De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
Gelet op verordening (EU) nr. 2018/848 inzake de biologische productie en de etikettering
van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007, verordening
(EU) 2017/625 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die
worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en
van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen
te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005,
(EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU)
2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees parlement en de Raad, de Verordeningen
(EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG,
2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen
(EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees parlement en de Raad, de Richtlijnen
89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van
de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles), artikel
15, eerste lid, van de Landbouwkwaliteitswet en artikel 10 van het Landbouwkwaliteitsbesluit
2007;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- besluit:
-
Landbouwkwaliteitsbesluit 2007;
- verordening (EU) 2018/848:
-
verordening (EU) 2018/848 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische
producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 (PbEU 2018, L 150);
- verordening (EU) 2017/625:
-
verordening (EU) 2017/625 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten
die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving
en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen
te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005,
(EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU)
2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees parlement en de Raad, de Verordeningen
(EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG,
2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen
(EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees parlement en de Raad, de Richtlijnen
89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van
de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (PbEU
2017, L 95).
Artikel 2
De Stichting Skal is, als de in artikel 16, tweede lid, van het besluit aangewezen
controleautoriteit:
-
a. gelet op verordening (EU) 2018/848 belast met alle taken die in verband met de toepassing
van verordening (EU) 2018/848 aan een controleautoriteit kunnen worden opgedragen,
en
-
b. gelet op artikel 4, derde lid, van verordening (EU) 2017/625 belast met de officiële
controles en andere officiële activiteiten en de daarbij behorende taken en verantwoordelijkheden
bedoeld in titel II, hoofdstukken II, V en VII, van verordening (EU) 2017/625 ten
aanzien van de in artikel 1, tweede lid, aanhef en onderdeel i, van verordening (EU)
2017/625 bedoelde regels.
Artikel 3
De Stichting Skal wordt aangewezen als bevoegde autoriteit voor zover het betreft
het gebied, genoemd in artikel 1, tweede lid, aanhef en onderdeel i, van verordening
(EU) 2017/625 voor:
-
a. het documenteren, bedoeld in artikel 29, zesde lid, van verordening (EU) 2018/848
van onderzoeksresultaten naar de aanwezigheid van niet-toegelaten producten of stoffen
en genomen maatregelen;
-
b. het ontvangen van de melding, bedoeld in artikel 34 van verordening (EU) 2018/848;
-
c. het meedelen van de informatie bedoeld in artikel 43, zesde lid, van verordening (EU)
2018/848 aan het daar bedoelde betaalorgaan;
-
d. de handhavingsverplichtingen, bedoeld in artikel 137 van verordening (EU) 2017/625,
en
-
e. het nemen van de acties en maatregelen, bedoeld in artikel 138 van verordening (EU)
2017/625,
en belast met de in die artikelen genoemde taken.
Artikel 4
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is, als de in artikel 16, eerste
lid, van het besluit aangewezen bevoegde autoriteit, ten aanzien van de in artikel
1, tweede lid, aanhef en onderdeel i, van verordening (EU) 2017/625 bedoelde regels,
belast met alle taken die op grond van verordening (EU) 2018/848 en verordening (EU)
2017/625 aan de bevoegde autoriteit of een lidstaat kunnen worden opgedragen en die
niet op grond van de artikelen 2 of 3 aan de Stichting Skal zijn opgedragen.
Artikel 5
Voor zover de in de artikelen 2 en 3 bedoelde taken van de Stichting Skal betekenen
dat Skal is belast met het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften, zijn
de inspecteurs, bedoeld in art 26, onderdeel c, van de Landbouwkwaliteitsregeling,
de daartoe bevoegde personen.
Artikel 6
Certificaten op grond van verordening (EG) nr. 834/2007 die door de Stichting Skal
zijn verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, worden geacht
te zijn verleend op basis van verordening (EU) 2018/84.
Artikel 7
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2022.
Artikel 8
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling autoriteiten verordening (EU) 2018/848
en verordening (EU) 2017/62.
TOELICHTING
1. Inleiding
Per 1 januari 2022 wordt verordening (EG) nr. 834/2007 (hierna: de oude bioverordening)
vervangen door verordening (EU) nr. 2018/848 (hierna: de nieuwe bioverordening). De
ook voor het terrein van de biologische productie en etikettering van biologische
producten al geldende verordening (EU) 2017/625 (hierna: de controleverordening) blijft
bestaan. De nieuwe bioverordening brengt met zich dat (bepalingen met) verwijzingen
in de wet- en regelgeving naar de oude bioverordening zullen worden vervangen door
(bepalingen met) verwijzingen naar de nieuwe bioverordening, daarbij rekening houdend
met de samenhang van controleverordening en nieuwe bioverordening.
