Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Buitenlandse Zaken | Staatscourant 2022, 28712 | advies Raad van State |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Buitenlandse Zaken | Staatscourant 2022, 28712 | advies Raad van State |
Afdeling Verdragen
MINBUZA-2022.1377768
’s-Gravenhage, 20 oktober 2022
Aan de Koning
Nader rapport inzake het voorstel van rijkswet houdende goedkeuring van het op 29 augustus 2021 te Abu Dhabi tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken (Trb. 2021, 116)
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 21 april 2022, no. 2022000909, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk haar advies inzake het bovenvermelde verdrag rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 6 juli 2022, No.W16.22.0061/II/K, bied ik U hierbij aan.
De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie.
Bij Kabinetsmissive van 21 april 2022, nr. 2022000909, heeft Uwe Majesteit, op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt een voorstel van Rijkswet houdende goedkeuring van het op 29 augustus 2021 te Abu Dhabi tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken (Trb. 2021, 116), met memorie van toelichting.
Het verdrag regelt het verlenen van wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) en het Koninkrijk der Nederlanden (het Koninkrijk). Het verdrag maakt het mogelijk om voor alle delicten om wederzijdse rechtshulp te verzoeken indien de gevraagde onderzoekshandelingen ten dienste staan aan het in de verzoekende staat gevoerde strafrechtelijke onderzoek en mits deze onderzoekshandelingen mogelijk zijn volgens nationaal strafprocesrecht. Voorts wordt beoogd de samenwerking met de autoriteiten van de VAE soepeler en sneller te laten verlopen. Het voorstel van rijkswet strekt tot goedkeuring van dit verdrag.
De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk wijst erop dat goedkeuring van een verdrag inzake wederzijdse rechtshulp onder meer veronderstelt dat het vertrouwen bestaat dat de fundamentele mensenrechten van betrokkenen in de andere staat worden gerespecteerd. Dit vertrouwen werkt door in de terughoudende beoordeling door de rechter die in dit verband een beroep op het risico van een mensenrechtenschending beoordeelt.
In het licht daarvan is het van belang dat de regering bij het aangaan van een bilateraal verdrag als het onderhavige zorgvuldig de mensenrechtensituatie in de andere staat beoordeelt. Deze afweging dient met het oog op de parlementaire goedkeuring van het verdrag tot uitdrukking te komen in de memorie van toelichting. De toelichting geeft er geen blijk van dat een dergelijke beoordeling heeft plaatsgevonden. Nu er vragen kunnen worden gesteld over de mensenrechtensituatie in de VAE, adviseert de Afdeling in de toelichting alsnog aandacht te besteden aan de mensenrechtensituatie in de VAE.
Het voorstel strekt tot goedkeuring van het op 29 augustus 2021 te Abu Dhabi tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk en de VAE inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken.1 Het verdrag bevat de verplichting tot het in zo ruim mogelijke mate verlenen van wederzijdse rechtshulp bij strafrechtelijke onderzoeken, vervolgingen of procedures in strafzaken.2 Rechtshulp houdt in dat strafrechtelijke onderzoekshandelingen worden verricht op verzoek van een justitiële autoriteit van de verzoekende staat. Gedacht kan worden aan het horen van de verdachte of van getuigen onder ede, het betekenen van gerechtelijke documenten en het uitvoeren van verzoeken om doorzoeking, inbeslagneming of bevriezing.3 Bij de uitvoering van een verzoek tot wederzijdse rechtshulp gelden grotendeels de regels van intern strafprocesrecht.4 De verplichting tot het verlenen van rechtshulp is niet absoluut en het verdrag voorziet in (de gebruikelijke) gronden om de rechtshulp te weigeren.5
Tussen de VAE en het Koninkrijk bestaat thans op grond van diverse multilaterale verdragen een rechtshulprelatie.6 De desbetreffende verdragen zijn evenwel voor specifieke doeleinden gesloten. Deze rechtshulprelatie kent daardoor volgens de toelichting beperkingen. Wederzijdse rechtshulp is niet altijd mogelijk. Vanwege de intensivering van het personenverkeer en de zakelijke betrekkingen tussen de VAE en het Koninkrijk en hun inwoners neemt de behoefte aan een beter op de relatie tussen staten toegesneden juridische samenwerking toe, aldus de toelichting. Met de intensivering gaat immers ook een verplaatsing van criminaliteit gepaard.7
Met het voorliggende bilaterale verdrag kan in veel meer gevallen dan thans om rechtshulp worden verzocht. Het verdrag maakt het mogelijk om voor alle delicten om rechtshulp te verzoeken indien de gevraagde onderzoekshandelingen ten dienste staan aan het in de desbetreffende staat gevoerde strafrechtelijk onderzoek en mits deze onderzoekshandelingen mogelijk zijn volgens nationaal strafprocesrecht. Te denken valt aan moord, doodslag en andere geweldsdelicten, maar ook aan financieel-economische delicten. Het verdrag beoogt de samenwerking met de autoriteiten van de VAE bovendien soepeler en sneller te laten verlopen.8
De memorie van toelichting is naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk (de Raad) uitgebreid met een nieuwe paragraaf 1.2, met daarin een nadere beschouwing over de beleidsmatige grondslag van het verdrag. Deze paragraaf is tevens opgenomen ter verdere verduidelijking van de behoefte naar een intensievere samenwerking met andere staten buiten Europa dan alleen de Verenigde Arabische Emiraten, ten behoeve van de bestrijding van ondermijnende criminaliteit. De veelvormigheid van deze criminaliteit vergt dat een intensievere strafrechtelijke samenwerking met de Verenigde Arabische Emiraten plaatsvindt dan mogelijk is op basis van alleen multilaterale verdragen waar beide landen partij bij zijn.
Met wederzijdse rechtshulp wordt bijgedragen aan het vergaren van (bewijs)materiaal ten behoeve van strafrechtelijke onderzoeken. Als er in de staat die om rechtshulp verzoekt een eerlijke rechtsgang is, die in overeenstemming is met algemeen aanvaarde mensenrechtennormen, is wederzijdse rechtshulp een nuttig instrument om straffeloosheid te voorkomen. Er zijn echter staten waarin de betrokkene het gevaar loopt te worden onderworpen aan schending van zijn mensenrechten.9
Op het moment van uitvaardiging van een rechtshulpverzoek en op het moment van inwilliging of uitvoering van een rechtshulpverzoek rust op het Koninkrijk de plicht om door uitvaardiging of uitvoering van een rechtshulpverzoek geen schending van fundamentele rechten te bewerkstelligen.10 Deze verplichting vloeit voort uit het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en houdt in dat een verdragsluitende staat de verplichting heeft om de verdragsrechten te beschermen van een ieder die onder haar rechtsmacht ressorteert.11 Dit kan worden afgeleid uit het Soering-arrest, dat ziet op uitlevering maar dat tevens relevant wordt geacht voor het verlenen van wederzijdse rechtshulp.12
Er is sprake van een positieve grondhouding ten opzichte van de inwilliging en uitvoering van een verzoek tot wederzijdse rechtshulp indien dit is gebaseerd op een verdrag.13 Er kan slechts van inwilliging van het verzoek worden afgezien als zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen die voortvloeien uit het verdrag of de wet, in het bijzonder de weigeringsgronden, of indien door inwilliging van het rechtshulpverzoek wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht.14 De rechter die in dit verband een beroep op het risico van een mensenrechtenschending beoordeelt, stelt zich terughoudend op gezien het vertrouwensbeginsel.15
Het voorgaande brengt met zich dat de regering bij het voorstel tot goedkeuring van een bilateraal rechtshulpverdrag een goed beeld zal moeten hebben van de mensenrechtensituatie in het land waarmee het verdrag is gesloten. Goedkeuring van rechtshulpverdrag kan alleen gegeven worden als voldoende zekerheid bestaat dat rechtshulp in het algemeen, mede met het oog op de hiervoor genoemde verdragsverplichtingen, verantwoord zal zijn.
In de toelichting op het voorliggende verdrag ontbreekt een uiteenzetting over dit onderwerp. In de toelichting wordt enkel aandacht besteed aan de omstandigheid dat in de VAE de doodstraf en lijfstraffen kunnen worden opgelegd. Het verdrag voorziet erin dat het verlenen van rechtshulp kan worden geweigerd als er geen voldoende garantie wordt gegeven dat geen doodstraf of lijfstraffen worden opgelegd dan wel dat deze niet ten uitvoer zal worden gelegd.16 Daardoor vormt het bestaan van de doodstraf en lijfstraffen in de VAE voor goedkeuring van het verdrag in beginsel geen beletsel.
In diverse mensenrechtenrapportages wordt evenwel het beeld geschetst dat daarnaast sprake is van mensenrechtenschendingen ten aanzien van politieke gevangenen, zoals mensenrechtenactivisten.17 Uit de rapportages komt naar voren dat foltering in die gevallen niet wordt geschuwd.18 Ook dit gegeven vormt voor goedkeuring van het verdrag niet zonder meer een beletsel. Het verdrag voorziet er immers in dat rechtshulp wordt geweigerd indien het betrekking heeft op een strafbaar feit dat door de aangezochte staat wordt gezien als een politiek delict.19
Wel is de inhoud van deze rapportages zorgelijk te noemen. Dit doet vragen rijzen ten aanzien van de mensenrechtensituatie van verdachten van of andere betrokkenen bij strafbare feiten waarvoor rechtshulp kan worden verleend.20 De mensenrechtenrapportages geven daarvan niet een helder beeld. De rapportages gaan bijvoorbeeld niet in op de vraag of en in hoeverre in de VAE het recht op een eerlijk proces wordt geschonden: in hoeverre zijn de rechters onafhankelijk en zijn er waarborgen voor een eerlijk proces?
In dat licht is tevens van belang dat de VAE geen partij zijn bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,21 en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten.22 Wel zijn de VAE toegetreden tot verschillende andere mensenrechtenverdragen, zoals het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie,23 het Genocideverdrag,24 het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen25 en het Folterverdrag.26 Bij een aantal van die verdragen hebben de VAE evenwel bezwaarlijke voorbehouden gemaakt en erkennen de VAE anders dan Nederland niet het individuele klachtrecht onder dit verdrag.27
Bovendien zijn de VAE geen partij bij het Facultatief Protocol bij het Folterverdrag.28 Dat protocol heeft een systeem in het leven geroepen van periodieke bezoeken door onafhankelijke internationale en nationale organen aan plaatsen waar personen gedetineerd worden teneinde foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing te voorkomen. Onafhankelijke mensenrechtenorganisaties worden daarnaast niet toegelaten voor het doen van onderzoek in het land en het bezoeken van gevangenissen.29 Dit bemoeilijkt dus het internationaal toezicht op de mensenrechtensituatie in de VAE.
