Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| De Nederlandsche Bank | Staatscourant 2022, 29274 | ander besluit van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| De Nederlandsche Bank | Staatscourant 2022, 29274 | ander besluit van algemene strekking |
De Nederlandsche Bank N.V.,
Na overleg met de representatieve organisaties en consultatie;
Gelet op artikel 24a1, tweede lid, van het Besluit prudentiële regels Wft;
Gelet op Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PbEU 2019, L 314), in het bijzonder de artikelen 8, vierde lid, en 29, zesde lid;
BESLUIT:
De Regeling specifieke bepalingen IFR en IFD wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1:2 komt te luiden:
1. Voor de toepassing van hoofdstuk 2 en 3 van deze regeling wordt onder beheerder verstaan: een beheerder van een beleggingsinstelling of een beheerder van een icbe die een activiteit verricht of een beleggingsdienst verleent als bedoeld in artikel 2:67a, tweede lid, van de Wft, respectievelijk artikel 2:69c, tweede lid, van de Wft.
2. Voor de toepassing van hoofdstuk 3 van deze regeling wordt onder beleggingsonderneming verstaan: een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 1:1 van de Wft.
B
In hoofdstuk 3 worden de volgende artikelen geplaatst:
1. Een beleggingsonderneming die kwalificeert als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de IFR en een beheerder die aan de in artikel 12, eerste lid, IFR bepaalde voorwaarden voldoet, voldoen aan artikel 24a1, eerste lid, van het Bpr.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een beleggingsonderneming die kwalificeert als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de IFR of een beheerder die aan de in artikel 12, eerste lid, IFR bepaalde voorwaarden voldoet, indien zij uitsluitend beleggingsdiensten als bedoeld in onderdelen a of d van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de Wft verlenen.
1. De selectie van deltaformules en bijbehorende parameters gegeven in artikel 279 bis CRR is in elk geval goedgekeurd als een passend model dat door beleggingsondernemingen mag worden toegepast voor de berekening van de delta voor toezichtdoeleinden van opties en swaptions als bedoeld in artikel 29, zesde lid, van de IFR en voor de berekening van de delta in artikel 329(1) CRR.
2. Wanneer een beleggingsonderneming gebruik maakt van deltaformules en bijbehorende parameters gegeven in artikel 279 bis CRR past zij, voor zover relevant, de Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/931 van de Europese Commissie toe.
3. De deltaformule en de bijbehorende parameters in artikel 279 bis CRR mogen niet gebruikt worden indien deze niet tot een uitkomst leiden of leiden tot een berekende delta die geen correcte benadering is van de verandering van de prijs van de optie door de prijs van de onderliggende waarde.
Voor de toepassing van artikel 8, vierde lid, IFR is in elk geval goedgekeurd dat de notionele eigenvermogensvereisten voor dochterondernemingen die in derde landen gevestigd zijn, als bedoeld in de tweede alinea van artikel 8, vierde lid, IFR, de eigenvermogensvereisten zijn die op individuele basis ingevolge de IFR op deze dochters van toepassing zouden zijn geweest indien zij hun zetel zouden hebben in een lidstaat.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Amsterdam, 10 oktober 2022
De Nederlandsche Bank N.V. S.J. Maijoor
Deze wijziging van de Regeling opties en discreties IFR en IFD 2021 geeft uitvoering aan een aantal toezichthouderopties en discreties in de richtlijn en verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen (IFD en IFR). Voor zover het de uitvoering van toezichthouderopties en discreties betreft in de IFD, vormt artikel 24a1, tweede lid, van het Bpr de grondslag voor deze regeling. Voor zover het de uitvoering van toezichthouderopties en discreties betreft in de IFR vormt het betreffende artikel in de IFR de grondslag voor deze regeling.