Tot de regelgeving ter implementatie van de nieuwe bioverordening in werking treedt
dient deze regeling om aan te geven met welke taken de Stichting Skal en de Minister
van LNV als controle- en/of bevoegde autoriteit zijn belast en te verduidelijken dat
zij daarmee hun huidige taken op het terrein van de biologische productie en de etikettering
van biologische producten voortzetten. Materieel is dit naar nationaal recht als terrein
met name ondergebracht in de landbouwkwaliteitswetgeving en de wetgeving bij of krachtens
de Wet dieren.
2. Inhoud van de regeling
2.1 Skal als controleautoriteit (artikel 2)
De Stichting Skal is in artikel 16, tweede lid, van het Landbouwkwaliteitsbesluit
aangewezen als controleautoriteit bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Landbouwkwaliteitswet,
en dus als ‘controleautoriteit voor biologische producten’ in de zin van artikel 3,
punt 4, van de controleverordening. Daarmee is de Stichting Skal gelet op de definitie
in artikel 2, aanhef en onder o, oude bioverordening, tevens de ‘controlerende autoriteit’
in de zin van die verordening.
De nieuwe bioverordening verwijst in de definitie van controleautoriteit naar de controleautoriteit
voor biologische producten in de zin van artikel 3, punt 4, van de controleverordening.
Na 1 januari 2022 blijft de Stichting Skal op grond van artikel 16, tweede lid, van
het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 dus controleautoriteit in de zin van de nieuwe
bioverordening. Onderdeel a van artikel 2 van deze regeling geeft aan dat dit met
zich brengt dat de Stichting Skal als controleautoriteit belast is met de taken die
op grond van de bioverordening aan de controleautoriteit kunnen worden opgedragen.
Hieronder vallen in ieder geval:
-
– de taken genoemd in artikel 9, achtste lid,
-
– de taken van de controleautoriteit bij (vermoedens van) niet-naleving van de bioverordening
of de aanwezigheid van niet-toegelaten producten of stoffen, beschreven in de artikelen
27, onder d en e, 28, tweede lid onder d en e, en 29,
-
– het verstrekken (artikel 35, eerste lid) en intrekken (artikel 36, tweede lid) van
certificaten,
-
– het opleggen van de maatregelen in geval van niet-naleving bedoeld in artikel 41,
eerste lid, (decertificeren van producten) en 42 (decertificeren van producten en
(groepen) exploitanten),
-
– de kennisgeving en informatie-uitwisseling, bedoeld in artikel 43, tweede, derde en
vierde lid, en
-
– de taken van de controleautoriteit met betrekking tot importcontroles (artikel 45
van de bioverordening).
Hiermee wordt de situatie onder de oude bioverordening, waarin de Stichting Skal in
artikel 15 van het Landbouwkwaliteitsbesluit als controleautoriteit de controlebevoegdheden
op grond van artikel 27, vierde lid, onderdeel a, van de oude bioverordening kreeg
opgedragen, gecontinueerd.
In het onderdeel b van artikel 2 van deze regeling wordt daarnaast de huidige situatie
met betrekking tot de taken op grond van de controleverordening bestendigd. Dit houdt
in dat de officiële controles en andere officiële activiteiten, beschreven in de hoofdstukken
2, 5 en 7 van de controleverordening, aan de Stichting Skal als controleautoriteit
zijn opgedragen. Voor de duidelijkheid wordt hierbij benadrukt dat het hier niet gaat
om het delegeren van taken aan een gemachtigde instantie, maar om het opdragen van
deze taken aan de controleautoriteit, zoals bedoeld in artikel 4, derde lid, van de
controleverordening.
2.2 Skal als bevoegde autoriteit (artikel 3)
In artikel 3 van deze regeling wordt de Stichting Skal aangewezen als bevoegde autoriteit
in de zin van de nieuwe bioverordening en de controleverordening voor de in dat artikel
opgesomde taken waar het gaat om de biologische productie en etikettering van biologische
producten.
