Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport | Staatscourant 2023, 10569 | advies Raad van State |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport | Staatscourant 2023, 10569 | advies Raad van State |
23 maart 2023
3396870-1007078-WJZ
Directie Wetgeving en Juridische Zaken
Aan de Koning
Nader rapport inzake het voorstel van wet, houdende vaststelling van regels met betrekking tot de veiligheid van attractie- en speeltoestellen (Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen)
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 29 maart 2022, no. 2022000711, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 9 juni 2022, no. W13.22.00034/III, bied ik U hierbij aan.
Het voorstel geeft de Afdeling advisering van de Raad van State aanleiding tot het maken van enkele inhoudelijke en redactionele opmerkingen.
Naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State, dat hieronder cursief is opgenomen, zijn het ontwerpbesluit en de nota van toelichting bij het besluit op een aantal punten aangevuld. Deze punten worden hieronder toegelicht.
Uit het ontwerpbesluit en de toelichting blijkt dat toestellen uit andere lidstaten steeds conform dit besluit gekeurd en gecertificeerd moeten worden (procedure voor voorafgaande machtiging). Verder schrapt het ontwerpbesluit de huidige clausule voor wederzijdse erkenning van afgegeven certificaten die momenteel in het WAS is opgenomen.1
Nationale voorschriften, zoals de voorgestelde procedure voor voorafgaande machtiging, dienen in overeenstemming te zijn met het vrij verkeer van goederen.2 Gelet op het beginsel van wederzijdse erkenning, is in die situaties van belang dat toestellen uit andere lidstaten die voldoen aan gelijkwaardige eisen, toegang hebben tot de Nederlandse markt.3
Aan de keuze om de nationale procedure toe te passen op goederen uit andere lidstaten en de clausule te schrappen, ligt de opvatting ten grondslag dat uit Verordening (EU) 2019/5154 is af te leiden dat zo’n nationale procedure in acht moet worden genomen, en zij een dergelijke clausule overbodig maakt.5 Ten eerste wordt een procedure voor voorafgaande machtiging niet voorgeschreven door Verordening (EU) 2019/515, maar wordt daarin aangemerkt als een beperking van het vrij verkeer van goederen.6 Alleen indien die beperking kan worden gerechtvaardigd, kan een dergelijke procedure worden toegepast. De verordening strekt ertoe een aantal voorschriften te geven waaraan zo’n procedure moet voldoen.7 Ten tweede verzet de verordening zich in beginsel niet tegen het schrappen van de momenteel in het WAS opgenomen clausule voor wederzijdse erkenning.8 Echter, de verordening maakt evenmin dat deze clausule overbodig is geworden.9 Hierin kan dus geen aanleiding worden gevonden om de clausule te schrappen.
Indien wordt beoogd een procedure toe te passen om voorafgaande machtiging te verlenen (en de clausule voor wederzijdse erkenning te schrappen), dient nader te worden toegelicht wat hiervan de meerwaarde is ten opzichte van de huidige regeling en hoe deze procedure zich verhoudt tot de voorschriften die Verordening (EU) 2019/515 daaraan stelt. De Afdeling wijst er ook op dat op basis van de Warenwet uit dient te worden gegaan van de gelijkwaardigheid van eisen die in andere lidstaten worden gesteld aan waren.10 Mede in het licht hiervan acht de Afdeling het voorts van belang dat op heldere wijze wordt geschetst hoe voor de betreffende marktdeelnemers de procedure voor toegang tot de Nederlandse markt eruit komt te zien, en op welke wijze zij worden geïnformeerd over eventuele wijzigingen in die procedure.
De Afdeling adviseert hierop in de toelichting in te gaan.
In de praktijk bezitten de aangewezen instellingen de vereiste deskundigheid om te beoordelen of een certificaat een dergelijk gelijkwaardig beschermingsniveau biedt. Om die reden is ervoor gekozen om de gelijkstellingsbevoegdheid van de minister uit artikel 19d WAS te laten vervallen. Naar aanleiding van bovenvermeld advies van de Afdeling is aan het ontwerpbesluit een bepaling over de procedure wederzijdse erkenning toegevoegd (nieuwe artikel 30) en is de artikelsgewijze toelichting bij dit artikel aangepast. In de toelichting wordt de procedure voor toegang tot de Nederlandse markt beschreven. Elk attractie- of speeltoestel afkomstig uit (en gecertificeerd in) een andere lidstaat van de Europese Unie moet conform artikel 9 van het ontwerpbesluit gekeurd worden en voorzien worden van een certificaat van goedkeuring afgegeven door een aangewezen instelling overeenkomstig artikel 12, eerste lid, van het ontwerpbesluit. De aangewezen instelling die een dergelijk toestel keurt zal in het keuringsproces evenwel het beginsel van wederzijdse erkenning in acht moeten nemen.
Indien de aangewezen instelling voornemens is te beoordelen of een bepaald attractie- of speeltoestel in een andere lidstaat rechtmatig in de handel is gebracht, bijvoorbeeld omdat hier twijfel over bestaat, dan is de procedure in artikel 5, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) 2019/51511 (hierna: verordening wederzijdse erkenning) van toepassing. Op grond hiervan zou de aangewezen instelling onder andere contact moeten opnemen met de aanvrager van het certificaat van goedkeuring en diegene moeten informeren over de mogelijkheid om een verklaring van wederzijdse erkenning en andere informatie te verstrekken, om aan te tonen dat het toestel in een andere lidstaat rechtmatig in de handel is gebracht.
Zodra vaststaat dat een toestel in een andere lidstaat rechtmatig in de handel is gebracht, zal de aangewezen instelling moeten beoordelen of het betreffende toestel voldoet aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd. Daarbij zal de aangewezen instelling in ieder geval rekening moeten houden met de inhoud van testrapporten of certificaten die door een andere conformiteitsbeoordelingsinstantie zijn afgegeven. Die rapporten en certificaten moeten dan wel zijn afgegeven door instellingen die geaccrediteerd zijn voor de gedane testen en onderzoeken. Als dat niet zo is, dient de aangewezen instelling deze testen en onderzoeken zelf opnieuw uit te voeren. Vervolgens zal de aangewezen instelling besluiten om het certificaat van goedkeuring al dan niet te verlenen. Indien de aangewezen instelling – na voltooiing van een beoordeling van goederen als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU) 2019/515 – besluit tot afwijzing van de aanvraag tot verlening van een certificaat van goedkeuring, dan dient dat besluit overeenkomstig artikel 5, negende tot en met dertiende lid, van Verordening (EU) 2019/515 verleend te worden.
Het ontwerpbesluit is primair gericht op attractie- en speeltoestellen die niet gebruikt worden in de particuliere sfeer.12 Richtlijn (EG) 2009/48 is van toepassing op speelgoed dat is bestemd voor huishoudelijk gebruik.13 Speelgoed dat bestemd is voor openbaar gebruik is uitgezonderd van het toepassingsgebied van de richtlijn.14 Evenwel volgt uit de toelichting dat de reikwijdte van het ontwerpbesluit zich tevens uitstrekt tot attractie- en speeltoestellen die onder de richtlijn vallen, voor zover deze in de openbare ruimte worden gebruikt of geplaatst.15
Om onduidelijkheden en overlap te voorkomen, adviseert de Afdeling in de toelichting nader in te gaan op de afbakening van de reikwijdte van het ontwerpbesluit ten opzichte van Richtlijn (EG) 2009/48 en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.16
Naar aanleiding van bovenvermeld advies is de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1 van het ontwerpbesluit aangepast. Voorliggend ontwerpbesluit is in beginsel niet van toepassing op voor huishoudelijk gebruik bestemde speeltoestellen als bedoeld in artikel 3, eenentwintigste lid, van de speelgoedrichtlijn.17 Dergelijke toestellen vallen onder de reikwijdte van de speelgoedrichtlijn. In de praktijk kan het echter voorkomen dat bijvoorbeeld een glijbaan bestemd voor huishoudelijk gebruik, in de openbare ruimte wordt gebruikt of geplaatst om te spelen. De betreffende glijbaan valt in dat geval wél onder de reikwijdte van dit besluit, gezien de glijbaan voldoet aan de definitie van ‘speeltoestel’ uit dit besluit én het niet in de sfeer van de particuliere huishouding wordt gebruikt. De risico’s van exploitatie van dergelijke toestellen zijn bovendien vergelijkbaar met overige speeltoestellen. Met deze toestellen kunnen immers dezelfde gevaren gepaard gaan als met speeltoestellen die mede in de particuliere huishouding gebruikt kunnen worden. Dit betekent onder meer dat dergelijke toestellen overeenkomstig het ontwerpbesluit gekeurd moeten worden en voorzien moeten worden van een certificaat van goedkeuring.
Het ontwerpbesluit wenst te verduidelijken welke verantwoordelijkheden bij welke partijen berusten.18 Daartoe expliciteert het ontwerpbesluit in meerdere bepalingen de normadressanten, zoals de huurders en verhuurders van attractie- en speeltoestellen.
Uit een onderzoek naar opblaasbare speeltoestellen is gebleken dat huurders en verhuurders onvoldoende op de hoogte zijn van de verantwoordelijkheden die zij hebben om te zorgen dat er veilig gespeeld kan worden.19 In een eerdere Kamerbrief heeft de Minister voor Medische Zorg en Sport daarom aangekondigd dat hierover voorlichting zal worden gegeven.20 Uit de toelichting blijkt echter niet wat de stand van zaken rond deze voorlichting is.
De Afdeling adviseert in de toelichting aan te geven hoe de normadressanten adequaat worden voorgelicht over hun nieuwe verantwoordelijkheden.
Naar aanleiding van bovenvermeld advies is het algemene deel van de nota van toelichting aangevuld met een paragraaf over voorlichting en communicatie. Uit onderzoek van VeiligheidNL van 2019 naar de risico's en het risicobewustzijn van verhuurders, huurders en ouders met betrekking tot opblaasbare speeltoestellen is gebleken dat verhuurders en huurders (ouders) onvoldoende op de hoogte zijn van de risico’s, hun verantwoordelijkheden en van de eisen voor het veilig gebruik van speeltoestellen.21 Naar aanleiding daarvan heeft VeiligheidNL in het kader van de herziening van het WAS in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in de zomer van 2021 een online voorlichtingscampagne gevoerd en deze heeft in de zomer van 2022 opnieuw plaatsgevonden. De materialen voor de voorlichtingscampagne werden tijdens en na het ontwerp voorgelegd aan een klankbordgroep waaraan verschillende stakeholders hebben deelgenomen (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, aangewezen instellingen, verhuurders). De voorlichtingscampagne was gericht tot ouders van kinderen t/m 14 jaar en informeerde over de belangrijkste regels met betrekking tot veilig spelen op luchtkussens: toezicht, maximaal aantal kinderen en scheiding van grote en kleine kinderen op het toestel. In het najaar van 2022 heeft VeiligheidNL een bereikmeting van de voorlichting uitgevoerd.
Naast de voorlichtingscampagne voor ouders heeft VeiligheidNL in opdracht van het Ministerie ook een website in het leven geroepen waar men terecht kan voor informatie over veilig spelen op opblaasbare speeltoestellen. Voor verhuurders en beheerders is er een aparte pagina met instructies voor het houden van een veiligheidsgesprek met de huurder.
Het ontwerpbesluit bevat een meldplicht van ernstige ongevallen. Het ontwerpbesluit bevat geen definitie van ‘ernstig ongeval’. De toelichting vermeldt dat hierover vragen zijn gekomen uit het veld, waarop ervoor is gekozen om ‘ernstig ongeval’ nader te definiëren in de toelichting.22 Daaronder valt blijkens de toelichting in ieder geval een ongeval met dodelijke afloop, (blijvend) letsel aan een persoon, of een ongeval dat leidt tot onmiddellijke ziekenhuisopname voor andere doeleinden dan medische controle.
Om te bewerkstelligen dat de genoemde soorten ongevallen daadwerkelijk worden gemeld, is het van belang dat het voor alle partijen duidelijk is dat de bovengenoemde situaties volgens het ontwerpbesluit gelden als ‘ernstig ongeval’. De Afdeling acht het daarom aangewezen om dit niet alleen te verduidelijken in de toelichting, maar ook in het ontwerpbesluit. Dat past ook bij de wens van het ontwerpbesluit om duidelijkheid te scheppen over de verantwoordelijkheden van de partijen waartoe het ontwerpbesluit zich richt.
De Afdeling adviseert om ook in de tekst van het ontwerpbesluit op te nemen welke situaties in ieder geval onder ‘ernstig ongeval’ worden verstaan.
Naar aanleiding van bovenvermeld advies is artikel 23 van het ontwerpbesluit en de artikelsgewijze toelichting daarbij aangepast. In artikel 23 is thans opgenomen wat onder een ernstig ongeval als bedoeld in het eerste lid in ieder geval wordt verstaan.
Voor zowel de huurder als verhuurder bepaalt het ontwerpbesluit dat huren ‘om niet’ ook onder de definitie valt.23 Volgens de toelichting is hiervoor gekozen om ervoor te zorgen dat ook bijvoorbeeld het gratis ter beschikking stellen van een attractie- of speeltoestel onder de reikwijdte van het ontwerpbesluit valt.24
De Afdeling wijst erop dat dient te worden voorkomen dat begripsbepalingen (sterk) afwijken van het normale spraakgebruik.25 De gebruikelijke definitie van huur in zowel het spraakgebruik als in de systematiek van het Burgerlijk Wetboek, is dat juist sprake is van een tegenprestatie.26 Gebruik om niet (bruikleen) sluit dan ook niet goed aan bij het begrip huur en de ruime interpretatie die in het ontwerpbesluit wordt gegeven aan (ver)huren kan bij partijen aanleiding geven tot onduidelijkheden. Als gevolg daarvan bestaat het risico dat het ontwerpbesluit niet slaagt in haar opzet om op duidelijke wijze kenbaar te maken dat gebruik om niet eveneens binnen de reikwijdte valt.
De Afdeling adviseert om het gratis ter beschikking stellen (bruikleen) van een attractie- of speeltoestel op andere wijze onder de reikwijdte van het ontwerpbesluit te brengen, en daartoe zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.
Naar aanleiding van bovenvermeld advies zijn de definities van ‘huurder’ en verhuurder’ in artikel 1 van het ontwerpbesluit en de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1 aangepast. De aanpassingen strekken ertoe nadrukkelijker te vermelden dat onder genoemde definities mede wordt verstaan het in bruikleen nemen en geven van een attractie- en speeltoestel door een natuurlijke persoon of rechtspersoon, zodat hierover zo min mogelijk onduidelijkheid kan ontstaan bij partijen. Naar het oordeel van de regering is het aanvaardbaar om onder de begrippen huren en verhuren mede te verstaan het in bruikleen nemen en geven van een attractie- of speeltoestel. Deze begrippen hebben in het normale spraakgebruik weliswaar een andere betekenis, maar deze begrippen verschillen niet sterk van elkaar.
– In de aanhef specificeren welk onderdeel van artikel 1 Warenwet ten grondslag ligt aan het ontwerpbesluit.
– In de aanhef ‘artikel 16, eerste lid, Warenwet’, schrappen.
Naar aanleiding van deze opmerkingen is het ontwerpbesluit aangepast.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.
De vice-president van de Raad van State,
Voorts is van de gelegenheid gebruik gemaakt om enkele wijzigingen in het ontwerpbesluit en nota van toelichting door te voeren.
In het opschrift is het jaartal 2022 gewijzigd in 2023 omdat het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen in 2023 in werking treedt.
Artikel 7, vijfde lid, van het ontwerpbesluit komt te vervallen. Gebleken is dat het vooralsnog niet de bedoeling is om fabrikanten of importeurs bevoegdheid te geven om een attractie- of speeltoestel dat overeenkomstig het goedgekeurde, typekenmerkende monster is vervaardigd, te voorzien van een uniek nummer.
Aan artikel 9, vijfde lid, van het ontwerpbesluit is toegevoegd dat bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat speeltoestellen, behalve periodiek, ook opnieuw gekeurd kunnen worden, bijvoorbeeld na publicatie van nieuwe of gewijzigde normen of indien een wijziging of reparatie van een toestel de veiligheid of gezondheid van personen negatief kan beïnvloeden.
Aan artikel 12, tweede en derde lid, van het ontwerpbesluit is vanwege de handhaafbaarheid toegevoegd dat goedgekeurde toestellen onverwijld van een merk van goedkeuring worden voorzien.
Het besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2023 (nieuwe artikel 37).
De nota van toelichting is op het voorgaande aangepast. Ten slotte is in het ontwerpbesluit en de nota van toelichting een aantal wijzigingen van redactionele aard doorgevoerd.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerp-besluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.J. Kuipers.
No. W13.22.00034/III
’s-Gravenhage, 9 juni 2022
Aan de Koning
Bij Kabinetsmissive van 29 maart 2022, no.2022000711, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende vaststelling van regels met betrekking tot de veiligheid van attractie- en speeltoestellen (Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2022), met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit wijzigt het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen (het WAS). De aanleiding hiervoor is dat uit het veld signalen zijn gekomen dat de bestaande regelgeving toe is aan modernisering.1 Daartoe worden met name wijzigingen voorgesteld met betrekking tot de handhaving door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), de aanpak van fraudegevoeligheid en keuringen verricht door aangewezen instellingen. Daarmee moet onder meer voor alle betrokken partijen worden verduidelijkt wie op welk moment welke verantwoordelijkheden heeft.