De concepttekst van de onderhavige regeling is van 17 maart 2022 tot 15 april 2022 openbaar geconsulteerd op de website van DNB. Er zijn 2 reacties ontvangen, afkomstig van Flow Traders N.V. (hierna: FTNV) en de Association of Proprietary Traders (APT). Onderstaande tabel geeft het ontvangen commentaar weer, de reactie van DNB, en de eventuele wijzigingen die uit het commentaar volgden.
|
# |
Onderwerp |
Details |
Reactie DNB |
Wijzigingen |
|---|---|---|---|---|
|
1 |
Redactie |
De reageerders geven aan dat er een redactionele fout in artikel 3:2 van de regeling staat, waarin wordt verwezen naar artikel 26(9) IFR. De juiste verwijzing is echter naar artikel 29(6) IFR. |
Dit betreft inderdaad een redactionele fout. De juiste verwijzing – naar artikel 29(6) IFR – is overgenomen. |
Ja |
|
2 |
Berekenen van de delta van opties en/of warrants |
DNB wordt gevraagd om, naast de algemene goedkeuring die nu in artikel 3:2 van de regeling wordt vastgesteld, ook een algemene goedkeuring te verlenen voor het toepassen van de deltaformule en parameters uit artikel 279a CRR voor de berekening van de delta als bedoeld in artikel 329(1) CRR. |
De deltaformule en parameters uit artikel 279a CRR om de delta voor de berekening van de kapitaaleis voor tegenpartijkredietrisico goed te keuren zijn in de consultatieversie algemeen goedgekeurd, omdat dit leidt tot eenvoud, consistentie met het marktrisicoraamwerk voor banken die met vergelijkbare modellen werken en lastenverlichting. Omdat deze redenen in gelijke zin ook opgaan voor de berekening van de delta bedoeld in artikel 329(1) CRR, acht DNB het gepast om in de regeling ook goedkeuring te verlenen voor het gebruik van de deltaformule en parameters uit artikel 279a CRR voor de berekening van de delta als bedoeld in artikel 329(1) CRR. |
Ja |
|
3 |
Artikel 8(4) IFR |
De reageerders geven aan het fundamenteel oneens te zijn met de invulling door DNB van de discretie onder artikel 8, vierde lid, IFR. Zij zijn van mening dat deze invulling berust op een onjuiste interpretatie van artikel 8, vierde lid, IFR. Volgens de reageerders komt de invulling van DNB erop neer dat de niet-Europese dochterondernemingen voor de berekening van het door een moederonderneming aan te houden vermogen voor in derde landen gevestigde dochterondernemingen de IFR moeten toepassen. |
Het doel van deze bepaling is het verlenen van een algemene goedkeuring om als notionele eigenvermogensvereisten voor dochterondernemingen die in derde landen gevestigd zijn, de eigenvermogensvereisten te gebruiken die op individuele basis ingevolge de IFR op deze dochters van toepassing zouden zijn geweest indien zij hun zetel zouden hebben in een lidstaat. DNB beschouwt de eigenvermogensvereisten ingevolge de IFR als ‘voldoende voorzichtig’, omdat de IFR het Europese toezichtregime betreft dat is ontworpen om de specifieke kwetsbaarheden en risico's die inherent zijn aan beleggingsondernemingen, in de vorm van gepaste en proportionele prudentiële regelingen, te adresseren. DNB neemt daarom als uitgangspunt dat de eigenvermogensvereisten uit de IFR een voldoende niveau aan voorzichtigheid bieden om de risico’s van ondernemingen uit derde landen die vergelijkbare activiteiten en diensten als beleggingsondernemingen gevestigd in de Europese Unie verrichten, te dekken. Op die manier wordt voldaan aan het vereiste dat de notionele eigenvermogensvereisten een voldoende niveau aan voorzichtigheid waarborgen. Artikel 3:3 van de regeling beoogt daarom het gebruik van de IFR in algemene zin goed te keuren, als bedoeld