Advies Raad van State inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving in verband met de actualisatie van de regels inzake industriële emissies en enige andere besluiten in verband met technische correcties

Nader Rapport

12 juli 2022

IENW/BSK-2022/136490

Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Aan de Koning

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 21 maart 2022, nr. 2022000640, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd op 2 juni 2022, nr. W17.22.00025/IV, bied ik U hierbij aan.

De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie.

Bij Kabinetsmissive van 21 maart 2022, no.2022000640, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en Besluit kwaliteit leefomgeving in verband met de actualisatie van de regels inzake industriële emissies, met nota van toelichting.

Het ontwerpwijzigingsbesluit beoogt de regels op het gebied van industriële emissies naar de lucht te actualiseren tot het niveau van de actuele Beste Beschikbare Technieken. Dat moet ertoe leiden dat de luchtkwaliteit in Nederland permanent verbetert.

Om dat te bereiken worden onder meer de nationale emissiegrenswaarden voor biomassaketels aangescherpt, alsmede de emissiegrenswaarden in paragraaf 5.4.4. van het Besluit activiteiten leefomgeving.

In de nota van toelichting wordt de verenigbaarheid van het ontwerpwijzigingsbesluit met hoger recht, in dit geval in het bijzonder het Unierecht, niet toegelicht. Het Unierecht speelt een normerende rol op het gebied van de emissiegrenswaarden. Daarom adviseert de Afdeling om in een afzonderlijke paragraaf in de nota van toelichting in te gaan op de verhouding tot het Unierecht en de ruimte die het biedt voor eventueel strengere nationale emissiegrenswaarden.1

Overeenkomstig het advies van de Afdeling advisering is in de nota van toelichting paragraaf 3.5 toegevoegd, waarbij is ingegaan op de verhouding tot het Unierecht en de ruimte die het biedt voor eventueel strengere nationale emissiegrenswaarden.

Tot slot is van de gelegenheid gebruik gemaakt om enkele wetstechnische correcties aan te brengen in bepalingen van het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving, die via het Besluit tijdelijke overbruggingsregeling windturbineparken (Stb. 2022, 181) in die besluiten zijn opgenomen. Met name wordt een onvolledige verwijzing aangevuld, waardoor wordt bewerkstelligd dat eerdere maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer, waarin ter voorkoming van geluidhinder op lokaal niveau strengere geluidsnormen voor windturbines waren gesteld, blijven gelden.

Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerp-besluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, V.L.W.A. Heijnen.

Advies Raad van State

No. W17.22.00025/IV

’s-Gravenhage, 2 juni 2022

Aan de Koning

Bij Kabinetsmissive van 21 maart 2022, no.2022000640, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en Besluit kwaliteit leefomgeving in verband met de actualisatie van de regels inzake industriële emissies, met nota van toelichting.

Het ontwerpwijzigingsbesluit beoogt de regels op het gebied van industriële emissies naar de lucht te actualiseren tot het niveau van de actuele Beste Beschikbare Technieken. Dat moet ertoe leiden dat de luchtkwaliteit in Nederland permanent verbetert.

Om dat te bereiken worden onder meer de nationale emissiegrenswaarden voor biomassaketels aangescherpt, alsmede de emissiegrenswaarden in paragraaf 5.4.4. van het Besluit activiteiten leefomgeving.

In de nota van toelichting wordt de verenigbaarheid van het ontwerpwijzigingsbesluit met hoger recht, in dit geval in het bijzonder het Unierecht, niet toegelicht. Het Unierecht speelt een normerende rol op het gebied van de emissiegrenswaarden. Daarom adviseert de Afdeling om in een afzonderlijke paragraaf in de nota van toelichting in te gaan op de verhouding tot het Unierecht en de ruimte die het biedt voor eventueel strengere nationale emissiegrenswaarden.1

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een opmerking bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.

De vice-president van de Raad van State, Th.C. de Graaf.

Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Besluit zoals aangeboden aan de Raad van State tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving in verband met de actualisatie van de regels inzake industriële emissies

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 15 maart 2022, nr. IENW/BSK-2022/33651, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op artikel 4.3, eerste lid, van de Omgevingswet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van, nr. );

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van, nr. IenW/BSK-, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit activiteiten leefomgeving wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 4.195 wordt in tabel 4.195 de rij

sA.3

5

5

vervangen door de rij:

sA.3

0,5

5

B

Na artikel 4.202 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.202a (overgangsrecht: emissies)

Tot vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit is de emissiegrenswaarde in mg/Nm3 voor sA.3, bedoeld in artikel 4.195, niet van toepassing op het aanbrengen van anorganische deklagen op metalen, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit. Tot eerstgenoemde datum geldt in dat geval een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm3 bij een ondergrens van 5 kg/jaar.

C

In artikel 4.228 wordt in tabel 4.228 de rij:

sA.3

5

5

vervangen door de rij:

sA.3

0,5

5

D

Na artikel 4.232 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.232a (overgangsrecht: emissies)

Tot vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit is de emissiegrenswaarde in mg/Nm3 voor sA.3, bedoeld in artikel 4.228, niet van toepassing op het stralen van metalen, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit. Tot eerstgenoemde datum geldt in dat geval een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm3 bij een ondergrens van 5 kg/jaar.

E

In artikel 4.280 komt tabel 4.280 te luiden:

Tabel 4.280 Emissiegrenswaarden

Stof of stofklasse

Emissiegrenswaarde in mg/Nm3

Ondergrens in kg/jaar

Totaal stof

5

100

Cadmium en cadmiumverbindingen, berekend als cadmium

0,05

0,075

Zwaveldioxide

50

1.000

Stikstofoxide

200

1.000

Waterstofchloride

3

7,5

Waterstoffluoride

3

7,5

Ammoniak

30

75

gA.1

0,5

1,25

gA.2

3

7,5

gA.3

30

75

gO.1

20

50

gO.2

50

250

F

Artikel 4.283 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt ‘stofklassen gA en gO’ vervangen door ‘stoffen en stofklassen’.

2. In de aanhef wordt ‘voor gA en gO’ vervangen door ‘voor zwaveldioxide, stikstofoxide, waterstofchloride, waterstoffluoride, ammoniak, en de stofklassen gA en gO’.

G

Na artikel 4.287 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.287a (overgangsrecht: emissies)

Tot vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit is de emissiegrenswaarde in mg/Nm3 voor stofklasse gO.2, bedoeld in artikel 4.280, niet van toepassing op emissie door het solderen van metalen van stoffen die tot de inwerkingtreding van dit besluit onder stofklasse gO.3 vielen, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit. Tot eerstgenoemde datum geldt in dat geval voor deze stofklassen een emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm3 bij een ondergrens van 250 kg/jaar.

H

In artikel 4.438 wordt in de eerste rij van tabel 4.438b ‘Totale emissiegrenswaarde uitgestoten oplosmiddel per gemaakt product of carrosserie’ vervangen door ‘Totale emissiegrenswaarde uitgestoten oplosmiddel per vierkante meter gemaakt product en per carrosserie’.

I

In artikel 4.462 wordt tabel 4.462 als volgt gewijzigd:

1. De rij die begint met 3 komt te luiden:

3

Rotatiezeefdruk op textiel/karton

>30

1,5

25

 

Andere rotatiezeefdruk

>15

1,5

30

   

>25

1,5

25

 

Andere rotatiediepdruk, Flexografie, lamineer- of lakeenheden

>15

4

30

   

>25

4

25

2. In de rij die begint met 8 Andere coatingprocessen, wordt in kolom ‘reductiepercentage beoogde emissie’ in elk van de drie activiteiten ‘35’ telkens vervangen door ‘40’.

J

Artikel 4.656 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en tweede lid vervalt ‘per stofklasse’.

2. In het derde lid wordt ‘de klassen S, sA1, sA2 en sA3’ vervangen door ‘totaal stof en in de klassen sA.1, sA.2 en sA.3’.

3. In het vierde lid wordt ‘met stoffen, ingedeeld in de klassen gA1, gA2 en gA3’ vervangen door ‘met waterstofchloride, waterstoffluoride, ammoniak en stoffen, ingedeeld in de klassen gA.1, gA.2 en gA.3’.

4. In het vijfde lid wordt ‘gO1, gO2 en gO3’ vervangen door ‘gO.1 en gO.2’.

5. Tabel 4.656 komt te luiden:

Tabel 4.656 Emissiegrenswaarden

Stof of stofklasse

Emissiegrenswaarde in mg/Nm3

Ondergrens in kg/jaar

Totaal stof

5

100

Waterstofchloride

3

7,5

Waterstoffluoride

3

7,5

Ammoniak

30

75

sA.1

0,05

0,125

sA.2

0,5

1,25

sA.3

0,5

5

gA.1

0,5

1,25

gA.2

3

7,5

gA.3

30

75

gO.1

20

50

gO.2

50

250

K

Na artikel 4.661b wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.661c (overgangsrecht: emissies)
  • 1. Tot vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit is de emissiegrenswaarde in mg/Nm3 voor stofklasse gO.2, bedoeld in artikel 4.656, niet van toepassing op de emissie van het exploiteren van een laboratorium of een praktijkruimte waar practica worden verricht voor middelbaar en hoger onderwijs van stoffen die tot de inwerkingtreding van dit besluit onder stofklasse gO.3 vielen, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit. Tot eerstgenoemde datum geldt in dat geval een emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm3 bij een ondergrens van 250 kg/jaar.

  • 2. Tot vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit is de emissiegrenswaarde in mg/Nm3 voor sA.3, bedoeld in artikel 4.656, niet van toepassing op het exploiteren van een laboratorium of een praktijkruimte waar practica worden verricht voor middelbaar en hoger onderwijs, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit. Tot eerstgenoemde datum geldt in dat geval een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm3 bij een ondergrens van 5 kg/jaar.

L

Artikel 4.1303 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Voor de emissie in de lucht van een ketel zijn de emissiegrenswaarden:

    • a. voor stikstofoxiden, zwaveldioxide en totaal stof de waarden, bedoeld in tabel 4.1303; en

    • b. voor ammoniak:

      • 1.° 5 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve katalytische reductie; en

      • 2.° 10 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve niet-katalytische reductie.

2. In het derde lid wordt ‘elektrostatisch filter’ vervangen door ‘doekenfilter’.

3. In het vierde lid wordt ‘minder dan 1 MW’ vervangen door ‘ten hoogste 0,5 MW’

4. Tabel 4.1303 komt te luiden:

Tabel 4.1303 emissiegrenswaarden ketel

Brandstof / nominaal thermisch ingangsvermogen

Stikstofoxiden in mg/Nm3

Zwaveldioxide in mg/Nm3

Totaal stof in mg/Nm3

Vloeibare brandstof, met uitzondering van rie-biomassa, gestookt in een ketel van meer dan 400kW en minder dan 1MW

120

200

20

Vloeibare brandstof, met uitzondering van rie-biomassa, gestookt in een ketel van tenminste 1MW

120

200

5

Rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa, gestookt in een ketel van ten hoogste 0,5 MW

300

200

40

Rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa, gestookt in een ketel van meer dan 0,5 MW en minder dan 1 MW

275

100

15

Rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa, gestookt in een ketel van ten minste 1 en minder dan 5 MW

145

100

5

Rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa, gestookt in een ketel van ten minste 5 MW

100

60

5

Vergistingsgas, gestookt in een ketel van meer dan 400 kW en minder dan 1 MW

70

200

-

Vergistingsgas, gestookt in een ketel van meer dan 1 MW

70

100

Aardgas, gestookt in een ketel van meer dan 400kW

70

Propaangas of butaangas, gestookt in een ketel van meer dan 400kW

140

M

Na artikel 4.1303 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.1303a (lucht: afbakening mogelijkheid maatwerk emissiegrenswaarde ammoniak)

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde voor ammoniak, bedoeld in artikel 4.1303, eerste lid, onder b, wordt verhoogd, bevat bij toepassing van:

  • a. selectieve katalytische reductie een emissiegrenswaarde van niet meer dan 10 mg/Nm3; en

  • b. selectieve niet-katalytische reductie een emissiegrenswaarde van niet meer dan 20 mg/Nm3.

N

In artikel 4.1310, tweede lid, wordt aan het eind van onderdeel d ‘en’ verwijderd en wordt onder vervanging van de punt aan het eind van onderdeel e door ‘; en’, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • f. voor ammoniak: NEN-EN-ISO 21877.

O

Artikel 4.1311 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na ‘onverbrande koolwaterstoffen’ ‘, ammoniak’ ingevoegd.

2. In het vierde lid wordt aan het eind van onderdeel b na de puntkomma ‘en’ toegevoegd en vervalt onderdeel c, waarna onderdeel d wordt verletterd tot onderdeel c.

P

Artikel 4.1312 wordt als volgt gewijzigd:

1. Na het vijfde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Het vijfde lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op:

    • a. de meting van ammoniak; en

    • b. de meting van totaal stof bij stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MW of meer.

2. Aan tabel 4.1312 wordt een rij toegevoegd, luidende:

Ammoniak

40

Q

In artikel 4.1319 wordt aan tabel 4.1319 een rij toegevoegd, luidende:

Ammoniak

40

R

Artikel 4.1332 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vierde en vijfde lid komen te luiden:

  • 4. Voor de emissie in de lucht van een ketel gestookt op rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa die in bedrijf is genomen tussen 1 januari 2013 en 1 januari 2015, is de emissiegrenswaarde voor totaal stof:

    • a. 75 mg/Nm3 voor ketels met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 0,5 MW en minder dan 1 MW; en

    • b. 150 mg/Nm3 voor ketels met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 0,5 MW.

  • 5. De emissiegrenswaarden in tabel 4.1332 zijn van toepassing:

    • a. op ketels als bedoeld in het derde en vierde lid vanaf 1 januari 2027; en

    • b. op overige ketels gestookt op rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa vanaf 0,5 MW die voor de inwerkingtreding van dit besluit in bedrijf zijn genomen.

2. Na het vijfde lid (nieuw) wordt een tabel toegevoegd, luidende:

Tabel 4.1332 Overgangsrecht emissiegrenswaarden rie-biomassa gestookte ketel

Brandstof/nominaal thermisch ingangsvermogen

Stikstofoxiden in mg/Nm3

Zwaveldioxide in mg/Nm3

Totaal stof in mg/Nm3

Rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa, gestookt in een ketel van minder dan 1 MW

300

200

40

Rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa, gestookt in een ketel van ten minste 1 en minder dan 5 MW

275

200

20

Rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa, gestookt in een ketel van ten minste 5 MW

145

200

5

S

Na artikel 4.1332 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.1332a (overgangsrecht: meetverplichting)

Bij een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW hoeft niet periodiek of continu te worden gemeten op totaal stof, als de stookinstallatie voor de inwerkingtreding van dit besluit in bedrijf is genomen en een meetrapport van de leverancier beschikbaar is, waaruit blijkt dat met een filter aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.1303, wordt voldaan.

T

Artikel 4.1349 wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef komt te luiden:

Voor de emissie in de lucht van een stookinstallatie, anders dan een gasturbine of zuigermotor, zijn de emissiegrenswaarden:

  • a. voor stikstofoxiden, zwaveldioxide en totaal stof de waarden, bedoeld in tabel 4.1349; en

  • b. voor zover een ketel in gebruik is genomen na de inwerkingtreding van dit besluit en wordt gestookt op rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa:

    • 1°. voor ammoniak 5 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve katalytische reductie,

    • 2°. en 10 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve niet-katalytische reductie.

2. In tabel 4.1349 komt de rij met betrekking tot rie-biomassa te luiden:

Rie-biomassa

100

60

5

U

Na artikel 4.1349 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.1349a (lucht: afbakening mogelijkheid maatwerk emissiegrenswaarde ammoniak)

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde voor ammoniak, bedoeld in artikel 4.1349, eerste lid, onder b, wordt verhoogd, bevat bij toepassing van:

  • a. selectieve katalytische reductie een emissiegrenswaarde van niet meer dan 10 mg/Nm3; en

  • b. selectieve niet-katalytische reductie een emissiegrenswaarde van niet meer dan 20 mg/Nm3.

V

In artikel 4.1352, tweede lid, wordt aan het eind van onderdeel c ‘en’ verwijderd en wordt onder vervanging van de punt in onderdeel d door ‘; en’ een nieuw onderdeel toegevoegd luidende:

  • e. voor ammoniak: NEN-EN-ISO 21877.

W

In artikel 4.1353, tweede lid, wordt na ‘zwaveldioxide’ ingevoegd `, ammoniak’.

X

In artikel 4.1354 wordt aan tabel 4.1345 een rij toegevoegd, luidende:

Ammoniak

40

Y

In artikel 4.1361 wordt aan tabel 4.1361 een rij toegevoegd, luidende:

Ammoniak

40

Z

Na artikel 4.1374 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.1374a (overgangsrecht: afwijkende emissiegrenswaarde voor stoken van rie-biomassa)

Voor een stookinstallatie, anders dan een gasturbine of zuigermotor, die wordt gestookt op rie-biomassa en die voor de inwerkingtreding van dit besluit in bedrijf was, zijn de emissiegrenswaarden voor de emissies van stikstofoxiden, zwaveldioxide en totaal stof de waarden, bedoeld in tabel 4.1374a.

Tabel 4.1374a Overgangsrecht emissiegrenswaarden rie-biomassa gestookte installatie

Brandstof/nominaal thermisch ingangsvermogen

Stikstofoxiden in mg/Nm3

Zwaveldioxide in mg/Nm3

Totaal stof in mg/Nm3

Rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa

145

200

5

AA

Aan artikel 5.24 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Bij ministeriële regels worden regels gesteld over het bepalen van de kosten en kosteneffectiviteit van de technieken, bedoeld in het tweede lid.

BB

Artikel 5.25 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘tabel 5.25’ vervangen door ‘bijlage VIa’.

2. Tabel 5.25 vervalt.

CC

Artikel 5.30 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘per stofklasse’ vervangen door ‘per stof of stofklasse’.

2. Tabel 5.30 komt te luiden:

Tabel 5.30 Emissiegrenswaarden

Stof of stofklasse

Emissiegrenswaarde in ng/Nm3 of mg/Nm3of

ng TEQ/Nm3

Ondergrens per puntbron in kg/jaar of mg TEQ/jaar

Zwaveldioxide

50 mg/Nm3

1.000 kg/jaar

Stikstofoxide

100 mg/Nm3

1.000 kg/jaar

Waterstofchloride

2 mg/Nm3

7,5 kg/jaar

Waterstoffluoride

1 mg/Nm3

7,5 kg/jaar

Ammoniak

5 mg/Nm3

75 kg/jaar

ERS

0,05 ng TEQ/Nm3

20 mg TEQ/jaar

MVP1

0,05 mg/Nm3

0,075 kg/jaar

MVP2

1 mg/Nm3

1,25 kg/jaar

S

3 mg/Nm3

100 kg/jaar

sA.1

0,05 mg/Nm3

0,125 kg/jaar

sA.2

0,5 mg/Nm3

1,25 kg/jaar

sA.3

0,5 mg/Nm3

5 kg/jaar

gA.1

0,5 mg/Nm3

1,25 kg/jaar

gA.2

3 mg/Nm3

7,5 kg/jaar

gA.3

30 mg/Nm3

75 kg/jaar

gO.1

20 mg/Nm3

50 kg/jaar

gO.2

50 mg/Nm3

250 kg/jaar

DD

Na artikel 5.38a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5.38b (overgangsrecht: emissies)
  • 1. Tot vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit zijn de emissiegrenswaarden voor stikstofoxide, waterstofchloride, waterstoffluoride, ammoniak en voor de stofklassen ERS, S en sA.3, bedoeld in artikel 5.30, niet van toepassing op emissies naar de lucht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit. Tot de eerstgenoemde datum gelden in dat geval de emissiegrenswaarden voor stikstofoxide, waterstofchloride, waterstoffluoride, ammoniak en voor de stofklassen ERS, S en sA.3 zoals opgenomen in tabel 5.38b.

  • 2. Tot vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit is de emissiegrenswaarde in mg/Nm3 voor stofklasse gO.2, bedoeld in artikel 5.30, niet van toepassing op de emissie naar de lucht van stoffen die tot de inwerkingtreding van dit besluit onder stofklasse gO.3 vielen, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit. Tot de eerstgenoemde datum gelden in dat geval voor deze stoffen een emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm3 bij een ondergrens van 250 kg/jaar.

    Tabel 5.38b Emissiegrenswaarden

    Stof of stofklasse

    Emissiegrenswaarde in ng TEQ/Nm3 of mg/Nm3

    Ondergrens per puntbron in kg/jaar of mg TEQ/jaar

    Stikstofoxide

    200 mg/Nm3

    1.000 kg/jaar

    Waterstofchloride

    3 mg/Nm3

    7,5 kg/jaar

    Waterstoffluoride

    3 mg/Nm3

    7,5 kg/jaar

    Ammoniak

    30 mg/Nm3

    75 kg/jaar

    ERS

    0,1 ng TEQ/Nm3

    20 mg TEQ/jaar

    S

    5 mg/Nm3

    100 kg/jaar

    sA.3

    5 mg/Nm3

    5 kg/jaar

EE

In bijlage I, onderdeel A, komt de definitie van gO te luiden:

  • gO: gasvormige organische stoffen, met uitzondering van methaan;.

FF

De tabel in bijlage III wordt vervangen door de tabel opgenomen in bijlage I behorende bij dit besluit.

GG

Na bijlage VI wordt een bijlage VIa ingevoegd zoals opgenomen in bijlage II behorende bij dit besluit.

HH

Bijlage VII wordt als volgt gewijzigd:

1. In de rij

chroom(VI)verbindingen

18540-29-9

MVP 1

0,1

0,075

vervalt ‘verbindingen’.

2. Na de rij

kobaltacetaat

71-48-7

MVP 1

0,5

1,25

worden drie rijen ingevoegd, luidende:

lood

7439-92-1

MVP 1

0,5

1,25

nikkel

7440-02-0

MVP 1

0,5

1,25

cadmium

7440-43-9

MVP 1

0,05

0,125

3. In de rij

arseenzuur; zouten van arseenzuur

7778-39-4

MVP 1

0,05

0,125

vervalt ‘; zouten van arseenzuur’.

4. In de rij

cadmium en cadmiumverbindingen

 

MVP 1

0,05

0,125

vervalt ‘cadmium en’.

5. Na de rij (nieuw)

cadmiumverbindingen

 

MVP 1

0,05

0,125

wordt een nieuwe rij ingevoegd, luidende:

chroom(VI)verbindingen

 

MVP1

0,1

0,075

6. In de rij

lood en anorganische loodverbindingen, berekend als Pb

 

MVP 1

0,5

1,25

wordt ‘lood en anorganische loodverbindingen, berekend als Pb’ vervangen door ‘loodverbindingen, anorganisch’.

