Verklaring veilig gebruik luchtruim Zweefvliegcentrum Brabant, Inspectie Leefomgeving en Transport

Datum 3 november 2022

Nummer ILT-2022/37890

DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie;

Gelezen:

de aanvraag van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, ontvangen 7 april 2020, voor een Verklaring Veilig Gebruik Luchtruim voor de luchthaven Zweefvliegcentrum Brabant, gelegen aan de Vorstenbosscheweg 10 te Nistelrode, gemeente Bernheze;

Gezien:

het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 24 maart 2020 tot vaststelling van de luchthavenregeling Zweefvliegcentrum Brabant;

Overwegende dat:

  • het besluit van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant van 24 maart 2020 tot vaststelling van de luchthavenregeling Zweefvliegcentrum Brabant volgens artikel 8.49, eerste lid, van de Wet luchtvaart niet in werking treedt dan nadat de Minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft verklaard dat het veilig gebruik van het luchtruim door het luchthavenluchtverkeer is gewaarborgd;

  • bij de afgifte van deze Verklaring Veilig Gebruik Luchtruim de omstandigheden voor het gebruik van het luchtruim boven en in de directe omgeving van de luchthaven zijn getoetst;

  • uit de bij aanvraag overgelegde informatie een ligging van de baan voor gemotoriseerde vliegtuigen volgt waarmee het veilig gebruik van het luchtruim niet gewaarborgd is, omdat deze ligging strijdig is met in artikel 29 van de Regeling veilig gebruik luchthaven en andere terreinen (Rvglt) gestelde eisen omtrent obstakels in de omgeving van een luchthaven;

  • om die reden bij besluit van 19 april 2021 de afgifte van de Verklaring Veilig Gebruik Luchtruim is geweigerd;

  • in heroverweging is gebleken dat binnen het luchthavengebied alternatieve baanliggingen voor gemotoriseerde vliegtuigen mogelijk zijn waarbij wel aan de eisen van artikel 29 van de Rvglt kan worden voldaan;

  • Gedeputeerde staten in de brief van 30 juni 2022 met kenmerk C2206635/5099204, hebben aangegeven dat een alternatieve ligging van de baan voor gemotoriseerde vliegtuigen past binnen de luchthavenregeling;

  • de exploitant van een luchthaven gehouden is bij het uitzetten van de start- en landingsbaan artikel 29 van de Rvglt in acht te nemen;

Gelet op artikel 8.49, eerste lid, van de Wet luchtvaart jo. artikel 8.64, zesde lid, van de Wet luchtvaart.

Besluit:

Artikel 1

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat verklaart dat het veilig gebruik van het luchtruim door het luchthavenluchtverkeer dat gebruik maakt van Zweefvliegcentrum Brabant zoals opgenomen in de luchthavenregeling Zweefvliegcentrum Brabant, is gewaarborgd op grond van de door de provincie aangeleverde informatie die is beoordeeld op technisch-operationele veiligheidscriteria, voortvloeiende uit nationale luchtvaartwet- en regelgeving.

Artikel 2

Deze beschikking treedt met ingang van de dag na publicatie in de Staatscourant in werking en vervangt het besluit van 19 april 2021.

DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT, namens deze, Afdeling Vergunningverlening rail en luchtvaart.

Beroepsmogelijkheid

Een belanghebbende die zich niet met bovenstaande beslissing kan verenigen, kan binnen zes weken, na ingang van de dag na die waarop de beslissing is bekendgemaakt/verzonden, tegen deze beslissing beroep instellen bij de bevoegde rechtbank van zijn woonplaats.

Het beroepschrift dient te zijn ondertekend en tenminste het volgende te bevatten:

  • 1) naam en adres van de indiener;

  • 2) de dagtekening;

  • 3) vermelding van de datum en het nummer of kenmerk van het besluit waartegen het beroepschrift zich richt;

  • 4) een opgave van de redenen waarom u zich niet met het besluit kunt verenigen.

Zo mogelijk dient bij het beroepschrift een fotokopie te worden gevoegd van het besluit, waarop het geschil betrekking heeft.