in de tweede alinea van artikel 8, vierde lid, IFR, zodat voor het gebruik van de IFR niet langer een individuele goedkeuring hoeft te worden aangevraagd. Deze algemene goedkeuring laat onverlet de mogelijkheid dat DNB, op basis van een individuele aanvraag, ook de toepassing van een ander notioneel eigenvermogensvereiste kan goedkeuren, mits dat vereiste een voldoende niveau aan voorzichtigheid waarborgt om de risico's die van de dochterondernemingen uitgaan te dekken. De tekst van artikel 3:3 van de regeling is aangepast om te verduidelijken dat algemene goedkeuring van de IFR niet betekent dat DNB geen goedkeuring zou kunnen verlenen voor het gebruik van andere notioneel eigenvermogensvereisten. |
Ja |
|
4 |
Artikel 8(4) IFR |
Een van de reageerders stelt dat DNB, in tegenstelling tot Ierland, beleggingsondernemingen niet de kans geeft om een aanvraag in te dienen, die individueel wordt beoordeeld. |
De algemene goedkeuring zoals hierboven toegelicht, laat onverlet de mogelijkheid dat DNB, op basis van een individuele aanvraag, ook de toepassing van een ander notioneel eigenvermogensvereiste kan goedkeuren, mits dat vereiste een voldoende niveau aan voorzichtigheid waarborgt om de risico's die van de dochterondernemingen uitgaan te dekken. DNB zal dan per individueel geval beoordelen of de voorgestelde eigenvermogensvereisten een voldoende niveau aan voorzichtigheid waarborgen, waarbij de aanvrager aannemelijk dient te maken dat er sprake is van een voldoende niveau aan voorzichtigheid. Zoals hierboven ook aangegeven, is de tekst van artikel 3:3 van de regeling aangepast om te verduidelijken dat algemene goedkeuring van de IFR niet betekent dat DNB geen goedkeuring zou kunnen verlenen voor het gebruik van andere notioneel eigenvermogensvereisten. |
Ja |
|
4 |
Artikel 8(4) IFR |
Een van de reageerders stelt dat artikel 8, lid 4, IFR het equivalent van het oude artikel 15 CRR is. |
DNB merkt op dat artikel 8, lid 4, IFR afwijkt van het voormalige tweede lid van artikel 15 CRR. Op basis van artikel 8, lid 4, IFR kan DNB alleen toestemming geven, indien er sprake is van een voldoende niveau aan voorzichtigheid. Deze voorwaarde was niet opgenomen in artikel 15, lid 2, CRR. Artikel 8, lid 4, IFR is derhalve geen voortzetting van artikel 15, lid 2, CRR. De beoordeling of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 4, IFR is kortom een zelfstandige beoordeling. |
Nee |
|
5 |
Artikel 8(4) IFR |
Een van de reageerders stelt dat artikel 8, lid 4, IFR, verwijst naar de eisen voor het eigen vermogen zoals die gehanteerd worden door de relevante toezichthouder van die dochteronderneming. Verder stelt een van de reageerders dat lokale kapitaalvereisten voldoen aan een voldoende niveau van voorzichtigheid. |
Uit het feit dat deze eigenvermogensvereisten in de betreffende derde landen worden gehanteerd, volgt niet dat deze eigenvermogensvereisten per definitie kwalificeren, of dienen te kwalificeren, als notionele eigenvermogensvereisten die een voldoende niveau aan voorzichtigheid waarborgen om de risico's die van de niet-EU dochterondernemingen uitgaan te dekken, zoals bedoeld in artikel 8, lid 4, IFR. Het doel van de kapitaalvereisten voor de moederonderneming onder artikel 8 IFR, is om, op proportionele wijze, de risico’s die op het niveau van een beleggingsondernemingsgroep kunnen voordoen te beperken. |
Nee |
|
6 |
Een van de reageerders beargumenteert dat de jaarlijkse ICLAAP-verplichting voor beleggingsondernemingen die toestemming hebben gekregen om het groepskapitaalcriterium toe te passen, het risico ondervangt dat niet-Europese dochterondernemingen onvoldoende kapitaal aanhouden. |
