Winningsvergunning koolwaterstoffen blokdelen A12b en B10a, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

Besluit 2 februari 2022

DGKE- WO / 22005213

Aanvraag

  • Petrogas E&P Netherlands B.V., geregistreerd bij de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) onder nummer 27114238, (hierna: Petrogas), RockRose (NL) CS1 B.V., geregistreerd bij de KvK onder nummer 30108055 (hierna: RockRose1) en TAQA Offshore B.V., geregistreerd bij de KvK onder nummer 27273135, (hierna: TAQA) (hierna gezamenlijk: aanvrager) zijn gezamenlijk houder van de opsporingsvergunning voor koolwaterstoffen voor een deel van blok A12 (hierna: blokdeel A12b) en een deel van blok B10 (hierna: blokdeel B10a) welke blokken zijn aangegeven op de kaart, die als bijlage 3 bij de Mijnbouwregeling is gevoegd;

  • bij brief van 21 oktober 2020, ontvangen op diezelfde datum, heeft aanvrager een herziening van de bij brief van 29 december 1999 door NAM en DSM ingediende aanvraag om een winningsvergunning voor koolwaterstoffen voor de blokdelen A12b en B10a ingediend (hierna: winningsvergunningaanvraag A12b/B10a).

  • aanvrager heeft verzocht, bij verlening van winningsvergunning A12b/B10a aan aanvrager, Petrogas aan te wijzen als de in artikel 22, vijfde lid, van de Mijnbouwwet (hierna: Mbw) bedoelde persoon;

  • bij e-mail van 17 januari 2022 is aanvrager verzocht aanvullende gegevens en informatie te verstrekken. Deze aanvullingen waren op 28 januari 2022 ontvangen.

  • winningsvergunningaanvraag A12b/B10a is ingediend op grond van artikel 6, eerste lid, juncto artikel 10, eerste lid, Mbw. De Minister van Economische Zaken (thans de Minister van Economische Zaken en Klimaat en hierna: de Minister van EZ) was tot 10 januari 2022 bevoegd te beslissen op een aanvraag om een winningsvergunning voor koolwaterstoffen. Deze bevoegdheid is per 10 januari 2022 overgedragen aan de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat.

Voorgeschiedenis

  • de opsporingsvergunning voor de blokdelen A12b en B10a (hierna: opsporingsvergunning A12b/B10a), verleend bij beschikking van de Minister van EZ van 15 april 2005 met kenmerk 2005/E/EP/5009041, is het resultaat van de hierna genoemde wijzigingen, samenvoegingen en splitsingen van de bij beschikking van de Minister van EZ van 17 november 1989 met kenmerk E/EAM/89089668 verleende opsporingsvergunning voor een deel van blok A12 welk blokdeel bij beschikkingen van 13 februari 1996 met kenmerk E/EOG/MW/96006764 en van 21 december 1999 met kenmerk E/EOG/MW/99083882 is verkleind tot dat deel van blok A12 aangeduid als blokdeel A12b en de bij beschikking van de Minister van EZ van 17 november 1989 met kenmerk E/EAM/89089669 verleende opsporingsvergunning voor blok B10 welk blok bij beschikking van 13 februari 1996 met kenmerk E/EOG/MW/96007062 is verkleind tot dat deel van blok B10 aangeduid als blokdeel B10a;

  • bij beschikking van de Minister van EZ van 22 december 1999 met kenmerk E/EOG/MW/99084189 zijn de bovengenoemde, bij beschikkingen van 17 november 1989 verleende, opsporingsvergunningen voor blokdeel A12b en blokdeel B10a samengevoegd zodanig dat één opsporingsvergunning ontstond voor de blokdelen A12b en B10a (hierna opsporingsvergunning A12b/B10a-oud). Bij genoemde beschikking van 22 december 1999 werd de opsporingsvergunning voor blokdeel A12b ingetrokken onder gelijktijdige wijziging van de opsporingsvergunning voor blokdeel B10a;

  • bij beschikking van de Minister van EZ van 15 april 2005 met kenmerk E/EP/5009041 werd bovengenoemde bij beschikking van 22 december 1999 gewijzigde opsporingsvergunning voor de blokdelen A12b en B10a samengevoegd met de bij beschikking van 17 november 1989 met kenmerk E/EAM/89089670 verleende, en nadien gewijzigde, opsporingsvergunning voor (een deel van) blok B13 en werd deze samengevoegde opsporingsvergunning, na inwerkingtreding, vervolgens gesplitst in opsporingsvergunning A12b/B10a en een opsporingsvergunning voor een deel van blok B13 en een deel van blok B10.