Mede in verband met de door het vertrouwensbeginsel ingegeven positieve grondhouding ten opzichte van de inwilliging en uitvoering van een verzoek tot wederzijdse rechtshulp en de terughoudende opstelling van de rechter die vanwege het vertrouwensbeginsel in het verdrag besloten ligt, is het van belang dat de regering bij het aangaan van een bilateraal verdrag zorgvuldig de mensenrechtensituatie in de andere staat beoordeelt. Deze afweging dient met het oog op de parlementaire goedkeuring van het verdrag tot uitdrukking te komen in de memorie van toelichting.30
De toelichting geeft er geen blijk van dat een dergelijke beoordeling heeft plaatsgevonden. De Afdeling adviseert in de toelichting alsnog aandacht te besteden aan de mensenrechtensituatie in de VAE. Hierbij kan worden gedacht aan een uiteenzetting van het beeld dat uit de verschillende mensenrechtenrapportages naar voren komt ten aanzien van de in het EVRM en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten beschermde mensenrechten, in het bijzonder het verbod op foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing en het recht op een eerlijk proces, het al dan niet aangesloten zijn bij mensenrechtenverdragen en de daarbij gemaakte voorbehouden en de mogelijkheden van toezicht op de mensenrechtensituatie in de VAE.
De Raad wijst er terecht op dat het EVRM van het Koninkrijk vergt dat de verplichtingen van het EVRM ook jegens personen moeten worden gewaarborgd in verdragsrechtelijke rechtsbetrekkingen met staten die geen partij bij het EVRM zijn. De verdragsverplichtingen van het EVRM vergen dan dat die rechtsbetrekkingen moeten worden gebaseerd op het vertrouwen dat de wederpartij in staat en bereid is de fundamentele rechten te waarborgen. Dat komt tot uitdrukking in artikel 5.1.5, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De Raad geeft, onder verwijzing naar de beginselverplichting van artikel 5.1.4, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en de jurisprudentie van de Hoge Raad31 aan dat een rechtshulpverzoek, gegrond op een verdrag in beginsel wordt ingewilligd, tenzij zich belemmeringen voordoen van wezenlijke aard die voortvloeien uit het verdrag of de wet, in het bijzonder de weigeringsgronden, of indien door inwilliging van het verzoek wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht.
De Raad is van oordeel dat mede in verband met de door het vertrouwensbeginsel ingegeven positieve grondhouding ten opzichte van de inwilliging en uitvoering van een verzoek tot wederzijdse rechtshulp en de terughoudende opstelling van de rechter vanwege het vertrouwensbeginsel dat in het verdrag besloten ligt het van belang is dat de regering bij het aangaan van een bilateraal verdrag zorgvuldig de mensenrechtensituatie in de andere staat beoordeelt.
De regering acht dit uitgangspunt niet onjuist, maar maakt daar wel een aantal kanttekeningen bij. Bij de vestiging van rechtsbetrekkingen tot strafrechtelijke samenwerking met andere staten moet een belangenafweging plaatsvinden. In die afweging moet worden betrokken dat het Koninkrijk enerzijds in staat moet zijn om door middel van de bestrijding van criminaliteit te garanderen dat de fundamentele rechten van hen die zich in het Koninkrijk bevinden zo goed mogelijk worden beschermd. Anderzijds moet in die afweging worden betrokken dat het Koninkrijk, ook in zijn externe relaties zorg moet dragen voor de handhaving van de fundamentele rechten, althans voor zover dat in de macht van het Koninkrijk ligt.
Zou de ruimte voor een dergelijke afweging ontbreken, dan is het ook minder goed mogelijk om de garantie van de mensenrechten in de samenlevingen van het Koninkrijk zelf te garanderen. In de nieuwe paragraaf 1.2 van de memorie van toelichting is nader toegelicht waarom de regering aan het belang van de handhaving van de mensenrechten hecht bij het maken van die belangenafweging. Bij die afweging behoren de mensenrechten, gelet op artikel 43 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, uiteraard een belangrijke plaats in te nemen, maar ook als mensenrechtelijke situatie in de desbetreffende staat zich niet op hetzelfde niveau bevindt als het niveau in het Koninkrijk, behoeft dat naar het oordeel van de regering nog niet prohibitief te zijn voor het vestigen van rechtsbetrekkingen in de vorm van een bilateraal verdrag inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken. Het komt in die categorie van gevallen dan neer op het bieden van zoveel mogelijk waarborgen in het desbetreffende verdrag, en op een grondige toetsing door de rechter, in de gevallen waarin deze geroepen is te oordelen over de uitvoering van verzoeken om rechtshulp. Daarnaast mag van de andere justitiële autoriteiten die krachtens de wet belast zijn met de uitvoering van rechtshulpverzoeken, en met name van de officier van justitie, in individuele gevallen hetzelfde worden verwacht.
De regering heeft bij de totstandkoming van het verdrag de in de jurisprudentie van de Hoge Raad in uitleveringszaken ontwikkelde maatstaf in acht genomen. Die maatstaven zijn naar het oordeel van de regering ook goed bruikbaar bij de totstandkoming van rechtshulpverdragen. De regering wijst erop dat de Hoge Raad ervan uitgaat dat de regering als verdragsluitende partij geacht wordt het verdrag af te stemmen op de aard en de mate waarin de in het EVRM en het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten neergelegde fundamentele rechtsbeginselen worden erkend in de wederpartij32. Die maatstaf vergt dat naarmate de mensenrechtelijke situatie in de wederpartij meer afwijkt van die van het Koninkrijk, er meer aandacht nodig is voor opname van de juiste bepalingen in het desbetreffende verdrag.
De Raad stelt in zijn advies dat de toelichting slechts aandacht schenkt aan de omstandigheid dat in de Verenigde Arabische Emiraten de doodstraf en lijfstraffen bestaan en dat het verdrag erin voorziet dat de verlening van rechtshulp kan worden geweigerd indien er geen garanties worden verleend in gevallen waarin de doodstraf of een lijfstraf is opgelegd. De regering acht dit een te beperkte lezing van de memorie van toelichting en het verdrag.
De memorie van toelichting is naar aanleiding van het advies van de Raad aangevuld met een nieuwe paragraaf 1.4 over de mensenrechtelijke aspecten van het verdrag. In deze paragraaf is verantwoord hoe het verdrag zich verhoudt tot de fundamentele rechtsbeginselen, neergelegd in het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden en het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten. Deze nieuwe paragraaf bestaat gedeeltelijk uit nieuwe tekst.
In de reeds opgenomen tekst zijn daarnaast twee redactionele toevoegingen gedaan.
De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk heeft opmerkingen bij het voorstel van rijkswet en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel van rijkswet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend en aan de Staten van Aruba, die van Curaçao en aan die van Sint Maarten wordt overgelegd.
De vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk
Th.C. de Graaf
Van de gelegenheid is naast de hierboven aangegeven toevoegingen gebruikgemaakt om in paragraaf 4 inzake de Koninkrijkspositie een aanpassing aan te brengen. De regering van Aruba wenst, net zoals de regeringen van Curaçao en Sint Maarten, de medegelding van het verdrag.
Daarnaast zijn er nog enkele redactionele aanpassingen aangebracht. Er is van de mogelijkheid gebruikgemaakt om een alinea te verplaatsen van paragraaf 1.4 naar paragraaf 1.3 inzake de strafrechtelijke samenwerking met de VAE.
Tevens is in de vernummerde paragraaf 1.5 inzake wetgevingsaspecten een verwijzing opgenomen naar de Wetboeken van Strafvordering van Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
De paragraaf over de financiële aspecten van het verdrag alsmede de paragraaf met de artikelsgewijze toelichting zijn vernummerd naar respectievelijk paragraaf 1.6 en paragraaf 2.
Ik moge U, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid, verzoeken het hierbij gevoegde voorstel van rijkswet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, aan de Staten van Aruba, aan de Staten van Curaçao en aan de Staten van Sint Maarten te zenden.
De Minister van Buitenlandse Zaken, W.B. Hoekstra.
No. W16.22.0061/II/K
’s-Gravenhage, 6 juli 2022
Aan de Koning
Bij Kabinetsmissive van 21 april 2022, nr. 2022000909, heeft Uwe Majesteit, op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt een voorstel van Rijkswet houdende goedkeuring van het op 29 augustus 2021 te Abu Dhabi tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken (Trb. 2021, 116), met memorie van toelichting.
Het verdrag regelt het verlenen van wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) en het Koninkrijk der Nederlanden (het Koninkrijk). Het verdrag maakt het mogelijk om voor alle delicten om wederzijdse rechtshulp te verzoeken indien de gevraagde onderzoekshandelingen ten dienste staan aan het in de verzoekende staat gevoerde strafrechtelijke onderzoek en mits deze onderzoekshandelingen mogelijk zijn volgens nationaal strafprocesrecht. Voorts wordt beoogd de samenwerking met de autoriteiten van de VAE soepeler en sneller te laten verlopen. Het voorstel van rijkswet strekt tot goedkeuring van dit verdrag.
De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk wijst erop dat goedkeuring van een verdrag inzake wederzijdse rechtshulp onder meer veronderstelt dat het vertrouwen bestaat dat de fundamentele mensenrechten van betrokkenen in de andere staat worden gerespecteerd. Dit vertrouwen werkt door in de terughoudende beoordeling door de rechter die in dit verband een beroep op het risico van een mensenrechtenschending beoordeelt.
In het licht daarvan is het van belang dat de regering bij het aangaan van een bilateraal verdrag als het onderhavige zorgvuldig de mensenrechtensituatie in de andere staat beoordeelt. Deze afweging dient met het oog op de parlementaire goedkeuring van het verdrag tot uitdrukking te komen in de memorie van toelichting. De toelichting geeft er geen blijk van dat een dergelijke beoordeling heeft plaatsgevonden. Nu er vragen kunnen worden gesteld over de mensenrechtensituatie in de VAE, adviseert de Afdeling in de toelichting alsnog aandacht te besteden aan de mensenrechtensituatie in de VAE.
