Besluit van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen, van 8 juli 2022, nr. 2022-0000149548 tot instelling van de Commissie sociaal minimum (Instellingsbesluit Commissie sociaal minimum)

De Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen;

handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad;

Gelet op artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaand onder:

a. de Minister:

de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen;

b. de Commissie:

de commissie, bedoeld in artikel 2.

Artikel 2. Instelling en taak

  • 1. Er is een Commissie sociaal minimum.

  • 2. De Commissie heeft tot taak om onderzoek te doen naar

    • a. wat een aantal huishoudtypes nodig heeft om rond te komen en om mee te kunnen doen aan de maatschappij, en

    • b. de systematiek van het sociaal minimum, inclusief mogelijke scenario’s hoe de systematiek beter kan aansluiten op wat een aantal huishoudtypes nodig heeft om rond te komen.

  • 3. De Commissie rapporteert over haar bevindingen.

Artikel 4. Instellingsduur

  • 1. De Commissie wordt ingesteld met ingang van 1 juli en brengt haar eindrapport uit voor 30 juni 2023 aan de Minister.

  • 2. Na het uitbrengen van het eindrapport wordt de Commissie opgeheven.

  • 3. Nadat de commissie is opgeheven kan de voorzitter nog worden verzocht om namens de commissie een toelichting te geven op het eindrapport.

Artikel 5. Samenstelling en benoeming

  • 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en elf leden.

  • 2. Tot lid van de Commissie worden benoemd:

    • a. Prof. dr. G.B.M. Engbersen (tevens voorzitter)

    • b. A.A. Asante MA

    • c. E. Barendregt MSc

    • d. A. Bartelds MCM

    • e. S. Berk

    • f. Prof. dr. C.L.J. Caminada

    • g. Dr. N. Jungmann

    • h. Drs. P. Klaassen

    • i. Drs. M. Olde Monnikhof

    • j. Prof. mr. dr. W.L. Roozendaal

    • k. Dr. A. Vliegenthart

  • 3. De benoeming geldt voor de duur van de Commissie.

  • 4. Bij tussentijds vertrek van de voorzitter of een lid kan de Minister een andere voorzitter of ander lid benoemen.

  • 5. De voorzitter en overige leden kunnen op eigen verzoek of wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden worden geschorst en ontslagen door de Minister.

Artikel 6. Secretariaat

  • 1. De Commissie wordt ondersteund door een secretariaat.

  • 2. Het secretariaat is voor de inhoudelijke uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de voorzitter van de Commissie.

  • 3. In het secretariaat wordt voorzien door de Minister.

Artikel 7. Vergoeding

  • 1. Aan de voorzitter wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van de Bijlage bij Akkoord over CAO Rijk (1 januari 2021 tot en met 31 maart 2022) en de arbeidsduurfactor op in gedeelte van werkweek in breuk 8/36.

  • 2. Aan de andere leden wordt, indien zij daarvan gebruik wensen te maken, en indien zij niet vallen onder de uitzondering van artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies, een vaste vergoeding per vergadering toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van de Bijlage bij Akkoord over CAO Rijk (1 januari 2021 tot en met 31 maart 2022).

  • 3. De volgende leden worden op grond van genoemde uitzondering in lid 2 uitgesloten van het recht op een vergoeding:

    • a. Drs. P. Klaassen

    • b. Drs. M. Olde Monnikhof

Artikel 8. Werkwijze

  • 1. De Commissie stelt haar eigen werkwijze vast.

  • 2. De Commissie kan zich op onderdelen laten bijstaan door personen van zowel binnen als buiten de overheid, van wie de deskundige bijdrage van belang kan zijn voor het onderzoek.

  • 3. De Commissie verantwoordt haar werkwijze in het eindrapport.

Artikel 9. Kosten van de onderzoekscommissie

  • 1. De kosten van de commissie worden, voor zover goedgekeurd, gefinancierd door de Minister.

  • 2. Onder kosten worden in ieder geval verstaan:

    • a. de kosten voor de faciliteiten van vergaderingen en voor secretariële ondersteuning,

    • b. de kosten voor het inschakelen van externe deskundigheid en het laten verrichten van onderzoek, en

    • c. de kosten voor oplevering van het rapport.

Artikel 10. Openbaarmaking

Rapporten, notities, verslagen, adviezen en andere producten die door of namens de commissie worden vervaardigd of vergaard, worden niet door de commissie openbaar gemaakt, maar uitsluitend aan de Minister uitgebracht of overgedragen.

Artikel 11. Archivering

De archiefbescheiden van de commissie worden na haar opheffing overgebracht naar het archief van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Artikel 12. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 juli, en vervalt vier weken na het uitbrengen van het advies.

Artikel 13. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Commissie sociaal minimum.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 8 juli 2022

De Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen, C.J. Schouten

TOELICHTING

Inleiding

Het doel van dit besluit is om een onafhankelijke commissie in te stellen die onderzoek gaat doen naar de hoogte en de systematiek van het sociaal minimum. Aanleiding voor het instellen van deze commissie is een aangenomen motie Omtzigt c.s., die de regering verzoekt om samen met het Nibud een commissie in te stellen die normen voor het bestaansminimum – inclusief sociale participatie – vastlegt, inclusief welke toegankelijkheid tot welke voorziening daarvoor nodig is (zoals aanwezigheid van een betaalbare woning of reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer).

Opdracht en werkwijze

De commissie krijgt de opdracht om onderzoek te doen naar (1) wat een aantal huishoudtypes nodig heeft om rond te komen, en naar (2) de systematiek van het sociaal minimum, inclusief mogelijke scenario’s hoe de systematiek beter kan aansluiten op wat een aantal huishoudtypes nodig heeft om rond te komen. De commissie levert hierover een rapport op.