7. In de rij

nikkel en nikkelverbindingen, berekend als Ni

 

MVP 1

0,5

1,25

wordt ‘nikkel en nikkelverbindingen, berekend als Ni’ vervangen door ‘nikkelverbindingen’.

8. In de rij

organotinverbindingen; tinverbindingen organisch

 

MVP 2

20

50

wordt ‘organotinverbindingen; tinverbindingen organisch’ vervangen door ‘tinverbindingen organisch; organotinverbindingen’.

ARTIKEL II

In artikel 8.74 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt na ‘4.1296’ ingevoegd ‘4.1303a’ en na ‘4.1340’ ingevoegd ‘4.1349a’.

ARTIKEL III

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,

Bijlage I behorende bij artikel I, onderdeel EE

Bijlage III bij de artikelen 4.192, 4.207, 4.226, 4.236, 4.277, 4.654 en 5.28

CAS-Nummer

Naam

Stofklasse

100-18-5

p-diisopropylbenzeen

gO.2

100-21-0

benzeen-1,4-dicarbonzuur; tereftaalzuur

S

10025-78-2

trichloorsiliciumhydride

gA.3

10026-04-7

siliciumtetrachloride

gA.3

10034-85-2

waterstofjodide

gA.2

100-41-4

ethylbenzeen

gO.2

100-42-5

styreen; vinylbenzeen

gO.2

10043-35-3

boorzuur

zie bijlage VII

100-44-7

benzylchloride; chloormethylbenzeen; alfachloortolueen

zie bijlage VII

10049-04-4

chloordioxide

gA.1

100-51-6

benzylalcohol

gO.2

100-52-7

benzaldehyde

gO.1

100-63-0

fenylhydrazine

MVP 1

100-66-3

anisool; methoxybenzeen

gO.2

100784-20-1

halosulfuronmethyl

MVP 1

10102-49-5

ijzer(III)arsenaat

MVP 1

10102-50-8

ijzer(II)arsenaat

MVP 1

10103-50-1

magnesiumarsenaat

MVP 1

101-14-4

2,2’-dichloor-4,4’-methyleendianiline; 4,4’-methyleenbis(2-chlooraniline); zouten van 2,2’-dichloor-4,4’-methyleendianiline

MVP 1

101-21-3

isopropyl-3-chloorfenylcarbamaat; chloorprofam; isopropyl-3-chloorcarbanilaat

gO.1

10124-43-3

kobaltsulfaat

zie bijlage VII

10124-50-2

kaliumarseniet

MVP 1

10141-05-6

kobalt(II)dinitraat

zie bijlage VII

101-61-1

N,N,N’,N’-tetramethyl-4,4’-methyleendianiline; Michler’s base

MVP 1

101-68-8

difenylmethaan-4,4-diisocyanaat; MDI

S

101-77-9

4,4’-methyleendianiline; 4,4’-diaminodifenylmethaan

MVP 1

101-80-4

4,4’-oxydianiline; zouten van 4,4’-oxydianiline; p-aminofenylether; zouten van p-aminofenylether

MVP 1

101-84-8

difenylether

S

10190-55-3

loodmolybdaat,

zie bijlage VII

10215-33-5

3-butoxy-1-propanol

gO.2

10222-01-2

dibroomnitrilopropiamide

MVP 1

1024-57-3

heptachloorepoxide

MVP 1

102561-46-6

benzyltributyl-ammonium 4-hydroxy-naftaleen-1-sulfonaat

S

102-71-6

tri-ethanolamine

gO.2

10290-12-7

koperarseniet

MVP 1

10294-34-5

boriumtrichloride

gA.2

103112-35-2

ethyl-1-(2,4-dichloorfenyl)-5-(trichloormethyl)-1H-1,2,4-triazool-3-carboxylaat

MVP 1

103-11-7

2-ethylhexylacrylaat

gO.1

103122-66-3

O-isobutyl-N-ethoxycarbonylthiocarbamaat

MVP 1

10332-33-9

perboorzuur (HBO(O2)) natrium zout monohydraat

zie bijlage VII

103-33-3

azobenzeen

MVP 1

103361-09-7

flumioxazine; N-(7-fluor-3,4-dihydro-3-oxo-4-prop-2-ynyl-2H-1,4-benzoxazin-6-yl)cyclohex-1-een-1,2-dicarboxamide

MVP 1

103-65-1

isocumol; n-propylbenzeen

gO.2

104-40-5

p-nonylfenol; 4-(para)-nonylfenol

MVP 1

104653-34-1

difethialon

MVP 1

10486-00-7

perboorzuur (HBO(O2)) natriumzout tetrahydraat

zie bijlage VII

105024-66-6

(4-ethoxyfenyl)(3-(3-fenoxy-4-fluorfenyl)propyl)dimethylsilaan

MVP 1

105-58-8

diethylcarbonaat

gO.2

105-60-2

caprolactam

gO.1

105-67-9

2,4-dimethylfenol; 2,4-xylenol

gO.2

10605-21-7

carbendazim; methylbenzimidazool-2-ylcarbamaat

MVP 1

106325-08-0

epoxiconazool; (2RS,3SR)-3-(2-chloorfenyl)-2-(4-fluorfenyl)-[(1H-1,2,4-triazool-1-yl)methyl]oxiraan

MVP 1

106-46-7

1,4-dichloorbenzeen

gO.2

106-47-8

4-chlooraniline

MVP 1

106-65-0

dimethylsuccinaat

gO.1

106-89-8

epichloorhydrine; 1-chloor-2,3-epoxypropaan; chloormethyloxiraan

MVP 2

106-91-2

2,3-epoxypropylmethacrylaat

MVP 2

106-93-4

1,2-dibroomethaan

MVP 2

106-94-5

1-broompropaan

zie bijlage VII

106-97-8

butaan [met 0,1 procent of meer butadieen (EG-nr. 203-450-8)]

MVP 2

106-99-0

1,3-butadieen

MVP 2

107-02-8

2-propenal; acroleïne

gO.1

107-06-2

1,2-dichloorethaan; ethyleenchloride

MVP 2

107-10-8

n-propylamine

gO.1

107-13-1

acrylonitril; 2-propeennitril; propeennitril

MVP 2

107-15-3

1,2-diaminoethaan

MVP 2

107-20-0

2-chloorethanal; chlooraceetaldehyde

gO.1

107-21-1

1,2-ethaandiol; ethyleenglycol; glycol

gO.2

107-22-2

ethaandial; glyoxaal

gO.1

1072-63-5

1-vinylimidazool

MVP 2

107-30-2

chloordimethylether; chloormethyl-methylether

MVP 2

107-31-3

methylformiaat

gO.2

107-46-0

hexylmethyldisiloxaan

gO.2

107-87-9

2-pentanon; methylpropylketon

gO.2

107-98-2

1-methoxy-2-propanol

gO.2

108-01-0

dimethylaminoethanol

gO.2

108-05-4

azijnzuurvinylester; vinylacetaat

gO.2

108-10-1

4-methyl-2-pentanon; isobutylmethylketon; methylisobutylketon; MIBK

gO.2

108-20-3

2-isopropoxypropaan; diisopropylether

gO.2

108-21-4

i-propylacetaat; isopropylacetaat

gO.2

108225-03-2

(6-(4-hydroxy-3-(2-methoxyfenylazo)-2-sulfonato-7-naftylamino)-1,3,5-triazin-2,4-diyl)bis[(amino-1-methylethyl)ammonium]-formaat

MVP 1

108-24-7

azijnzuuranhydride

gO.1

108-31-6

maleïnezuuranhydride; MAA

S

108-46-3

1,3-dihydroxybenzeen; resorcinol

gO.2

108-65-6

1-methoxy-2-propylacetaat; 2-methoxy-1methylethylacetaat

gO.2

108-70-3

1,3,5-trichloorbenzeen

MVP 1

108-83-8

diisobutylketon

gO.2

108-87-2

methylcyclohexaan

gO.2

108-88-3

tolueen; methylbenzeen

gO.2

108-90-7

chloorbenzeen

gO.2

108-93-0

cyclohexanol

gO.2

108-94-1

cyclohexanon

gO.2

108-95-2

fenol

gO.1

109-60-4

n-propylacetaat

gO.2

109-65-9

1-broombutaan

gO.2

109-66-0

pentaan

gO.2

109-70-6

1-broom-3-chloorpropaan

gO.2

109-86-4

2-methoxyethanol; methyleenglycolmonomethylether; ethyleenglycolmonomethylether; methylglycol

zie bijlage VII

109-89-7

diethylamine

gO.1

109-94-4

ethylformiaat

gO.2

109-99-9

tetrahydrofuraan

gO.2

110-00-9

furaan

MVP 2

110-12-3

5-methyl-2-hexanon; methylisoamylketon

gO.2

110-19-0

iso-butylacetaat

gO.2

110-49-6

2-methoxyethylacetaat

zie bijlage VII

110-71-4

1,2-dimethoxyethaan; ethyleenglycoldimethylether

MVP 2

110-80-5

2-ethoxyethanol; ethyleenglycolmonoethylether

zie bijlage VII

110-82-7

cyclohexaan

gO.2

110-85-0

piperazine

gO.1

110-86-1

pyridine

gO.1

110-88-3

1,3,5-trioxaan

gO.2

11113-50-1

natuurlijk ruw boorzuur met een gehalte aan H3BO3 van niet meer dan 85 gewichtsprocenten berekend op de droge stof

zie bijlage VII

111-15-9

2-ethoxyethylacetaat; ethylglycolacetaat

zie bijlage VII

111-35-3

3-ethoxy-1-propanol

gO.2

11138-47-9

perboorzuur natriumzout

zie bijlage VII

111-41-1

2-(2-aminoethylamino)ethanol; AEEA

MVP 1

111-42-2

2,2’-iminodiethanol; diethanolamine

gO.2

1116-54-7

2,2’-(nitrosoimino)bisethanol

MVP 1

111-76-2

2-butoxyethanol; butylglycol

gO.2

111-77-3

2-(2-methoxyethoxy)ethanol; DEGME

gO.2

111-90-0

diethyleenglycolmonoethylether; ethyldiglycol

gO.2

1119-40-0

dimethylglutaraat

gO.1

111-96-6

bis(2-methoxyethyl)ether

MVP 2

111988-49-9

thiacloprid

MVP 1

1120-71-4

1,3-propaansulton

MVP 2

112-07-2

1-butoxy-2-ethylacetaat; butylglycolacetaat

gO.2

112-24-3

triethyleentetramine

gO.2

112-34-5

2-(2-butoxy-ethoxy)-ethanol; butyldiglycol; diethyleenglycolbutylether

gO.2

112-49-2

1,2-bis(2-methoxyethoxy)ethaan; TEGDME; triethyleenglycoldimethylether; triglyme

MVP 1

112-70-9

tridecanol (isomeren mengsel); tridecylalkohol

gO.2

115-10-6

dimethylether

gO.2

115-11-7

2-methylpropeen; isobuteen; isobutyleen

gO.2

115-29-7

endosulfan

MVP 1

115-32-2

dicofol

MVP 1

115-86-6

trifenylfosfaat

gO.1

115-96-8

tris(2-chloorethyl)fosfaat

MVP 1

116-14-3

tetrafluoretheen; tetrafluorethyleen

MVP 1

116-15-4

hexafluorpropeen

gO.1

117-81-7

bis(2-ethylhexyl)ftalaat; di-ethylhexyl ftalaat; DEHP

MVP 1

117-82-8

bis(2-methoxyethyl)ftalaat

MVP 1

117955-40-5

2-methoxypropylacetaat

zie bijlage VII

118658-99-4

(methyleenbis(4,1-fenyleenazo(1-(3-(dimethylamino)propyl)-1,2-dihydro-6-hydroxy-4-methyl-2-oxopyridine-5,3-diyl)))-1,1’-dipyridiniumdichloridedihydrochloride

MVP 1

118-74-1

hexachloorbenzeen

MVP 1

118-79-6

2,4,6-tribroomfenol

gO.1

119313-12-1

2-benzyl-2-dimethylamino-4′-morfolinobutyrofenon

MVP 1

1194-65-6

dichlobenil

S

119-64-2

1,2,3,4-tetrahydronaftaleen; tetraline

gO.2

119738-06-6

(±) tetrahydrofurfuryl-(R)-2-[4-(6-chloorchinoxalin-2-yloxy)-fenyloxy]propanoaat

MVP 1

119-90-4

3,3’-dimethoxybenzidine; o-dianisidine; zouten van 3,3’-dimethoxybenzidine; zouten van o-dianisidine

MVP 1

119-93-7

3,3’-dimethylbenzidine; 4,4’-bi-o-toluidine; zouten van 3,3’-dimethylbenzidine; zouten van 4,4’-bi-o-toluidine

MVP 1

12002-03-8

koperacetoarseniet

MVP 1

12007-00-0

nikkelboride (NiB)

zie bijlage VII

12007-01-1

dinikkelboride

zie bijlage VII

12007-02-2

trinikkelboride

zie bijlage VII

12008-41-2

dinatriumoctaboraat watervrij

MVP 1

120-12-7

antraceen

zie bijlage VII

12036-01-0

zirkoonoxide

S

12040-72-1

perboorzuur natriumzout monohydraat

zie bijlage VII

12068-61-0

nikkeldiarsenide

zie bijlage VII

120-71-8

6-methoxy-m-toluidine; p-cresidine

MVP 1

120-80-9

catechol

MVP 1

120-82-1

1,2,4-trichloorbenzeen

MVP 2

120-92-3

cyclopentanon

gO.1

121-14-2

2,4-dinitrotolueen

MVP 1

121158-58-5

fenol, dodecyl-, vertakt

MVP 1

121-44-8

triethylamine

gO.1

121-69-7

N,N-dimethylaniline

gO.1

12179-04-3

boraxpentahydraat; dinatriumtetraboraatpentahydraat

zie bijlage VII

122-60-1

1,2-epoxy-3-fenoxypropaan; fenylglycidylether

MVP 1

122-66-7

hydrazobenzeen; 1,2-difenylhydrazine

MVP 1

12267-73-1

tetraboordinatriumheptaoxide hydraat

zie bijlage VII

12280-03-4

dinatriumoctaboraat tetrahydraat

MVP 1

122-99-6

fenoxyethanol

gO.2

123-03-5

cetylpyridiniumchloride

gO.1

123312-54-9

distearyldimethylammonium-bisulfaat

gO.1

123-38-6

propanal; propionaldehyde

gO.2

123-39-7

N-methylformamide

MVP 2

123-42-2

4-hydroxy-4-methyl-2-pentanon; diacetonalcohol

gO.2

123-72-8

butanal; n-butylaldehyde; n-butyraldehyd

gO.2

123-73-9

(2E)-2-butenal

MVP 1

123-77-3

azodicarbonamide; 1,1-Azobisformamide; C,C’-azodi(formamide)

MVP 1

123-86-4

azijnzuurbutylester; n-butylacetaat

gO.2

123-91-1

1,4-dioxan

gO.1

123-92-2

iso-amylacetaat

gO.2

123-95-5

butylstearaat

gO.2

124-17-4

2-(2-butoxy-ethoxy)-ethylacetaat

gO.2

124-40-3

dimethylamine

gO.1

124495-18-7

quinoxyfen; 5,7-dichloor-4-(p-fluorfenoxy)quinoline

MVP 1

124-65-2

natriumkakodylaat

MVP 1

124-68-5

isobutanol-2-amine

gO.2

12510-42-8

erioniet

MVP 1

12619-90-8

nikkelboride

zie bijlage VII

126-99-8

chloropreen; 2-chloor-1,3-butadieen; 2-chloropreen

zie bijlage VII

127-18-4

perchloorethyleen; tetrachlooretheen; PER

gO.2

127-19-5

N,N-dimethylaceetamide

zie bijlage VII

12737-30-3

kobaltnikkeloxide

zie bijlage VII

1300-71-6

xylenolen

gO.1

1303-00-0

galliumarsenide

zie bijlage VII

1303-28-2

arseenpentoxide; diarseenpentaoxide

zie bijlage VII

1303-86-2

booroxide; diboortrioxide

zie bijlage VII

1303-96-4

boraxdecahydraat; dinatriumtetraboraat decahydraat

zie bijlage VII

1304-56-9

berylliumoxide

MVP 1

1305-78-8

calciumoxide

sA.3

1306-23-6

cadmiumsulfide

MVP 1

1310-58-3

kaliumhydroxide

sA.3

1310-73-2

natriumhydroxide

sA.3

131-18-0

di-n-pentylftalaat; n-pentyl-isopentylftalaat

MVP 1

1313-99-1

nikkeloxide; nikkelmonoxide

MVP 1

1314-36-9

yttriumoxide

sA.3

1314-62-1

vanadiumpentoxide

sA.1

13149-00-3

hexahydroftaalzuur-anhydride (cis-isomeer); cis-cyclohexaan-1,2-dicarbonzuuranhydride

MVP 1

1317-61-9

ijzeroxide (Fe3O4)

S

1319-77-3

cresolen

gO.1

1321-64-8

pentachloornaftaleen

ERS

1321-65-9

trichloornaftaleen

ERS

132-32-1

3-amino-9-ethylcarbazool; 9-ethylcarbazool-3-ylamine

MVP 1

13252-13-6

2,3,3,3-tetrafluor-2-(heptafluorpropoxy)propaanzuur

MVP 2

1327-53-3

arseentrioxide

zie bijlage VII

1330-43-4

boorzuur dinatriumzout; dinatriumtetraboraat watervrij; boraxdecahydraat; dinatriumtetraboraat decahydraat; boraxpentahydraat; dinatriumtetraboraat pentahydraat

zie bijlage VII

1331-22-2

methylcyclohexanon

gO.2

1332-21-4

asbest

sA.1

1333-86-4

carbon black

S

133-49-3

pentachloorbenzeenthiol

MVP 1

1335-32-6

loodacetaat, basisch

MVP 1

1335-87-1

hexachloornaftaleen

ERS

1335-88-2

tetrachloornaftaleen

ERS

13360-57-1

dimethylsulfamoylchloride

MVP 2

1336-36-3

polychloorbifenylen; PCB’s

ERS

1338-23-4

methylethylketonperoxide

gO.1

133855-98-8

epoxiconazool; (2RS,3SR)-3-(2-chloorfenyl)-2-(4-fluorfenyl)-[(1H-1,2,4-triazool-1-yl)methyl]oxiraan

MVP 1

13463-39-3

nikkeltetracarbonyl; tetracarbonylnikkel

MVP 2

13463-40-6

ijzerpentacarbonyl

sA.1

13463-67-7

titaandioxide

S

13477-70-8

nikkel(II)arsenaat; trinikkelbis(arsenaat)

zie bijlage VII

13517-20-9

perboorzuur (H3BO2(O2)) mononatriumzout trihydraat

zie bijlage VII

13560-89-9

Dechloraan Plus

MVP 1

137-17-7

2,4,5-trimethylaniline

MVP 1

13746-66-2

kaliumferricyanide

sA.3

13814-96-5

loodbis(tetrafluorboraat); loodfluorboraat

zie bijlage VII

138-22-7

butyllactaat

gO.2

13840-56-7

orthoboorzuur natriumzout

zie bijlage VII

138-86-3

limoneen

gO.2

139-65-1

4,4’-thiodianiline; zouten van 4,4’-thiodianiline

MVP 1

140-01-2

pentanatrium diethyleen-triaminepenta-azijnzuur

MVP 1

140-66-9

1,1,3,3-tetramethyl-4-butylfenol; 4-tert-octylfenol; para-tert-octylfenol

MVP 1

140-88-5

acrylzuurethylester; ethylacrylaat; ethylpropenoaat

gO.1

141-32-2

butylacrylaat

gO.1

141-43-5

ethanolamine

gO.2

14166-21-3

hexahydroftaalzuur-anhydride (trans-isomeer); trans-cyclohexaan-1,2-dicarbonzuuranhydride

MVP 1

141-78-6

azijnzuurester; azijnzuurethylester; ethylacetaat

gO.2

1420-07-1

dinoterb; 2-tert-butyl-4,6-dinitrofenol; zouten en esters van dinoterb

MVP 1

142844-00-6

aluminiumsilicaat vuurvaste keramische vezels

MVP 1

142-96-1

dibutylether

gO.2

143-18-0

kaliumoleaat

gO.2

143-50-0

chloordecon

MVP 1

143860-04-2

3-ethyl-2-methyl-2-(3-methylbutyl)-1,3-oxazolidine

MVP 1

14464-46-1

cristoballiet

sA.1

1464-53-5

2,2’-bioxiraan; 1,2:3,4-diepoxybutaan

MVP 2

14708-14-6

nikkelbis(tetrafluorboraat)

zie bijlage VII

14808-60-7

silica (kwarts) als respirabel stof, met uitsluiting van silicavezels; zand e.a. siliciumverbindingen, m.u.v. kristallijne en/of vezelvormige verbindingen

sA.2

148-24-3

8-hydroxychinoline

MVP 1

148477-71-8

spirodiclofen

MVP 1

14977-61-8

chromylchloride

zie bijlage VII

15087-24-8

3-benzylideenkamfer

MVP 1

15120-17-9

natriumarseniet

MVP 1

15120-21-5

natriumperboraat

zie bijlage VII

151-56-4

aziridine; ethyleenimine

zie bijlage VII

151798-26-4

2-[2-hydroxy-3-(2-chlorfenyl)carbamoyl-1-naftylazo]-7-[2-hydroxy-3-(3-methylfenyl)carbamoyl-1-naftylazo]fluoreen-9-on

MVP 1

15195-06-9

strontiumarseniet

MVP 1

15468-32-3

tridymiet

sA.1

15606-95-8

triethylarsenaat

zie bijlage VII

1569-01-3

n-propoxypropanol-2

gO.2

1569-02-4

1-ethoxy-2-propanol

gO.2

1582-09-8

trifluraline

MVP 1

1589-47-5

2-methoxypropanol

zie bijlage VII

16071-86-6

dinatrium-5-[(4’-((2,6-dihydroxy-3-((2-hydroxy-5-sulfofenyl)azo)fenyl)azo)(1,1’-bifenyl)-4-yl)azo]salicylato(4-)cupraat(2-)

MVP 1

16118-49-3

carbetamide

MVP 1

1634-04-4

methyl-tertiair-butylether; MTBE

gO.2

164058-22-4

trinatrium-[4’-(8-acetylamino-3,6-disulfonato-2-nafthylazo)-4’’-(6-benzoylamino-3-sulfonato-2-nafthylazo)-bifenyl-1,3’,3’’,1’’’-tetraolato-O,O’,O’’,O’’’]koper(II)

