ARTIKEL I
De Landbouwkwaliteitsregeling 2007 wordt als volgt
gewijzigd:
A
In artikel 1 komt het onderdeel houdende de begripsbepaling van de
Minister te luiden:
- minister:
-
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
B
Artikel 2 komt te luiden:
Artikel 2
-
1. Exploitanten als bedoeld in artikel 3, onder 13, van verordening (EU)
2018/848 en groepen exploitanten, als bedoeld in artikel 36 van verordening
(EU) 2018/848, melden zich overeenkomstig artikel 15, aanhef en onderdeel b,
van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 bij de Stichting Skal overeenkomstig
artikel 34, eerste lid, van verordening (EU) 2018/848.
-
2. Exploitanten die onverpakte biologische producten, met uitzondering van
diervoeders, direct aan de eindconsument of eindgebruiker verkopen zijn
vrijgesteld van de toepassing van artikel 34, eerste lid, van verordening (EU)
2018/848, mits ze voldoen aan artikel 35, achtste lid, van verordening (EU)
2018/848.
C
Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
1. De zinsnede ‘de bepalingen van verordening (EG) 834/2007 in samenhang met
verordening (EG) 889/2008’ wordt vervangen door ‘de bij of krachtens
verordening (EU) 2018/848 gestelde voorschriften’.
2. De zinsnede ‘artikel 30, eerste lid, van verordening (EG) 834/2007’ wordt
vervangen door ‘artikel 42 van verordening (EU) 2018/848’.
D
Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt ‘vergunning’ vervangen door ‘toelating’ en wordt
‘artikel 29, eerste lid, van verordening (EG) 889/2008’ vervangen door ‘artikel
25, eerste lid, van verordening (EU) 2018/848’.
2. Het tweede lid komt te luiden:
-
2. Overeenkomstig artikel 16, eerste lid, van het Landbouwkwaliteitsbesluit
2007 kan de minister een gebeurtenis formeel als rampzalige gebeurtenis
overeenkomstig artikel 22 van verordening (EU) 2018/848 jo. artikel 1 van
verordening (EU) 2020/2146 erkennen en dan door middel van een vrijstelling of
ontheffing toestemming verlenen om gedurende een beperkte periode, tot de
biologische productie kan worden hervat, af te wijken van de biologische
productievoorschriften onder de bij of krachtens artikel 22 verordening (EU)
2018/848 gestelde voorwaarden.
3. In het derde lid wordt ‘niet overeenkomstig de biologische
productiemethode verkregen zaaizaad en pootgoed overeenkomstig artikel 45 van
verordening (EG) 889/2008’ vervangen door ‘plantaardig
omschakelingsteeltmateriaal en plantaardig niet overeenkomstig de biologische
productiemethode verkregen teeltmateriaal overeenkomstig bijlage II, deel I,
punten 1.8.5.1 en 1.8.6, van verordening (EU) 2018/848’.
E
Artikel 8a wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
-
1. Voor het reinigen en ontsmetten van gebouwen en installaties voor de
plantaardige productie, inclusief opslag in een landbouwbedrijf, en van
verwerkings- en opslagfaciliteiten mag overeenkomstig artikel 5, vierde lid,
van verordening (EU) 2021/1165, slechts gebruik worden gemaakt van de in
bijlage III genoemde producten onder de daarbij genoemde beperkingen.
2. In het tweede lid wordt ‘bijlage II van verordening (EG) 889/2008’
vervangen door ‘bijlage I van verordening (EU) 2021/1165’.
F
In artikel 26b, tweede lid, wordt ‘artikelen 11 tot en met 16 van het
Landbouwkwaliteitsbesluit 2007’ vervangen door wordt ‘artikelen 11 tot en met
16 en 18 van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007’.
ARTIKEL II
De Regeling autoriteiten verordening (EU) 2018/848 en verordening (EU)
2017/62 wordt ingetrokken.
ARTIKEL III
De Regeling dierlijke producten wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het onderdeel houdende de begripsbepaling van verordening (EG)
nr. 834/2007 vervalt.
2. Na het onderdeel houdende de begripsbepaling van verordening (EG)
nr. 999/2001 wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
- – verordening (EU) nr. 2018/848:
-
verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei
2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische
producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PbEU
2018, L 150).
B
In artikel 2.10 vervallen de onderdelen houdende de begripsbepalingen van
verordening (EG) nr. 889/2008 en verordening (EG) nr. 1235/2008.
C
Artikel 2.12 komt te luiden:
Artikel 2.12. Stichting Skal
De Stichting Skal is belast met de overeenkomstig de artikelen 15, 16,
tweede lid, en 18 van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 aan Stichting Skal
opgedragen taken van verordening (EU) nr. 2018/848 en verordening (EU)
2017/625.
D
In artikel 2.13 wordt als volgt gewijzigd:
1. Na ‘Het is’ wordt ingevoegd ‘overeenkomstig artikel 2 van het
Landbouwkwaliteitsbesluit 2007’.
2. ‘verordening (EG) nr. 834/2007 en het logo, bedoeld in artikel 25 van die
verordening’ wordt vervangen door ‘verordening (EU) nr. 2018/848 en het logo,
bedoeld in artikel 33 van die verordening’.
3. ‘van die verordening, van verordening (EG) nr. 889/2008, verordening (EG)
nr. 1235/2008 en’ wordt vervangen door ‘bij of krachtens verordening (EU)
nr. 2018/848 en van’.
E
Artikel 2.14 komt te luiden:
Artikel 2.14. Deelname controlesysteem
-
1. De melding, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening (EU)
nr. 2018/848 wordt overeenkomstig artikel 15, aanhef en onderdeel b, van het
Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 gedaan bij Stichting Skal.
-
2. Overeenkomstig artikel 2, tweede lid, van de Landbouwkwaliteitsregeling
2007 zijn exploitanten die onverpakte biologische producten, met uitzondering
van diervoeders, direct aan de eindconsument of eindgebruiker verkopen
vrijgesteld van de toepassing van artikel 34, eerste lid, van verordening (EU)
2018/848, mits ze voldoen aan artikel 35, achtste lid, van verordening (EU)
2018/848.
F
Artikel 2.16 komt te luiden:
Artikel 2.16 Ontheffingen
-
1. De Stichting Skal kan op aanvraag toestemming geven voor het aanbinden van
dieren in bedrijven met ten hoogste tien runderen (inclusief jonge dieren),
overeenkomstig bijlage II, deel II, punt 1.7.5, van verordening (EU)
2018/848.
-
2. De Stichting Skal kan op aanvraag toestemming geven voor het binnenbrengen
van niet-biologische dieren overeenkomstig bijlage II, deel II, punt 1.3.4, van
verordening (EU) 2018/848 of andere ingevolge dat punt toegestane beschikkingen
nemen.
-
3. De Stichting Skal kan op aanvraag toestemming geven voor de ingrepen die
zijn genoemd in bijlage II, deel II, punt 1.7.8, van verordening (EU) 2018/848
onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 2 van het Besluit diergeneeskundigen en
onder de in verordening (EU) 2018/848 opgenomen voorwaarden en
beperkingen.
G
In artikel 2.17 wordt ‘artikel 15, tweede lid, van verordening (EG) nr.
889/2008’ vervangen door ‘bijlage II, deel II, punt 1.6.7, van verordening (EU)
nr. 2018/848’.
H
Artikel 2.18 wordt als volgt gewijzigd:
1. In de aanhef wordt ‘artikel 23, vijfde lid, van verordening (EG)
nr. 889/2008’ vervangen door ‘bijlage II, deel II, punt 1.9.4.4, onderdeel c,
van verordening (EU) nr. 2018/848’.
2. Onder vervanging van de dubbele punt door ‘30 dagen.’ vervallen de
onderdelen a en b.
I
In artikel 3.7 wordt ‘artikel 12, eerste lid, onderdeel c, van verordening
(EG) nr. 834/2007’ vervangen door ‘bijlage II, deel I, punt 1.9.9, van
verordening (EU) nr. 2018/848’.
ARTIKEL IV
De Regeling diervoeders 2012 wordt als volgt
gewijzigd:
A
Aan artikel 2 wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
- i. verordening (EU) nr. 2018/848:
-
verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei
2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische
producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad
(PbEU 2018, L 150).
