Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Zorginstituut Nederland | Staatscourant 2022, 5634 | ander besluit van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Zorginstituut Nederland | Staatscourant 2022, 5634 | ander besluit van algemene strekking |
Gelet op artikel 91, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, artikel 4.4, derde lid, en artikel 4.5, eerste lid, van het besluit Wfsv;
Besluit:
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz jaar t;
het bedrag van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz ten laste van het Fonds langdurige zorg;
besluit van de Minister van VWS waarin hij Wlz-uitvoerders aanwijst als zorgkantoor;
een persoon die de cliënt ondersteunt in het realiseren van zijn rechtspositie en diens rechtspositie bevordert in het kader van de Wet zorg en dwang;
aandeel van het totaal budgettair kader Wlz jaar t zoals gepubliceerd in oktober t-1, volgend uit openbaarmaking van de definitieve kaderbrief door het Ministerie van VWS en verdeling van het budgettair kader Wlz door de NZa;
bedrag dat ervoor zorgt dat Wlz-uitvoerders als gevolg van de invoering van het nieuwe verdeelmodel er niet meer dan 4,5 procent in budget op achteruit gaan;
beleid dat het verschil tussen het budget uit 2021 en het huidige budget in gelijke delen afbouwt;
Bedragen die in de Aanwijzing zijn opgenomen voor een specifiek doel;
het kalenderjaar waarop de vaststelling betrekking heeft;
het jaar voorafgaand aan het jaar t;
het jaar volgend op het jaar t;
het jaar dat ligt 2 jaar na het jaar t;
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Minister voor Langdurige Zorg en Sport;
Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz jaar t;
Nederlandse Zorgautoriteit;
Brief van ZN over de afspraken van zorgkantoren en Wlz-uitvoerders over de verdeling van de geoormerkte bedragen voor respectievelijke de zorgkantoren en de Wlz-uitvoerders;
Sociale Verzekeringsbank;
Tweede nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz jaar t;
Wet langdurige zorg;
een rechtspersoon als bedoel bedoeld in artikel 4.1.1 van de Wlz;
Zorginstituut Nederland;
een zorgkantoor als bedoeld in het Besluit van de Minister van VWS van 14 december 2020, kenmerk 1783045-214376-Z, houdende de aanwijzing van zorgkantoren, (Stcrt. 2020, 66954);
Zorgverzekeraars Nederland.
Het Zorginstituut stelt een voorlopig, nader en definitief beheerskostenbudget vast met inachtneming van de in de Aanwijzing, Nadere aanwijzing en Tweede nadere aanwijzing genoemde bedragen.
Het Zorginstituut stelt in februari van jaar t voor ieder zorgkantoor, iedere Wlz- uitvoerder en de SVB een voorlopig beheerskostenbudget vast.
1. Het Zorginstituut verdeelt het budget over de zorgkantoren voor de taken, bedoeld in artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg als volgt:
a. een bedrag van € 2,787 miljoen incidenteel voor PGB Portaal op basis van een opgave van ZN;
b. een bedrag van € 1,084 miljoen voor structurele uitvoeringskosten PGB 2.0 op basis van een opgave van ZN;
c. een bedrag van € 0,588 miljoen voor Incasso AWBZ op basis van een opgave van ZN;
d. een bedrag van € 0,385 miljoen voor Te goeder trouw op basis van een opgave van ZN;
e. een bedrag van € 23,023 miljoen dat jaarlijks wordt geïndexeerd met het loon-prijs indexcijfer, wordt verdeeld op basis van een gelijk bedrag per Wlz-uitvoerder met een zorgkantoorfunctie;
f. het na toepassing van de onderdelen a tot en met e resterende budget voor de zorgkantoren wordt verdeeld op basis van het aandeel in de contracteerruimte per oktober t-1.
2. Indien het Zorginstituut geen opgave ontvangt voor de verdeling van een geoormerkt bedrag of indien de verdeling onvolledig is, zal het Zorginstituut het bedrag verdelen op basis van het aandeel in de contracteerruimte.