  • bij brief gedateerd 29 december 1999 is door Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. (hierna: NAM) en DSM Energie B.V. (hierna: DSM), gezamenlijk houder van de opsporingsvergunning A12b/B10a-oud, een aanvraag om een winningsvergunning voor het gebied waarvoor de opsporingsvergunning A12b/B10a-oud gold aangevraagd. De grondslag voor deze aanvraag was de aantoning van het gedeeltelijk in blokdeel A12b en gedeeltelijk in blokdeel B10a gelegen aardgasvoorkoming B10-FA (hierna: B10-FA).

  • de aanwezigheid van B10-FA is door NAM en DSM met gebruikmaking van de bij bovengenoemde beschikkingen van 17 november 1989 verleende opsporingsvergunningen voor blokdeel A12b en blok B10 in 1983 met de boring A12-02 in blokdeel A12b en in 1993 met de boring B10-03 in blok B10 aangetoond;

  • in 2004 is opsporingsvergunning A12b/B10a-oud met toestemming van de Minister van EZ overgedragen van NAM en DSM gezamenlijk aan Unocal Netherlands B.V. (hierna: Unocal), Dyas B.V. (hierna: Dyas) en DSM gezamenlijk;

  • in 2009 is opsporingsvergunning A12b/B10a met toestemming van de Minister van EZ overgedragen van Chevron Exploration and Production Netherlands B.V. (voorheen Unocal) (hierna: Chevron), Dyas en TAQA Licenses Offshore B.V. (voorheen DSM) gezamenlijk aan Chevron (nu Petrogas), Dyas (nu RockRose1) en TAQA gezamenlijk;

  • in 2019 heeft aanvrager een derde boring, de evaluatieboring B10-04, naar B10-FA gezet. De resultaten van deze boring hebben mede geleid tot een herziening van de aanvraag van 29 december 1999.

Procesverloop

  • de onderhavige aanvraag is ingediend op grond van artikel 2, eerste lid, juncto artikel 13, eerste lid, van de Mijnwet continentaal plat (na 1 januari 2003: artikel 6, eerste lid, juncto artikel 10, eerste lid, Mbw). Anderen zijn daarom niet in de gelegenheid gesteld een concurrerende aanvraag in te dienen;

  • Staatstoezicht op de Mijnen (hierna: SodM), TNO-AGE (hierna: TNO), EBN B.V. (hierna: EBN) en de Mijnraad zijn om advies over de winningsvergunningaanvraag A12b/B10a gevraagd;

  • SodM heeft bij advies gedateerd 27 mei 2021 (kenmerk: ADV-6914 / 21115665) de technische mogelijkheden en de efficiëntie en verantwoordelijkheidszin van aanvrager beoordeeld alsmede de manier waarop aanvrager voornemens is de winningsactiviteiten te verrichten en de nadelige gevolgen van de winningsactiviteiten voor natuur en milieu in de blokdelen A12b en B10a;

  • TNO heeft bij schrijven van 19 juli 2021 (referentie: AGE 21-10.054) advies uitgebracht over de geologisch-technische aspecten van de aanvraag;

  • EBN heeft bij schrijven van 24 september 2021, aangevuld op 1 februari 2022, advies uitgebracht over de economische winbaarheid van B10-FA en de financiële mogelijkheden van aanvrager;

  • de Mijnraad heeft bij schrijven van 29 november 2021 (kenmerk: MIJR/2100451) advies uitgebracht inzake de verlening van de winningsvergunning voor koolwaterstoffen voor de blokdelen A12b en B10a (hierna: winningsvergunning A12b/B10a).

