TOELICHTING
I. Algemeen
1. Aanleiding en doel
Op grond van deze regeling worden door de Minister van Economische Zaken en
Klimaat (hierna: EZK) financiële middelen aan de gemeentes beschikbaar gesteld
voor het realiseren van op herstructurering gerichte, gebiedsgerichte,
integrale projecten in centrale winkelgebieden en binnenstedelijke
winkelstraten. Hiermee wordt in die gebieden een nieuwe, stevige
sociaaleconomische basis gelegd, die de winkelgebieden aantrekkelijk maakt voor
bewoners en bezoekers. Het project moet passen in een bredere lokale,
binnenstedelijke context en benadering.
De inzet van de middelen voor de herstructurering van winkelgebieden in
binnensteden en kernen via deze regeling sluit aan op de initiatieven in het
kader van de Retailagenda. De Retailagenda is een samenwerkingsplatform van
landelijke private partijen, gemeenten, provincies, hogescholen en
universiteiten dat zich richt op bestuurlijke samenwerking en
kennisontwikkeling en de overdracht van kennis en ervaring op het gebied van
retail en de vitaliteit van binnensteden en kernen. Hierbij zijn 156 gemeenten
in Nederland aangesloten die een RetailDeal hebben gesloten. Namens het Rijk
neemt EZK deel in een faciliterende rol. Sinds de start van de Retailagenda in
2015 hebben de partners achter de Retailagenda allerhande activiteiten
ontplooid om lokale partijen in staat te stellen met de complexe
binnenstedelijke problemen rond winkelgebieden aan de slag te gaan, zoals het
organiseren van intervisie, kennistrajecten, enquêtes, reviewteams en de inzet
van het Team lokale transformatie. Hierdoor is een goed beeld ontstaan van de
problematiek op lokaal niveau en aan welke instrumenten behoefte is om deze
problemen aan te pakken. De hiermee opgedane kennis en ervaring heeft aan de
basis gestaan van de opzet en inrichting van de Regeling specifieke uitkering
impulsaanpak winkelgebieden. Deze regeling staat ook open voor gemeenten die
niet zijn aangesloten bij de Retailagenda.
Met de Impulsaanpak winkelgebieden investeert het kabinet in het realiseren
van toekomstbestendige en vitale winkelgebieden. Nieuwe functies en
investeringen in ruimtelijke kwaliteit zorgen voor een nieuwe economische en
sociale basis in deze winkelgebieden. Gemeenten, in samenwerking met lokale
private partijen, worden gestimuleerd delen van hun winkelgebied gebiedsgericht
en integraal aan te pakken, door ze financieel en met kennis te ondersteunen.
De projecten die hieruit voortkomen dienen als showcases voor andere gemeenten
en andere lokale partijen. De opgedane kennis en ervaring zal actief worden
opgehaald en verspreid.
De voormalige Staatssecretaris van EZK heeft de Tweede Kamer op 12 mei 2021
ingelicht over de contouren van de aanpak herstructurering winkelgebieden in
binnensteden en kernen; de Impulsaanpak Winkelgebieden (Kamerstukken II
2020/21, 31 757,
105).
Op grond van deze regeling wordt € 22.000.000 aan financiële middelen
beschikbaar gesteld voor de eerste periode voor het aanvragen van een
specifieke uitkering. Een aanvraag kan worden ingediend van 9 mei 2022 tot en
met 30 mei 2022. Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 9:00 uur op de
begindatum en zijn tijdig ingediend indien zij op de einddatum vóór 12:00 uur
zijn ontvangen.
2. Beoordeling van de aanvraag
Het college van burgemeester en wethouders kan een aanvraag indienen voor
een specifieke uitkering ten behoeve van een project in samenwerking met
rechtspersonen en/of natuurlijke personen, dat zich richt op de
herstructurering van een projectgebied tot vitaal, toekomstbestendig en
sociaaleconomisch gezond gebied in centrale winkelgebieden en binnenstedelijke
winkelstraten. Indien het college dit wil, kan bij de voorbereiding van de
aanvraag gebruik worden gemaakt van technische ondersteuning via een zogenaamde
Impulskamer. In deze kamer wordt ondersteuning geboden door het expertteam
woningbouw van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO). RVO
organiseert hiertoe onder meer bijeenkomsten. Deze bijeenkomsten zijn voor
iedere gemeente gratis toegankelijk. Doel van deze bijeenkomsten is om de
kwaliteit van een aanvraag te vergroten. Informatie hierover is te vinden op de
website www.rvo.nl.
