Kennisgeving Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Beschikking op de vergunningaanvraag van de Stichting Katholieke Universiteit te Nijmegen (hierna: Stichting Katholieke Universiteit), voor introductie in het milieu van genetisch gemodificeerde organismen

Vergunningaanvraag

Op 8 februari 2021 is door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat vergunning verleend op de aanvraag met kenmerk GGO IM-MV 20-019 aan de Stichting Katholieke Universiteit voor de introductie in het milieu van genetisch gemodificeerde organismen krachtens het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013.

Op 6 november 2020 had de Stichting Katholieke Universiteit een daartoe strekkende aanvraag ingediend.

De aanvraag betreft een klinische studie waarin genetisch gemodificeerde malariaparasieten toegediend worden aan proefpersonen. Het doel van de klinische studie is om een vaccin te ontwikkelen tegen malaria dat bestaat uit een levende genetisch gemodificeerde parasiet. De werkzaamheden zijn voorgenomen plaats te vinden in de gemeente Nijmegen.

Procedure

Voor de behandeling van de aanvraag van de Stichting Katholieke Universiteit is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure doorlopen, conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Vanaf 17 december 2020 is de ontwerpbeschikking ter inzage gelegd en er konden tot en met 27 januari 2021 mondelinge of schriftelijke zienswijzen worden ingediend. In deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.

Inzage beschikking

De aanvraag, de beschikking en de overige relevante stukken zijn vanaf 17 februari 2021 beschikbaar op de internetpagina www.ggo-vergunningverlening.nl.

Beroep

Voor nadere informatie over dit besluit kunt u terecht bij Bureau GGO.

Binnen zes weken na de dag waarop het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht, ter inzage is gelegd, kunnen belanghebbenden beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Het beroepschrift dient te zijn ondertekend en dient ten minste het volgende te bevatten:

  • a. de naam en het adres van de indiener;

  • b. de dagtekening;

  • c. een omschrijving van het besluit waartegen het beroepschrift zich richt;

  • d. een opgave van redenen waarom men zich niet met het besluit kan verenigen;

  • e. zo mogelijk een afschrift van het besluit waartegen het beroep zich richt.

Voor de behandeling van een beroepschrift wordt een bedrag aan griffierecht geheven.

Het niet-voldoen aan deze eisen kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het beroepschrift.

Naar boven