel/de uitvoeringsregelgeving op een aantal punten te concretiseren om ervoor te zorgen dat deze regelgeving voor mensen met een beperking ook daadwerkelijk meer toegankelijke producten en diensten oplevert en voor marktdeelnemers uitvoerbaar en controleerbaar is. Dedicon doet daarom de aanbeveling om niet slechts te verwijzen naar de algemene criteria in de richtlijn, maar in de wetten of uitvoeringsregelgeving concrete criteria vast te leggen, bijvoorbeeld de criteria inzake onevenredige last, fundamentele wijziging en de toegankelijkheidsvoorschriften.
De regering heeft bij de consultatie van het wetsvoorstel overwogen om ook de uitvoeringsregelgeving gelijktijdig in consultatie te bleken. Aangezien nog tijd nodig was voor de totstandbrenging van de onderscheiden concept- AMvB’s en besluitvorming over het toezicht, is het voorgaande helaas niet mogelijk gebleken. De meeste AMvB’s zijn gedurende 2022 alsnog in consultatie gebracht. De AMvB’s over e-boeken en diensten die toegang verlenen tot audiovisuele mediadiensten zullen zo snel mogelijk volgen. In de toelichting bij die AMvB’s kan ook meer zicht worden geboden op het toezicht. In het proces van totstandbrenging van de uitvoeringsregelgeving wordt de samenhang via de reguliere interdepartementale samenwerking gewaarborgd. De regering streeft er uiteraard naar om onduidelijkheden in de regelgeving of niet te rechtvaardigen verschillen tussen de onderscheiden AMvB’s – ter voorkoming van onduidelijkheden – te voorkomen door goede afstemming tussen de ministeries Hierbij wordt wel opgemerkt dat de specifieke wetten elk hun eigen kader en terminologie kennen. Voor de wijze van implementatie zal ook daarmee rekening moeten worden gehouden. Een voorbeeld is de Warenwetgeving. Daarin en in de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving is het gebruikelijk om dynamisch te verwijzen naar onderdelen van richtlijnen, bijvoorbeeld naar bijlagen bij richtlijnen. Ook vanuit het oogpunt van wetgevingstechniek heeft verwijzing naar bijlagen bij de richtlijn de voorkeur, zodat als de richtlijn wijzigt, de AMvB niet hoeft te worden aangepast. Voor andere onderdelen van de richtlijn kan het wel opportuun zijn om artikelen uit te schrijven in de AMvB’s, bijvoorbeeld om de leesbaarheid te vergroten. Een kanttekening hierbij is wel dat aangezien het een één-op-één implementatie betreft, er weinig tot geen ruimte is om teksten tevens te wijzigen t.o.v. de tekst uit de richtlijn.
IederIn wijst op het belang van de vindbaarheid en toegankelijkheid van de toegankelijkheidsvoorschriften voor ondernemers. IederIn adviseert een informatie- en adviespunt in te richten voor bedrijven, ondernemers en werkgevers waar zij informatie, voorlichting en advies kunnen krijgen over toegankelijkheid van producten en diensten, de regelgeving hieromtrent en de implementatie daarvan in hun bedrijfsvoering.
VNO-NCW en MKB-Nederland raden het kabinet aan om met name mkb-ondernemers goed te informeren over de nieuwe toegankelijkheidsregels door (bijvoorbeeld) duidelijke en handzame richtsnoeren beschikbaar te maken over de nieuwe regels, en door gebruik te maken van bestaande samenwerkingsverbanden die zijn gericht op het verbeteren van de toegankelijkheid.
Dedicon vraagt ten algemene hoe de overheid de praktische uitvoering en uitvoerbaarheid van de nieuwe wet- en regelgeving gaat ondersteunen en in het bijzonder welke maatregelen en vormen van ondersteuning de overheid gaat bieden om, analoog aan de ondersteuning van overheidsinstanties, marktdeelnemers te ondersteunen bij de praktische uitvoering van de verplichtingen.
De regering hecht groot belang aan duidelijke informatie over de toegankelijkheidsvoorschriften en de richtsnoeren en zet zich daarom samen met MKB-Nederland en VNO-NCW in om marktdeelnemers goed te informeren over de toegankelijkheidseisen. Er is nu al informatie over de toegankelijkheidsvoorschriften te vinden op de website van de Rijksoverheid. Hiervoor is een pagina7 ingericht die mettertijd zal worden uitgebreid met aanvullende informatie. Aanvullend hierop wordt in 2023 bijvoorbeeld voorlichtingsmateriaal ontwikkeld waarin de eisen per product en dienst inzichtelijk worden gemaakt en worden er informatiesessies voor ondernemers georganiseerd. Deze sessies zullen samen met de lessons learned worden verspreid via kanalen als brancheverenigingen en Ondernemersplein. Mede op basis van hoe de informatiesessies verlopen wordt een communicatieaanpak voor de jaren 2024 en verder bepaald.
Het College voor de Rechten van de Mens merkt met zorg op dat het wetsvoorstel nog weinig duidelijkheid biedt over de organisatie van het toezicht op de naleving van de geïmplementeerde EU Toegankelijkheidsrichtlijn en de procedures die gelden als mensen met een beperking in de praktijk aanlopen tegen ontoegankelijke goederen en diensten.
VNO-NCW en MKB Nederland constateren dat uit de MvT blijkt dat het kabinet nog geen keuze heeft gemaakt over de manier waarop het toezicht op naleving van de nieuwe regels wordt vormgegeven. Ook de Raad voor de Nederlandse Detailhandel constateert dat er weinig duidelijkheid is over het toezicht. Zij geeft aan dat de winkeliers die bij haar zijn aangesloten de harmonisatie van wet- en regelgeving op dit gebied in Europa steunen. Consumentenrechten breed – en niet alleen die van de personen met een handicap zoals hier bedoeld – zouden geharmoniseerd moeten worden. De Raad voor de Detailhandel licht voorts toe dat er ook steun is voor het gaan gelden van deze regels gelden voor grote, middelgrote én kleine bedrijven. De handel kenmerkt, aldus de Raad, door grote fabrikanten, die vaak buiten de EU zijn gevestigd, daarna een keten van groothandelaren, importeurs en distributeurs die vaak kleinschalig zijn georganiseerd, en daarna winkelformules die vanwege het aantal medewerkers in een winkel al snel een grootbedrijf is. Degenen die in dezen het beste kunnen sturen in ontwerp en samenstelling zijn de groothandelaren, importeurs en distributeurs en degenen die inkopen en deze voorwaarden alsook het hebben van een CE-keurmerk in inkoopvoorwaarden opnemen, zo geeft de Raad aan. De Raad vraagt in het kader van het toezicht speciale aandacht voor de handhaving op direct import en degenen die zichzelf bestempelen als handelsbemiddelaar (drop shipment) en stellen dat de consument zelf een overeenkomst sluit met een buiten de EU gevestigde fabrikant of handelaar. De Raad voor de Detailhandel adviseert dat het actief promoten van goederen die niet voldoen, bestreden moeten worden. Voorts adviseert zij dat de consumenten die non-conforme goederen zelf rechtstreeks importeren, op zijn minst geïnformeerd moeten worden over het feit dat ze een niet-conform product aanschaffen.
IederIn wijst op het belang van het regelen van goed toezicht op de uitvoering van de regelgeving. Daarvoor acht IederIn van belang dat de toezichthouders over voldoende vakdeskundigheid en bij voorkeur ook ervaringsdeskundigheid beschikken. Voor het regelen of inrichten van het toezicht verzoekt IederIn de vertegenwoordigende organisaties van mensen met een beperking te betrekken. IederIn adviseert in dit verband een Autoriteit Toegankelijkheid op te richten. Dit dient voor eindgebruikers met een beperking begrijpelijk en toegankelijk als contact- en informatiepunt waar zij informatie kunnen krijgen over hun rechten in geval dat zij ontoegankelijke producten of diensten geleverd krijgen.
Dedicon wijst op het risico dat wanneer de betreffende producten en diensten worden ondergebracht in verschillende wetten met ieder een eigen toezichthouder, dit nadelig uitpakt bij de consument en verzoekt daarom voor de consument één loket in te richten waartoe deze zich kan wenden bij niet naleving van de toegankelijkheidsvoorschriften. Dedicon vraagt voorts hoe in de toekomst (strikter) gehandhaafd wordt als de regelgeving van kracht wordt, zodat mensen met een beperking daadwerkelijk kunnen meedoen, nu, zo geeft Dedicon aan, gebleken is dat bijvoorbeeld webshops en sommige overheidssites nog steeds niet toegankelijk genoeg zijn.
Wat betreft de door de Raad voor de Nederlandse Detailhandel genoemde directe import en handelsbemiddeling merkt de regering op dat indien de fabrikanten of handelaren onder de reikwijdte van de richtlijn vallen, zij aan de toegankelijkheidsvoorschriften dienen te voldoen. Het hoofddoel van de richtlijn is dat de producten en diensten die onder de reikwijdte van de richtlijn, niet op de Europese markt aangeboden mogen worden, als deze niet voldoen aan de toegankelijkheidsvoorschriften. De richtlijn kent echter geen expliciete plicht om de consument te informeren als een aangeboden product of dienst niet toegankelijk is. Deze richtlijn wordt beleidsarm geïmplementeerd en daarom wordt er geen extra informatieverplichting voor verkopers aan deze implementatiewet toegevoegd.