MVP 1

16812-54-7

nikkelsulfide; nikkel(II)sulfide

MVP 1

1763-23-1

heptadecafluoroctaan-1-sulfonzuur; perfluoroctaansulfonzuur (PFOS)

MVP 1

17804-35-2

benomyl; methyl-1-(butylcarbamoyl)benzimidazool-2-ylcarbamaat

MVP 1

1825-21-4

pentachlooranisol

MVP 1

183196-57-8

kalium-1-methyl-3-morfolinocarbonyl-4-[3-(1-methyl-3-morfolinocarbonyl-5-oxo-2-pyrazoline-4-ylideen)-1-propenyl]pyrazool-5-olaat [met 0,5 procent of meer N,N-dimethylformamide (EC nr 200-679-5)]

MVP 2

1836-75-5

nitrofeen; 2,4-dichloorfenyl-4-nitrofenylether

MVP 1

18540-29-9

chroom(VI)

zie bijlage VII

189-55-9

dibenzo[a,i]pyreen (PAK)

MVP 1

189-64-0

dibenzo[a,h]pyreen (PAK)

MVP 1

1897-52-5

2,6-difluorbenzonitril; diflubenil

S

19089-47-5

2-ethoxy-1-propanol

gO.2

191-24-2

benzo[g,h,i]peryleen (PAK)

MVP 1

191-30-0

dibenzo[a,l]pyreen (PAK)

MVP 1

192-65-4

dibenzo[a,e]pyreen (PAK)

MVP 1

19287-45-7

diboraan (B2H6)

gA.1

192-97-2

Benzo[e]pyreen (PAK)

MVP 1

193-39-5

indeno(1,2,3-cd)pyreen (PAK)

MVP 1

1937-37-7

dinatrium-4-amino-3-[[4’-[(2,4-diaminofenyl)azo][1,1’-bifenyl]-4-yl]azo]-6-(fenylazo)-5-hydroxynaftaleen-2,7-disulfonaat

MVP 1

19438-60-9

methylcyclohexyl-1,6-dicarboxylzuur-anhydride

MVP 1

194-59-2

7H-dibenzo[c,g]carbazol (PAK)

MVP 1

199327-61-2

7-methoxy-6-(3-morfoline-4-ylpropoxy)-3H-chinazoline-4-on [met 0,5 procent of meer formamide (EC nr. 200-842-0)]

MVP 1

2040-90-6

2-chloor-6-fluorfenol

MVP 1

205-82-3

benzo[j]fluorantheen (PAK)

MVP 1

2058-94-8

perfluorundecanoaat

MVP 1

205-99-2

benzo[b]fluorantheen (PAK); benzo[e]acefenantryleen (PAK)

MVP 1

2062-98-8

2,3,3,3-tetrafluor-2-(heptafluorpropoxy)propionyl fluoride

MVP 2

206-44-0

fluorantheen (PAK)

MVP 1

207-08-9

benzo[k]fluorantheen

MVP 1

207122-15-4

hexabroomdifenylether; BDE-154

ERS

207122-16-5

heptabroomdifenylether; BDE -183

ERS

208-96-8

acenaftyleen

MVP 1

2104-64-5

ethyl-p-nitrofenylthio-benzeenfosfenaat; EPN

MVP 1

21049-39-8

natriumzouten van perfluornonaanzuur

MVP 2

210555-94-5

fenol, 4-dodecyl-, vertakt

MVP 1

21136-70-9

benzidine sulfaat; [1,1’-bifenyl]-4,4’-diamine sulfaat

MVP 1

214353-17-0

1-(2-amino-5-chloorfenyl)-2,2,2-trifluor-1,1-ethaandiol hydrochloride [met 0,1 procent of meer 4-chlooraniline (EC nr. 203-401-0)]

MVP 1

21436-97-5

2,4,5-trimethylanilinehydrochloride

MVP 1

218-01-9

chryseen (PAK)

MVP 1

2227-13-6

tetrasul

MVP 1

2234-13-1

octachloornaftaleen

ERS

22398-80-7

indium fosfide

MVP 1

224-42-0

dibenz[a,j]acridine (PAK)

MVP 1

226-36-8

dibenz[a,h]acridine (PAK)

MVP 1

23593-75-1

clotrimazol; 1-(2-chloorfenyl)difenylmethyl-1-h-imidazol

MVP 1

2385-85-5

mirex

MVP 1

2425-06-1

captafol

MVP 1

24280-93-1

mycofenolinezuur

MVP 1

2440-02-0

heptachloornorborneen

MVP 1

2451-62-9

1,3,5-tris(oxiranylmethyl)-1,3,5-triazine-2,4,6(1H3H5H)-trion; TGIC

MVP 1

24602-86-6

tridemorf; 2,6-dimethyl-4-tridecylmorfoline

MVP 1

2475-45-8

1,4,5,8-tetraaminoantrachinon

MVP 1

24937-79-9

polyvinylideenfluoride

S

25038-54-4

6-aminohexaanzuur, dimeer

gO.2

25086-15-1

polymethylmethacrylaat

S

25154-52-3

nonylfenolen en verwante verbindingen; NPs

MVP 1

25155-23-1

trixylyl fosfaat; TXP

MVP 1

25167-70-8

2,4,4-trimethyl-1-penteen; diisobuteen

gO.2

25214-70-4

oligomere reactieproducten van formaldehyde met aniline (technisch MDA)

MVP 1

25321-09-9

diisopropylbenze(e)n(en)

gO.2

25321-14-6

dinitrotolueen

MVP 1

25339-17-7

isodecanol

gO.2

25340-17-4

diethylbenzeen, isomeren:1,2-;1,3-;1,4

gO.2

2551-62-4

zwavelhexafluoride

gA.3

25550-51-0

methylhexahydroftaalzuur anhydride (MHHPA)

MVP 1

2580-56-5

[4-[[4-anilino-1-naftyl][4-(dimethylamino)fenyl]methyleen]cyclohexa-2,5-dien-1-ylidene] dimethylammonium chloride (C.I. Basic Blue 26) [met 0,1 procent of meer Michler’s keton (EG-nr. 202-027-5) of Michler’s base (EC nr. 202-959-2)]

MVP 1

25973-55-1

2-(2H-benzotriazol-2-yl)-4,6-ditertpentylfenol

MVP 1

2602-46-2

tetranatrium-3,3’-[[1,1’-bifenyl]-4,4’-diylbis(azo)]bis[5-amino-4-hydroxynaftaleen-2,7-disulfonaat]

MVP 1

26140-60-3

terfenyl

MVP 1

26761-40-0

di-isodecyl-ftalaat; DIDP; diisodecylftalaat

S

2687-91-4

N-ethyl-2-pyrrolidon; 1-ethylpyrrolidin-2-one

MVP 2

27016-75-7

nikkelarsenide

zie bijlage VII

27140-08-5

fenylhydrazinehydrochloride

MVP 1

27366-72-9

N,N-(dimethylamino)thioaceetamide hydrochloride

MVP 2

27458-92-0

isotrideca-1-ol

gO.1

2795-39-3

kaliumheptadecafluoroctaan-1-sulfonaat; kaliumperfluoroctaansulfonaat

MVP 1

28553-12-0

diisononylftalaat; DINP

S

28680-45-7

heptachloornorborneen

MVP 1

28772-56-7

bromadiolon

MVP 1

288-32-4

imidazool

MVP 1

29081-56-9

ammoniumheptadecafluoroctaansulfonaat; ammoniumperfluoroctaansulfonaat

MVP 1

2915-52-8

didodecylmaleaat; dilauryl maleate

gO.2

29457-72-5

lithiumheptadecafluoroctaansulfonaat; lithiumperfluoroctaansulfonaat

MVP 1

294-62-2

cyclododecaan

MVP 1

301-04-2

looddiacetaat

MVP 1

302-01-2

hydrazine

MVP 2

3033-77-0

2,3-epoxypropyltrimethylammoniumchloride; glycidyltrimethylammoniumchloride

MVP 1

307-55-1

perfluordodecanoaat

MVP 1

309-00-2

aldrin

MVP 1

3108-42-7

ammonium perfluordecaanzuur

MVP 1

3165-93-3

4-chloor-o-toluidinehydrochloride

MVP 1

319-84-6

alfa-HCH

MVP 1

319-85-7

beta-HCH

MVP 1

32241-08-0

heptachloornaftaleen

ERS

32534-81-9

pentabroomdifenyl ether

ERS

32536-52-0

octabroomdifenylether; OctaBDE; commercieel octabroomdifenylether

ERS

330-54-1

diuron

MVP 1

330-55-2

linuron; 3-(3,4-dichloorfenyl)-1-methoxy-1-methylureum

MVP 1

33213-65-9

beta-endosulfan

MVP 1

334-88-3

diazomethaan

MVP 2

335-57-9

hexadecafluorheptaan

ERS

335-67-1

perfluoroctaanzuur; decapentafluoroctaanzuur; PFOA

MVP 2

335-76-2

perfluordecaanzuur

MVP 1

3424-82-6

o,p-DDE isomeer

MVP 1

34590-94-8

dipropyleenglycolmonomethylether

gO.2

35367-38-5

diflubenzuron

S

355-46-4

perfluorhexaan-1-sulfonzuur

MVP 2

36065-30-2

1,3,5-tribroom-2-(2,3-dibroom-2-methylpropoxy)benzeen; 2,4,6-tribroomfenyl 2-methyl-2,3-dibroompropylether

MVP 1

36341-27-2

benzidine acetaat; [1,1’-bifenyl]-4,4’-diamine acetaat

MVP 1

36355-01-8

hexabroombifenyl

ERS

36437-37-3

2-(2H-benzotriazool-2-yl)-4-(tert-butyl)-6-(sec-butyl)fenol

MVP 1

36643-28-4

tributyltin-kation en tributyltin verbindingen

MVP 1

3687-31-8

trilooddiarsenaat

zie bijlage VII

3691-35-8

chloorfacinon

MVP 1

37240-96-3

loodrhodiumoxide

MVP 1

3724-43-4

chloor-N,N-dimethylformiminiumchloride

MVP 1

37244-98-7

perboorzuur natriumzout tetrahydraat

zie bijlage VII

375-73-5

perfluorbutaansulfonzuur; PFBS

MVP 1

375-95-1

perfluornonaanzuur

MVP 2

376-06-7

perfluortetradecanoaat

MVP 1

37894-46-5

etacelasil; 6-(2-chloorethyl)-6-(2-methoxyethoxy)-2,5,7,10-tetraoxa-6-silaundecaan

MVP 1

382-21-8

perfluorisobuteen

MVP 2

3825-26-1

ammonium pentadecafluoroctanoaat; APFO

MVP 1

3830-45-3

natrium perfluordecaanzuur

MVP 1

3843-16-1

distearyldimethylammonium-methosulfaat

gO.1

3846-71-7

2-benzotriazol-2-yl-4,6-di-tert-butylfenol

MVP 1

3864-99-1

2,4-di-tert-butyl-6-(5-chloorbenzotriazool-2-yl)fenol

MVP 1

39156-41-7

2,4-diaminoanisoolsulfaat

MVP 1

39300-45-3

dinocap; (RS)-2,6-dinitro-4-octylfenylcrotonaten en (RS)-2,4-dinitro-6-octylfenylcrotonaten waarbij octyleen een mengsel is van 1-methylheptyl-, 1-ethylhexyl- en 1-propylpentylgroepen

MVP 1

39807-15-3

oxadiargyl

S

399-95-1

4-amino-3-fluorfenol

MVP 1

40722-80-3

(2-chloorethyl)(3-hydroxypropyl)ammoniumchloride

MVP 1

41083-11-8

azocyclotin

MVP 1

4149-60-4

ammoniumzouten van perfluornonaanzuur

MVP 2

4170-30-3

2-butenal

MVP 1

446255-22-7

heptabroomdifenylether; BDE -175

ERS

463-58-1

carbonylsulfide

gO.1

465-73-6

isodrin

MVP 1

470-90-6

chloorfenvinfos

MVP 1

48122-14-1

hexahydro-1-methylftaalzuur-anhydride

MVP 1

485-31-4

binapacryl; 2-sec-butyl-4,6-dinitrofenyl-3-methylcrotonaat

MVP 1

488-23-3

1,2,3,4-tetramethylbenzeen

gO.2

4904-61-4

1,5,9-cyclododecatrieen

MVP 1

49690-63-3

tri-2,4-dibroomfenylfosfaat; tris(2,4-dibroomfenyl)fosfaat

S

50-00-0

formaldehyde

MVP 2

50-29-3

DDT, 4,4’-isomeer; para-para-DDT

MVP 1

50-32-8

benzo[a]pyreen (PAK)

MVP 1

50471-44-8

vinchlozolin; N-3,5-dichloorfenyl-5-methyl-5-vinyl-1,3-oxazolidine-2,4-dion

MVP 1

506-77-4

chloorcyaan

gA.1

51000-52-3

ethenyl ester van neodecaanzuur

zie bijlage VII

512-04-9

3beta,25R-spirost-5-en-3-ol

MVP 1

5131-66-8

1-butoxy-2-propanol

gO.2

513-42-8

2-methylallylalcohol

gO.1

513-79-1

kobaltcarbonaat

zie bijlage VII

5146-66-7

3,7-dimethylocta-2,6-dieennitril

MVP 1

51594-55-9

(R)-1-chloor-2,3-epoxypropaan

MVP 2

51-79-6

urethaan; ethylcarbamaat

MVP 2

52033-74-6

fenylhydrazinesulfaat (2:1)

MVP 1

52125-53-8

1,2-propaandiolmonoethylether

gO.2

5216-25-1

p-chloorbenzotrichloride; α,α,α,4-tetrachloortolueen

MVP 1

527-53-7

1,2,3,5-tetramethylbenzeen

gO.2

531-85-1

benzidine dihydrochloride; [1,1’-bifenyl]-4,4’-diamine hydrochloride

MVP 1

531-86-2

benzidine sulfaat; [1,1’-bifenyl]-4,4’-diamine sulfaat

MVP 1

5343-92-0

1,2-pentaandiol

gO.2

53-70-3

dibenz[a,h]antraceen (PAK); dibenzo(a,h)-antraceen (PAK)

MVP 1

540-59-0

1,2-dichlooretheen

gO.2

540-73-8

1,2-dimethylhydrazine

MVP 2

540-97-6

dodecamethylcyclohexasiloxaan

MVP 1

541-02-6

decamethylcyclopentasiloxaan; D5

MVP 2

541-05-9

hexamethylcyclotrisiloxaan; D3

gO.2

542-56-3

isobutylnitriet

MVP 2

542-88-1

bis(chloormethyl)ether; oxybis(chloormethaan)

MVP 2

5436-43-1

tetrabroomdifenylether; BDE-47

ERS

548-62-9

C.I. Basic Violet 3 [met 0,1 procent of meer Michler’s keton (EG-nr. 202-027-5)]

MVP 1

55219-65-3

triadimenol

MVP 1

552-30-7

benzeen-1,2,4-tricarbonzuur-1,2-anhydride

MVP 1

553-00-4

2-naftylamine acetaat; 2-naftaleenamine acetaat

MVP 1

5543-57-7

(S)-3-(1-fenyl-3-oxobutyl)-4-hydroxy-2-benzopyron

MVP 1

5543-58-8

(R)-3-(1-fenyl-3-oxobutyl)-4-hydroxy-2-benzopyron

MVP 1

55525-54-7

3,3’-(ureyleendimethyleen)bis(3,5,5-trimethylcyclohexyl)diisocyanaat

MVP 1

556-52-5

glycidol; 2,3-epoxypropaan-1-ol

MVP 2

556-67-2

octamethyltetrasiloxaan; D4

MVP 2

557-05-1

zinkstearaat

S

5571-36-8

cyclisch 3-(1,2-ethaandiylacetaal)oestra-5(10),9(11)-dieen-3,17-dion

MVP 1

56073-07-5

difenacum

MVP 1

56073-10-0

brodifacoum

MVP 1

561-41-1

4,4’-bis(dimethylamino)-4’’-(methylamino)trityl alcohol [met 0,1 procent of meer Michler’s keton (EG-nr. 202-027-5) of Michler’s base (EC No. 202-959-2)]

MVP 1

5625-90-1

N,N′-methyleendimorfoline

MVP 1

56-35-9

tributyltinoxide

MVP 1

563-80-4

3-methyl-2-butanon; methylisopropylketon

gO.2

56-55-3

benz[a]antraceen (PAK); benzo[a]antraceen (PAK)

MVP 1

56-81-5

glycerol

S

569-61-9

4,4’-(4-iminocyclohexa-2,5-dienylideenmethyleen)dianilinehydrochloride

MVP 1

57044-25-4

2,3-epoxypropaan-1-ol

MVP 2

57110-29-9

hexahydro-3-methylftaalzuur-anhydride

MVP 1

57-14-7

N,N-dimethylhydrazine

MVP 2

57171-56-9

geethoxyleerd sorbitolhexaoleaat

gO.2

573-58-0

dinatrium-3,3’-[[1,1’-bifenyl]-4,4’-diylbis(azo)]bis(4-aminonaftaleen-1-sulfonaat)

MVP 1

57-55-6

1,2-propaandiol; propyleenglycol

gO.2

57-57-8

1,3-propiolacton; 3-propanolide

MVP 2

57-74-9

chloordaan

MVP 1

578-94-9

difenylaminochloorarsine

MVP 1

581-89-5

2-nitronaftaleen

MVP 1

5836-29-3

cumatetralyl

MVP 1

584-84-9

1-methyl-2,4-fenyleen-diisocyanaat; tolueen-2,4-diisocyanaat; TDI

S

58591-45-0

kobaltnikkeldioxide

zie bijlage VII

58-89-9

gamma-hexachloorcyclohexaan; gamma-HCH; lindaan

MVP 1

592-62-1

methyl-ONN-azoxymethylacetaat; methylazoxymethylacetaat

MVP 1

593-60-2

vinylbromide

MVP 2

59447-55-1

(pentabroomfenyl)methylacrylaat; (pentabroomfenyl) methylester van 2-propeenzuur

MVP 1

59653-74-6

1,3,5-tris-[(2S en 2R)-2,3-epoxypropyl]-1,3,5-triazine-2,4,6-(1H3H5H)-trion

MVP 1

598-14-1

ethyldichloorarsine

MVP 1

59-88-1

fenylhydrazinechloride

MVP 1

60-09-3

4-aminoazobenzeen

MVP 1

602-01-7

2,3-dinitrotolueen

MVP 1

60207-90-1

propiconazool

MVP 1

602-87-9

5-nitroacenafteen

MVP 1

60-29-7

diethylether; ether

gO.2

60-32-2

6-aminohexaanzuur, monomeer

gO.2

603-35-0

trifenylfosfine

MVP 1

60-34-4

methylhydrazine

MVP 2

60348-60-9

pentabroomdifenylether; BDE-99

ERS

605-50-5

di-isopentylftalaat

MVP 1

60-57-1

dieldrin

MVP 1

606-20-2

2,6-dinitrotolueen

MVP 1

608-33-3

2,6-dibroomfenol

S

608-73-1

hexachloorcyclohexaan

MVP 1

608-93-5

pentachloorbenzeen

MVP 1

610-39-9

3,4-dinitrotolueen

MVP 1

612-52-2

2-naftylamine hydrochloride; 2-naftaleenamine hydrochloride

MVP 1

612-82-8

4,4’-bi-o-toluidine dihydrochloride; 3,3’-dimethylbenzidine dihydrochloride; 3,3’-dimethyl-[1,1’-bifenyl]-4,4’-diamine dihydrochloride

MVP 1

613-35-4

N,N’-diacetylbenzidine

MVP 1

615-05-4

2,4-diaminoanisool; 4-methoxy-m-fenyleendiamine

MVP 1

615-58-7

2,4-dibroomfenol

gO.1

61571-06-0

tetrahydrothiopyraan-3-carboxaldehyde

MVP 2

61788-32-7

gehydrogeneerd terfenyl

MVP 1

61788-33-8

polychloorterfenylen

MVP 1

6180-61-6

fenoxypropanol; 3-fenoxy-1-propanol

gO.2

618-85-9

3,5-dinitrotolueen

MVP 1

619-15-8

2,5-dinitrotolueen

MVP 1

620-14-4

1-methyl-3-ethylbenzeen

gO.2

62037-80-3

ammonium 2,3,3,3-tetrafluor-2-(heptafluorpropoxy)propanoaat

MVP 2

621-64-7

nitrosodipropylamine

MVP 2

62-53-3

aminobenzeen; aniline

gO.1

625-45-6

methoxyazijnzuur

MVP 2

62-55-5

thioaceetamide

MVP 2

626-38-0

sec-amylacetaat

gO.1

62-75-9

N-nitrosodimethylamine; dimethylnitrosoamine

MVP 2

627-93-0

dimethyladipaat

gO.1

628-63-7

n-amylacetaat

gO.2

629-14-1

1,2-diethoxyethaan

MVP 2

630-08-0

koolmonoxide (CO) (deze verbinding heeft geen emissiegrenswaarde)

---

63148-62-9

siliconenolie

gO.2

63989-69-5

ijzer(III)arseniet

MVP 1

64-17-5

ethanol

gO.2

64-18-6

mierenzuur

gO.1

64-19-7

azijnzuur

gO.2

64475-85-0

white spirit

gO.2

646-13-9

isobutylstearaat

gO.2

64-67-5

diethylsulfaat

MVP 2

64-86-8

colchicine

MVP 1

64969-36-4

4,4’-bi-o-toluidine disulfaat; 3,3’-dimethylbenzidine disulfaat; 3,3’-dimethyl-[1,1’-bifenyl]-4,4’-diamine disulfaat

MVP 1

65229-23-4

nikkelboorfosfide

zie bijlage VII

65277-42-1

1-[4-[4-[[(2SR,4RS)-2-(2,4-dichloorfenyl)-2-(imidazool-1-ylmethyl)-1,3-dioxolaan-4-yl]methoxy]fenyl]piperazine-1-yl]ethanon; ketoconazool

MVP 1

65321-67-7

tolueen-2,4-diammoniumsulfaat

MVP 1

65996-93-2

Pek koolteer, hoge temperatuur; Het residu dat wordt verkregen bij de destillatie van bij hoge temperatuur verkregen koolteer. Een zwarte vaste stof met een verwekingstraject van bij benadering 30°C tot 180°C. Voornamelijk samengesteld uit een complexe verzameling van aromatische koolwaterstoffen met drie- of meervoudig gecondenseerde ringen.