Voor de behandeling van het beroepschrift wordt een bedrag aan griffie geheven. De griffier van de betrokken rechtbank wijst de indiener van het beroepschrift op het verschuldigd zijn van het griffierecht en geeft daarbij aan op welke wijze het verschuldigde griffierecht moet worden voldaan.

Voorts wijs ik u erop dat de voorzieningenrechter van voornoemde rechtbank kan worden verzocht een voorlopige voorziening te treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen dat vereist.

Voor meer informatie kijkt u op: https://www.rechtspraak.nl/Naar-de-rechter

TOELICHTING

Gedeputeerde staten van Noord-Brabant hebben in het aanvraagformulier Verklaring Veilig Gebruik Luchtruim (VVGL) aangegeven dat er obstakels (bomen) in de omgeving van de luchthaven aanwezig zijn die het aan- en uitvliegen kunnen beïnvloeden. Daarnaast is bij de aanvraag VVGL het document ‘aanvraag luchthavenregeling’ van de Aero Club Nistelrode meegestuurd. In dit document is aangegeven dat de bomen langs de Vorstenbosscheweg door het denkbeeldig obstakelvlak steken van artikel 29, onder i van de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen (Rvglt).

Uit de aanvraag en de contacten met de Aero Club Nistelrode volgt ook dat er geen afspraken zijn gemaakt over het kappen of snoeien van de bewuste bomen. Om die reden is in eerste instantie geoordeeld dat, wegens strijd met de Rvglt, de VVGL niet kon worden verleend. Tegen deze weigering is bezwaar gemaakt en de beschikking is genomen als onderdeel van de beslissing op dat bezwaar. Deze beschikking vervangt de eerdere weigering.

In heroverweging is gebleken dat de baan ten behoeve van het starten en landen met een sleepvliegtuig dusdanig in westelijke richting kan worden verschoven dat door het denkbeeldige oplopende obstakelvlak geen bomen steken. Door het verschuiven van de baan is er geen sprake van een strijdigheid met het bepaalde in artikel 29 van de Rvglt. De beschikbare ruimte binnen de grenzen van de luchthaven maakt deze verschuiving mogelijk.

Bij brief van 30 juni 2022, kenmerk C2206635/5099204, hebben gedeputeerde staten van Noord-Brabant aangegeven dat een alternatieve ligging van de baan voor gemotoriseerde vliegtuigen past binnen de luchthavenregeling.

Eenzelfde oplossing voor de obstakelsituatie is mogelijk voor de ligging van de start- of landingsplaats voor zweefvliegtuigen. De ligging van de start- of landingsplaats dient dusdanig te worden gekozen dat er geen bomen steken door het denkbeeldige oplopende obstakelvlak van de start- of landingsplaats.

De obstakelsituatie betreft altijd een momentopname, de obstakelsituatie in de omgeving kan wijzigen. In dit specifieke geval moet bedacht worden dat ook de bewuste bomenrijen in hoogte kunnen toenemen en dit ertoe kan leiden dat in de toekomst alsnog een met artikel 29 van de Rvglt strijdige obstakelsituatie kan ontstaan. In theorie kan deze bomengroei er zelfs toe leiden dat binnen het luchthavengebied alsnog niet voldoende ruimte aanwezig is om – met in achtneming van de regels uit de Rvglt – een voor gemotoriseerde vliegtuigen voldoende lange start- en landingsbaan aan te houden.

Op de exploitant van de luchthaven rust te allen tijde de verplichting te voldoen aan het bepaalde in artikel 29 van de Rvglt. Dit brengt mee dat de exploitant steeds moet beoordelen of de voorgenomen ligging van de start- of landingsbaan in het licht van de actuele obstakelsituatie voldoet aan de regelgeving. Mocht dit niet het geval blijken te zijn en toch tot start- en landingen worden uitgevoerd, dan kan er door de Inspectie Leefomgeving en Transport tegen de exploitant handhavend worden opgetreden.

Omdat deze beschikking genomen als onderdeel van de heroverweging in bezwaar, staat tegen de beschikking voor belanghebbende enkel beroep open.

Naar boven