Voor wat betreft het inrichten van één loket dan wel een contact- en informatiepunt, merkt de regering op dat consumenten met vragen en klachten terecht kunnen bij de betreffende toezichthouder. Gedurende de internetconsultatie waren nog niet alle toezichthouders bekend, maar inmiddels wel. Omdat het toezicht over verschillende toezichthouders is verdeeld, komt er een centrale plek op een pagina van de Rijksoverheid. Dit is een reeds bestaande pagina8 met informatie over de inhoud van het wetsvoorstel welke wordt aangevuld met een verwijzing naar de juiste toezichthouder met bijhorende contactgegevens. Voor alle producten kunnen mensen terecht bij toezichthouder RDI. Voor de diensten zal per dienst de juiste toezichthouder worden weergegeven. Bij de invulling van het centraal punt worden, naast de toezichthouders, ook ervaringsdeskundigen en hun vertegenwoordigende organisaties en het bedrijfsleven betrokken.
De regering zal ervaringsdeskundigen en hun vertegenwoordigende organisaties ook betrekken in andere aspecten van de implementatie van de wet- en regelgeving, zoals het vormgeven van het toezicht, de communicatie naar ondernemers, monitoring en evaluatie van de wet- en regelgeving.
Het wetsvoorstel is voor advies voorgelegd aan het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR). Het ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat de gevolgen die uit de wet zelf voortvloeien toereikend in beeld zijn gebracht. De onderscheiden AMvB’s worden afzonderlijk voor advies voorgelegd aan de ATR.
De Rvdr stelt vast dat het op basis van het huidige wetsvoorstel niet mogelijk is om een inschatting te maken van de werklast voor de burgerlijke rechter. Zo is nog onvoldoende uitgewerkt welke dienstverleners aan welke toegankelijkheidsvoorschriften moeten voldoen, en is de vraag hoe ver de ambtshalve toets van de rechter reikt nog onderwerp van prejudiciële vragen. Een nadere uitwerking van de toegankelijkheidsvoorschriften en van de beoordelingscriteria voor vrijstelling daarvan zal bovendien nog mogelijk plaatsvinden in nog op te stellen algemene maatregelen van bestuur. De Raad adviseert op dat moment graag over de werklast gerelateerd aan de implementatie.
De Rvdr stelt vast dat het wetsvoorstel gevolgen voor de werklast van de Rechtspraak. Omdat, zoals hiervoor gemeld, nog veel in lagere regelgeving wordt uitgewerkt, is het op dit moment lastig te overzien hoe groot de werklastgevolgen voor de Rechtspraak zullen zijn. Op basis van de thans bekende gegevens verwacht de Raad dat het aantal (bestuursrechtelijke handhavings)zaken zal toenemen, maar niet substantieel. Daarbij schat de Raad in dat die nieuwe zaken niet bovengemiddeld complex zullen zijn. In financiële zin voorziet de Raad dan ook geen aanzienlijke gevolgen voor de (bestuurs)rechtspraak. Dit kan anders worden indien bijvoorbeeld de capaciteit van de toezichthouders wordt uitgebreid, en zij regelmatig de handhavingsinstrumenten inzetten, of de uitvoeringsregelingen bekend zijn. In dat geval komt de Raad graag terug op de financiële gevolgen.
De regering zal te zijner tijd de lagere regelgeving voor advies voorleggen aan de Raad, zodat de Raad kan beoordelen wat de gevolgen van deze regelgeving zijn de werklastgevolgen voor de Rechtspraak.
De Stichting Drempelvrij constateert dat voor micro-ondernemingen een uitzondering wordt gemaakt. Op grond van informatie van het CBS (01-01-2022) zijn er in Nederland totaal 2.082.700 bedrijven waarvan, zo geeft de Stichting aan, qua bezetting 2.001.000 bedrijven voldoen aan de definitie micro-onderneming. Of dit qua omzetcijfers ook zo is, is niet direct herleidbaar. De Stichting geeft aan dat gelet hierop de conclusie gerechtvaardigd lijkt dat qua omvang de grootste groep bedrijven (96%) niet valt onder de implementatiewet. Echter er staat wel dat iedere lidstaat voor micro-ondernemingen de nodige richtsnoeren voorschrijft en hen instrumenten geeft om de toepassing van de nationale maatregelen ter omzetting van deze richtlijn te faciliteren. Iedere lidstaat dient instrumenten te ontwikkelen in samenspraak met relevante belanghebbenden.
De Stichting vraag tegen die achtergrond duidelijkheid (in de memorie van toelichting) over de volgende uitvoeringsaspecten: Welke richtsnoeren stelt en instrumenten geeft de overheid aan de micro-ondernemingen, hoe wordt hierop gehandhaafd, hoe wordt de samenspraak vorm en inhoud gegeven en wie bepaalt op grond van welke criteria wie relevante belanghebbenden zijn?
IederIn adviseert om micro-ondernemingen, ook al hebben ze geen wettelijke verplichting op grond van de richtlijn, te ondersteunen in het toegankelijk maken van hun producten en diensten, bijvoorbeeld door het aanbieden van toegankelijkheidstrainingen.
Dedicon vraagt duidelijkheid over hoe voorkomen wordt de dat de definitie van micro-onderneming zowel de intentie als het doel van de regelgeving ondergraven. Decicon vraagt voorts hoe onevenredige last en fundamentele wijziging worden in de (uitvoeringsregelgeving) worden omschreven.
De toegankelijkheidscriteria in de richtlijn bieden ook voor micro-ondernemingen een richtsnoer om hun producten en diensten toegankelijker te maken. Daarnaast zullen de afzonderlijke departementen bezien of het nodig is om te bepalen welke richtsnoeren en instrumenten als effectief gezien worden om de micro-ondernemingen te ondersteunen, en dat dit de mogelijkheid biedt om per product of dienst een richtsnoer of instrument te ontwikkelen.
Voor wat betreft de relevante belanghebbenden met wie in samenspraak de instrumenten worden ontwikkeld, noemt de richtlijn personen met een handicap en organisaties die hen vertegenwoordigen. Daarnaast kan worden gedacht aan marktdeelnemers en organisaties die hen vertegenwoordigen.
In de richtlijn hebben micro-ondernemingen een bijzondere positie. Micro-ondernemingen die diensten aanbieden, worden vrijgesteld van de toegankelijkheidsvoorschriften en van elke verplichting in verband met de naleving van die voorschriften, terwijl micro-ondernemingen die zich met producten bezighouden, uitgezonderd van het voorschrift hun beoordeling of het naleven van de toegankelijkheidsvoorschriften tot een fundamentele wijziging van wezenlijke aard leidt of een onevenredige last oplevert, te documenteren. In beginsel zouden ondernemingen die daarop geen recht hebben, gebruik kunnen maken van deze uitzonderingen door zich ten onrechte voor te doen als micro-onderneming. Artikel 3 van de richtlijn bevat evenwel een duidelijke definitie van het begrip micro-onderneming: onderneming met minder dan 10 werknemers en een jaaromzet of een jaarlijks balanstotaal van ten hoogste 2 miljoen euro. De regering is van oordeel dat aan de hand van deze definitie bepaald kan worden of een onderneming die zich tot deze categorie rekent, ook daadwerkelijk onder deze definitie valt, en zich dus kan beroepen op de uitzonderingsmogelijkheden.
Wat betreft de omschrijving van een onevenredige last en fundamentele wijziging van wezenlijke aard, wijst de regering erop dat dergelijke begrippen niet in algemene zin kunnen worden omschreven. Het hangt van de feiten en omstandigheden van het individuele geval af, alsmede van de wijze waarop de marktdeelnemer deze beoordeling heeft uitgevoerd, of sprake is van een onevenredige last of fundamentele wijziging. Voor wat betreft de onevenredige last verwijst de regering naar bijlage VI van de richtlijn. In bijlage VI wordt meer invulling gegeven aan de criteria voor het uitvoeren en documenteren van de beoordeling of sprake is van een onevenredige last.
In paragraaf 3.1 worden de toezichthouders op de naleving van de toegankelijkheidsvoorschriften vermeld. Deze toezichthouders is verzocht een uitvoerings- en handhaafbaarheidstoets uit te voeren, hetgeen zij hebben gedaan. De resultaten van die toetsen worden verwerkt in de AMvB’s die in het kader van de implementatie van de richtlijn zijn gemaakt, omdat met name hierin wordt geregeld waar zij toezicht op houden. De resultaten komen derhalve hier niet aan de orde. Een uitzondering hierop betreft de toets inzake handhaving met betrekking tot e-handelsdiensten die is uitgevoerd door de ACM. Reden hiervoor is dat voor voornoemde dienst er geen afzonderlijke AMvB zal worden gemaakt, het toezicht voor e-handelsdiensten is geregeld in het wetsvoorstel.