MVP 1

65997-15-1

Portland cement

S

66-81-9

cycloheximide; 4-{(2R)-2-[(1S,3S,5S)-3,5-dimethyl-2-oxocyclohexyl]-2-hydroxyethyl}}piperidine-2,6-dion

MVP 1

67118-55-2

kalium 2,3,3,3-tetrafluor-2-(heptafluorpropoxy)propanoaat

MVP 2

67-56-1

methanol

gO.2

67-63-0

2-propanol; iso-propanol; isopropylalcohol

gO.2

67-64-1

aceton; propanon

gO.2

67-66-3

chloroform; trichloormethaan

gO.1

6786-83-0

α,α-bis[4-(dimethylamino)fenyl]-4 (fenylamino)naftaleen-1-methanol (C.I. Solvent Blue 4) [met 0,1 procent of meer Michler’s keton (EG-nr. 202-027-5) of Michler’s base (EC No. 202-959-2)]

MVP 1

68016-03-5

kobaltdimolybdeennikkeloctaoxide

zie bijlage VII

680-31-9

hexamethylfosforamide; hexamethylfosforzuurtriamide

MVP 1

6804-07-5

carbadox

MVP 1

68049-83-2

azafenidin; 2-(2,4-dichloor-5-prop-2-ynyloxyfenyl)- 5,6,7,8-tetrahydro-1,2,4-triazool[4,3-a]pyridin-3(2H)- one

MVP 1

6807-17-6

4,4-isobutylethylideendifenol

MVP 1

68-12-2

N,N-dimethylformamide

zie bijlage VII

68186-89-0

kobaltnikkel grijze periklaas: C.I. Pigment black 25; C.I. 77332

zie bijlage VII

68515-42-4

1,2-benzeendicarboxylzuur, di-C7-11 vertakte en lineaire alkylesters

MVP 1

68515-50-4

1,2-benzeendicarbonzuur, dihexyl ester, vertakte en lineaire alkylesters

MVP 1

68515-51-5

1,2-benzeendicarbonzuur, di-C6-10-alkyl esters

MVP 1

68631-49-2

hexabroomdifenylether; BDE-153

ERS

68648-93-1

1,2-benzeendicarbonzuur, mengsel van decyl en hexyl en octyl diesters

MVP 1

68694-11-1

triflumizool

MVP 1

69029-86-3

tellurium

sA.2

693-98-1

2-methylimidazool

MVP 1

69806-50-4

fluazifop-butyl; butyl-2-[4-[[5-(trifluormethyl)- 2-pyridyl]oxy]fenoxy]propionaat

MVP 1

70124-77-5

flucythrinaat

MVP 1

70225-14-8

diethanolamineperfluoroctaansulfonaat

MVP 1

70-25-7

1-methyl-3-nitro-1-nitrosoguanidine

MVP 1

70657-70-4

2-methoxypropylacetaat

zie bijlage VII

70776-03-3

polychloornaftalenen; PCNs; chloorderivaten van naftaleen

ERS

70987-78-9

(S)-oxiraanmethanol 4-methylbenzeensulfonaat

MVP 1

71-23-8

n-propenol

gO.2

712-48-1

difenylchloorarsine

MVP 1

71-36-3

butylalcohol; n-butanol

gO.2

71-43-2

benzeen

MVP 2

71-48-7

kobaltacetaat

zie bijlage VII

71850-09-4

diisohexylftalaat

MVP 1

71868-10-5

2-methyl-1-(4-methylthiofenyl)-2-morfolinopropaan-1-on

MVP 1

71888-89-6

1,2-benzeendicarbonzuur; C7-rijk di-C6-8-vertakte alkylesters

MVP 1

72-20-8

endrin

MVP 1

72-43-5

methoxychloor

MVP 1

72629-94-8

perfluortridecanoaat

MVP 1

732-26-3

2;4;6-tri-tert-butylfenol; dodecylfenol

MVP 1

7397-62-8

butylglycolaat

gO.2

7439-97-6

kwik

MVP 1

7429-90-5

aluminium

S

7439-92-1

lood

zie bijlage VII

7439-96-5

mangaan

sA.3

7439-98-7

molybdeen

S

7440-02-0

nikkel

zie bijlage VII

7440-05-3

palladium

sA.3

7440-06-4

platina

sA.3

7440-16-6

rhodium

sA.2

7440-22-4

zilver

sA.2

7440-25-7

tantaal

sA.3

7440-28-0

thallium

sA.1

7440-31-5

tin

sA.3

7440-36-0

antimoon

sA.3

7440-38-2

arseen

MVP 1

7440-39-3

barium

sA.3

7440-41-7

beryllium

MVP 1

7440-42-8

borium

S

7440-43-9

cadmium

Zie bijlage VII

7440-47-3

chroom (m.u.v chroom(VI))

sA.3

7440-48-4

kobalt

MVP 1

7440-50-8

koper

sA.3

7440-62-2

vanadium

sA.3

7440-65-5

yttrium

sA.3

7440-66-6

zink

S

7440-67-7

zirkoon

S

74499-35-7

fenol, (tetrapropenyl)- derivaten

MVP 1

74646-29-0

trinikkelbis(arseniet)

zie bijlage VII

74753-18-7

4,4’-bi-o-toluidine sulfaat; 3,3’-dimethylbenzidine sulfaat; 3,3’-dimethyl-[1,1’-bifenyl]-4,4’-diamine sulfaat

zie bijlage VII

74-85-1

etheen

gO.2

74-86-2

acetyleen; ethyn

gO.2

74-87-3

chloormethaan; methylchloride

gO.1

74-89-5

aminomethaan; methylamine

gO.1

74-90-8

blauwzuurgas; cyaanwaterstof; HCN

gA.2

75-00-3

chloorethaan; ethylchloride

gO.2

75-01-4

vinylchloride; chlooretheen; chloorethyleen

MVP 2

75-04-7

aminoethaan; ethylamine

gO.1

75-05-8

acetonitril

gO.2

75-07-0

ethanal

MVP 2

75-09-2

dichloormethaan; methyleenchloride

gO.2

75113-37-0

di-µ-oxo-di-n-butylstannio-hydroxyboraan; dibutyltinhydrogeenboraat; dibutyltinwaterstofboraat

zie bijlage VII

75-12-7

formamide

MVP 1

75-15-0

koolstofdisulfide; zwavelkoolstof

gO.2

75-18-3

dimethylmercaptaan; thiobismethaan

gO.1

75-21-8

1,2-epoxyethaan; ethyleenoxide; oxiraan; etheenoxide

MVP 2

75-25-2

tribroommethaan

gO.1

75-26-3

2-broompropaan

MVP 2

75-27-4

broomdichloormethaan

gO.1

75-28-5

isobutaan [met 0,1 procent of meer butadieen (EG-nr. 203-450-8)]

MVP 2

75-29-6

2-chloorpropaan

gO.2

75-34-3

1,1-dichloorethaan

gO.2

75-35-4

1,1-dichlooretheen

gO.1

75-38-7

1,1-difluoretheen; vinylideenfluoride

gO.2

75-44-5

fosgeen

gA.1

75-52-5

nitromethaan

gO.2

75-55-8

2-methylaziridine

MVP 2

75-56-9

propyleenoxide; methyloxiraan; 1,2-epoxypropaan; propeenoxide

MVP 2

75-60-5

kakodylzuur

MVP 1

75-65-0

2-methyl-2-propanol; tert-butanol

gO.2

75-73-0

koolstoftetrafluoride; methaantetrafluoride; tetrafluormethaan

gO.2

75-91-2

1,1-dimethylethyl-hydroperoxide; tertiairbutylhydroperoxide; TBHP

gO.1

76-01-7

pentachloorethaan

MVP 2

7601-90-3

perchloorzuur

gA.1

76-16-4

hexafluorethaan

gO.2

76-19-7

octafluorpropaan

gO.2

76253-60-6

monomethyltetrachloordifenylmethaan

MVP 1

7631-86-9

siliciumdioxide (amorf)

S

7631-89-2

natriumarsenaat

MVP 1

7632-04-4

natriumperoxometaboraat

zie bijlage VII

7637-07-2

boriumtrifluoride

gA.2

764-41-0

1,4-dichloorbut-2-een

MVP 2

76-44-8

heptachloor

MVP 1

7646-79-9

kobaltchloride; kobaltdichloride

zie bijlage VII

7646-85-7

zinkchloride (rook)

sA.3

7664-38-2

fosforzuur

gA.2

7664-93-9

zwavelzuur

gA.2

76-87-9

fentinhydroxide; trifenyltinhydroxide

MVP 1

7697-37-2

salpeterzuur (nevels)

gA.3

77-09-8

fenolftaleïne

MVP 1

77182-82-2

glufosinaat-ammonium; ammonium-2-amino- 4-(hydroxymethylfosfinyl)butyraat

MVP 1

7726-95-6

broom

gA.2

77402-03-0

methylacrylamidomethoxyacetaat [met 0,1 procent of meer acrylamide]

MVP 1

77402-05-2

methylacrylamidoglycolaat [met 0,1 procent of meer acrylamide]

MVP 1

77-47-4

1,2,3,4,5,5-hexachloor(1,3-)cyclopentadieen

MVP 1

7758-01-2

kaliumbromaat

MVP 1

77-58-7

dibutyltindilauraat

MVP 1

776297-69-9

N-pentyl-isopentylftalaat

MVP 1

77-78-1

dimethylsulfaat

MVP 2

7778-39-4

arseenzuur

zie bijlage VII

7778-44-1

calciumarsenaat

zie bijlage VII

7782-41-4

fluor

gA.1

7782-42-5

grafiet

S

7782-49-2

seleen

sA.2

7782-50-5

chloorgas (Cl2)

gA.2

7782-65-2

germaniumhydride (GeH4)

gA.2

7783-06-4

waterstofsulfide; zwavelwaterstof

gA.2

7783-54-2

stikstoftrifluoride

gA.2

7783-61-1

siliciumtetrafluoride

gA.2

7784-08-9

zilverarseniet

MVP 1

7784-33-0

arseenbromide

MVP 1

7784-34-1

arseentrichloride

MVP 1

7784-40-9

loodarsenaat

zie bijlage VII

7784-41-0

kaliumarsenaat

MVP 1

7784-42-1

arseenwaterstof (arsine)

MVP 1

7784-44-3

ammoniumarsenaat

MVP 1

7789-75-5

calciumfluoride

sA.3

7790-79-6

cadmiumfluoride

MVP 1

7803-51-2

fosforwaterstof (fosfine)

gA.1

7803-57-8

hydraten van hydrazine

MVP 2

7803-62-5

siliciumtetrahydride

gA.2

78-10-4

ethylsilicaat; tetraethylorthosilicaat

gO.2

78-59-1

3,5,5-trimethyl-2-cyclohexeen-1-on; isoforon

gO.2

78-79-5

isopreen

zie bijlage VII

78-83-1

isobutanol

gO.2

78-87-5

1,2-dichloorpropaan

MVP 2

789-02-6

2,4-DDT isomeer

MVP 1

78-92-2

2-butanol; sec-butanol

gO.2

78-93-3

2-butanon; ethylmethylketon; methylethylketon; MEK

gO.2

79-00-5

1,1,2-trichloorethaan

gO.1

79-01-6

trichlooretheen; trichloorethyleen; TRI

zie bijlage VII

79-06-1

acrylamide

MVP 1

79-09-4

propaanzuur; propionzuur

gO.2

79-10-7

acrylzuur; propeenzuur

gO.1

79-11-8

chloorazijnzuur

gO.1

79-16-3

N-methylacetamide

zie bijlage VII

79-20-9

azijnzuurmethylester; methylacetaat

gO.2

79-21-0

perazijnzuur

gO.1

79-24-3

nitroethaan

gO.2

79-27-6

1,1,2,2- tetrabroomethaan

gO.1

79-29-8

2,3-dimethylbutaan

gO.2

793-24-8

N-(1,3-dimethylbutyl)-N’-fenyl-1,4-benzeendiamine; 4-(dimethylbutylamino) difenylamine

MVP 1

79-34-5

1,1,2,2-tetrachloorethaan

gO.1

79-44-7

dimethylcarbamoylchloride

MVP 2

79-46-9

2-nitropropaan

MVP 2

79-94-7

tetrabroombisfenol A

zie bijlage VII

8001-35-2

toxafeen

MVP 1

80-05-7

bisfenol A

MVP 2

8021-39-4

creosoot, hout

MVP 1

80387-97-9

2-ethylhexyl-[[[3,5-bis(1,1-dimethylethyl)- 4-hydroxyfenyl]methyl]thio]acetaat

MVP 1

80-46-6

p-(1,1-dimethylpropyl)fenol

MVP 1

80-62-6

methacrylzuurmethylester; methyl-(2-methyl)- propenoaat; methylmethacrylaat

gO.1

81-15-2

musk xyleen; muskus-xyleen; 5-tert-butyl-2,4,6- trinitro-m-xyleen

zie bijlage VII

81-81-2

warfarine

MVP 1

822-06-0

1,6-hexaandiisocyanaat; hexamethyleendiisocyanaat

gO.1

82413-20-5

(E)-3-[1-[4-[2-(dimethylamino)ethoxy]fenyl]- 2-fenylbut-1-enyl]fenol

MVP 1

83-32-9

acenafteen

MVP 1

838-88-0

4,4’-methyleendi-o-toluidine

MVP 1

84-15-1

o-terfenyl

MVP 1

84245-12-5

N-[6,9-dihydro-9-[[2-hydroxy-1-(hydroxymethyl)ethoxy]methyl]-6-oxo-1H-purin- 2-yl]acetamide

MVP 1

84540-57-8

methoxypropylaceta(a)t(en)

gO.2

84-61-7

dicyclohexylftalaat

MVP 1

84-65-1

antrachinon

MVP 1

84-69-5

diisobutylftalaat; DIBP

zie bijlage VII

84-74-2

dibutylftalaat; DBP

MVP 1

84-75-3

dihexylftalaat

MVP 1

84-76-4

dinonylftalaat

gO.1

84777-06-0

vertakte en lineaire dipentylesters van 1,2- benzeendicarbonzuur

MVP 1

84929-62-4

ricinusolie-ethoxylaat (met 15 ethyleenoxide- eenheden)

gO.2

85-01-8

fenantreen

MVP 1

85136-74-9

6-hydroxy-1-(3-isopropoxypropyl)-4-methyl-2-oxo- 5-[4-(fenylazo)fenylazo]-1,2-dihydro-3-pyridinecarbonitril

MVP 1

85-22-3

pentabroomethylbenzeen

MVP 1

85-42-7

hexahydroftaalzuur-anhydride; cyclohexaan-1,2- dicarbonzuuranhydride

MVP 1

85-44-9

ftaalzuuranhydride

S

85509-19-9

flusilazool; bis(4-fluorfenyl)(methyl)(1H-1,2,4-triazol- 1-ylmethyl)silane

MVP 1

85535-84-8

C10-13-chlooralkanen; kortketenige gechloreerde paraffines; SCCP’s; C10-13 alifatische chloorkoolwaterstoffen

MVP 1

85-68-7

benzylbutylftalaat; BBP

MVP 1

872-50-4

N-methyl-2-pyrrolidon; 1-methyl-2-pyrrolidon

zie bijlage VII

87-61-6

1,2,3-trichloorbenzeen

MVP 2

87-68-3

hexachloorbutadieen

MVP 1

87-86-5

pentachloorfenol

MVP 1

88-72-2

2-nitrotolueen

MVP 2

88-85-7

dinoseb; 6-(1-methylpropyl)-2,4-dinitrofenol; zouten en esters van dinoseb

MVP 1

90035-08-8

flocumafen

MVP 1

90-04-0

o-anisidine; 2-methoxyaniline

MVP 2

9016-45-9

nonylfenolethoxylaten en verwante verbindingen; NPEs

MVP 1

90640-80-5

antraceenolie, Een complexe verzameling polycyclische aromatische koolwaterstoffen die wordt verkregen uit koolteer met een destillatietraject van ongeveer 300°C tot 400°C. Voornamelijk samengesteld uit fenantreen antraceen en carbazool.

MVP 1

90640-81-6

antraceenolie, fractie, De antraceenrijke vaste stof die wordt verkregen door de kristallisatie en centrifugatie van antraceenolie. Bestaat voornamelijk uit antraceen carbazool en fenantreen. antraceenolie, antraceenpasta

MVP 1

90640-82-7

antraceenolie, fractie, De olie die resteert na de verwijdering, door middel van een kristallisatieproces, van een antraceenrijke vaste stof (antraceenpasta) uit antraceenolie. Bestaat voornamelijk uit aromatische verbindingen met twee, drie of vier ringen. antraceenolie, antraceenarm

MVP 1

90-72-2

2,4,6-tri(dimethylaminomethyl)fenol

S

90-94-8

4,4’-bis(dimethylamino)benzofenon; Michler’s keton

MVP 1

91079-47-9

fenolen C9-11-; gedestilleerde fenolen

MVP 1

91-08-7

1-methyl-2,6-fenyleen-diisocyanaat; tolueen-2,6-diisocyanaat

S

91-17-8

bicyclo(4,4,0)decaan; decahydronaftaleen; decaline

gO.2

91-20-3

naftaleen; naftaline

MVP 1

91-22-5

quinoline; chinoline

MVP 1

91-23-6

2-nitroanisool

MVP 1

91-59-8

2-naftylamine; 2-naftaleenamine; zouten van 2-naftylamine; zouten van 2-naftaleenamine

MVP 1

91-94-1

3,3-dichloorbenzidine; zouten van 3,3- dichloorbenzidine

MVP 1

91-95-2

bifenyl-3,3’,4,4’-tetrayltetraamine; diaminobenzidine

MVP 1

91995-15-2

antraceenolie, fractie, Een complexe verzameling koolwaterstoffen uit de destillatie van antraceen die wordt verkregen door de kristallisatie van antraceenolie uit bitumineuze hoge-temperatuur- teer, met een kooktraject van ongeveer 330 °C tot 350 °C. Bevat hoofdzakelijk antraceen carbazool en fenantreen. antraceenolie, antraceenpasta, antraceenfractie

MVP 1

91995-17-4

antraceenolie, fractie, Een complexe verzameling koolwaterstoffen uit de destillatie van antraceen die wordt verkregen door de kristallisatie van antraceenolie uit bitumineuze hoge-temperatuur- teer, met een kooktraject van ongeveer 290 °C tot 340 °C. Bevat hoofdzakelijk tricyclische aromaten en dihydroderivaten daarvan. antraceenolie, antraceenpasta, lichte destillatiefracties

MVP 1

924-42-5

N-methylolacrylamide

MVP 1

92-52-4

bifenyl; difenyl

S

92-67-1

4-aminobifenyl; xenylamine; zouten van 4-aminobifenyl; zouten van xenylamine

MVP 1

92-87-5

benzidine; 4,4’-diaminobifenyl; zouten van benzidine; zouten van 4,4’-diaminobifenyl;

MVP 1

92-93-3

4-nitrobifenyl

MVP 1

93-58-3

benzoëzuurmethylester; methylbenzoaat

S

94-26-8

butylparabeen

MVP 1

94361-06-5

cyproconazool

MVP 1

94551-87-8

ontkoperd afvalslik en bezinksel van elektrolytische koperzuivering

MVP 1

94-59-7

5-allyl-1,3-benzodioxoo; safrool

MVP 1

94723-86-1

2-butyryl-3-hydroxy-5-thiocyclohexaan-3-ylcyclohex- 2-een-1-on

MVP 1

95-06-7

sulfallaat; 2-chloorallyldiethyldithiocarbamaat

MVP 1

95-50-1

1,2-dichloorbenzeen

gO.1

95-53-4

o-toluidine; 2-aminotolueen; 2-methylbenzeenamine; zouten van o-toluidine; zouten van 2-aminotolueen; zouten van 2-methylbenzeenamine

zie bijlage VII

95-69-2

4-chloor-o-toluidine

MVP 1

95-80-7

4-methyl-m-fenyleendiamine

MVP 1

95-92-1

diethyloxalaat

gO.2

95-93-2

1,2,4,5-tetramethylbenzeen

gO.2

959-98-8

alfa-endosulfan

MVP 1

96-09-3

(epoxyethyl)benzeen; fenyloxiraan; styreenoxide

MVP 2

96-12-8

dibroomchloorpropaan; 1,2-dibroom- 3-chloorpropaan

MVP 2

96-13-9

2,3-dibroompropaan-1-ol

MVP 2

96-18-4

1,2,3-trichloorpropaan

MVP 2

96-22-0

3-pentanon

gO.2

96-23-1

1,3-dichloorpropaan-2-ol

MVP 2

96-29-7

2-butanonoxim

MVP 2

96-33-3

acrylzuurmethylester; methylacrylaat; methylpropenoaat

gO.1

96-45-7

ethyleenthioureum; ETU; imidazolidine-2-thion

MVP 1

96-48-0

γ-butyrolacton

gO.1

97-56-3

o-aminoazotolueen; 4-amino-2’,3- dimethylazobenzeen; 4-o-tolylazo-o-toluidine

MVP 1

97-64-3

ethyllactaat; ethyl-α-hydroxypropionaat

gO.2

97-88-1

n-butylmethacrylaat

gO.2

97925-95-6

ethanol, 2,2’-iminobis-, N- (C13-15-vertakt en lineair alkyl)-derivaten

MVP 1

97-99-4

tetrahydro-2-furylmethanol

MVP 2

98-00-0

2-hydroxymethylfuran; furfurylalcohol

gO.2

98-01-1

2-furaldehyde; furfural; furfurol

gO.1

98-07-7

benzotrichloride; trichloormethylbenzeen

zie bijlage VII

98-54-4

4-tert-butylfenol

MVP 1

98-55-5

α-terpineol

gO.2

98-73-7

4-tert-butylbenzoëzuur

MVP 1

98-82-8

cumeen; isopropylbenzeen

gO.2

98-83-9

isopropenylbenzeen; α-methylstyreen

gO.2

98-87-3

benzalchloride

gO.1

98-95-3

nitrobenzeen

zie bijlage VII

99-62-7

m-diisopropylbenzeen

gO.2

996-35-0

dimethylisopropylamine

gO.1

99688-47-8

monomethyldibroomdifenylmethaan

MVP 1

 

2,3,3,3-tetrafluor-2-(heptafluorpropoxy)propaanzuur, zijn zouten en zijn acylhaliden (omvattend elk van hun individuele isomeren en combinaties daarvan)

MVP 2

 

4-heptylfenol, vertakt en lineair

MVP 1

 

5-sec-butyl-2-(2,4-dimethylcyclohex-3-en-1-yl)-5- methyl-1,3-dioxaan

MVP 1

 

5-sec-butyl-2-(4,6-dimethylcyclohex-3-en-1-yl)-5- methyl-1,3-dioxaan

MVP 1

 