Het voorstel strekt tot goedkeuring van het op 29 augustus 2021 te Abu Dhabi tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk en de VAE inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken.1 Het verdrag bevat de verplichting tot het in zo ruim mogelijke mate verlenen van wederzijdse rechtshulp bij strafrechtelijke onderzoeken, vervolgingen of procedures in strafzaken.2 Rechtshulp houdt in dat strafrechtelijke onderzoekshandelingen worden verricht op verzoek van een justitiële autoriteit van de verzoekende staat. Gedacht kan worden aan het horen van de verdachte of van getuigen onder ede, het betekenen van gerechtelijke documenten en het uitvoeren van verzoeken om doorzoeking, inbeslagneming of bevriezing.3 Bij de uitvoering van een verzoek tot wederzijdse rechtshulp gelden grotendeels de regels van intern strafprocesrecht.4 De verplichting tot het verlenen van rechtshulp is niet absoluut en het verdrag voorziet in (de gebruikelijke) gronden om de rechtshulp te weigeren.5
Tussen de VAE en het Koninkrijk bestaat thans op grond van diverse multilaterale verdragen een rechtshulprelatie.6 De desbetreffende verdragen zijn evenwel voor specifieke doeleinden gesloten. Deze rechtshulprelatie kent daardoor volgens de toelichting beperkingen. Wederzijdse rechtshulp is niet altijd mogelijk. Vanwege de intensivering van het personenverkeer en de zakelijke betrekkingen tussen de VAE en het Koninkrijk en hun inwoners neemt de behoefte aan een beter op de relatie tussen staten toegesneden juridische samenwerking toe, aldus de toelichting. Met de intensivering gaat immers ook een verplaatsing van criminaliteit gepaard.7
Met het voorliggende bilaterale verdrag kan in veel meer gevallen dan thans om rechtshulp worden verzocht. Het verdrag maakt het mogelijk om voor alle delicten om rechtshulp te verzoeken indien de gevraagde onderzoekshandelingen ten dienste staan aan het in de desbetreffende staat gevoerde strafrechtelijk onderzoek en mits deze onderzoekshandelingen mogelijk zijn volgens nationaal strafprocesrecht. Te denken valt aan moord, doodslag en andere geweldsdelicten, maar ook aan financieel-economische delicten. Het verdrag beoogt de samenwerking met de autoriteiten van de VAE bovendien soepeler en sneller te laten verlopen.8
Met wederzijdse rechtshulp wordt bijgedragen aan het vergaren van (bewijs)materiaal ten behoeve van strafrechtelijke onderzoeken. Als er in de staat die om rechtshulp verzoekt een eerlijke rechtsgang is, die in overeenstemming is met algemeen aanvaarde mensenrechtennormen, is wederzijdse rechtshulp een nuttig instrument om straffeloosheid te voorkomen. Er zijn echter staten waarin de betrokkene het gevaar loopt te worden onderworpen aan schending van zijn mensenrechten.9
Op het moment van uitvaardiging van een rechtshulpverzoek en op het moment van inwilliging of uitvoering van een rechtshulpverzoek rust op het Koninkrijk de plicht om door uitvaardiging of uitvoering van een rechtshulpverzoek geen schending van fundamentele rechten te bewerkstelligen.10 Deze verplichting vloeit voort uit het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en houdt in dat een verdragsluitende staat de verplichting heeft om de verdragsrechten te beschermen van een ieder die onder haar rechtsmacht ressorteert.11 Dit kan worden afgeleid uit het Soering-arrest, dat ziet op uitlevering maar dat tevens relevant wordt geacht voor het verlenen van wederzijdse rechtshulp.12
Er is sprake van een positieve grondhouding ten opzichte van de inwilliging en uitvoering van een verzoek tot wederzijdse rechtshulp indien dit is gebaseerd op een verdrag.13 Er kan slechts van inwilliging van het verzoek worden afgezien als zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen die voortvloeien uit het verdrag of de wet, in het bijzonder de weigeringsgronden, of indien door inwilliging van het rechtshulpverzoek wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht.14 De rechter die in dit verband een beroep op het risico van een mensenrechtenschending beoordeelt, stelt zich terughoudend op gezien het vertrouwensbeginsel.15
Het voorgaande brengt met zich dat de regering bij het voorstel tot goedkeuring van een bilateraal rechtshulpverdrag een goed beeld zal moeten hebben van de mensenrechtensituatie in het land waarmee het verdrag is gesloten. Goedkeuring van rechtshulpverdrag kan alleen gegeven worden als voldoende zekerheid bestaat dat rechtshulp in het algemeen, mede met het oog op de hiervoor genoemde verdragsverplichtingen, verantwoord zal zijn.
In de toelichting op het voorliggende verdrag ontbreekt een uiteenzetting over dit onderwerp. In de toelichting wordt enkel aandacht besteed aan de omstandigheid dat in de VAE de doodstraf en lijfstraffen kunnen worden opgelegd. Het verdrag voorziet erin dat het verlenen van rechtshulp kan worden geweigerd als er geen voldoende garantie wordt gegeven dat geen doodstraf of lijfstraffen worden opgelegd dan wel dat deze niet ten uitvoer zal worden gelegd.16 Daardoor vormt het bestaan van de doodstraf en lijfstraffen in de VAE voor goedkeuring van het verdrag in beginsel geen beletsel.
In diverse mensenrechtenrapportages wordt evenwel het beeld geschetst dat daarnaast sprake is van mensenrechtenschendingen ten aanzien van politieke gevangenen, zoals mensenrechtenactivisten.17 Uit de rapportages komt naar voren dat foltering in die gevallen niet wordt geschuwd.18 Ook dit gegeven vormt voor goedkeuring van het verdrag niet zonder meer een beletsel. Het verdrag voorziet er immers in dat rechtshulp wordt geweigerd indien het betrekking heeft op een strafbaar feit dat door de aangezochte staat wordt gezien als een politiek delict.19
Wel is de inhoud van deze rapportages zorgelijk te noemen. Dit doet vragen rijzen ten aanzien van de mensenrechtensituatie van verdachten van of andere betrokkenen bij strafbare feiten waarvoor rechtshulp kan worden verleend.20 De mensenrechtenrapportages geven daarvan niet een helder beeld. De rapportages gaan bijvoorbeeld niet in op de vraag of en in hoeverre in de VAE het recht op een eerlijk proces wordt geschonden: in hoeverre zijn de rechters onafhankelijk en zijn er waarborgen voor een eerlijk proces?
In dat licht is tevens van belang dat de VAE geen partij zijn bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,21 en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten.22 Wel zijn de VAE toegetreden tot verschillende andere mensenrechtenverdragen, zoals het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie,23 het Genocideverdrag,24 het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen25 en het Folterverdrag.26 Bij een aantal van die verdragen hebben de VAE evenwel bezwaarlijke voorbehouden gemaakt en erkennen de VAE anders dan Nederland niet het individuele klachtrecht onder dit verdrag.27
Bovendien zijn de VAE geen partij bij het Facultatief Protocol bij het Folterverdrag.28 Dat protocol heeft een systeem in het leven geroepen van periodieke bezoeken door onafhankelijke internationale en nationale organen aan plaatsen waar personen gedetineerd worden teneinde foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing te voorkomen. Onafhankelijke mensenrechtenorganisaties worden daarnaast niet toegelaten voor het doen van onderzoek in het land en het bezoeken van gevangenissen.29 Dit bemoeilijkt dus het internationaal toezicht op de mensenrechtensituatie in de VAE.
Mede in verband met de door het vertrouwensbeginsel ingegeven positieve grondhouding ten opzichte van de inwilliging en uitvoering van een verzoek tot wederzijdse rechtshulp en de terughoudende opstelling van de rechter die vanwege het vertrouwensbeginsel in het verdrag besloten ligt, is het van belang dat de regering bij het aangaan van een bilateraal verdrag zorgvuldig de mensenrechtensituatie in de andere staat beoordeelt. Deze afweging dient met het oog op de parlementaire goedkeuring van het verdrag tot uitdrukking te komen in de memorie van toelichting.30
De toelichting geeft er geen blijk van dat een dergelijke beoordeling heeft plaatsgevonden. De Afdeling adviseert in de toelichting alsnog aandacht te besteden aan de mensenrechtensituatie in de VAE. Hierbij kan worden gedacht aan een uiteenzetting van het beeld dat uit de verschillende mensenrechtenrapportages naar voren komt ten aanzien van de in het EVRM en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten beschermde mensenrechten, in het bijzonder het verbod op foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing en het recht op een eerlijk proces, het al dan niet aangesloten zijn bij mensenrechtenverdragen en de daarbij gemaakte voorbehouden en de mogelijkheden van toezicht op de mensenrechtensituatie in de VAE.
De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk heeft opmerkingen bij het voorstel van rijkswet en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel van rijkswet bij de Tweede Kamer der Staten- Generaal wordt ingediend en aan de Staten van Aruba, die van Curaçao en aan die van Sint Maarten wordt overgelegd.
De vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk Th.C. de Graaf.
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 29 augustus 2021 te Abu Dhabi tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken ingevolge artikel 91, eerste lid, van de Grondwet de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Het op 29 augustus 2021 te Abu Dhabi tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, waarvan de Engelse en de Nederlandse tekst zijn geplaatst in Tractatenblad 2021, nr. 116, wordt goedgekeurd voor het gehele Koninkrijk.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
De Minister van Buitenlandse Zaken,
Op 29 augustus 2021 is te Abu Dhabi het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken tot stand gekomen (Trb. 2021, 116) (hierna: het verdrag). Het voornemen tot het sluiten van dit verdrag is in een brief van de Minister van Justitie en Veiligheid van 10 januari 2020 (Kamerstukken II, 2019/20, 35 300 VI, nr. 101) meegedeeld. Het voornemen tot ondertekening van dit verdrag is in de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid van 21 juni 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35 300, VI, nr. 136) meegedeeld. Op 29 augustus 2021 is eveneens een verdrag tussen dezelfde partijen inzake uitlevering tot stand gekomen. Dit verdrag wordt door middel van een afzonderlijk voorstel van rijkswet ter goedkeuring aan beide Kamers en aan de Staten van Aruba, Curaçao, en Sint Maarten voorgelegd.
Tussen de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) en het Koninkrijk der Nederlanden bestaat al een rechtshulprelatie. Die rechtshulp kan tot dusverre alleen plaatsvinden op de grondslag van een aantal multilaterale verdragen waarbij beide staten partij zijn. Het betreft de volgende verdragen die geldend zijn voor het gehele Koninkrijk:
Het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (Trb. 2001, 68);
Het op 20 december 1988 te Wenen tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen (Trb. 1989, 97);
Het op 30 maart 1961 te New York tot stand gekomen Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen (Trb. 1962, 30);
Het op 31 oktober 2003 te New York tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (Trb. 2004, 11);
Het op 15 december 1997 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen (Trb. 1998, 84);
Het op 13 april 2005 te New York tot stand gekomen Internationaal Verdrag ter bestrijding van daden van nucleair terrorisme (Trb. 2005, 290).
De strafrechtelijke samenwerking met een groot aantal landen buiten Europa gelegen staten kan in de regel beperkt blijven tot de reikwijdte van deze verdragen. Met veel van deze staten is slechts sprake van incidentele juridische samenwerking. Bij een intensivering van het personenverkeer en de zakelijke betrekkingen tussen staten en hun inwoners neemt de behoefte aan een beter op de relatie tussen staten toegesneden juridische samenwerking toe. Met de intensivering van het personenverkeer gaat immers ook een verplaatsing van criminaliteit gepaard, ook van het Koninkrijk naar de VAE. Binnen de Europese Unie en de Raad van Europa zijn daarvoor de nodige instrumenten ontwikkeld. Voor de buiten Europa gelegen staten is het sluiten van een bilateraal verdrag daarvoor een doeltreffend alternatief. Een bilateraal verdrag stelt de verdragsluitende partijen in staat op specifiek gebleken behoeften een regeling te treffen.