1. Het Zorginstituut verdeelt het bedrag voor de Wlz-uitvoerders voor de overige bij of krachtens die wet geregelde taken van de Wlz-uitvoerders bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, van het Besluit Wfsv als volgt:
a. een bedrag van € 2,405 miljoen op basis van een gelijk bedrag per Wlz-uitvoerder;
b. een bedrag van € 2,891 miljoen op basis van het aantal bij hen ingeschreven verzekerden op 30 juni van jaar t-1 dat aanspraak kan maken op verstrekkingen en uitkeringen ingevolge de Wlz;
c. een bedrag van € 1,428 miljoen voor crisis interventieteams op basis van een opgave van ZN;
d. een bedrag van € 0,942 miljoen voor de pilot Volwaardig leven op basis van een opgave van ZN;
e. een bedrag van € 9,148 miljoen voor zorgkosten voor cliëntvertrouwenspersoon op basis van een opgave van ZN;
f. een bedrag van € 0,262 miljoen voor beheerskosten voor cliëntvertrouwenspersoon op basis van een opgave van ZN;
g. een bedrag van € 18,391 miljoen voor onafhankelijke cliëntondersteuning op basis van een opgave van ZN;
h. het na toepassing van de onderdelen a tot en met g resterende budget voor de Wlz-uitvoerders wordt verdeeld op basis van het aantal bij hen ingeschreven verzekerden op 30 juni van jaar t-1 dat aanspraak kan maken op verstrekkingen en uitkeringen ingevolge de Wlz.
2. Indien het Zorginstituut geen opgave ontvangt voor de verdeling van een geoormerkt bedrag of indien de verdeling onvolledig is, zal het Zorginstituut het bedrag verdelen op basis van het aantal ingeschreven verzekerden op 30 juni van jaar t-1 dat aanspraak kan maken op verstrekkingen en uitkeringen ingevolge de Wlz.
1. Het budget per Wlz-uitvoerder dat volgt uit de verdeling zoals genoemd in artikel 7 wordt, als gevolg van de introductie van een nieuwe verdeelsystematiek, aangepast met:
a. Een correctiebedrag per Wlz-uitvoerder dat bij de overgang naar een nieuwe verdeelsystematiek in 2022 is vastgelegd voor de periode 2022 tot 2027.
b. Een percentage voor flankerend beleid per Wlz-uitvoerder waarvan de toepassing bij de overgang naar een nieuwe verdeelsystematiek in 2022 is vastgelegd voor de periode 2022 tot 2025.
2. In onderstaande tabel zijn de correctiebedragen en percentages van het flankerend beleid per Wlz-uitvoerder opgenomen:
|
Wlz-uitvoerder |
correctiebedrag |
rekenpercentage voor flankerend beleid |
|---|---|---|
|
A.S.R. Wlz-uitvoerder B.V. |
-1.802 |
0,00% |
|
Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. |
0 |
0,70% |
|
Stichting Zorgkantoor Menzis |
-476.286 |
-0,65% |
|
ONVZ Langdurige Zorg B.V. |
-694 |
0,00% |
|
Zorgkantoor DSW B.V. |
0 |
0,06% |
|
Salland Zorgkantoor B.V. |
-61.439 |
-0,08% |
|
Stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid |
692.126 |
0,18% |
|
VGZ Zorgkantoor B.V. |
-137.507 |
-0,19% |
|
CZ Zorgkantoor B.V. |
-14.398 |
-0,02% |
|
Totaal |
0 |
0,00% |
Voor de bepaling van het aantal verzekerden, bedoeld in artikel 7, onderdeel b en h, gebruikt het Zorginstituut de opgaven van de verzekerdenaantallen per 30 juni van het jaar t-1 van de Wlz-uitvoerder. Deze opgave maakt onderdeel uit van de tweede kwartaalstaat Wlz voor de Wlz-uitvoerder voor het jaar t-1. Deze opgave dient te zijn voorzien van een bestuursverklaring.
Indien een Wlz-uitvoerder zijn overige taken, bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, van het Besluit Wfsv, geheel of gedeeltelijk uitbesteedt, betaalt hij aan het zorgkantoor waaraan hij deze taken uitbesteedt per verzekerde een bedrag van € 6,06025216 als vergoeding in de beheerskosten.
1. Uiterlijk in jaar t+2 stelt het Zorginstituut het beheerskostenbudget voor het jaar t voor de zorgkantoren, de Wlz-uitvoerders en de SVB definitief vast, op basis van de in de Nadere aanwijzing en Tweede nadere aanwijzing gewijzigde bedragen.