De ICLAAP-verplichting (pijler 2-eis) is niet bedoeld ter vervanging van de (pijler 1) kapitaalvereisten die uit de IFR volgen. Er zal altijd voldaan moeten worden aan de pijler 1 kapitaalvereisten, waaronder, indien van toepassing, het groepskapitaalcriterium. Pijler 2 is bedoeld om, in aanvulling op de pijler 1 vereisten, risico’s die niet (voldoende) worden gedekt door de pijler 1 eigenvermogensvereiste te kapitaliseren. |
Nee |
|
|
7 |
Een van de reageerders geeft aan dat in de praktijk de analyse bedoeld onder artikel 8, lid 4, IFR waarschijnlijk slechts voor een beperkt aantal landen waar derde land dochterondernemingen gevestigd zijn gemaakt hoeft te worden, en dat een groot internationaal advocatenkantoor een vergelijkende analyse van kapitaalvereisten kan uitvoeren. |
Zoals eerder aangegeven, betekent de in de regeling gegeven algemene goedkeuring voor het gebruik van de IFR als ‘notioneel eigenvermogensvereiste’ niet dat DNB, op basis van een individuele aanvraag, geen goedkeuring zou kunnen verlenen voor het gebruik van een ander notioneel eigenvermogensvereiste. Het is dan aan de aanvrager om te onderbouwen waarom dit andere notioneel eigenvermogensvereiste een voldoende niveau aan voorzichtigheid waarborgt om de risico's die uitgaan van dochterondernemingen die in derde landen gevestigd zijn, te dekken. |
Nee |
|
|
8 |
Een van de reageerders stelt in haar reactie dat niet-EU CCP’s die voldoen aan EMIR in de EU clearing diensten mogen verlenen, en dat EMIR dezelfde structuur heeft als IFR. Een van de reageerders stelt de vraag waarom deze equivalentiebepaling van de EC niet wordt overwogen voor de toepassing van artikel 8(4) IFR. |
De onderhavige regeling ziet op het regime voor beleggingsondernemingen en niet voor CCP’s. Verder acht DNB in dat kader relevant dat zij, als nationale toezichthouder, niet bevoegd is derde landen kapitaalregimes equivalent te verklaren. Een dergelijk equivalentiebesluit kan alleen de Europese Commissie nemen op basis van artikel 47, lid 1, van Verordening (EU) nr. 600/2014. Dergelijke besluiten zijn tot op heden niet genomen. Derhalve kan DNB ook niet op basis van een equivalentiebesluit van de Commissie vaststellen of een specifiek derde landen kapitaalregime een voldoende niveau aan voorzichtigheid waarborgt om de risico's van de niet-EU dochterondernemingen te dekken. Wel zal DNB, mocht dat van toepassing zijn, dergelijke equivalentiebesluiten in de toekomst laten meewegen wanneer een aanvraag wordt gedaan door een beleggingsonderneming voor toepassing van het groepskapitaalcriterium zoals in artikel 8(4) IFR is vastgelegd. |
Nee |
|
|
9 |
Een van de reageerders stelt dat de huidige regeling zorgt voor een ongelijk speelveld in Europa en dat het vestigingsklimaat in Nederland hierdoor negatief wordt beïnvloed. |
DNB vindt het belangrijk dat de wet- en regelgeving in Europa geharmoniseerd is zodat er een gelijk speelveld ontstaat. Een ander zwaarwegend belang is dat financiële instellingen voldoende gekapitaliseerd zijn. Met de invulling van de opties en discreties zoals vastgesteld in de huidige regeling is DNB van mening dat beide belangen gediend worden. |
Nee |