Hiermee wordt de huidige situatie ten aanzien van bijvoorbeeld de ontvangst van meldingen
(met het oog op certificering) dat tot productie of invoer van biologische producten
wordt overgegaan, ook na 1 januari 2022 gecontinueerd. Zo wordt de Stichting Skal
op grond van artikel 34, vierde lid, van de nieuwe bioverordening aangewezen om de
in dat artikel bedoelde meldingen te ontvangen (vergelijkbaar met artikel 17, tweede
lid van het Landbouwkwaliteitsbesluit waarin de Stichting Skal is aangewezen als bevoegde
autoriteit die de meldingen bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel a, en 28,
eerste lid, onderdeel a, van de oude bioverordening in ontvangst neemt).
In samenhang met haar taken als controleautoriteit wordt verduidelijkt dat de Stichting
Skal tevens als bevoegde autoriteit in de zin van de controleverordening is belast
met het uitvoeren van de handhavingsverplichtingen bedoeld in artikel 137, en het
nemen van acties en maatregelen bedoeld in artikel 138 van de controleverordening
(met name de leden 1, 2 onder c, d, f, g, i, en j, 3 en 4, zijn daarbij relevant).
Ook onder de oude bioverordening is de Stichting Skal de autoriteit die de certificaten
verstrekt en – als zodanig – ook bevoegd is om in voorkomend geval een verleend certificaat
in te trekken (artikel 3 van de Landbouwkwaliteitsregeling). Het reglement dat Skal
op grond van artikel 10, tweede lid, van de Landbouwkwaliteitswet heeft opgesteld,
beschrijft in welke gevallen tot decertificeren wordt overgegaan. Met de goedkeuring
van dit reglement op grond van artikel 10, derde lid, van de Landbouwkwaliteitswet
heeft de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit tot uitdrukking gebracht
dat de Stichting Skal de bevoegde autoriteit is die is belast met de toepassing van
artikel 138 van de controleverordening ten aanzien van biologische productie en etikettering
van biologische producten. Artikel 3 continueert deze situatie.
2.3 Minister van LNV als bevoegde autoriteit (artikel 4)
In artikel 16, eerste lid, van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 is de Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen als bevoegde autoriteit in de zin
van de controleverordening. Dit maakt de Minister, blijkens de definitie in artikel
3, van de nieuwe bioverordening, tevens de aangewezen bevoegde autoriteit is in de
zin van de nieuwe bioverordening. Dit brengt met zich mee (artikel 2, derde lid, van
deze regeling) dat de Minister belast is met alle taken die op grond van de bioverordening
en de controleverordening aan de bevoegde autoriteit kunnen worden opgedragen, met
uitzondering van de taken die de Minister op grond van de artikelen 2 en 3 van deze
regeling aan de Stichting Skal heeft opgedragen. De Minister is bijvoorbeeld de bevoegde
autoriteit, bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de bioverordening, die informatie
over vermoede niet-naleving deelt via het OFIS-systeem. In de praktijk doet RVO dit
namens de Minister van LNV.
Met betrekking tot artikel 43, zesde lid, van de bioverordening is de Stichting Skal
in artikel 3, onder b, belast met specifiek het delen van de informatie over controles
aan het betaalorgaan GLB (zijnde RVO) bedoeld in dat artikellid. Dit laat onverlet
dat de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor het overige de bevoegde
autoriteit is die de verantwoordelijkheid heeft ervoor te zorgen dat de randvoorwaarden
voor die informatiedeling bedoeld in artikel 43, zesde lid, op orde zijn.
2.4 Overgangsrecht (artikel 6)
In artikel 6 is voor de duidelijkheid bepaald dat certificaten verleend op grond van
de oude bioverordening vanaf 1 januari 2022 gelden als certificaten verleend op grond
van de nieuwe bioverordening. De bioverordening voorziet daarnaast in artikel 60 in
overgangsrecht voor het in de handel mogen brengen van producten die vóór 1 januari
2022 overeenkomstig de oude bioverordening 834/2007 zijn geproduceerd, zolang de voorraad
strekt. Tot slot voorzien verschillende uitvoeringsverordeningen op basis van de bioverordening
in overgangsbepalingen.
3. Skal
Deze regeling is ambtelijk met Skal besproken en afgestemd.
4. Regeldruk
Omdat deze regeling materieel geen wijziging brengt in de taken en bevoegdheden van
Skal en de verantwoordelijkheidsverdeling tussen Skal en de Minister van LNV of andere
betrokken organisaties is er geen sprake van regeldrukeffecten.
5. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. In de implementatieregelgeving
zal worden geregeld dat deze regeling komt te vervallen zodra de implementatieregelgeving
in werking treedt.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
C.J. Schouten