6-aminohexaanzuur, trimeer

gO.2

 

aardolie

gO.2

 

alifatisch koolwaterstofmengsel

gO.2

 

alkoholethyleen-oxide-fosfaatester (mengsel van C12/C14 mono- di- en trimeren)

gO.2

 

alkylalcoholen

gO.2

 

aluminiumverbindingen

S

 

antimoonverbindingen

sA.3

 

aromatisch koolwaterstofmengsel

gO.2

 

arseenverbindingen

MVP 1

 

azokleurstoffen op basis van benzidine; 4,4- diarylazobifenylkleurstoffen

MVP 1

 

azokleurstoffen op basis van o-dianisidine; 4,4’- diarylazo-3,3’-dimethoxybifenylkleurstoffen

MVP 1

 

azokleurstoffen op basis van o-tolidine; 4,4’- diarylazo-3,3’-dimethylbifenylkleurstoffen

MVP 1

 

bariumverbindingen

sA.3

 

benzine

gO.2

 

berylliumverbindingen

MVP 1

 

boriumverbindingen (stofvormig)

S

 

broomverbindingen1

gA.2

 

cadmiumverbindingen

zie bijlage VII

 

calciumverbindingen, m.u.v. calciumoxide

S

 

chloorbenzenen m.u.v. 1,2-dichloorbenzeen

gO.2

 

chloorverbindingen

gA.3

 

chroomverbindingen (m.u.v. Chroom(VI)verbindingen)

sA.3

 

chroom(VI)verbindingen

zie bijlage VII

 

cyaniden

sA.3

 

dichloorfenol(en)

gO.1

 

dichloorsiliciumdihydride

gA.3

 

e-glas microvezels met een representatieve samenstelling

MVP 1

 

ester van penta-erythritol en C9-C10-vetzuur

gO.2

 

ethoxypropylaceta(a)t(en)

gO.2

 

fenol, 2-dodecyl-, vertakt

MVP 1

 

fenol, 3-dodecyl-, vertakt

MVP 1

 

fluoriden

sA.3

 

fluorspar

sA.3

 

gebromeerde brandvertragers

MVP 1

 

geëthoxyleerd 4-(1,1,3,3-tetramethylbutyl)fenol

MVP 1

 

geëthoxyleerd lineair en vertakt 4-nonylfenol

MVP 1

 

gesulfateerde plantaardige olie

gO.2

 

glaswolvezels

sA.2

 

hexachloorcyclohexanen

MVP 1

 

houtstof (deeltjes <10 μm)

S

 

hydrazinebis(3-carboxy-4-hydroxybenzeensulfonaat)

MVP 2

 

hydrazine-trinitromethaan

MVP 2

 

hydrazine zouten

MVP 2

 

iso-octyl/nonyl-fenyl-polyglycolether (met 5 ethyleenoxide-eenheden)

gO.2

 

keramische vezels

sA.1

 

kobaltverbindingen

MVP 1

 

kobaltlithiumnikkeloxide

zie bijlage VII

 

koperverbindingen, uitgezonderd koperrook

sA.3

 

koperrook

sA.2

 

kwikverbindingen

MVP 1

 

loodalkylen

zie bijlage VII

 

loodverbindingen, anorganisch

Zie bijlage VII

 

loodverbindingen organisch

MVP 1

 

magnesiumverbindingen

S

 

mangaanverbindingen

sA.3

 

mengsel van 4-[[bis-(4-fluorfenyl)methylsilyl]methyl]- 4H-1,2,4-triazool en 1-[[bis-(4- fluorfenyl)methylsilyl]methyl]-1H-1,2,4-triazool

MVP 1

 

mengsel van dimethyl(2- (hydroxymethylcarbamoyl)ethyl)fosfonaat, diethyl(2- (hydroxymethylcarbamoyl)ethyl)fosfonaat en methylethyl(2- (hydroxymethylcarbamoyl)ethyl)fosfonaat

MVP 1

 

mengsel van dinatrium-4-(3-ethoxycarbonyl-4-(5-(3-ethoxycarbonyl-5-hydroxy-1-(4-sulfonatofenyl)pyrazool-4-yl)penta-2,4-dienylideen)-4,5-dihydro-5-oxopyrazool-1-yl)benzeensulfonaat en trinatrium-4-(3-ethoxycarbonyl-4-(5-(3-ethoxycarbonyl-5-oxido-1-(4-sulfonatofenyl)pyrazool-4-yl)penta-2,4-dienylideen)-4,5-dihydro-5-oxopyrazool-1-yl)benzeensulfonaat

MVP 1

 

mengsel van N-[3-hydroxy-2-(2-methyl-acryloylamino-methoxy)-propoxymethyl]-2-methyl-acrylamide, N-[2,3-bis-(2-methyl-acryloylamino-methoxy)propoxymethyl]-2-methylacrylamide, methacrylamide, 2-methyl-N-(2-methyl-acryloylamino-methoxy-methyl)-acrylamide en N-(2,3-dihydroxy-propoxymethyl)-2-methyl-acrylamide

MVP 1

 

mengsel van: 1,3,5-tris(3-aminomethylfenyl)-1,3,5-(1H3H5H)-triazine-2,4,6-trion; mengsel van oligomeren van 3,5-bis(3-aminomethylfenyl)-1-poly[3,5-bis(3-aminomethylfenyl)-2,4,6-trioxo-1,3,5-(1H3H5H)-triazin-1-yl]-1,3,5-(1H3H5H)-triazine-2,4,6-trion

MVP 1

 

mercaptanen

gO.1

 

methylfenolen

gO.1

 

methylfenyleendiamine; diaminotolueen; [technisch product – mengsel van 4-methyl-m-fenyleendiamine (EU-nr. 202-453-1) en 2-methyl-m-fenyleendiamine (EC nr. 212-513-9)

MVP 1

 

molybdeenverbindingen

S

 

monomethyldichloordifenylmethaan

MVP 1

 

nikkelverbindingen

zie bijlage VII

 

nitrocresolen

S

 

nitrofenolen

S

 

nitrotolue(e)n(en)

S

 

O-hexyl-N-ethoxycarbonylthiocarbamaat

MVP 1

 

olefinische koolwaterstoffen

gO.2

 

PAKs; polycyclische aromatische koolwaterstoffen

MVP 1

 

palladiumverbindingen

sA.3

 

paraffine-olie

gO.2

 

paraffinische koolwaterstoffen

gO.2

 

perfluorbutaansulfonzuur zouten

MVP 1

 

pinenen

gO.2

 

platinaverbindingen, niet wateroplosbaar

sA.3

 

platinaverbindingen, wateroplosbaar

sA.1

 

polybroomdibenzodioxines

ERS

 

polybroomdibenzofuranen

ERS

 

polychloordibenzodioxines; polychloordibenzo- p-dioxinen; PCDD’s; dioxine

ERS

 

polychloordibenzofuranen; PCDF’s

ERS

 

polyethyleenglycol

S

 

polyhalogeen-dibenzodioxines

ERS

 

polyhalogeen-dibenzofuranen

ERS

 

polyvinylalcohol

S

 

reactieproducten van 1,3,4-thiadiazolidin-2,5-dithion, formaldehyde en vertakt en lineair 4-heptylfenol [met 0,1 procent of meer vertakt of lineair 4-heptylfenol (EG-nr. 217-862-0)]

MVP 1

 

reactieproducten van paraformaldehyde en 2-hydroxypropylamine (ratio 3:2) [met 0,1 procent of meer formaldehyde (CAS-nr. 50-00-0) of andere ZZS]

MVP 1

 

reactieproducten van paraformaldehyde met 2-hydroxypropylamine (ratio 1:1) [met 0,1 procent of meer formaldehyde (CAS-nr. 50-00-0) of andere ZZS]

MVP 1

 

rhodiumverbindingen, niet wateroplosbaar

sA.2

 

rhodiumverbindingen, wateroplosbaar

sA.1

 

seleenverbindingen

sA.2

 

silicavezels, m.n. cristoballiet en tridymiet

sA.1

 

slakkenwolvezels

sA.1

 

steenwolvezels

sA.2

 

stof

S

 

telluriumverbindingen

sA.2

 

thalliumverbindingen

sA.1

 

thioalcoholen

gO.1

 

thioethers

gO.1

 

tinverbindingen, anorganisch

sA.3

 

tinverbindingen, organisch; organotinverbindingen

zie bijlage VII

 

trichloorfenolen

gO.1

 

trimethylbenzeen

gO.2

 

tris(vertakt en lineair 4-nonylfenyl) fosfiet [met ≥ 0.1 gewichtsprocent vertakt en lineair 4-nonylfenol]

MVP 1

 

vanadiumlegeringen en vanadiumcarbide

sA.3

 

vanadiumverbindingen

sA.1

 

vuurvaste keramische vezels, vezels voor speciale toepassingen, met uitzondering van minerale wol zoals gedefinieerd in bijlage VI van de EU-CLP/GHS [synthetische (silicaat)glasvezels met een willekeurige oriëntatie en een gehalte aan alkali- en aardalkalioxiden (Na2O plus K2O plus CaO plus MgO plus BaO) van ten hoogste 18 gewichtsprocent]

MVP 1

 

xylenen

gO.2

 

zilververbindingen

sA.1

 

zinkverbindingen

S

 

zinkarsenaat of zinkarseniet of zinkarsenaat en zinkarseniet, mengsel

MVP 1

 

zirkonium aluminiumsilicaat vuurvaste keramische vezels

MVP 1

1 Gebromeerde brandvertragers zijn uitgezonderd van deze stofgroep, zie aparte vermeldingen op deze lijst.

Bijlage II behorende bij artikel I, onderdeel GG

Bijlage VIa bij artikel 5.25 (Immissiegrenswaarden zeer zorgwekkende stoffen)

CAS-nummer

Stof

Immissiegrenswaarde in (μg/m3)1

100-44-7

Benzylchloride; chloormethylbenzeen; alfachloortolueen

2,8

10124-43-3

Kobaltsulfaat

0,5

10141-05-6

Kobalt(II)dinitraat2

0,5

106-89-8

Epichloorhydrine; 1-chloor-2,3-epoxypropaan; Chloormethyloxiraan

80

106-93-4

1,2-dibroomethaan

0,2

106-94-5

1-broompropaan

70

106-99-0

1,3-butadieen; buta-1,3-dieen

3

107-06-2

1,2-dichloorethaan; Ethyleenchloride

48

107-13-1

Acrylonitril; 2-propeennitril; Propeennitril

10

108-70-3

1,3,5-trichloorbenzeen

50

109-86-4

2-methoxyethanol; Methyleenglycolmonomethylether; Ethyleenglycolmono-methylether; Methylglycol

200

110-80-5

2-ethoxyethanol; Ethyleenglycolmono-ethylether

200

115-29-7

Endosulfan

0,02

116-14-3

Tetrafluoretheen; Tetrafluorethyleen

30

117-81-7

bis(2-ethylhexyl)ftalaat; di-ethylhexylftalaat; DEHP

14

118-74-1

Hexachloorbenzeen

0,75

120-82-1

1,2,4-trichloorbenzeen

50

121-14-2

2,4-dinitrotolueen

7,0

1303-28-2

Arseenpentoxide; Diarseenpentaoxide

0,006

1303-96-4

Boraxdecahydraat; dinatriumtetraboraat decahydraat

700

1327-53-3

Arseentrioxide

0,006

1333-82-0

Chroomtrioxide

0,0025

1335-32-6

Loodacetaat, basisch

0,5

143-50-0

Chloordecon

1,1

14977-61-8

Chromyldichloride

0,0025

1582-09-8

Trifluraline

26

18540-29-9

Chroom(VI)verbindingen

0,0025

301-04-2

Looddiacetaat

0,5

302-01-2

Hydrazine

0,07

309-00-2

Aldrin

0,35

32534-81-9

Pentabroomdifenylether

7,0

382-21-8

Perfluorisobuteen

0,1

50-00-0

Formaldehyde

10

50-29-3

DDT, 4,4’-isomeer; para-para-DDT

1,8

513-79-1

Kobaltcarbonaat

0,5

55525-54-7

3,3’-(ureyleendimethyleen)bis(3,5,5-trimethylcyclohexyl)diisocyanaat

0,05

57-74-9

Chloordaan

0,02

58-89-9

gamma-hexachloorcyclohexaan; gamma-HCH; Lindaan

0,14

593-60-2

Vinylbromide

3

60-57-1

Dieldrin

0,35

606-20-2

2,6-dinitrotolueen

0,35

608-73-1

Hexachloorcyclohexaan

0,2

608-93-5

Pentachloorbenzeen

2,8

629-14-1

1,2-diethoxyethaan

200

70776-03-3

Polychloornaftalenen; PCNs; chloorderivaten van Naftaleen

1,0

71-43-2

Benzeen

5

71-48-7

Kobaltacetaat

0,5

72-20-8

Endrin

0,7

7439-92-1

Lood

0,5

7439-97-6

Kwik

0,05

7440-02-0

Nikkel

0,02

7440-38-2

Arseen

0,006

7440-41-7

Beryllium3

0,02

7440-43-9

Cadmium3

0,005

7440-48-4

Kobalt

0,50

75-01-4

Vinylchloride

3,6

75-07-0

Ethanal

70

75-21-8

Ethyleenoxide

3

75-56-9

Propyleenoxide

90

76-44-8

Heptachloor

0,5

7646-79-9

Kobaltchloride; Kobaltdichloride

0,5

7738-94-5

Chroomzuur

0,0025

7778-39-4

Arseenzuur2

0,006

78-79-5

Isopreen

225

78-87-5

1,2-dichloorpropaan

12

79-01-6

Trichlooretheen; Trichloorethyleen; TRI

200

79-06-1

Acrylamide

0,6

79-46-9

2-nitropropaan

20

8001-35-2

Toxafeen

0,07

84-69-5

Diisobutylftalaat; DIBP

30

84-74-2

Dibutylftalaat; DBP

0,1

85-68-7

Benzylbutylftalaat; BBP

1.750

872-50-4

N-methyl-2-pyrrolidon; 1-methyl-2-pyrrolidon

71

87-61-6

1,2,3-trichloorbenzeen

50

87-68-3

Hexachloorbutadieen

5

87-86-5

Pentachloorfenol

11

88-72-2

2-nitrotolueen

16

91-94-1

3,3-dichloorbenzidine

0,02

95-53-4

o-toluidine; 2-aminotolueen; 2-methylbenzeenamine

32

96-18-4

1,2,3-trichloropropaan

0,012

96-45-7

Ethyleenthioureum; ETU; imidazolidine-2-thion

18

98-07-7

Benzotrichloride; trichloormethylbenzeen

0,028

98-95-3

Nitrobenzeen

9

 

Tinverbindingen, organisch; organotinverbindingen

0,02

 

polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s)

0,001

X Noot
1

De immissiegrenswaarde kan ook als indicatieve waarde zijn vastgesteld.

X Noot
2

Geldt ook voor zouten van Arseenzuur

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

Dit wijzigingsbesluit wijzigt het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal) en ziet op het actualiseren en het op niveau brengen van de Beste Beschikbare Technieken (hierna: BBT) van regels op het gebied van industriële emissies naar de lucht. Daarnaast levert het een bijdrage aan de uitvoering van de afspraken die het Rijk, provincies en gemeenten gemaakt hebben in het op 13 januari 2020 gesloten Schone Lucht Akkoord inzake het reduceren van industriële emissies (Stcrt. 2020, 12937).

Hiertoe worden de emissiegrenswaarden voor biomassaketels en de emissiegrenswaarden in paragraaf 5.4.4 van het Bal – de zogenaamde ‘luchtmodule’ – aangepast.

Het wijzigingsbesluit bevat tevens een wijziging van het Bal om een grondslag te bieden voor de opname van de berekening van de kosteneffectiviteit van investeringsmaatregelen om te voldoen aan de minimalisatieverplichting voor zeer zorgwekkende stoffen in de Omgevingsregeling en voert een aantal nieuwe zeer zorgwekkende stoffen toe aan het bijlagen bij het Bal.

In samenhang met onderhavige wijziging van het Bal, wordt tevens een wijziging met betrekking tot het reduceren van de industriële emissies naar de lucht in Bijlage XXX bij de Omgevingsregeling doorgevoerd. Het betreft de aanpassing van de rentevoet bij de beoordeling van investeringen om te bepalen of van geldende emissiegrenswaarden moet worden afgeweken. Het streven is al deze wijzigingen gelijktijdig met de inwerkingtreding van het stelsel van de Omgevingswet in werking te laten treden.

Ten slotte bevat dit wijzigingsbesluit een aantal technische reparaties die in het Bal moeten worden doorgevoerd en waarvan het wenselijk is dat zij tegelijk met het hele stelsel van de Omgevingswet in werking treden.

De invoering van een vergunningplicht voor installaties voor het stoken van rie-biomassa (biomassa als bedoeld in de richtlijn industriële emissies1) en pellets gemaakt uit rie-biomassa < 15MW is in de oorspronkelijke conceptversie van dit wijzigingsbesluit wel geconsulteerd, maar na een brede weging alsnog niet in dit wijzigingsbesluit meegenomen. Hierop zal nog verder ingegaan worden bij paragraaf 5.2, die ingaat op de verwerking van de consultatiereacties.

2. Doel en aanleiding algemeen

De aanleiding van deze wijziging is een benodigde actualisering van verouderde regels op het gebied van industriële emissies naar de lucht met als doel deze op BBT-niveau te brengen. De emissiegrenswaarden in de luchtmodule (paragraaf 5.4.4 van het Bal en voorheen afdeling 2.3 van het Abm) dateren uit 2002 toen voor het laatst de emissiegrenswaarden in de toenmalige Nederlandse emissierichtlijn zijn geactualiseerd. Daarnaast gaven ontwikkelingen en prijsdalingen in nageschakelde technieken voor biomassa gestookte installaties aanleiding om ook de emissiegrenswaarden voor kleine en middelgrote biomassa gestookte installaties aan te scherpen. Naast het actualiseren van de regelgeving speelt ook het maatschappelijke en politieke debat rondom biomassa gestookte installaties vanwege het negatieve effect op de lokale luchtkwaliteit die deze installaties kunnen hebben een rol (zie motie Sienot/Mulder2). Bovendien blijkt aanscherping van de emissiegrenswaarden technisch mogelijk te zijn. In het geval dat de subsidie voor biomassa gestookte installaties via de Stimulering van Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (hierna: SDE++) wordt behouden, is er de mogelijkheid om met subsidie de onrendabele top vergoed te krijgen.

Ten slotte is het van belang dat de voorgestelde wijzigingen aansluiten bij het Nationaal Milieubeleidskader dat uitgaat van voortdurende verbetering van de kwaliteit van het milieu en bij de afspraken uit het Schone Lucht Akkoord. Het doel van het Schone Lucht Akkoord is bij te dragen aan een permanente verbetering van de luchtkwaliteit in Nederland om gezondheidswinst te realiseren. Schone lucht is van levensbelang, voor iedereen. Luchtverontreiniging behoort tot de belangrijkste risicofactoren voor de gezondheid. Blootstelling aan luchtverontreiniging is verantwoordelijk voor 3,5% van de ziektelast in Nederland. Na roken (9,4%) behoort luchtverontreiniging daarmee tot een van de belangrijkste risicofactoren voor de gezondheid.3

Deze wijziging sluit aan bij het streven van het Schone Lucht Akkoord om in alle sectoren een dalende trend van emissies naar de lucht te realiseren. Dus ook in de sectoren industrie en energie. In de jaren negentig zijn de industriële emissies sterk gedaald, maar sinds 2010 lijken deze te stabiliseren. Zonder aanvullend beleid nemen de emissies en gezondheidseffecten toe in de periode tot 2030. Om ook in de industrie- en energiesector een verdere afname van negatieve gezondheidseffecten te realiseren zijn aanvullende maatregelen nodig. Voor de industrie- en energiesector is als minimaal doel gesteld om continu een jaarlijkse afname in emissies te realiseren. Het Schone Lucht Akkoord zet in op het ontkoppelen van groei en uitstoot en daarmee het voorkomen van gezondheidsverlies.

De wijzigingen die dit wijzigingsbesluit aanbrengt in het Bal dragen bij aan de permanente verbetering van de luchtkwaliteit in Nederland. In paragraaf 4.1 wordt nader ingegaan op de milieu-effecten van onderhavige wijzigingen.

3. Inhoud wijzigingsbesluit
3.1 Aanleiding aanpassing emissiegrenswaarden ketels voor vaste biomassa

De duurzame warmteproductie door bioketels en bioWKK’s (Warmte Kracht Koppeling) verdrievoudigde tussen 2012 en 2018.4 Vanwege de effecten op luchtkwaliteit van biomassa in kleine en middelgrote ketels, door de uitstoot van onder andere fijnstof en NOx, is afgesproken dat de emissiegrenswaarden worden aangepast.5 Gezien de technische ontwikkelingen op het gebied van nageschakelde technieken voor reductie van stof en NOx emissies was de verwachting dat aanscherping van de emissie eisen voor deze stoffen mogelijk was. De biomassasector zelf geeft ook aan dat aanpassing mogelijk is.6 In het Schone Lucht Akkoord is specifiek voor biomassastook afgesproken dat de Rijksoverheid in 2020 onderzoekt welke emissiegrenswaarden in algemene regels kunnen worden aangepast voor kleine en middelgrote ketels (ook wel aangeduid als biomassacentrales of biomassa installaties). Daarnaast is het kabinet per motie Sienot/Mulder (zie noot 3) verzocht om uiterlijk in 2022 normen te ontwikkelen voor stikstof en fijnstof voor nieuwverkoop van biomassaketels. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft TNO gevraagd te onderzoeken wat mogelijke (nageschakelde) technieken en hun kosteneffectiviteit kunnen zijn en tot op welk niveau emissiegrenswaarden aangescherpt zouden kunnen worden.7 De scope van het onderzoek betrof ketels, gestookt op vaste biomassa met een nominaal thermisch ingangsvermogen tussen 0,5 en 50MW. Daarnaast heeft ook het consortium van DNV-GL/ProBiomass in opdracht van RVO onderzoek gedaan naar het aanpassen van de emissiegrenswaarden.8 Waar TNO een bureaustudie heeft gedaan naar de verschillende onderzoeken over de technische haalbaarheid op dit gebied, heeft DNV GL/ProBiomass haar advies gebaseerd op garantiewaarden van leveranciers van (nageschakelde) technieken. Voor biomassa ketels met een nominaal thermisch ingangsvermogen < 0,5 MW gelden vanaf 2020 de eisen uit de Europese Ecodesign verordening.9

Voor wat betreft controle op de correcte installatie en onderhoud van biomassacentrales (motie Sienot/Mulder; zie noot 3) geldt dat dit voor centrales < 15 MW plaatsvindt bij de 2-jaarlijkse keuring en voor centrales > 15 MW uitgewerkt kan worden in de verplichtingen van de vergunning.