Artikel 24a1, tweede lid, van het Bpr geeft DNB de bevoegdheid om categorieën beleggingsondernemingen die kwalificeren als kleine en niet verweven beleggingsonderneming (ook wel, klasse 3 beleggingsondernemingen) te verplichten om ook te voldoen aan artikel 24a1, eerste lid, van het Bpr, indien zij dit passend acht. Artikel 24a1, eerste lid, van het Bpr stelt dat een beleggingsonderneming dient te beschikken over solide, doeltreffende en allesomvattende strategieën en procedures aan de hand waarvan zij doorlopend nagaat of en ervoor zorgt dat de hoogte, samenstelling en verdeling van haar toetsingsvermogen en haar liquide activa aansluiten op de omvang en de aard van de risico’s waaraan zij blootstaat, zou kunnen blootstaan en die zij voor anderen kan inhouden (ook wel aangeduid als het ‘Internal Capital and Liquidity Adequacy Assessment Process’ of ‘ICLAAP’). Met artikel 3:1 verplicht DNB alle klasse 3 beleggingsondernemingen te voldoen aan artikel 24a1, eerste lid, van het Bpr, met uitzondering van beleggingsondernemingen die uitsluitend beleggingsdiensten als bedoeld in onderdelen a of d van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de Wft verlenen. Van die laatste categorie beleggingsondernemingen gaan naar verwachting minder prudentiële risico’s uit.
Op basis van artikel 25b van het Bpr dient een beheerder van een beleggingsinstelling of een beheerder van een icbe die een activiteit verricht of een beleggingsdienst verleent op grond van artikel 2:67a, tweede lid, van de Wft, respectievelijk artikel 2:69c, tweede lid, van de Wft, te voldoen aan artikel 24a1 van het Bpr. Indien dergelijke beheerders voldoen aan de voorwaarden uit artikel 12, eerste lid, van de IFR om als klein en niet-verweven te worden aangemerkt wordt in artikel 3:1 bepaald dat zij moeten voldoen aan artikel 24a1, eerste lid, van het Bpr, met uitzondering van beheerders die als klein en niet-verweven kwalificeren en die uitsluitend beleggingsdiensten als bedoeld in onderdelen a of d van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de Wft verlenen. De beheerders dienen het ICLAAP op te stellen voor de gehele onderneming en niet enkel voor die bedrijfsonderdelen die de beleggingsdiensten uitvoeren.
Dit is in feite een voortzetting van de toezichtpraktijk onder het prudentiële regime onder de CRR/CRD.
Beleggingsondernemingen en beheerders kunnen proportionaliteit in acht nemen ten aanzien van het ICAAP en ILAAP. Dat wil zeggen dat het ICAAP en ILAAP passend en evenredig zijn ten opzichte van de aard, de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de betrokken beleggingsonderneming.
Op grond van artikel 29, zesde lid, IFR mag een beleggingsonderneming de delta voor toezichtsdoeleinden van opties en swaptions zelf berekenen, op basis van een passend model dat door bevoegde autoriteit is goedgekeurd. DNB acht de selectie van deltaformules en bijbehorende parameters in artikel 279 bis CRR in ieder geval een passend model op basis waarvan een beleggingsonderneming de delta voor toezichtsdoeleinden van opties en swaptions zelf kan berekenen. Met artikel 3:2 merkt DNB daarom de selectie van deltaformules en bijbehorende parameters uit artikel 279 bis CRR aan als een door haar goedgekeurd model in de zin van artikel 29, zesde lid, IFR en voor de berekening van de delta in artikel 329(1) CRR. Een beleggingsonderneming die voornemens is dit model te gebruiken, hoeft dit model daarom niet ter goedkeuring aan DNB voor te leggen. Wanneer een beleggingsonderneming gebruik maakt van deltaformules en bijbehorende parameters gegeven in artikel 279 bis CRR dient zij, voor zover relevant, de Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/9311 van de Europese Commissie toe te passen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een negatieve spot of strike rate van de onderliggende waarde van renteopties.