Gebleken is dat uit de bovengenoemde verdragen de nodige beperkingen voortvloeien die in de ontwikkeling van de relaties tussen het Koninkrijk en de VAE niet langer kunnen worden aanvaard. De desbetreffende verdragen zijn voor specifieke doeleinden gesloten. Zo is rechtshulp op het gebied van grensoverschrijdende georganiseerde misdaad tot op heden alleen mogelijk indien er sprake is van betrokkenheid van meerdere landen en tussen meer dan drie personen. Dit is niet altijd makkelijk om aan te tonen, waardoor rechtshulp op basis van deze verdragen niet altijd mogelijk is. Met een bilateraal verdrag kan nu voor alle delicten, waaronder moord, doodslag en andere geweldsdelicten, maar ook financieel-economische delicten om rechtshulp worden verzocht. Sinds 1 januari 2017 zijn 70 rechtshulpverzoeken door Nederland bij de VAE ingediend. Daarvan zijn er tot dusverre 23 afgerond. In de loop van de tijd is gebleken dat de sluiting van een bilateraal rechtshulpverdrag de samenwerking met de autoriteiten van de VAE soepeler en sneller zal doen verlopen. De intensivering van de juridische samenwerking tussen Nederland en de VAE is overigens niet iets van zeer recente datum. Het onderhavige verdrag, en het gelijktijdig met dit verdrag ter goedkeuring voorgelegde uitleveringsverdrag, is een ontwikkeling die in de lijn ligt van een reeds op 6 augustus 2010 door de Ministers van Justitie van beide staten ondertekend Memorandum van Overeenstemming over de strafrechtelijke samenwerking.
De VAE streven er actief naar met meer staten uit West-Europa de strafrechtelijke samenwerking te verdiepen. Eerder kwamen reeds rechtshulpverdragen tussen de VAE en, respectievelijk, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Italië tot stand. Recent heeft ook België een rechtshulpverdrag met de VAE ondertekend.
Dit verdrag bevat de verplichting tot het verlenen van rechtshulp. Rechtshulp houdt in dat strafrechtelijke onderzoekshandelingen worden verricht op verzoek van een justitiële autoriteit in het buitenland. Het moet gaan om onderzoekshandelingen die ten dienste staan aan in het desbetreffende land gevoerd strafrechtelijk onderzoek. De samenwerking komt tot stand door het doen van een verzoek van de buitenlandse autoriteit waarin wordt gevraagd om specifieke onderzoekshandelingen te verrichten. Doorgaans gaat het daarbij om het horen van getuigen onder ede, het verrichten van een doorzoeking en de inbeslagneming van voorwerpen. In ontnemingszaken gaat het in de regel om het opsporen en confisqueren van opbrengsten verkregen uit het plegen van misdrijven. Bij de vormgeving van dit verdrag hebben partijen zich primair georiënteerd op het maken van afspraken over de wederzijdse rechtshulpverlening die algemeen gebruikelijk is. Het betreft dan de gebruikelijke toepassing van de regels van intern strafprocesrecht, zoals het horen van getuigen of deskundigen en inbeslagneming van voorwerpen. Daarnaast is in het bijzonder aandacht uitgegaan naar de bestrijding van financieel-economische criminaliteit. Daartoe zijn enkele bijzondere afspraken gemaakt.
Het Koninkrijk heeft zich bij de onderhandelingen rekenschap gegeven van de omstandigheid dat in de VAE de doodstraf bestaat. Bovendien kent men in de VAE lijfstraffen. Het Koninkrijk heeft zich erop gericht volledig uit te sluiten dat medewerking aan een rechtshulpverzoek door een van de landen van het Koninkrijk leidt tot het opleggen, onderscheidenlijk het ten uitvoer leggen van een van beide straffen. Daarbij wordt het beleid voortgezet dat gevoerd is in andere gevallen waarin uitleveringsverzoeken uit andere staten afkomstig zijn waarin de doodstraf bestaat. Verwezen wordt naar artikel 7 van het op 29 september 2004 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag bevattende het instrument bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie, ondertekend te Washington op 25 juni 2003, inzake de toepassing van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, ondertekend te ’s-Gravenhage op 24 juni 1980 (Trb. 2004, 299). In de uitleveringsrelatie met de Verenigde Staten is overeengekomen dat voorafgaand aan de beslissing op het uitleveringsverzoek een garantie wordt verlangd dat de doodstraf niet wordt opgelegd, of indien de doodstraf toch is opgelegd, deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd. Worden die garanties niet gegeven, dan kan het uitleveringsverzoek worden geweigerd. Het onderhavige verdrag bevat een bepaling met dezelfde strekking.
Daarnaast is in dit verdrag, mede met het oog op de Algemene verordening gegevensbescherming en richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feite en de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PbEU 2016, L 119) (hierna: de richtlijn) de nodige aandacht geschonken aan de bescherming van persoonsgegevens. Dit is voor het Europese deel van Nederland noodzakelijk uit hoofde van de verplichting tot naleving van Europees recht.
Verder is tijdens, en ook na de onderhandelingen nadrukkelijk aandacht geschonken aan vele praktische uitvoeringskwesties. De feitelijke uitvoering van rechtshulpverzoeken vergt de nodige aandacht, ook omdat er sprake is van verschillen in werkwijzen tussen het Koninkrijk en de VAE.
Het verdrag heeft geen gevolgen voor de Nederlandse wetgeving. Op verzoeken om rechtshulp zijn de bepalingen van Titel I van het Vijfde Boek (Internationale en Europese strafrechtelijke samenwerking) van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van toepassing. In het Caribische deel van Nederland (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) is de uitvoeringswetgeving geregeld in de artikelen 555 tot en met 565 van het Wetboek van Strafvordering BES (Sv BES). In de Caribische landen is de uitvoeringswetgeving opgenomen in de artikelen 555 tot en met 565 van de (eenvormige) Wetboeken van Strafvordering van Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
Het wetsvoorstel heeft geen financiële gevolgen.
Artikel 1, eerste lid, bevat een algemene beginselbepaling over de reikwijdte van het verdrag. Zoals algemeen gebruikelijk in rechtshulpverdragen verbinden partijen zich ertoe aan elkaar de meest ruime vorm van rechtshulp te verlenen. In het tweede lid is verduidelijkt dat rechtshulp verleend kan worden in elke strafrechtelijke procedure. Daarbij hoeft het geen verschil te maken of de rechtshulp verleend moet worden door de rechter of door een andere autoriteit, bevoegd tot onderzoek of vervolging in strafzaken. In het Koninkrijk, althans in Nederland, wordt een rechtshulpverzoek doorgaans gedaan dan wel uitgevoerd door de officier van justitie. Kan een inkomend verzoek om rechtshulp worden uitgevoerd door de politie, dan staat de politie steeds onder het gezag van de officier van justitie. In het derde lid zijn, op niet-limitatieve wijze, de vormen van rechtshulp opgesomd waarop het verdrag in elk geval betrekking heeft. In het vierde lid is de aard van het verdrag verduidelijkt. Het geldt tussen staten. Er bestaat geen aanspraak van particulieren op het doen van verzoeken om rechtshulp, of om de uitvoering van verzoeken om rechtshulp te beletten. In paragraaf 3 van deze memorie wordt nader ingegaan op de verhouding van dit verdrag met artikel 94 van de Grondwet.
De uitwisseling van informatie tussen partijen over hun wetgeving en uitvoeringspraktijk is een essentiële voorwaarde om met vrucht een beroep op rechtshulp te kunnen doen. Het verdrag is immers alleen uitvoerbaar in samenhang met nationaal strafprocesrecht. Uitvoeringspraktijken verschillen doorgaans van elkaar, zodat informatie-uitwisseling nodig is om rechtshulpverzoeken op de juiste wijze te kunnen uitvoeren.
In het eerste lid van artikel 3 is overeengekomen dat rechtshulpverlening moet worden onderscheiden van uitlevering van gezochte personen met het oog op strafvervolging of de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, van de overdracht van gevonniste personen om een reeds aangevangen detentie in de ene verdragspartij voort te zetten in de andere verdragspartij vanwege de resocialisatiemogelijkheden, en van de overdracht van strafvervolging. De verdragsluitende partijen zouden deze vormen van strafrechtelijke samenwerking in afzonderlijke verdragen moeten regelen. Voor de uitlevering is dat inmiddels gerealiseerd. In het tweede lid is overeengekomen dat de partijen elkaars soevereiniteit volledig respecteren. Bevoegdheden van de ene partij worden niet op het grondgebied van de wederpartij uitgeoefend.
In het eerste lid is geregeld dat partijen voor de behandeling van uitgaande en inkomende rechtshulpverzoeken centrale autoriteiten inschakelen. De centrale autoriteiten zijn contactpunten met enerzijds de bevoegde autoriteiten, en anderzijds de ambassades en ministeries van Buitenlandse Zaken voor het diplomatieke verkeer. De bevoegde autoriteiten, doorgaans het openbaar ministerie, zijn opdrachtgevers voor rechtshulpverzoeken. In het tweede lid is geregeld dat de ministeries van Justitie als centrale autoriteit worden aangewezen. Voor het Koninkrijk betreft dit de ministeries van de vier landen. In het derde lid is vastgelegd dat partijen elkaar informeren indien de aanwijzing van de centrale autoriteit verandering ondergaat.
De verlening van wederzijdse rechtshulp is geen verplichting die onbeperkt is. In artikel 5 zijn de doorgaans in rechtshulpverdragen voorkomende weigeringsgronden overgenomen. In het eerste lid zijn dwingende weigeringsgronden neergelegd. Rechtshulp moet worden geweigerd indien het feit waarvoor rechtshulp wordt gevraagd moet worden aangemerkt als zijnde politiek van aard, als een militair delict, als er sprake is van discriminatoire vervolging of indien dit anderszins indruist tegen de soevereiniteit, de veiligheid, de openbare orde of andere wezenlijke belangen van de staat van de aangezochte partij. Aan enkele categorieën van misdrijven is het karakter van politiek misdrijf ontzegd. Het betreft aanslagen gericht tegen de hoogste gezagsdragers in beide partijen, terroristische misdrijven, de financiering van terrorisme of andere misdrijven waaraan krachtens verdragen het politiek karakter is ontzegd, mits beide partijen bij een dergelijk verdrag partij zijn.
In het tweede lid zijn de gebruikelijke facultatieve wegeringsgronden geregeld. Het betreft mogelijke strijd met het beginsel van dubbele strafbaarheid, een reeds in de aangezochte partij aangevangen onderzoek, vervolging of berechting voor het feit waarop het verzoek betrekking heeft en mogelijke strijd met het beginsel van ne bis in idem.