2. Indien macro-onderschrijdingen plaatsvinden bij de geoormerkte bedragen uit artikel 6 en 7, verdeelt het Zorginstituut het overschot over zorgkantoren of Wlz-uitvoerders met een tekort. Het eventuele restant wordt verdeeld op basis van het aandeel in de contracteerruimte c.q. het aantal verzekerden.
3. Het Zorginstituut betrekt bij de definitieve vaststelling eventuele correcties van de NZa voor het beheerskostenbudget van de Wlz-uitvoerders en de zorgkantoren en eventuele correcties van de inspectie SZW voor het beheerskostenbudget van de SVB.
Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij worden geplaatst, en werken terug tot en met 1 januari van jaar 2022. De beleidsregels vervallen met ingang van 1 januari 2025, met dien verstande dat de beleidsregels van toepassing blijven op de verdeling van de besteedbare middelen voor de beheerskosten Wlz voor het jaar 2022.
Deze beleidsregels zullen met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Voorzitter Raad van Bestuur S. Wijma
Goedgekeurd door de Minister voor Langdurige Zorg en Sport bij brief van 16 februari 2022, kenmerk 3323647-1024954-Z.
Op grond van artikel 91 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) en Hoofdstuk 4 van het Besluit Wfsv verstrekt het Zorginstituut jaarlijks uitkeringen uit het Fonds langdurige zorg ter dekking van de noodzakelijke uitgaven voor de uitvoering van de Wlz.
De Minister voor Langdurige Zorg en Sport (LZS) geeft het Zorginstituut een aanwijzing waarin het budget wordt vastgesteld ter dekking van de voor de uitvoering van de Wet langdurige zorg (Wlz) te maken beheerskosten door de zorgkantoren, de Wlz-uitvoerders en de Sociale Verzekeringsbank (SVB). In de aanwijzing wordt een onderscheid gemaakt tussen:
– het budget voor de beheerskosten van de zorgkantoren voor de taken bedoeld in artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wlz;
– het budget voor de beheerskosten van de SVB voor de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 3.3.3, zevende lid, van de Wlz; en
– het budget voor de beheerskosten van de Wlz-uitvoerders voor hun overige bij of krachtens de Wlz geregelde taken.
Jaarlijks stelt het Zorginstituut de beleidsregels ter verdeling van de besteedbare middelen beheerskosten Wlz vast naar aanleiding van de aanwijzing van de Minister voor LZS. In deze beleidsregels is de budgetcyclus van de beheerskosten Wlz opgenomen.
Elke cyclus begint in december van jaar t-1 met de aanwijzing voor het kalenderjaar waarop de toegekende middelen betrekking hebben (jaar t). Vervolgens stelt het Zorginstituut beleidsregels op waarin het vaststelt hoe het de besteedbare middelen verdeelt. In februari van jaar t stelt het Zorginstituut het voorlopige beheerskostenbudget per zorgkantoor, per Wlz-uitvoerder en de SVB vast.
Uiterlijk op de eerste werkdag van mei in het jaar t+1 stelt het Zorginstituut het beheerskostenbudget voor de zorgkantoren, de Wlz-uitvoerders en de SVB nader vast. Indien de Minister voor LZS een nadere aanwijzing aan het Zorginstituut heeft gegeven, wordt die nadere aanwijzing ook in de nadere vaststelling van het beheerskostenbudget verwerkt.
Uiterlijk in het jaar t+2 stelt het Zorginstituut het beheerskostenbudget voor zorgkantoren definitief vast. Indien de Minister voor LZS een (tweede) nadere aanwijzing aan het Zorginstituut heeft gegeven, wordt die (tweede) nadere aanwijzing ook in de definitieve vaststelling van het beheerskostenbudget verwerkt.
In dit artikel zijn de begripsbepalingen uit de beleidsregels gedefinieerd, waaronder het begrip Opgave ZN. De verdeling van de beheerskosten is gedeeltelijk gebaseerd op afspraken die zorgkantoren en Wlz-uitvoerders onderling maken over de beheerskosten. ZN deelt deze afspraken van de zorgkantoren en Wlz-uitvoerders per brief aan het Zorginstituut mee. In deze brief aan het Zorginstituut geeft ZN van een aantal geoormerkte bedragen (deelbudgetten) voor specifieke doeleinden op hoe deze worden verdeeld over de zorgkantoren en/of de Wlz-uitvoerders. Mocht naar aanleiding van een nadere aanwijzing de verdeling wijzigen, dan zal ZN met een nieuwe brief de verdeling waar nodig aanpassen.