In onderhavige regeling wordt een adviescommissie ingesteld die elke
aanvraag zal beoordelen op de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde
voor het desbetreffende winkelgebied.
3. Uitkeringsvorm en verantwoording
Voor financiering van de gemeentes wordt het instrument van een specifieke
uitkering benut. Op de financiële verantwoording van de besteding van de
specifieke uitkering is artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet van
toepassing. De gemeentes leggen jaarlijks financieel verantwoording af conform de SiSa-systematiek
(single information – single audit), waarbij de specifieke uitkering is
gekoppeld aan de uitvoering van het projectplan.
De gemeente legt jaarlijks uiterlijk op 1 maart over het voorafgaande jaar
inhoudelijk verantwoording af aan het Ministerie
van EZK over de voortgang van het project. Daarnaast brengt de gemeente de
toekomstige inhoudelijke en financiële risico's in kaart.
4. Financiële bijdrage
De specifieke uitkering wordt ingezet voor de in artikel 2 omschreven
activiteiten. Het betreft kosten voor de uitvoering van de transformatie-
renovatie-, sloop-nieuwbouwactiviteiten en de direct aan het project
toerekenbare kosten voor de aanleg van openbare voorzieningen waaronder
bijvoorbeeld kosten voor materiaal en arbeid, kosten ten behoeve van het
opstellen van ruimtelijke plannen, kosten van de investering van kapitalen en
overige lasten (netto rentelasten), kosten voor de inhuur van
projectbegeleiding, kosten voor het inwinnen van extern advies, kosten voor
onderzoek, kosten voor het in opdracht van de gemeente laten uitvoeren van
werkzaamheden aan voorzieningen, werken en maatregelen en kosten voor het
tijdelijk in beheer geven van de door of vanwege de gemeente verworven
gronden.
De specifieke uitkering bedraagt ten hoogste 25% van de realisatiekosten
van het project met een maximum van 50% van de onrendabele top. Het
maximumbedrag per project is € 5.000.000.
De onrendabele top is het bedrag dat overblijft wanneer de marktwaarde van
de verblijfsobjecten in de panden in het projectgebied na uitvoering van het
project wordt afgetrokken van de marktwaarde van de verblijfsobjecten in de
panden in het projectgebied voorafgaand aan de uitvoering van het project
opgeteld met de realisatiekosten.
Een uitkering op grond van deze regeling aan gemeenten is geen staatssteun.
Binnen het project kan er wel sprake zijn van staatssteun ingeval van het
verstrekken van een bijdrage in het kader van deze specifieke uitkering aan
ondernemingen. Gemeenten toetsen voornoemde bijdragen op staatssteunaspecten.
De gemeente is zelf verantwoordelijk voor het correct toepassen van de
staatssteunregels.
De bijdrage van de gemeente aan een private deelnemer in het
samenwerkingsverband mag niet hoger zijn dan de onrendabele top die voortvloeit
uit de bij het project betrokken investeringen van de betrokken private
deelnemer.
5. Regeldruk
Het Adviescollege toetsing regeldruk heeft besloten geen advies uit te
brengen over deze regeling, omdat de regeling is gericht op een financiële
relatie tussen de overheden. De regeling heeft daarom geen rechtstreekse
werking naar burgers en bedrijven, en daarmee ook geen gevolgen voor de
regeldruk.
II. Artikelsgewijs
Artikel 1. (begripsbepalingen)
In dit artikel zijn de begripsbepalingen opgenomen die van belang zijn voor
de Impulsaanpak winkelgebieden.
De begripsbepalingen ‘centraal winkelgebied’ en
‘binnenstedelijke winkelstraat’ is zoveel mogelijk
aangesloten bij de winkelgebiedtyperingen die gebruikt worden door
gemeenten.
Met de begripsbepalingen ‘pand’ en ‘verblijfsobject’ wordt aangesloten bij
de definities uit de Wet basisregistraties adressen en gebouwen. Met het
aansluiten bij de definities uit deze wet wordt zoveel mogelijk uniformiteit in
de interpretatie van de begripsbepalingen aangebracht.