3.2 Aanpassen emissiegrenswaarden nieuwe biomassa ketels

De twee bovengenoemde onderzoeken laten zien dat aanpassing van de emissiegrenswaarden technisch mogelijk is. In geval van subsidie voor biomassa gestookte installaties via SDE++, is er de mogelijkheid om met subsidie de onrendabele top vergoed te krijgen. Het kabinet heeft hierover aangekondigd dat het de subsidie voor laagwaardige toepassingen van houtige biomassa wil afbouwen.10 De verwachting is dat er zonder subsidie nagenoeg geen nieuwe biomassa installaties bij zullen komen. Toch blijft het aanscherpen van de emissiegrenswaarden juist voor de tussenliggende periode tot het afbouwpad van belang. Nieuwe installaties die in deze periode nog gebouwd gaan worden moeten dan voldoen aan de aangescherpte emissie eisen. Het onderhavige wijzigingsbesluit bevat een aanpassing van de emissiegrenswaarden voor stof, stikstofoxide (NOx) en zwaveldioxide (SO2) voor biomassaketels die na de inwerkingtreding van dit besluit in bedrijf worden genomen en daarom gelden voor nieuwe installaties. Daar waar de reinigingstechnieken Selective Catalytic Reduction (hierna: SCR) en Selective Non Catalytic Reduction (hierna: SNCR) worden toegepast ter bestrijding van de NOx-emissies is tevens een ammoniakeis (NH3) opgenomen. Bij gebruik van een SNCR of een SCR moet ureum gedoseerd worden om de NOx-emissies te beperken. Een overdosering ureum leidt tot ammoniakuitstoot (NH3). Om overdosering te voorkomen is voor de toepassing van deze technieken een grens gesteld aan de NH3-emisie. Deze is voor de toepassing van SNCR vastgesteld op 10 mg/Nm3. Uit de rapportage van DNV-GL en ProBiomass blijkt echter dat het momenteel moeilijk kan zijn voor leveranciers om dit niveau in alle gevallen te garanderen. Daarom kan het bevoegd gezag maatwerk toepassen tot 20 mg/Nm3. Deze maatwerkoptie is begrensd om te voorkomen dat de emissie van NH3 een belangrijk deel van de aanscherping van de NOx emissiegrenswaarde teniet doet. Met het oog op de stikstofproblematiek is een hoge NH3 emissie onwenselijk, NH3 heeft een factor 3 hogere stikstofbijdrage per gewichtseenheid dan NOx. Dat betekent dat verruiming van 10mg/Nm3 naar 20 mg/Nm3 voor NH3 een verzuring effect heeft van 30 mg/Nm3 meer NOx.

De tabel hieronder geeft een vergelijking van emissiegrenswaarden, zoals die golden onder het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Abm) en zoals die zullen gelden vanaf de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit voor nieuwe biomassaketels tussen 0,5 – 50 MWth. Daarnaast wordt aangegeven met welke technieken de aangepaste emissiegrenswaarden haalbaar worden geacht.

 

Vermogenscategorie

 

0,5 – 1 MWth

1-5 MWth

5-50 MWth

Stof (PM)

Huidige eis Abm

40 mg/Nm3

20 mg/Nm3

5 mg/Nm3

Nieuwe eis

15 mg/Nm3

5 mg/Nm3

5 mg/Nm3

Mogelijke techniek om aan eis te voldoen

Doekenfilter / ESP-filter / evt. goede verbranding / brandstofkeuze of vochtgehalte van de brandstof

Doekenfilter / ESP-filter / brandstofkeuze of vochtgehalte van de brandstof

NOx

Huidige eis Abm

300 mg/Nm3

275 mg/Nm3

145 mg/Nm3

Nieuwe eis

275 mg/Nm3

145 mg/Nm3

100 mg/Nm3

Mogelijke techniek om aan eis te voldoen

Brandstofkeuze en optimale verbranding

Brandstofkeuze en/of SNCR en/of SCR

SCR

SO2

Huidige eis Abm

200 mg/Nm3

200 mg/Nm3

200 mg/Nm3

Nieuwe eis

100 mg/Nm3

100 mg/Nm3

60 mg/Nm3

Mogelijke techniek om aan eis te voldoen

Brandstofkeuze, evt. kalkinjectie en doekenfilter

NH3

Huidige eis Abm

Nieuwe eis

nvt

SCR:

5 mg/Nm31

SNCR: 10 mg/Nm32

SCR:

5 mg/Nm31

SNCR:

10 mg/Nm32

X Noot
1

maatwerk tot 10 mg/Nm3

X Noot
2

maatwerk tot 20 mg/Nm3

De nieuwe emissiegrenswaarden betreffen een forse aanscherping. De emissiegrenswaarden die Nederland tot op heden stelde, behoorden al tot de strengste in de wereld. Met deze nieuwe emissiegrenswaarden loopt Nederland mondiaal voorop. Nederland is een dichtbevolkt land met veel activiteiten op een klein grondgebied, waardoor maatregelen voor een goede luchtkwaliteit aan belang toenemen voor het milieu en de gezondheid in Nederland. Dit is des te meer van belang in het kader van de noodzakelijke energietransitie, waardoor het aantal biomassaketels naar verwachting toe zal nemen. De aangepaste emissiegrenswaarden verplichten tot het gebruik van de juiste kwaliteit biomassa en/of het toepassen van rookgasreinigingstechnieken met een hoger rendement.

Het is geen verplichting de in de tabel genoemde technieken toe te passen. Als op andere wijze wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden is dat uiteraard toegestaan. In het TNO rapport worden de mogelijke technieken in relatie tot de emissiegrenswaarden nader beschreven en onderbouwd. Dit betreft onder andere technieken als SNCR, SCR en een Electrostatic Precipitator (hierna: ESP).

3.3 Aanscherpen emissiegrenswaarden bestaande ketels

Tot 1 januari 2013 werden de emissies van biomassaketels met een nominaal thermisch ingangsvermogen tot 1 MW gereguleerd door middel van vergunningen op basis van de Nederlandse Emissie Richtlijn (hierna: NeR). Voor biomassaketels met een nominaal thermisch ingangsvermogen boven de 1 MW waren de emissiegrenswaarden vastgelegd in het Besluit emissie eisen middelgrote stookinstallaties. In 2013 zijn de emissiegrenswaarden van zowel de biomassaketels met een nominaal thermisch ingangsvermogen onder en boven 1 MW vastgelegd in het Abm.11 Voor biomassaketels met een nominaal thermisch ingangsvermogen tot 1 MW is tot 1 januari 2015 vastgehouden aan de eisen uit de NeR. Te weten een emissiegrenswaarde voor stof van 150 mg/Nm3 en 75 mg/Nm3 voor respectievelijk ketels met een nominaal thermisch ingangsvermogen tot 0,5 MW en ketels met een nominaal thermisch ingangsvermogen tussen 0,5 en 1 MW. Hiermee werd aangesloten op de Duitse regelgeving. Het is onwenselijk dat dergelijke ketels nog voor onbepaalde tijd met relatief hoge emissies in werking (kunnen) blijven. Zeker gezien het feit dat er voor deze ketels geen emissiegrenswaarden in algemene regels zijn opgenomen voor NOx en SO2.

Van de kleinere ketels onder de 1 MW is de technische levensduur naar verwachting 12-15 jaar. Voor de wat grotere ketels onder de 1 MW kan het de moeite lonen om een revisie te doen, zodat deze daarna nog 10 jaar door kan draaien.

Met dit wijzigingsbesluit worden daarom de emissiegrenswaarden voor deze biomassa ketels gelijk getrokken met de emissiegrenswaarden die al gelden voor meer recente bestaande ketels (geplaatst tussen 2015 en inwerkingtreding van dit besluit) van dit vermogen. Bij minder draaiuren of een korte levensduur van de ketel kan voor deze emissiegrenswaarden maatwerk nodig zijn, afgestemd op bijvoorbeeld de (resterende) bedrijfsuren.

Per 1 januari 2027 moeten ketels van voor 2015 met een nominaal thermisch ingangsvermogen tot 1 MW voldoen aan emissiegrenswaarden zoals deze ook per 1 januari 2015 zijn gaan gelden voor nieuwe ketels met een nominaal thermisch ingangsvermogen onder 1 MW, namelijk 40 mg/Nm3 voor stof, 300 mg/Nm3 voor NOx, en 200 mg/Nm3 voor SO2.

Bij het vaststellen van het overgangsrecht is een belangrijke overweging geweest dat ondernemers hun investeringsbeslissing mede hebben gebaseerd op de regelingen inzake de SDE++ en haar voorgangers SDE en SDE+. Deze vergoedt de onrendabele top van de investering en wordt verstrekt door gedurende 12 jaar jaarlijks een bijdrage te geven op de exploitatie naar rato van het aantal draaiuren. De initiatiefnemers hebben bij de investeringsbeslissing gerekend met een bepaalde vergoeding per energie-eenheid over de looptijd van de SDE. Het is daarom redelijk om niet tijdens deze looptijd aanvullende investeringen te verlangen op deze ketels, die de rentabiliteit van de investering in gevaar brengt, maar om de eisen in te laten gaan na afloop van deze looptijd. Vanaf 2027 gaan daarom de emissiegrenswaarden gelden zoals hierboven genoemd. Deze zijn voor NOx en SO2 haalbaar zonder nageschakelde techniek bij de keuze van schone biomassa.12 De strengere emissiegrenswaarde voor stof vereist meestal het plaatsen van (een combinatie van) emissiereductietechnieken.

3.4 Actualisatie emissiegrenswaarden

Paragraaf 5.4.4 van het Bal bevat de zogenaamde ‘luchtmodule’ waarin in artikel 5.30 emissiegrenswaarden staan opgenomen voor stoffen naar de lucht afkomstig van gekanaliseerde bronnen. De richtingaanwijzer in hoofdstuk 3 van het Bal geeft aan voor welke activiteiten de luchtmodule geldt, tenzij er specifieke voorschriften op deze activiteiten van toepassing zijn. De luchtmodule is anders dan in het Abm alleen van toepassing op vergunningplichtige activiteiten.

De waarden uit tabel 5.30 in het Bal waren ongewijzigd overgenomen uit afdeling 2.3 van het Abm. De emissiegrenswaarden die daarin staan zijn voor het laatst herzien in 2002. In opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is door Witteveen en Bos13 een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden om de emissiegrenswaarden uit tabel 5.30 van het Bal te actualiseren. Na dit verkennend onderzoek is door Tauw14 een vervolgonderzoek uitgevoerd. Het doel van dit vervolgonderzoek was het geven van concrete adviezen voor aanpassingen van emissiegrenswaarden, waarbij het verkennend onderzoek door Witteveen en Bos als basis heeft gediend. De twee studies verkennen of aanpassing van de emissiegrenswaarden nodig is vanwege de ontwikkelingen van de techniek, voortschrijdend milieubeleid en mogelijk gunstigere kosten van te nemen maatregelen. Daarbij is gekeken naar praktijkervaring, internationale trends in België en Duitsland en naar de concepten van de BBT-conclusies in de BREF ‘Waste Gas Management and Treatment systems in the Chemical sector’. Op basis van de aanbevelingen in de studie van Tauw worden de emissiegrenswaarden in de luchtmodule geactualiseerd.

Bij een aantal activiteiten in hoofdstuk 4 van het Bal staan dezelfde stofklassen en emissiegrenswaarden als in tabel 5.30 van het Bal. Er is voor gekozen om voor die activiteiten de emissiegrenswaarde voor de betreffende stofklassen gelijk te trekken met de geactualiseerde emissiegrenswaarden voor de stofklassen in tabel 5.30 van het Bal. Het gaat om de volgende activiteiten: aanbrengen van lagen op metalen, stralen van metalen, solderen van metalen en laboratorium. Voert het bedrijf de erkende maatregel die beschreven staat in de relevante artikelen uit, dan is het uitgangspunt dat het bedrijf voldoet aan de emissiegrenswaarde. Toezicht vindt dan plaats of de erkende maatregel goed wordt onderhouden en voldoende gedimensioneerd is. De geactualiseerde emissiegrenswaarden zijn gebaseerd op wat volgens de studie van Tauw nu haalbaar is met de huidige stand der techniek. Omdat de basis van de emissiegrenswaarden hetzelfde is, wordt het voor de vier activiteiten haalbaar geacht om aan dezelfde emissiegrenswaarden te voldoen.

Het generieke overgangsrecht van artikel 4.13 van de Invoeringswet en het Invoeringsbesluit Omgevingswet, bepaalt dat vergunning- en maatwerkvoorschriften die onder het Abm of de Wet milieubeheer zijn vastgesteld, hun gelding behouden. Het bevoegd gezag kan de vergunning dan op een natuurlijk moment aanpassen. Naast het generiek overgangsrecht wordt ook ten aanzien van de geactualiseerde emissiegrenswaarden in specifiek overgangsrecht voorzien. Voor bestaande activiteiten krijgen bedrijven vier jaar de tijd om te voldoen aan de geactualiseerde emissiegrenswaarden in tabel 5.30 van het Bal. Mocht een bedrijf toch niet kunnen voldoen aan de geactualiseerde emissiegrenswaarden voor emissies naar de lucht, dan heeft het bedrijf in die periode de mogelijkheid om maatwerk te vragen. Aan de hand van een beoordeling van de individuele situatie van het bedrijf kan bevoegd gezag zo nodig een soepelere emissiegrenswaarde toestaan.

Hoofdstuk 4 van het Bal bevat meer activiteiten met emissiegrenswaarden voor emissies naar de lucht. Die zijn gekoppeld aan specifieke stoffen in plaats van aan een generieke stofklasse. De verwachting is dat hier ook actualisatie van bepaalde emissiegrenswaarden mogelijk is. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is voornemens om een aanvullend onderzoek uit te laten voeren welke emissiegrenswaarden van activiteiten uit hoofdstuk 4 van het Bal geactualiseerd kunnen worden.

4. Effecten

De effecten van het voorstel tot het wijzigen van de onderdelen genoemd in bovenstaande paragraaf 3 zijn in kaart gebracht door een milieueffecten toets die Tauw15 heeft uitgevoerd en een financiële effectentoets die door Sira Consulting16 is uitgevoerd.

4.1 Milieu-effecten

Door Tauw zijn de milieu-effecten onderzocht van het actualiseren en het op BBT-niveau brengen van de regels in onderhavig besluit. Op basis van het onderzoek van Tauw wordt geconcludeerd dat het onderhavige besluit een positief effect zal hebben op de luchtkwaliteit doordat het de emissies van verschillende stoffen reduceert (zie onderstaande tabel). Er is een reductie te zien op de stoffen waar het Schone Lucht Akkoord zich op richt (NOx, NH3 en Stof) en andere stoffen die een negatieve invloed hebben op de luchtkwaliteit. In onderstaande tabel is de verwachte emissiereductie weergegeven van enkele belangrijke stoffen (bron: rapport Tauw).

Stofsoort

NOx

Stof (PM10)

SO2

NH3

HCl

HF

Emissiereductie in kg/jaar

299.617

190.305

437.000

87.995

1.119

549

Door het aanscherpen van de emissiegrenswaarden voor biomassa gestookte installaties kan volgens Tauw een forse landelijke emissiereductie tot gevolg hebben voor NOx, stof en SO2. Waarbij een grote impact wordt voorzien van het wijzigen van de emissiegrenswaarden voor oudere installaties. De actualisatie van de emissiegrenswaarden in de luchtmodule (art. 3.50 Bal) zal naar verwachting bijdragen aan een betere luchtkwaliteit door kleine emissiereducties in alle relevante industriële sectoren. In totaal telt dat ook op tot een significante reductie op het vlak van stof en NH3. Tauw stelt daarnaast dat de emissiegrenswaarden bij het herstel van de vergunningplicht gelijk zijn aan de grenswaarden gevat in algemeen geldende regelgeving. Daarom is hiervoor geen emissiereductie berekend. Tot slot geeft Tauw in haar rapport aan dat het aanpassen van de rentevoet (Omgevingsregeling) lastig te kwantificeren is. Reden hiervoor is dat de kosteneffectiviteitsmethodiek, waar de rentevoet onderdeel van uitmaakt weinig wordt toegepast voor de bepaling of in uitzonderlijke gevallen de vaststelling van mindere strenge emissiegrenswaarden noodzakelijk is. In de praktijk wordt deze methodiek echter ook generiek gebruikt om na te gaan of afwijkende – ook strengere grenswaarden – noodzakelijk zijn. Als het wordt toegepast kan het op lokaal niveau wel degelijk grote milieuwinst opleveren en is het een belangrijke bouwsteen voor strenge emissie-eisen in vergunningen.

4.2 Nalevingskosten

Het aanscherpen van de emissiegrenswaarden in de luchtmodule en het aanpassen van de rentevoet hebben effect op vergunningplichtige activiteiten waarop de luchtmodule van het Bal van toepassing is, bijvoorbeeld in de textiel- en tapijtindustrie, lederindustrie, rubber- en kunststofverwerkende industrie en hebben effect op IPPC-installaties. Daarnaast heeft dit besluit effect op de biomassasector, het betreft biomassa gestookte installaties tot 50 Mwth. Sira heeft de installaties en organisaties die geraakt worden weergegeven in onderstaande tabel:

Doelgroepen

Relevante wijziging

Omvang doelgroep

IPPC-installaties1

Aangescherpte emissiegrenswaarden luchtmodule Bal

Aanpassing rentevoet kosteneffectiviteit

Totaal: 3.5112

Geraakt: klein aantal3

‘Overige installaties’4

Aangescherpte emissiegrenswaarden luchtmodule Bal

Aanpassing rentevoet kosteneffectiviteit

Totaal: 3.3255

Geraakt: 2936

Nieuwe biomassa-installaties

– klein >0,5 <1 MWth

– middelgroot >1 <5 MWth

– middelgroot> 5 < 50 MWth

Aanscherpen emissiegrenswaarden biomassa-installaties

Totaal: 18 per jaar

Geraakt: 18 per jaar

Bestaande biomassa-installaties < 1 MWth van vóór 2015

Aanscherpen emissiegrenswaarden biomassa installaties

Totaal: 297

Geraakt: 297

Omgevingsdiensten

Alle wijzigingen

Totaal: 29

Geraakt: 29

Gemeenten

Alle wijzigingen

Totaal: 355

Geraakt: onbekend

Provincies

Aangescherpte emissiegrenswaarden luchtmodule Bal

Aanpassingen kosteneffectiviteit

Totaal: 12

Geraakt: 12

X Noot
1

IPPC-installaties: grotere industriële bedrijven met één (of meerdere) installatie(s) die vallen onder de Richtlijn Industriële Emissies (RIE). Een IPPC-installatie omvat één of meerdere milieubelastende activiteiten uit bijlage 1 van richtlijn nr. 2010/75/EU. Daarnaast moet de activiteit boven de drempelwaarde uitkomen. Het aanscherpen van de emissiegrenswaarden is alleen van toepassing op IPPC-installaties als er geen kwantitatieve BBT-range is opgenomen in de BBT-conclusies.

X Noot
2

De laatste gegevens die hierover beschikbaar zijn staan hier: https://www.infomil.nl/publish/pages/64145/20140922_ippc_questionnaire_q2_1_nl_final.pdf

X Noot
3

Zie paragraaf 3.2.2.

X Noot
4

Overige installaties: bedrijven die luchtverontreiniging veroorzaken, maar geen IPPC-installatie zijn en waarvoor geen sectorspecifieke regels gelden op grond van hoofdstuk 4 van het Bal.

X Noot
5

Vervolgonderzoek emissiegrenswaarden Afdeling 2.3 Activiteitenbesluit (Tauw, 2020).

X Noot
6

Gebaseerd op tabel 6.6 uit Vervolgonderzoek emissiegrenswaarden Afdeling 2.3 Activiteitenbesluit (Tauw, 2020).

Aanscherping van de regels ten aanzien van biomassa gestookte installaties brengt extra kosten met zich mee. Wanneer er voor nieuwe biomassa gestookte installaties subsidie (SDE ++) kan worden aangevraagd, kan daarmee de onrendabele top worden vergoed. Aan Sira hebben respondenten aangegeven dat de norm voor SO2 voor het grootste deel van de tijd geen probleem is, maar dat de piekuitstoot een aantal keer per jaar boven de 60 mg/Nm3 ligt. In de rapporten van TNO en DNV GL / ProBiomass wordt aangegeven dat een grenswaarde van 60 mg/Nm3 haalbaar is. Om te bezien of dit een breed gedragen knelpunt is, is er in de internetconsultatie gevraagd hoe partijen aankijken tegen een grenswaarde van 60 mg/Nm3 en een grenswaarde van 100 mg/Nm3. In het Sira rapport dragen respondenten aan dat het gebruik van schone brandstoffen in strijd is met het Rijksbeleid ten aanzien van biogrondstoffen.17 De respondenten spreken van hoogwaardige en laagwaardige biomassa. Het duurzaamheidskader spreekt van een hoogwaardige of laagwaardige inzet van biomassa. Het gaat daarbij om de toepassing van biomassa. Wanneer we spreken van schone biomassa om de emissiegrenswaarden te behalen, dan hebben we het over biomassa die bijvoorbeeld is gedroogd en ontdaan van naalden en bladeren. Dat kan nog steeds (laagwaardig) snoeiafval van gemeenten zijn.

Bij het actualiseren van de emissiegrenswaarden in de luchtmodule is de verwachting dat een deel van de installaties niet voldoet aan de geactualiseerde emissiegrenswaarden. Het onderzoek van Tauw gaat uit van ongeveer 25% dat niet kan voldoen. Voor deze installaties zullen aanvullende inspanningen noodzakelijk zijn om aan de nieuwe emissiegrenswaarden te voldoen. Hiermee zullen de emissies van deze installaties verminderen, waardoor verbetering van de luchtkwaliteit te verwachten is. Het aanpassen van de rentevoet (Omgevingsregeling) is lastig te kwantificeren. Reden hiervoor is dat de kosteneffectiviteitsmethodiek, waar de rentevoet onderdeel van uitmaakt, weinig wordt toegepast.

Eenmalige nalevingskosten

De eenmalige nalevingskosten voor bedrijven betreffen de kosten in verband met kennisname van de gewijzigde regelgeving en de implementatie van de aanpassingen in de bedrijfsvoering (zoals het aanpassen van werkprocedures en eigen controle of emissiepunten voldoen aan de nieuwe grenswaarden). De eenmalige nalevingskosten worden geschat op € 14.766.000 voor IPPC-installaties en ‘overige installaties’ als gevolg van de wijzigingen in de luchtmodule.