De Afdeling Advisering van de Raad van State begrijpt de wens om het WAS te moderniseren en te verduidelijken, maar acht aanpassing van het ontwerpbesluit en de toelichting op een aantal onderdelen wenselijk. In dat verband maakt zij opmerkingen over de motivering voor het schrappen van de clausule voor wederzijdse erkenning en over de mogelijke overlap tussen Richtlijn (EG) 2009/48 en het ontwerpbesluit. Voorts maakt zij opmerkingen over de voorlichting over het ontwerpbesluit aan de normadressanten, en over de definities van ‘ernstig ongeval’, ‘huurder’ en ‘verhuurder’.
Uit het ontwerpbesluit en de toelichting blijkt dat toestellen uit andere lidstaten steeds conform dit besluit gekeurd en gecertificeerd moeten worden (procedure voor voorafgaande machtiging). Verder schrapt het ontwerpbesluit de huidige clausule voor wederzijdse erkenning van afgegeven certificaten die momenteel in het WAS is opgenomen.2
Nationale voorschriften, zoals de voorgestelde procedure voor voorafgaande machtiging, dienen in overeenstemming te zijn met het vrij verkeer van goederen.3 Gelet op het beginsel van wederzijdse erkenning, is in die situaties van belang dat toestellen uit andere lidstaten die voldoen aan gelijkwaardige eisen, toegang hebben tot de Nederlandse markt.4
Aan de keuze om de nationale procedure toe te passen op goederen uit andere lidstaten en de clausule te schrappen, ligt de opvatting ten grondslag dat uit Verordening (EU) 2019/5155 is af te leiden dat zo’n nationale procedure in acht moet worden genomen, en zij een dergelijke clausule overbodig maakt.6 Ten eerste wordt een procedure voor voorafgaande machtiging niet voorgeschreven door Verordening (EU) 2019/515, maar wordt daarin aangemerkt als een beperking van het vrij verkeer van goederen.7 Alleen indien die beperking kan worden gerechtvaardigd, kan een dergelijke procedure worden toegepast. De verordening strekt ertoe een aantal voorschriften te geven waaraan zo’n procedure moet voldoen.8 Ten tweede verzet de verordening zich in beginsel niet tegen het schrappen van de momenteel in het WAS opgenomen clausule voor wederzijdse erkenning.9 Echter, de verordening maakt evenmin dat deze clausule overbodig is geworden.10 Hierin kan dus geen aanleiding worden gevonden om de clausule te schrappen.
Indien wordt beoogd een procedure toe te passen om voorafgaande machtiging te verlenen (en de clausule voor wederzijdse erkenning te schrappen), dient nader te worden toegelicht wat hiervan de meerwaarde is ten opzichte van de huidige regeling en hoe deze procedure zich verhoudt tot de voorschriften die Verordening (EU) 2019/515 daaraan stelt. De Afdeling wijst er ook op dat op basis van de Warenwet uit dient te worden gegaan van de gelijkwaardigheid van eisen die in andere lidstaten worden gesteld aan waren.11 Mede in het licht hiervan acht de Afdeling het voorts van belang dat op heldere wijze wordt geschetst hoe voor de betreffende marktdeelnemers de procedure voor toegang tot de Nederlandse markt eruit komt te zien, en op welke wijze zij worden geïnformeerd over eventuele wijzigingen in die procedure.
De Afdeling adviseert hierop in de toelichting in te gaan.
Het ontwerpbesluit is primair gericht op attractie- en speeltoestellen die niet gebruikt worden in de particuliere sfeer.12 Richtlijn (EG) 2009/48 is van toepassing op speelgoed dat is bestemd voor huishoudelijk gebruik.13 Speelgoed dat bestemd is voor openbaar gebruik is uitgezonderd van het toepassingsgebied van de richtlijn.14 Evenwel volgt uit de toelichting dat de reikwijdte van het ontwerpbesluit zich tevens uitstrekt tot attractie- en speeltoestellen die onder de richtlijn vallen, voor zover deze in de openbare ruimte worden gebruikt of geplaatst.15
Om onduidelijkheden en overlap te voorkomen, adviseert de Afdeling in de toelichting nader in te gaan op de afbakening van de reikwijdte van het ontwerpbesluit ten opzichte van Richtlijn (EG) 2009/48 en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.16
Het ontwerpbesluit wenst te verduidelijken welke verantwoordelijkheden bij welke partijen berusten.17 Daartoe expliciteert het ontwerpbesluit in meerdere bepalingen de normadressanten, zoals de huurders en verhuurders van attractie- en speeltoestellen.
Uit een onderzoek naar opblaasbare speeltoestellen is gebleken dat huurders en verhuurders onvoldoende op de hoogte zijn van de verantwoordelijkheden die zij hebben om te zorgen dat er veilig gespeeld kan worden.18 In een eerdere Kamerbrief heeft de Minister voor Medische Zorg en Sport daarom aangekondigd dat hierover voorlichting zal worden gegeven.19 Uit de toelichting blijkt echter niet wat de stand van zaken rond deze voorlichting is.
De Afdeling adviseert in de toelichting aan te geven hoe de normadressanten adequaat worden voorgelicht over hun nieuwe verantwoordelijkheden.
Het ontwerpbesluit bevat een meldplicht van ernstige ongevallen. Het ontwerpbesluit bevat geen definitie van ‘ernstig ongeval’. De toelichting vermeldt dat hierover vragen zijn gekomen uit het veld, waarop ervoor is gekozen om ‘ernstig ongeval’ nader te definiëren in de toelichting.20 Daaronder valt blijkens de toelichting in ieder geval een ongeval met dodelijke afloop, (blijvend) letsel aan een persoon, of een ongeval dat leidt tot onmiddellijke ziekenhuisopname voor andere doeleinden dan medische controle.
Om te bewerkstelligen dat de genoemde soorten ongevallen daadwerkelijk worden gemeld, is het van belang dat het voor alle partijen duidelijk is dat de bovengenoemde situaties volgens het ontwerpbesluit gelden als ‘ernstig ongeval’. De Afdeling acht het daarom aangewezen om dit niet alleen te verduidelijken in de toelichting, maar ook in het ontwerpbesluit. Dat past ook bij de wens van het ontwerpbesluit om duidelijkheid te scheppen over de verantwoordelijkheden van de partijen waartoe het ontwerpbesluit zich richt.
De Afdeling adviseert om ook in de tekst van het ontwerpbesluit op te nemen welke situaties in ieder geval onder ‘ernstig ongeval’ worden verstaan.
Voor zowel de huurder als verhuurder bepaalt het ontwerpbesluit dat huren ‘om niet’ ook onder de definitie valt.21 Volgens de toelichting is hiervoor gekozen om ervoor te zorgen dat ook bijvoorbeeld het gratis ter beschikking stellen van een attractie- of speeltoestel onder de reikwijdte van het ontwerpbesluit valt.22
De Afdeling wijst erop dat dient te worden voorkomen dat begripsbepalingen (sterk) afwijken van het normale spraakgebruik.23 De gebruikelijke definitie van huur in zowel het spraakgebruik als in de systematiek van het Burgerlijk Wetboek, is dat juist sprake is van een tegenprestatie.24 Het is daarom de vraag of het voor partijen die volgens de gebruikelijke definitie van (ver)huur geen (ver)huurder zijn, altijd evident zal zijn dat zij wel onder het ontwerpbesluit vallen. Mede gelet op het streven van het ontwerpbesluit om de bestaande regelgeving te verduidelijken, acht de Afdeling het daarom onwenselijk om onder (ver)huur ook het (ver)huren ‘om niet’ te verstaan.
De Afdeling adviseert om het gratis ter beschikking stellen van een attractie- of speeltoestel op andere wijze onder de reikwijdte van het ontwerpbesluit te brengen, en het ontwerpbesluit op dit punt aan te passen.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.
De vice-president van de Raad van State, Th.C. de Graaf.
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van van volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 maart 2022, kenmerk 2346444-1007078-WJZ;
Gelet op:
de artikelen 1, 4, eerste en derde lid, 5, eerste, tweede en zesde lid, 6, 7, 7a, derde lid, 8, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, 9, onderdeel b, 11a, 14, 16, eerste lid, 19, derde lid, en 32b van de Warenwet;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van .........., no. ..........);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van .........., kenmerk ..........;
Hebben goedgevonden en verstaan:
In dit besluit en de daarop gebaseerde bepalingen wordt verstaan onder:
een krachtens artikel 7a van de wet met betrekking tot de keuring van attractie- en speeltoestellen aangewezen instelling;
al dan niet permanent geïnstalleerde inrichting ter voortbeweging van personen, die bestemd is voor vermaak of ontspanning en die aangedreven wordt door een niet-menselijke energiebron;
al dan niet roterend attractietoestel waarmee passagiers een snelheid kunnen bereiken van niet meer dan tien meter per seconde en waarmee passagiers een hoogte kunnen bereiken van niet meer dan vijf meter boven het terrein waarop het attractietoestel staat opgesteld;
Besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten en tot intrekking van Besluit 93/465/EEG van de Raad (PbEU 2008, L 218);
een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in de gebruiksfase over een attractie- of speeltoestel beschikt, anders dan de huurder;
een natuurlijke persoon of rechtspersoon in de toeleveringsketen van attractie- of speeltoestellen, verschillend van de fabrikant, diens gemachtigde of de importeur, die een attractie- of speeltoestel in Nederland verhandelt;
een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een attractie- of speeltoestel vervaardigt of laat ontwerpen of vervaardigen, dat onder zijn naam of handelsmerk in Nederland wordt verhandeld;
een in Nederland gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon die schriftelijk door een fabrikant is gemachtigd om namens hem specifieke taken als bedoeld in artikel R3, tweede lid, van besluit nr. 768/2008/EG te vervullen;
een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een attractie- of speeltoestel in Nederland huurt, ongeacht of dit tegen betaling dan wel om niet geschiedt;
een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een attractie- of speeltoestel afkomstig uit een derde land of een andere lidstaat van de Europese Unie voor het eerst in Nederland verhandelt;
een document, uitgegeven door een deskundig, onafhankelijk instituut, waarin wordt omschreven aan welke eisen een attractie- of speeltoestel moet voldoen, dan wel waarin een omschrijving wordt gegeven van onder meer een keurings-, meet- of berekeningsmethode;
een inrichting bestemd voor vermaak of ontspanning waarbij uitsluitend van zwaartekracht of van fysieke kracht van de mens gebruik wordt gemaakt;
een natuurlijke persoon of rechtspersoon die, ongeacht of dit tegen betaling dan wel om niet geschiedt, attractie- of speeltoestellen, in Nederland verhuurt;
Warenwet.
Dit besluit en de daarop berustende bepalingen zijn eveneens van toepassing op attractie- en speeltoestellen indien deze onroerend zijn.
Dit besluit is niet van toepassing op:
a. attractie- en speeltoestellen die bestemd zijn om uitsluitend buiten het grondgebied van Nederland gebruikt te worden;
b. kleine door elektrische energie aangedreven attractietoestellen, waarvan de basis tijdens de aandrijving niet van plaats verandert en die kennelijk bestemd zijn voor de voortbeweging van maximaal drie kinderen; en
c. speeltoestellen die als element van hun spel door kinderen onder toezicht worden vervaardigd.
1. De fabrikant draagt er zorg voor dat attractie- en speeltoestellen zodanig zijn ontworpen en vervaardigd, zodanige eigenschappen hebben en van zodanige opschriften zijn voorzien, dat zij bij redelijkerwijs te verwachten gebruik geen gevaar opleveren voor de veiligheid of de gezondheid van de mens.
2. De fabrikant draagt er zorg voor dat attractie- en speeltoestellen voldoen aan de in bijlage I genoemde voorschriften.
3. De importeur draagt er zorg voor dat de fabrikant die niet in Nederland is gevestigd, het eerste en tweede lid in acht neemt.
1. Bij ministeriële regeling kunnen normen worden aangewezen en nadere voorschriften worden gesteld voor attractie- en speeltoestellen.
2. Attractie- en speeltoestellen die voldoen aan de normen, bedoeld in het eerste lid, worden vermoed te voldoen aan artikel 5, eerste en tweede lid.
1. Attractie- en speeltoestellen zijn voorzien van de volgende, onlosmakelijk op of in het toestel aangebrachte, onuitwisbare opschriften of aanduidingen:
a. de naam en het adres van de fabrikant of importeur;
b. het bouwjaar;
c. de serie- of typeaanduiding; en
d. het serienummer, voor zover van toepassing.
2. De fabrikant of de importeur, indien de fabrikant niet in Nederland is gevestigd, draagt er zorg voor dat attractie- en speeltoestellen zijn voorzien van de opschriften of aanduidingen, bedoeld in het eerste lid.
3. Een attractietoestel wordt volgens een bij ministeriële regeling te bepalen procedure bij de eerste of eerstvolgende keuring door de aangewezen instelling van een uniek nummer voorzien.
4. Het unieke nummer, bedoeld in het derde lid, wordt door de aangewezen instelling geregistreerd op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze.
5. Fabrikanten of importeurs kunnen onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden bevoegd worden verklaard tot het voorzien van een attractie- of speeltoestel dat overeenkomstig het goedgekeurde, typekenmerkende monster is vervaardigd, van een uniek nummer.
1. De fabrikant stelt voor attractie- en speeltoestellen een technisch constructiedossier op met inachtneming van bijlage II.
2. De fabrikant of, indien van toepassing, diens gemachtigde bewaart het technisch constructiedossier, bedoeld in het eerste lid, en de keuringsrapportage van de eerste keuring gedurende de technische levensduur van een attractietoestel en houdt het ter beschikking van een aangewezen instelling en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.
3. Indien de fabrikant niet in Nederland is gevestigd, zijn de verplichtingen op grond van het tweede lid van toepassing op de importeur.
4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op speeltoestellen, met dien verstande dat de bewaartermijn, bedoeld in het tweede lid, beperkt is tot twintig jaar na de laatste productie van het speeltoestel.
5. Degene die een attractie- of speeltoestel rechtstreeks betrekt van een in het buitenland gevestigde leverancier, met een ander voornemen dan om het in de handel te brengen, bedingt, indien het toestel niet vergezeld gaat van een technisch constructiedossier, contractueel dat de leverancier een technisch constructiedossier, overeenkomstig bijlage II, ter beschikking houdt van een aangewezen instelling, met inachtneming van de in het tweede en vierde lid genoemde termijnen.
6. Bij ministeriële regeling kunnen eisen worden gesteld aan de keuringsrapportage, bedoeld in het tweede lid.
1. Attractie- en speeltoestellen die overeenkomstig het typekenmerkende monster zijn vervaardigd, worden voor verhandeling in Nederland goedgekeurd door een aangewezen instelling.
2. Attractie- en speeltoestellen, anders dan bedoeld in het eerste lid, worden voor ingebruikname goedgekeurd door een aangewezen instelling.
3. Bij de eerste keuring van in serie geproduceerde speeltoestellen en attractietoestellen van een eenvoudig ontwerp kan worden volstaan met de keuring van het typekenmerkende monster.
4. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke en op welke wijze attractietoestellen periodiek worden gekeurd door een aangewezen instelling. Bij ministeriële regeling kunnen voorts schema's ter bepaling van de keuringsfrequentie voor attractietoestellen worden vastgesteld.
5. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald welke en op welke wijze speeltoestellen periodiek worden gekeurd. Indien op grond van de eerste volzin geen regels zijn gesteld ten aanzien van de keuringsfrequentie van speeltoestellen, worden speeltoestellen eenmalig gekeurd door een aangewezen instelling.
1. De aanvraag van een eerste keuring van een attractie- of speeltoestel wordt ingediend bij slechts één aangewezen instelling.
2. Indien de fabrikant, gevestigd in een derde land of een andere lidstaat van de Europese Unie, reeds een eerste keuring als bedoeld in het eerste lid, van een attractie- of speeltoestel heeft laten uitvoeren en een certificaat van goedkeuring heeft overgelegd aan de importeur, verifieert de importeur of het overgelegde certificaat rechtmatig en geldig is en dat certificaat bij het geleverde attractie- of speeltoestel hoort.
3. Indien blijkt dat het in het tweede lid overgelegde certificaat niet conform dit besluit is afgegeven of niet bij het geleverde toestel hoort, dient de importeur de aanvraag van een eerste keuring van een attractie- of speeltoestel in bij slechts één aangewezen instelling.
4. Indien het attractie- of speeltoestel alleen ter plaatse kan worden gekeurd, vanwege plaatsgebonden veiligheidsaspecten, dient de fabrikant, de importeur, de verhuurder dan wel de beheerder de aanvraag van een eerste keuring van dat toestel in bij slechts één aangewezen instelling.
5. De aanvraag van een periodieke keuring als bedoeld in artikel 9, vierde en vijfde lid, wordt ingediend door de verhuurder dan wel de beheerder, bij slechts één aangewezen instelling.