De deltaformule en de bijbehorende parameters in artikel 279 bis CRR mogen niet gebruikt worden indien deze geen uitkomst geven of leiden tot een berekende delta die geen correcte benadering is van de verandering van de prijs van de optie door de prijs van de onderliggende waarde. Dit is bijvoorbeeld het geval bij binaire opties. In dat geval moet goedkeuring worden gevraagd aan DNB voor het gebruik van een passend model of zal een delta moeten worden toegepast van +1 in het geval het een long positie betreft of -1 indien het een short positie betreft. Indien een beleggingsonderneming de delta van opties en swaptions zelf wenst te berekenen op basis van een ander model dan de selectie van deltaformules en bijbehorende parameters uit artikel 279 bis CRR, dan kan zij daartoe een verzoek indienen bij DNB en gaat zij slechts over tot het gebruik van dit model indien DNB dit model heeft goedgekeurd.
In afwijking van de standaardmethode van prudentiële consolidatie in overeenstemming met artikel 7 IFR, kan DNB beleggingsondernemingen ook toestaan om hun kapitaaleisen op groepsniveau te berekenen op basis van het groepskapitaalcriterium in overeenstemming met artikel 8 IFR. Indien de beleggingsonderneming gebruik wil maken van de alternatieve berekening van het groepskapitaalcriterium in overeenstemming met artikel 8, vierde lid, IFR, moeten de notionele eigenvermogensvereisten, die worden berekend voor dochterondernemingen die in derde landen gevestigd zijn, een voldoende niveau aan voorzichtigheid waarborgen om de risico's die van die dochterondernemingen uitgaan te dekken. De notionele eigenvermogensvereisten dienen te zijn goedgekeurd door de betrokken bevoegde autoriteiten. Met artikel 3:3 geeft DNB in algemene zin goedkeuring om als notioneel eigenvermogensvereiste voor dochterondernemingen die in een derde land zijn gevestigd, de eigenvermogensvereisten toe te passen die op individuele basis zouden gelden indien de IFR op deze dochterondernemingen van toepassing zou zijn geweest. Ondernemingen hoeven dus geen individuele goedkeuring van DNB te vragen wanneer zij de notionele eigenvermogensvereisten voor dochterondernemingen in derde landen berekenen op basis van de IFR. Gelet op het feit dat de IFR een gepaste en proportionele prudentiële regeling biedt waarmee de specifieke kwetsbaarheden en risico's die inherent zijn aan beleggingsondernemingen worden geadresseerd, is DNB van oordeel dat de IFR daarmee ook een voldoende niveau aan voorzichtigheid waarborgt om de risico’s die uitgaan van dochterondernemingen die in derde landen gevestigd zijn te dekken. Deze algemene goedkeuring voor het gebruik van de IFR als notioneel eigenvermogensvereiste laat onverlet de mogelijkheid dat DNB, op basis van een individuele aanvraag, ook de toepassing van een ander notioneel eigenvermogensvereiste kan goedkeuren, mits dat vereiste een voldoende niveau aan voorzichtigheid waarborgt om de risico's die van de dochterondernemingen uitgaan te dekken. DNB zal dan per individueel geval beoordelen of de voorgestelde eigenvermogensvereisten een voldoende niveau aan voorzichtigheid waarborgen, waarbij de aanvrager aannemelijk dient te maken dat er sprake is van een voldoende niveau aan voorzichtigheid.
Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/931 van de Commissie van 1 maart 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de methode voor het identificeren van derivatentransacties met één of meer dan één substantiële risicodeterminant voor de toepassing van artikel 277, lid 5, de formule voor de berekening van de delta voor toezichtsdoeleinden van call- en putopties die zijn gemapt naar de risicocategorie renterisico, en de methode om te bepalen of een transactie een lange of korte positie is in de primaire risicodeterminant of in de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor de toepassing van artikel 279 bis, lid 3, onder a) en b), in de standaardbenadering voor tegenpartijrisico, OJ L 204, 10.6.2021, p. 7–12.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2022-29274.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.