Gelet op bovenstaande en de artikelen 6, eerste lid, onder a en b, 8, 9, 9a, 10, 11, eerste tot en met vierde lid, 12, tweede lid, 17, vierde lid, 22, vijfde en zesde lid, van de Mijnbouwwet, alsmede de artikelen 1.3.6 en 1.3.7, eerste en tweede lid, van de Mijnbouwregeling.

Besluit

Artikel 1

Aan Petrogas E&P Netherlands B.V. (KvK nummer 27114238), RockRose (NL) CS1 B.V. (KvK nummer 30108055) en TAQA Offshore B.V. (KvK nummer 27273135), wordt een winningsvergunning voor koolwaterstoffen verleend.

Artikel 2

De vergunning geldt voor die delen van de blokken A12 en B10, welke blokken zijn aangegeven op de kaart, die als bijlage 3 bij de Mijnbouwregeling is gevoegd, die worden begrensd door:

in blok A12: de blokgrens tussen de punten B en C en door de grootcirkels tussen de puntenparen A-B, C-D en D-A. De oppervlakte van dit gebied, aangeduid als blokdeel A12b, bedraagt 31,1 km2.

in blok B10: de blokgrens tussen de punten E en H, door de grootcirkels tussen de puntenparen F-G, en G-H en door de grens van het Nederlandse deel van het continentaal plat tussen de punten E en. De oppervlakte van dit gebied, aangeduid als blokdeel B10a, bedraagt 48,0 km2.

De totale oppervlakte van het gebied waarvoor de vergunning geldt bedraagt 79,1 km2.

Bovengenoemde punten zijn als volgt gedefinieerd:

punt

º

’’ O.L.

º

’’ N.B.

A

3

56

36,378

55

26

32,508

B

3

59

54,784

55

26

32,510

C

3

59

54,795

55

21

39,633

D

3

56

44,231

55

21

38,031

E

3

59

54,779

55

29

2,339

F

4

3

24,788

55

27

27,531

G

4

3

24,798

55

22

33,505

H

3

59

54,799

55

19

57,497

De ligging van deze punten is uitgedrukt in geografische coördinaten berekend volgens het ETRS89 systeem zoals gedefinieerd in artikel 1.1.1 onder g van de Mijnbouwregeling.

Artikel 3

Petrogas E&P Netherlands B.V. wordt aangewezen als de persoon bedoeld in artikel 22, vijfde lid, van de Mijnbouwwet.

Artikel 4

  • 1. De vergunninghouder houdt te allen tijde voldoende middelen, waaronder mede de door vergunninghouder afgesloten aansprakelijkheidsverzekeringen worden verstaan, aan om te voldoen aan financiële verplichtingen die voort kunnen vloeien uit aansprakelijkheden voor schade door zware ongevallen met mijnbouwwerken die worden gebruikt voor de uitvoering van activiteiten onder de vergunning.

  • 2. De vergunninghouder meldt iedere wijziging in de omvang van de in het eerste lid bedoelde middelen, waardoor mogelijk niet meer wordt voldaan aan de in het eerste lid bedoelde verplichtingen, onverwijld en schriftelijk aan de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat.

  • 3. Op eerste verzoek van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat toont de vergunninghouder schriftelijk aan over voldoende middelen te beschikken om te kunnen voldoen aan de in het eerste lid bedoelde verplichtingen.

Artikel 5

De vergunning geldt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding gedurende vijftien jaren na het tijdstip dat zij onherroepelijk is geworden.

Artikel 6

Deze beschikking treedt in werking met ingang van de dag na die waarop de beschikking is bekendgemaakt.

Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager.

Van deze beschikking wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, namens deze: J.L. Rosch MT-lid directie Warmte en Ondergrond

Tegen dit besluit kan degene wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken binnen 6 weken na de dag waarop dit besluit is verzonden een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, Postbus 20401, 2500 EK Den Haag. Dit besluit is verzonden op de in de aanhef vermelde datum.

Naar boven