De basis voor de vaststelling van het beheerskostenbudget is de Aanwijzing van de Minister voor LZS. Meestal geeft de minister nog een Nadere aanwijzing, soms ook een Tweede nadere aanwijzing. Deze aanwijzingen neemt het Zorginstituut in acht bij de vaststelling van het beheerskostenbudget.
Omwille van de eenvoud rondt het Zorginstituut het beheerskostenbudget af op hele euro’s.
In de Regeling voorschotverlening op uitkeringen Wlz 2015 van het Zorginstituut is bepaald op welke wijze de voorschotten worden uitgekeerd, dat de voorschotten worden verrekend met de nadere vaststelling, de nadere vaststelling met de definitieve vaststelling en op welke wijze rente wordt berekend. In de voorlopige, de nadere en de definitieve vaststelling van het beheerskostenbudget wordt deze regeling in acht genomen.
In de Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2022 heeft de Minister voor LZS het budget voor de beheerskosten voor de uitvoering van de Wet langdurige zorg (Wlz) vastgesteld op € 275,166 miljoen. Hiervan is € 95,157 miljoen bestemd voor de zorgkantoren, € 140,398 miljoen voor de Wlz-uitvoerders en € 39,611 miljoen voor de SVB. Het voorlopig beheerskostenbudget stelt het Zorginstituut in februari van jaar t vast, nadat de Minister voor LZS de Aanwijzing heeft gegeven en het Zorginstituut de beleidsregels heeft vastgesteld.
In artikel 6 wordt geregeld hoe het beschikbare bedrag voor de uitvoering van de Wlz over zorgkantoren wordt verdeeld. Voor de taken van de zorgkantoren is € 95,157 miljoen beschikbaar. De geoormerkte bedragen genoemd in artikel 6, eerste lid, onderdeel a tot en met d, worden verdeeld op basis van de door zorgkantoren gemaakte afspraken daarover, zoals die verdeling in de opgave van ZN is opgenomen.
Het bedrag van PGB Portaal 2.0 is bedoeld om op gerichte en effectieve wijze betere ondersteuning aan PGB-budgethouders en haar zorgverleners te verlenen. In 2022 wordt het PGB 2.0-systeem verder doorontwikkeld. Voor de meerkosten inclusief coördinatiekosten stelt de Minister voor LZS bovenop het reeds beschikbare budget voor 2022 incidenteel € 3,000 miljoen beschikbaar.
Voor de uitvoeringskosten van het PGB Portaal 2.0 stelt de Minister voor LZS structureel € 0,500 miljoen extra beschikbaar. Het totaal beschikbare bedrag komt hiermee op € 1,084 miljoen.
Voor de incassokosten vorderingen AWBZ stelt de Minister voor LZS incidenteel € 0,588 miljoen extra beschikbaar.
Ook in 2022 wordt veel gevraagd van de Wlz-uitvoerders met zorgkantoortaken op het gebied van het PGB. Het incidentele bedrag is met name bestemd voor de activiteiten op het gebied van het terugvorderen van openstaande PGB-vorderingen AWBZ en de afwikkeling van Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (AFBZ)
Het bedrag dat genoemd staat onder te goeder trouw is bestemd voor extra inspanningen van zorgkatoren die verrichten voor het terugvorderen bij de juiste personen. De zorgkantoren vorderen momenteel terug bij budgethouders terwijl de vordering is ontstaan toen die budgethouders nog minderjarig waren. Hun ouders of wettelijk vertegenwoordigers hebben het PGB voor hen aangevraagd en beheerd. Het terugvorderen bij voorheen minderjarige budgethouders is een onwenselijke situatie. Hierover zijn afspraken gemaakt met zorgkantoren zodat zij niet meer bij de inmiddels meerderjarige budgethouder vorderen, maar zich richten op de ouder. Deze afspraken vergen de nodige extra inspanningen van zorgkantoren. Voor 2022 heeft de Minister voor LZS incidenteel € 0,385 miljoen beschikbaar gesteld.