De onrendabele top is het verschil tussen de toekomstige marktwaarde van de
verblijfsobjecten in de panden in het projectgebied na uitvoering van het
project en de huidige marktwaarde van de verblijfsobjecten in de panden in het
projectgebied voorafgaand aan de uitvoering van het project opgeteld met de
realisatiekosten. De huidige en de toekomstige marktwaarde wordt vastgesteld op
basis van een taxatie uitgevoerd door een onafhankelijk taxateur (artikel 3,
derde lid).
De kosten voor de aanleg van openbare voorzieningen die niet volledig aan
het project toerekenbaar zijn, worden afgetrokken van de realisatiekosten.
Openbare voorzieningen kunnen namelijk ook ten goede komen aan de omgeving
buiten het projectgebied. Bij de berekening van het zogenaamde kostenverhaal
dient het verband tussen de kosten en de ontwikkeling causaal aantoonbaar te
zijn. De PPT-criteria: profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid worden
voor de vaststelling van dit bedrag gebruikt.
Met renovatie wordt bedoeld het herstellen en indien nodig gedeeltelijk
vernieuwen van een bestaand pand, waardoor het gebruikt kan worden als
kwalitatief goed en verduurzaamd pand.
Bij de activiteit ‘transformatie’ gaat het om
het aanpassen van (gebruiksobjecten binnen) een pand, waardoor leegstaande
winkel- of kantoorruimte een andere gebruiksfunctie krijgt, bijvoorbeeld
wonen.
Onder de activiteit ‘sloop-nieuwbouw’ wordt
verstaan het slopen van een pand en vervolgens binnen hetzelfde gebied bouwen
van een nieuw pand.
Artikel 2. (specifieke uitkering)
Uit artikel 2 volgt dat de minister op aanvraag een specifieke uitkering
verstrekt aan een gemeente ten behoeve van de uitvoering van een project in
samenwerking met ten minste twee andere personen (dit kunnen rechtspersonen en
natuurlijke personen zijn) dat zich richt op de herstructurering van een
projectgebied tot vitaal, toekomstbestendig en sociaaleconomisch gezond gebied
ten behoeve van renovatie, transformatie, sloop-nieuwbouw en de aanleg van
openbare voorzieningen in centrale winkelgebieden en binnenstedelijke
winkelstraten.
Artikel 3. (hoogte van de uitkering)
In dit artikel is geregeld welk maximum bedrag voor de specifieke uitkering
gehanteerd wordt.
Het artikel bepaalt dat de specifieke uitkering ten hoogste 25% van de
realisatiekosten van het project bedraagt met een maximum van 50% van de
onrendabele top. De specifieke uitkering bedraagt maximaal € 5.000.000.
Het tweede lid is opgenomen omdat de activiteiten waarvoor de uitkering kan
worden verstrekt, activiteiten kunnen zijn waarover de gemeente BTW
verschuldigd is. Gemeenten wordt gevraagd daar in de aanvraag rekening mee te
houden en aan te geven over welke activiteiten BTW verschuldigd is, en het aan
BTW verschuldigde bedrag in de aanvraag mee te nemen. Bij de verlening van een
specifieke uitkering zal de bijdrage exclusief BTW worden toegekend aan de
gemeente, en de BTW component worden gestort in het BTW-compensatiefonds van
het Ministerie van Financiën. Gemeenten kunnen op grond van de relevante wet-
en regelgeving een beroep doen op terugontvangst van de betaalde BTW
componenten.
Artikel 4. (uitkeringsplafond)
Dit artikel bepaalt dat het uitkeringsplafond wordt opgenomen in de bijlage
bij de regeling, en op welke wijze de specifieke uitkeringen, tot het bereiken
van het uitkeringsplafond, worden verdeeld. Dat vindt plaats op volgorde van
rangschikking van de aanvragen. Op deze wijze worden projecten hoger
gerangschikt naar mate deze meer bijdragen aan de doelstellingen van deze
regeling (zie artikel 10 voor de rangschikkingscriteria). Hoe hoger een project
wordt gerangschikt, hoe eerder het voor een specifieke uitkering in aanmerking
komt.