In het derde lid zijn gebruikelijke begrenzingen opgenomen van de bevoegdheid rechtshulp te weigeren. Een wettelijk of contractueel bankgeheim kan niet worden ingeroepen om rechtshulp te weigeren. Zou dit niet geregeld zijn, dan zou de bestrijding van financieel-economische criminaliteit worden bemoeilijkt. Evenmin kan rechtshulp worden geweigerd indien het strafbare feit het belastingstrafrecht van een van de partijen betreft en de desbetreffende belasting of andere heffing in de andere partij niet wordt geheven.
Het vierde lid bevat een voor het Koninkrijk zeer belangrijke weigeringsgrond. Het Koninkrijk wijst de doodstraf en lijfstraffen principieel af. Dat is ten aanzien van de doodstraf vastgelegd in het op 28 april 1983 te Straatsburg tot stand gekomen Zesde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, inzake de afschaffing van de doodstraf. Ook in de Grondwet en in de Staatsregelingen van de landen van het Koninkrijk zijn garanties tegen de oplegging van de doodstraf neergelegd. Daarnaast wordt in de Grondwet en de Staatsregelingen de lichamelijke integriteit gegarandeerd. In de VAE kunnen genoemde straffen wel worden opgelegd, hoewel ze in de praktijk slechts zelden ten uitvoer worden gelegd. Omdat het Koninkrijk niet kan meewerken aan de uitvoering van de doodstraf of een lijfstraf, kan een verzoek om rechtshulp in beginsel worden geweigerd indien het strafrechtelijk onderzoek in het kader waarvan een verzoek om rechtshulp is gedaan zou kunnen leiden tot de oplegging van een dergelijke straf. Een dergelijke weigering moet dan worden gebaseerd op artikel 5, eerste lid, onder d, van het verdrag. Medewerking aan een onderzoek dat tot oplegging van een dergelijke straf kan leiden zou immers de openbare orde van het Koninkrijk schaden, omdat de desbetreffende straffen niet kunnen worden opgelegd. Artikel 5, vierde lid, maakt het echter mogelijk dit toch te doen indien de wederpartij de garantie geeft dat deze straffen niet worden opgelegd, of niet ten uitvoer worden gelegd. Dit is in lijn met eerder door het Koninkrijk aangegane verdragsrechtelijke regelingen, zoals vermeld in paragraaf 1.1 van het algemeen gedeelte van deze memorie.
In het vijfde lid is geregeld dat weigering van rechtshulp steeds onverwijld en gemotiveerd aan de wederpartij geschiedt.
Bescherming van de onderzoeksbelangen en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen vergen dat een ingediend rechtshulpverzoek in beginsel vertrouwelijk van karakter is. In verband daarmee zijn in artikel 6 enige gebruikelijke geheimhoudingsbepalingen opgenomen. In het eerste lid is het uitgangspunt opgenomen dat het rechtshulpverzoek en de daaraan te grondslag liggende feiten zoveel mogelijk geheim worden gehouden. Als daarop uitzonderingen moeten worden gemaakt, geeft dat aanleiding tot nader contact tussen de partijen. Dat contact kan aanleiding zijn voor intrekking van het verzoek. Het tweede lid bevat de verplichting voor beide partijen die geheimhouding ook te verzekeren als voor de uitvoering van het verzoek de medewerking van een derde nodig is. In het derde lid is een specialiteitsregel neergelegd. Na de uitvoering van een verzoek mag de ontvangen informatie en het ontvangen bewijs uitsluitend worden gebruikt voor het onderzoek, de opsporing, vervolging en berechting waarop het verzoek betrekking heeft, en in overeenstemming met de voorwaarden die in het concrete geval zijn overeengekomen.
Het proces van wederzijdse rechtshulpverlening kan niet plaatsvinden zonder de verwerking van persoonsgegevens. Verzoeken om rechtshulp bevatten doorgaans persoonsgegevens van verdachten, getuigen of deskundigen. Op het proces van wederzijdse rechtshulp, voor zover dit bestaat uit de doorgifte van persoonsgegevens uit het Europese deel van het Koninkrijk naar de VAE, zijn de Wet politiegegevens (Wpg) en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) van toepasing. Deze wetten geven uitvoering aan de in paragraaf 1 genoemde richtlijn (EU) 2016/680.
Op grond van artikel 17a Wpg en artikel 16a Wjsg (die uitvoering geven aan hoofdstuk V van de richtlijn) geldt het uitgangspunt dat persoonsgegevens slechts mogen worden doorgegeven aan bevoegde autoriteiten in derde landen op basis van een adequaatheidsbesluit van de Europese Commissie. Bij ontstentenis van een adequaatheidsbesluit kunnen persoonsgegevens worden doorgegeven op basis van passende waarborgen voor de bescherming van persoonsgegevens. Deze waarborgen kunnen zijn opgenomen in een juridisch bindend instrument, zoals een verdrag. Ontbreken ook passende waarborgen dan kunnen persoonsgegevens slechts worden doorgegeven indien dit noodzakelijk is in een aantal situaties, waaronder in afzonderlijke gevallen met het oog op de uitvoering van een taak betreffende de opsporing of vervolging van strafbare feiten en moet worden afgewogen of de grondrechten en fundamentele vrijheden van de betrokkene niet prevaleren boven het algemeen belang van de doorgifte.
Ten aanzien van de VAE heeft de Europese Commissie geen adequaatheidsbesluit vastgesteld. De vaststelling van een dergelijk besluit ligt thans ook niet voor de hand, aangezien de VAE, in elk geval op federaal niveau voor zover het betreft de verwerking van persoonsgegevens voor strafrechtelijke doeleinden, geen gegevensbeschermingsregelgeving kennen. Een toezichthouder ontbreekt eveneens. De verantwoordelijke minister in de VAE heeft overigens onlangs wel een voorstel voor een federale gegevensbeschermingswet aangekondigd. Vooralsnog lijkt dat voorstel echter geen betrekking te hebben op verwerking van persoonsgegevens door de overheid.
Een en ander betekent, gelet op de hierboven beschreven systematiek, dat persoonsgegevens op grond van de Wjsg en de Wpg zouden kunnen worden doorgegeven op basis van passende waarborgen, dan wel in afzonderlijke gevallen. Weliswaar zijn in artikel 7 van het verdrag enige regels opgenomen waar beide partijen in de praktijk een belangrijke mate van houvast aan kunnen ontlenen, maar in vergelijking met Nederland en de andere lidstaten van de EU moet toch gezegd worden dat het geheel van gegevensbescherming in de VAE onmiskenbaar niet van hetzelfde niveau is. Ondanks de waarborgen die zijn voorzien in artikel 7 van het verdrag bieden deze regels tegen de achtergrond van de stand van de wetgeving van de VAE geen volledig stelsel van passende waarborgen in de zin van de artikel 17a, eerste en tweede lid, Wpg en artikel 16a, eerste en tweede lid, Wjsg.
Er moet voor de doorgifte van politiegegevens en strafvorderlijke gegevens dan worden teruggegrepen op de grondslag die artikel 17a, derde lid, onder c en d, van de Wpg en artikel 16a, derde lid, onder c en d, van de Wjsg bieden. Met het oog hierop zijn Nederland en de VAE in artikel 7 van het verdrag een aantal bepalingen overeengekomen inzake de bescherming van persoonsgegevens die bij de uitvoering van een rechtshulpverzoek steeds in acht moeten worden genomen. Deze regels gelden in alle gevallen. Voor dat deel van de waarborgen dat niet wordt bestreken door artikel 7 zal daarom in voorkomend geval na beoordeling van alle omstandigheden moeten worden beoordeeld of de VAE passende waarborgen bieden voor de bescherming van persoonsgegevens. Daartoe kunnen ook nadere voorwaarden worden gesteld aan de uitvoering van een rechtshulpverzoek en nadere afspraken worden gemaakt met de bevoegde autoriteiten in de VAE. Ingevolge de artikelen 32, tweede lid, Wpg en 26d, eerste lid, onder b, van de Wjsg moeten de verwerkingsverantwoordelijken deze doorgiften steeds documenteren, zodat het interne en externe toezicht in staat is na te gaan op welke wijze en onder welke aanvullende waarborgen de doorgiften plaatsvonden.
Met nadruk wordt erop gewezen dat artikel 7 geen grondslag vormt voor enige doorgifte van gegevens in bulk. De context van de doorgifte wordt bepaald door een afzonderlijk rechtshulpverzoek. Dit verzoek kan, afhankelijk van de feiten, uiteraard betrekking hebben op meer dan één persoon, maar in het verzoek moeten de desbetreffende personen behoorlijk worden gespecificeerd.
Voor het Caribische deel van het Koninkrijk geldt dat artikel 7 zodanig is geformuleerd dat het ook daar zal kunnen worden nageleefd, ook al ontbreken specifieke regels voor de verwerking van strafvorderlijke gegevens in de landen vooralsnog.
In het eerste lid, is een op artikel 3, onder 1, van de richtlijn gebaseerde omschrijving van het begrip persoonsgegevens opgenomen die identiek is aan de begripsbepaling in de Wpg en Wjsg. In het tweede lid is een op het verdrag toegesneden regeling van de doelbinding opgenomen. Het verwerken van de door middel van een rechtshulpverzoek doorgegeven gegevens mag uitsluitend plaatsvinden ten behoeve van de uitvoering van het verdrag. Daaraan is een derde-partij-regel toegevoegd. De doorgegeven gegevens mogen niet zonder voorafgaande toestemming van de wederpartij aan een derde land worden doorgegeven. In zoverre is aansluiting gezocht aan de artikelen 4, eerste lid, onder b, en 7 van de richtlijn, geïmplementeerd in de artikelen 17a, zesde lid, van de Wpg en 16a, zesde lid, van de Wjsg. In het derde lid zijn enige bepalingen opgenomen inzake de verplichting te voorzien in accuraatheid van de gegevens en de verplichting om in elk geval beveiligingsmaatregelen te treffen tegen onbedoelde en ongeoorloofde vernietiging of onbedoeld verlies en tegen onrechtmatige of onregelmatige toegang tot de gegevens. Op deze wijze wordt aansluiting gezocht bij de artikelen 3, vijfde lid, van de Wjsg en 4 en 4a van de Wpg. Het vierde lid regelt dat partijen elkaar in elk geval consulteren over geldende of gewenste bewaartermijnen, of over de noodzaak die te verlengen. Partijen kunnen in dat kader ook afspraken maken over het wissen of afschermen van de gegevens. Daarmee wordt aansluiting gezocht aan de artikelen 4, eerste lid, onder d, en 5 van de richtlijn, die in de Wpg en Wjsg zijn geïmplementeerd met verschillende termijnen afhankelijk van de soort persoonsgegevens en de soort verwerking. In het vijfde lid wordt gerefereerd aan de in elk geval in het Europese deel van het Koninkrijk geldende rechten van de betrokkene op inzage, correctie of wissing van de gegevens, alsmede op diens rechten om in algemene zin de voorgeschreven informatie te verkrijgen over de doorgiften van gegevens, zoals voorzien in paragraaf 4 van de Wpg en titel 2, afdeling 3, van de Wjsg (ter implementatie van de artikelen 12, 13, 14 en 16 van de richtlijn). Overeenkomstig de artikelen 27 van de Wpg en 21 van de Wjsg (de artikelen 13, derde lid, en 15 van de richtlijn) kunnen die rechten van de betrokkene overigens worden beperkt. Ook dat aspect is in het vijfde lid geregeld. De rechter en, in Nederland, ook de Autoriteit persoonsgegevens, kunnen een rechtmatigheidsoordeel vellen over de toelaatbaarheid van doorgiften op grond van het verdrag. In het zesde lid is overeengekomen dat partijen elkaar raadplegen over de gevolgen daarvan.