6. De aanvraag van een keuring omvat:
a. de plaats waar het attractie- of speeltoestel is vervaardigd;
b. het bouwjaar en het type- en serienummer;
c. het in artikel 8 genoemde technisch constructiedossier, indien van toepassing, of de naam en adres van de fabrikant of, indien van toepassing, de importeur, bedoeld in artikel 8, derde lid, waar het technisch constructiedossier beschikbaar is voor de aangewezen instelling; en
d. de opgave van de plaats waar het attractie- of speeltoestel kan worden gekeurd.
7. Bij ministeriële regeling kan worden afgeweken van het bepaalde in het eerste, derde, vierde en vijfde lid.
1. De aangewezen instelling onderzoekt bij een keuring het attractie- of speeltoestel, onderzoekt bij de eerste keuring of het technisch constructiedossier is vervaardigd overeenkomstig bijlage II en beoordeelt bij de eerste keuring of het attractie- of speeltoestel is vervaardigd en ontworpen overeenkomstig het technisch constructiedossier en bijlage I.
2. Bij de tweede en volgende keuringen van attractie- en speeltoestellen hoeft geen beoordeling van het technisch constructiedossier plaats te vinden.
3. In afwijking van het tweede lid wordt het technisch constructiedossier van een speeltoestel en een attractietoestel van een eenvoudig ontwerp die overeenkomstig het goedgekeurde, typekenmerkende monster zijn vervaardigd, volgens bij ministeriële regeling te stellen voorschriften, periodiek opnieuw beoordeeld door de aangewezen instelling.
4. De aangewezen instelling onderzoekt bij een keuring of de eventuele toepassing van normen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, correct is gebeurd en voert passende onderzoeken en proeven uit om te onderzoeken of het attractie- of speeltoestel overeenstemt met de daarop betrekking hebbende veiligheids- en gezondheidsvoorschriften.
1. Nadat een keuring heeft plaatsgevonden wordt voor een attractie- of speeltoestel een certificaat van goedkeuring afgegeven door de aangewezen instelling, indien dat toestel naar het oordeel van de aangewezen instelling voldoet aan de in de artikelen 5 tot en met 7 en 8, eerste lid, gestelde voorschriften.
2. Bij toepassing van artikel 9, derde lid, wordt ieder attractie- of speeltoestel dat overeenkomstig het goedgekeurde, typekenmerkende monster is vervaardigd zonder nadere keuring van een merk van goedkeuring voorzien door de fabrikant dan wel importeur.
3. De aangewezen instelling draagt er zorg voor dat attractie- en speeltoestellen die niet overeenkomstig een goedgekeurd, typekenmerkende monster zijn vervaardigd en waarvoor een certificaat van goedkeuring is afgegeven, voorzien zijn van een merk van goedkeuring.
4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inhoud, vorm en uiterste geldigheid van certificaten en merken van goedkeuring.
De aangewezen instelling stelt bij attractie- en speeltoestellen de voor het veilig gebruik relevante conclusies van een keuring en de datum voor wanneer uiterlijk een nieuw certificaat of merk van goedkeuring afgegeven moet zijn op schrift in een keuringsrapportage en verstrekt deze aan de aanvrager.
1. De aangewezen instelling geeft aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit bericht van de uitslagen van keuringen en de datum waarop een tweede of volgende keuring van het bewuste attractie- of speeltoestel nodig is.
2. De aangewezen instelling die het afgeven van een certificaat of merk van goedkeuring weigert, doet hiervan mededeling aan de overige aangewezen instellingen.
1. De fabrikant, importeur, verhuurder dan wel beheerder stelt de aangewezen instelling, die een attractie- of speeltoestel of het typekenmerkend monster daarvan heeft gekeurd, onverwijld in kennis van elke ingrijpende wijziging of reparatie van dat toestel.
2. Indien de taken waarvoor de instelling, bedoeld in het eerste lid, is aangewezen zijn beëindigd, stelt de fabrikant, importeur, verhuurder dan wel beheerder, indien van toepassing diens opvolger, of een andere aangewezen instelling, onverwijld in kennis van elke ingrijpende wijziging of reparatie van het attractie- of speeltoestel.
3. De aangewezen instelling beoordeelt de in het eerste of tweede lid bedoelde wijziging of reparatie op effecten voor de veiligheid of gezondheid van personen en stelt de fabrikant, importeur, verhuurder dan wel beheerder, bedoeld in het eerste of tweede lid, op de hoogte van het oordeel.
4. Indien het oordeel luidt dat de in het eerste of tweede lid bedoelde wijziging of reparatie de veiligheid of gezondheid van personen negatief kan beïnvloeden, vervalt de geldigheid van het betreffende certificaat van goedkeuring en dient degene die de aangewezen instelling in kennis heeft gesteld, overeenkomstig artikel 10 een nieuwe aanvraag in van een keuring van het attractie- of speeltoestel.
5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het verlenen van een certificaat van goedkeuring na de keuring, bedoeld in het vierde lid, van attractie- of speeltoestellen die overeenkomstig het goedgekeurde, het typekenmerkende monster zijn vervaardigd.
1. Attractie- en speeltoestellen gaan vergezeld van een Nederlandstalige gebruiksaanwijzing met aanwijzingen, veiligheidsinstructies, waarschuwingen en andere relevante informatie die de verhuurder dan wel de beheerder in staat stelt dat toestel zodanig te installeren, te monteren, te doen gebruiken, te demonteren, te inspecteren en te onderhouden dat dat toestel geen gevaar oplevert voor de veiligheid of gezondheid van personen.
2. De fabrikant draagt er zorg voor dat attractie- en speeltoestellen vergezeld gaan van een Nederlandse gebruiksaanwijzing en andere relevante informatie, bedoeld in het eerste lid.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over veiligheidsinstructies, waarschuwingen en andere relevante informatie op attractie- of speeltoestellen.
De verhuurder dan wel de beheerder beschikt over een geldig, bij het attractie- of speeltoestel behorend, certificaat van goedkeuring van een aangewezen instelling.
Alvorens een attractie- of speeltoestel te verhandelen, ziet de distributeur dan wel de importeur erop toe dat:
a. indien van toepassing, het toestel voorzien is van een uniek nummer, bedoeld in artikel 7, derde lid;
b. indien van toepassing, voor het toestel een geldig certificaat van goedkeuring is afgegeven;
c. het toestel voorzien is van een technisch constructiedossier; en
d. het toestel vergezeld gaat van een Nederlandse gebruiksaanwijzing, bedoeld in artikel 16, eerste lid.
1. De verhuurder dan wel beheerder draagt er zorg voor dat een attractie- of speeltoestel zodanig is geïnstalleerd, gemonteerd, gedemonteerd wordt, is beproefd, geïnspecteerd, onderhouden en van opschriften is voorzien, dat bij gebruik geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid van personen bestaat.
2. De verhuurder dan wel de beheerder toont met een actueel dossier aan dat aan het eerste lid is voldaan.
3. Het eerste lid is niet van toepassing, indien een attractie- of speeltoestel hetzij afgekeurd is, hetzij onklaar gemaakt, hetzij anderszins kennelijk niet meer voor gebruik bestemd is.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het installeren, monteren, demonteren, beproeven, inspecteren, onderhouden en van opschriften voorzien van attractie- of speeltoestellen, bedoeld in het eerste lid.
De beheerder dan wel de verhuurder bewaart de documenten bedoeld in artikel 13 die voor het attractie- of speeltoestel tijdens de eerste keuring zijn afgegeven gedurende de levensduur van het toestel. Documenten voor de daaropvolgende keuringen worden tenminste bewaard tot keuringsdocumenten van de volgende keuring afgegeven zijn.
De verhuurder, huurder dan wel de beheerder van een attractie- of speeltoestel dat voorzien is van een merk van afkeuring, zorgt ervoor dat:
a. het attractie- of speeltoestel zodanig is stilgezet of afgesloten dat het niet zonder hulpmiddelen kan worden betreden; en
b. op of nabij daarvoor in aanmerking komende punten van het attractie- of speeltoestel een duidelijk opschrift is aangebracht waaruit blijkt dat het toestel niet voor gebruik is bestemd.
Artikel 4 is niet van toepassing op het tentoonstellen en demonstreren op beurzen, exposities en bij demonstraties van attractie- en speeltoestellen die niet in overeenstemming zijn met dit besluit, mits op een zichtbaar bord is aangegeven dat de betrokken toestellen niet in overeenstemming met dit besluit zijn, en dat zij niet in het verkeer mogen worden gebracht voordat ze door de fabrikant of importeur in overeenstemming met dit besluit zijn gebracht. Bij demonstraties zijn alle passende veiligheidsmaatregelen genomen om de veiligheid en gezondheid van de mens te waarborgen.
1. De huurder dan wel de beheerder stelt de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en, indien van toepassing, de verhuurder onverwijld in kennis van elk ernstig ongeval dat plaatsvindt met het attractie- of speeltoestel.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de meldingen, bedoeld in het eerste lid.
1. Als aangewezen instelling kan worden aangewezen een instelling die:
a. rechtspersoonlijkheid heeft;
b. haar zetel of een vestiging in een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte heeft;
c. onafhankelijk is van degenen die bij het resultaat van de uitvoering van de taken waarvoor zij is aangewezen belang hebben;
d. beschikt over voldoende deskundigheid en outillage om de uitvoering van de taken waarvoor zij is aangewezen, naar behoren te kunnen vervullen;
e. beschikt over een behoorlijke administratie waarin de gegevens die samenhangen met en betrekking hebben op de uitvoering van haar taken, op een systematische wijze zijn vastgelegd. Aan de hand van deze gegevens zijn de (type-)gekeurde attractie- en speeltoestellen afdoende te identificeren; en
f. naar behoren functioneert.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.
De instelling verstrekt jaarlijks aan Onze Minister een afschrift van de polis van de afgesloten verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid tegen alle risico's die voortvloeien uit de uitoefening van de taken waarvoor zij is aangewezen.
1. Indien een wijziging plaatsvindt in de gegevens op grond waarvan de instelling is aangewezen, doet de instelling hiervan terstond mededeling aan Onze Minister.
2. Indien een instelling voornemens is een of meer van de taken waarvoor zij is aangewezen, te beëindigen, doet de instelling hiervan terstond mededeling aan Onze Minister en de certificaathouders. In dat geval worden door de instelling de gegevens, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder e, overgedragen aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit dan wel, na toestemming van Onze Minister en de certificaathouders, een andere instelling die voor dezelfde taken is aangewezen.
1. Een aanvraag om aanwijzing gaat vergezeld van het bewijs dat is voldaan aan de criteria, bedoeld in artikel 24, eerste lid, dan wel van een verklaring waaruit de bereidheid blijkt om voor eigen rekening een onderzoek naar het voldoen aan deze criteria te ondergaan.
2. Een aanvraag tot aanwijzing kan worden geweigerd en een aanwijzing kan worden geschorst, gewijzigd of ingetrokken, indien niet of niet volledig is voldaan aan de bij de wet of bij of krachtens dit besluit gestelde voorschriften.
3. Een aanwijzing kan voorts worden ingetrokken indien de instelling gedurende een aaneengesloten periode van twee jaar geen werkzaamheden, waarvoor zij is aangewezen, heeft uitgevoerd.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.
1. De fabrikant of, indien van toepassing, de importeur, voorziet de aangewezen instelling desgevraagd van het technisch constructiedossier en de keuringsrapportages.
2. De aangewezen instelling bewaart voor een attractie- of speeltoestel het technisch constructiedossier en de keuringsrapportages, zolang dat toestel in gebruik is.
3. Indien de taken, waarvoor de instelling is aangewezen, worden beëindigd draagt de instelling het technisch constructiedossier en de keuringsrapportages over aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.
1. De verhuurder dan wel de beheerder doet onverwijld na de eerste opbouw of plaatsing van een attractietoestel bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit aangifte van het feit dat hij een attractietoestel voorhanden heeft, onder opgave van de volgende gegevens:
a. zijn naam, woon- of verblijfplaats en adres;
b. de soort, het type, het bouwjaar en de fabrikant van het attractietoestel; en
c. de plaats waar het attractietoestel zich bevindt of, in het geval van een niet permanent geïnstalleerd attractietoestel, de plaatsen waar het zich in de periode van drie maanden na de dag van aangifte zal bevinden.
2. De beheerder die een attractie- of speeltoestel tijdelijk in Nederland gebruikt, doet tenminste achtenveertig uur voorafgaand aan elke eerste opbouw of plaatsing van dat toestel op Nederlands grondgebied, bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit aangifte van zijn voornemen tot plaatsing of opbouw van dat toestel, onder opgave van de gegevens, vermeld in het eerste lid.
3. Indien degene genoemd in het eerste lid, het attractietoestel, bedoeld in het eerste of tweede lid, niet langer gebruikt, doet diegene hiervan onverwijld aangifte bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.
Een certificaat afgegeven op grond van artikel 19d van het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen en geldend op de dag, onmiddellijk voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit besluit, blijft na dat tijdstip van kracht.
De artikelen 7, 8, vijfde lid, 9, vijfde lid, en 16, eerste lid, zijn niet van toepassing op speeltoestellen die reeds in gebruik waren op het tijdstip van inwerkingtreding van het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen.
De bijlage bij het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten wordt als volgt gewijzigd:
1. In het onderdeel ‘Inhoud’ wordt ‘Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen’ vervangen door ‘Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2022’.
2. Rubriek B-19 komt te luiden:
|
B-19 |
Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2022 |
|||
|
B-19.1 |
Artikel 4 juncto artikel 5, eerste lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.2 |
Artikel 4 juncto artikel 5, tweede lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.3 |
Artikel 4 juncto artikel 5, derde lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.4 |
Artikel 4 juncto artikel 7, eerste lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.5 |
Artikel 4 juncto artikel 7, tweede lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.6 |
Artikel 4 juncto artikel 8, eerste lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.7 |
Artikel 4 juncto artikel 8, tweede lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.8 |
Artikel 4 juncto artikel 8, derde lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.9 |
Artikel 4 juncto artikel 8, vierde lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.10 |
Artikel 4 juncto artikel 8, vijfde lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.11 |
Artikel 4 juncto artikel 9, eerste lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.12 |
Artikel 4 juncto artikel 9, tweede lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.13 |
Artikel 4 juncto artikel 10, eerste lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.14 |
Artikel 4 juncto artikel 10, tweede lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.15 |
Artikel 4 juncto artikel 10, derde lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.16 |
Artikel 4 juncto artikel 10, vierde lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.17 |
Artikel 4 juncto artikel 10, vijfde lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.18 |
Artikel 4 juncto artikel 10, zesde lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.19 |
Artikel 4 juncto artikel 12, tweede lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.20 |
Artikel 4 juncto artikel 15, eerste lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.21 |
Artikel 4 juncto artikel 15, tweede lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.22 |
Artikel 4 juncto artikel 15, vierde lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.23 |
Artikel 4 juncto artikel 16, eerste lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.24 |
Artikel 4 juncto artikel 16, tweede lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.25 |
Artikel 4 juncto artikel 17 |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.26 |
Artikel 4 juncto artikel 18, onderdeel a |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.27 |
Artikel 4 juncto artikel 18, onderdeel b |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.28 |
Artikel 4 juncto artikel 18 onderdeel c |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.29 |
Artikel 4 juncto artikel 18 onderdeel d |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.30 |
Artikel 4 juncto artikel 19, eerste lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.31 |
Artikel 4 juncto artikel 19, tweede lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.32 |
Artikel 4 juncto artikel 20 |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.33 |
Artikel 4 juncto artikel 21, onderdeel a |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.34 |
Artikel 4 juncto artikel 21, onderdeel b |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.35 |
Artikel 4 juncto artikel 23, eerste lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.36 |
Artikel 4 juncto artikel 28, eerste lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.37 |
Artikel 4 juncto artikel 29, eerste lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.38 |
Artikel 4 juncto artikel 29, tweede lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.39 |
Artikel 4 juncto artikel 29, derde lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.40 |
Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2022 |
Nadere regels attractie- en speeltoestellen |
||
|
B-19.41.1 |
Artikel 4 juncto 12, tweede lid juncto |
Artikel 8, eerste lid |
€ 1.050,– |
X |
|
B-19.41.2 |
Artikel 4 juncto 12, tweede lid juncto |
Artikel 8, tweede lid |
€ 1.050,– |
X |
In artikel 7.4a, zevende lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt ‘Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen’ vervangen door ‘Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2022’.
In artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit bijzondere spoorwegen wordt ‘attractie of speeltoestel’ vervangen door ‘attractie- of speeltoestel’ en ‘Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen’ vervangen door ‘Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2022’.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
Van glijbanen in gemeentelijke speeltuinen, tot achtbanen in een pretpark en van luchtkussens bij een zomerfeest tot de Breakdance op een kermis: de veiligheid van attractie- en speeltoestellen is van belang. Alle attractie- en speeltoestellen in de Nederlandse publieke ruimte dienen daarom gecertificeerd te zijn.