Artikel 5. (aanvraag)
Een specifieke uitkering wordt op aanvraag van een college verstrekt.
Op grond van het vijfde lid, onderdeel c, bevat de aanvraag van de gemeente
in ieder geval de begroting van de realisatiekosten gedurende de looptijd van
het project. Bedragen worden ingevuld exclusief BTW. Eventuele BTW die niet
compensabel is op grond van het BTW-compensatiefonds wordt als kostenpost
opgevoerd. Op grond van de begroting zal bepaald worden, welk deel van de
gevraagde bijdrage aan de gemeente wordt verstrekt en welk deel wordt
overgemaakt naar het BTW-compensatiefonds.
Op grond van het vijfde lid, onderdeel g, gaat de aanvraag vergezeld van
een taxatie van de huidige en de toekomstige marktwaarde van de
verblijfsobjecten in de panden in het projectgebied uitgevoerd door een
onafhankelijk taxateur voorafgaand aan de aanvraag van de specifieke uitkering.
Dit is nodig om de onrendabele top te kunnen bepalen.
RVO zal deze regeling uitvoeren. Een aanvraag voor een specifieke uitkering
wordt ingediend bij RVO met gebruikmaking van de formulieren die door RVO ter
beschikking worden gesteld op de website
www.rvo.nl.
Artikel 6 (beslistermijn)
In dit artikel is opgenomen binnen welke termijn de minister beslist op een
aanvraag. In beginsel wordt binnen dertien weken beslist op de aanvraag.
Dit in verband met de advisering van de adviescommissie over de
rangschikking van de aanvragen. In het geval dat een beslissing binnen dertien
weken niet haalbaar is, wordt de aanvrager hiervan op de hoogte gesteld en
wordt een redelijke termijn gegeven waarbinnen de aanvrager de beschikking wel
tegemoet kan zien.
Artikel 7 (realisatietermijn)
Dit artikel bepaalt de realisatietermijn van de projecten. Met betrekking
tot deze specifieke uitkering bedraagt de realisatietermijn zeven jaar. Dit
betekent dat het desbetreffende project zeven jaar na de verlening van de
specifieke uitkering gerealiseerd moet kunnen zijn. Indien uit het bij de
subsidieaanvraag aangeleverde projectplan blijkt dat het project niet uiterlijk
binnen zeven jaar gerealiseerd zou kunnen worden, wordt de aanvraag afgewezen.
Er is voor een termijn van zeven jaar gekozen omdat de verwachting is dat de
projecten binnen deze termijn kunnen zijn afgerond.
In het geval dat tijdens de uitvoering van de activiteiten vertraging
optreedt, bestaat de mogelijkheid ontheffing te verlenen van de verplichting de
activiteiten binnen de termijn van zeven jaar uit te voeren. Artikel 11,
zevende lid, van deze regeling geeft de minister namelijk de bevoegdheid om in
geval van vertraging van de uitvoering van de activiteiten of het essentieel
wijzigen daarvan ontheffing te verlenen van de verplichting om de activiteiten
overeenkomstig het projectplan uit te voeren.
Artikel 8. (afwijzingsgronden)
Dit artikel bevat de afwijzingsgronden die van toepassing zijn.
Ten eerste wordt de aanvraag afgewezen indien de onrendabele top van het
project minder dan € 1.000.000 bedraagt. Hiermee wordt beoogd om te stimuleren
dat partijen samenwerken om zo losse op zich zelf nuttige projecten samen te
voegen tot een project van een grotere omvang. Op deze wijze worden
gebiedsgerichte, integrale projectaanvragen gestimuleerd die voldoende massa
hebben, zodat een samenwerkingsverband significante stappen kan zetten en de
gefragmenteerde inzet van publieke middelen voorkomen wordt.
In onderdeel b is bepaald dat een aanvraag wordt afgewezen indien na
toepassing van artikel 10 minder dan 5,5 punten per criterium zijn toegekend.
