Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 december 2021, nr. 2021-0000194267, tot het verstrekken van subsidies in het kader van leren en ontwikkelen van werkzoekenden en werkenden in de derde leerweg (Subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg)

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 5 van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluit:

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

eerste aanvraagtijdvak:

het tijdvak, bedoeld in artikel 6, onderdeel a;

tweede aanvraagtijdvak:

het tijdvak, bedoeld in artikel 6, onderdeel b;

derde aanvraagtijdvak:

het tijdvak, bedoeld in artikel 6, onderdeel c;

vierde aanvraagtijdvak:

het tijdvak, bedoeld in artikel 6, onderdeel d;

vijfde aanvraagtijdvak:

het tijdvak, bedoeld in artikel 6, onderdeel e;

erkend leerbedrijf:

een bedrijf of organisatie als bedoeld in artikel 7.2.10., tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, dat zorg draagt voor het onderricht in de praktijk van het beroep van de student;

gerealiseerde praktijkplaats:

het aantal weken dat tijdens de praktijkplaats, binnen een periode van 40 aaneengesloten weken, daadwerkelijk onderricht in de praktijk van het beroep plaats vindt, voor de duur van maximaal 40 weken;

minister:

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

onderwijsinstellingen in het mbo:

een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1., onderdeel b, of artikel 1.4.1., eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

praktijkplaats:

praktijkplaats als bedoeld in artikel 7.2.9. van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

praktijkovereenkomst:

schriftelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8., tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

RVO:

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat;

scholing via praktijkleren in het mbo:

een beroepsopleiding in de derde leerweg als bedoeld in artikel 1.4.1, lid 1.a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, waarbij sprake is van beroepspraktijkvorming waarvoor een erkend leerbedrijf een praktijkplaats realiseert, gericht op het behalen van een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6. van de Wet educatie en beroepsonderwijs, een certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3. van de Wet educatie en beroepsonderwijs, of een mbo-verklaring als bedoeld in artikel 7.4.6.a van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

subsidieaanvrager:

een voor de opleiding erkend leerbedrijf die een subsidie aanvraagt op grond van deze regeling;

Wet SUWI:

Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Artikel 2. Inleidende bepalingen

Op het aanvragen en verstrekken van subsidie op grond van deze regeling is de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS, met uitzondering van de artikelen 3.1., 7.1. en 7.2., van toepassing.

Artikel 3. Doel van de regeling en doelgroep

  • 1. Het doel van deze regeling is om directe en duurzame inzetbaarheid van werkzoekenden en werkenden op de arbeidsmarkt te verbeteren, door scholing via praktijkleren in het mbo in de derde leerweg bij een erkend leerbedrijf te subsidiëren.

  • 2. Onder werkzoekenden en werkenden vallen:

    • a. werknemers die werkloos dreigen te raken maar niet in aanmerking komen voor dienstverlening op grond van artikel 30a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet SUWI;

    • b. personen die in aanmerking komen voor ondersteuning bij arbeidsinschakeling op grond van de artikelen 30a van de Wet SUWI en 73 van de Werkloosheidswet;

    • c. personen die in aanmerking komen voor ondersteuning bij arbeidsinschakeling op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet; of

    • d. personen als bedoeld in de artikelen 38b, eerste en tweede lid, of 38f, vijfde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen.

Artikel 4. Subsidie voor gerealiseerde praktijkplaats

  • 1. De minister kan op aanvraag voor de duur van maximaal 40 weken, gelegen binnen een periode van 40 weken, subsidie verstrekken aan een erkend leerbedrijf voor een student voor scholing via praktijkleren in het mbo, waaraan een praktijkovereenkomst ten grondslag ligt.

  • 2. De periode van 40 weken vangt aan vanaf de startdatum van de praktijkovereenkomst.

Artikel 5. Subsidievoorwaarden voor gerealiseerde praktijkplaats

Subsidie op grond van artikel 4 wordt slechts verstrekt indien:

  • a. de student scholing via praktijkleren in het mbo heeft gevolgd die voldoet aan de eisen in hoofdstuk 7 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

  • b. de verzorging van het onderricht in de praktijk van het beroep voor de student door het erkende leerbedrijf heeft plaatsgevonden op grond van en overeenkomstig een praktijkovereenkomst;

  • c. het erkende leerbedrijf beschikt over een aanwezigheidsadministratie voor de student bij de beroepspraktijkvorming;

  • d. het erkende leerbedrijf beschikt over een administratie waaruit de begeleiding van de student in het kader van de beroepspraktijkvorming blijkt; en

  • e. de opleiding is gestart in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2022.