Structurele nalevingskosten

De structurele nalevingskosten betreffen verplichtingen die periodiek terugkomen. Dit betreft bijvoorbeeld de extra kosten voor een ander soort brandstof of onderhoudskosten voor een nageschakelde techniek. De structurele nalevingskosten voor bedrijven worden geschat op een bedrag tussen de € 2.638.300 en € 4.674.300 en ziet met name op bedrijven met IPPC installaties en ‘overige installaties’ vanwege het actualiseren van de luchtmodule. Wanneer er voor nieuwe biomassaketels geen subsidie beschikbaar is voor de onrendabele top schat Sira in dat de structurele nalevingskosten gemiddeld € 4.809.516 per jaar bedragen om te kunnen voldoen aan de aangescherpte emissiegrenswaarden. Dit komt dan bij bovengenoemde structurele nalevingskosten.

4.3 Administratieve lasten
Eenmalige administratieve lasten

De eenmalige administratieve lasten voor bedrijven in verband met kennisname van de gewijzigde regelgeving en de implementatie van de aanpassingen in de bedrijfsvoering liggen naar schatting tussen € 1.000.000 en € 1.993.000. Deze kosten zien op bedrijven met IPPC-installaties en ‘overige installaties’ inzake de actualisering van de luchtmodule.

Structurele administratieve lasten

De structurele administratieve lasten betreffen het aanvragen van maatwerk betreffende de emissiegrenswaarde voor NH3 voor nieuwe biomassa gestookte installaties. Deze lasten bedragen voor bedrijven naar verwachting € 20.400.

Bestuurlijke lasten

De lasten voor het bevoegd gezag nemen naar schatting eenmalig toe met een bedrag tussen de € 559.200 en € 2.256.000 als toe als gevolg van de extra aanvragen voor maatwerk voor de luchtmodule. Voor kennisname en implementatie van de wijzigingen worden de eenmalige bestuurlijke lasten geschat op € 1.740.000.

De structurele bestuurlijke lasten nemen toe met € 11.500 en zien op maatwerk voor de nieuwe NH3 eis voor nieuwe biomassa gestookte installaties.

Een belangrijk deel van de nalevingskosten en lasten ziet op de aanpassing van de luchtmodule Bal. De emissiegrenswaarden uit deze module dateren uit 2002 en zijn reeds 20 jaar oud. Actualisering op basis van ontwikkelingen in de techniek, voortschrijdend milieubeleid en mogelijk gunstigere kosten van de te nemen maatregelen is conform het eerder genoemde onderzoek van Tauw mogelijk. Het grootste deel van de bedrijven (75%) voldoet al aan de geactualiseerde grenswaarden van de luchtmodule Bal en is het aanpassen voor deze installaties blijkbaar al kosteneffectief. Voor installaties die niet (kosteneffectief) kunnen voldoen aan een emissiegrenswaarde in het Bal, kan gemotiveerd worden afgeweken met maatwerk. Daarnaast is actualisering met het oog op de negatieve impact van emissies van verontreinigende stoffen naar de lucht wenselijk. Luchtvervuiling uit de industrie draagt voor 10% bij aan de negatieve gezondheidseffecten uit binnenlandse bronnen.

4.4 Adviescollege toetsing regeldruk

Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) heeft op 14 april 2021 advies uitgebracht op het wijzigingsbesluit. Hieronder wordt ingegaan op de drie adviespunten van de ATR en de verwerking daarvan.

Het college adviseert om nader toe te lichten hoe de door (MKB-)bedrijven voorziene knelpunten ten aanzien van de werkbaarheid van het voorstel worden geadresseerd. En in aansluiting daarop in beeld te brengen wat de mate van doelbereik en de regeldrukgevolgen zijn voor de voorgestelde en alternatieve emissiegrenswaarden voor biomassacentrales en ondergrens voor de vergunningplicht voor biomassacentrales.

Om de door de MKB-bedrijven voorziene knelpunten te adresseren zijn er vragen gesteld in de consultatie over de vergunningplicht en het aanscherpen van de SO2 emissiegrenswaarde voor nieuwe installaties. In het Sira rapport wordt aangegeven dat respondenten uit de sector aangeven dat de norm voor SO2 het grootste deel van de tijd geen probleem is, maar dat de piekuitstoot een aantal keer per jaar boven de 60 mg/Nm3 ligt. Bicarbonaatinjectie of schone brandstoffen zorgen volgens hen daarom voor een beperkte vermindering van de uitstoot van SO2, die niet in verhouding staat tot de kosten. In onderstaande paragraaf over de internetconsultatie wordt verder ingegaan op de reacties op de vraag of een SO2 eis van 100 mg/Nm3 beter volstaat. Op basis van de reacties uit internetconsultatie is de SO2 eis van 60 mg/Nm3 naar 100 mg/Nm3 aangepast voor installaties tussen de 0,5-5 MWth. De verwachting is dat een aanpassing van de SO2 eis naar 100 mg/Nm3 nagenoeg geen financiële effecten heeft. Reden hiervoor is dat er voor het behalen van de NOx eis het stoken van schone brandstof naar verwachting ook al nodig is. Een ander knelpunt voor het MKB, zo bleek uit het rapport van Sira, was de vergunningplicht. Respondenten gaven aan dat het minder lasten zou veroorzaken als de vergunningplicht vanaf een hogere vermogenscategorie wordt ingesteld. Daarnaast zou het volgens bedrijven efficiënter zijn als de realisatie van biomassa-installaties wordt besproken tijdens het maken van het bestemmingsplan.

In de consultatie is door het ministerie van I&W de vraag gesteld of voor de vergunningplicht een ondergrens vanaf 0,1 MWth of een ondergrens van 0,5 MWth de voorkeur heeft. In onderhavig besluit wordt mede op basis van de reacties in de internetconsultatie afgezien van herintroductie van de vergunningplicht voor biomassacentrales. In onderstaande paragraaf over de internetconsultatie wordt verder ingegaan op de vergunningplicht.

In het Sira rapport worden ook enkele knelpunten beschreven die (MKB)bedrijven voorzien ten aanzien van de werkbaarheid. Zo wordt er aangegeven door respondenten dat het voor MKB-bedrijven vrijwel niet haalbaar is om aan de aangescherpte emissiegrenswaarden te voldoen voor biomassa installaties. Het gaat dan veelal om kleine biomassa installaties, waar voor het MKB de investeringen te hoog zouden zijn. In geval de SDE++ wordt opengesteld voor biomassa kan hiermee de onrendabele top worden vergoed voor bijv. de investeringen in rookgasreiniging. Aan de andere kant geeft Sira in haar rapport aan dat zonder subsidie het stoken van biomassa over het algemeen niet rendabel is. Dit zou betekenen dat er zonder subsidie nagenoeg geen installaties meer bijkomen, ongeacht de aanscherping van emissiegrenswaarden.

Tot slot adviseert het college om de genoemde omissies in de analyse van de regeldrukeffecten weg te nemen ten aanzien van biomassa (kosten bouwkundige maatregelen bestaande installaties als gevolg van aangescherpte emissie eisen).

Hiervan een goede berekening maken is lastig, omdat deze kosten per bedrijf erg kunnen verschillen (bijv. afhankelijk van bedrijfsuren). Daar komt bij dat deze maatregel per 2027 in gaat, waardoor de dan beschikbare technieken en kosten nog niet bekend zijn. Met inachtneming van deze onzekerheden worden de jaarlijkse kosten geschat op € 340.000. Deze kosten zijn toegevoegd aan de structurele nalevingskosten in paragraaf 4.2. Naar verwachting zullen deze kosten lager uitvallen, omdat het bevoegd gezag voor niet kosteneffectieve maatregelen maatwerk kan verlenen. De kosten van een maatwerkaanvraag zijn door Sira geschat op € 6.800 en het aantal installaties dat na de afschrijving doorgaat op ca. 74. Een deel hiervan zal mogelijk maatwerk aanvragen. De vraag van de ATR over de wijziging van de rentevoet kosteneffectiviteit ziet op een wijziging van de Omgevingsregeling. In de nota van toelichting van de wijzigingsregeling wordt op dit punt van de ATR ingegaan.

4.5. MKB-toets

Voor dit besluit is geen MKB-toets uitgevoerd, omdat er onvoldoende bedrijven beschikbaar waren voor het voeren van een panelgesprek voor de MKB-toets.

5. Voorbereiding van dit besluit
5.1 Informele consultatie

Gedurende het opstellen van dit wijzigingsbesluit zijn enkele bijeenkomsten georganiseerd om stakeholders te betrekken bij en informeren over de wijzingen in onderhavig besluit. Op 14 september 2020 heeft er een brede stakeholdersbijeenkomst plaatsgevonden. Op basis van stakeholdersinput is bijvoorbeeld voor de emissiegrenswaarden voor biomassa gestookte installaties niet overal het advies van TNO overgenomen. Bijvoorbeeld voor wat betreft de grenswaarde voor NOx en de grenswaarde voor stof voor ketels tussen 0,5-1MWth en wordt er maatwerk mogelijk voor de grenswaarde van NH3 voor ketels tussen 1-5MWth. Ook is het voorstel ten aanzien van de rentevoet (Omgevingsregeling) aangepast naar aanleiding van input van stakeholders.

Zowel de informele consultatie als het conceptbesluit dat voor toetsing aan de ATR, ILT, IPO en VNG is voorgelegd, bevatten een voorstel voor de invoering van een vergunningplicht voor installaties voor het stoken van rie-biomassa en pellets gemaakt uit rie-biomassa < 15MWth. Na een brede weging is dit uiteindelijk niet in dit wijzigingsbesluit meegenomen. Hierop zal verder worden ingegaan bij de hiernavolgende paragraaf.

5.2 Internetconsultatie

Een ontwerp van dit besluit is van 1 maart tot 29 maart 2021 via www.internetconsultatie.nl ter consultatie aangeboden. Er zijn in totaal 25 reacties ingediend, hiervan zijn er 15 openbaar. De reacties zijn zeer divers. Globaal is het beeld dat overheden en NGO’s voorstander zijn van aanscherping van regelgeving, en bedrijfsleven en branche meer streven naar versoepeling van de regeling en minder regelgeving.

Voor het aanscherpen van de emissiegrenswaarden voor nieuwe biomassaketels (0,5-5MWth) lopen de meningen uiteen. Voor een groot deel is er breed draagvlak voor de aanscherping. Hoewel sommige partijen pleiten voor verdere aanscherping voor onder andere NOx stellen anderen dat enkele aanscherpingen, zoals voor NH3 en SO2 niet (altijd) haalbaar zijn. Belangrijk uitgangspunt voor de voorgestelde emissiegrenswaarden zijn de onderliggende onderzoeken van TNO en DNV GL/ProBiomass en het gesprek met de sector hierover. Voor wat betreft NOx leidt verdere aanscherping van de NOx eis, zeker bij kleinere installaties, tot meer ammoniakslip waardoor de winst van een lagere NOx-emissie qua stikstofdepositie geheel of gedeeltelijk teniet gedaan zou worden. Voor wat betreft SO2 is in de consultatie de vraag gesteld of voor de emissiegrenswaarde voor SO2 ook volstaan kan worden met 100 mg/Nm3 in plaats van de voorgestelde 60 mg/Nm3 voor installaties tussen 0,5 en 5 MWth. In de consultatie geeft een NGO aan dat 60 mg/Nm3 haalbaar en betaalbaar zou moeten zijn met een betere kwaliteit biomassa. Door een andere NGO wordt aangegeven dat een grenswaarde van 60 mg/Nm3 in de praktijk vaak toch al gehaald wordt. De biomassasector geeft aan dat een eis van 60 mg/Nm3 technisch-economisch niet áltijd haalbaar is, maar dat men wel een norm van 100 mg/N3 kan garanderen. De variatie heeft onder andere te maken met een wisselende kwaliteit brandstof, waardoor een installatie niet in alle gevallen kan voldoen. Een grenswaarde van 100 mg/Nm3 in plaats van 60 mg/Nm3 zal daarom naar verwachting een beperkt effect op de luchtkwaliteit hebben. Echter, een grenswaarde van 60mg/Nm3 kan wel onhaalbaar blijken voor de exploitant. Om deze redenen is de grenswaarde na de consultatie aangepast naar 100 mg/Nm3 voor installaties van 0,5-5 MWth. Voor wat betreft de eis voor NH3 zijn bij het raadplegen van de sector in het voortraject ook signalen ontvangen over de haalbaarheid. Op basis van deze signalen is maatwerk mogelijk gemaakt in de gevallen waarin deze eis niet mogelijk blijkt. Verder uitte de sector ook zorgen over het afbouwen van de SDE++ voor biomassa en de haalbaarheid van de emissiegrenswaarden. Op het moment van het ontwikkelen van dit besluit was er nog geen kabinetsbesluit over de afbouw van subsidie voor biomassa installaties. In het rapport van TNO wordt aangegeven dat de verbranding van vaste biomassa, zoals hout, resulteert in aanzienlijk meer uitstoot naar de lucht van stof, stikstofoxiden (NOx) en zwaveloxiden (SO2) dan de verbranding van aardgas. Bij een toename van vaste biomassastook in biomassaketels, zal de emissie van stof, NOx en SO2 toenemen. Voor de luchtkwaliteit is het dan ook van belang dat emissies van biomassastook naar de lucht zoveel mogelijk worden beperkt ook in de tussenliggende periode totdat biomassa voor laagwaardige toepassingen is afgebouwd. Daarnaast is de verwachting dat er zonder SDE++ nagenoeg geen nieuwe biomassa gestookte installaties bijkomen, ongeacht de aanscherping van de emissiegrenswaarden.

Ook wordt er gepleit voor het eerder aanscherpen van de emissiegrenswaarden voor bestaande installaties < 1MW en niet te wachten tot 2027. Voor bestaande installaties is het uitgangspunt geweest dat deze veelal in bedrijf zijn op basis van de SDE-regeling. Aanvullende eisen gedurende de subsidielooptijd zouden de business case dusdanig kunnen beïnvloeden dat de investering niet meer uit kan, omdat bij de subsidieverlening hier destijds geen rekening mee is gehouden.

In de consultatieversie van dit wijzigingsbesluit was ook de herintroductie van de vergunningplicht opgenomen voor biomassacentrales < 15 MWth. Met de motie Bruins c.s.18 is de regering verzocht te onderzoeken of herintroductie van een milieuvergunning effectief zou zijn. In de overwegingen van de motie is meegegeven dat er een groeiende verontrusting is over biomassacentrales, met name wanneer deze in of nabij woonwijken zijn gepland. Ook is meegegeven dat het wenselijk is dat er tijdig inspraakmogelijkheden zijn voor de omgeving bij de planning van nieuwe biomassa installaties en dat de gemeenten een beter ruimtelijk sturingsinstrument in handen hebben.

Uit de consultatiereacties blijkt dat overheden en NGO’s in hun reactie op de vergunningplicht voornamelijk reageren op de overlast van de emissies van dergelijke installaties. De biomassasector ziet het belang van participatie bij het plannen van biomassa installaties, maar vreest een flinke toename van de administratieve lasten. De sector vraagt zich ook af of de verhouding tussen extra milieuwinst en meerkosten niet zoek raakt. Ook omdat een voorafgaande beoordeling al plaats zou vinden bij de voorbereiding van het Omgevingsplan. In de besluitvorming over de effectiviteit van een vergunningplicht is gekeken in hoeverre het bij kan dragen aan het aanscherpen van emissie eisen, een betere ruimtelijke sturing en inspraak voor de omgeving. De emissiegrenswaarden zijn in algemene regels vastgelegd en worden met onderhavig besluit aanzienlijk aangescherpt. Daarvan afwijken kan alleen wanneer de lokale milieugebruiksruimte wordt overschreden. Hiervoor is een vergunning niet nodig, dit zou al bij het ruimtelijke besluit aan de orde moeten komen en als in een specifiek geval aanvulling daarop nodig is kan het bevoegd gezag dit alsnog bereiken met een maatwerkvoorschrift. Tauw stelt daarnaast dat de emissiegrenswaarden bij het herstel van de vergunningplicht gelijk zijn aan de grenswaarden gevat in algemeen geldende regelgeving. Daarom is hiervoor geen emissiereductie berekend. Met een milieuvergunning is het niet mogelijk om ruimtelijk te sturen op de locatie van een biomassacentrale, zoals het tegengaan van biomassacentrales in woonwijken, als aan emissie-eisen wordt voldaan en lokale milieugebruiksruimte niet wordt overschreden. Dat is bij biomassacentrales meestal niet het geval, de bezwaren hebben veelal met inpassing in de woonomgeving te maken, waarbij bijvoorbeeld vervoersbewegingen een rol spelen. Dit is echter een vraagstuk van ruimtelijke besluitvorming, een bevoegdheid die decentrale overheden al hebben en kunnen inzetten. Met bestaand instrumentarium (Omgevingsplan) kan er gestuurd worden op de locatie van biomassacentrales. Tot slot biedt een vergunningplicht inspraak voor omwonenden, maar wanneer de activiteit aan de technische eisen voldoet en de lokale milieugebruiksruimte niet wordt overschreden moet de vergunning worden verleend. Dit kan mogelijk tot teleurstelling leiden bij de insprekers, omdat bij principiële weerstand tegen een biomassa installatie de vergunning niet geweigerd kan worden.

Gezien het bovenstaande biedt een milieuvergunningplicht geen toegevoegde waarde voor het reduceren van emissies en het sturen op de locatie. Terwijl dit instrument wel extra lasten oplevert voor bedrijven en decentrale overheden. Hier is door de ATR en VNG ook aandacht voor gevraagd in hun advies. Sira schat de structurele jaarlijkse lasten voor het bedrijfsleven op € 828.000 en voor overheden op € 182.000. Daarnaast biedt het Omgevingsplan wel de mogelijkheid om te sturen op de locatie van biomassa installaties en deze te weigeren bij principiële weerstand. Het bevoegd gezag kan in het Omgevingsplan biomassacentrales in bepaalde gebieden verbieden of lokaal een vergunningplicht instellen. Aan de VNG is aangegeven dat het Rijk gemeenten wil faciliteren bij het beter benutten van huidig instrumentarium. Dit alles overwegende is de conclusie dat een milieuvergunningplicht niet effectief is en niet zal worden geherintroduceerd.

Over de emissiegrenswaarden in de luchtmodule Bal lopen de meningen uiteen. Er is steun vanuit overheden, en kritiek vanuit bedrijfsleven m.b.t. concurrentiepositie t.o.v. overige landen en verzoek tot integrale benadering.

Bij het vaststellen van de nieuwe emissiegrenswaarden zijn diverse bronnen geraadpleegd. Door Witteveen en Bos is gekeken naar BREF herzieningen die onder de IED tot stand zijn gekomen en naar regelgeving in het buitenland. Vervolgens heeft Tauw voor de installaties die onder de reikwijdte van afdeling 2.3 Activiteitenbesluit vallen, gekeken naar hoeveel procent van de installaties aan de geadviseerde emissiegrenswaarde kan voldoen. De voorgestelde emissiegrenswaarde van Witteveen en Bos is door Tauw alleen overgenomen als minimaal grofweg 75% van de bestaande installaties er nu al aan kan voldoen. Het overgrote deel van de installaties zal dus geen maatregelen hoeven te treffen. De installaties die nu niet voldoen, nemen maatregelen binnen vier jaar (overgangsrecht), of kunnen daarvoor maatwerk aanvragen. Voor installaties die niet (kosteneffectief) kunnen voldoen aan een emissiegrenswaarde in het Bal, kan gemotiveerd worden afgeweken met maatwerk. Dit maatwerk regelt de vergunningverlener in de vergunning met een vergunningvoorschrift. Voor een niet vergunningplichtige activiteit regelt het bevoegd gezag dit met een voorschrift in een Besluit.

De industrie geeft aan bij het verder aanscherpen van de regels door aanpassing van de emissiegrenswaarden een integrale benadering te verwachten waarbij de realistisch te behalen totale milieuwinst een rol speelt. Zoals hierboven beschreven zijn de nieuwe emissiegrenswaarden tot stand gekomen op basis van praktijkgegevens. Het bevoegd gezag maakt altijd een integrale afweging. Naar aanleiding daarvan kan zo nodig maatwerk worden verleend.

5.3 Toets op handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid

Voor de uitvoering en handhaving van de bepalingen in dit wijzigingsbesluit zijn verschillende organisaties betrokken. Gedeputeerde Staten en het college van burgemeester en wethouders zijn het bevoegd gezag voor de regels, zoals opgenomen in het onderhavige wijzigingsbesluit. Over het algemeen voeren de Omgevingsdiensten deze taak uit. In het kader van de interbestuurlijke verhoudingen zijn de voorgestelde wijzigingen van het Bal voorgelegd aan het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Hieronder wordt ingegaan op de uitkomsten van deze toetsen en de wijze waarop de uitkomsten zijn meegenomen in het wijzigingsbesluit en de nota van toelichting.

Inzake dit besluit richt de reactie van het IPO zich op de maatregelen ten aanzien van biomassacentrales en de luchtmodule. Ten aanzien van biomassacentrales ziet de reactie op het behalen van de strengere emissie-eisen door gebruik van de juiste kwaliteit biomassa. IPO stelt dat er wellicht nagedacht kan worden over een systematiek die ziet op controle op de biomassa input in kleine installaties, dit in relatie tot het behalen van de SO2 eis met schone biomassa.

Uit de onderzoeken van TNO en DNV-GL/ProBiomass blijkt dat met schone biomassa de aangescherpte emissiegrenswaarden voor SO2 gehaald kunnen worden. Onder schone biomassa valt schoon snipperhout/chips (zonder of met een minimale verontreiniging van bladeren en/of naalden) en houtpellets. De controle die IPO noemt zou dan moeten zien op de samenstelling van de biomassa: de verhouding tussen zwavel en zwavelverbindende componenten. Dit is lastig te controleren. Echter, ten aanzien van houtpellets zijn er certificatieschema’s. Uit het TNO onderzoek blijkt verder dat met name ENplus en DINplus certificaten regelmatig worden gebruikt in de handel van houtpellets en dat deze certificatieschema’s o.a. eisen ten aanzien van het zwavelgehalte bevatten. Het kan echter voorkomen dat er in de praktijk twijfel bestaat ten aanzien van de kwaliteit. In dat geval is het aan het bevoegd gezag om te bepalen of er toch een meting vereist is.