Het is gebruikelijk in bilaterale rechtshulpverdragen een bepaling op te nemen over het verdelen van de kosten. In het eerste lid is de hoofdregel opgenomen dat de uitvoering van een rechtshulpverzoek voor rekening van de aangezochte partij komt. Eveneens gebruikelijk is de uitzondering op die regel voor de kosten gemoeid met de overbrenging van personen naar het grondgebied van de verzoekende partij en de andere direct daarmee verbonden kosten. Hetzelfde geldt voor de kosten van getuigen en deskundigen. In het tweede lid is een overlegverplichting neergelegd voor de gevallen waarin sprake is van bovenmatige kosten.
De betekening van documenten in verband met een strafzaak is een eenvoudige vorm van het verlenen van rechtshulp waarmee verzekerd wordt dat dagvaardingen en oproepingen voor verdachten, getuigen en deskundigen ook op het grondgebied van de wederpartij rechtmatig kunnen worden betekend. In het eerste lid is geregeld dat het recht van de desbetreffende partij beslissend is voor de wijze van betekening. Voor de verzoekende partij geldt op grond van het tweede lid de regel dat dit binnen een redelijke termijn moet plaatsvinden. Het derde lid bevat de door de aangezochte partij in acht te nemen vormvoorschriften. In Nederland moeten de regels opgenomen in artikel 36a en volgende Sv en 643 en volgende Sv BES worden toegepast.
Naast de betekening van een oproeping of dagvaarding van een getuige kan het soms noodzakelijk zijn te bevorderen dat bepaalde personen ook daadwerkelijk verschijnen. Een getuige kan bijvoorbeeld moeilijk vindbaar zijn of aarzelingen hebben te verschijnen in de aangezochte partij vanwege vrees voor zijn veiligheid. Voor die gevallen voorziet het verdrag in nader contact tussen de partijen om de getuige uit te nodigen en te bezien welke eventuele veiligheidsmaatregelen getroffen moeten worden. De verzoekende partij moet dan passende maatregelen treffen. In het eerste lid is dit vastgelegd. De getuige die zich in de wederpartij bevindt kan niet worden verplicht te verschijnen op het grondgebied van de verzoekende partij. Overtreding van de artikelen 192 en 444 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is buiten Nederland niet vervolgbaar. Ook in de aangezochte partij kan de getuige niet worden vervolgd, of anderszins worden onderworpen aan enige straf of dwangmaatregel. Dat is in het tweede lid geregeld.
Een verhoor van een getuige, deskundige, slachtoffer of verdachte kan in de aangezochte partij plaatsvinden, in overeenstemming met de daar geldende wetgeving. De afgelegde verklaringen worden, waar nodig vergezeld van andere verklaringen of bewijsmateriaal aan de verzoekende partij gezonden. De hoofdregel van deze gebruikelijke vorm van rechtshulp is in het eerste en vierde lid geregeld. In Nederland is het zich onttrekken aan de verplichting om te verschijnen als getuige strafbaar. Tijdens de onderhandelingen is gebleken dat die verplichting in het recht van de VAE niet op dezelfde wijze is geregeld. Om die reden is het tweede en derde lid overeengekomen dat indien het nationale recht van een verdragspartij een getuige in een bepaald geval het recht geeft te weigeren te getuigen, dan wel te verschijnen het bestaan van dit recht uitdrukkelijk moet worden verklaard door de desbetreffende partij. Het vijfde lid bevat een voor de uitvoeringspraktijk bijzonder belangrijke regeling. Indien het recht van de aangezochte partij daarin voorziet, kan die partij erin toestemmen dat vertegenwoordigers van de verzoekende partij bij het verhoor aanwezig zijn. Zij kunnen de autoriteiten van de aangezochte partij dan voorstellen doen tot het stellen van vragen aan de verdachte, de getuige of de deskundige. Doorgaans zal de desbetreffende officier van justitie, vergezeld van de politie die taak kunnen uitvoeren. Soms zal een rechter-commissaris een rogatoire commissie moeten leiden.
Het kan zich voordoen dat de persoon van wie medewerking aan een strafrechtelijke procedure wordt verzocht in de aangezochte partij gedetineerd is. Die persoon kan dan worden overgebracht naar het grondgebied van de verzoekende partij indien de minder ingrijpende oplossing, een verhoor per videoconferentie, niet kan plaatsvinden. Na overbrenging wordt de detentie dan voortgezet op het grondgebied van de verzoekende partij. Dat is in het eerste lid geregeld. Deze ingrijpende regeling kan slechts worden toegepast indien aan drie voorwaarden is voldaan. Die voorwaarden zijn in het tweede lid geregeld. Ten eerste moet de desbetreffende persoon instemmen met de overbrenging, ten tweede moet de verzoekende partij instemmen met de eisen van de aangezochte partij met betrekking tot de hechtenis en de veiligheid van de desbetreffende persoon, en ten derde kan de aangezochte partij verlangen dat lopende onderzoeken of vervolgingen waaraan de desbetreffende persoon moet deelnemen niet door de overbrenging worden doorkruist. In het derde lid is vastgelegd dat indien de aangezochte partij tijdens het verblijf van de desbetreffende persoon in de verzoekende partij aangeeft dat de hechtenis niet langer hoeft voort te duren, deze in vrijheid wordt gesteld. Na de invrijheidsstelling geldt de aanwezigheid van de desbetreffende persoon ten opzichte van het rechtshulpproces als een vrijwillige aanwezigheid in de verzoekende partij. Een verblijf in hechtenis duurt ingevolge het vierde lid niet langer dan dertig dagen, tenzij een andere termijn is overeengekomen. Zoals gebruikelijk bij dit type rechtshulp is ook in dit verdrag geregeld dat het verblijf in hechtenis op het gebied van de verzoekende partij meetelt bij de berekening van de duur van een voorlopige hechtenis of vrijheidsstraf die is of wordt uitgezeten in de aangezochte partij. Het vijfde lid strekt daartoe. De vrijwilligheid van de verschijning van de desbetreffende persoon wordt in het zesde lid onderstreept door de regeling dat een weigering in te stemmen met de overbrenging niet mag leiden tot de oplegging van straf- of dwangmaatregelen van een van beide verdragspartijen. De detentietitel is in het Nederlandse recht geregeld in artikel 50a van de Uitleveringswet.
Artikel 13, eerste lid, biedt de persoon die krachtens de artikelen 10, 11 of 12 van het verdrag verschijnt voor de autoriteiten van de verzoekende partij bescherming tegen inbreuken op zijn persoonlijke vrijheid in verband met enig feit dat zich heeft voorgedaan voorafgaand aan zijn vertrek uit de aangezochte partij. De desbetreffende persoon is op grond van het derde lid niet verplicht enige vorm van ondersteuning te bieden aan enig ander strafrechtelijk onderzoek in de verzoekende partij dan het onderzoek waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft. Hij mag gedurende het verblijf in de verzoekende partij ingevolge het tweede lid ook niet worden onderworpen aan civiele procedures waarbij zijn aanwezigheid in de verzoekende partij een voorwaarde is. Zoals bij de regeling van dergelijke immuniteiten gebruikelijk is, is deze van tijdelijke aard. Deze duurt ingevolge het vierde lid tot dertig dagen na het tijdstip waarop de desbetreffende persoon is meegedeeld dat zijn aanwezigheid niet langer noodzakelijk is voor het doel waarvoor hij is gekomen. Een getuige mag op grond van het vijfde lid niet vanwege zijn verklaring worden vervolgd, tenzij er sprake is van een verdenking van meineed, of van belemmering van de rechtsgang.
De doortocht van personen die zich in hechtenis bevinden vanuit een derde staat over het grondgebied van de ene partij naar het grondgebied van de andere partij is een gebruikelijke faciliteit in rechtshulpverdragen. Het eerste lid legt dit vast. In de context van dit specifieke verdrag heeft deze bepaling een bijzondere betekenis, doordat de luchthavens van Schiphol en Dubai belangrijke knooppunten zijn in het internationale luchtverkeer. Bij gebruikmaking van de faciliteit treft de aangezochte partij op grond van het tweede lid de nodige maatregelen die kunnen garanderen dat de betreffende persoon in hechtenis blijft gedurende zijn aanwezigheid op het grondgebied van de aangezochte partij. Gelet op de frequentie van het luchtverkeer tussen beide partijen zal een dergelijk verblijf doorgaans van korte duur zijn. De mogelijkheid geldt op grond van het derde lid niet indien het de doortocht van personen betreft die de nationaliteit van een van beide partijen betreft. Dat correspondeert met artikel 4, eerste lid, van het gelijktijdig met dit verdrag gesloten uitleveringsverdrag waarin beide partijen de uitlevering van eigen onderdanen uitsluiten.
Met het oog op de vergaring van bewijsmateriaal zijn doorzoekingen, bevriezingen en inbeslagnemingen zeer regelmatig toegepaste dwangmiddelen. Dat is in het internationale rechtshulpverkeer niet anders dan in het nationale strafprocesrecht. Overeengekomen is dan ook dat deze dwangmiddelen door de partijen kunnen worden toegepast indien daarom wordt verzocht. Het eerste lid regelt dit. Een verzoek moet ingevolge het tweede lid aan bepaalde eisen voldoen. Zo moet gespecificeerd worden welk resultaat met de doorzoeking wordt beoogd, en welke plaats moet worden doorzocht en onder welke omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een gewenst tijdstip. In het derde lid is geregeld in welke vorm de resultaten van de toepassing van de dwangmiddelen aan de wederpartij worden toegezonden. In het vierde lid is geregeld dat de originele documenten, voorwerpen en materialen weer aan de aangezochte partij moeten worden teruggegeven na afronding van het strafrechtelijk onderzoek waarvoor het verzoek werd ingediend. Artikel 5.1.9 Sv en artikel 562 Sv BES regelen de algemene aspecten van toepasselijk Nederlands recht op de uitvoering van rechtshulpverzoeken. In de artikelen 105 Sv en 131 Sv BES zijn de voorwaarden geregeld voor de doorzoeking en inbeslagneming in het Nederlandse deel van het Koninkrijk.