Artikel 6. Aanvraagtijdvak

Een subsidieaanvraag kan bij de minister worden ingediend in de volgende tijdvakken:

  • a. van 3 januari 2022, 09:00 uur, tot en met 31 januari 2022, 17:00 uur;

  • b. van 1 juni 2022, 09:00 uur, tot en met 30 juni 2022, 17:00 uur;

  • c. van 1 december 2022, 09:00 uur, tot en met 31 december 2022, 17:00 uur;

  • d. van 1 juni 2023, 09:00 uur, tot en met 30 juni 2023, 17:00 uur; en

  • e. van 1 december 2023, 09:00 uur, tot en met 31 december 2023, 17:00 uur

Artikel 7. Subsidieplafond

  • 1. Het subsidieplafond bedraagt:

    • a. € 4.500.000 voor het eerste aanvraagtijdvak;

    • b. € 7.500.000 voor het tweede aanvraagtijdvak;

    • c. € 4.500.000 voor het derde aanvraagtijdvak;

    • d. € 4.500.000 voor het vierde aanvraagtijdvak;

    • e. € 4.500.000 voor het vijfde aanvraagtijdvak.

  • 2. Indien in het eerste, tweede, derde of vierde tijdvak een beschikbaar budget niet geheel wordt verstrekt, kan het resterende bedrag worden doorgeschoven naar het volgende tijdvak.

Artikel 8. Subsidiebedrag

De subsidie betreft een tegemoetkoming voor de door het erkende leerbedrijf gerealiseerde praktijkplaats inzake scholing via praktijkleren in het mbo, naar rato van het aantal weken dat de student bij de beroepspraktijkvorming aanwezig is geweest. Het subsidiebedrag per gerealiseerde praktijkplaats wordt berekend aan de hand van het beschikbare budget voor het desbetreffende aanvraagtijdvak gedeeld door het aantal gerealiseerde praktijkplaatsen dat in aanmerking komt voor subsidie in dat aanvraagtijdvak, met een maximum van € 2.700 per gerealiseerde praktijkplaats.

§ 2. Subsidieaanvraag

Artikel 9. Aanvraagtermijn

  • 1. Een subsidieaanvraag wordt ingediend binnen een jaar na afronding van de gerealiseerde praktijkplaats, waarvoor subsidie wordt gevraagd.

  • 2. In geval het indienen van een subsidieaanvraag op of kort voor de sluitingsdatum van een aanvraagronde langere tijd niet mogelijk is aan de kant van het elektronisch loket, bedoeld in artikel 10, eerste lid, kan de minister met inachtneming van een redelijke termijn een nieuw tijdstip voor uiterste indiening van een subsidieaanvraag bepalen. De minister maakt dit tijdstip bekend op www.rvo.nl.

  • 3. Alleen volledige subsidieaanvragen worden in behandeling genomen. Indien een subsidieaanvraag onvolledig is en de aanvrager op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht1 in de gelegenheid is gesteld zijn subsidieaanvraag aan te vullen, geldt als datum van ontvangst de datum waarop de volledige aanvraag is ontvangen.

Artikel 10. Subsidieaanvraag

  • 1. De subsidieaanvrager dient de subsidieaanvraag in door middel van een elektronisch aanvraagformulier via de website www.rvo.nl/derde-leerweg getekend door een functionaris, bevoegd om namens de subsidieaanvrager te handelen.

  • 2. De subsidieaanvrager voegt bij de subsidieaanvraag per gerealiseerde praktijkplaats toe een praktijkovereenkomst, een aanwezigheidsadministratie en een administratie waaruit de begeleiding van de student in het kader van de beroepspraktijkvorming blijkt.

  • 3. Als de subsidieaanvrager voor dezelfde gerealiseerde praktijkplaats ook subsidie op basis van de Stimuleringsregeling voor leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen en specifiek voor de grootbedrijven in de landbouw-, horeca- of recreatiesector ontvangt, of titel 3.20 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies, vermeldt de subsidieaanvrager dat bij de subsidieaanvraag.

  • 4. Door het indienen van een subsidieaanvraag stemt de subsidieaanvrager ermee in dat het subsidiedossier, met uitzondering van persoonsgegevens, openbaar wordt gemaakt.

§ 3. Vaststellen subsidie

Artikel 11. Weigeringsgronden

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidie in ieder geval geheel of gedeeltelijk worden geweigerd, indien:

  • a. de subsidieaanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde eisen;

  • b. subsidie is of wordt verleend op basis van de Stimuleringsregeling voor leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen en specifiek voor de grootbedrijven in de landbouw-, horeca- of recreatiesector, of titel 3.20 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies, voor dezelfde student en zelfde opleiding.

Artikel 12. Beslistermijn

De minister beslist binnen 13 weken na sluiting van het aanvraagtijdvak op aanvragen voor het betreffende aanvraagtijdvak.

Artikel 13. Bewaartermijnen

Aan de verstrekking van de subsidie is de verplichting verbonden dat de subsidieontvanger de documenten, bedoeld in artikel 5, gedurende vijf jaren bewaart na datum van het vaststellingsbesluit.