Een aangewezen instelling geeft een certificaat van goedkeuring alleen af, indien uit een keuring blijkt dat een toestel veilig ontworpen en vervaardigd is en er – bij redelijkerwijs te verwachten gebruik – geen gevaar zal ontstaan voor gebruikers en omstanders. De verhuurder dan wel beheerder beschikt over een geldig certificaat van goedkeuring en zorgt ervoor dat het toestel zodanig is geïnstalleerd, gemonteerd en zodanig is beproefd, geïnspecteerd en onderhouden en zodanig van opschriften is voorzien, dat er bij gebruik geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid van personen bestaat. De Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (hierna: de NVWA) houdt toezicht op de naleving van de regels.
Uit gesprekken met aangewezen instellingen, vertegenwoordigers uit de attractie- en speeltoestellensector en de NVWA is gebleken dat diverse verbeteringen binnen dit stelsel wenselijk zijn. Een aanscherping van de regelgeving is onder meer nodig om het toezicht en de handhaving door de NVWA te versterken, fraude met certificaten van goedkeuring tegen te gaan en om de uniformiteit van de keuringen door de aangewezen instellingen te verbeteren.
Deze omstandigheid vormt de aanleiding voor een modernisering van de regelgeving over de veiligheid van attractie- en speeltoestellen. Gezien het aantal benodigde wijzigingen van het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen (hierna: WAS), is gekozen voor het vaststellen van een nieuwe algemene maatregel van bestuur: het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2022 (hierna: WAS 2022). Het WAS wordt gelijktijdig ingetrokken.
Het onderhavige besluit moderniseert de regelgeving over de veiligheid van attractie- en speeltoestellen op een aantal punten:
1. Versterking toezicht en handhaving door de NVWA door middel van:
a. de invoeging van diverse normadressaten;
b. de verplichte melding van ernstige ongevallen bij de NVWA;
c. een bewaarplicht voor aangewezen instellingen van het technisch constructiedossier en keuringsrapportages;
2. De aanpak van fraudegevoeligheid;
3. Vergroten uniformiteit en kwaliteit van de keuringen door aangewezen instellingen door middel van:
a. een benchmarktest;
b. de mogelijkheid tot schorsen van aangewezen instellingen.
a. In diverse artikelen van het WAS 2022 zijn normadressaten opgenomen, zoals ‘de fabrikant’, ‘de importeur’ en ‘de beheerder’. Het gaat hierbij om de verschillende partijen en actoren die verplichtingen op grond van het WAS 2022 hebben. Vanwege het ontbreken van (duidelijke) normadressaten in het WAS bestond in de praktijk te veel onduidelijkheid over de vraag op wie, welke verplichtingen rustten. Om die onduidelijkheden weg te nemen en ter bevordering van de rechtszekerheid zijn normadressaten uitgebreider opgenomen in diverse artikelen van het WAS 2022. Die duidelijkheid komt ook het toezicht en de handhaving door de NVWA ten goede. Normadressaten zijn aanspreekbaar op hun verplichtingen. De verschillende normadressaten zijn gedefinieerd in artikel 1 van het WAS 2022.
b. Verder heeft het onderhavige besluit tot doel te regelen dat de huurder of de beheerder in ieder geval de NVWA onverwijld in kennis stelt van elk ernstig ongeval dat plaatsvindt met een attractie- of speeltoestel. Op basis van dergelijke meldingen kan de NVWA onderzoek starten. Ook kunnen meldingen de NVWA aanleiding geven om het interventiebeleid aan te passen.
c. Voorts wordt geregeld dat de aangewezen instelling voor een attractie- of speeltoestel – zolang dat toestel in gebruik is – het technisch constructiedossier en de keuringsrapportages bewaart en overdraagt aan de NVWA, zodra de taken waarvoor de instelling is aangewezen, worden beëindigd. Daarmee wordt gewaarborgd dat het technisch constructiedossier en de keuringsrapportages van een attractie- of speeltoestel compleet blijven, zolang dat toestel in omloop is en te allen tijde beschikbaar zijn voor de NVWA.
Bij ministeriële regeling zal het model-certificaat van goedkeuring zodanig worden aangepast, dat het fraude met attractie- en speeltoestellen beter tegengaat. Denk daarbij bijvoorbeeld aan een verplichte foto of 3D-tekening van het toestel op het certificaat.
a. De NVWA krijgt de mogelijkheid om een benchmarktest uit te voeren: het laten keuren van eenzelfde attractie- of speeltoestel door meerdere aangewezen instellingen. Door de testresultaten van de verschillende aangewezen instellingen met elkaar te vergelijken, kan de NVWA eventuele verschillen in interpretaties van het WAS 2022 opsporen en evalueren. Op basis van de uitkomsten kunnen de NVWA en de aangewezen instellingen vervolgens in gesprek over de gewenste gezamenlijke interpretatie.
b. Een mogelijkheid tot schorsing van de aanwijzing van een aangewezen instelling, indien niet of niet volledig was voldaan aan de eisen, wordt met dit besluit tevens expliciet geregeld. De mogelijkheid tot schorsing heeft tot doel de kwaliteit van de werkzaamheden van de aangewezen instellingen te vergroten.
Tot slot is dit besluit ten opzichte van het WAS in juridisch-technische zin geactualiseerd en verbeterd. De voorschriften van dit besluit worden in de artikelsgewijze toelichting nader toegelicht.
Uit artikel 34 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) volgt dat kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking tussen de lidstaten verboden zijn. Alle handelsvoorschriften die de handel binnen de Unie al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kunnen belemmeren, zijn op grond van vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie verboden.1 Overeenkomstig artikel 36 VWEU en vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie kunnen beperkingen van het vrij verkeer van goederen gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de gezondheid en het leven van personen, mits de nationale maatregelen geschikt zijn om het nagestreefde doel te verwezenlijken en niet verder gaan dan noodzakelijk zijn om dat doel te bereiken. Het is aan de lidstaten om binnen de door het VWEU gestelde grenzen te beslissen over de mate waarin zij de bescherming van de gezondheid en het leven van personen willen waarborgen.2 Voorts bepaalt artikel 56 VWEU dat beperkingen die aan dienstverleners worden opgelegd in beginsel verboden zijn. In artikel 16 van de Dienstenrichtlijn is bepaald dat het vrij verkeer van diensten niet mag worden beperkt als de eis discriminerend is en niet voldaan wordt aan de eisen van noodzakelijkheid en evenredigheid.3
Onderhavig besluit is naar het oordeel van de regering, voor zover het al handelsbelemmerend zou zijn, gerechtvaardigd met het oog op de bescherming van de volksgezondheid en het leven van personen. Het doel van dit besluit is het borgen van een hoog veiligheidsniveau ten aanzien van attractie- en speeltoestellen en het terugdringen van het aantal (ernstige) ongevallen met die toestellen. De voorschriften uit dit besluit, zoals die met betrekking tot de vereiste keuring van attractie- en speeltoestellen, certificaten en merken van goedkeuring, dragen bij aan het verwezenlijken van dit doel. Daarmee worden de risico’s op (ernstige) ongevallen met attractie- en speeltoestellen immers verkleind. Ook de verplichting in artikel 8, vijfde lid, zou geïnterpreteerd kunnen worden als een handelsbelemmerende maatregel. Deze verplichting heeft betrekking op technische informatie die eenieder in staat stelt om het toestel na te bouwen. Buitenlandse fabrikanten zullen naar verwachting terughoudend zijn om deze informatie beschikbaar te stellen aan particulieren. De rechtstreekse koop bij fabrikanten in het buitenland zou hierdoor kunnen worden bemoeilijkt, waardoor Nederlandse exploitanten over minder innovatieve attractietoestellen zouden beschikken met als gevolg een concurrentie-achterstand ten opzichte van buitenlandse gebruikers. De verplichting uit artikel 8, vijfde lid, is echter noodzakelijk om een adequate beoordeling van de veiligheid aan de hand van het technisch constructiedossier mogelijk te maken. Het artikel is eveneens gerechtvaardigd aangezien hiertoe geen minder belemmerende wegen openstaan.
Dit besluit heeft gevolgen voor aangewezen instellingen en veldpartijen; de regering is echter van mening dat die gevolgen in verhouding staan tot de verwachte positieve effecten voor de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het leven van personen.
De eisen uit dit besluit zijn voorts niet discriminerend, omdat de werking ervan niet verschilt ten aanzien van ondernemers van buiten Nederland met die ten aanzien van Nederlandse ondernemers. De eisen uit dit besluit zijn bovendien evenredig. Ten eerste omdat het nagestreefde doel kan worden bereikt; namelijk het verhogen van het veiligheidsniveau van attractie- en speeltoestellen. Ten tweede, omdat deze eisen niet verder gaan dan nodig om het gestelde doel te bereiken. Zo wordt het niet evenredig geacht om tijdelijke dienstverleners te verplichten om hun attractie- of speeltoestellen te voorzien van een Nederlandstalige gebruiksaanwijzing. Indien de medewerkers van tijdelijke dienstverleners door middel van anderstalige instructies een attractie- of speeltoestel veilig kunnen installeren of gebruiken, omdat zij niet de Nederlandse taal machtig zijn, komt het veiligheidsniveau niet in gevaar door het feit dat geen Nederlandse gebruiksaanwijzing aanwezig is.
De nieuwe verplichting voor aangewezen instellingen om het technisch constructiedossier en de keuringsrapportages van attractie- en speeltoestellen te bewaren zolang een toestel in gebruik is en om dat dossier en die rapportages – bij beëindiging van de taken – over te dragen aan de NVWA zullen naar verwachting geringe nalevingskosten veroorzaken.
Artikel 19 van dit besluit regelt dat de verhuurder er – net zoals een beheerder – zorg voor draagt dat een attractie- of speeltoestel zodanig is geïnstalleerd, gemonteerd, wordt beproefd, gedemonteerd, geïnspecteerd, onderhouden en van opschriften is voorzien, dat het gebruik geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid van personen oplevert. In de ministeriële regeling zal invulling worden gegeven aan de minimale eisen waaraan een verhuurder moet voldoen. De regeldrukgevolgen hiervan zullen in dat kader in kaart worden gebracht.
Artikel 24 regelt dat de huurder dan wel de beheerder, de NVWA en, indien van toepassing, de verhuurder onverwijld in kennis stelt van elk ernstig ongeval dat plaatsvindt met of rondom een toestel. In de praktijk worden ongevallen nu ook al door verzekeraars met de verhuurders afgehandeld.
Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) kan zich vinden in de analyse en conclusie ten aanzien van de gevolgen voor de regeldruk.
Het ontwerp van een wijziging van het WAS4 is van 17 augustus 2020 tot en met 14 september 2020 voorgelegd aan de deelnemers van het Regulier Overleg Warenwet (ROW)5. Daarnaast is in diezelfde periode aan een ieder via https://www.internetconsultatie.nl/warenwetbesluitattractieenspeeltoestellen de mogelijkheid geboden te reageren op het ontwerp van de wijziging van het WAS en de bijbehorende nota van toelichting, waarbij de volgende vraag is gesteld: ‘indien u uitvoeringsproblemen voorziet ten aanzien van dit besluit, wilt u hierbij dan een korte toelichting geven?’
Er zijn in totaal 12 reacties binnengekomen afkomstig van aangewezen instellingen, het bedrijfsleven en particulieren. De belangrijkste reacties en aanpassingen naar aanleiding hiervan, worden hierna toegelicht. Er zijn diverse opmerkingen gemaakt ten aanzien van de normadressaten zoals gedefinieerd in artikel 1 van dit besluit. De toelichting is in reactie hierop ter verduidelijking aangevuld. Daarnaast zijn er opmerkingen gemaakt met betrekking tot het voorzien van speeltoestellen van een uniek nummer alsmede de verplichting om dergelijke nummers te registreren. Er is besloten om in dit besluit nu geen grondslag op te nemen op grond waarvan bij ministeriële regeling speeltoestellen aangewezen kunnen worden die van een uniek nummer voorzien moeten worden. Verder hebben enkele reacties geleid tot verduidelijking van artikel 9, eerste en tweede lid, (kleine) aanpassingen in artikel 15, en aanvullingen ter verduidelijking in de toelichting bij laatstgenoemd artikel. Daarnaast hebben enkele respondenten zich uitgesproken tegen de aan de verhuurder opgelegde verplichting om niet permanent geïnstalleerde speeltoestellen of attractietoestellen van een eenvoudig ontwerp te installeren, monteren, demonteren, beproeven en van opschriften te voorzien, als bedoeld in artikel 19, eerste lid. Deze verplichting is echter noodzakelijk om de veiligheid van voornoemde toestellen beter te borgen; dit wordt in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 19 nader toegelicht. De reacties hieromtrent vormden echter wel aanleiding om de invulling van dit artikellid te wijzigen. De verhuurder dan wel beheerder wordt weliswaar verantwoordelijk voor het juist plaatsen van het toestel, maar het toestel hoeft niet per se door de verhuurder te worden geïnstalleerd. Er zijn andere manieren om aan dit voorschrift te kunnen voldoen; dit kan op grond van artikel 19, vijfde lid, bij regeling nader uitgewerkt worden. Enkele reacties hebben voorts betrekking op het begrip ‘ernstig ongeval’, bedoeld in artikel 24 van dit besluit. De toelichting op dit punt is naar aanleiding van die reacties verduidelijkt. Verder is naar aanleiding van de reacties, in de toelichting bij artikel 26, de in dat artikel genoemde bewaartermijn voor de aangewezen instelling, nader toegelicht.
Het ontwerp van een wijziging van het WAS6 is door de NVWA beoordeeld op de handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid. De NVWA acht het ontwerpbesluit handhaafbaar en uitvoerbaar.
De NVWA heeft enkele suggesties met betrekking tot de in artikel 1 gedefinieerde normadressaten. Zo is allereerst opgemerkt dat de distributeur als normadressaat ontbreekt. In reactie hierop is deze normadressaat toegevoegd aan het concept-besluit en gedefinieerd in artikel 1. De voorschriften uit artikel 18 zijn, naast de importeur, van toepassing op de distributeur. Daarnaast is opgemerkt dat de normadressaat in de gebruiksfase (voorheen in het WAS: ‘degene die een attractie- of speeltoestel voorhanden heeft’ en thans in het WAS 2022: ‘de beheerder’) te beperkt gedefinieerd is, waardoor bepaalde partijen die toestellen beschikbaar stellen voor het publiek niet onder het WAS 2022 zouden vallen. Naar aanleiding hiervan is de definitie van deze normadressaat aangepast. Voorts is opgemerkt dat er onduidelijkheid heerst over de reikwijdte van de definitie van importeur. Ter verduidelijking is de toelichting op dit punt aangevuld. De opmerkingen met betrekking tot de definitie van verhuurder hebben verder geleid tot aanpassing van die definitie en de toelichting daarbij. De NVWA heeft met betrekking tot de normadressaten tot slot opgemerkt dat in meerdere artikelen verschillende normadressaten worden genoemd tot wie zich dezelfde verplichtingen richten, waardoor niet duidelijk is wie de overtreding begaat en tegen wie handhavend kan worden opgetreden. Er worden in meerdere artikelen verschillende normadressaten genoemd, omdat bepaalde verplichtingen voor verschillende normadressaten gelden. Wélke normadressaat in een concreet geval een bepaalde verplichting heeft, kan per situatie verschillen, en is mede afhankelijk van de ‘fase’ (handels- of gebruiksfase) waarin een attractie- of speeltoestel zich bevindt. Zo geldt de zogenaamde ‘beheersverplichting’ uit artikel 19 voor de verhuurder indien een attractie- of speeltoestel wordt verhuurd aan een klant. Zodra een exploitant van bijvoorbeeld een attractietoestel dat toestel op een kermis wil exploiteren, geldt de beheersverplichting uit artikel 19 voor die exploitant als zijnde beheerder.
Artikel 10 is voorts aangepast met inachtneming van de opmerkingen van de NVWA ten aanzien van dit artikel. Het zevende lid behoeft geen aanpassing. Dit artikellid bevat enkel een noodzakelijke grondslag om bij ministeriële regeling regels te kunnen stellen.
Ten aanzien van artikel 8, vierde lid, merkt de NVWA op dat het voor partijen in de gebruiksfase vaak niet of nauwelijks te achterhalen is wanneer de laatste verhandelingsdatum is van een bepaald toestel. Om die reden is dit artikellid aangepast en is een nieuw criterium geïntroduceerd.
In verband met de opmerkingen van de NVWA in het kader van de uitvoerbaarheid van artikel 15, is aan dat artikel een lid toegevoegd op grond waarvan bij ministeriële regeling nadere regels gesteld kunnen worden met betrekking tot het certificaat van goedkeuring ten aanzien van attractie- of speeltoestellen die overeenkomstig het goedgekeurde, het type kenmerkende monster zijn vervaardigd.
Ten aanzien van artikel 19, eerste lid, constateert de NVWA dat dit artikellid enkel ziet op verhuurders van niet permanent geïnstalleerde speeltoestellen of attractietoestellen van een eenvoudig ontwerp. Dit is aangepast: dit artikellid ziet nu op alle attractie- en speeltoestellen.
Voorts zijn de aanbevelingen met betrekking tot de keuringsrapportage overgenomen. In artikel 8 en artikel 28 is opgenomen dat de keuringsrapportages bewaard moeten worden. Het gaat om alle beschikbare keuringsrapportages. Dit is in de toelichting verduidelijkt. Verder is aan artikel 8 een nieuw vijfde lid toegevoegd op grond waarvan bij ministeriële regeling regels gesteld kunnen worden aan de (inhoud van de) keuringsrapportages.