Bij de ACM is om een uitvoerings- handhavingstoets gevraagd voor de onderdelen e-handelsdiensten en elektronische communicatiediensten. De ACM concludeert ten algemene dat het wetsvoorstel voor deze onderdelen uitvoerbaar en handhaafbaar is. De ACM plaatst nog wel een aantal kanttekeningen hierbij.
Ten eerste geeft de ACM aan dat het een belangrijke randvoorwaarde is dat er een regeling wordt getroffen op EU-niveau voor grensoverschrijdende inbreuken. De ACM geeft aan dat een oplossing kan zijn om bepalingen uit de richtlijn toe te voegen aan de bijlage bij de Verordening (EU) 2017/2394 betreffende de samenwerking tussen de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de handhaving inzake consumentenbescherming. Ten tweede merkt de ACM op dat de richtlijn ook geen regeling voorziet voor informatie-uitwisseling en handhaving met betrekking tot individuele ondernemingen die grensoverschrijdend actief zijn. Hierdoor bestaat het risico dat ondernemingen ten onrechte een beroep doen op de vrijstelling voor micro-ondernemingen. De ACM is namelijk afhankelijk van de gegevenslevering van de onderneming zelf. De regering zal deze punten bij de Europese Commissie onder de aandacht brengen.
Verder heeft de ACM een aantal suggesties gedaan voor aanpassing van de memorie van toelichting. Naar aanleiding daarvan zijn de volgende wijzigingen aangebracht in de memorie van toelichting:
• In de inleiding wordt de doelgroep ‘personen met een handicap’ omschreven, waarbij wordt verwezen naar artikel 3 van de richtlijn.
• In het onderdeel ‘Burgerlijk Wetboek’ van paragraaf 2.3 is een zin toegevoegd dat de website van de e-handelsdienst toegankelijk moet zijn en dat dienstenverleners die e-handelsdiensten verrichten ook moeten voldoen aan de verplichtingen die opgenomen staan in Bijlage V, zoals volgt uit artikel 13 van de richtlijn.
• In paragraaf 2.3 is in de tekst over de Whc verduidelijkt dat de betrokken toezichthouders thans al bevoegd zijn om doeltreffende herstelmaatregelen als bedoeld in artikel 30 van de richtlijn te treffen.
• In het onderdeel ‘rechtsbescherming’ van hoofdstuk 3 is de passage over het bestuursrechtelijke traject aangepast. Hierin is vermeld dat de belanghebbende bezwaar kan maken tegen een beslissing van de ACM. Tegen de beslissing op bezwaar kan beroep ingesteld worden bij de rechtbank Rotterdam. Tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam kan uitsluitend hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.
Daarnaast adviseert de ACM om in de Whc en Telecomwet op te nemen dat ‘bij sancties rekening wordt gehouden met de mate van niet-naleving, die mede gebaseerd is op de ernst en het aantal betrokken non-conforme producten en diensten alsmede op het aantal getroffen personen’. Dit voorstel heeft de regering niet overgenomen. Deze criteria kunnen worden gezien als een nadere uitwerking van de in artikel 30 van de richtlijn neergelegde eis dat de opgelegde sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn en waarmee bij de toepassing van het sanctie-instrumentarium al rekening wordt gehouden. Naar het oordeel van de regering is het dan ook niet nodig om dit expliciet in het wetsvoorstel op te nemen. Deze criteria kunnen in voorkomend geval nader worden uitgewerkt in het toepasselijke boetekader van de betrokken toezichthouder.
De ACM geeft verder aan dat de handvatten en criteria in artikel 14 en Bijlage VI van de richtlijn voor de beoordeling of sprake is van een onevenredige last of fundamentele wijziging verder ingevuld moeten worden. De regering zal dit op de agenda zetten van de werkgroep met toezichthouders zoals in paragraaf 3.1 is beschreven.
Verder geeft de ACM aan zich de voordelen van het gedeeltelijk dynamisch verwijzen te kunnen voorstellen. De voorschriften zijn daarbij niet overgenomen in de Nederlandse wetgeving, maar er wordt verwezen naar de bepalingen uit de richtlijn. De ACM merkt op dat dit de leesbaarheid en begrijpelijkheid voor consumenten en bedrijven niet ten goede komt. Een toelichting voor de keuze van de regering voor dynamisch verwijzen staat in hoofdstuk 4 van deze toelichting onder het kopje ‘Burgerlijk Wetboek’.
De ACM merkt op dat de term e-handelsdienst niet in het generieke consumentenrecht voorkomt. Hierdoor kunnen interpretatieproblemen ontstaan. In reactie hierop merkt de regering op dat het aan het Europees Hof van Justitie is om de begrippen van de richtlijn nader in te vullen.
De ACM geeft aan dat verdere concretisering van normen op sommige onderdelen nodig is. Zo is volgens de ACM niet altijd duidelijk wanneer sprake is van geharmoniseerde normen of delen daarvan. In reactie hierop merkt de regering op dat de tekst waar de ACM naar verwijst, afkomstig is uit de richtlijn. Een geharmoniseerde norm kan bepaalde optionele elementen bevatten. Soms kan dan volstaan worden met het implementeren van één of enkele van die elementen om aan de geharmoniseerde norm te voldoen. De andere optionele elementen hoeven dan niet te worden geïmplementeerd. In dat geval is dus een deel van een geharmoniseerde norm geïmplementeerd. Met het in de richtlijn opgenomen vermoeden van conformiteit wordt voorkomen dat producten en diensten die in overeenstemming zijn met dergelijke (delen van) geharmoniseerde normen moeten voldoen aan dubbele eisen.
De ACM adviseert verder om aan marktdeelnemers uiterlijk eind 2023 duidelijkheid te verstrekken over de wijze waarop de regels toegepast moeten worden. De regering hecht groot belang aan duidelijke informatie over de toegankelijkheidsvoorschriften en zet zich daarom samen met MKB-Nederland en VNO-NCW in om marktdeelnemers daarover goed te informeren.
De ACM adviseert dat er goede afspraken gemaakt moeten worden tussen de verschillende taken en rollen van de Europese Commissie, de werkgroep op Europees niveau, de normalisatieorganisaties en de markttoezichthouders en autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor conformiteit van diensten zich tot elkaar verhouden. De regering is het eens dat die rollen en verantwoordelijkheden helder moeten zijn en dat daar waar nodig nadere afspraken over gemaakt moeten worden. De regering merkt op dat dit op Europees niveau moet gebeuren.
Tot slot geeft de ACM aan dat het wenselijk is dat er een coördinerend toezichthouder kan worden aangewezen als blijkt dat hier behoefte aan is. De reden hiervoor is dat op nationaal niveau verschillende toezichthouders zijn aangewezen, die ieder op hun eigen terrein toezicht gaan houden op deels dezelfde normen. De regering heeft niet gekozen voor een gecoördineerd toezichthouder. Een toelichting over de invulling van het toezicht staat in hoofdstuk 3 onder het kopje ‘naleving’ van deze toelichting.
De Stichting Drempelvrij constateert dat de facultatieve overgangsbepaling artikel 32, tweede lid, van de richtlijn) dienstverleners die zelfbedieningsterminals vóór 28 juni 2025 rechtmatig gebruikten voor het verlenen van diensten, de mogelijkheid biedt om te bepalen dat deze terminals tot het eind van hun economische levensduur, maar niet langer dan 20 jaar na hun ingebruikname, gebruikt kunnen worden bij het leveren van vergelijkbare diensten.
De Stichting merkt op dat het stellen van een maximale termijn correct lijkt, maar het criterium economische levensduur is niet transparant navolgbaar en leidt tot strategisch gedrag bij het opstellen van documenten. De Stichting adviseert de termijn te bepalen aan de hand van de formule gebruiksgarantie (beheer- en onderhoudscyclus en vastgestelde minimaal aantal toegankelijkheidseisen waaraan voldaan moet worden) of op het in werking treden per 28 juni 2022 met een maximumtermijn van 15 jaar waarbij ook een gebruiksgarantieformule wordt toegepast die bijdraagt aan de geest van de richtlijn.
Onder meer de Raad voor de Nederlandse Detailhandel merkt op dat de overgangstermijn ambitieus is. De Raad geeft aan dat er vandaag nog producten geproduceerd die ook na 28 juni 2025 nog steeds zullen worden gemaakt en ergens zullen staan. Een betaalterminal gaat bijvoorbeeld 7 jaar mee: gemiddeld 2 jaar in productie of verkoop en daarna nog 5 jaar in een winkel. Voorts pleit de Raad ervoor dat producten waarvan de hardware voor 28 juni 2025 in de handel is gebracht en daarna nog software-updates ontvangt wordt uitgezonderd. Immers, software-updates kunnen niet-conforme hardware niet conform maken. Terwijl aan software-updates die na 28 juni 2025 worden geïmplementeerd wél conformiteitseisen worden gesteld.