Het uitkeringsplafond wordt verdeeld onder de aanvragen op volgorde van
rangschikking van de aanvragen en in artikel 10 zijn de rangschikkingscriteria
voor deze verdeling opgenomen. Per rangschikkingscriterium wordt ten hoogste 10
punten toegekend. Met deze afwijzingsgrond wordt verwezenlijkt dat alleen
projecten die van voldoende kwaliteit zijn, gehonoreerd zullen worden. Met een
schaal van 0 tot en met 10 punten per rangschikkingscriterium wordt een score
van 5,5 punten als kwalitatief voldoende beschouwd. Op grond van artikel 10,
derde lid, wordt het aantal behaalde punten per rangschikkingscriterium ook nog
vermenigvuldigd met een bepaalde wegingsfactor. Voormelde afwijzingsgrond heeft
echter uitsluitend betrekking op de score die per rangschikkingscriterium
behaald wordt, voordat weging heeft plaatsgevonden. Een score van minder dan
5,5 punten voor één van de rangschikkingscriteria, zonder toepassing van een
wegingsfactor, leidt dus tot afwijzing van de aanvraag.
Ingevolge onderdeel c worden de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en
Den Haag (G4) uitgesloten van deelname aan deze regeling. De centrale
winkelgebieden in de G4, die sinds de crisis van 2008 duidelijk in de lift
zaten, zijn weliswaar getroffen door de coronacrisis, maar hun uitgangspositie
voor herstel op de langere termijn is gunstiger dan die van de middelgrote en
kleine gemeenten, waarvan de centrale winkelgebieden al langer onder druk
staan. De G4 zijn bovendien beter in staat wat betreft middelen, kennis en
organiserend vermogen om winkelgebieden te herstructureren, dan kleinere
gemeenten. Bovendien zijn voor consumenten alternatieve winkelgebieden binnen
de G4-gemeenten beter bereikbaar dan in kleinere gemeenten, waar deze
alternatieven ontbreken. Hiermee wordt ook voorkomen dat de G4 een (te) groot
beroep doen op deze regeling, waardoor er te weinig middelen beschikbaar
blijven voor kleinere gemeenten.
Artikel 9. (instelling adviescommissie)
Er is een Adviescommissie impulsaanpak winkelgebieden. Deze heeft als taak
te adviseren over de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 10.
De adviescommissie bestaat uit 4 tot 5 leden. De leden zijn onafhankelijk,
dus niet verbonden aan partijen of instanties die betrokken zouden kunnen zijn
bij de aanvraag van deze specifieke uitkering. De leden zijn expert op hun
kennisterrein. Daarmee worden de kennisgebieden die relevant zijn voor het
beoordelen van gebiedsgerichte en integrale projecten die gericht zijn op
herstructurering en transformatie in centrale winkelgebieden of
binnenstedelijke winkelstraten, zoals kennis op het gebied van stedelijk
ontwerpen, data, bestuurlijke inbedding en ruimtelijke inpassing en bouwkunde,
bestreken.
Artikel 10. (rangschikkingscriteria)
In dit artikel zijn criteria opgenomen op basis waarvan de aanvragen
gerangschikt worden. Een aanvraag wordt hoger gerangschikt naarmate het project
meer bijdraagt aan bepaalde criteria. Per rangschikkingscriterium wordt op
grond van artikel 10, tweede lid, ten hoogste tien punten toegekend. Op grond
van artikel 10, derde lid, wordt het aantal behaalde punten per
rangschikkingscriterium ook nog vermenigvuldigd met een bepaalde wegingsfactor
waarin verdisconteerd is welk rangschikkingscriterium het meest belangrijk
wordt geacht. De rangschikkingscriteria worden hierna achtereenvolgens
beschreven.
1. Bijdrage aan de doelstelling van de specifieke uitkering- wegingsfactor
4
Allereerst wordt aan een project een hoger aantal punten toegekend indien
het project naar verwachting meer bijdraagt aan de doelstelling van deze
regeling. Dit hangt af van de verbetering van de gebruikswaarde,
belevingswaarde en toekomstwaarde in het projectgebied.
Bij het criterium gebruikswaarde wordt gekeken naar:
-
a. de mate waarin het plan bijdraagt aan het verminderen van leegstand in het
projectgebied, dan wel het compacter maken van het resterende
winkelgebied;
-
b. de mate waarin de toekomstige functies van panden (wonen, retail, horeca,
overig) bijdragen aan de kwaliteitsverbetering en/of het tegengaan van verdere
achteruitgang van het projectgebied en het winkelgebied als geheel, gelegen in
het behoud en/of de verbetering van de economische functie,
sociaal-maatschappelijke functie en/of bijdrage aan het wonen;
-
c. de mate waarin het plan aansluit op de behoeften van toekomstige eigenaren
en gebruikers.