In overeenstemming met artikel 32b, tweede lid, van de Warenwet, is een ontwerp van deze algemene maatregel van bestuur op 10 december 2020 aan beide kamers der Staten-Generaal gezonden (Kamerstukken II 2020/21, 35 570 XVI, nr. 176). Er zijn door de Tweede Kamer fracties van de VVD en de SP vragen gesteld over:
1. de toepasselijkheid van het WAS 2022 op sporttoestellen;
2. unieke nummers op mobiele speeltoestellen; en
3. periodieke herkeuringen van speeltoestellen.
Ad 1.) Sporttoestellen, zoals turntoestellen, voetbaldoelen en fitnessapparatuur in de publieke ruimte, vallen niet onder het WAS 2022, zolang de nadruk ligt op behendigheid, lichaamsoefening en training, in plaats van op vermaak en ontspanning. Dit wordt uitgelegd in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1.
Ad 2 en 3.) er zal nader onderzoek worden gedaan naar unieke nummers voor en herkeuringen van speeltoestellen. Dit zal mogelijk leiden tot een verdere aanscherping van het WAS 2022.
Het ontwerp van dit besluit is op 14 december 2020 gemeld aan de Europese Commissie ter voldoening aan artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535.7 De notificatie bij de Europese Commissie is noodzakelijk, aangezien van dit besluit mogelijk technische voorschriften bevat in de zin van richtlijn (EU) 2015/1535. Naar aanleiding van de notificatie zijn geen opmerkingen gemaakt.
Dit artikel betreft de definitiebepaling. Hierin worden zowel attractie- als speeltoestellen omschreven als een inrichting bestemd voor vermaak of ontspanning. Met ‘inrichting’ wordt bedoeld een door de mens ontworpen of vervaardigd object dat uit een of meerdere (onder)delen bestaat, zoals een constructie, een opstelling, een structuur, een apparaat, een machine of een installatie. De termen ‘vermaak’ en ‘ontspanning’ duiden op een recreatieve bezigheid, waarbij lichamelijke en sociale vaardigheden kunnen worden ontwikkeld. Gelet op artikel 1, tweede lid, van de Warenwet is de strekking van dit besluit beperkt tot attractie- en speeltoestellen die niet gebruikt worden in de sfeer van de particuliere huishouding. Attractie- en speeltoestellen worden van elkaar onderscheiden op grond van de energiebron die wordt gebruikt. Speeltoestellen maken uitsluitend gebruik van zwaartekracht of van fysieke kracht van de mens. Attractietoestellen daarentegen worden aangedreven door een niet-menselijke energiebron. Daarnaast is een attractietoestel een inrichting ter voortbeweging van personen. Bij speeltoestellen hoeft er geen sprake te zijn van voortbeweging van personen. Speeltoestellen kunnen ook statisch van aard zijn, zoals een klimtoestel.
Attractie- en speeltoestellen kunnen bedoeld zijn voor zowel kinderen, als volwassenen.
Attractie- en speeltoestellen onderscheiden zich van sporttoestellen. Bij sporttoestellen ligt de nadruk op behendigheid, lichaamsoefening en training, al dan niet in combinatie met prestatie of competitie. Het uitoefenen en aanleren van een sport kan zowel individueel, als in een groep of in een team plaatsvinden. Het gaat hier onder meer om toestellen die gebruikt worden door gekwalificeerde trainers en leden van een sportvereniging. Zij zijn al dan niet aangesloten bij een sportbond ten behoeve van het uitoefenen en aanleren van een sport. Ook trimparcoursen en fitnessapparatuur in de publieke ruimte, zoals calisthenics, bestemd voor het uitoefenen van een sport, worden beschouwd als sporttoestel en niet als speeltoestel in de zin van onderhavig besluit. Ook sporttoestellen die bestemd zijn voor het schoolvak lichamelijke opvoeding of voor bewegingstherapie van onder meer psychomotorisch therapeuten, oefentherapeuten, motorisch remedial teachers en bewegingsagogen, worden niet beschouwd als speeltoestel. Dergelijke toestellen vallen in beginsel niet onder de reikwijdte van het WAS 2022.
Een sporttoestel dat niet enkel gebruikt wordt voor het uitoefenen of aanleren van een sport, maar (ook) als speeltoestel (dus: ter vermaak en ontspanning) valt echter wel onder de reikwijdte van dit besluit. Zo kan een klimmuur gebruikt worden als sporttoestel voor het uitoefenen van een sport, maar ook aangeboden of gebruikt worden als speeltoestel voor bijvoorbeeld kinderfeestjes. Het WAS 2022 is van toepassing als de klimmuur gebruikt wordt als speeltoestel. Een ander voorbeeld is een klimrek dat gebruikt wordt voor zowel het uitoefenen van het schoolvak lichamelijke opvoeding (sporttoestel), als voor vermaak en ontspanning (speeltoestel). Het WAS 2022 is onverminderd van toepassing op dergelijke toestellen, indien die toestellen (deels) gebruikt worden als speeltoestel.
Het WAS 2022 is ook van toepassing op voor huishoudelijk gebruik bestemde speeltoestellen als bedoeld in artikel 3, eenentwintigste lid, van de speelgoedrichtlijn8, zoals trampolines, glijbanen, schommels en ander ‘actief speelgoed’, zodra ze in de publieke ruimte worden gebruikt of geplaatst om te spelen.
Bij attractietoestellen dient altijd sprake te zijn van voortbeweging en aandrijving door een niet-menselijke energiebron. Inrichtingen waarbij geen sprake is van een aangedreven voortbeweging bij het primaire functioneren, zoals circustenten, doolhoven en dergelijke, vallen niet onder dit besluit. De omschrijving ‘al dan niet permanent geïnstalleerd’ geeft aan dat zowel mobiele attractietoestellen, zoals kermisattracties, als vaste attractietoestellen, zoals attracties in pretparken, onder dit besluit vallen.
Bij speeltoestellen hoeft er geen sprake te zijn van voortbeweging. Speeltoestellen kunnen ook statisch van aard zijn; denk daarbij bijvoorbeeld aan klimtoestellen en glijbanen. Personen gebruiken in het spel met speeltoestellen lichaamskracht of zwaartekracht.
Ook het materiaal horende bij bungy-jumpen wordt beschouwd als speeltoestel in de zin van dit besluit.
Voor de duidelijkheid zij opgemerkt dat een inrichting die normaliter niet bestemd is als speeltoestel, toch de bestemming van speeltoestel kan verkrijgen. Een stel opgestapelde boomstammen gelegen op een bouwterrein ten behoeve van constructiewerkzaamheden is bijvoorbeeld evident niet bestemd als speeltoestel in het kader van dit besluit. Dit is anders, indien diezelfde boomstammen geplaatst worden in een speeltuin met allerlei andere speeltoestellen, bestemd om kinderen erop te laten spelen. De opgestapelde boomstammen zijn in dat geval wél een speeltoestel in de zin van het WAS 2022, aangezien de boomstammen in dat geval bestemd zijn voor vermaak of ontspanning als bedoeld in dit besluit.
Artikel 1 van dit besluit definieert de aangewezen instelling. Deze aangewezen instellingen zullen op verzoek worden aangewezen, indien zij voldoen aan een aantal voorwaarden. De voorwaarden om voor aanwijzing in aanmerking te komen zijn vervat in artikel 24 van dit besluit.
In artikel 1 zijn voorts normadressaten die in diverse artikelen van dit besluit zijn opgenomen, gedefinieerd. Met deze definities is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij Europese productregelgeving, zoals Richtlijn 2009/48/EG9, Richtlijn 2014/34/EU10 en Besluit 768/2008.11 De normadressaten die zich in de verhandelingsfase begeven, zijn: de fabrikant, diens gemachtigde, de importeur, de verhuurder en de distributeur. Deze normadressaten hebben een attractie- of speeltoestel voorhanden om af te leveren. De fabrikant is gedefinieerd als een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een attractie- of speeltoestel vervaardigt of laat ontwerpen of vervaardigen, dat onder zijn naam of merk in Nederland wordt verhandeld. Dat toestel kan in Nederland ook door een ander dan de fabrikant worden verhandeld. De gemachtigde is gedefinieerd als een in Nederland gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon die schriftelijk door een fabrikant is gemachtigd om namens hem specifieke taken te vervullen. Deze specifieke taken vloeien voort uit artikel R3, tweede lid, van Besluit 768/2008. De importeur is gedefinieerd als een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een attractie- of speeltoestel afkomstig uit een derde land of een andere lidstaat van de Europese Unie voor de eerste keer in Nederland verhandelt. De definitie van ‘verhandelen’ volgt uit artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Warenwet. Onder verhandelen moet op grond hiervan worden verstaan: het te koop aanbieden, uitstallen, tentoonstellen, verkopen, afleveren of voorhanden of in voorraad hebben van een waar. Gelet op artikel 1, derde lid, van de Warenwet is van ‘voorhanden of in voorraad hebben’ sprake in geval het technisch voortbrengsel (lees: het attractie- of speeltoestel) voor aflevering dan wel gebruik bestemd is. Ten aanzien van één type toestel kunnen er meerdere importeurs zijn die een exemplaar van dat toestel voor het eerst verhandelen.
Verder is de verhuurder gedefinieerd als een natuurlijke persoon of rechtspersoon die attractie- of speeltoestellen in Nederland verhuurt. Het gaat hier om het verhuren van attractie- of speeltoestellen ongeacht of dit tegen betaling dan wel om niet geschiedt, zodat ook het uitlenen, leasen of het gratis ter beschikking stellen van attractie- of speeltoestellen hieronder vallen.
Tot slot is de distributeur gedefinieerd. Dit betreft een natuurlijke persoon of rechtspersoon in de toeleveringsketen van attractie- of speeltoestellen, verschillend van de fabrikant, diens gemachtigde of de importeur, die een attractie- of speeltoestel in Nederland verhandelt.
Er zijn bovendien normadressaten waarop bepaalde artikelen uit dit besluit van toepassing zijn, die zich in de zogenoemde gebruiksfase begeven. Dit zijn de beheerder en de huurder. De gebruiksfase is de fase waarin het toestel daadwerkelijk wordt gebruikt.
De beheerder is gedefinieerd als een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in de gebruiksfase over een attractie- of speeltoestel beschikt, anders dan de huurder. In de praktijk zijn dit bijvoorbeeld de exploitant of eigenaar van een attractie- of speeltoestel. De huurder valt hier niet onder. De huurder is in dit besluit gedefinieerd als een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een attractie- of speeltoestel in Nederland huurt, ongeacht of dit tegen betaling dan wel om niet geschiedt.
Het is ten slotte van belang om te benadrukken dat één natuurlijke persoon of rechtspersoon verschillende rollen kan hebben. Zodra bijvoorbeeld een importeur zich niet langer in de verhandelingsfase bevindt en over een toestel beschikt in de gebruiksfase, dan gaan de verplichtingen uit dit besluit gelden die van toepassing zijn op de normadressaat die over een toestel beschikt in de gebruiksfase. Met andere woorden: diegene is in dat geval niet langer importeur, maar beheerder als bedoeld in dit besluit.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Warenwet kunnen naast roerende zaken ook onroerende zaken ‘waren’ zijn als bedoeld in de Warenwet, mits deze onroerende zaken bij algemene maatregel van bestuur als ‘waren’ zijn aangewezen. Deze bepaling is vooral van belang voor waren die aangemerkt worden als technische voortbrengselen, zoals attractie- en speeltoestellen. Dergelijke waren kunnen, terwijl zij in eerdere fasen van de handelsfase nog roerende zaken zijn, onder omstandigheden in de gebruiksfase, maar zelfs in latere stadia van de handelsfase, door hun installatie in een gebouw of duurzame vereniging met de grond, tot onroerende zaak worden. In onderhavig besluit worden niet alleen eisen gesteld aan attractie- en speeltoestellen in de handelsfase maar tevens in de gebruiksfase. In artikel 2 van dit besluit worden derhalve, ten behoeve van de helderheid over de reikwijdte van dit besluit, attractie- en speeltoestellen die onroerend zijn (geworden) expliciet aangewezen.
Een aantal categorieën attractie- en speeltoestellen zijn in artikel 3, eerste lid, van dit besluit uitgezonderd. Toestellen die uitsluitend bestemd zijn om buiten Nederlands grondgebied te worden gebruikt (onderdeel a), hoeven niet te voldoen aan dit besluit. Hieronder vallen niet de rondreizende kermistoestellen die zo nu en dan Nederland aandoen.
Kleine door elektrische energie aangedreven attractietoestellen bestemd voor de voortbeweging van maximaal drie kinderen, waarvan de basis tijdens de aandrijving niet van plaats verandert, zoals men die bijvoorbeeld in winkelcentra tegen kan komen, zijn tevens van dit besluit uitgezonderd (onderdeel b). Deze zogenaamde ‘kiddy rides’ komen weliswaar in beweging, maar blijven op dezelfde plaats staan (stationair). Ze kunnen zich niet vrij door de ruimte bewegen. Ze blijven staan op de plek waar ze zijn neergezet. Op grond van het Warenwetbesluit elektrisch materiaal is de veiligheid van deze toestellen afdoende geregeld. Dit in tegenstelling tot zogenaamde ‘Mini cars’, zoals bijvoorbeeld kleine autootjes die zich vrij rond kunnen bewegen over een baan. De bestuurder bepaalt de route die wordt afgelegd over de baan. ‘Mini cars’ vallen wel onder dit besluit.
Daarnaast zijn de zogenaamde bouwspeelplaatsen, waar kinderen onder toezicht zelf constructies bouwen en daarmee spelen eveneens van dit besluit uitgezonderd (onderdeel c).
Met deze artikelen is het vervaardigen, verhandelen, gebruiken of ten aanzien van attractie- of speeltoestellen handelen, anders dan met inachtneming van de bij of krachtens dit besluit gestelde voorschriften aangewezen als verboden, zodat overtreding daarvan bestraft kan worden met een bestuurlijke boete. Hiervoor wordt de bijlage bij het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten aangevuld met een nieuwe rubriek.
Voor de duidelijkheid zij opgemerkt dat onder ‘gebruiken’ in deze bepaling niet wordt verstaan: het gebruik van attractie- of speeltoestellen bij het spelen.
Dit artikel stelt een algemene veiligheidseis voor attractie- en speeltoestellen. Het toestel mag geen gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van personen opleveren. Onder ‘personen’ wordt in ieder geval verstaan: werknemers, het publiek dat gebruik maakt van het toestel en omstanders. Er moet bijvoorbeeld voorkomen worden dat omstanders worden getroffen door uitzwaaiende onderdelen van een toestel.
Behalve de bescherming van de veiligheid wordt ook de bescherming van de gezondheid genoemd. Hierbij kan men denken aan de grote en abrupte versnellingen op het lichaam, die bij sommige attractietoestellen kunnen optreden, zonder dat sprake is van een ongeval. Bij het gebruik van speeltoestellen kan de blootstelling aan chemische stoffen (bijvoorbeeld houtconserveringsmiddelen) en biologische verontreiniging (bijvoorbeeld zandbakken) een rol spelen.
De algemene veiligheidseis wordt in bijlage I van dit besluit nader uitgewerkt op hoofdlijnen. Deze bijlage geeft een lijst met veiligheidsvoorschriften voor het ontwerp en de vervaardiging. De fabrikant dient mogelijke gevaarvolle gebruikssituaties grondig te analyseren en is verplicht de benodigde preventieve voorzieningen te treffen. Hierbij moet worden uitgegaan van een redelijkerwijs te verwachten gebruik door het publiek. Met de omschrijving ‘redelijkerwijs te verwachten gebruik’ wordt een gebruik bedoeld dat verder gaat dan ‘gebruik volgens de gebruiksaanwijzing’. Dit betekent dat bij het ontwerp van een toestel rekening moet worden gehouden met het gedrag van het publiek dat in de praktijk kan worden waargenomen, bijvoorbeeld het spelgedrag van kinderen met speeltoestellen. Het publiek baseert zijn gedrag daarbij op de eigen inschattingen van de risico's. De term ‘redelijkerwijs’ is in de omschrijving opgenomen om aan te duiden dat excessief risicovolle gedragingen hier niet onder vallen.
De bijlage geeft tevens een uitgebreid overzicht van de in acht te nemen gevaaraspecten, alsmede de bij de vervaardiging in acht te nemen procedures.
De verplichtingen uit artikel 5 van dit besluit gelden voor de fabrikant en importeur. Het eerste lid bevat verplichtingen voor de fabrikant ten aanzien van het veilig ontwerpen en vervaardigen van attractie- en speeltoestellen. Uit het tweede lid volgt dat de fabrikant er zorg voor draagt dat attractie- en speeltoestellen voldoen aan de in bijlage I genoemde voorschriften. Uit het derde lid volgt dat de importeur er zorg voor draagt dat de fabrikant die niet in Nederland is gevestigd, het eerste en tweede lid in acht neemt. Hiermee is beoogd ervoor te zorgen dat de importeur alleen maar veilig ontworpen en vervaardigde toestellen invoert.