Dit betreft een vast, gelijk bedrag dat iedere Wlz-uitvoerder met een zorgkantoorfunctie ontvangt.
Het leeuwendeel van het budget voor de zorgkantoren bestaat uit het totaal budget minus de bedragen zoals genoemd in de onderdelen a tot en met e van dit artikel. Dit resterende bedrag wordt verdeeld op basis van het aandeel in de contracteerruimte per oktober t-1.
ZN doet per brief een opgave van de verdeling aan voor de geoormerkte bedragen. Indien het Zorginstituut geen verdeling ontvangt voor een of meerdere geoormerkte budgetten, of wanneer deze verdeling onvolledig blijkt te zijn, zal het Zorginstituut deze geoormerkte bedragen verdelen op basis van het aandeel in de contracteerruimte.
In artikel 7 wordt geregeld hoe het beschikbare bedrag voor de uitvoering van de Wlz over de Wlz-uitvoerders wordt verdeeld. Voor de taken van de Wlz-uitvoerders is € 140,398 miljoen beschikbaar.
Iedere Wlz-uitvoerder ontvangt een vast bedrag dat jaarlijks wordt verhoogd met het loon- en prijsindexcijfer. Daarnaast krijgt elke Wlz-uitvoerder een bedrag per verzekerde, op basis van het aantal Wlz-verzekerden op 30 juni van jaar t-1.
De geoormerkte bedragen genoemd in artikel 7, onderdeel c tot en met g, worden verdeeld op basis van de door Wlz-uitvoerders gemaakte afspraken daarover, zoals die verdeling in de opgave van ZN is opgenomen.
Vanuit het Programma ‘Volwaardig leven’ worden er crisis- en ondersteuningsteams opgezet voor cliënten met een complexe zorgvraag die in crisis (dreigen te) raken. Crisisregisseurs dragen er zorg voor dat deze cliënten bij deze teams terecht komen. Hiervoor is € 1,428 miljoen beschikbaar.
Voor het Programma Volwaardig leven zijn er pilots om naasten en cliënten met een beperking gespecialiseerde cliëntondersteuning te bieden. De pilots worden gebruikt om cliënten en hun naasten te ondersteunen en om te leren hoe ondersteuning beter vormgegeven kan worden. Voor de intensivering van de pilots heeft de Minister voor LZS aanvullend incidenteel € 0,942 miljoen beschikbaar gesteld.
De Wet zorg en dwang is in het leven geroepen om cliënten met een verstandelijke beperking of een psycho-geriatrische aandoening meer rechtsbescherming te bieden. Onderdeel van deze wet is de functie van de cliëntvertrouwenspersoon (CVP). Met ingang van 2020 verzorgen de Wlz-uitvoerders de inkoop van de CVP, waarbij ook aandacht is voor de beschikbaarheid en zichtbaarheid van de CVP. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd met het loon/prijs indexcijfer. Voor 2022 is € 9,148 miljoen beschikbaar voor zorgkosten voor de CVP.
Voor de uitvoering van de CVP ontvangen de Wlz-uitvoerders jaarlijks een beheerskostenbudget. Voor 2022 is dat € 0,262 miljoen.
Cliëntondersteuning in de Wlz is: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies, algemene ondersteuning en zorgbemiddeling die bijdraagt aan het tot gelding brengen van het recht op zorg in samenhang met dienstverlening op andere gebieden. Voor 2022 is € 18,391 miljoen beschikbaar.
Dit betreft het deelbudget, verminderd met de bedragen onder onderdeel a tot en met g. Dit resterende bedrag wordt verdeeld op basis van het aantal Wlz-verzekerden per 30 juni van jaar t-1.
ZN doet per brief een opgave van de verdeling aan voor de geoormerkte bedragen. Indien het Zorginstituut geen verdeling ontvangt voor een of meerdere geoormerkte budgetten, of wanneer deze verdeling onvolledig blijkt te zijn, zal het Zorginstituut deze geoormerkte bedragen verdelen op basis van het aantal bij hen ingeschreven verzekerden op 30 juni van jaar t-1 dat aanspraak kan maken op verstrekkingen en uitkeringen ingevolge de Wlz.