B
Artikel 5 komt te luiden:
Artikel 5
Overeenkomstig artikel 16, eerste lid, van het Landbouwkwaliteitsbesluit
2007 en indien naar zijn oordeel aan de orde, geeft de minister de bevestiging,
bedoeld in bijlage II, deel II, punten 1.9.3.1, onderdeel c, en 1.9.4.2,
onderdeel c, van verordening (EU) nr. 2018/848 dat biologische eiwithoudende
diervoeders voor varkens en pluimvee niet in voldoende hoeveelheid beschikbaar
zijn.
ARTIKEL V
In de Regeling houders van dieren wordt na hoofdstuk 7c
een hoofdstuk ingevoegd, luidende:
HOOFDSTUK 7D. VOORSCHRIFTEN BIOLOGISCHE PRODUCTIE AQUACULTUUR EN WEEKDIEREN
Artikel 7d.1. Ontheffing
-
1. Overeenkomstig artikel 16, eerste lid, van het Landbouwkwaliteitsbesluit
2007 kan de minister goedkeuring geven om in het wild gevangen of niet
overeenkomstig de biologische productiemethode geproduceerde aquacultuurdieren
in een biologisch bedrijf binnen te brengen overeenkomstig bijlage II,
deel III, punt 3.1.2.1, onderdeel d, van verordening (EU) 2018/848.
-
2. Overeenkomstig artikel 16, eerste lid, van het Landbouwkwaliteitsbesluit
2007 kan de minister goedkeuring geven om wild zaad van weekdieren te
verzamelen overeenkomstig bijlage II, deel III, punt 3.2.1, onderdeel d, van
verordening (EU) 2018/848.
Artikel 7d.2. Opkweekdoeleinden
Overeenkomstig artikel 16, eerste lid, van het Landbouwkwaliteitsbesluit
2007 kan de minister voor opkweekdoeleinden toestemming geven dat in een
biologische productie-eenheid gebruik wordt gemaakt van maximaal 50 procent
niet-biologische juvenielen overeenkomstig punt 3.1.2.1, onderdeel e, van
bijlage II, deel III, van verordening (EU) 2018/848 en onder de daar opgenomen
voorwaarden en beperkingen.
ARTIKEL VI
In artikel 3, onderdeel c, van de Regeling groenprojecten
2016 wordt ‘Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake
de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot
intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PbEU 2007, L 189)’ vervangen door
‘Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei
2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische
producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PbEU
2018, L 150)’.
ARTIKEL VII
In artikel 2.5.1., eerste lid, van de Regeling nationale
EZK- en LNV-subsidies wordt in de begripsomschrijving van biologische landbouw
‘Verordening (EG) 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische
productie van landbouwproducten en de etikettering van biologische producten en
intrekking van Verordening (EEG) 2092/91 (PbEU 2007, L 189)’ vervangen door
‘Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei
2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische
producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PbEU
2018, L 150)’.
ARTIKEL VIII
De Regeling uitvoering GMO groenten en fruit 2018 wordt
als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. In het onderdeel houdende de begripsbepaling van biologische productie
wordt ‘verordening 834/2007’ vervangen door ‘verordening 2018/848’.
2. De onderdelen houdende de begripsbepalingen van verordening 834/2007,
verordening 889/2008 en van verordening 1235/2008 vervallen.
3. Na het onderdeel houdende de begripsbepaling van verordening 1308/2013
wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
- verordening 2018/848:
-
verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei
2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische
producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PbEU
2018, L 150);
B
Artikel 111, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. ‘Titel V van verordening 834/2007’ wordt vervangen door ‘Hoofdstuk V van
verordening 2018/848’.
2. ‘verordening 1235/2008’ wordt vervangen door ‘artikel 46 van verordening
2018/848’.
C
In artikel 161, onderdeel b, wordt ‘de bepalingen opgenomen in verordening
834/2007, en verordening 889/2008’ vervangen door ‘de bij of krachtens
verordening 2018/848 gestelde voorschriften’.
ARTIKEL IX
Artikel 72a van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt ‘landbouwers die een biologisch
veehouderijbedrijf als bedoeld in artikel 14 van Verordening (EG) nr. 834/2007
van de Raad van de Europese Unie van 28 juni 2007 inzake de biologische
productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van
Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PbEU 2007, L 189) hebben’ vervangen door
‘landbouwers die een veehouderijbedrijf exploiteren voor dierlijke productie,
als bedoeld in artikel 14 van Verordening (EU) 2018/848 van het Europees
Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de
etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG)
nr. 834/2007 van de Raad (PbEU 2018, L 150)’.
2. In het tweede lid, onderdeel a, wordt ‘landbouwers die een bedrijf hebben
waar biologisch plantaardige productie, als bedoeld in artikel 12 van
Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van de Europese Unie van 28 juni 2007
inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en
tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PbEU 2007, L 189)
plaatsvindt’ vervangen door ‘landbouwers die een bedrijf exploiteren voor
plantaardige productie, als bedoeld in artikel 12 van Verordening (EU) 2018/848
van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische
productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van
Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PbEU 2018, L 150)’.
ARTIKEL X
In bijlage 4, paragraaf 3, onderdeel B, subonderdeel 1°,
van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB wordt ‘aan de
voorschriften die zijn vastgesteld in Verordening (EU) nr. 834/2007 en
Verordening (EU) nr. 889/2008’ vervangen door ‘aan de bij of krachtens
Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018
inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en
tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PbEU 2018, L 150)
gestelde voorschriften’.
ARTIKEL XI
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en
met 1 januari 2022.
TOELICHTING
I. ALGEMEEN
1. Inleiding
Per 1 januari 2022 is Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni
2007 inzake biologische producten en etikettering van biologische producten en
tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PbEU 2007, L 189) (hierna: de
oude bioverordening) vervangen door Verordening (EU) 2018/848 van het Europees
Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de
etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG)
nr. 834/2007 van de Raad (PbEU 2018, L 150) (hierna: de nieuwe bioverordening).
De verordening werkt rechtstreeks door. Dit geldt ook voor de gedelegeerde en
uitvoeringsverordeningen die behoren bij de nieuwe bioverordening, te weten:
(EU) 2020/464; (EU) 2020/2146; (EU) 2021/279; (EU) 2021/771; (EU) 2021/1165;
(EU) 2021/1189; (EU) 2021/1342; (EU) 2021/1378; (EU) 2021/1698; (EU) 2021/1935;
(EU) 2021/2119; (EU) 2021/2304; (EU) 2021/2305; (EU) 2021/2306; (EU) 2021/2307;
en (EU) 2021/2325. In het algemeen deel van de toelichting bij het
implementatiebesluit wordt uitgebreid ingegaan op de hoofdlijnen van de nieuwe
bioverordening.
Ter implementatie is reeds de Regeling autoriteiten verordening (EU)
2018/848 en verordening (EU) 2017/625 op 1 januari 2022 in werking getreden.
Deze regeling geeft tijdelijk aan met welke taken de Stichting Skal en de
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) als
controle- en/of bevoegde autoriteit zijn belast om te verduidelijken dat zij
daarmee hun huidige taken op het terrein van de biologische productie en de
etikettering van biologische producten voortzetten.
De nieuwe bio verordening wordt verder geïmplementeerd door het Besluit tot
wijziging van enkele besluiten ter uitvoering van Verordening (EU) 2018/848
inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten
(hierna: het implementatiebesluit) en door de onderhavige wijziging van enkele
ministeriële regelingen (hierna: de implementatieregeling). In het
implementatiebesluit en de implementatieregeling zijn bepalingen opgenomen die
voor uitvoering van Verordening 2018/848 noodzakelijk zijn. Het gaat om het
actualiseren van verwijzingen naar de oude bioverordening in met name de
Landbouwkwaliteitsregeling 2007 en enkele andere regelingen. Daarnaast wordt
overeenkomstig de systematiek van de artikelen 15 tot en met 18 van het
Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 in de implementatieregeling aangewezen wie in
Nederland bevoegd is tot het nemen van ontheffingsbesluiten op onderwerpen waar
de nieuwe bioverordening ruimte laat voor uitzonderingen.