Daarmee is beter gewaarborgd dat attractie- en speeltoestellen veilig en overeenkomstig de in bijlage I genoemde voorschriften worden ontworpen en vervaardigd.
Bij de in dit artikel genoemde normen kan gedacht worden aan Nederlandse normalisatienormen en de normalisatienormen die in Europees verband zijn ontwikkeld, de zogenoemde NEN en EN-normen. De definitie van het begrip ‘norm’ in artikel 1 is zo ruim, dat ook documenten met specifieke veiligheidseisen die niet door een normalisatie-instituut zijn uitgegeven, kunnen worden aangewezen.
Indien aangewezen normen zijn toegepast bij het ontwerp en de vervaardiging van een attractie- of speeltoestel, levert dit het vermoeden op dat het toestel overeenstemt met de veiligheidseisen van artikel 5, eerste en tweede lid, van dit besluit. Dit vermoeden van overeenstemming is weerlegbaar door de toezichthouder. De toezichthouder kan altijd tegen een toestel optreden, indien zij van mening is dat dit toestel niet overeenstemt met de veiligheidsvoorschriften van het besluit, ook al is het vervaardigd met inachtneming van aangewezen normen. Het vervaardigen met inachtneming van aangewezen normen biedt een fabrikant echter een redelijke zekerheid dat zijn producten voldoen aan de eisen van het besluit.
In de fase van vervaardiging van het toestel moet het toestel voorzien worden van de juiste opschriften of aanduidingen (op de typeplaat). De fabrikant of – indien die niet in Nederland gevestigd is, de importeur – is verantwoordelijk voor het aanbrengen van deze opschriften of aanduidingen.
Op grond van artikel 7, derde lid, wordt een attractietoestel volgens een bij ministeriële regeling te bepalen procedure bij de eerste of eerstvolgende keuring door de aangewezen instelling van een uniek nummer voorzien. Bij ministeriële regeling wordt met betrekking tot de procedure opgenomen dat een attractietoestel dat is voorzien van een certificaat van goedkeuring, door de aangewezen instelling wordt voorzien van een merk van goedkeuring met een uniek nummer.
Op de aangewezen instelling rust primair de verplichting om attractietoestellen te voorzien van unieke nummers. Het unieke nummer wordt door de aangewezen instelling aangevraagd bij de NVWA en vervolgens door die aangewezen instelling toegewezen aan een attractietoestel. Voor attractietoestellen die overeenkomstig het goedgekeurde, typekenmerkende monster zijn vervaardigd, is het wenselijk dat een fabrikant of importeur het unieke nummer op het attractietoestel aanbrengt tijdens het productieproces. In het vijfde lid is daarom een grondslag opgenomen op grond waarvan fabrikanten of importeurs bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden bevoegd kunnen worden verklaard tot het voorzien van dergelijke attractietoestellen van een uniek nummer.
Het unieke nummer bestaat voor attractietoestellen die overeenkomstig het goedgekeurde, typekenmerkende monster zijn vervaardigd uit twee delen: het eerste deel is het door de aangewezen instelling bij de NVWA aangevraagde unieke nummer. De fabrikant voegt het tweede deel toe in de vorm van een serie- of volgnummer. De combinatie van die twee elementen maakt het nummer uniek. In samenspraak met de opdrachtgever kan de fabrikant vooraf al bepalen hoe het serie- of volgnummer eruit moet komen te zien. De fabrikant zorgt ervoor dat het unieke nummer op de juiste wijze op het toestel wordt aangebracht.
In artikel 7, vierde lid, is bepaald dat het unieke nummer door de aangewezen instelling wordt geregistreerd op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze. Daarmee wordt een verplichting geschapen voor de aangewezen instelling om de unieke nummers te registreren in een registratiesysteem. Dit draagt bij aan de voornoemde inspanningen van de toezichthouder, de NVWA, om effectief in te kunnen grijpen in geval van fraude. In het vijfde lid is een grondslag opgenomen om bij ministeriële regeling bepaalde regels nader uit te werken. Zo is, zoals eerder benoemd, een grondslag opgenomen op grond waarvan fabrikanten of importeurs bevoegd kunnen worden verklaard tot het voorzien van attractietoestellen die overeenkomstig het goedgekeurde, type kenmerkende monster zijn vervaardigd, van een uniek nummer.
Het voorhanden zijn van een technisch constructiedossier maakt de beoordeling van de deugdelijkheid van het toestel en van de kwaliteit van de daarin toegepaste materialen en beveiligingsvoorzieningen mogelijk met niet-destructieve onderzoeksmethoden. Het technisch constructiedossier dient te voldoen aan de eisen uit bijlage II. Naast de technische gegevens en tekeningen dienen ook een beschrijving van de gevaren van het toestel en de gebruiksaanwijzing deel uit te maken van het technisch constructiedossier. Voor typegoedgekeurde toestellen dient tevens een gedetailleerd fabricageplan en een beschrijving van het gehanteerde kwaliteitsborgingssysteem te zijn opgenomen, zodat de naar het type kenmerkende monster vervaardigde toestellen of voor de veiligheid relevante onderdelen hier ook daadwerkelijk mee overeenstemmen. Ten aanzien van bijvoorbeeld het bungy jumpen houden de bepalingen in dat de springprocedure als gebruiksaanwijzing en de kwaliteitsborging van de te produceren bungy's onderdeel zijn van het technisch constructiedossier.
Het technisch constructiedossier dient in ieder geval aanwezig te zijn bij de eerste keuring van een nieuw attractie- of speeltoestel. Hoewel het complete technisch constructiedossier slechts eenmalig wordt beoordeeld (artikel 11), kan het bij een tweede en daaropvolgende keuring als achtergrondinformatie worden gebruikt. De termijn waarbinnen de technische constructiedossiers dienen te worden bewaard is om die reden langer voor attractietoestellen dan voor speeltoestellen, omdat voor speeltoestellen over het algemeen slechts één keuring verplicht is.
De verplichtingen uit dit artikel gelden voor de fabrikant of, indien van toepassing, diens gemachtigde en de importeur. In het oude artikel 7, eerste lid, WAS, was opgenomen dat naast de fabrikant, ook diens gemachtigde een technisch constructiedossier kan opstellen. Dit betreft een omissie. Uit artikel R3 van Besluit 768/2008 volgt immers dat de gemachtigde niet gerechtigd is om een technisch constructiedossier op te stellen. Dit is hersteld in het huidige artikel 8, eerste lid, WAS 2022. In het tweede lid is – ter bevordering van de handhaving – opgenomen dat de fabrikant of, indien van toepassing, de gemachtigde het technisch constructiedossier, bedoeld in dat artikel, ook ter beschikking houdt van de toezichthouder, de NVWA, en de aangewezen instelling. In het vierde lid is bepaald dat het tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing zijn op speeltoestellen, met dien verstande dat de bewaartermijn, bedoeld in het tweede lid, beperkt is tot twintig jaar na de laatste productie van het speeltoestel. In het oude artikel 7, tweede lid, WAS, was opgenomen dat de bewaartermijn is beperkt tot tien jaar na de laatste verhandeling. Het is voor de fabrikant echter niet altijd mogelijk te achterhalen wanneer een door hem geproduceerd toestel voor het laatst is verhandeld. De fabrikant weet wel wanneer het laatste toestel van een bepaald type is geproduceerd. Door de bewaartermijn te koppelen aan de laatste productie van het speeltoestel kan de fabrikant eenvoudiger aan het bepaalde voldoen.
Ingeval een attractie- of speeltoestel voor eigen gebruik rechtstreeks wordt gekocht bij een in het buitenland gevestigde leverancier, moet op grond van het vijfde lid contractueel worden bedongen dat de leverancier van het toestel een technisch constructiedossier overeenkomstig bijlage II, ter beschikking houdt van een aangewezen instelling, tenzij de leverancier aan de eigenaar, als importeur van het toestel, tevens een technisch constructiedossier levert.
Verder is in het zesde lid een grondslag gecreëerd op grond waarvan bij ministeriële regeling eisen gesteld kunnen worden aan de keuringsrapportages, bedoeld in het tweede lid. In de huidige praktijk brengen aangewezen instellingen sterk in inhoud en kwaliteit verschillende keuringsrapportages uit. In de ministeriële regeling kan een uitwerking van hetgeen een keuringsrapportage moet bevatten worden voorgeschreven.
Attractie- en speeltoestellen worden verplicht gekeurd door een aangewezen instelling vóórdat ze verhandeld mogen worden of vóórdat ze in gebruik genomen mogen worden in Nederland. De aangewezen instelling kan verschillende soorten keuringen uitvoeren. Een typekeuring betreft een eerste keuring (ook wel nieuwbouwkeuring genoemd) van een typekenmerkend monster van een in serie geproduceerd toestel. Wanneer het typekenmerkende monster is goedgekeurd wordt door de aangewezen instelling een certificaat van goedkeuring en een merk van goedkeuring afgegeven. De fabrikant of importeur brengt vervolgens zelf het merk van goedkeuring aan op de in serie geproduceerde toestellen die overeenkomstig het goedgekeurde, type kenmerkende monster zijn vervaardigd.
Uit artikel 9, eerste lid, volgt dat attractie- en speeltoestellen die overeenkomstig het typekenmerkende monster zijn vervaardigd, vóór verhandeling in Nederland worden goedgekeurd door een aangewezen instelling. Het gaat hier om verhandelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, en het derde lid, van de Warenwet.
Daarnaast voert de aangewezen instelling zogenoemde stukskeuringen uit. Dit betreft een eerste keuring van een toestel dat individueel gekeurd wordt. Deze attractie- en speeltoestellen moeten – gelet op het tweede lid – in ieder geval goedgekeurd worden door een aangewezen instelling, vóórdat deze toestellen in gebruik worden genomen. Dit geldt bijvoorbeeld voor toestellen die alleen ter plaatse gekeurd kunnen worden. In dit geval geeft de aangewezen instelling ook een certificaat van goedkeuring af en een merk van goedkeuring. In tegenstelling tot de typekeuring, waarbij de fabrikant of importeur het merk van goedkeuring mag aanbrengen, wordt in dit geval het toestel door de aangewezen instelling voorzien van een merk van goedkeuring.
Dit onderscheid ten aanzien van het moment van keuren tussen enerzijds attractie- en speeltoestellen die overeenkomstig het typekenmerkende monster zijn vervaardigd en anderzijds toestellen die individueel gekeurd worden, sluit aan bij de uitvoeringspraktijk.
Uit het derde lid volgt verder dat bij de eerste keuring van attractietoestellen van een eenvoudig ontwerp en de (eenmalige) keuring van speeltoestellen kan worden volstaan met de keuring van het type kenmerkend monster. Bij de tweede en daaropvolgende keuringen dient een attractietoestel van een eenvoudig ontwerp altijd individueel te worden gekeurd. Alle andere attractietoestellen dienen zowel bij de eerste keuring als bij alle daaropvolgende keuringen individueel te worden gekeurd.
In het vierde en vijfde lid zijn grondslagen opgenomen op grond waarvan bij ministeriële regeling regels gesteld kunnen worden over het periodiek keuren van alle attractie- en speeltoestellen. De opvolgende keuringen na de eerste keuring, zijn de zogenoemde periodieke keuringen die in de gebruiksfase worden uitgevoerd. De periodieke keuring van speeltoestellen zal niet voor alle speeltoestellen gelden. Bij ministeriële regeling zullen nadere regels worden gesteld aan de typen speeltoestellen die periodiek moeten worden gekeurd en welk keuringsregime daarbij wordt toegepast.
De keuringsverplichting, die volgt uit dit artikel geldt ook voor de niet-fabrieksmatig geproduceerde speeltoestellen. Het gaat in dat geval om zelfgebouwde speeltoestellen door bijvoorbeeld ouderverenigingen, reclasseringsprojecten en penitentiaire inrichtingen. Aangezien deze toestellen veelal niet in serie worden vervaardigd, is een typekeuring niet van toepassing en zullen al deze toestellen individueel moeten worden gekeurd.
Artikel 10, eerste lid, heeft betrekking op de eerste keuring van een attractie- of speeltoestel; ofwel de eerste keer dat een dergelijk toestel wordt gekeurd. Een toestel mag uitsluitend bij één aangewezen instelling voor keuring worden aangeboden. Dit om te voorkomen dat ingeval een toestel niet wordt goedgekeurd, een andere aangewezen instelling hetzelfde attractie- of speeltoestel wél goedkeurt. Een keuring bij een andere aangewezen instelling mag overigens wel worden aangevraagd, indien voornoemd toestel ingrijpend is gewijzigd (zie artikel 15). Na het verstrijken van de geldigheidstermijn van het certificaat of merk van goedkeuring, staat de keuze voor een andere aangewezen instelling voor de tweede of daaropvolgende keuring uiteraard vrij.
Uit artikel 10, tweede lid, volgt dat, indien de fabrikant, gevestigd in een derde land of een andere lidstaat van de Europese Unie, reeds een eerste keuring van een attractie- of speeltoestel heeft laten uitvoeren en een certificaat van goedkeuring heeft overgelegd aan de importeur, de importeur vervolgens verifieert of het overgelegde certificaat rechtmatig en conform dit besluit is afgegeven en of dat certificaat bij het geleverde attractie- of speeltoestel hoort. In aanvulling hierop is in het derde lid opgenomen dat, indien blijkt dat het in het tweede lid overgelegde certificaat niet conform dit besluit is afgegeven of niet bij het geleverde toestel hoort, de importeur de aanvraag van een eerste keuring van een attractie- of speeltoestel indient bij slechts één aangewezen instelling. Met deze artikelleden wordt het tegengaan van fraude met certificaten beoogd. In het vierde lid is bepaald dat ook, indien een attractie- of speeltoestel alleen ter plaatse kan worden gekeurd vanwege plaatsgebonden veiligheidsaspecten, de aanvraag van een eerste keuring van dat toestel ingediend bij slechts één aangewezen instelling. Het vierde lid is onder meer van toepassing op speeltoestellen die alleen ter plaatse – voor de eerste keer – gekeurd kunnen worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de speeltoestellen in indoorspeelhallen. De losse speeltoestellen van een indoorspeelhal kunnen reeds afzonderlijk gekeurd zijn. Los daarvan vindt op basis van artikel 10, vierde lid, een keuring plaats van de indoorspeelhal als geheel.
De aanvraag van een keuring omvat een aantal gegevens, waaronder de plaats waar het attractie- of speeltoestel is vervaardigd en het technisch constructiedossier. De plaats waar het toestel is vervaardigd, is de plaats waar het toestel is samengesteld en gebruiksklaar is gemaakt. Op grond van artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dient eveneens de naam en het adres van de aanvrager te worden vermeld. Het technisch constructiedossier dient slechts te worden overlegd bij de eerste keuring van een attractie- of speeltoestel. Indien de eigenaar of houder van het toestel dit voor eigen gebruik rechtstreeks heeft betrokken bij een buitenlandse leverancier, kan hij bij de eerste keuring van het toestel volstaan met de opgave van naam en adres van de buitenlandse leverancier, waar het technisch constructiedossier beschikbaar is voor de aangewezen instelling. Zoals in artikel 11 bepaald, is de beoordeling van het technisch constructiedossier alleen een onderdeel van de eerste keuring. Het adres waar het technisch constructiedossier beschikbaar wordt gehouden voor de aangewezen instelling dient wel bij iedere keuring te worden opgegeven.
Tot slot is in het zevende lid een grondslag opgenomen op grond waarvan bij ministeriële regeling afgeweken kan worden van het eerste, derde, vierde en vijfde lid. Op grond hiervan zal bij ministeriële regeling worden bepaald dat van voornoemde artikelleden kan worden afgeweken in verband met de, door de NVWA uit te voeren, zogenoemde benchmarktest. Een benchmarktest wordt uitgevoerd door de NVWA, door middel van het laten keuren van eenzelfde toestel door meerdere aangewezen instellingen. Door de testresultaten van de verschillende aangewezen instellingen met elkaar te vergelijken, worden eventuele verschillen in interpretaties van het WAS 2022 opgespoord en geëvalueerd. Aangezien het aanbieden van één toestel bij verschillende aangewezen instellingen strijdig is met voornoemde artikelleden is het nodig om bij ministeriële regeling te kunnen bepalen dat ten behoeve van het uitvoeren van de benchmarktest, hiervan kan worden afgeweken. Deze afwijking is gerechtvaardigd, omdat het doel van het testen via een benchmarktest het vergelijken is van keuringen en niet om verschillende keuringen te laten verrichten om een meer wenselijk resultaat te behalen.
De aangewezen instelling onderzoekt bij iedere keuring het attractie- of speeltoestel. Op de aangewezen instelling rust voorts de verplichting om bij de eerste keuring te onderzoeken of het technisch constructiedossier is vervaardigd overeenkomstig bijlage II (WAS 2022) en om bij de eerste keuring te beoordelen of het attractie- of speeltoestel is vervaardigd overeenkomstig dat dossier en bijlage I (WAS 2022). Dit volgt uit artikel 11, eerste lid. De aangewezen instelling zal het toestel moeten testen om vast te stellen of het voldoet aan de algemene veiligheidseisen van het WAS 2022. Bijlage I is hierbij van toepassing. Dit betekent dat wordt onderzocht of de bij het ontwerp en vervaardiging te verwerken veiligheidsbeginselen daadwerkelijk zijn toegepast, of rekening is gehouden met de relevante gevaarsaspecten en of bij de vervaardiging van het toestel de voorgeschreven procedures in acht zijn genomen. Op grond van het vierde lid onderzoekt de aangewezen instelling tevens of de eventuele toepassing van krachtens artikel 6 aangewezen normen correct is gebeurd. Indien op grond van artikel 6, eerste lid, nadere voorschriften zijn gegeven, wordt tevens nagegaan of het toestel hieraan voldoet.