Bij het criterium belevingswaarde wordt gekeken naar:
-
a. de mate waarin het project bijdraagt aan het verbeteren van de
winkelervaring zowel binnen het – in het geval van wegnemen winkelfuncties
mogelijk compactere – winkelgebied, als de uitstraling op het
omliggende/aansluitende winkelgebieden;
-
b. de mate waarin het project bijdraagt aan het terugdraaien van verloedering
van panden, private buitenruimten en openbare ruimte;
-
c. de mate waarin het toekomstige ruimtegebruik (bebouwing, groen, water)
bijdraagt aan het verbeteren van of het tegengaan van verdere achteruitgang van
de leefbaarheid, veiligheid en sociaal-maatschappelijke en economische functie
van het gebied.
Bij het criterium toekomstwaarde wordt gekeken naar:
-
a. de mate waarin het project bijdraagt aan het verbeteren van de
energie-efficiëntie van panden in het projectgebied;
-
b. de mate waarin met het project, waaronder de voorziene gebruiksfuncties van
de panden worden begrepen, rekening wordt gehouden met de mogelijkheid mee te
bewegen met toekomstige (demografische) ontwikkelingen, gevolgen van
digitalisering en toekomstig verdienvermogen;
-
c. de mate waarin het samenwerkingsverband toekomstwaarde heeft voor het
gebied.
Dit criterium heeft een wegingsfactor van 4, wat betekent dat een minimum
aantal punten van 0 kan worden behaald en een maximum aantal punten van
40.
2. Bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak- wegingsfactor 2
Ten tweede wordt aan een project een hoger aantal punten toegekend indien
het project meer bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak heeft.
Er wordt gekeken naar de mate waarin het toekomstige plan aansluit op
regionale en gemeentelijke ruimtelijke visies en ambities. En daarmee de mate
waarin dit plan bijdraagt aan de totale ontwikkeling van omliggende gebieden.
Daarnaast wordt gekeken naar de mate van maatschappelijk draagvlak van het
plan.
Dit criterium heeft een wegingsfactor van 2, wat betekent dat een minimum
aantal punten van 0 kan worden behaald en een maximum aantal punten van
20.
3. Kosteneffectiviteit – wegingsfactor 2
Ten derde wordt aan een project een hoger aantal punten toegekend indien de
kosteneffectiviteit van het plan groter is.
Deze factor wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:
-
a. noodzaak bijdrage: de mate waarin het project ook gerealiseerd kan worden
zonder bijdrage op grond van deze regeling. Hierbij wordt ook – in het geval
van verplaatsingen van activiteiten van (een) andere locatie(s) naar het
projectgebied – de door de verplaatsing gegenereerde waardevermeerdering van de
‘achtergelaten locatie betrokken;
-
b. efficiëntie bijdrage: de verhouding tussen de hoogte van de aangevraagde
bijdrage en de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstelling van de
regeling en de mate waarin projectoptimalisatie heeft plaatsgevonden;
-
c. positieve neveneffecten: de mate waarin het project bijdraagt aan andere
gemeentelijke en bovengemeentelijke opgaven, naast de doelstelling van deze
regeling, zoals bijvoorbeeld op het terrein van wonen, funderingsproblematiek,
klimaatadaptatie, werkgelegenheid, sociale cohesie, en zorg en de mate waarin
het project voorbeeldstellend is.
Dit criterium heeft een wegingsfactor van 2, wat betekent dat een minimum
aantal punten van 0 kan worden behaald en een maximum aantal punten van
20.
4. Doorgang, fasering en risico’s van de financiering van het project-
wegingsfactor 2
Ten vierde wordt aan een project een hoger aantal punten toegekend indien
de kans op doorgang van het project hoger wordt geacht, de fasering beter wordt
geacht en het financieringsrisico kleiner wordt geacht.
Hierbij wordt gekeken naar de doorgang, fasering en de risico’s van de
financiering van het project.