Zelfbedieningterminals, inclusief betaalterminals, in gebruik voor 27 juni 2025, kunnen, tot het eind van hun economische levensduur, maar niet langer dan 20 jaar na ingebruikname gebruikt worden. Het klopt dat software updates voor zelfbedieningterminals na 28 juni 2025, conform moeten zijn met de richtlijn, rekening houdend met de overgangsmaatregelen in artikel 32 van de richtlijn. Het is echter voorstelbaar dat als de hardware niet voldoet aan de toegankelijkheidseisen, de software ook niet kan voldoen. In dit geval wordt er geadviseerd om de software zo conform mogelijk op te zetten, in lijn met overweging 26 van de richtlijn.
De reikwijdte van de Warenwet is geregeld in artikel 3. Tot de inwerkingtreding van de richtlijn ziet deze wet op het belang van de volksgezondheid, de veiligheid, de eerlijkheid in de handel of van goede voorlichting omtrent waren, en, indien het technische voortbrengselen betreft, tevens op het belang van de gezondheid van de mens of van de veiligheid van zaken. Onderdeel C van het onderhavige wetsvoorstel voorziet in wijziging van artikel 3, teneinde de reikwijdte van deze wet uit te breiden met het gebied toegankelijkheid, voor zover het gaat om producten die onder de werkingssfeer van de richtlijn vallen.
Onderdeel E voegt het nieuwe hoofdstuk ‘toegankelijkheidsvoorschriften’ toe, waarin de nodige grondslagen zijn opgenomen om via uitvoeringsregelgeving nadere regels te stellen. Dit is conform de systematiek van de Warenwet, waarin de grondslagen in de wet staan en de materiële normen in uitvoeringsregelgeving. Artikel 34 bevat enkele begrippen die in het nieuwe hoofdstuk worden gebruikt. Deze begrippen verwijzen (dynamisch) naar de begrippen in de richtlijn.
Artikel 34ab bepaalt dat ter uitvoering van de richtlijn, dit hoofdstuk van toepassing is. Om de Warenwet leesbaar te houden is bepaald dat andere artikelen van deze wet alleen van toepassing zijn als die artikelen in dit hoofdstuk van toepassing zijn verklaard; dit geldt alleen voor zover het gaat om de toegankelijkheid van producten. Deze laatste inperking houdt verband met het feit dat de overige bepalingen van de Warenwet uiteraard wel van toepassing blijven voor zover het gaat om andere eisen dan toegankelijkheid, bijvoorbeeld eisen die zien op productveiligheid. Alle regels over de toegankelijkheid zijn derhalve in het nieuwe hoofdstuk ‘toegankelijkheidsvoorschriften’ te vinden.
Artikel 35, eerste lid, bevat – vergelijkbaar met de formulering van artikel 4 van de Warenwet – de grondslag om bij AMvB en ministeriële regeling regels te kunnen stellen ter uitvoering van de richtlijn. Ter implementatie van de richtlijn wordt bepaald dat bij AMvB kan worden verboden producten, die bij AMvB zijn aangewezen, in de handel te brengen indien niet aan de in die AMvB of regeling gegeven voorschriften wordt voldaan. De categorieën producten waarvan ter uitvoering van de richtlijn eisen worden gesteld, worden aangewezen bij AMvB. De specifieke producten hoeven zodoende niet op wetsniveau te worden gedefinieerd, waardoor de Warenwet op dit punt geen aanpassing behoeft als in de toekomst de richtlijn ook van toepassing wordt op andere producten. De regering is voornemens om in een op basis van artikel 35 te baseren AMvB, de materiële normen te implementeren. Dit betreft de eisen aan producten en de verplichtingen voor marktdeelnemers (fabrikanten, importeurs en distributeurs). Het tweede lid specificeert de onderwerpen waarover bij AMvB of regeling regels kunnen worden gesteld. Ter implementatie van de richtlijn wordt vooralsnog enkel een regeling op AMvB-niveau voorzien, evenwel is het wenselijk om enige flexibiliteit te behouden en daarom is bepaald dat ook krachtens AMvB regels kunnen worden gesteld. Artikel 35a dient ertoe ook bepaalde bindende besluiten van de EU, ter uitvoering van de richtlijn te kunnen implementeren in een AMvB of regeling. Voor de formulering van deze bepaling is aangesloten bij artikel 13 Warenwet. Artikel 35b regelt dat artikel 13c van overeenkomstige toepassing is. Die bepaling regelt conform aanwijzing 9.10 van de aanwijzingen voor de regelgeving dat indien in deze wet of daarop te baseren uitvoeringsregelgeving dat een wijziging van de richtlijn (waarnaar dynamisch wordt verwezen) voor het betreffende voorschrift gaat gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven. In afwijking hiervan kan bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip van inwerkingtreding worden vastgesteld. De artikelen 35c, 35d, en 35e dienen ter implementatie van de regels over markttoezicht. Artikel 35c voorziet in een grondslag om bij ministerieel besluit toezichthouders aan te wijzen. Zoals toegelicht in paragraaf 3.1.2 zullen de ambtenaren van de RDI worden belast met het toezicht op de naleving van het voorgestelde nieuwe hoofdstuk.
De artikelen 35d en 35e voorzien in het handhavingsinstrumentarium. De Minister van VWS is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het de bij of krachtens de artikel 35 en 35a gestelde regels. Ingevolge de Algemene wet bestuursrecht is daarmee tevens een last onder dwangsom mogelijk. Naast dit handhavingsinstrumentarium dat in eerste instantie gericht is op herstel, voorziet artikel 35e in de mogelijkheid van een bestuurlijke boete aangezien de richtlijn voorschrijft dat sancties niet alleen doeltreffend maar ook afschrikwekkend moeten zijn.
Zoals in paragraaf 2.2 van het algemeen deel reeds is toegelicht voorziet deze wijziging in de toevoeging van een aantal grondslagen aan de WGBH/CZ, zodat ter uitvoering daarvan de implementatie van de materiële normen kan plaatsvinden op het niveau van AMvB of ministeriële regeling.
Onderdeel A voorziet in een wijziging van artikel 1, waarmee de richtlijn wordt toegevoegd aan de begripsbepalingen. Onderdeel B voorziet in toevoeging van twee bepalingen in paragraaf 3, getiteld ‘goederen en diensten’. Ten eerste wordt een artikel 5c ingevoegd, waarin wordt bepaald dat bij AMvB aangewezen dienstverleners, hun diensten ter uitvoering van de richtlijn ontwerpen en verlenen in overeenstemming met de bij AMvB of regeling gestelde regels. Zoals in paragraaf 2.2 van het algemeen deel is toegelicht is de regering voornemens in de hierop te baseren uitvoeringsregelgeving regels te stellen over de diensten waarvoor geen geëigende sectorale wetgeving voorhanden is. Die diensten worden zodoende in de betreffende AMvB’s aangewezen. In het kader van de richtlijn houdt het begrip ‘dienst’ in, wat onder het begrip verstaan moet worden volgens de dienstenrichtlijn9, dit is een ruimere interpretatie van het begrip ‘dienst’ dan tot op heden op grond van de WGBH/CZ gold en blijft gelden voor zover de richtlijn niet van toepassing is. Het tweede lid van artikel 5c benoemt de specifieke onderwerpen waarop de regels betrekking kunnen hebben. Artikel 5d bevat de grondslag om ook ter uitvoering van bindende besluiten van de Europese Commissie krachtens artikel 26 van de richtlijn, regels te kunnen stellen. Tot slot voorziet dit artikel conform aanwijzing 9.10 van de aanwijzingen voor de regelgeving dat wijzigingen van de richtlijn gaan gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven. In afwijking hiervan kan bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip van inwerkingtreding worden vastgesteld.
Zoals in het algemeen deel reeds is toegelicht voorziet deze wijziging in een nieuw hoofdstuk van de Telecommunicatiewet waarin ten aanzien van elektronische communicatiediensten de voorschriften over toegankelijkheid uit de richtlijn worden opgenomen.
In artikel 7a.1 zijn de in het kader van de richtlijn relevante begripsbepalingen opgenomen.
Artikel 7a.2 bevat de strafbaarstelling van overtredingen van voorschriften uit de richtlijn en de uitzonderingen daarop. Hierop is nader ingegaan in § 2.3, onderdeel Telecommunicatiewet, van deze memorie van toelichting.
Ingevolge artikel 7a.3 wordt de bevoegde autoriteit aangewezen, bedoeld in de artikelen 13, vierde en vijfde lid, en 23, tweede lid, van de richtlijn. Gelet op de taken van de in de betrokken richtlijnartikelen genoemde autoriteit en de systematiek van de Telecommunicatiewet is de Autoriteit Consument en Markt als bevoegde autoriteit aangewezen.
In artikel 7a.4 is geregeld welke verplichtingen gelden voor dienstverleners. Op de aard van die verplichtingen en de mogelijkheid om hierover bij of krachtens AMvB nadere regels te stellen is nader ingegaan in § 2.3, onderdeel Telecommunicatiewet, van deze memorie van toelichting.