2. Nationale uitvoering van de biologische verordeningen
De nationale regels over biologische productie zijn opgenomen in diverse
regelgeving, waaronder ministeriële regelingen die door deze wijzigingsregeling
worden gewijzigd. Ten eerste in de landbouwkwaliteitsregelgeving die naast
regels over biologische productie in brede zin (algemene bepalingen,
bevoegdheidsbepalingen (artikel I)) bevat over de plantaardige productie
(artikelen I en II). De specifieke regels ten aanzien van biologische dierlijke
productie (zoals dierlijke producten, diervoeders, houders van dieren en
diergezondheid) zijn opgenomen in de dierregelgeving (artikelen III tot en met
V). De bepalingen in de dierenregelgeving die de taken en bevoegdheden van
Stichting Skal dubbel regelen worden aangepast zodat die bepalingen nu
verwijzen naar de relevante landbouwkwaliteitsregelgeving op dat punt. Ook
worden regels gesteld voor biologische mest (artikel IX). Ten derde is er
regelgeving die voordelen biedt aan landbouwers die biologisch produceren. Dit
betreft met name het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Om in aanmerking
te komen voor GLB-subsidie moet in sommige gevallen worden voldaan aan de
regels uit de biologische verordening (artikelen VIII en X). Ook in nationale
regelgeving worden voordelen geboden zoals belastingvoordeel (artikel VI) en
subsidies (artikel VII).
3. Inhoud van de regeling
Deze implementatieregeling voorziet op het niveau van ministeriële
regelingen in bepalingen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de nieuwe
bioverordening.
Een deel van de bepalingen uit de oude bioverordening zijn materieel
hetzelfde gebleven en daarvoor is het voldoende om de verwijzingen in de
nationale regelingen te actualiseren naar de nieuwe bioverordening. Ook worden
in een aantal regelingen verwijzingen naar de nieuwe bioverordening
geactualiseerd (artikelen VI tot en met X).
Verder zijn ter uitvoering van de verordening in het implementatiebesluit
bevoegde autoriteiten aangewezen. Nu dit implementatiebesluit voorziet in de
taken waarmee de Stichting Skal en de minister als controle- en/of bevoegde
autoriteit zijn belast kan de Regeling autoriteiten verordening (EU) 2018/848
en verordening (EU) 2017/625 worden ingetrokken (artikel II). Verder wordt op
regelingsniveau aangegeven wie de bevoegde autoriteiten zijn voor onder meer
ontheffingen en vrijstellingen (artikelen I, onderdelen B en D, III, onderdeel
F tot en met I, IV, onderdeel C, en V). Hiervoor wordt zoveel mogelijk
aangesloten bij de reeds bestaande bevoegdheidsverdeling. Gelet op artikelen 15
en 16, tweede lid, van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 is Stichting Skal
belast met onder meer alle taken die aan een controleautoriteit kunnen worden
opgedragen en enkele in artikel 15 van dat besluit genoemde taken die aan een
bevoegde autoriteit kunnen worden opgedragen. Gelet op artikel 16, eerste lid,
van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 is de minister belast met de taken die
aan de bevoegde autoriteit of een lidstaat kunnen worden opgedragen en die niet
op grond van artikel 15, tweede lid, aan de Stichting Skal zijn opgedragen. In
deze regeling worden desondanks – onder verwijzing naar de
bevoegdheidstoedeling in het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 – bevoegdheden aan
de minister gegeven. Dat is onvermijdelijk, omdat het gaat om bepalingen die
tot uitdrukking brengen dat Nederland gebruikmaakt van de ruimte die de nieuwe
bioverordening voor vrijstellingen en ontheffingen biedt. Daarnaast wordt in
deze artikelen opgemerkt dat de bevoegdheid wordt uitgeoefend overeenkomstig
(een bepaald artikel of bijlage van) de nieuwe bioverordening. Daarmee wordt
aangegeven dat het gaat om een bevoegdheid op basis van de nieuwe
bioverordening waarvan alleen in de daar aangegeven gevallen en onder de daar
aangegeven voorwaarden en beperkingen gebruik zal worden gemaakt.
Waar nodig wordt gebruik gemaakt van het nieuwe artikel 18 van het
Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 biedt om taken en bevoegdheden die zonder nadere
regeling aan de minister zouden toekomen, alsnog bij Skal te beleggen. Verder
worden de bepalingen in de dierenregelgeving die de taken en bevoegdheden van
Stichting Skal dubbel regelen aangepast, zodat die bepalingen nu verwijzen naar
de relevante landbouwkwaliteitsregelgeving op dat punt (artikel III, onderdelen
C tot en met E).
Met de nieuwe bioverordening is sprake van verdergaande harmonisatie en dat
betekent in sommige gevallen dat er geen ruimte meer is voor een nationale
uitwerking. Zo is met de nieuwe bioverordening voortaan Europees geregeld welke
additieven toegestaan zijn in voer voor huisdieren in plaats van dat elke
lidstaat dit nationaal regelde (artikel IV, onderdeel B). Verder is er geen
nationale ruimte meer voor lidstaten om importeurs van biologische producten
uit landen die gelijkwaardig zijn maar nog niet als zodanig door de Commissie
zijn erkend een ontheffing te verstrekken (artikel I, onderdeel D, onder 2).
Bovendien is in de nieuwe bioverordening bepaald dat bij de
levensmiddelenverwerking natuurlijke kleurstoffen en natuurlijke
bedekkingsstoffen mogen worden gebruikt voor het traditioneel versieren van de
schaal van gekookte eieren die bestemd zijn om in een bepaalde periode van het
jaar in de handel te worden gebracht. Derhalve wordt de vrijstelling die
hiervoor was opgenomen in artikel 2.16, tweede lid, van de Regeling dierlijke
producten geschrapt.
In het algemeen deel van de toelichting bij het implementatiebesluit wordt
uitgebreid ingegaan op de hoofdlijnen van de nieuwe bioverordening. In deze
paragraaf wordt nogmaals stil gestaan bij de beleidskeuzes die daar zijn
toegelicht die relevant zijn voor de implementatieregeling.
Op onderdelen bestaan echter nog keuzemogelijkheden voor lidstaten.
Nederland kiest in lijn met de bedoelde harmonisatie van de nieuwe
bioverordening voor om bij deze beleidsruimte zoveel mogelijk aan te sluiten
bij de nieuwe bioverordening. Zo wordt ervoor gekozen om gebruik te maken van
de mogelijkheid om een vrijstelling voor certificering te verlenen aan kleine
verkooppunten die onverpakte biologische producten verkopen (artikel I,
onderdeel B, ten aanzien van artikel 2, tweede lid, van de
Landbouwkwaliteitsregeling 2007).
Tevens wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een afwijking toe te
staan waarbij voor opkweekdoeleinden in een biologische productie-eenheid
gebruik wordt gemaakt van maximaal 50 procent niet-biologische juvenielen van
soorten die niet biologisch werden ontwikkeld in de Unie vóór 1 januari 2022,
mits ten minste het laatste tweederde deel van de productiecyclus volgens de
biologische methode wordt beheerd (artikel V met betrekking tot artikel 7d.2
van de Regeling houders van dieren). Deze afwijking kan worden toegekend voor
maximaal twee jaar en is niet hernieuwbaar.
De nieuwe bioverordening laat wederom de mogelijkheid aan lidstaten om een
periode te bepalen van leegstand van de uitloop bij pluimvee om de vegetatie te
laten aangroeien. Nederland had voorheen vastgelegd dat deze periode 60 dagen
moest zijn. Nederland kiest nu om de periode terug te brengen van 60 naar 30
dagen met als reden dat dit een vergelijkbare periode is als andere lidstaten
en daarmee bijdraagt aan een gelijk speelveld (artikel III, onderdeel H, ten
aanzien van artikel 2.18 van de Regeling dierlijke producten). Tevens gaat de
periode van 30 dagen gelden voor alle pluimvee (ongeacht het soort of
type).
De nieuwe bioverordening bepaalt dat de bevoegde autoriteit criteria voor
traaggroeiende rassen of een lijst van die rassen vaststelt en deze informatie
aan exploitanten, andere lidstaten en de Commissie verstrekt. Onder de oude
bioverordening was in de Regeling dierlijke producten al bepaald dat een
traaggroeiend pluimveeras een pluimveeras is waarvan de daartoe behorende
dieren gemiddeld met ten hoogste 40 gram per dag groeien. Deze bepaling wordt
gecontinueerd onder de nieuwe bioverordening.
