Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 15 november 2022, nummer 4266516, houdende de tijdelijke aanwijzing van de (overige) zittingsplaatsen van een rechtbank als (overige) zittingsplaatsen van een andere rechtbank als bedoeld in artikel 46a van de Wet op de rechterlijke organisatie, ten behoeve van strafzaken in eerste aanleg (Tijdelijke aanwijzing rechtbank Zeeland-West-Brabant voor meervoudige strafzaken van de rechtbank Rotterdam)

De Minister voor Rechtsbescherming

Gelet op artikel 46a van de Wet op de rechterlijke organisatie;

Gehoord de Raad voor de rechtspraak;

Gehoord het College van procureurs-generaal;

BESLUIT

Artikel 1

Voor de behandeling van meervoudige strafzaken die aanhangig zijn gemaakt bij de rechtbank Rotterdam, wordt de rechtbank Zeeland-West-Brabant aangewezen als rechtbank waarvan de zittingsplaatsen onderscheidenlijk overige zittingsplaatsen tijdelijk mede worden aangemerkt als zittingsplaatsen onderscheidenlijk overige zittingsplaatsen van de rechtbank Rotterdam, als bedoeld in artikel 46a, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Artikel 2

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2023 en vervalt op 1 januari 2026.

Artikel 3

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke aanwijzing rechtbank Zeeland-West-Brabant voor meervoudige strafzaken van de rechtbank Rotterdam.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 15 november 2022

De Minister voor Rechtsbescherming, F.M. Weerwind

TOELICHTING

Met deze regeling wordt toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 46a van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO). Op grond van die bepaling kan de Minister voor Rechtsbescherming een rechtbank aanwijzen waarvan de (overige) zittingsplaatsen voor de behandeling van een bepaalde categorie van zaken tijdelijk mede worden aangemerkt als (overige) zittingsplaatsen van een andere rechtbank. Een dergelijke aanwijzing kan alleen worden gegeven in geval van een tijdelijk gebrek aan voldoende zittingscapaciteit.

Deze aanwijzing wordt gedaan op verzoek van de Raad voor de Rechtspraak, mede namens de betrokken gerechtsbesturen, vanwege een tijdelijk gebrek aan voldoende zittingscapaciteit op het terrein van meervoudige strafzaken in eerste aanleg bij de rechtbank Rotterdam.

Meer specifiek is dit gebrek ontstaan door een grote voorraad van nieuwe politierechter zaken in Rotterdam, die is ontstaan omdat er veel in verhouding complexe zaken zijn aangebracht op de zitting van de politierechter. Hierdoor kunnen er minder zaken per zitting worden afgedaan. Vanwege dit gebrek aan zittingscapaciteit kan (een deel van) de werkvoorraad strafzaken waarover de rechtbank Rotterdam beschikt niet binnen een redelijke termijn worden behandeld. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft ten aanzien van strafzaken zittingscapaciteit beschikbaar.

In de periode dat de aanwijzing geldt worden, voor de behandeling van strafzaken in eerste aanleg, de zittingsplaatsen en overige zittingsplaatsen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant aangewezen als zittingsplaatsen en overige zittingsplaatsen van de rechtbank Rotterdam. Zo kan de rechtbank Rotterdam de betreffende strafzaken behandelen op een zittingsplaats buiten het eigen arrondissement. De zaken blijven formeel aanhangig bij de rechtbank Rotterdam. De feitelijke behandeling kan in Zeeland-West-Brabant plaatsvinden, door rechters van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, in hun hoedanigheid van rechter-plaatsvervanger van de rechtbank Rotterdam (alle rechters zijn op grond van artikel 40, tweede lid, Wet RO van rechtswege plaatsvervanger in overige rechtbanken).

Uit artikel 46a, tweede lid, Wet RO volgt dat de geldigheidsduur voor een aanwijzing als bedoeld in dit artikel maximaal drie jaar is. De geldigheidsduur kan daarna eenmalig voor de duur van maximaal een jaar worden verlengd. Voor de onderhavige aanwijzing wordt de geldigheidsduur op drie jaar bepaald.

’s-Gravenhage, 15 november 2022

De Minister voor Rechtsbescherming, F.M. Weerwind

Naar boven