Artikel 7a.5 bevat de mogelijkheid om bij of krachtens AMvB regels te stellen over de procedure voor beoordeling van conformiteit van elektronische communicatiediensten in het kader van artikel 23 van de richtlijn. Gelet op de aard van de in dat verband op te stellen voorschriften en om in voorkomend geval snel te kunnen handelen ingeval van benodigde wijzigingen is ervoor gekozen om de desbetreffende regels bij of krachtens AMvB te stellen.
Dit artikel bevat de wijzigingen in Boek 6 BW waarmee de toegankelijkheidsvoorschriften voor e-handelsdiensten als bedoeld in artikel 3, onder 30, van de richtlijn worden geïmplementeerd.
In dit artikel zijn onder a tot en met e de voor e-handelsdiensten relevante definities uit artikel 3 van de toegankelijkheidsrichtlijn overgenomen en is onder f aangegeven om welke richtlijn het gaat. De definitie van consument in onderdeel d is toegespitst op de e-handelsdiensten.
In het eerste lid is een algemene toegankelijkheidsnorm opgenomen voor dienstverleners die e-handelsdiensten verlenen (artikel 4, lid 3 en artikel 13, lid 1 richtlijn) die nader uiteen is gezet in bijlage I, afdeling III en IV, onder g, en bijlage V bij de richtlijn. In bijlage I bij de richtlijn, afdeling III, staan de algemene toegankelijkheidsvoorschriften om het te verwachten gebruik van de e-handelsdiensten door personen met een handicap zo veel mogelijk te bevorderen. Met ondersteunende diensten zijn bedoeld helpdesks, callcenters, technische ondersteuning, bemiddelingsdiensten en opleidingsdiensten. In bijlage I, afdeling I, staan de algemene toegankelijkheidsvoorschriften voor de producten die onder de richtlijn vallen en afdeling II die toegankelijkheidsvoorschriften in verband met producten, onder andere over de verpakking. Bij e-handelsdiensten gaat het om een aankoop op afstand waar de regels uit Boek 6 BW voor gelden. De voorschriften uit de nieuwe afdeling 2ab van titel 5 van Boek 6 BW zijn bijvoorbeeld van toepassing naast de regels voor consumentenkoop uit titel 1 van Boek 7 BW en de regels voor de levering van digitale inhoud en diensten uit titel 1AA van Boek 7 BW als via een website een laptop wordt gekocht of een muziekstreamingsdienst wordt afgenomen. De dienstverlener die de website aanbiedt is verantwoordelijk voor de toegankelijkheidsvoorschriften die gelden voor e-handelsdiensten. De fabrikant die de laptop via deze website aanbiedt of de digitale muziekdienst levert, is verantwoordelijk voor de levering van een conform product dat beantwoordt aan de verwachtingen van de consument en de toegankelijkheidsvoorschriften die gelden voor producten en de informatieverstrekking daarover. In bijlage I bij de richtlijn, afdeling IV, onder g, staan de aanvullende toegankelijkheidsvoorschriften die specifiek gelden voor e-handelsdiensten om het te verwachten gebruik van e-handelsdiensten door personen met een handicap zo veel mogelijk te bevorderen.
Met het tweede lid worden de in artikel 13 van de richtlijn opgesomde verplichtingen geïmplementeerd. Dienstverleners moeten e-handelsdiensten aanbieden die voldoen aan de toegankelijkheidsvoorschriften. Zo is de dienstverlener verplicht om informatie te verstrekken aan het publiek over de wijze waarop de e-handelsdiensten voldoen aan de toegankelijkheidsvoorschriften. De informatie wordt het publiek schriftelijk en mondeling ter beschikking gesteld, mede op een manier die toegankelijk is voor personen met een handicap. Bijlage V bij de richtlijn bepaalt onder meer dat een dienstverlener in de algemene voorwaarden of op een andere gelijkwaardige wijze informatie opneemt waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de toegankelijkheidsvoorschriften. Het betreft een verplichting in aanvulling op de voorschriften voor consumenteninformatie volgens Richtlijn 2011/83/EU die eveneens is geïmplementeerd in Boek 6 BW.10 Een dienstverlener die gebruik maakt van e-handelsdiensten, moet ervoor zorgen dat de e-handelsdienst altijd wordt verricht in overeenstemming met de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften en onmiddellijk corrigerende maatregelen treffen als dat niet het geval is.
In het eerste lid is de uitzondering voor micro-ondernemingen uit artikel 4 lid 5 van de richtlijn geïmplementeerd. Micro-ondernemingen zijn vrijgesteld van de verplichting om te voldoen aan te toegankelijkheidsvoorschriften alsook van de verplichting in verband met de naleving van die voorschriften.
In het tweede lid is de mogelijkheid van dienstverleners om onder voorwaarden een beroep te doen op een vrijstelling opgenomen (artikel 14, richtlijn). Dat kan als er sprake is van een fundamentele wijziging of een onevenredige last. Als daarvan geen sprake is, dan moet de aangeboden e-handelsdienst voldoen aan de toegankelijkheidsvoorschriften. De criteria die gelden voor de beoordeling of sprake is van een onevenredige last zijn opgenomen in bijlage IV bij de richtlijn.
In het derde lid is uitzondering op het beroep op de vrijstelling geregeld. Dienstverleners die e-handelsdiensten verrichten en die giften ontvangen van de overheid of een particuliere organisatie kunnen geen beroep doen op de vrijstelling als de gift is gericht op de verbetering van de toegankelijkheid. Het sluiten van een lening bij een bank valt niet onder financiering door een particuliere bron als bedoeld in dit artikel.
Dit artikel implementeert de artikelen 15, eerste en vierde lid, 24, tweede lid en 25 van de richtlijn. Een geharmoniseerde norm is een Europese norm die op verzoek van de Commissie is vastgesteld. Als een e-handelsdienst voldoet aan geharmoniseerde normen of delen daarvan waarvan de referenties in het Publicatieblad van de EU zijn bekendgemaakt, wordt de dienst vermoed in overeenstemming te zijn met de toegankelijkheidsvoorschriften die moeten worden nageleefd op grond van de richtlijn.
Dit vermoeden van overeenstemming geldt ook voor e-handelsdiensten die voldoen aan technische specificaties die door de Europese Commissie zijn vastgesteld in een uitvoeringshandeling. Een technische specificatie is een document waarin de technische voorschriften worden voorgeschreven waaraan een dienst of systeem moet voldoen. Als een e-handelsdienst voldoet aan de voorschriften die technische specificaties of delen daarvan bestrijken, wordt vermoed dat de e-handelsdienst voldoet aan de toegankelijkheidsvoorschriften van de richtlijn.
Artikel V regelt het overgangsrecht wat betreft de wijzigingen in het Burgerlijk Wetboek (artikel 32, richtlijn). Omwille van de overeenstemming is zoveel mogelijk aangesloten bij de tekst van artikel VIII waarin het algemene overgangsrecht van deze implementatiewet is geregeld. De overgangsperiode beslaat ten hoogste vijf jaar.
In artikel 1:1 wordt een definitie van de toegankelijkheidsrichtlijn opgenomen aangezien in artikel 4:22.0a van de Wet op het financieel toezicht (Wft) meerdere keren naar de toegankelijkheidsrichtlijn wordt verwezen.
Artikel 4:22.0a implementeert (gedeeltelijk) de artikelen 4, eerste en derde lid, 13, eerste en tweede lid, en 14 van de toegankelijkheidsrichtlijn. Verdere implementatie van deze artikelen zal geschieden in het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. Artikel 4:22.0a, eerste lid, bepaalt dat een aanbieder van krediet, bank, beleggingsonderneming, betaaldienstverlener of elektronisch geldinstelling die bankdiensten aan consumenten als bedoeld in artikel 3, onder 28, van de toegankelijkheidsrichtlijn verleent er zorg voor dient te dragen dat de bankdiensten voldoen aan bijlage I, afdelingen III en IV, onderdeel e, van de toegankelijkheidsrichtlijn. Derhalve dienen bankdiensten toegankelijk te zijn voor personen met een handicap. Het gaat om personen met langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperkingen die in hun interactie te kampen hebben met diverse drempels die hen kunnen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen in de samenleving te anticiperen. Bij of krachtens AMvB kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toegankelijkheid van bankdiensten (tweede lid). Tevens kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de informatieverstrekking over de bankdiensten en de interne procedures om de toegankelijkheid van die diensten voor personen met een handicap te waarborgen. Op grond van het derde lid hoeven ondernemingen met minder dan tien werknemers en een jaaromzet of een jaarlijks balanstotaal van ten hoogste 2 miljoen euro niet te voldoen aan de regels omtrent toegankelijkheid. De toegankelijkheidsregels dienen te worden nageleefd tenzij naleving een ingrijpende wijziging van de bankdienst, resulterend in een significante wijziging van de aard van die bankdienst, vereist en een onevenredige last voor de aanbieder van de bankdienst oplevert. Bij de beoordeling of sprake is van een significante wijziging van de aard van de bankdienst en een onevenredige last dient de aanbieder van de bankdienst de bij of krachtens artikel 14, tweede en zevende lid, van de toegankelijkheidsrichtlijn gestelde regels in acht te nemen (vierde lid).