Het videoverhoor van een getuige of deskundige voorkomt dat de desbetreffende persoon naar het grondgebied van de wederpartij moet reizen om ter plaatse een verklaring af te leggen. Mits een videoverhoor wordt gehouden met inachtneming van de gebruikelijke waarborgen en betrouwbare technische infrastructuur heeft een videoverhoor dezelfde waarde en bewijskracht als een fysiek verhoor, overigens voor zover het nationale recht dat mogelijk maakt. Op grond van het tweede lid kunnen partijen nader overeenkomen welk type verbinding het meest geschikt is. Artikel 5.1.9 Sv en artikel 563a Sv BES regelen de uitvoering van het videoverhoor in het Nederlandse deel van het Koninkrijk.
Zoals in paragraaf 1.1 al is betoogd is dit verdrag in het bijzonder gesloten om de strijd tegen het witwassen en andere vormen van financieel-economische criminaliteit te bevorderen. In diverse multilaterale verdragen komen al bepalingen voor ter bestrijding van witwassen en georganiseerde criminaliteit. Als voorbeeld kan artikel 13 van het in paragraaf 1 al genoemde VN-Verdrag tegen grensoverschrijdende misdaad worden genoemd. In artikel 17 van dit verdrag is een regeling opgenomen die meer uitgewerkt is dan die in het VN-Verdrag en de partijen in staat stelt aan elkaar rechtshulp te verzoeken op een op het desbetreffende onderzoek toegesneden wijze.
In het eerste lid zijn voor dit verdrag een tweetal begripsbepalingen van ‘opbrengsten van misdrijven’ en ‘hulpmiddelen van misdrijven’ opgenomen. Bij de opbrengsten van misdrijven gaat het niet noodzakelijkerwijs uitsluitend om de financiële opbrengst in geld dat uit misdrijf is verkregen. Het kan ook gaan om voorwerpen en om rechten die zijn verkregen. Bij hulpmiddelen van misdrijven is eveneens gekozen voor een brede omschrijving. Partijen achtten het in elk geval noodzakelijk aan te geven dat onder die hulpmiddelen in elk geval bankrekeningen worden volstaan.
In het tweede lid zijn partijen een wederzijdse inspanningsverplichting aangegaan om op verzoek na te gaan of opbrengsten en hulpmiddelen zich binnen de rechtsmacht van de ander bevinden. Een dergelijk verzoek, dat niet altijd eenvoudig te realiseren zal zijn, moet gemotiveerd worden met redenen van wetenschap of, bij gebreke aan wetenschap, van overtuiging van de verzoekende partij. Dit voorkomt zoveel mogelijk dat de aangezochte partij onredelijk zware inspanningen moet verrichten, of moet overgaan tot “fishing expeditions”.
In het derde lid is de verplichting van de aangezochte partij neergelegd op een verzoek te reageren. Belangrijk daarbij is de verplichting dat indien het onderzoek uitwijst dat bankrekeningen zijn gebruikt, de rekeningnummers en de met de rekeningen verrichte transacties worden verstrekt. Naar Nederlands recht kan aan een dergelijk verzoek worden voldaan met toepassing van artikel 5.1.8 in verbinding met artikel 126nc en 126nd Sv en door toepassing van artikel 177s Sv BES.
In het vierde lid is een mogelijk vervolg van de resultaten van het rechtshulpverzoek geregeld. Indien vermeende opbrengsten of hulpmiddelen, of beide worden aangetroffen, dan neemt de aangezochte partij maatregelen die tot doel hebben om verdere verhandeling, overdracht of vervreemding van die opbrengsten of hulpmiddelen te beletten, totdat een rechter daarover een beslissing heeft genomen. Het nationaal recht van de betrokken partij bepaalt de wijze waarop dat moet gebeuren. Dat kan bijvoorbeeld door conservatoir beslag te leggen of door een bevriezingsbevel te geven. Naar Nederlands recht moet daarvoor toepassing worden gegeven aan art. 105 Sv of aan artikel 131 Sv BES.
In het vijfde lid is geregeld dat het aan de aangezochte partij is om, indien een rechterlijke uitspraak tot verbeurdverklaring of confiscatie volgt, die uitspraak ten uitvoer te leggen volgens de regels van het nationaal recht. In de Nederland kan het dan gaan om verbeurdverklaring, onttrekking aan het verkeer of ontneming van wederrechtelijk genoten voordeel (artikelen 33, 36b en 36e Sr). Zonodig kan op grond van artikel 13 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen en op grond van artikel 579a Sv BES een onderzoek naar vermogensbestanddelen worden ingesteld.
Het is denkbaar dat derden rechten kunnen pretenderen op opbrengsten of hulpmiddelen die onder beslag of bevriezing bevinden. Het zesde lid regelt daarom dat partijen de verplichting hebben de rechten van derden die te goeder trouw zijn zoveel mogelijk te respecteren. Bij een eventueel rechtsgeschil daarover, dienen de partijen elkaars belang bij de juridische samenwerking zoveel mogelijk te behartigen, ook in rechte. Het streven daarbij blijft dat de desbetreffende opbrengsten of hulpmiddelen worden vastgehouden totdat de rechter uitspraak doet. Naar Nederlands recht kunnen voorwerpen overigens slechts aan de verzoekende partij worden overgedragen indien de rechter daartoe verlof verleent, conform artikel 5.1.10, derde lid, Sv of artikel 563, tweede lid, Sv BES.
Uiteindelijk doel blijft dat de opbrengsten en hulpmiddelen worden overgedragen aan de verzoekende partij teneinde daar te kunnen worden ingebracht in een lopend opsporingsonderzoek of lopende vervolging. Het zevende lid treft daarvoor een voorziening. Daarbij geldt wel de voorwaarde dat het nationaal recht van de desbetreffende partij dat wel mogelijk moet maken. Soms zullen voorwaarden moeten worden gesteld, zodat ‘asset sharing’ (verdeling van de opbrengst) mogelijk is.
In deze bepaling zijn uitvoerige voorschriften opgenomen met betrekking tot de uitvoering van rechtshulpverzoeken. In het eerste lid is het schriftelijkheidsvereiste vastgelegd, alsmede de hoofdregel dat verzoeken worden gedaan in de taal van de verzoekende partij, met een vertaling in de taal van de wederpartij of de Engelse taal, naar keuze. In het tweede lid is geregeld dat een verzoek wordt gedaan langs diplomatieke weg. In de praktijk moet het ministerie van Justitie van de desbetreffende partij via het ministerie van Buitenlandse Zaken en de diplomatieke vertegenwoordiging een dergelijk verzoek indienen. Voor de praktijk is van wezenlijk belang dat zodra het verzoek officieel is ingediend, niet alleen de centrale autoriteiten rechtstreeks met elkaar contact kunnen hebben over de uitvoering van het verzoek, maar dat dit contact ook mogelijk is tussen aangewezen bevoegde autoriteiten, zoals de politie of het openbaar ministerie. Eveneens van groot belang voor de uitvoeringspraktijk is dat in het derde lid geregeld is dat in dringende gevallen verzoeken om rechtshulp ook van de centrale autoriteit kunnen uitgaan, desgewenst per fax of e-mail, onder de voorwaarde dat een formeel verzoek langs diplomatieke weg uiterlijk 30 dagen later alsnog wordt gedaan. In het vierde lid is geregeld welke gegevens steeds moeten worden vermeld in elk rechtshulpverzoek, ongeacht de aard van de bevoegdheid die moet worden uitgeoefend door de aangezochte partij. In het vijfde lid is geregeld welke gegevens moeten worden vermeld in specifieke rechtshulpverzoeken. Het is evident dat indien een verzoek betrekking heeft op het horen van een persoon, de nodige persoonsgegevens zullen moeten worden vermeld. Wordt een doorzoeking verzocht, of een andere maatregel die betrekking heeft op een plaats, dan moet de desbetreffende plaats worden vermeld.
Deze bepaling regelt de mogelijkheid voor het verzoeken om aanvullende informatie door de verzoekende partij, indien de informatie verstrekt overeenkomstig artikel 18 niet voldoende wordt bevonden om het rechtshulpverzoek te kunnen uitvoeren. De door de aangezochte partij verzochte informatie kan dan alsnog worden geleverd.
Deze bepaling regelt enige uitvoeringsaspecten. Het eerste lid bevat het algemene beginsel dat een rechtshulpverzoek onverwijld wordt uitgevoerd en dat op de uitvoering het recht van de aangezochte partij van toepassing is. De inhoud van het rechtshulpverzoek moet overigens wel voldoen aan de algemene voorwaarde dat hetgeen door de verzoekende partij wordt gevraagd ook in het recht van die partij mogelijk moet zijn. Dat voorkomt dat het instrument van de rechtshulp oneigenlijk wordt gebruikt doordat de ene partij door de wederpartij bevoegdheden laat uitoefenen waarover die partij niet zelf beschikt. De belangen van de verdediging zouden daardoor worden miskend. Het tweede lid regelt dat, indien het recht van de aangezochte partij daarin voorziet, het mogelijk is dat ambtenaren van de verzoekende partij op het grondgebied van de aangezochte partij aanwezig zijn bij de uitvoering van een verzoek. Dat kan van belang zijn bij het horen van een getuige of deskundige, zodat de verhorende autoriteit van de aangezochte partij direct de juiste vragen krijgt aangereikt. Bij een doorzoeking kan het van belang zijn doordat de aangezochte partij bijstand krijgt bij de identificatie van voorwerpen waarvan de inbeslagname wordt verzocht, en waarvan de hoedanigheid bij de verzoekende partij bekend is. In het derde lid is een informatieverplichting van de aangezochte partij opgenomen voor de gevallen waarin een aanzienlijke vertraging optreedt bij de uitvoering van het verzoek. In het vierde lid is een gebruikelijke regeling getroffen voor de gevallen waarin uitvoering van een rechtshulpverzoek een lopende strafzaak in de aangezochte partij doorkruist. De rechtsgang in de aangezochte partij heeft dan voorrang. Uitstel van uitvoering van het verzoek is dan mogelijk. Uitstel van het leveren van documenten is ook mogelijk, indien die documenten benodigd zijn in een civiele procedure in de aangezochte partij. In dat geval is verstrekking van gewaarmerkte afschriften een alternatief. Het vijfde lid maakt het overigens mogelijk dat in plaats van uitstel wordt overgegaan tot voorwaardelijke uitvoering van het verzoek. Indien wordt besloten tot uitstel moet de aangezochte partij dit ingevolge het zesde lid meedelen aan de wederpartij onder vermelding van de verwachte duur van het uitstel.
Partijen zijn overeengekomen dat het verdrag geen afbreuk doet aan bestaande verplichtingen die zij uit hoofde van andere verdragen hebben. Zo geldt bijvoorbeeld voor Nederland dat dit verdrag geen afbreuk kan doen aan het EU-acquis of de verplichtingen krachtens het EVRM. Evenmin is dit verdrag prohibitief voor vormen van wederzijdse bijstand uit anderen hoofde. Een voorbeeld is de uitzetting naar de andere partij ingevolge de vreemdelingenwetgeving van de partijen.