Het tweede en derde lid bevatten voorschriften over het al dan niet opnieuw beoordelen van een technisch constructiedossier bij een tweede of daaropvolgende periodieke keuring. In principe is dit niet vereist. Slechts bij een volgende keuring van een op basis van een typekenmerkend monster geproduceerd toestel wordt daarvoor gekozen.
Op grond van artikel 12, eerste lid, wordt, nadat een keuring heeft plaatsgevonden, voor een attractie- of speeltoestel door de aangewezen instelling een certificaat van goedkeuring afgegeven, indien dat toestel naar het oordeel van de aangewezen instelling voldoet aan de in de artikelen 5 tot en met 7 en 8, eerste lid, gestelde voorschriften. Attractie- of speeltoestellen die overeenkomstig het goedgekeurde, typekenmerkende monster zijn vervaardigd en die gekeurd zijn overeenkomstig artikel 9, derde lid, worden door de fabrikant dan wel importeur zonder nadere keuring van een merk van goedkeuring voorzien. Dit volgt uit artikel 12, tweede lid.
Overige attractie- en speeltoestellen waarvoor een certificaat van goedkeuring is afgegeven, worden op grond van het derde lid door de aangewezen instelling voorzien van een merk van goedkeuring.
Voor attractietoestellen worden de conclusies van de keuring die relevant zijn voor het beheer en de datum voor wanneer uiterlijk een nieuw certificaat of merk van goedkeuring afgegeven moet zijn door de aangewezen instelling op schrift gesteld en verstrekt aan de aanvrager. Naast de aanwezigheid van een certificaat of merk van goedkeuring geven deze gegevens nadere informatie over de veiligheid van het toestel. De toezichthoudende ambtenaren kunnen hiervan gebruik maken. Ook voor speeltoestellen moet een bij het desbetreffende toestel behorende, zogenoemde keuringsrapportage worden opgesteld. Deze keuringsrapportage dient beschikbaar te zijn en hoeft niet per se bij het speeltoestel zelf aanwezig te zijn.
De beslissing op de aanvraag en de geldigheidsduur van certificaten van goedkeuring worden door de aangewezen instelling gemeld aan de NVWA. Op basis van deze gegevens kan waar nodig gericht toezicht worden gehouden. Tevens doet een aangewezen instelling die het afgeven van een certificaat of merk van goedkeuring weigert, hiervan mededeling aan de overige aangewezen instellingen en de NVWA. Hiermee wordt voorkomen dat een andere aangewezen instelling in zo'n geval te goeder trouw een verzoek tot aanvraag van een keuring in behandeling zou nemen.
Artikel 15 schept verplichtingen voor de fabrikant, importeur, de verhuurder dan wel de beheerder. Elke ingrijpende wijziging of reparatie van een attractie- of speeltoestel dient op grond van het eerste lid onverwijld te worden gemeld door voornoemde normadressaten aan de aangewezen instelling die het toestel of het typekenmerkend monster in oorspronkelijke staat heeft gekeurd. Dit dient te gebeuren door de fabrikant, importeur, verhuurder dan wel beheerder, die het attractie- of speeltoestel onder zich heeft op het moment van de ingrijpende wijziging of reparatie. Uit het tweede lid volgt dat, indien de taken waarvoor de aangewezen instelling is aangewezen, zijn beëindigd, de fabrikant, importeur, verhuurder dan wel beheerder, indien van toepassing, diens opvolger, of een andere aangewezen instelling, die het attractie- of speeltoestel of het typekenmerkend monster daarvan heeft gekeurd, onverwijld in kennis stelt van elke ingrijpende wijziging of reparatie van dat toestel. Een wijziging is een maatregel waarbij de originele staat van het toestel niet wordt hersteld of de vervanging van bestaande onderdelen door onderdelen met een afwijkende maat of vorm. De vervanging van verwisselbare onderdelen of componenten is geen wijziging, als dit deel uitmaakt van het originele ontwerp van het toestel. De volgende wijzigingen kunnen bijvoorbeeld worden beschouwd als ingrijpende wijzigingen, indien zij het veiligheidsniveau van het toestel beïnvloeden of consequenties hebben voor de gezondheid:
– opvoeren van de werklast of het opvoeren van de prestatie;
– opvoeren van de vastgestelde snelheden;
– opvoeren van het bereik (uitzwaai; hefhoogte, etc.);
– verandering aan de beveiligingsmiddelen;
– verandering aan de lastdragende onderdelen;
– verandering aan de aandrijfmechanismen;
– verandering aan het bedieningsmechanisme.
Het combineren van verschillende structurele en mechanische onderdelen is geen ingrijpende wijziging als het deel uitmaakt van het oorspronkelijke ontwerp en onderzocht en gekeurd is bij de eerste keuring of typekeuring van het toestel.
Een reparatie is een maatregel waardoor de oorspronkelijke staat van een toestel wordt hersteld door herbouw of vervanging van de bestaande onderdelen of units. Als essentiële onderdelen met een veiligheidsfunctie worden herbouwd of vervangen, is dit te beschouwen als een ingrijpende reparatie. Dit is met name het geval bij:
– remmen;
– beveiligingsmiddelen, vanginstallaties en terugloopremmen;
– schokdempers;
– snelheidsbegrenzers;
– lastdragende delen;
– aandrijfmechanismen;
– bedieningsmechanismen.
Uit het derde lid volgt dat de aangewezen instelling de in het eerste of tweede lid bedoelde wijziging of reparatie beoordeelt op effecten voor de veiligheid of gezondheid van personen en de fabrikant, importeur verhuurder dan wel beheerder, bedoeld in het eerste lid, op de hoogte stelt van het oordeel. Op de aangewezen instelling rust derhalve een inlichtingenplicht. Indien de aangewezen instelling tot het oordeel is gekomen dat de in het eerste of tweede lid bedoelde wijziging of reparatie van het attractie- of speeltoestel de veiligheid of gezondheid van personen negatief kan beïnvloeden, vervalt de geldigheid van het betreffende certificaat en dient degene die de aangewezen instelling in kennis heeft gesteld, overeenkomstig artikel 10 een nieuwe aanvraag in van een keuring van het attractie- of speeltoestel. Dit volgt uit het nieuwe artikel 15, vierde lid. Bij deze keuring kan de beoordeling van het toestel zich beperken tot een beoordeling van de aangebrachte wijziging of reparatie. Voor het technisch constructiedossier betekent dit dat ten behoeve van de keuring alleen gegevens en informatie met betrekking tot de wijziging of reparatiehoeven worden aangeleverd. Op grond van het vijfde lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot het verlenen van een certificaat van goedkeuring na de keuring, bedoeld in het vierde lid, van attractie- of speeltoestellen die overeenkomstig het goedgekeurde, het typekenmerkende monster zijn vervaardigd. Indien bijvoorbeeld een type gekeurd exemplaar van een attractie- of speeltoestel wordt voorzien van een nieuw onderdeel vanwege slijtage of vandalisme en op grond van artikel 15 opnieuw gekeurd moet worden, kan dat specifieke toestel een nieuw certificaat van goedkeuring krijgen van de aangewezen instelling. Als later blijkt dat het toestel een ontwerp tekortkoming kent als gevolg waarvan het typecertificaat komt te vervallen, heeft het eerdergenoemde toestel echter een nieuw certificaat gekregen en valt het op dat moment niet meer onder de (vervallen) typecertificaat terwijl het toestel dezelfde tekortkoming heeft. Dat is onwenselijk. Op grond van het vijfde lid kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat de aangewezen instelling in een dergelijk geval geen nieuw certificaat hoeft af te geven en dat bij de keuring van het herstelde exemplaar kan worden volstaan met een aantekening in de administratie onder het bestaande typecertificaat.
Elk attractie- en speeltoestel moet worden vergezeld van een Nederlandstalige gebruiksaanwijzing als bedoeld in het eerste lid. De fabrikant draagt er op grond van artikel 16, tweede lid, zorg voor dat een attractie- en speeltoestel vergezeld gaat van een dergelijke gebruiksaanwijzing. De gebruiksaanwijzing beoogt het veilig gebruik en onderhoud van het toestel. De gebruiksaanwijzing dient tenminste te zijn gesteld in de Nederlandse taal, zodat de eigenaar of houder van het toestel bij het opvolgen van de aanwijzingen uit de gebruiksaanwijzing niet kan worden belemmerd door taalproblemen. De gebruiksaanwijzing dient alle relevante informatie te geven die een veilig gebruik van het toestel mogelijk maakt. Hierbij richt de gebruiksaanwijzing zich op alle momenten in de gebruiksfase: installatie, montage, gebruik, inspectie en onderhoud. Het demonteren van een toestel valt hier eveneens onder, indien het deel uitmaakt van de gebruiksfase. Bijvoorbeeld bij kermistoestellen zal dit het geval zijn. De voor reguliere inspecties (bijvoorbeeld opstellingsinspecties op kermissen) benodigde informatie en controlelijsten dienen in de gebruiksaanwijzing aanwezig te zijn. De beschrijving van de correcte springprocedure bij het elastiekspringen wordt als onderdeel van de gebruiksaanwijzing beschouwd. De gebruiksaanwijzing is tevens een onderdeel van het technisch constructiedossier en wordt betrokken bij de keuring op grond van artikel 9.
Tot slot is in het derde lid van artikel 16 een grondslag opgenomen om bij ministeriële regeling nadere regels te kunnen stellen over veiligheidsinstructies, waarschuwingen en andere relevante informatie op attractie- of speeltoestellen. Op grond hiervan kunnen – ten behoeve van de bevordering van de veiligheid van attractie- en speeltoestellen – bij ministeriële regeling regels worden gesteld over het zichtbaar plaatsen van gebruiksvereisten op die toestellen.
In dit artikel is de verplichting neergelegd voor de verhuurder dan wel de beheerder van een attractie- of speeltoestel om te beschikken over een certificaat van goedkeuring van een aangewezen instelling. Dit moet een certificaat zijn dat ook daadwerkelijk bij het betreffende attractie- of speeltoestel hoort. Indien het certificaat een datum vermeld voor wanneer uiterlijk een nieuw certificaat moet zijn afgegeven, mag die datum niet reeds verstreken zijn. Bovenstaande betekent dat een verhuurder dan wel beheerder van een attractie- of speeltoestel die geen certificaat van goedkeuring van een aangewezen instelling kan overleggen geen toegang heeft tot de Nederlandse markt. De verhuurder dan wel beheerder moet in dat geval eerst een certificaat verkrijgen van een aangewezen instelling volgens de procedures en vereisten van het WAS 2022.
In dit artikel is de verplichting opgenomen voor distributeurs en importeurs om erop toe te zien dat attractietoestellen, alvorens te verhandelen, zijn voorzien van een uniek nummer. Ook moet de distributeur dan wel de importeur erop toezien dat voor het toestel, indien van toepassing, een certificaat van goedkeuring is afgegeven, dat het toestel voorzien is van een technisch constructiedossier en dat het toestel vergezeld gaat van een Nederlandse gebruiksaanwijzing. Indien van toepassing, omdat attractietoestellen, bedoeld in artikel 9, tweede lid, pas gekeurd hoeven te worden vóór ingebruikname. Voor dergelijke toestellen is derhalve voor het verhandelen ervan in bepaalde gevallen nog geen certificaat van goedkeuring afgegeven. Een certificaat van goedkeuring dient bij het toestel aanwezig te zijn. Een technisch constructiedossier moet weliswaar beschikbaar zijn, maar hoeft niet fysiek bij het attractie- of speeltoestel beschikbaar te zijn. Hiermee is beoogd ervoor te zorgen dat distributeurs en importeurs alleen maar veilig ontworpen en vervaardigde toestellen verhandelen.
De distributeur moet aanspreekbaar zijn op deze verantwoordelijkheden. Daarnaast moet de importeur toezien op dezelfde punten, omdat hij doorgaans de eerste is die een attractie- of speeltoestel voorhanden heeft op het moment dat het toestel onder het WAS 2022 komt te vallen. De importeur kan toestellen importeren met het oogmerk ze door te verkopen. Het is verboden een toestel te verhandelen dat niet aan de eisen van dit besluit voldoet (artikel 4).
In het eerste lid van artikel 19 is opgenomen dat de verhuurder dan wel beheerder er zorg voor draagt dat een attractie- of speeltoestel zodanig is geïnstalleerd, gemonteerd, gedemonteerd wordt, is beproefd, geïnspecteerd, onderhouden en van opschriften is voorzien, dat bij gebruik geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid van personen bestaat. Deze verantwoordelijkheid rustte in het WAS op degene die een attractie- of speeltoestel voorhanden heeft. Die formulering leidde ertoe dat huurders van attractie- en speeltoestellen een ongewenst grote verplichting kregen. Tegelijkertijd bleken verhuurders door die formulering niet aanspreekbaar. Dat is onwenselijk, omdat verhuurders er met onder meer instructies, onderhoud, een goede plaatsing en montage of met ondersteuning daarbij ervoor kunnen zorgen dat het verhuurde toestel bij gebruik veilig is en geen gevaar oplevert. Daarom is in het WAS 2022 duidelijk verwoord dat de zogenaamde ‘beheersverplichting’ rust op de verhuurder en de beheerder.
Daarnaast is aan deze verplichting toegevoegd dat de beheerder en verhuurder niet alleen zorg dragen voor een goede installatie en montage, maar ook voor een deugdelijke demontage. Dat is van belang bij toestellen die later opnieuw geïnstalleerd en gemonteerd worden.
Uit artikel 19, tweede lid volgt dat de verhuurder dan wel de beheerder met een actueel dossier aantoont dat aan het eerste lid is voldaan. Daarnaast is het eerste lid niet van toepassing, indien een attractie- of speeltoestel hetzij afgekeurd is, hetzij onklaar gemaakt, hetzij anderszins kennelijk niet meer voor gebruik bestemd is. Dit komt in het derde lid van artikel 19 tot uitdrukking.
Tot slot is in artikel 19, vierde lid een grondslag opgenomen om bij ministeriële regeling nadere regels te kunnen stellen met betrekking tot het installeren, monteren, demonteren, beproeven, inspecteren, onderhouden en van opschriften voorzien van attractie- of speeltoestellen, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 20 bepaalt dat de beheerder dan wel de verhuurder de in artikel 13 bedoelde documenten, die voor de eerste keuring van een attractie- of speeltoestel zijn afgegeven, bewaart gedurende de levensduur van het toestel. Voor zover het keuringen daarna betreft moeten de documenten tenminste bewaard worden tot keuringsdocumenten van de volgende keuring afgegeven zijn. Deze verplichting rustte in het WAS op degene die het attractie- of speeltoestel voorhanden heeft. Die formulering leidde ertoe dat huurders van attractie- en speeltoestellen een ongewenst grote verplichting kregen. Daarom is in het WAS 2022 duidelijk verwoord dat de hier bedoelde bewaarplicht rust op de verhuurder en de beheerder.
De verhuurder, huurder dan wel de beheerder van een attractie- of speeltoestel dat is voorzien van een merk van afkeuring, dient er voor te zorgen dat dit toestel niet meer kan worden gebruikt door het publiek. Deze verplichting rustte in het WAS op degene die het attractie- of speeltoestel voorhanden heeft. Die formulering leidde er onbedoeld toe dat verhuurders van verhuurde attractie- en speeltoestellen niet aangesproken konden worden op deze verplichting. Daarom is in het WAS 2022 duidelijk verwoord dat de hier bedoelde plicht niet alleen rust op de huurder en de beheerder, maar ook op de verhuurder.
Toestellen die niet voldoen aan dit besluit, mogen wel worden gedemonstreerd op tentoonstellingen, mits duidelijk wordt aangegeven dat deze toestellen niet mogen worden verhandeld of door middel van lease-overeenkomsten in het verkeer mogen worden gebracht, voordat ze wel voldoen aan de voorschriften van dit besluit.
In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat de huurder dan wel de beheerder de NVWA en, indien van toepassing, de verhuurder onverwijld in kennis stelt van elk ernstig ongeval dat plaatsvindt met het attractie- of speeltoestel. Van een ernstig ongeval is in ieder geval sprake wanneer het ongeval een dodelijke afloop heeft, er (blijvend) letsel is aan een persoon of indien het ongeval leidt tot onmiddellijke ziekenhuisopname voor andere doeleinden dan medische controle. Overigens kunnen ook bijna-ongelukken, ongelukken met een minder ernstige afloop of haperende techniek meldenswaardig zijn, omdat daardoor gevaarlijke en onverwachte situaties kunnen ontstaan. Uiteraard geldt in die gevallen geen meldingsplicht op grond van artikel 23, eerste lid. Deze meldplicht draagt bij aan de mogelijkheid om incidenten te analyseren. Op basis van de analyses kan in kaart worden gebracht wat risicovolle omstandigheden zijn. Op grond van die kennis kan proactief worden gewerkt aan het verder terugdringen van gevaar voor de gezondheid of veiligheid van personen. In het tweede lid van artikel 23 is een grondslag opgenomen om bij ministeriële regeling nadere regels te kunnen stellen aan de meldingen, bedoeld in het eerste lid.