Op basis van de nieuwe bioverordening kunnen de bevoegde autoriteiten het
aanbinden van vee in bedrijven met ten hoogste 50 dieren (uitgezonderd jonge
dieren) toestaan. Onder de oude bioverordening was dit beperkt tot bedrijven
met ten hoogste tien runderen. Gezien het dierenwelzijn wordt er in Nederland
voor gekozen om de bepaling van maximaal 10 runderen (inclusief jonge dieren)
onder de nieuwe bioverordening te continueren.
4. Uitvoering, toezicht en handhaving
Deze regeling voor de implementatie van de nieuwe bio verordening brengt
materieel geen wijziging in de taken van Skal en de
verantwoordelijkheidsverdeling tussen Skal en de minister. Het betreft met name
bepalingen ten aanzien van ontheffingen die onder de oude bioverordening al
door Skal werden afgegeven en hiermee wordt de situatie onder de oude
bioverordening gecontinueerd. Het is een verbetering dat bepalingen in de
dierenregelgeving die de taken en bevoegdheden van Skal dubbel regelen worden
aangepast zodat die bepalingen nu verwijzen naar de relevante
landbouwkwaliteitsregelgeving op dat punt. Derhalve heeft deze regeling geen
effecten voor uitvoering, toezicht en handhaving. Het besluit is ambtelijk met
Skal besproken en afgestemd.
5. Regeldruk
Deze regeling betreft de implementatie van EU-regelgeving en brengt geen
materiële wijziging in de taken en bevoegdheden van Skal en de
verantwoordelijkheidsverdeling tussen Skal en de minister of andere betrokken
organisaties. In Nederland is ervoor gekozen om geen extra nationale
voorschriften toe te passen, tenzij dit nodig is voor uitvoering van de
bioverordening, het vereenvoudigen van de implementatie ervan in de praktijk,
of als er sprake is van specifieke nationale omstandigheden. Zo zijn er
bijvoorbeeld geen extra nationale productievoorschriften voor specifieke
diersoorten of groepen diersoorten opgenomen. Derhalve is er geen sprake van
regeldrukeffecten.
6. Overgangsrecht en inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en
met 1 januari 2022 (en sluit daarmee aan op de inwerkingtreding van de
bioverordening). Per 1 januari 2022 wordt met de Regeling autoriteiten
verordening (EU) 2018/848 en verordening (EU) 2017/625 (hierna: tijdelijke
regeling) tijdelijk aangegeven met welke taken de Stichting Skal en de minister
als controle- en/of bevoegde autoriteit zijn belast. Met het
implementatiebesluit wordt dit ordelijk in de daarvoor al bestemde artikelen
van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 geregeld (artikelen 15 en 16). Door aan
het besluit en deze regeling terugwerkende kracht te geven wordt duidelijk dat
het implementatiebesluit volledig in de plaats komt van de tijdelijke regeling
die zal vervallen zodra de implementatieregeling in werking treedt en wordt
bereikt dat de taken en bevoegdheden vanaf het moment van inwerkingtreding van
de nieuwe bioverordening zijn geregeld op de daarvoor bestemde plek in het
Landbouwkwaliteitsbesluit 2007. Terugwerkende kracht is mogelijk nu de
bevoegdheidsregeling materieel niet verandert en de regeling geen bepalingen
bevat die de rechtspositie van biologische bedrijven (kunnen) schaden.
De inwerkingtreding van deze regeling wijkt af van de
minimuminvoeringstermijn van twee maanden die volgt uit het kabinetsbeleid
inzake vaste verandermomenten (Kamerstukken II 2009/10,
29 515,
nr. 309). Volgens dit kabinetsbeleid kan een uitzondering worden
gemaakt indien het implementatie van een Europese verordening betreft.
II ARTIKELEN
Artikel I (Landbouwkwaliteitsregeling 2007)
Onderdeel A (artikel 1)
De naam van de minister wordt geactualiseerd. De verantwoordelijke minister
is de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Onderdeel B (artikel 2)
Net als artikel 28, eerste lid, van de oude bioverordening verplicht
artikel 34, eerste lid, van de nieuwe bioverordening dat vóór het in de handel
brengen van biologische producten of omschakelingsproducten of vóór de
omschakelingsperiode, exploitanten hun activiteiten moeten melden. Gelet op
artikel 10, tweede lid, van de nieuwe bioverordening start de
omschakelingsperiode op het moment dat deze melding heeft plaatsgevonden.
Gelet op artikel 15, aanhef en onderdeel b, van het
Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 jo. artikel 2, eerste lid, van de regeling
blijft de Stichting Skal de bevoegde autoriteit voor het ontvangen van deze
melding. Het betreft zowel het ontvangen van een melding van exploitanten als
bedoeld in artikel 3, onder 13, van de nieuwe bioverordening als van groepen
exploitanten als bedoeld in artikel 36 van de nieuwe bioverordening.
Artikel 28, tweede lid, van de oude bioverordening bood lidstaten de keuze
om marktdeelnemers die biologische producten of omschakelingsproducten direct
aan eindconsumenten of eindgebruikers verkopen onder voorwaarden vrij te
stellen van het controlesysteem. Met artikel 2, tweede lid (oud), van de
regeling heeft Nederland daarvoor gekozen. Artikel 34, tweede lid, van de
nieuwe bio verordening voorziet in een algemene vrijstelling van de
meldingsplicht bij Skal en de verplichting om te beschikken over een
certificaat van Skal voor voorverpakte biologische producten die rechtstreeks
aan de eindgebruiker worden verkocht. Artikel 35, achtste lid, van de nieuwe
bioverordening biedt lidstaten de keuze of zij de vrijstelling van certificaat
ook willen toestaan voor onverpakte biologische producten, met uitzondering van
diervoeders, voor kleine verkooppunten. In paragraaf 3 is reeds toegelicht dat
Nederland gebruik maakt van deze mogelijkheid.
Onderdeel C (artikel 3)
De verwijzing in artikel 3 van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007 naar
artikel 30, eerste lid, van de oude bioverordening wordt vervangen door een
verwijzing naar het vergelijkbare artikel 42 van de nieuwe bioverordening. Dat
betekent dat artikel 3 net als voorheen bepaalt dat de Stichting Skal bij niet
naleving van de bioregelgeving exploitanten kan verplichten tot tot
verwijdering van aanduidingen op producten die die producten bestempelen als
biologisch. Gelet op artikel 16, tweede lid, onderdeel a, van het
Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 is Skal als controleautoriteit belast met de
taak in artikel 42, eerste lid, van de nieuwe bioverordening bij niet-naleving
van de bio regels naast de te nemen maatregelen overeenkomstig artikel 138 van
Verordening (EU) 2017/625 om ervoor te zorgen dat er op etiketten en in reclame
voor de producten in kwestie geen vermelding naar biologische productie
voorkomt. Gelet op artikel 42, tweede lid, van de nieuwe bioverordening kan
Skal in geval van ernstige, herhaalde of voortdurende niet-naleving een verbod
opleggen om gedurende een bepaalde periode producten met een vermelding naar
biologische productie in de handel te brengen en in een dergelijke situatie van
niet-naleving de in artikel 35 van de nieuwe bioverordening bedoelde
certificering, opschorten of intrekken. Stichting Skal zal niet overgaan tot
decertificering van producten die vóór 1 januari 2022 overeenkomstig de oude
bioverordening zijn geproduceerd en na die datum in de handel worden gebracht
zolang de voorraad strekt (artikel 60 van de nieuwe bioverordening).
Onderdeel D (artikel 6)
In artikel 6 van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007 zijn de mogelijkheden
om vergunningen of ontheffingen te verkrijgen verzameld. Het eerste lid betreft
de mogelijkheid om op aanvraag een vergunning te krijgen voor het gebruik van
niet biologische ingrediënten in bereide biologische producten. Deze vergunning
hangt voornamelijk samen met de verkrijgbaarheid van de biologische variant van
deze ingrediënten. Ook onder de nieuw bio verordening kan deze vergunning
(conform de nieuwe bioverordening nu toelating geheten) door de minister worden
verleend.
Op grond van het tweede lid konden importeurs van biologische producten uit
landen die gelijkwaardig zijn maar nog niet als zodanig door de Commissie zijn
erkend, van de minister voor dergelijke importen een ontheffing krijgen
(artikel 19 Verordening 2008/1235). Artikel 45 van de nieuwe bioverordening
biedt deze ruimte niet meer en daarom vervalt het tweede lid.