Met ingang van 2022 worden voor zowel de zorgkantoren als de Wlz-uitvoerders nieuwe verdeelmodellen van het beheerskostenbudget ingevoerd. Met de invoering van deze nieuwe modellen beoogt het Zorginstituut een vereenvoudiging van de verdeling, een verdeling die een direct gevolg is van de uitgevoerde werkzaamheden en een verdeling die alle Wlz-uitvoerders in staat stelt zijn taken uit te voeren. Om de nieuwe verdeling gefaseerd in te kunnen voeren, is gebruik gemaakt van een correctiebedrag en flankerend beleid. Deze bedragen zijn in een tabel in het tweede lid van artikel 8 opgenomen.
Correctiebedrag
Indien een Wlz-uitvoerder onder de nieuwe verdeelsystematiek minder dan 95,5 procent van het budget van 2021, exclusief incidentele deelbudgetten, ontvangt, is een correctiebedrag van toepassing. Dit zorgt voor een aanvulling tot 95,5 procent van het budget van 2021, exclusief incidentele deelbudgetten. De aanvulling is afkomstig van de Wlz-uitvoerders die een hoger budget ontvangen onder de nieuwe verdeelsystematiek dan in 2021. Het totaal van de correctiebedragen is dus € 0.
Deze correctie is vastgesteld voor de periode 2022 tot en met 2026. Tussentijds zal er een evaluatie volgen.
Flankerend beleid
Het flankerend beleid bouwt het verschil tussen de budgetten onder de nieuwe en oude verdeelsystematiek over een periode van drie jaar in gelijke delen af. De procentuele aanpassing van de budgetten is bij het opstellen van de nieuwe verdeelmodellen reeds vastgesteld voor de periode 2022 tot en met 2024.
Deze percentages worden vermenigvuldigd met de som van de structurele macrobudgetten van de Wlz-uitvoerders en de zorgkantoren. De uitkomst wordt in mindering gebracht op het aan de Wlz-uitvoerder beschikbaar gestelde budget.
Het flankerend beleid geeft de Wlz-uitvoerders voldoende tijd om de bedrijfsuitvoering aan te passen.
Het aantal verzekerden is gebaseerd op de opgave van de Wlz-uitvoerders in de tweede kwartaalstaat Wlz voor de Wlz-uitvoerders voor het jaar t-1. Als gevolg van de invoering van het nieuwe verdeelmodel telt elke verzekerde, ongeacht leeftijd, even zwaar mee en is er voor jaar t nog maar een peildatum, te weten 30 juni van het jaar t-1.
Het bedrag van € 6,06025216 wordt berekend door het bedrag uit artikel 7, onderdeel h, te delen door het aantal verzekerden waar artikel 9 naar verwijst.
Indien een Wlz-uitvoerder zijn overige taken, bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, van het Besluit Wfsv, geheel of gedeeltelijk uitbesteedt, betaalt hij aan het zorgkantoor waaraan hij deze taken uitbesteedt per verzekerde een bedrag van € 6,06700946 als vergoeding in de beheerskosten.
Aangezien elke Wlz-uitvoerder ook Wlz-verzekerden heeft die niet in de zorgkantoorregio’s wonen die aan hem zijn toegewezen, kan hij zijn taken voor die verzekerden uitbesteden aan de Wlz-uitvoerder die is aangewezen voor die regio waar deze verzekerde woont.
In dit artikel is bepaald dat, voor het geval er een nieuwe Wlz-uitvoerder komt die geen rechtsopvolger is van een of meer bestaande Wlz-uitvoerders, het Zorginstituut uit kan gaan van andere dan in dit besluit genoemde verzekerdenaantallen.
Ter dekking van de beheerskosten met betrekking tot de PGB-werkzaamheden van de SVB heeft de Minister voor LZS voor het jaar t € 39,611 miljoen beschikbaar gesteld.
Op de eerste werkdag van mei van het jaar t+1 ontvangen de zorgkantoren, Wlz-uitvoerders en de SVB een besluit waarin de bedragen zijn aangepast aan de wijzigingen zoals die zijn vermeld in de Nadere aanwijzing van jaar t.