Wat het Koninkrijk betreft, is het de bedoeling dat het verdrag geldt voor het gehele Koninkrijk zal gelden. In de kennisgeving aan de VAE zal te zijner tijd worden aangegeven voor welke Caribische delen van het Koninkrijk het verdrag in werking zal treden. In dit verband wordt verwezen naar paragraaf 4 van deze memorie.
Partijen hebben ervan afgezien een formele geschilbeslechtingsregeling op te nemen in het verdrag. De toepassing van het verdrag, en dus ook een in de praktijk gerezen uitvoeringsprobleem moet in onderling overleg tussen partijen worden geregeld. Het ligt voor de hand dat dit op het niveau van de centrale autoriteiten besproken wordt. Typisch uitvoeringsgerichte kwesties, zoals het goed gebruik van de juiste formulieren, vereisen doorgaans ook verdere betrokkenheid van de bevoegde autoriteiten. Dergelijke overleggen vinden overigens al plaats met de autoriteiten van de VAE ter uitvoering van rechtshulpverzoeken op grond van de in paragraaf 1.1 van deze memorie genoemde verdragen.
In deze bepaling is een gebruikelijke regeling opgenomen over de inwerkingtreding, wijziging en beëindiging van het verdrag. Beëindiging, door middel van beëindiging van de medegelding, is voor elk van de samenstellende delen van het Koninkrijk afzonderlijk mogelijk.
Ingevolge artikel 1, vierde lid, is het verdrag uitsluitend van toepassing op het geven van wederzijdse rechtshulp tussen de Partijen. Een natuurlijke of rechtspersoon kan hieraan geen enkel recht ontlenen om bewijs te verkrijgen, te weren of uit te sluiten of de uitvoering van een verzoek om rechtshulp te beletten. Naar het oordeel van de regering bevat het verdrag ook anderszins geen eenieder verbindende bepalingen in de zin van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet die aan rechtssubjecten rechtstreeks rechten toekennen of verplichtingen opleggen.
Ingevolge artikel 22 van het verdrag is het de bedoeling dat het verdrag voor het gehele Koninkrijk zal gelden. De regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten wensen medegelding voor hun landen.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
De Minister van Buitenlandse Zaken,
Op 29 augustus 2021 is eveneens een verdrag tussen dezelfde staten inzake uitlevering tot stand gekomen (Trb. 2021, 117). Zie het advies van de Afdeling advisering betreffende het Voorstel van Rijkswet inzake de Goedkeuring van het op 29 augustus 2021 te Abu Dhabi tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten inzake uitlevering (Trb. 2021, 117).
Het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, New York, 15 november 2000 (Trb. 2001, 68); het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, Wenen, 20 december 1988 (Trb. 1989, 97); het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen, New York, 30 maart 1961 (Trb. 1962, 30); het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie, New York, 31 oktober 2003 (Trb. 2004, 11); het Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen, New York, 15 december 1997 (Trb. 1998, 84); het Internationaal Verdrag ter bestrijding van daden van nucleair terrorisme, New York, 13 april 2005 (Trb. 2005, 290).
Advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State van 15 juli 2003 over het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Trinidad en Tobago inzake uitlevering (W03.03.0160/I/K). Het advies kan worden geraadpleegd op de website van de Raad van State.
Zie P.A.M. Verrest in T&C Strafvordering, Inleidende opmerkingen bij ‘Verzoeken om internationale rechtshulp in strafzaken’, aant. 5.
Het voorgaande komt tevens tot uitdrukking in het geldende artikel 5.1.5, derde lid, Sv waarin wordt bepaald dat aan een verzoek tot rechtshulp geen gevolg wordt gegeven indien een op feiten en omstandigheden gebaseerd gegrond vermoeden bestaat dat inwilliging van het verzoek zou leiden tot flagrante schending van de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden gewaarborgd door het EVRM. Zie voorts P.A.M. Verrest in T&C Strafvordering, Inleidende opmerkingen bij ‘Verzoeken om internationale rechtshulp in strafzaken’, aant. 5. Zie het advies van de Afdeling advisering betreffende het Voorstel van Rijkswet inzake de Goedkeuring van het op 29 augustus 2021 te Abu Dhabi tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten inzake uitlevering (Trb. 2021, 117) voor een nadere uiteenzetting van de strekking van het Soering-arrest.
Zie ook artikel 5.1.4, tweede lid, Sv, waarin is bepaald: ‘Voor zover het verzoek om rechtshulp van een vreemde staat is gegrond op een verdrag wordt daaraan zoveel mogelijk het verlangde gevolg gegeven’. Zie voorts P.A.M. Verrest in T&C Strafvordering, Inleidende opmerkingen bij ‘Verzoeken om internationale rechtshulp in strafzaken’, aant. 3.
HR 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:ZD2927, r.o. 3.4; HR 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:622, r.o. 4.2.
Zie daarvoor ook B. Aarrass, ‘Mensenrechten en migratierecht: mensenrechtennormen als grond voor toelating en verblijf’, Den Haag: Boom Juridisch 2021, p. 385–386.
Artikel 5, eerste lid onder d, in verbinding met artikel 5, vierde lid, van het verdrag. Zie voor een vergelijkbare bepaling artikel 7 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (Trb. 2004, 299). Zie ook Toelichting, paragraaf 1.2 en de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5 van het verdrag.
Human Rights watch world report 2022, p. 695; Amnesty International Report 2021/22, The state of the world’s human rights 2022, p. 384–385; Amnesty International, ‘There is no freedom here. Silencing dissent in the United Arab Emirates’ 2014, p. 23–32, 33–43.
Amnesty International, ‘There is no freedom here. Silencing dissent in the United Arab Emirates’ 2014, p. 23–33; Report by the Gulf Centre for Human Rights, ‘Patterns of Torture in the United Arab Emirates’ 2022, p. 13–18; Report by Wejha Centre for Studies Produced in cooperation with the Gulf Centre for Human Rights (GCHR) with support from the European Union, ‘Torture in the United Arab Emirates: The Tolerance Charade’ 2021, p. 8–25.
Bij het Folterverdrag hebben de VAE bijvoorbeeld aangegeven dat zij lijfstraffen die een wettelijke basis hebben niet zien als marteling als bedoeld in het verdrag. Bovendien erkennen zij niet het Comité tegen Foltering. Nederland heeft bezwaar gemaakt tegen deze voorbehouden.
Zo ook T. Kraniotis, ‘Het vertrouwensbeginsel bij interstatelijke samenwerking in strafzaken’ (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2016, paragraaf 10.6.
HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288, r.o. 3.1.2 en HR 21 maart 2017, ECLI:NL: HR:2017:463, r.o. 3.5.
Op 29 augustus 2021 is eveneens een verdrag tussen dezelfde staten inzake uitlevering tot stand gekomen (Trb. 2021, 117). Zie het advies van de Afdeling advisering betreffende het Voorstel van Rijkswet inzake de Goedkeuring van het op 29 augustus 2021 te Abu Dhabi tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten inzake uitlevering (Trb. 2021, 117).
Het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, New York, 15 november 2000 (Trb. 2001, 68); het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, Wenen, 20 december 1988 (Trb. 1989, 97); het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen, New York, 30 maart 1961 (Trb. 1962, 30); het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie, New York, 31 oktober 2003 (Trb. 2004, 11); het Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen, New York, 15 december 1997 (Trb. 1998, 84); het Internationaal Verdrag ter bestrijding van daden van nucleair terrorisme, New York, 13 april 2005 (Trb. 2005, 290).
Advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State van 15 juli 2003 over het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Trinidad en Tobago inzake uitlevering (W03.03.0160/I/K). Het advies kan worden geraadpleegd op de website van de Raad van State.
Zie P.A.M. Verrest in T&C Strafvordering, Inleidende opmerkingen bij ‘Verzoeken om internationale rechtshulp in strafzaken’, aant. 5.
Het voorgaande komt tevens tot uitdrukking in het geldende artikel 5.1.5, derde lid, Sv waarin wordt bepaald dat aan een verzoek tot rechtshulp geen gevolg wordt gegeven indien een op feiten en omstandigheden gebaseerd gegrond vermoeden bestaat dat inwilliging van het verzoek zou leiden tot flagrante schending van de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden gewaarborgd door het EVRM. Zie voorts P.A.M. Verrest in T&C Strafvordering, Inleidende opmerkingen bij ‘Verzoeken om internationale rechtshulp in strafzaken’, aant. 5. Zie het advies van de Afdeling advisering betreffende het Voorstel van Rijkswet inzake de Goedkeuring van het op 29 augustus 2021 te Abu Dhabi tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten inzake uitlevering (Trb. 2021, 117) voor een nadere uiteenzetting van de strekking van het Soering-arrest.
Zie ook artikel 5.1.4, tweede lid, Sv, waarin is bepaald: ‘Voor zover het verzoek om rechtshulp van een vreemde staat is gegrond op een verdrag wordt daaraan zoveel mogelijk het verlangde gevolg gegeven’. Zie voorts P.A.M. Verrest in T&C Strafvordering, Inleidende opmerkingen bij ‘Verzoeken om internationale rechtshulp in strafzaken’, aant. 3.
HR 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:ZD2927, r.o. 3.4; HR 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:622, r.o. 4.2.
Zie daarvoor ook B. Aarrass, ‘Mensenrechten en migratierecht: mensenrechtennormen als grond voor toelating en verblijf’, Den Haag: Boom Juridisch 2021, p. 385–386.
Artikel 5, eerste lid onder d, in verbinding met artikel 5, vierde lid, van het verdrag. Zie voor een vergelijkbare bepaling artikel 7 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (Trb. 2004, 299). Zie ook Toelichting, paragraaf 1.2 en de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5 van het verdrag.
Human Rights watch world report 2022, p. 695; Amnesty International Report 2021/22, The state of the world’s human rights 2022, p. 384–385; Amnesty International, ‘There is no freedom here. Silencing dissent in the United Arab Emirates’ 2014, p. 23–32, 33–43.
Amnesty International, ‘There is no freedom here. Silencing dissent in the United Arab Emirates’ 2014, p. 23–33; Report by the Gulf Centre for Human Rights, ‘Patterns of Torture in the United Arab Emirates’ 2022, p. 13–18; Report by Wejha Centre for Studies Produced in cooperation with the Gulf Centre for Human Rights (GCHR) with support from the European Union, ‘Torture in the United Arab Emirates: The Tolerance Charade’ 2021, p. 8–25.
Bij het Folterverdrag hebben de VAE bijvoorbeeld aangegeven dat zij lijfstraffen die een wettelijke basis hebben niet zien als marteling als bedoeld in het verdrag. Bovendien erkennen zij niet het Comité tegen Foltering. Nederland heeft bezwaar gemaakt tegen deze voorbehouden.
Zo ook T. Kraniotis, ‘Het vertrouwensbeginsel bij interstatelijke samenwerking in strafzaken’ (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2016, paragraaf 10.6.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2022-28712.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.