In het tweede lid (nieuw) komt een nieuwe bevoegdheid voor de minister om
tijdens een rampzalige omstandigheid vrijstelling of ontheffing te verlenen om
tijdelijk af te wijken van de biologische productievoorschriften. Een situatie
wordt als ramzalige omstandigheid aangemerkt indien het als dusdanig wordt
erkend door een formeel besluit dat is uitgevaardigd door de lidstaat waar de
situatie zich voordoet (zie artikel 22 nieuwe bio verordening jo. artikel 1
verordening 2020/2146). De rampzalige omstandigheid kan een specifiek gebied of
individuele exploitant treffen (en afhankelijk daarvan een vrijstelling of
ontheffing betreffen). De voorwaarden voor afwijkingen en welke specifieke
afwijkingen zijn toegestaan zijn uitgewerkt in gedelegeerde verordening
2020/2146. Het formeel erkennen van een rampzalige gebeurtenis kan onder meer
het uitroepen van een ramp als bedoeld in Wet tegemoetkoming schade bij rampen
en het aanwijzen van een dierziekte onder de Wet dieren betreffen. De minister
dient de vrijstellingen of ontheffingen die worden verleend o.b.v. de
verordening 2020/2146 te melden aan de Europese Commissie.
Het derde lid biedt de grondslag voor het verlenen van een ontheffing door
Stichting Skal voor het gebruik van gangbaar zaaizaad en pootgoed. Een
dergelijke ontheffing kan worden verleend indien de beschikbaarheid van
biologisch zaaizaad- en pootgoed onvoldoende blijkt te zijn. De voorwaarden
voor verlening van een dergelijke ontheffing waren opgesomd in artikel 45 van
verordening (EG) 889/2008. Er staat een vergelijkbare mogelijkheid om
plantaardig omschakelingsteeltmateriaal en plantaardig niet-biologisch
teeltmateriaal toe te staan in bijlage II, deel I, punten 1.8.5.1 en 1.8.6, van
de nieuwe bio verordening. Indien uit de gegevens uit de databank (artikel 26
nieuwe bioverordening) niet is voldaan aan de kwalitatieve of kwantitatieve
behoeften van de exploitant met betrekking tot biologisch plantaardig
teeltmateriaal, kan de exploitant, gebruikmaken van plantaardig
omschakelingsteeltmateriaal. Als ook plantaardig omschakelingsteeltmateriaal
onvoldoende beschikbaar is kan onder voorwaarden uit bijlage II, deel I, punten
1.8.5.1 en 1.8.6, nieuwe bio verordening een ontheffing worden verleend voor
het gebruik van niet-biologisch plantaardig teeltmateriaal.
Onderdeel E (artikel 8a)
Gelet op artikel 24, eerste lid, onderdelen e tot en g, van de nieuwe
bioverordening kan de Commissie het gebruik toelaten van reinigings- en
ontsmettingsproducten voor het reinigen en ontsmetten van vijvers, kooien,
tanks, doorstroomsystemen, gebouwen of installaties voor dierlijke productie
(onderdeel e), van gebouwen en installaties voor plantaardige productie,
waaronder voor opslag in een landbouwbedrijf (onderdeel f) en van verwerkings-
en opslagfaciliteiten (onderdeel g). Artikel 5 jo. bijlage IV van verordening
(EU) 2021/1165 bepaalt welke specifieke reinigings- en ontsmettingsproducten
dit zijn. In afwachting van opname in bijlage IV mogen gelet op artikel 5,
vierde lid, en artikel 12, eerste lid, van verordening (EU) 2021/1165 de
reinigings- en ontsmettingsproducten die krachtens de oude bioverordening of
nationaal recht vóór 1 januari 2022 waren toegelaten, tot en met 31 december
2023 verder worden gebruikt indien zij voldoen aan de desbetreffende EU
regelgeving (met name Verordening (EG) nr. 648/2004 van het Europees Parlement
en de Raad van 31 maart 2004 betreffende detergentia (PbEG, 2004 L 104) en
Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei
2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PbEU,
2012 L 167)) en daarop gebaseerde nationale regelgeving. Daarbij moet, gelet op
artikel 12, eerste lid, van verordening (EU) 2021/1165 bijlage IV, deel D, van
verordening (EU) 2021/1165 in acht worden genomen.
Dit is voor de plantaardige productie, inclusief opslag in een
landbouwbedrijf, uitgewerkt in artikel 8a jo. bijlage III van de
Landbouwkwaliteitsregeling 2007. Voor dierlijke productie volstaat bijlage IV,
deel D, van verordening (EU) 2021/1165.
Verder wordt in het tweede lid van artikel 8a een verwijzing aangepast,
zodat rodenticiden (alleen in vallen) onder vooralsnog de nieuwe bioverordening
mogen worden gebruikt om gebouwen en installaties voor de plantaardige
productie te ontdoen van insecten en andere parasieten.
De reinigings- en ontsmettingsproducten, inclusief de rodenticiden die
reeds onder artikelen 23, vierde lid, en 25, eerste lid, van verordening (EU)
2008/889 zijn toegestaan kunnen in ieder geval worden gebruikt tot en met
31 december 2023 en ook daarna als zij worden opgenomen in bijlage IV van de
nieuwe bioverordening.
Onderdeel F (artikel 26b)
Lidstaten moet er gelet op artikel 34, zevende lid, van de nieuwe
bioverordening net als voorheen voor zorgen dat exploitanten voor hun
biologische certificering een redelijke vergoeding betalen om de kosten van de
controles te dekken. Artikel 11 van de Landbouwkwaliteitswet jo. artikelen 26b
en 26c van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007 regelt onder meer de tarieven van
Skal. De wijziging van artikel 26b van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007
voorziet erin dat ook tarieven kunnen worden vastgesteld ter dekking van de
kosten samenhangend met de uitvoering van de op basis van het nieuwe artikel 18
van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 aan Skal opgedragen taken en
bevoegdheden.
Artikel II (Regeling autoriteiten verordening (EU) 2018/848 en
verordening (EU) 2017/62)
De Regeling autoriteiten verordening (EU) 2018/848 en verordening (EU)
2017/62 wordt ingetrokken. Deze regeling diende tijdelijk om aan te geven met
welke taken de Stichting Skal en de minister als controle- en/of bevoegde
autoriteit zijn belast en te verduidelijken dat zij daarmee hun huidige taken
op het terrein van de biologische productie en de etikettering van biologische
producten voortzetten. Met de inwerkingtreding van het implementatiebesluit is
deze regeling niet langer nodig en kan deze worden ingetrokken.
Artikel III (Regeling dierlijke producten)
Op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de Wet dieren worden bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld voor de uitvoering van
bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen over dierlijke producten.
Artikel 2.6, onderdeel a, van het Besluit dierlijke producten bepaalt dat
bij ministeriële regeling regels worden gesteld ter uitvoering van bindende
onderdelen van EU-rechtshandelingen met betrekking tot de biologische productie
van dierlijke producten.
Paragraaf 2.2 van de Regeling dierlijke producten bevat regels over de
biologische productie van dierlijke producten. Dat zijn van dieren afkomstige
producten, al dan niet bewerkt of verwerkt, en daarvan afgeleide
producten.
Op de biologische dierlijke productie zijn de artikelen 9, 10, 11 en 14 en
de productievoorschriften in bijlage II, deel II, van de nieuwe bioverordening
van toepassing. Een aantal van deze productievoorschriften biedt ruimte aan
lidstaten voor een nadere invulling of keuzes.
Onderdeel A (artikel 1.1)
De begripsbepaling naar de oude bioverordening wordt vervangen door een
begripsbepaling naar de nieuwe bioverordening.
Onderdeel B (artikel 2.10)
In artikel 2.10 van de Regeling dierlijke producten staan de
begripsbepalingen die specifiek gelden voor hoofdstuk 2, paragraaf 2,
‘Kwaliteit van levensmiddelen van dierlijke oorsprong’. De begripsbepalingen
voor de uitvoeringsverordeningen van de oude bioverordening kunnen
vervallen.
Onderdeel C (artikel 2.12)
Artikel 2.12 bepaalt dat de Stichting Skal de controlerende autoriteit is
in de zin van de oude bioverordening. De bepaling wordt geactualiseerd door te
wijzen op de taken en bevoegdheden van Stichting Skal overeenkomstig de
artikelen 15, 16, tweede lid, en 18 van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 aan
Skal zijn opgedragen.