Hierbij worden de volgende aspecten meegewogen:
-
a. doorgang en fasering:
-
– de risico’s ten aanzien van de afronding van het project binnen 7
jaar;
-
– het risico op bezwaarprocedures bij eventuele noodzakelijke wijziging van
bestemmingsplannen;
-
– de risico’s samenhangend met de inrichting en de afspraken tussen de
deelnemers van het samenwerkingsverband.
-
b. financieel:
-
– de risico’s ten aanzien van de financiering van de door deze regeling niet
gedekte kosten voor dit project;
-
– de risico’s ten aanzien van de financiering van het (eventuele) deel van de
onrendabele top dat het maximum percentage van de subsidiabele kosten
overschrijdt.
Dit criterium heeft een wegingsfactor van 2, wat betekent dat een minimum
aantal punten van 0 kan worden behaald en een maximum aantal punten van
20.
Artikel 11 (verplichtingen)
Dit artikel bevat de verplichtingen voor de gemeenten.
Het derde lid bepaalt dat ten behoeve van het toezicht op de voortgang en
realisatie van het project de gemeente de minister meldt wanneer de kosten meer
dan 25% afwijken van de begroting bij het projectplan.
Ingevolge het vierde lid draagt de gemeente er zorg voor dat een bijdrage
van de gemeente aan private deelnemers in het samenwerkingsverband – in de vorm
van een gemeentelijke subsidie, of een korting op het kostenverhaal – niet
hoger kan zijn dan de onrendabele top van de investering in het project van
deze deelnemer.
Artikel 12. (voorschot)
De minister betaalt bij de verlening een voorschot van 25% van de
specifieke uitkering. De resterende 75% van de specifieke uitkering wordt per
kwartaal uitgekeerd nadat de samenwerkingsovereenkomst definitief is geworden
en dit is gerapporteerd in het SiSa-systeem. Hierbij wordt de volgende formule
gehanteerd: resterend gedeelte van de specifieke uitkering, gedeeld door het
aantal kwartalen tot de beoogde einddatum van het project.
Artikel 13. (verantwoording en terugvordering)
Het eerste lid bepaalt dat artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet van
toepassing is. In dat artikel is geregeld dat het college van burgemeester en
wethouders op uiterlijk 15 juli van het jaar volgend op het begrotingsjaar de
in dat artikel bedoelde verantwoordingsinformatie naar de minister stuurt. Dit
betreft dus elk begrotingsjaar dat de gemeente geld, verkregen uit de
specifieke uitkering, op de gemeentelijke begroting heeft staan. De
verplichting blijft bestaan zo lang het project nog niet is afgerond en er nog
middelen uit de specifieke uitkering worden aangewend.
In het tweede lid is geregeld dat de minister het niet of onrechtmatig
bestede deel van de uitkering kan terugvorderen, als uit de
verantwoordingsinformatie blijkt dat de uitkering niet volledig is besteed aan
de activiteiten waarvoor deze is verstrekt, of onrechtmatig is besteed. Mocht
een dergelijk geval zich voordoen, dan zal met oog voor alle omstandigheden van
het geval worden besloten of en in welke mate terugvordering in de rede
ligt.
Ingevolge het derde lid rapporteert de gemeente jaarlijks over de voortgang
van het project. De rapportages maken het mogelijk om de voortgang van het
project de realisatie van de projectactiviteiten te volgen. Deze rapportages
zijn niet vrijblijvend. Aan de hand van de tussenrapportages wordt beoordeeld
of het project nog volgens plan wordt uitgevoerd en nog steeds het beoogde doel
kan halen. De gemeente maakt afspraken met de partijen in het
samenwerkingsverband over de wijze van rapporteren, zodat de cijfers op
uniforme wijze worden aangeleverd ten behoeve van het opstellen van de
rapportage.
Artikel 14. (inwerkingtreding)
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst. Hiermee
wordt afgeweken van het kabinetsbeleid inzake vaste verandermomenten, zoals
opgenomen in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Er wordt
beoogd dat gemeenten spoedig een aanvraag voor een specifieke uitkering kunnen
indienen op grond van deze module.
De Minister van Economische Zaken en Klimaat,
M.A.M. Adriaansens