Met dit onderdeel krijgt de Autoriteit Financiële Markten de mogelijkheid een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom op te leggen bij overtreding van artikel 4:22.0a, eerste en tweede lid, Wft.
Dit artikel voorziet in de regeling van het toezicht op de naleving en de handhaving van de regels die betrekking hebben op:
• diensten voor personenvervoer per vliegtuig, per bus, per spoor, over water en voor stedelijke, voorstedelijke en regionale vervoersdiensten,
• e-handelsdiensten,
• e-boeken en software daarvoor, en
• diensten die toegang verlenen tot audiovisuele mediadiensten.
Omwille van de duidelijkheid wordt voorgesteld in artikel 1.1. van de Wet handhaving consumentenbescherming begripsbepalingen van e-handelsdienst en richtlijn (EU) 2019/882 op te nemen. Daaraan wordt invulling gegeven met artikel VII, onderdeel A.
Met de onderdelen B, C, artikel 8a.1, en D, eerste lid, van artikel VII wordt, in samenhang met de artikelen 2.2, 2.9 en 2.15, onderscheidenlijk de artikelen 3.2, eerste lid, en 3.4 van de Wet handhaving consumentenbescherming ten aanzien van e-handelsdiensten voorzien in toezicht en handhaving door de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) onderscheidenlijk de Stichting Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM). Daarmee wordt voor e-handelsdiensten invulling gegeven aan de artikelen 14, 23, 29 en 30 van richtlijn (EU) 2019/882. De ACM en AFM zijn thans al belast met het toezicht en de handhaving op het terrein van consumentenbescherming en het gedrag van marktorganisaties. De ACM is bevoegd voor zover geen sprake is financiële diensten of activiteiten en de AFM voor zover wel sprake is van financiële diensten of activiteiten. Gelet hierop ligt het voor de hand ook ten aanzien van het toezicht op e-handelsdiensten in het kader van richtlijn (EU) 2019/882 dezelfde onderverdeling te maken. Voor e-handelsdiensten die geen betrekking hebben op financiële diensten of activiteiten wordt dan de ACM als toezichthouder aangewezen en voor e-handelsdiensten die wel betrekking hebben op financiële diensten of activiteiten de AFM. Hieraan wordt invulling gegeven door de verplichtingen waaraan de dienstverlener moet voldoen in het hoofdstuk over consumentenbescherming en in een nieuw hoofdstuk over richtlijn (EU) 2019/882 (hoofdstuk 8a) van de Wet handhaving consumentenbescherming op te nemen en die artikelen te vermelden in bijlage a bij die wet. Hiermee wordt aangesloten bij de bestaande systematiek van de Wet handhaving consumentenbescherming, op grond waarvan de ACM onderscheidenlijk de AFM belast is met het toezicht en handhaving van de in bijlage a bij die wet opgenomen bepalingen. In het nieuwe artikel 8.15 zijn de algemene verplichtingen opgenomen waaraan een dienstverlener van e-handelsdiensten jegens consumenten moet voldoen. Het nieuwe artikel 8a.1 bevat de verplichtingen voor de dienstverlener van e-handelsdiensten die zich beroept op de uitzondering die in artikel 14 van richtlijn (EU) 2019/882 is opgenomen. Het gaat daarbij om de situatie dat een dienstverlener niet aan de toegankelijkheidseisen hoeft te voldoen omdat dat tot een fundamentele wijziging van de betrokken dienst leidt of een onevenredige last voor de betrokken dienstverlener oplevert. Omdat deze verplichting geen betrekking heeft op de relatie tussen een dienstverlener en een consument is deze opgenomen in een nieuw hoofdstuk dat specifieke regels op grond van richtlijn (EU) 2019/882 bevat.
Met de onderdelen C, artikel 8a.2, en D, tweede lid, van artikel VII worden de artikelen 23, 29 en 30 van richtlijn (EU) 2019/882 met betrekking tot e-boeken alsmede diensten die toegang verlenen tot audiovisuele mediadiensten geïmplementeerd. Die drie artikelen zien op het toezicht op de naleving en de handhaving met betrekking tot het bepaalde in richtlijn (EU) 2019/882. Voor het toezicht op de naleving en de handhaving met betrekking tot e-boeken alsmede diensten die toegang verlenen tot audiovisuele mediadiensten wordt het Commissariaat voor de Media aangewezen als bevoegde autoriteit. Omdat het Commissariaat op grond van de Wet handhaving consumentenbescherming al belast is met het toezicht op grond van de richtlijn audiovisuele mediadiensten is bij deze wet aansluiting gezocht. De taken en bevoegdheden op grond van die richtlijn komen evenwel niet geheel overeen met die op grond van richtlijn (EU) 2019/882. Laatstgenoemde richtlijn is namelijk niet opgenomen in de bijlage bij verordening (EU) 2017/239411, waaraan de Wet handhaving consumentenbescherming uitvoering geeft ten aanzien van de in die wet opgenomen taken van het Commissariaat voor de Media. De opname in de Wet handhaving consumentenbescherming is daarom zo geformuleerd dat deze buiten het toepassingsgebied van de begrippen en bepalingen uit verordening (EU) 2017/2394 blijft. Daartoe is voorzien in een nieuw hoofdstuk dat specifieke regels bevat op grond van richtlijn (EU) 2019/882. Het bepaalde krachtens de genoemde wettelijke bepalingen in het nieuwe onderdeel g in de bijlage verwijst naar de AMvB’s waarmee richtlijn (EU) 2019/882 wordt geïmplementeerd voor zover het e-boeken en diensten die toegang verlenen tot audiovisuele mediadiensten betreft
Met de onderdelen C, artikel 8a.3, en D, tweede lid, van artikel VII worden de artikelen 23, 29 en 30 van richtlijn (EU) 2019/882 met betrekking tot diensten voor personenvervoer per vliegtuig, per bus, per spoor, over water en voor stedelijke, voorstedelijke en regionale vervoersdiensten geïmplementeerd. Die drie artikelen zien op het toezicht op de naleving en de handhaving met betrekking tot het bepaalde in richtlijn (EU) 2019/882. De Inspectie Leefomgeving en Transport is reeds de toezichthouder voor de bestaande passagiersrechtenverordeningen.12 Het ligt daarom in de rede om dit toezicht uit te breiden naar richtlijn (EU) 2019/882 voor zover het diensten voor personenvervoer per vliegtuig, per bus, per spoor, over water en stedelijke, voorstedelijke en regionale vervoersdiensten betreft. Omdat de bestaande sectorale wetgeving voor deze vervoersmodaliteiten hiervoor geen geschikte aanknopingspunten biedt, is aansluiting gezocht bij de Wet handhaving consumentenbescherming, op grond waarvan de Inspectie Leefomgeving en Transport ook al is belast met toezichthoudende taken. De taken en bevoegdheden op grond van richtlijn (EU) 2019/882 komen evenwel niet geheel overeen met de taken en bevoegdheden die de Inspectie Leefomgeving en Transport thans heeft op grond van de Wet handhaving consumentenbescherming. Zoals toegelicht bij het onderdeel e-boeken en diensten die toegang verschaffen tot audiovisuele mediadiensten is richtlijn (EU) 2019/882 is namelijk niet opgenomen in de bijlage bij verordening (EU) 2017/2394, waaraan de Wet handhaving consumentenbescherming uitvoering geeft. De opname in de Wet handhaving consumentenbescherming is daarom zo geformuleerd dat deze buiten het toepassingsgebied van de begrippen en bepalingen uit die verordening blijft. Het bepaalde krachtens de genoemde wettelijke bepalingen in het nieuwe onderdeel h in de bijlage verwijst naar het Besluit toegankelijkheid personenvervoer per vliegtuig en over water en het gewijzigde Besluit toegankelijkheid van het openbaar vervoer die richtlijn (EU) 2019/882 implementeren voor zover het diensten voor personenvervoer per vliegtuig, per bus, per spoor, over water en stedelijke, voorstedelijke en regionale vervoersdiensten betreft.
Deze bepaling implementeert artikel 32 van de richtlijn. Aangezien lastenluw wordt geïmplementeerd is deze bepaling als zodanig overgenomen uit artikel 32 van de richtlijn. Omdat de Overgangswet Burgerlijk Wetboek reeds voorziet in het overgangsrecht voor e-handelsdiensten is in artikel VIII bepaalt dat dit artikel daarop niet van toepassing is (vierde lid). Het eerste tot en met derde lid regelt het volgende. Dienstverleners kunnen tot en met 27 juni 2030 hun diensten blijven verlenen met gebruikmaking van de producten die zij al vóór 28 juni 2030 rechtmatig gebruikten bij het verlenen van vergelijkbare diensten. De dienstverleningscontracten die gesloten zijn vóór 28 juni 2025 kunnen ongewijzigd doorlopen totdat zij verstrijken, evenwel uiterlijk tot vijf jaar na die datum. Zelfbedieningsterminals als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de richtlijn die vóór 28 juni 2025 al rechtmatig zijn gebruikt voor het verlenen van diensten, kunnen tot het eind van hun economische levensduur maar niet langer dan 20 jaar na hun ingebruikname gebruikt worden bij het leveren van vergelijkbare diensten.