Onderdeel D (artikel 2.13)
Producten mogen slechts worden aangeduid als biologische producten indien
de productievoorschriften uit de nieuwe bioverordening zijn nageleefd. De
verwijzingen worden naar de bioverordening zijn geactualiseerd en artikel 2 van
het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 – waar een soortgelijk voorschrift staat –
wordt van overeenkomstige toepassing verklaard.
Onderdeel E (artikel 2.14)
Artikel 2.14, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten bepaalt dat
exploitanten die producten als biologische producten of omschakelingsproducten
op de markt willen brengen, zich overeenkomstig artikel 15, aanhef en onderdeel
b, van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 voor biologische certificering moeten
melden bij Stichting Skal. Artikel 2.14, tweede lid, ziet op een uitzondering
die de verordening biedt. De verwijzingen worden naar de bio verordening zijn
geactualiseerd en artikel 2 van het Landbouwkwaliteitsregeling 2007 – waar een
soortgelijk voorschrift staat – wordt van overeenkomstige toepassing
verklaard.
Onderdeel F (artikel 2.16)
De regels over de biologische productiemethode boden (oude bioverordening)
en bieden (nieuwe bioverordening) lidstaten de mogelijkheid om op in de
verordening aangegeven onderdelen afwijkende voorschriften vast te
stellen.
Onder de oude bioverordening bepaalde het eerste lid van artikel 2.16 dat
het kleine bedrijven onder voorwaarden kan worden toegestaan dat runderen die
niet in groepen kunnen worden gehouden die aan hun gedrag zijn aangepast,
worden aangebonden. Deze voorwaarden stonden in artikel 39 van verordening (EG)
nr. 889/2008 en zag onder meer op het aanbinden van vee in ‘kleine bedrijven’.
In artikel 2.16, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten werd deze
uitzondering toegestaan voor ‘bedrijven met ten hoogste tien runderen’.
Bijlage II, deel II, punt 1.7.5, van de nieuwe bioverordening heeft een
soortgelijke bepaling maar stelt een maximum aan de bedrijfsgrootte (‘bedrijven
met ten hoogste 50 dieren’). Gezien het dierenwelzijn wordt er in Nederland
voor gekozen de nationale invulling van de omvang van de bedrijven die runderen
mogen aanbinden, bedrijven met ten hoogste 10 runderen (inclusief jonge
dieren), onder de nieuwe bioverordening te continueren. Daarnaast wordt
geregeld wordt dat de Stichting Skal toestemming kan geven voor aanbinden van
dieren overeenkomstig bijlage II, deel II, punt 1.7.5, van verordening (EU)
2018/848.
Met artikel 2.16, tweede lid (oud), werd gelet op artikel 27, vierde lid,
van verordening 889/2008 een vrijstelling geboden om in de drie maanden voor
Pasen van gekleurde eieren (met gebruik van natuurlijke kleurstoffen en
lakmiddelen) een biologische variant aan te bieden. Bijlage II, deel IV, punt
2.2.2, onderdeel d, van verordening (EU) nr. 2018/848 bepaalt nu in zijn
algemeenheid dat bij levensmiddelenverwerking natuurlijke kleurstoffen en
natuurlijke bedekkingsstoffen voor het traditioneel versieren van de schaal van
gekookte eieren die bestemd zijn om in een bepaalde periode van het jaar in de
handel te worden gebracht gebruikt mogen worden. De vrijstellingsgrondslag in
artikel 2.16 kan daardoor vervallen.
Het nieuwe tweede lid biedt de grondslag voor Stichting Skal om toestemming
te gevengeven voor het gebruik van niet-biologische dieren overeenkomstig
bijlage II, deel I, punt 1.3.4 (als bevoegde autoriteit in punten 1.3.4.3 en
1.3.4.4), van verordening (EU) 2018/848. De voorwaarden waaronder dit kan zijn
uitgewerkt in de subpunten van punt 1.3.4. Ook is Stichting Skal bevoegd om
andere ingevolge punt 1.3.4 toegestane beschikkingen te nemen. Stichting Skal
is daarmee de bevoegde autoriteit die moet bevestigen dat een bedrijf voldoet
aan de voorwaarden in punt 1.3.4.4.3.
Het nieuwe derde lid biedt de mogelijkheid voor Stichting Skal om
toestemming te geven voor ingrepen die zijn genoemd in bijlage II, deel II,
punt 1.7.8, van de nieuwe bioverordening. Het betreft het couperen van staarten
voor schapen, het snavelkappen in de eerste drie levensdagen, en het onthoornen
alleen per geval uitzonderlijk worden toegestaan wanneer deze ingrepen de
gezondheid, het welzijn of de hygiëne van het dier ten goede komen of de
veiligheid van de werknemers anders in gevaar is. Het verwijderen van
hoornknoppen is alleen per geval toegestaan wanneer deze ingreep de gezondheid,
het welzijn of de hygiëne van het dier ten goede komt of de veiligheid van de
werknemers anders in gevaar is. De Stichting Skal staat een dergelijke ingreep
enkel toe indien de exploitant de redenen ervoor naar behoren ter kennis heeft
gebracht en gerechtvaardigd en wanneer de ingreep uitgevoerd wordt door
gekwalificeerd personeel. Deze toestemming is mogelijk onverminderd
ontwikkelingen in de Uniewetgeving op het vlak van dierenwelzijn. Die regels
zijn geïmplementeerd in het Besluit diergeneeskundigen en daar wordt dan ook
naar verwezen. Daarnaast kan de toestemming alleen worden gegeven binnen de in
bijlage II, deel II, punt 1.7.8 e.v. van de nieuwe bioverordening genoemde
voorwaarden en beperkingen.
Onderdeel G (artikel 2.17)
De nieuwe bioverordening bevat net als voorheen een bepaling over de
hoeveelheid stikstof die de veebezetting van een hectare landbouwgrond mag
opleveren. Die hoeveelheid mag niet groter zijn dan 170 kg per jaar per
hectare. Het is aan de lidstaten om het aantal vee-eenheden vast te stellen dat
met dat maximum overeenkomt. De strekking van de verordening is gelijk en
daardoor hoeft alleen de verwijzing naar de bioverordening geactualiseerd te
worden.
Onderdeel H (artikel 2.18)
Om de vegetatie na het houden van een koppel pluimvee te laten aangroeien,
moeten de uitlopen van de pluimveestallen – net als onder de oude bio
verordening – gedurende een door de lidstaten vast te stellen periode worden
vrijgehouden. Er wordt nu gekozen om voor al het pluimvee één gelijke
minimumperiode van 30 dagen vast te stellen (zie ook paragraaf 3 van het
algemeen deel van de toelichting). De verwijzing naar de bioverordening wordt
geactualiseerd.
Onderdeel I (artikel 3.7)
De verwijzing naar het toegestane gebruik van biodynamische preparaten
wordt geactualiseerd.
Artikel IV (Regeling diervoeders 2012)
In hoofdstuk 2 van de Regeling diervoerder 2012 worden onder meer regels
gesteld over de biologische diervoerders. Diervoeders betreft elke stof, elk
product of elke samenstelling van stoffen of producten die bestemd is om te
worden gebruikt voor voedering aan dieren. Voor diervoerders zijn met name de
artikelen 8 en 19 en bijlage II, deel V, van de nieuwe bioverordening van
toepassing.
Onderdeel A (artikel 2)
De begripsbepaling voor de bioverordening wordt geactualiseerd.
Onderdeel B (artikel 5)
De oude bioverordening bood lidstaten de mogelijkheid om nadere
productievoorschriften voor biologische diervoeders die bestemd zijn voor
gezelschapsdieren te stellen, zolang die voorschriften niet op Europees niveau
zijn geregeld. De nieuwe bio verordening biedt deze nationale ruimte niet meer
en dus vervalt artikel 5 van de Regeling diervoeders 2012. De
productievoorschriften voor verwerkte diervoerders staan zijn voortaan Europees
geregeld in met name artikel 17, eerste lid, jo. bijlage II, deel V, van de
nieuwe bioverordening en eventuele uitvoeringshandelingen.