In het eerste deel van het onderzoek staat de hoogte van het sociaal minimum centraal. Het gaat dan om de vraag wat verschillende huishoudtypes nodig hebben om rond te komen en om mee te kunnen doen aan de maatschappij. Dat gaat dus over de hoogte van het sociaal minimum. De commissie kijkt niet alleen naar wat huishoudens theoretisch nodig hebben, maar ook of die goederen (zoals woningen) in de praktijk beschikbaar zijn. Ook wordt er gevraagd om in kaart te brengen welke buffers verschillende huishoudtypen nodig hebben om schokken (zoals de huidige prijsschok) op te vangen. De commissie wordt gevraagd om onderbouwd tot een selectie van huishoudtypen te komen, bijvoorbeeld: alleenstaanden met en zonder kinderen, gezinnen met en zonder kinderen, jongvolwassenen, studenten en mensen die langdurig in een Wlz-instelling verblijven. Voor inschattingen van de toereikendheid worden de minimumbegrotingen van het Nibud en de referentiebudgetten van het SCP benut, waarbij de gehanteerde definitie ook sociale participatie (zoals deelname aan sport of sociale activiteiten) dient te omvatten.1 Mogelijk kunnen de bestaande minimumbegrotingen verrijkt worden met informatie over de daadwerkelijke uitgaven van huishoudens en regionale verschillen. Eventueel kan er aanvullend onderzoek worden uitgezet.

In het tweede deel van het onderzoek zal de systematiek van het sociaal minimum centraal staan. Hierbij zullen onder andere de volgende vragen worden geadresseerd:

  • Wat wordt er onder sociaal minimum verstaan?

  • Voldoet de bestaande koppeling aan het minimumloon om een toereikend sociaal minimum te borgen?

  • Wat is de verhouding tussen de landelijke en gemeentelijke inkomensondersteuning?

In dit deel wordt niet alleen de bijstand betrokken, maar ook andere vormen van inkomensondersteuning. Op basis van de inzichten uit deel 1 kunnen scenario’s over hoe de systematiek beter kan aansluiten op wat verschillende huishoudtypes nodig hebben, in kaart worden gebracht.

De commissie krijgt tot 30 juni 2023 de tijd om een rapport op te leveren. Met deze (technische) informatie over de toereikendheid van het sociaal minimum kan een gesprek worden gevoerd over de wenselijke hoogte van minimumuitkeringen en de systematiek waarmee die wordt vastgesteld.

Samenstelling

De leden van de commissie zijn gevraagd vanwege hun expertise en betrokkenheid op het onderwerp dan wel vanwege de functie die zij vervullen:

  • a. Dhr. prof. dr. G.B.M. Engbersen (voorzitter) (hoogleraar Algemene Sociologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en lid van de WRR)

  • b. Mevr. A.A. Asante MA (voorzitter van de Landelijke Cliëntenraad)

  • c. Mevr. E. Barendregt MSc (hoofdeconoom, RaboResearch)

  • d. Mevr. A. Bartelds MCM (directeur Divosa)

  • e. Dhr. S. Berk (initiatiefnemer Alliantie Kinderarmoede, initiatiefnemer en samenwerkingspartner bij Stichting Vaste Lasten Pakket en adviseur bij het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid)

  • f. Dhr. prof. dr. C.L.J. Caminada (hoogleraar Empirische analyse van sociale en fiscale regelgeving aan de Universiteit Leiden)

  • g. Mevr. dr. N. Jungmann (lector schulden en incasso aan de Hogeschool Utrecht)

  • h. Dhr. drs. P. Klaassen (gemeentesecretaris gemeente Emmen)

  • i. Mevr. drs. M. Olde Monnikhof (adjunct-directeur Sociaal en Cultureel Planbureau)

  • j. Mevr. prof. mr. dr. W.L. Roozendaal (bijzonder hoogleraar socialezekerheidsrecht aan de Vrije Universiteit)

  • k. Dhr. dr. A. Vliegenthart (directeur Nibud)

Vanuit de ministeries van Financiën en Sociale Zaken en Werkgelegenheid zullen twee ambtenaren bij de besprekingen worden uitgenodigd. Zij kunnen institutionele kennis van het stelsel inbrengen, en kennis inbrengen over de implementeerbaarheid en uitvoerbaarheid van de voorstellen.

Motieven voor de instelling van een nieuwe commissie

Het kabinet kiest voor het instellen van een nieuwe commissie vanwege de heterogeniteit van de benodigde expertise, in combinatie met het eindige karakter van de opdracht. In de commissie zijn onder meer het Nibud, het SCP, wetenschappers en vertegenwoordigers uit het gemeentelijke domein vertegenwoordigd. Het kabinet heeft geen onderzoeks- of adviesorgaan gevonden waar deze disciplines in gelijke mate vertegenwoordigd zijn. Daarnaast heeft het kabinet bewust gekozen voor een externe commissie, omdat het kabinet het zeer belangrijk acht dat de commissie die onderzoek gaat doen naar het sociaal minimum onafhankelijk is.

Overige aspecten

Voor de overige aspecten betreffende de vormgeving en de inrichting van de commissie is aangesloten bij de leidraad instellen externe commissies. De vergoedingen gebaseerd op de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies.

De Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen, C.J. Schouten


X Noot
1

Bijvoorbeeld het niet-veel-maar-toereikendbudget in SCP (2019): Armoede in Kaart

Naar boven