Deze bepaling voorziet in inwerkingtreding op een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip. Voor afzonderlijke artikelen of onderdelen daarvan kan dit tijdstip verschillende vastgesteld worden. Het tijdstip van inwerkingtreding zal mede afhangen van het moment dat de op dit wetsvoorstel te baseren AMvBs gereed zullen zijn. De richtlijn schrijft voor dat vanaf 28 juni 2025 toepassing gegeven wordt aan de bepalingen van de richtlijn.
Deze bepaling regelt de citeertitel. Deze wet wordt aangehaald als Implementatiewet toegankelijkheidsvoorschriften producten en diensten.
De Minister voor Langdurige Zorg en Sport,
|
Bepaling van de richtlijn |
Bepaling in de implementatieregeling of bestaande regeling |
Omschrijving beleidsruimte |
Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte |
|
|---|---|---|---|---|
|
Producten |
Diensten |
|||
|
Artikel 1 |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie |
Idem |
n.v.t. |
|
|
Artikel 2 |
Warenwet artikel 1, 34ab en 35 en Implementatiewet artikel IX |
Artikel 6:230fb onder a BW, artikel 2 Besluit lucht- en scheepvaart, art. 10b Besluit OV |
||
|
Artikel 3 |
Warenwet art. 34, 35lid en AMvB |
Artikel 7a.1 Tw, artikel 6:230fa onder a t/m e BW, artikel 1.1 Wet handhaving consumentenbescherming, artikel 1 Besluit lucht- en scheepvaart Art. 10 Besluit OV 4:22.0a lid 1 Wft |
Geen |
|
|
Artikel 4, eerste lid |
Warenwet artikel 34ab en 35 en AMvB |
Artikel 7a.2, eerste lid, jo. 7a.5, onderdeel a Tw, art. 4.22.0a Wft Art. 6b.1 Whc 4:22.0a leden 1 en 2, onderdeel c, Wft + 49 lid 4 BGfo |
||
|
Artikel 4, tweede lid |
Warenwet artikel 34ab en 35 en AMvB |
n.v.t. |
Geen |
|
|
Artikel 4, derde lid |
n.v.t |
Artikel 7a.2, eerste lid jo. 7a.5 Tw, artikel 6:230fb, eerste lid, BW, artikel 4.22.0a Wft, Artikel 5c Wgbh/cz + art. 3, eerste lid, Besluit lucht- en scheepvaart, 4:22.0a leden 1 en 2, onderdeel c, Wft + 49 lid 4 BGfo |
Geen |
|
|
Artikel 4, vierde lid |
n.v.t. |
n.v.t. |
||
|
Artikel 4, vijfde lid |
n.v.t. |
7a.2, derde lid, Tw, artikel 6:230fc, eerste lid, BW, artikel 4.22.0a Wft, art. 3, tweede lid, Besluit lucht- en scheepvaart art. 10c, derde lid Besluit OV, 4:22.0a lid 3 Wft |
||
|
Artikel 4, zesde lid |
n.v.t. |
n.v.t. |
||
|
Artikel 4, zevende lid |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie |
Idem |
||
|
Artikel 4, achtste lid |
n.v.t. |
de Beleidsregel toegankelijkheid 112 van [datum] met kenmerk 3712897 ter nadere uitwerking van artikel 2 van de Regeling hoofdlijnen beleid en beheer meldkamers, voortvloeiend uit artikel 23a van de Politiewet. |
||
|
Artikel 4, negende lid |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie |
Idem |
||
|
Artikel 5 |
n.v.t. |
Artikel 4 Besluit lucht- en scheepvaart Artikel 10d Besluit OV |
||
|
Artikel 6 |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie |
Idem |
||
|
Artikel 7, in samenhang met artikel 4, eerste lid |
Warenwet art. 34ab en 35 en AMvB |
n.v.t. |
Geen |
|
|
Artikel 8 |
Warenwet art. 34ab en 35 en AMvB |
n.v.t. |
Geen |
|
|
Artikel 9 |
Warenwet art. 34ab en 35 en AMvB |
n.v.t. |
Geen |
|
|
Artikel 10 |
Artikel 24c Warenwet, artikel 7 Besluit toegankelijkheid producten |
n.v.t. |
Geen |
|
|
Artikel 11 |
Warenwet art. 34ab en 35 en AMvB |
n.v.t. |
Geen |
|
|
Artikel 12 |
Warenwet art. 34ab en 35 en AMvB |
n.v.t. |
Geen |
|
|
Artikel 13 |
n.v.t. |
Artikel 7a.4 Tw, artikel 6:230fb, eerste lid BW, art. 4.22.0a Wft, Artikel 5c Wgbh/cz + art. 5 Besluit lucht- en scheepvaart art. 10e, eerste t/m vierde lid Besluit OV, 32ac lid 1 BGfo |
Geen |
|
|
Artikel 13, tweede lid |
Artikel 6:230fb, lid 2, onder a, b, en c BW |
|||
|
Atikel 13, derde lid |
Artikel IV, 6:230fb, lid 2, onder d en e BW |
|||
|
Artikel 13, vierde lid |
Artikel 6:230fb, lid 2, onder f BW |
|||
|
Artikel 13, vijfde lid |
n.v.t. |
Art. 5:20 Awb 1:74 Wft |
||
|
Artikel 14 |
Artikel 8a.1:16 Wet handhaving consumentenbescherming |
Geen |
||
|
Artikel 14, eerste lid |
Warenwet art. 34ab en 35 en AMvB |
Artikel 7a.2, tweede lid, Tw, Artikel IV, 6:230fc, lid 2 artikel 3 EZK Besluit, art. 6, eerste lid, Besluit lucht- en scheepvaart art.10f Besluit OV |
Geen |
|
|
Artikel 14, tweede en derde lid |
Warenwet art. 34ab en 35 en AMvB |
Artikel 7a.2, derde lid, Tw, artikel 3 EZK Besluit, artikel 6:230fc BW, art. 6, tweede en derde lid, Besluit lucht- en scheepvaart- art. 10f, tweede en derde lid Besluit OV 4:22.0a leden 4 en 5 Wft |
Geen |
|
|
Artikel 14, vierde lid |
Warenwet art. 34ab en 35 en AMvB |
,) n.v.t. 4:22.0a leden 4 en 5 Wft |
||
|
Artikel 14, vijfde lid |
n.v.t |
Artikel 7a.2, derde lid, Tw, artikel 3 EZK Besluit, artikel 6:230fc, tweede lid BW, art. 6, vierde lid, Besluit lucht- en scheepvaart, art. 10f vierde lid Besluit OV 4:22.0a leden 4 en 5 Wft |
||
|
Artikel 14, zesde lid |
Warenwet art. 34ab en 35 en AMvB |
Artikel 7a.2, derde lid, Tw, artikel 3 EZK Besluit, artikel 6:230fc, derde lid, BW, art. 6, vijfde lid, Besluit lucht- en scheepvaart, artr. 10f, vijfde lid Besluit OV 4:22.0a leden 4 en 5 Wft |
||
|
Artikel 14, zevende lid |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie |
Idem |
||
|
Artikel 14, achtste lid |
Warenwet art. 34ab en 35 en AMvB |
Artikel 7a.2, derde lid, Tw, artikel 3 EZK Besluit, artikel 6:230fc BW, art. 6, zesde lid, Besluit lucht- en scheepvaart art. 10f, zesde lid Besluit OV, 4:22.0a lid 5 Wft |
||
|
Artikel 15, eerste lid |
Warenwet, art 35a en 35b |
Artikel 7a.5, vijfde lid, Tw, artikel 6:230fd, eerste lid en tweed lid onder a BW, art. 4 EZK Besluit, art. 7, eerste lid, Besluit lucht- en scheepvaart, art.10g, eerste lid, Besluit OV 32ac lid 3 BGfo |
Geen |
|
|
Artikel 15, tweede en derde lid |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie |
Idem |
n.v.t. |
|
|
Artikel 15, vierde lid |
Warenwet art. 35a en 35b |
Artikel 7a.2, vijfde lid, Tw, artikel 6:230fd, eerste lid en tweede lid onder b, BW art. 4 EZK Besluit, art. 7, tweede lid, Besluit lucht- en scheepvaart art. 10g, tweede lid Besluit OV |
Geen |
|
|
Artikel 16 |
Warenwet art. 34ab en 35 en AMvB |
n.v.t. |
Geen |
|
|
Artikel 17 |
Warenwet art. 34ab en 35 en AMvB |
n.v.t. |
Geen |
|
|
Artikel 18 |
Warenwet art. 34ab en 35 en AMvB |
n.v.t. |
Geen |
|
|
Artikel 19, eerste lid |
Warenwet art. 34ab en 35 en AMvB |
n.v.t. |
||
|
Artikel 19, tweede lid |
Warenwet art. 34ab en 35 en AMvB |
n.v.t. |
||
|
Artikel 19, derde lid |
Dit is al mogelijk o.g.v. de Wet open overheid (vergt geen implementatie) |
n.v.t |
||
|
Artikel 20 |
Warenwet art. 35 lid 2, onder c, en AMvB. Warenwet 35c en 35d |
n.v.t. |
||
|
Artikel 21 |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie |
n.v.t. |
||
|
Artikel 22 |
Warenwet art. 35 lid 2, onder c, en AMvB. Warenwet 35c en 35d |
n.v.t. |
||
|
Artikel 23, eerste lid |
n.v.t. |
Artikelen 15.1–15.4 Tw, artt. 2.2, 3.1, 8a.2 en 8a.3 en bijlage, onderdelen a, g en g Wet handhaving consumentenescherming |
||
|
Artikel 23, tweede lid |
n.v.t. |
Artikelen 15.1–15.4 Tw, artt. 2.2, 3.1, 8a.2 en 8a.3 en bijlage, onderdelen a., g en h, Wet handhaving consumentenbescherming |
||
|
Artikel 24, eerste lid |
Dit geldt al op grond van art. 2.75 Aanbestedingswet 2012 |
Idem |
Geen |
|
|
Artikel 24, tweede lid |
AMvB |
AMvB krachtens artikel 7a.2, vijfde lid, Tw, artikel 6:230fd, derde lid, BW art. 7, derde lid, Besluit lucht- en scheepvaart, art. 10g, derde lid Besluit OV 32ac lid 4 BGfo |
Geen |
|
|
Artikel 25 |
AMvB |
AMvB krachtens artikel 7a.2, vijfde lid, Tw, artikel 6:230fd, vierde lid, BW, art. 7, vierde lid, Besluit lucht- en scheepvaart, art. 10g, vierde lid Besluit OV 32ac lid 3 BGfo |