Er wordt een nieuw artikel 5 opgenomen in de Regeling diervoeders 2012. In
bijlage II, deel II, punten 1.9.3.1, onderdeel c, en 1.9.4.2, onderdeel c, van
verordening (EU) nr. 2018/848 staat dat indien landbouwers er niet in slagen
eiwithoudende diervoeders uitsluitend uit biologische productie te verkrijgen,
en de bevoegde autoriteit heeft bevestigd dat biologische eiwithoudende
diervoeders niet in voldoende hoeveelheid beschikbaar zijn, niet-biologische
eiwithoudende diervoeders mogen worden gebruikt tot en met 31 december 2026,
mits aan de in die punten genoemde voorwaarden is voldaan. Dit geldt gelet op
die punten voor biggen tot en met 35 kg en voor jong pluimvee.
Artikel V (Regeling houders van dieren)
De nieuwe bio verordening bevat productievoorschriften voor
aquacultuurdieren (zie met name artikel 15 en bijlage II, deel III). Het nieuwe
artikel 7d.1 van de Regeling houders van dieren implementeert bijlage II, deel
III, punt 3.1.2.1, onderdeel d, van de nieuwe bio verordening. Het eerste lid
dat ziet op punt 3.1.2.1, onderdeel d, bepaalt onder welke voorwaarden de
minister goedkeuring kan geven om in het wild gevangen of niet overeenkomstig
de biologische productiemethode geproduceerde aquacultuurdieren in een
biologisch bedrijf binnen te brengen. Het tweede lid dat ziet op punt 3.2.1,
onderdeel d, bepaalt dat wild zaad van weekdieren slechts mag worden verzameld
nadat de minister daarvoor haar goedkeuring heeft verleend. Zie ook paragraaf 3
van het algemeen deel van de toelichting.
Het nieuwe artikel 7d.2 van de Regeling houders van dieren betreft de
implementatie van bijlage II, deel III, punten 3.1.2.1. onderdeel e, tweede
alinea, van de nieuwe bioverordening. Hier staat dat de minister voor
opkweekdoeleinden kan toestaan dat in een biologische productie-eenheid gebruik
wordt gemaakt van maximaal 50 procent niet-biologische juvenielen van soorten
die niet biologisch werden ontwikkeld in de Unie vóór 1 januari 2022, mits ten
minste het laatste tweederde deel van de productiecyclus volgens de biologische
methode wordt beheerd. Deze afwijking kan worden toegekend voor maximaal twee
jaar en is niet hernieuwbaar.
Artikel VI (Regeling groenprojecten 2016)
In de Regeling groenprojecten 2016 staan vrijstellingen voor inkomsten uit
groene beleggingen. Artikel 3 van deze regeling betreft projecten op het gebied
van de biologische landbouw. Artikel 3 betreft niet alleen bedrijven die al aan
alle voor de biologische productiemethode geldende vereisten voldoen, maar ook
op bedrijven die zich hebben aangemeld en in het proces van omschakeling
zitten. Onderdeel c bevat een verwijzing naar de oude bioverordening en wordt
geactualiseerd.
Artikel VII (Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies)
Titel 2.5 Borgstelling MKB-landbouwkredieten en tijdelijke borgstelling
MKB-visserij- en aquacultuurkredieten van de Regeling nationale EZK- en
LNV-subsidies betreft onder meer de borgstelling voor nieuwe investeringen die
voor meer dan 50% worden gedaan voor biologische landbouw, alsmede de daarbij
behorende omschakeling naar biologische landbouw of omschakeling naar duurzame
landbouwbedrijfsvoering. De verwijzing naar de bioverordening wordt
geactualiseerd.
Artikel VIII (Regeling uitvoering GMO groenten en fruit 2018)
De Regeling uitvoering GMO groenten en fruit 2018 strekt tot uitvoering van
de Europese regelgeving inzake de gemeenschappelijke marktordening voor
groenten en fruit (GMO). Om in aanmerking te komen voor deze Europese steun
moeten producentenorganisaties in de sector groenten en fruit operationele
programma’s opstellen. Gelet op artikel 47, eerste en tweede lid, van de
Regeling uitvoering GMO groenten en fruit 2018 zijn zij verplicht om de
strategische doelen verduurzaming en marktgericht produceren op te nemen in hun
operationele programma en kunnen zij tevens het strategisch doel versterking
afzetstructuur nastreven. Met het strategisch doel verduurzaming wordt beoogd
de producentenorganisaties te stimuleren zich verder in te spannen om de sector
nog duurzamer te maken. Hieronder vallen bijvoorbeeld uitgaven voor biologisch
afbreekbaar folie, biologisch afbreekbare verpakkingen en
bevestigingsmaterialen en voor biologische of geïntegreerde
gewasbeschermingsmiddelen. Uitbreiding van de biologische teelt van groente en
fruit draagt ook bij aan verdere verduurzaming van de tuinbouw. Onder
voorwaarden zijn uitgaven voor biologische vermeerdering en opkweek van
uitgangsmateriaal en de niet-chemische behandeling bij zaden van gangbare
oorsprong zijn subsidiabel indien zij biologisch gecertificeerd zijn, de
certificering en lidmaatschapskosten zijn subsidiabel en de meerkosten van
aankoop van mest en compost afkomstig van door Skal gecertificeerde biologische
landbouwbedrijven. Binnen het strategisch doel versterking afzetstructuur kan
een producentenorganisatie in aanmerking komen voor uitgaven voor advies en
begeleiding ten behoeve van de biologische teelt en ten behoeve van de teelt in
het geval van biologische plaagbestrijding.
Onderdeel A
In artikel 1, eerste lid, van de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit
2018 worden in de begripsbepalingen de verwijzingen naar de
bio(uitvoerings)verordeningen geactualiseerd. De begripsbepalingen van
verordening 834/2007, verordening 889/2008 en verordening 1235/2008 vervallen.
De begripsbepaling voor de relevante nieuwe bioverordening wordt toegevoegd.
Daarnaast wordt de verwijzing naar de bioverordening geactualiseerd in de
begripsbepaling voor ‘biologische productie’ die in een aantal artikelen in de
Regeling uitvoering GMO groenten en fruit 2018 terugkomt.
Onderdeel B
Artikel 111 van de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit 2018 bepaalt
dat uitgaven voor biologische vermeerdering en opkweek van uitgangsmateriaal en
de niet-chemische behandeling bij zaden van gangbare oorsprong subsidiabel
zijn, indien zij biologisch gecertificeerd zijn. Het betreft certificering door
Skal of andere erkende instanties uit andere EU-lidstaten of derde landen. De
verwijzingen naar de bioverordening zijn geactualiseerd.
Onderdeel C
Artikel 161 stelt uitgaven voor advies en begeleiding ten behoeve van de
teelt in geval van biologische productie, inclusief personeelskosten,
subsidiabel indien onder meer wordt voldaan aan de bio verordeningen. De
verwijzing naar de bioverordening is geactualiseerd.
Artikel IX (Uitvoeringsregeling Meststoffenwet)
De op basis van artikel 72a van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
aangewezen landbouwers mogen het verwerkingsdeel van hun bedrijfsoverschot
afvoeren naar de bijbehorende aangewezen afnemers. Onder meer worden
biologische veehouders en biologische akker- en tuinbouwers aangewezen.
Ingevolge de nieuwe bioverordening bestaat – net als voorheen onder verordening
889/2008 en verordening 834/2007 – voor een biologische veehouder de
verplichting de op zijn bedrijf geproduceerde mest die hij niet op grond in
eigen gebruik kan gebruiken, aan andere biologische landbouwers (met name
akker- en tuinbouwers) over te dragen (zie bijlage II, deel I, punt 1.9.5).
Door deze verplichting bestaat voor biologische veehouders geen mogelijkheid
een deel van het bedrijfsoverschot te laten verwerken, zoals de Meststoffenwet
vereist. In verband hiermee wordt deze categorie landbouwers uitgezonderd van
de verwerkingsplicht. De verwijzingen naar de nieuwe bioverordening worden
geactualiseerd.
Artikel X (Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB)
In artikel 3.1 van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB is
de verplichting neergelegd voor landbouwers die een aanvraag hebben ingediend
voor rechtstreekse betalingen om te voldoen aan de randvoorwaarden van het GLB.