Deze artikelen hebben betrekking op de (aanwijzing van) aangewezen instellingen. In artikel 27, tweede lid, is bepaald dat een aanvraag tot aanwijzing kan worden geweigerd en een aanwijzing kan worden geschorst, gewijzigd of ingetrokken, indien niet of niet volledig is voldaan aan de bij de wet of bij of krachtens dit besluit gestelde voorschriften. Van deze bevoegdheden kan bijvoorbeeld gebruik gemaakt worden wanneer blijkt dat de aangewezen instelling niet (meer) voldoet aan de voorwaarden voor aanwijzing uit artikel 24 van dit besluit. Hiermee zijn voldoende mogelijkheden beschikbaar om op een proportionele manier te reageren, indien een aangewezen instelling niet meer voldoet aan de bij de wet of bij of krachtens dit besluit gestelde voorschriften. In artikel 27, derde lid, is voorts bepaald dat een aanwijzing kan worden ingetrokken indien de aangewezen instelling gedurende een aaneengesloten periode van twee jaar geen werkzaamheden, waarvoor zij is aangewezen, heeft uitgevoerd. Dit is van belang voor het op peil houden van de kennis en vakbekwaamheid omtrent het keuren van toestellen om regelmatig werkzaamheden uit te voeren waarvoor de instelling is aangewezen. Hiermee kan worden voorkomen dat aangewezen instellingen na jaren van stilstand op de oorspronkelijke aanwijzing opnieuw aan de slag gaan. De NVWA kan dan niet beoordelen of de aanwijzing dan nog terecht is.
In artikel 28, eerste lid, is bepaald dat de fabrikant of, indien van toepassing, de importeur, de aangewezen instelling desgevraagd voorziet van het technisch constructiedossier en de keuringsrapportages. De fabrikant en de importeur zijn er derhalve toe gehouden om betreffende dossierstukken aan te leveren zodra de aangewezen instelling hierom verzoekt. Deze aanleverplicht houdt verband met de bewaarplicht van de aangewezen instelling zoals opgenomen in het tweede lid van artikel 28. Op grond hiervan dient de aangewezen instelling voor een attractie- of speeltoestel het technisch constructiedossier en de keuringsrapportage te bewaren zolang dat toestel in gebruik is. Een toestel is niet meer in gebruik zodra het toestel permanent niet meer ter beschikking wordt gesteld aan consumenten. In het derde lid van artikel 28 is voorts bepaald dat, indien de taken, waarvoor de instelling is aangewezen, worden beëindigd, de instelling het technisch constructiedossier en de keuringsrapportages overdraagt aan de NVWA. Daarmee wordt gewaarborgd dat het dossier van een attractie- of speeltoestel compleet en betrouwbaar blijft zolang dat toestel in omloop is en te allen tijde beschikbaar is voor de NVWA. Deze verplichting is alleen noodzakelijk op het moment dat van een attractie- of speeltoestel gebruik wordt gemaakt. Op het moment dat een attractie- of speeltoestel blijvend buiten gebruik wordt gesteld of niet langer voorhanden is, is dit niet langer noodzakelijk.
Op de verhuurder dan wel de beheerder rust op grond van artikel 29, eerste lid, een aangifteplicht ten aanzien van attractietoestellen. Deze verplichting geldt ook ten aanzien van attractietoestellen die slechts tijdelijk in Nederland worden geëxploiteerd. Deze verplichting rustte in het WAS op degene die een attractie- of speeltoestel voorhanden heeft. Die formulering leidde ertoe dat huurders van attractie- en speeltoestellen een ongewenst grote verplichting kregen. Daarom is in het WAS 2022 duidelijk verwoord dat deze aangifteplicht rust op de verhuurder en de beheerder.
Het tweede lid regelt een aangifteplicht voor de beheerder die een attractie- of speeltoestel tijdelijk in Nederland in gebruik heeft.
Uit het derde lid volgt dat, indien degene genoemd in het eerste lid, het attractietoestel, bedoeld in het eerste lid, niet langer in gebruik heeft, diegene hiervan onverwijld aangifte doet bij de NVWA. De bedoelde aan- en afmeldplicht qua eigenaar en/of beheerder is ten behoeve van de verwerking in het Register attractietoestellen en speeltoestellen (hierna: RAS) van de NVWA. Het afmelden heeft betrekking op de verkoop van een toestel, ofwel de overgang naar een andere eigenaar en/of beheerder. In de praktijk komt het voor dat een toestel van eigenaar of beheerder wisselt, zonder dat dit aan de NVWA wordt doorgegeven. Daarmee staat het toestel met een onjuiste eigenaar of beheerder geregistreerd in het RAS. Door de afmeldingsplicht uit het derde lid, wordt dit probleem ondervangen.
Het gelijkgesteld certificaat (voorheen geregeld in het oude artikel 19d WAS) is vanwege het beginsel van wederzijdse erkenning en Verordening (EU) 2019/51512 (hierna: verordening wederzijdse erkenning), die per 19 april 2020 van toepassing is, overbodig. Om die reden is de mogelijkheid om certificaten van goedkeuring aan te merken als gelijkgestelde certificaten, in het WAS 2022 achterwege gelaten. Ten aanzien van attractie- en speeltoestellen afkomstig uit andere lidstaten van de Europese Unie, gaat het nationale regime met betrekking tot veiligheidseisen uit dit besluit gelden. Elk toestel moet conform artikel 9 gekeurd worden en voorzien worden van een certificaat van goedkeuring overeenkomstig artikel 12, eerste lid, WAS 2022, afgegeven door een aangewezen instelling. De verhuurder of de beheerder moet conform artikel 17 beschikken over een geldig certificaat van goedkeuring. De aangewezen instelling zal bij het keuren van een attractie- of speeltoestel afkomstig uit andere lidstaten van de Europese Unie, rekening moeten houden met een reeds gedane keuring en afgegeven certificaten dan wel testrapporten. Die rapporten en certificaten moeten dan wel zijn afgegeven door instellingen die geaccrediteerd zijn voor de gedane testen en onderzoeken. Als dat niet zo is, dient de aangewezen instelling deze testen en onderzoeken zelf opnieuw uit te voeren. Met de verordening wederzijdse erkenning is voldoende gewaarborgd dat attractie- en speeltoestellen uit andere lidstaten van de Europese Unie onder het reguliere regime van dit besluit, zoals hierboven beschreven, komen te vallen. Dit regime is immers aan te merken als een procedure voor voorafgaande machtiging, als bedoeld in artikel 3, onder 7, van de verordening wederzijdse erkenning. Uit artikel 5, derde lid, van voornoemde verordening is af te leiden dat een (nationale) procedure voor voorafgaande machtiging in acht genomen moet worden door een marktdeelnemer uit een andere Europese lidstaat, die goederen op de markt in de lidstaat van bestemming aanbiedt.
In artikel 31 van dit besluit is geregeld dat een certificaat afgegeven op grond van artikel 19d en geldend op de dag, onmiddellijk voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding, na dat tijdstip van kracht blijft. Daarmee wordt eerbiedigende werking toegekend aan gelijkgestelde certificaten die voor inwerkingtreding van dit besluit zijn verleend.
De uitzonderingen voor speeltoestellen die reeds in gebruik waren op het moment dat het Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen, (op 3 september 1996) in werking trad, blijven ook na de datum van inwerkingtreding van het WAS 2022 bestaan. Deze uitzonderingen gaan iets verder dan die voor attractietoestellen. Voor dergelijke speeltoestellen worden namelijk ook de bepalingen met betrekking tot de keuring en de gebruiksaanwijzing niet van toepassing verklaard. Gezien de in vergelijking met attractietoestellen geringere gevaarzetting bij speeltoestellen, staat de gezondheidswinst van verplichte keuringen en het opstellen van een gebruiksaanwijzing niet in verhouding tot de hiermee gepaard gaande moeite.
Het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen wordt met artikel 36 van dit besluit ingetrokken. Dit besluit, het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2022, komt in de plaats van het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen. Met de artikelen 34 en 35 van dit besluit worden derhalve de verwijzingen naar het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen in het Arbeidsomstandighedenbesluit en het Besluit bijzondere spoorwegen vervangen door ‘Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2022’.
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De beoogde inwerkingtredingsdatum is 1 juli 2022.
|
WAS (oud) |
WAS 2022 (nieuw) |
|---|---|
|
Artikel 1 |
Artikel 1 |
|
Artikel 2 |
Artikel 2 |
|
Artikel 3 |
Artikel 3 |
|
Artikel 3a |
Artikel 4 |
|
Artikel 4 |
Artikel 5 |
|
Artikel 5 |
Artikel 6 |
|
Artikel 6 |
Artikel 7 |
|
Artikel 7 |
Artikel 8 |
|
Artikel 8 |
Artikel 9 |
|
Artikel 9 |
Artikel 10 |
|
Artikel 10 |
Artikel 11 |
|
Artikel 10a |
Artikel 12 |
|
Artikel 10b |
Artikel 12, tweede lid |
|
Artikel 11 |
Artikel 13 |
|
Artikel 12 |
Artikel 14 |
|
Artikel 13 |
Artikel 15 |
|
Artikel 14 |
Artikel 16 |
|
Artikel 14a |
Artikel 17 |
|
– |
Artikel 18 |
|
Artikel 15 |
Artikel 19 |
|
Artikel 16 |
Artikel 20 |
|
Artikel 17 |
Artikel 21 |
|
Artikel 18 |
Artikel 22 |
|
– |
Artikel 23 |
|
Artikel 19 |
Artikel 24 |
|
Artikel 19a |
Artikel 25 |
|
Artikel 19b |
Artikel 26 |
|
Artikel 19c |
Artikel 27 |
|
Artikel 19d |
– |
|
– |
Artikel 28 |
|
Artikel 20 |
Artikel 29 |
|
Artikel 21 (reeds vervallen) |
– |
|
Artikel 22 (reeds vervallen) |
– |
|
Artikel 23 (reeds vervallen) |
– |
|
Artikel 24 |
Artikel 31 |
|
Artikel 25 |
– |
|
Artikel 26 (reeds vervallen) |
– |
|
Artikel 27 |
– |
|
Artikel 28 |
Artikel 37 |
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
Verordening (EU) 2019/515 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 betreffende de wederzijdse erkenning van goederen die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 764/2008, PbEU 2019, L91/1.
Zie over de vraag of een dergelijke clausule op basis van het (overige) Unierecht verplicht is, HvJEG 5 februari 2004, C-24/00, Commissie/Frankrijk, ECLI:EU:C:2004:70; M.A. Jarvis, ‘Cases C-24/00, Commission v. France, C-95/01 Greenham and Abel, and C-270/02 Commission v. Italy, judgments of the Court of Justice of 5 February 2004. Sixth and Third Chambers’, Common Market Law Review 2004, p. 1403.
Artikel 5, vierde lid, Verordening (EU) 2019/515 garandeert weliswaar, indien de marktdeelnemer beschikt over een verklaring van wederzijdse erkenning, dat door de bevoegde autoriteit in de lidstaat van bestemming wordt geaccepteerd dat de goederen in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht. Daarmee wordt echter uitsluitend het gedeelte van een nationale beoordeling bestreken waarin wordt onderzocht of goederen in een andere lidstaat überhaupt rechtmatig in de handel zijn gebracht.
Verordening (EU) 2019/515 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 betreffende de wederzijdse erkenning van goederen die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 764/2008 (PbEU 2019, L 91).
Nota van toelichting, artikelsgewijze toelichting op artikel 1; artikel 1, tweede lid, Warenwet.
Artikel 3, eenentwintigste lid, Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de veiligheid van speelgoed, Pb. EG 2009, L170/1.
Artikel 2, tweede lid, onderdelen a en b, Richtlijn (EG) 2009/48. En tevens in de zin van het Warenwetbesluit speelgoed 2011, waarin wordt verwezen naar de richtlijndefinitie.
De richtlijn regelt onder welke omstandigheden speelgoed dat binnen de reikwijdte van de richtlijn valt op de markt mag worden gebracht, zie artikel 12 van de richtlijn. Ter illustratie wordt gewezen op de situatie waarin een kinderboerderij schommels wil aanschaffen die door de kinderen worden gebruikt. Indien de schommels (gelet op de voorgestelde artikelen 4, 17, en eventueel artikel 8, vijfde lid, ontwerpbesluit) in dergelijke gevallen door de kinderboerderij slechts kunnen worden gebruikt met inachtneming van het ontwerpbesluit, dreigt overlap te ontstaan met de regels die de richtlijn stelt voor de vrije verhandeling van deze producten.
Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 juni 2009 betreffende de veiligheid van speelgoed (PbEU L 170).
VeiligheidNL, ‘Opblaasbare speeltoestellen. Onderzoek naar risico’s en risicobewustzijn’ (rapport nummer 828), p. 30–31.
VeiligheidNL, ‘Opblaasbare speeltoestellen. Onderzoek naar risico’s en risicobewustzijn’ (rapport nummer 828).
Ontwerpbesluit houdende vaststelling van regels met betrekking tot de veiligheid van attractie- en speeltoestellen, met nota van toelichting, algemeen deel, paragraaf 1.
Verordening (EU) 2019/515 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 betreffende de wederzijdse erkenning van goederen die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 764/2008, PbEU 2019, L91/1.
Zie over de vraag of een dergelijke clausule op basis van het (overige) Unierecht verplicht is, HvJEG 5 februari 2004, C-24/00, Commissie/Frankrijk, ECLI:EU:C:2004:70; M.A. Jarvis, ‘Cases C-24/00, Commission v. France, C-95/01 Greenham and Abel, and C-270/02 Commission v. Italy, judgments of the Court of Justice of 5 February 2004. Sixth and Third Chambers’, Common Market Law Review 2004, p. 1403.
Artikel 5, vierde lid, Verordening (EU) 2019/515 garandeert weliswaar, indien de marktdeelnemer beschikt over een verklaring van wederzijdse erkenning, dat door de bevoegde autoriteit in de lidstaat van bestemming wordt geaccepteerd dat de goederen in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht. Daarmee wordt echter uitsluitend het gedeelte van een nationale beoordeling bestreken waarin wordt onderzocht of goederen in een andere lidstaat überhaupt rechtmatig in de handel zijn gebracht.
Nota van toelichting, artikelsgewijze toelichting op artikel 1; artikel 1, tweede lid, Warenwet.
Artikel 3, eenentwintigste lid, Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de veiligheid van speelgoed, Pb. EG 2009, L170/1.
Artikel 2, tweede lid, onderdelen a en b, Richtlijn (EG) 2009/48. En tevens in de zin van het Warenwetbesluit speelgoed 2011, waarin wordt verwezen naar de richtlijndefinitie.
De richtlijn regelt onder welke omstandigheden speelgoed dat binnen de reikwijdte van de richtlijn valt op de markt mag worden gebracht, zie artikel 12 van de richtlijn. Ter illustratie wordt gewezen op de situatie waarin een kinderboerderij schommels wil aanschaffen die door de kinderen worden gebruikt. Indien de schommels (gelet op de voorgestelde artikelen 4, 17, en eventueel artikel 8, vijfde lid, ontwerpbesluit) in dergelijke gevallen door de kinderboerderij slechts kunnen worden gebruikt met inachtneming van het ontwerpbesluit, dreigt overlap te ontstaan met de regels die de richtlijn stelt voor de vrije verhandeling van deze producten.
VeiligheidNL, ‘Opblaasbare speeltoestellen. Onderzoek naar risico’s en risicobewustzijn’ (rapport nummer 828), p. 30–31.
Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PbEU 2006, L 36).
Gezien het grote aantal wijzigingen in het WAS, is na de consultatieronde gekozen voor het verder in procedure brengen van een nieuw vast te stellen ontwerpbesluit, het WAS 2022 en intrekking van het WAS.
Aan het ROW nemen vertegenwoordigers deel van ondernemers (industrie en handel), van consumenten, van ministeries (met name van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) en van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit.
Gezien het grote aantal wijzigingen in het WAS, is na de consultatieronde gekozen voor het verder in procedure brengen van een nieuw vast te stellen ontwerpbesluit, het WAS 2022 en intrekking van het WAS.
Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L 241).
Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 juni 2009 betreffende de veiligheid van speelgoed (PbEU L 170).
Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de veiligheid van speelgoed (PbEU 2009, L 170).
Richtlijn 2014/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake apparaten en beveiligingssystemen bedoeld voor gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen (herschikking) (PbEU 2014, L 96).
Besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten en tot intrekking van Besluit 93/465/EEG van de Raad (PbEU 2008, L 218).
Verordening (EU) 2019/515 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 betreffende de wederzijdse erkenning van goederen die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 764/2008 (PbEU 2019, L 91).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2023-10569.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.