Geen |
|
|
Artikel 26 |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie |
Idem |
||
|
Artikel 27 |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie |
Idem |
||
|
Artikel 28 |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie |
Idem |
||
|
Artikel 29 |
Warenwet, art. 35c. 35d, 35e. |
Artikelen 15.1–15.4 Tw, artikelen 2.2, 3.1, 8a.2 en 8a.3 en bijlage, onderdelen a, g en h, Wet handhaving consumentenbescherming |
||
|
Artikel 30 |
Warenwet art. 35c, 35d, 35e. |
Artikel 15.1–15.4 Tw, art. 1:79 + 1:80 Wft, artikelen 2.9, 2.15, 8a.2 en 8a.3Wet handhaving consumentenbescherming Art. 1:79 en 1:80 Wft |
||
|
Artikel 31 |
Vwb lid 2 van de richtlijn: Art. IX implementatiewetOverige leden van artikel 31 behoeven naar hun aard geen implementatie |
Art IX Implementatiewet |
||
|
Artikel 32 |
Lid 1 nvt Lid 2 wordt niet benut. |
artikel Y implementatiewet, artikel 190aa Overgangswet nieuw burgerlijk wetboek |
Ja, zie lid 3 Pm sectoraal |
Van de beleidsruimte in lid 2 wordt gebruik gemaakt, zie mvt pag. 7 |
|
Artikel 33 |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie |
Idem |
||
|
Artikel 34 |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie |
Idem |
||
|
Bijlage I, Afdeling I |
Warenwet art. 35 en AMvB |
n.v.t. |
||
|
Bijlage I, Afdeling II |
Warenwet art. 35 en AMvB |
n.v.t. |
||
|
Bijlage I, Afdeling III |
n.v.t. |
Artikel 6:230fb, eerste lid, BW, AMvB krachtens artikel 7a.2, vijfde lid, onderdeel a, Tw artikel 3 Besluit lucht- en scheepvaart Art. 4:22.0a lid 1 Wet op het financieel toezicht en art. 32ac lid 1 Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft |
||
|
Bijlage I, Afdeling IV |
N.v.t. |
Artikel 6:230fb, eerste lid, BW, AMvB krachtens artikel 7a.2, vijfde lid, onderdeel a, Tw, artikel 3 Besluit lucht- en scheepvaart Art. 4:22.0a lid 1 Wet op het financieel toezicht en art. 32ac lid 1 Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft |
||
|
Bijlage I, Afdeling V |
n.v.t. |
|||
|
Bijlage I, Afdeling VI |
Warenwet art. 35 en AMvB |
Artikel 32ac lid 4 Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft Artikel 3, derde lid, Implementatiebesluit toegankelijkheidsvoorschriften elektronische communicatiediensten Artikel 10g, Besluit OV Artikel 32ac lid 4 Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft |
||
|
Bijlage I, Afdeling VII |
Warenwet art. 35 en AMvB |
Art. 4:22.0a lid 1 Wet op het financieel toezicht en art. 32ac lid 1 Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft |
||
|
Bijlage II |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie |
Idem |
||
|
Bijlage III |
n.v.t. |
n.v.t. |
||
|
Bijlage IV |
Warenwet art. 35 en AMvB |
n.v.t. |
||
|
Bijlage V |
n.v.t. |
Artikel 7a.4 Artikel 6:230fb, eerste lid, BW Artikel 49.0c lid 1, Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft |
||
|
Bijlage VI |
Warenwet art. 35 en AMvB |
art. 4:22.0a, lid 4 Wet op het financieel toezicht artikel 10f, tweede lid, Besluit OV artikel 6, tweede lid Besluit lucht- en scheepvaart Artikel 2, eerste lid, Implementatiebesluit toegankelijkheidsvoorschriften elektronische communicatiediensten |
||
Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten, Pb EU 2019, L 151.
Het gaat om personen met langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperkingen die in hun interactie te kampen hebben met diverse drempels die hen kunnen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen in de samenleving te participeren. Zie artikel 3 van de richtlijn.
Autoriteit Consument & Markt, advies 18 november 2022; Inspectie Leefomgeving en Transport, advies van 28 juli 2022 en 6 oktober 2022.
Artikel 4, lid 5 en 6 van de richtlijn. Voor wat betreft de relevante belanghebbenden, noemt de richtlijn personen met een handicap en organisaties die hen vertegenwoordigen (considerans, overweging 96).
In New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (Trb. 2007, 169).
Producten: gewone computerapparatuur voor consumenten en besturingssystemen voor die apparatuur; betaalterminals; drie type zelfbedieningsterminals (geldautomaten, ticketautomaten en incheckautomaten) die worden gebruikt voor het verlenen van onder deze richtlijn vallende diensten; interactieve informatieverstrekkende zelfbedieningsterminals, met uitzondering van terminals die als geïntegreerde delen van voertuigen, luchtvaartuigen, schepen, of rollend materieel zijn geïnstalleerd; eindapparatuur voor gebruik door consumenten, met interactieve computerfuncties, die gebruikt wordt voor elektronische communicatiediensten; eindapparatuur voor gebruik door consumenten, met interactieve computerfuncties voor toegang tot audiovisuele mediadiensten en e-lezers.
Diensten: elektronische communicatiediensten, met uitzondering van transmissiediensten die voor de levering van machine-to-machinediensten worden gebruikt; diensten die toegang verlenen tot audiovisuele mediadiensten; navolgende elementen van personenvervoer per vliegtuig, bus, trein en over water, met uitzondering van stedelijke, en voorstedelijke en regionale vervoersdiensten, waarvoor uitsluitend de elementen onder v) van toepassing zijn:
i) websites;
ii) op basis van mobiele apparaten, onder meer via mobiele applicaties, geleverde diensten;
iii) elektronische tickets en elektronische ticketingdiensten;
iv) het verstrekken van informatie over vervoersdiensten, waaronder realtime-reisinformatie; dit wordt, wat informatieschermen betreft, beperkt tot interactieve schermen die zich op het grondgebied van de Unie bevinden, en v) interactieve zelfbedieningsterminals op het grondgebied van de Unie, uitgezonderd terminals die als geïntegreerde onderdelen zijn geïnstalleerd in voertuigen, luchtvaartuigen, schepen en rollend materieel die voor het aanbieden van een of meer onderdelen van deze diensten voor personenvervoer worden gebruikt; bankdiensten voor consumenten; e-boeken en specifieke software daarvoor, e-handelsdiensten en het beantwoorden van noodcommunicatie via het gemeenschappelijk Europees noodnummer ‘112’.
In artikel 14, tweede lid, wordt ‘of’ gebruikt, evenals in bijlage IV onder 2. Voorts staat in overweging 68 ‘en/of’, en staat in overweging 80 ‘of’.
Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt.
Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PbEU 2006, L 376).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011, betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad.
Verordening (EU) 2017/2394 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 betreffende samenwerking tussen de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (PbEU 2017, L 345).
Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91 (PbEU 2004, L 46), verordening (EG) nr. 1107/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 inzake de rechten van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit die per luchtvervoer reizen (PbEU 2006, L 204), verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer (PbEU 2007, L 315), verordening (EU) nr. 1177/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende de rechten van passagiers die over zee of binnenwateren reizen en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (PbEU2010, L 334) en verordening (EU) nr. 181/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende de rechten van autobus- en touringcarpassagiers en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (PbEU 2011, L 55).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2023-16894.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.