Daarnaast geeft IPO aan dat kleinere biomassacentrales vaak in de nabijheid van woningen zijn gelegen, maar dat hiervoor een zeer beperkte meetverplichting is opgenomen, waardoor de emissies lastig zijn te achterhalen en controleren. Het Bal voorziet in enkel periodieke metingen. Deze volgen uit de Europese richtlijn voor middelgrote stookinstallaties (Medium Combustion Plant Directive). Daarnaast wordt in onderhavig wijzigingsvoorstel een meetverplichting toegevoegd voor stof voor installaties < 1MW, wanneer er geen doekenfilter wordt toegepast. Continue metingen zijn erg kostbaar. De kosten voor het continue meten van stof en NOx en ammoniak bedragen naar schatting € 30.000 per jaar en lijken daarmee niet proportioneel. Het bevoegd gezag heeft de mogelijkheid om met maatwerk een hogere meetfrequentie op te leggen, bijvoorbeeld in geval er overlast van een installatie wordt ervaren. Daarnaast stelt IPO voor om de aanscherping van de eisen al van toepassing te laten zijn in de periode tussen de consultatie en de inwerkingtreding van dit besluit om een run op biomassacentrales in de tussenliggende periode te voorkomen.

Ten aanzien van de luchtmodule ziet de reactie van IPO op het behalen van de aangescherpte emissiegrenswaarden. IPO geeft aan dat zal blijken dat diverse inrichtingen niet meer kunnen voldoen aan de emissiegrenswaarden. IPO stelt dat handhaving hierop alleen mogelijk is indien goede emissiemetingen beschikbaar zijn, uitgevoerd door een gecertificeerde instantie. Volgens IPO zijn normering van metingen goed vastgelegd in het Bal, maar de minimale heersende bedrijfsomstandigheden niet. Voor installaties die niet (kosteneffectief) kunnen voldoen aan een emissiegrenswaarde in het Bal, kan gemotiveerd worden afgeweken met maatwerk. De aanscherpingen zijn onderbouwd middels literatuur- en praktijkonderzoek. Een groot deel van de installaties voldoet reeds aan de aangescherpte emissiegrenswaarden. Het onderhavige wijzigingsbesluit verandert niets aan de vereisten voor emissiemetingen. Deze dienen onder representatieve omstandigheden te worden uitgevoerd volgends de reeds geldende vereisten. Het bevoegd gezag dient hierop toe te zien.

De ILT adviseert ten aanzien van biomassa om de beoordelingsmethodiek van Infomil, waarmee het ter verbranding aangeboden houtafval op het oog wel of niet als rie-biomassa kan worden geclassificeerd als handvat voor het toezicht en de normadressaat in deze nota van toelichting op te nemen. Dit voorstel is overgenomen.

De VNG onderschrijft in haar reactie in grote lijnen de maatregelen ten aanzien van biomassa stook. Als aandachtspunt wordt de ondergrens van de vergunningplicht genoemd, aangezien VNG verwacht dat een ondergrens van 0,1 MW gemeenten veel tijd en geld zal kosten. Tot slot vraagt de VNG zich af of de overgangstermijn voor bestaande installaties tot 2027 niet aan de lange kant is. Deze overgangstermijn wordt redelijk geacht gezien de looptijd van de subsidie, waar naar verwachting de business case voor een groot deel van deze installaties afhankelijk is. Dit wordt ook nader toegelicht in paragraaf 3.2 van deze nota van toelichting.

6. Notificatie

Het ontwerpbesluit is op [PM datum] gemeld aan de Europese Commissie (notificatienummer .../.../NL). Daarmee is voldaan aan artikel 5, eerste lid, van richtlijn (EU) nr. 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEU 2015, L 241) (codificatie).

Het ontwerpbesluit is niet aan de World Trade Organisation (WTO) voorgelegd, omdat het in dat kader geen significante gevolgen heeft.

II. Artikelsgewijs

Artikel I
Onderdelen A, B, C en D (tabel 4.195, artikel 4.202a, tabel 4.228 en artikel 4.232a Bal)

Onderdelen A en C actualiseren de emissiegrenswaarden voor de stofklasse sA.3 bij de activiteiten aanbrengen van lagen op metalen en stralen van metalen in respectievelijk tabel 4.195 behorende bij artikel 4.195 en tabel 4.228 behorende bij artikel 4.228. Deze actualisatie is een gelijktrekking met de actualisatie van de emissiegrenswaarde van de stofklasse sA.3 in paragraaf 5.4.4 van het Bal. Zie hiervoor de toelichting wijziging tabel 5.30 en de algemene toelichting op actualisatie emissiegrenswaarden Bal in onderdeel BB. Uitgangspunt blijft dat de bedrijven aan de geactualiseerde emissiegrenswaarden kunnen voldoen door toepassing van de erkende maatregelen. Onderdelen B en D regelen dat voor de geactualiseerde emissiegrenswaarden voor bestaande activiteiten een overgangsrecht van vier jaar geldt.

Onderdelen E, F, G, J en K (tabel 4.280, artikelen 4.283, 4.287a. 4.656 en 4.661c Bal)

Onderdelen E, F en G bevatten voor de activiteit ‘solderen van metalen’ een actualisatie van de indelingen van stoffen en stofklassen. Onderdelen J en K doen dit voor de activiteit ‘laboratorium’. De stoffen HCl en HF zaten in de stofklasse gA.2. De stof NH3 zat in de stofklasse gA.3. Door de wijzigingen in paragraaf 5.4.4 en bijlage III van het Besluit activiteiten leefomgeving zitten deze stoffen niet meer in de gA stofklasse. De stofklassen gA.4 en gA.5 zijn vervallen. In beide stofklassen bevond zich één stof, respectievelijk SO2¬ en NOx. Daarom zijn ze apart in de tabel toegevoegd, maar wel met behoud van de emissiegrenswaarde die bij de gA.2, gA.3, gA.4 en gA.5 stofklasse hoorden. Er is hier dus geen sprake van een aanpassing van de emissiegrenswaarden voor SO2, NOx, HCL, HF en NH3 maar enkel van een actualisatie van de indeling. De stoffen SO2, NOx, HCl, HF en NH3 zaten in de stofklasse gA. Omdat deze stoffen niet meer tot de stofklasse gA behoren, voegt onderdeel F aan artikel 4.283 toe dat de erkende maatregelen ook gelden voor de stoffen SO2, NOx, HCl, HF en NH3

Verder vervalt de stofklasse gO.3. De stoffen die in deze stofklasse zitten komen in stofklasse gO.2. Deze actualisatie is een gelijktrekking met de actualisatie van de emissiegrenswaarde van de stofklassen in paragraaf 5.4.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Zie hiervoor de toelichting wijziging tabel 5.30 en de algemene toelichting op actualisatie emissiegrenswaarden Besluit activiteiten leefomgeving. Uitgangspunt blijft dat de bedrijven aan de geactualiseerde emissiegrenswaarden kunnen voldoen door toepassing van de erkende maatregelen. Voor de geactualiseerde emissiegrenswaarden geldt voor bestaande activiteiten een overgangsrecht van vier jaar.

Onderdelen H en I (artikelen 4.438b en 4.462 van het Bal)

Onderdelen H en I bevatten een aantal correcties op de omzetting van bepalingen inzake oplosmiddelsinstallaties uit het Abm naar paragraaf §4.31 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Onderdelen L en S (artikelen 4.1303 en 4.1332a Bal)

Onderdeel L wijst een doekenfilter aan als een erkende maatregel voor rie-biomassaketels met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW, waarbij indien deze wordt toepast ervan uit wordt gegaan dat aan de emissiegrenswaarden wordt voldaan.

Onderdeel S bevat het overgangsrecht ten aanzien van de meetverplichting voor bestaande ketels.

Daarnaast past onderdeel L de emissiegrenswaarden in tabel 4.1303 aan.

NOx-eisen

Voor de ketels die worden gestookt op Rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa worden de emissiegrenswaarden voor stikstofoxiden aangescherpt voor ketels die na de inwerkingtreding van dit besluit in gebruik zijn genomen. Voor de ketels tussen de 0,5-1MWth kan de gestelde emissiegrenswaarde worden behaald door gebruik van de juiste kwaliteit biomassa en een optimale verbranding. Voor ketels tussen 1-5MWth is de toepassing van SNCR en/of SCR nodig om aan de emissiegrenswaarde te kunnen voldoen. Voor ketels tussen 5-50MWth is de toepassing van SCR nodig om aan de emissiegrenswaarde te kunnen voldoen.

SO2-eisen

Voor de ketels die worden gestookt op rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa worden de emissiegrenswaarden voor nieuwe ketels voor zwaveldioxiden aangescherpt. Voor de ketels tussen de 0,5-1MWth kan de gestelde emissiegrenswaarde worden behaald door gebruik van de juiste kwaliteit biomassa. Voor ketels tussen 1-50MWth en bij gebruik van een slechte kwaliteit biomassa zijn de injectie van kalk of bicarbonaat en een doekfilter nodig om aan de emissiegrenswaarde te kunnen voldoen.

Stof-eisen

Voor de ketels die worden gestookt op rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa worden de emissiegrenswaarden voor nieuwe ketels voor stof aangescherpt. Voor de ketels tussen de 0,5-1MWth kan de gestelde emissiegrenswaarde worden behaald door gebruik van de juiste kwaliteit biomassa. Voor ketels tussen 1-50MWth is de gestelde emissiegrenswaarde haalbaar met een doekfilter.

NH3-eisen

Daarnaast worden voor nieuwe ketels die worden gestookt op rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa met een vermogen van 1-50MWth ook emissiegrenswaarden gesteld voor NH3. Om stikstofoxiden te verminderen zonder katalysator (SNCR) kan er in de verbrandingskamer ureum of ammoniak worden geïnjecteerd. Bij een te grote injectie kan er ammoniakslib ontstaan waardoor de stikstofemissies toenemen. De verwachting is dat dit bij onderhavige aanpassing van de emissiegrenswaarden kan gaan spelen. Om deze reden wordt er nu een grens gesteld aan de emissie van ammoniak.

Ten aanzien van de beoordeling of het te verstoken houtafval onder de definitie van rie-biomassa valt is een beslisboom ontwikkelt. Deze is te vinden onder https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/rie-biomassa/.

Emissie eisen bestaande installaties

Voor bestaande installaties <1MW uit de periode voor 2015 geldt er vaak geen emissiegrenswaarden voor NOx en SO2 en een soepele stof eis (75/150 mg/Nm3). Dit terwijl de hoeveelheid stof emissie al aanzienlijk te verminderen is door gebruik van een andere kwaliteit biomassa. Voor de bestaande installaties <1MWth wordt de eis voor stof emissies daarom aangepast naar 40 mg/Nm3. Ook voor NOx en SO2 worden emissiegrenswaarden gesteld aangezien ook deze door middel van het aanpassen van de kwaliteit biomassa behaald kunnen worden.

Onderdelen M, N, O, P en Q (artikel 4.1303a, 4.1310, 4.1311, 4.1312, 4.1319 Bal)

De onderdelen M, N, O, P en Q voegen de noodzakelijke bepalingen toe om de emissiegrenswaarden voor ammoniak voor nieuwe installaties te reguleren in paragraaf 4.126 (kleine en middelgrote stookinstallaties voor standaard brandstoffen).

Onderdeel M bevat een begrenzing van de maatwerkmogelijkheid.

Onderdeel N bepaalt dat NEN-EN-ISO 21877 van toepassing is op het verrichten van een periodieke meting of parallelmeting van ammoniak.

Onderdeel O bevat de meetverplichting voor ammoniak. In de huidige regelgeving geldt nu dat voor stof, bij de verbranding van rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa in een ketel met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW een meetrapport van de leverancier overlegd moet worden waaruit blijkt dat met een filter aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof wordt voldaan. Dat kan een elektrostatisch filter of een doekenfilter zijn. Voor de nieuwe emissiegrenswaarde van 15 mg/Nm3 geeft toepassing van een elektrostatisch filter geen zekerheid dat aan de emissiegrenswaarde wordt voldaan. Daarom geldt de ontheffing van de meetverplichting uitsluitend nog bij toepassing van een doekenfilter. Dit betekent dat ook voor ketels < 1 MWth bij een emissiegrenswaarde van 40 mg/Nm3 waar geen doekfilter wordt toegepast met deze wijziging wel een meting uitgevoerd moet worden. Naar verwachting vallen de kosten voor deze wijziging mee, ook gezien het beperkte aantal ketels dat hier naar verwachting mee te maken zal krijgen of is uitgerust met een elektrostatisch filter. Naar verwachting kunnen installaties < 0,5 MW voldoen door een ECO-design rapport te overleggen (zie ook art. 4.1303, vierde lid). De wijziging in de meetverplichting geldt niet voor bestaande ketels die met een emissiegrenswaarde van 40 mg/Nm3, zie hiervoor het overgangsrecht in artikel 1332a.

Onderdeel P bevat een aanpassing van artikel 4.1312. In algemene zin mogen emissiemetingen in het kader van paragraaf 4.126 worden uitgevoerd door geaccrediteerde laboratoria die Europese normen toepassen of door bedrijven die volgens scope 6 van Scios zijn gecertificeerd. Stofmetingen aan stookinstallaties vanaf 1 MW en ammoniak metingen vallen niet onder scope 6 van Scios. Het nieuw toegevoegde lid aan artikel 4.1312 regelt dat de genoemde stof en ammoniak metingen door een geaccrediteerd laboratorium moeten worden uitgevoerd.

Onderdeel Q stelt het percentage van de meetonzekerheid voor ammoniak op 40.

Onderdeel R (artikel 4.1332 Bal)

Onderdeel R wijzigt het overgangsrecht en bepaalt dat voor biomassa ketels die voor de inwerkingtreding van dit besluit in bedrijf waren de emissiegrenswaarden voor NOx, SO2 en stof. Daarnaast bepaalt dit onderdeel dat voor biomassa ketels die voor 2015 in gebruik zijn genomen vanaf 2027 dezelfde emissiegrenswaarden gaan gelden, zoals die al voor vergelijkbare meer recente bestaande installaties golden voor de inwerkingtreding van dit besluit. In het algemeen deel van deze toelichting is hier nader op ingegaan. Omdat het voor deze ketels vrijwel onmogelijk is om te voldoen aan de nieuwe emissiegrenswaarden, is ervoor gekozen om aan te sluiten bij de emissiegrenswaarden die tot de inwerkingtreding van dit besluit van toepassing waren. Aan de aangepaste emissiegrenswaarden voor NOx en SO2 kan voldaan worden door het stoken van biomassa van een goede kwaliteit. Voor het behalen van de emissiegrenswaarde voor stof is een nageschakelde techniek nodig.

Onderdelen T, U, V, W, X, Y en Z (artikelen 4.1349, 4.1349a, 4.1352, 4.1353, 4.1354, 4.1361 en 4.1374a Bal)

De onderdelen T, U, V, W, X, Y en Z voegen in paragraaf 4.127 (middelgrote stookinstallaties voor niet standaard brandstoffen) dezelfde wijzigingen door als de hierboven beschreven onderdelen M, N, O, P en Q hebben gedaan in paragraaf 4.126 ten aanzien van grenswaarden en meetverplichtingen voor ammoniak voor nieuwe ketels.

Onderdeel AA (artikel 5.24 Bal)

Aan artikel 5.24 inzake vermijdings- en reductieprogramma’s voor zeer zorgwekkende stoffen wordt een lid toegevoegd, waaruit blijkt op het beoordelen van de kosten en de kosteneffectiviteit van de technieken de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing zijn. Het gaat hierbij om de in bijlage XXX bij de Omgevingsregeling opgenomen rekenmethodiek voor de kosteneffectiviteitsbeoordeling (KE-beoordeling). Met behulp van de kosteneffectiviteit methode die in de regelgeving is vastgelegd krijgt men inzicht in de economische haalbaarheid van een milieumaatregel om mede aan de hand daarvan te kunnen bepalen of redelijkerwijs een bepaalde milieumaatregel kan worden vereist. Tot op heden was deze bijlage enkel van toepassing op de KE-beoordeling van in te zetten technieken voor emissiereductie van de stofgroepen NOx, SOx, VOS en fijnstof. De bijlage zal zodanig worden aangepast dat zij ook van toepassing zal zijn op de beoordeling van technieken voor de emissiereductie van zeer zorgwekkende stoffen.

De aanpak van emissies van zeer zorgwekkende stoffen is een samenspel van bronaanpak, waarbij emissies van zeer zorgwekkende stoffen zoveel mogelijk worden voorkomen, minimalisatie van emissies en continue verbeteren waarbij getoetst wordt of binnen grenzen van haalbaarheid en betaalbaarheid verdere reductie van emissies mogelijk dan wel noodzakelijk is. Op deze stoffen is dan ook de minimalisatieverplichting van toepassing. Waar in het verleden de plicht bestond om onder het maximaal toelaatbaar risico te blijven en het streven was om onder het verwaarloosbaar risico te blijven, wordt nu ingezet op een proces van continue verbetering waarbij uiteindelijk wordt gestreefd naar nul-emissie. Dit omdat voor zeer zorgwekkende stoffen geen veilige ondergrens te definiëren valt. Via de beoordeling van de kosteneffectiviteit van wordt invulling gegeven aan deze verplichting.

Onderdelen BB en GG (artikel 5.25 en bijlage VIa Bal)

Onderdeel BB verwijdert tabel 5.25 uit het artikel en plaatst deze gelet op de omvang in bijlage VIa. Het aantal zeer zorgwekkende stoffen waarvoor een immissiegrens gesteld wordt, neemt snel toe, waardoor de verwachting is dat de tabel in de bijlage nog groter zal worden.

Onderdeel GG voegt een nieuwe bijlage VIa in, waarin de immissiegrenswaarden voor zeer zorgwekkende stoffen zijn opgenomen.

Onderdelen CC en DD (tabel 5.30 en artikel 5.38b Bal)

De emissiegrenswaarden in tabel 5.30 van het Bal worden gewijzigd. Hierdoor gaan er geactualiseerde emissiegrenswaarden gelden voor stoffen die zijn ingedeeld in de stofklassen ERS, S en sA.3. Ook gaan er geactualiseerde emissiegrenswaarden gelden voor HCl (voorheen stofklasse gA.2), HF (voorheen stofklasse gA.2) en NH3 (voorheen stofklasse gA.3). De stofklassen gA.4 en gA.5 zijn vervallen. In beide stofklassen bevond zich één stof, respectievelijk SO2¬ en NOx. Daarom zijn ze apart in de tabel toegevoegd. Verder vervalt de stofklasse gO.3. De stoffen die in deze stofklasse zitten komen in stofklasse gO.2.

Onderdeel DD regelt dat er specifiek overgangsrecht is voor bestaande activiteiten. Bedrijven krijgen vier jaar de tijd om te voldoen aan de geactualiseerde emissiegrenswaarden in tabel 5.30 van het Bal. Is het voor een bepaalde activiteit niet mogelijk om te voldoen aan de geactualiseerde emissiegrenswaarde, dan kan het bedrijf binnen deze vier jaar vragen aan het bevoegd gezag om een soepelere emissiegrenswaarde toe te staan.

Onderdeel EE (bijlage I Bal)

Onderdeel EE corrigeert de definitie van gO en laat deze door de uitsluiting van methaan weer aansluiten op de definitie zoals deze gold onder het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Onderdeel FF (bijlage III Bal)

Door wijzigingen in tabel 5.30 Bal zijn er ook wijzigingen nodig in stoffenlijst in Bijlage III van het Bal. Zie hiervoor de algemene toelichting actualisatie emissiegrenswaarden Bal en de toelichting op de wijziging van tabel 5.30 Bal. Ook is de bijlage geactualiseerd op basis van in diverse EU-regelingen opgenomen indeling van stoffen, waarbij het voornamelijk gaat om zeer zorgwekkende stoffen. Tevens is de opmaak van de bijlage aangepast aan de nieuwe indeling waarbij het cas-nummer in de eerste kolom staat opgenomen. Om deze reden is de gehele tabel vervangen.

Onderdeel HH (bijlage VII Besluit activiteiten leefomgeving)

Onderdeel HH past bijlage VII inzake het overgangsrecht emissiegrenswaarde met ondergrenzen voor zeer zorgwekkende stoffen aan en bevat de omzetting van de huidige bijlage 12b bij de Activiteitenregeling milieubeheer.

Artikel II

Artikel 8.74 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verklaart regels over de afbakening van maatwerk in het Bal van overeenkomstige toepassing op het stellen van vergunningvoorschriften. Met deze wijziging van artikel 8.74 Bkl wordt aangesloten bij de nieuwe artikelen 4.1303a en 4.1349a Bal.

Artikel III

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Zoals hierboven aangegeven is het streven dit besluit gelijktijdig met het gehele stelsel van de Omgevingswet in werking te laten treden.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,


X Noot
1

Zie Aanwijzingen voor de regelgeving 2.15 en 4.43, onderdeel g.

X Noot
1

Zie Aanwijzingen voor de regelgeving 2.15 en 4.43, onderdeel g.

X Noot
1

RICHTLIJN 2010/75/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking), PbEU 2010, L 334.

X Noot
2

Kamerstukken II 2019/20, 35 300 XIII, nr. 52.

X Noot
3

Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2018: een gezond vooruitzicht; RIVM 2018-0030

X Noot
4

Jaarverslag (2019) van de brancheorganisatie Nederlandse vereniging van bioketel leveranciers (NBKL).

X Noot
5

Klimaatakkoord | Publicatie | Klimaatakkoord, p. 190. En de Kamerbrief over het duurzaamheidskader biogrondstoffen; Kamerstukken II 2020/21, 32 813 / 31 239, nr. 617.

X Noot
6

Position paper ‘Scherpere emissienormen voor bioketels?’, 2020, NBKL (www.nbkl.nl).

X Noot
7

Emissiereductie en mogelijke normering voor verbranding vaste biomassa in biomassaketels, 2020, TNO.

X Noot
8

Invloed van aanscherping emissie eisen op de investerings- en exploitatiekosten van biomassaketels, DNV-GL en PRO BIOMASS, 2020.

X Noot
9

Verordening (EU) 2015/1189 van de Commissie van 28 april 2015 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de eisen inzake ecologisch ontwerp voor verwarmingsketels voor vaste brandstoffen betreft; PbEU 2015, L 193.

X Noot
10

Duurzaamheidskader biogrondstoffen, d.d. 16 okt. 2020, nr. 32813-617, vergaderjaar 2021-2021.

X Noot
11

Stb. 2012, 558

X Noot
12

Emissiereductie en mogelijke normering voor verbranding vaste biomassa in biomassaketels, 2020, TNO: § 3.6, blz. 36 en § 4.4, blz. 41.

X Noot
13

Verkenning emissiegrenswaarden Ab 2.3, Witteveen + Bos, 30 januari 2020.

X Noot
14

Vervolgonderzoek emissiegrenswaarden Afdeling 2.3 Activiteitenbesluit, 9 september 2020.

X Noot
15

Rapport Tauw: Schone Lucht Akkoord – emissiereductie industrie, 2021.

X Noot
16

Rapport Sira: Effectmeting aanpassing algemene regels lucht industrie, 2021.

X Noot
18

Kamerstukken II 2019/20, 35 300 XII, nr. 63.

Naar boven