Indien de Minister voor LZS in de Nadere aanwijzing de bedragen zoals genoemd in artikel 6 wijzigt, zal het Zorginstituut het beheerskostenbudget voor de zorgkantoren overeenkomstig die wijzigingen in de bedragen berekenen. De bedragen zoals genoemd in artikel 6, onderdelen a tot en met d, wijzigen voor jaar t alleen indien de minister in een Nadere aanwijzing een of meer van deze bedragen verhoogt. Het bedrag zoals genoemd in artikel 6, onderdeel f, wijzigt voor het jaar t alleen als de minister extra middelen toezegt voor de zorgkantoren die niet betrekking hebben op de in artikel 6, onderdelen a tot en met d, genoemde bedragen.
Indien de Minister voor LZS in de Nadere aanwijzing de bedragen zoals genoemd in artikel 7, onderdeel c tot en met g wijzigt zal het Zorginstituut het beheerskostenbudget voor de Wlz-uitvoerder overeenkomstig die wijzigingen in de bedragen berekenen. De bedragen zoals genoemd in artikel 7, onderdelen a en b wijzigen in jaar t niet. Het bedrag zoals genoemd in artikel 7, onderdeel h, wijzigt voor het jaar t alleen als de Minister voor LZS extra middelen toezegt voor de Wlz-uitvoerders die niet betrekking hebben op de in artikel 7, onderdelen c tot en met g, genoemde bedragen.
Het bedrag zoals genoemd in artikel 10 wijzigt voor het jaar t alleen indien de minister in een Nadere aanwijzing extra middelen beschikbaar stelt die niet verdeeld worden op basis van een opgave van ZN.
Het Zorginstituut brengt op de nader vastgestelde beheerskostenbudgetten de door het Zorginstituut berekende voorschotten in mindering.
Indien voor een Wlz-uitvoerder, het zorgkantoor of de SVB het nader vastgestelde beheerskostenbudget afwijkt van het totaal van de uitgekeerde voorschotten, verrekent het Zorginstituut dit saldo en vermeerdert of vermindert dit met de rentekosten. De rente wordt berekend van 1 juli van het jaar t tot de datum van betaling.
Uiterlijk in jaar t+2 stelt het Zorginstituut het beheerskostenbudget definitief vast, met inachtneming van een eventuele Tweede nadere aanwijzing.
Indien overschrijdingen hebben plaatsvinden bij de geoormerkte bedragen uit artikel 6 en 7 kan dat van invloed zijn op de definitieve vaststelling, afhankelijk van de aard, omvang en oorzaak van die overschrijdingen. In dat geval zal het Zorginstituut naar bevind van zaken en in de geest van deze beleidsregels handelen.
Wanneer de verantwoorde kosten bij de geoormerkte bedragen uit artikel 6 en 7 in totaal lager zijn dan het toegekende deelbudgetten, vult het Zorginstituut bij de zorgkantoren of Wlz-uitvoerders met een tekort dit aan uit het overschot. Het restant wordt in geval van de zorgkantoren verdeeld op basis van het aandeel in de contracteerruimte en in geval van de Wlz-uitvoerders op basis van het aantal verzekerden.
Wanneer de verantwoorde kosten bij de geoormerkte bedragen uit artikel 6 en 7 in totaal hoger zijn dan het toegekende deelbudgetten, blijft de opgave van ZN leidend.
Bij de definitieve vaststelling van het beheerskostenbudget betrekt het Zorginstituut de financiële verslagen van de Wlz-uitvoerders en het Onderzoek financiële rechtmatigheid Wlz van de NZa over het jaar t.
Voor de definitieve vaststelling van het beheerskostenbudget van de SVB betrekt het Zorginstituut de bevindingen van de onafhankelijk controlerende accountant (Audit Dienst SVB) en de bevindingen van een eventuele review op de controlewerkzaamheden van deze Audit Dienst door de toezichthouder, de Inspectie SZW.
Het Zorginstituut brengt op de definitief vastgestelde beheerskostenbudgetten de door het Zorginstituut berekende nader vastgestelde beheerskostenbudgetten in mindering.
Indien voor een Wlz-uitvoerder, het zorgkantoor of de SVB het definitief vastgestelde beheerskostenbudget afwijkt van het nader vastgestelde budget, verrekent het Zorginstituut dit saldo en vermeerdert of vermindert dit met de rentekosten. De rente wordt berekend van 1 juli van het jaar t tot de datum van betaling.
In deze paragraaf zijn de slotbepalingen opgenomen met de inwerkingtreding en de citeertitel.
Voorzitter Raad van Bestuur S. Wijma
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2022-5634.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.