Deze randvoorwaarden betreffen onder meer de normen voor het in goede landbouw-
en milieuconditie houden van landbouwareaal, bedoeld in artikel 93, eerste lid,
van Verordening (EU) nr. 1306/2013, opgenomen in bijlage 4 van de
Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB. Hieronder valt minimale
bodembedekking. Indien een landbouwer voor zijn gehele productie voldoet aan de
voorschriften uit de bioverordeningen dan hoeft hij zijn percelen die hij uit
de productie neemt en in aanmerking wil laten komen voor steun niet verplicht
in te zaaien met een groenbemester. De verwijzen naar de bioverordeningen
worden geactualiseerd.
Artikel XI
Dit onderdeel regelt de inwerkingtreding. Voor een toelichting wordt
verwezen naar paragraaf 6 van het algemeen deel van de toelichting.
III TRANSPONERINGSTABEL
Voor de volledige transponeringstabel wordt verwezen naar de toelichting
bij het implementatiebesluit. Hier wordt alleen verwezen naar de artikelen die
op het niveau van ministeriële regelgeving geïmplementeerd zijn of worden
geïmplementeerd.
|
Bepaling EU-regeling Vo (EU) 2018/848
|
Bepaling in uitvoeringregeling of in bestaande regelgeving; toelichting
indien niet geïmplementeerd of uit zijn aard geen implementatie behoeft
|
Omschrijving beleidsruimte
|
Toelichting bij keuze(n) bij de invulling van beleidsruimte
|
|
Artikel 13 lid 2
|
Reeds geïmplementeerd in de Regeling verhandeling teeltmateriaal
|
|
|
|
Artikel 22 lid 2
|
Artikel I, onderdeel D (artikel 6, tweede lid
(nieuw), van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007)
|
|
|
|
Artikel 25 lid 1
|
Implementatie in artikel I, onderdeel D, onder
1 (artikel 6, eerste lid, van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007)
|
|
|
|
Artikel 30
|
Artikel 2 van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 en artikel III, onderdeel D (artikel 2.13 van de Regeling
dierlijke producten).
|
|
|
|
Artikel 34
|
Lid 1-4
|
Implementatie in artikel 15, onderdeel b, Landbouwkwaliteitsbesluit 2007
jo. artikel I, onderdeel B (artikel 2, eerste lid,
van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007)
|
Lid 4: Lidstaten kunnen een autoriteit aanwijzen of een instantie
goedkeuren die de meldingen dient te ontvangen.
|
Zie nota van toelichting bij het implementatiebesluit.
|
|
Lid 7
|
Implementatie in artikel I, onderdeel F
(artikel 26b, tweede lid, van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007); verder reeds
geïmplementeerd in artikel 11 Landbouwkwaliteitswet jo. artikelen 26b en 26c
van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007
|
|
|
|
Lid 8
|
Artikel I, onderdeel B (artikel 2, tweede lid,
van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007) en wordt verder vorm gegeven door
feitelijk handelen
|
De lidstaten kunnen exploitanten die onverpakte biologische producten, met
uitzondering van diervoeders, rechtstreeks aan de eindgebruiker verkopen, –
onder de in artikel 35, achtste lid, van de verordening genoemd voorwaarden
-vrijstellen van de verplichting over een certificaat
|
Zie paragraaf 3 van het algemeen deel van de toelichting.
|
|
Artikel 39 lid 1
|
Reeds geïmplementeerd in artikelen 2, vierde lid, en 4, tweede lid,
onderdeel h, van de Regeling landbouwtelling en gecombineerde opgave 2022.
|
|
|
|
Artikel 41 lid 3
|
Artikel I, onderdeel C (artikel 3 van de
Landbouwkwaliteitsregeling 2007), artikelen 13-13y, 18 en 19 van de
Landbouwkwaliteitswet en artikel 1, onder 4, van de Wet op de economische
delicten.
|
|
|
|
Artikel 42
|
Implementatie in artikel 16, tweede lid, onderdeel a,
Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 jo. artikel I, onderdeel
C (artikel 3 van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007)
|
|
|
|
Artikel 60
|
Artikel 2 van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 en artikel III, onderdeel D (artikel 2.13 van de Regeling
dierlijke producten).
|
|
|
|
Bijlage II (in hoofdstuk III bedoelde gedetailleerde
productievoorschriften)
|
|
|
|
|
Deel I: plantaardige productie
|
punten 1.8.5 (1.8.5.1, 1.8.5.3, 1.8.5.7 en 1.8.5.8) en 1.8.6, eerste
alinea, aanhef
|
Artikel I, onderdeel D (artikel 6, derde lid,
van de Landbouwkwaliteitsregeling).
|
|
|
|
punt 1.9.9
|
Artikel III, onderdeel I (artikel 3.7 van de
Regeling dierlijke producten)
|
|
|
|
Deel II: dierlijke productie
|
Punt 1.3.4 (punten 1.3.4.3, 1.3.4.4 en 1.3.4.4.3)
|
Artikel III, onderdeel F (artikel 2.16 van de
Regeling dierlijke producten)
|
|
|
|
punt 1.6.7
|
Artikel III, onderdeel G (artikel 2.17 van de
Regeling dierlijke producten)
|
|
|
|
punt 1.7.5
|
Artikel III, onderdeel F (artikel 2.16, eerste
lid, van de Regeling dierlijke producten)
|
|
|
|
Punt 1.7.8
|
Artikel III, onderdeel F (artikel 2.16, vierde
lid, van de Regeling dierlijke producten)
|
|
|
|
punt 1.9.3.1 sub c
|
Artikel IV, onderdeel C (artikel 5a van de
Regeling diervoeders 2012)
|
|
|
|
punt 1.9.4.1, tweede alinea
|
Reeds geïmplementeerd in begripsbepaling voor ‘traaggroeiend pluimveeras’
in artikel 2.10 van Regeling dierlijke producten
|
De bevoegde autoriteit stelt de criteria voor traaggroeiende rassen of een
lijst van die rassen vast
|
Zie paragraaf 3 van het algemeen deel van de toelichting.
|
|
punt 1.9.4.2 sub c
|
Artikel IV, onderdeel C (artikel 5a van de
Regeling diervoeders 2012)
|
|
|
|
punt 1.9.4.4 sub c
|
Artikel III, onderdeel H (artikel 2.18 van de
Regeling dierlijke producten)
|
Een door de lidstaten te bepalen minimumperiode
|
Zie paragraaf 3 van het algemeen deel van de toelichting.
|
|
Deel III: algen en aquacultuurdieren
|
3.1.2.1 sub d
|
Artikel V (artikel 7d.1 van de Regeling houders
van dieren)
|
|
|
|
3.1.2.1 sub e, tweede alinea
|
Artikel V (artikel 7d.2 van de Regeling houders
van dieren)
|
voor opkweekdoeleinden mag een lidstaat in afwijking van punt a) toestaan
dat in een biologische productie-eenheid gebruik wordt gemaakt van maximaal 50%
niet-biologische juvenielen van soorten die niet biologisch werden ontwikkeld
in de Unie vóór 1 januari 2022, mits ten minste het laatste tweederde deel van
de productiecyclus volgens de biologische methode wordt beheerd. Deze afwijking
kan worden toegekend voor maximaal twee jaar en is niet hernieuwbaar.
|
Zie paragraaf 3 van het algemeen deel van de toelichting.
|
|
punt 3.2.1 sub d
|
Artikel V (artikel 7d.1 van de Regeling houders
van dieren)
|
|
|
Voor de regeling relevante transponeringstabellen voor de gedelegeerde en
uitvoeringsverordeningen van Vo (EU) 2018/848:
|
Gedelegeerde verordening (EU) 2020/2146 van de Commissie
van 24 september 2020 tot aanvulling van Verordening (EU) 2018/848 van het
Europees Parlement en de Raad wat betreft uitzonderlijke productievoorschriften
in de biologische productie
|
|
Artikel 1
|
Artikel I, onderdeel D (artikel 6, tweede lid
(nieuw), van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007)
|
|
|
|
Artikel 2
|
Artikel I, onderdeel D (artikel 6, tweede lid
(nieuw), van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007)
|
|
|
|
Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 van de Commissie
van 15 juli 2021 betreffende de toelating van bepaalde producten en stoffen
voor gebruik in de biologische productie en de opstelling van de lijsten van
die producten en stoffen
|
|
Artikel 5
|
Artikel I, onderdeel E (artikel 8a jo. bijlage
III van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007)
|
|
|
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
H. Staghouwer