Gerechtsdeurwaarder de heer Erik Jozef Maria van Hal, werkzaam bij Van der Velde van
Hal & Peers, gevestigd te Den Haag, burgemeester Kolfschotenlaan 65, 2585 DZ, heeft
mij per brief van 7 december 2020 in kennis gesteld dat het kantoor opdracht heeft
gekregen tot het leggen van conservatoir beslag op aandelen van de Republiek Kazachstan
die Samruk-Kazyna JSC houdt in de vennootschap KMG Kashagan B.V., gevestigd te Amsterdam,
welk beslag op 4 december 2020 is gelegd.
Ik acht deze ambtshandeling, na consultatie van mijn ambtgenoot van Buitenlandse zaken,
in strijd met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Nederlandse Staat. In het
geval van (voorgenomen) maatregelen ten aanzien van vermogensbestanddelen van een
vreemde Staat geldt een presumptie van immuniteit. Slechts indien kan worden vastgesteld
dat de vreemde staat afstand heeft gedaan van haar immuniteit of dat aannemelijk gemaakt
kan worden dat vermogensbestanddelen niet bestemd zijn voor publieke doeleinden kan
ten aanzien van die bestanddelen immuniteit van executie worden ontzegd. In dit kader
zijn de artikelen 18 tot en met 21 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake
de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen (Trb. 2010, 272) relevant. Naar mijn oordeel is ten aanzien van de afzonderlijke vermogensbestanddelen
onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de vreemde staat afstand heeft gedaan van immuniteit
van executie dan wel dat deze niet zijn bestemd voor publieke doeleinden.
Op basis van de mij thans beschikbare, door de gerechtsdeurwaarder en hun opdrachtgever
aangeleverde, informatie kom ik tot de volgende conclusie. Op grond van artikel 3a,
tweede en zesde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet, zeg ik voornoemde gerechtsdeurwaarder
aan dat het in dezen gelegde conservatoir beslag, strijdig is met de volkenrechtelijke
verplichtingen van de Nederlandse Staat en aanstonds opgeheven dient te worden.
Wellicht ten overvloede merk ik op dat het tijdstip waarop de kennisgeving ex artikel
3a, eerste lid, Gdw aan mijn ministerie is gezonden, reeds in strijd is met het bepaalde
in dat lid. Volgens artikel 3a, eerste lid, Gdw dient de gerechtsdeurwaarder die opdracht
tot het verrichten van een ambtshandeling ontvangt, indien hij redelijkerwijs rekening
moet houden met de mogelijkheid dat het verrichten daarvan in strijd is met de volkenrechtelijke
verplichtingen van de Staat, de Minister aanstonds van de ontvangen opdracht in kennis te stellen. Indien een kennisgeving pas drie
dagen nadat de ambtshandeling reeds is verricht aan mijn ministerie wordt gezonden,
kan dat bezwaarlijk als aanstonds na het ontvangen van de opdracht tot het verrichten van een ambtshandeling worden aangemerkt.
Deze aanzegging is met onmiddellijke ingang van kracht en zal worden gepubliceerd
in de Staatscourant.