§ 4. Mandaatverlening en toezicht

Artikel 14. Mandaatverlening Algemeen directeur RVO

Aan de Algemeen directeur RVO wordt mandaat verleend tot:

  • a. het nemen van besluiten namens de minister op grond van deze regeling;

  • b. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in onderdeel a; en

  • c. het in rechte op te treden en tegen rechterlijke uitspraken hoger beroep in te stellen, dan wel af te zien van hoger beroep.

Artikel 15. Gegevensverwerking ter uitvoering mandaat

  • 1. De minister is verwerkingsverantwoordelijke als bedoeld in artikel 4 van de Algemene verordening gegevensbescherming voor de verwerking van persoonsgegevens op basis van deze regeling.

  • 2. RVO is verwerker voor de verwerking van persoonsgegevens ter uitvoering van de gemandateerde taken, bedoeld in artikel 14.

  • 3. De persoonsgegevens die verwerkt worden ter uitvoering van deze regeling worden niet verder verwerkt voor andere doeleinden.

Artikel 16. Toezicht

Onverminderd het toezicht door de Inspectie van het onderwijs worden de ambtenaren die een aanstelling hebben bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, voor zover zij werkzaamheden verrichten ten behoeve van de uitvoering van deze regeling, belast met het toezicht op de naleving van deze regeling.

§ 5. Slotbepalingen

Artikel 17. Evaluatie van de regeling

  • 1. De minister draagt zorg voor de evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze regeling.

  • 2. De subsidieaanvrager werkt mee aan door of namens de minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor de evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze regeling en de ontwikkeling van het beleid van de minister. De subsidieaanvrager verstrekt in dat kader de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden, niet zijnde persoonsgegevens.

Artikel 18. Inwerkingtreding

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 april 2024.

  • 2. In afwijking van het eerste lid blijft deze regeling van toepassing op de afwikkeling van verleende subsidies op grond van deze regeling.

Artikel 19. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 3 december 2021

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, A.D. Wiersma

TOELICHTING

Doel en doelgroep subsidieregeling

De Subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg is opgesteld als uitvloeisel van het steun- en herstelpakket dat de economische en maatschappelijke gevolgen van het coronavirus beoogt te beperken. De subsidieregeling heeft tot doel de directe en duurzame inzetbaarheid van werkzoekenden en werkenden op de arbeidsmarkt te verbeteren door kortdurende bij- en omscholing via praktijkleren in het mbo in de derde leerweg bij een erkend leerbedrijf te subsidiëren.

Onder de doelgroep vallen:

  • a. werknemers die werkloos dreigen te raken maar niet in aanmerking komen voor dienstverlening op grond van artikel 30a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet SUWI. Dit betekent dat deze werknemers werkloos dreigen te raken over meer dan vier maanden;

  • b. personen die in aanmerking komen voor ondersteuning bij arbeidsinschakeling op grond van de artikelen 30a van de Wet SUWI en 73 van de Werkloosheidswet. Dit omvat werkenden waarbij redelijkerwijs is aan te tonen dat binnen vier maanden hun dienstbetrekking zal beëindigen en redelijkerwijs valt aan te nemen dat zij recht zullen hebben op een werkloosheidsuitkering alsook personen die recht hebben op een werkloosheidsuitkering. Voorts omvat dit onderdeel personen die recht hebben op een uitkering of arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), de Ziektewet (ZW) en Wajongers;

  • c. personen die in aanmerking komen voor ondersteuning bij arbeidsinschakeling op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet;

  • d. personen als bedoeld in artikel 38b, eerste en tweede lid, of artikel 38f, vijfde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen. Dit zijn personen die in de doelgroep tijdelijke impuls banenafspraak vallen.

Wat praktijkleren in het mbo voor werkzoekenden en werkenden inhoudt

Bij praktijkleren in het mbo voor werkzoekenden en werkenden wordt werken bij een bedrijf of organisatie die als erkend leerbedrijf een praktijkplaats biedt, gecombineerd met het doen van (een deel van) een mbo-opleiding. Het kan gaan om een mbo-opleiding:

  • gericht op het behalen van een praktijkverklaring. Dit betreft praktijkleren op maat, waarbij in de praktijk van het leerbedrijf delen (werkprocessen) uit mbo-opleidingen worden geleerd op basis van de mogelijkheden van de student en het bedrijf. De praktijkverklaring, waarin de in het leerbedrijf geleerde werkprocessen zijn vermeld, maakt deel uit van de mbo-verklaring (voor 1 augustus 2021 instellingsverklaring). Als aanvullende lessen of examens zijn behaald, krijgen die ook een plek in de mbo-verklaring;

  • gericht op het behalen van een certificaat. Hierbij doet de student een onderdeel van een mbo-opleiding, waaraan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) een certificaat heeft verbonden vanwege de arbeidsmarktrelevantie voor werkzoekenden en werkenden. Bij een certificaattraject gaat het om uitvoering van een afgerond takenpakket dat deel uitmaakt van een beroep. Dit leert de kandidaat door het uitvoeren van een aantal werkprocessen in het leerbedrijf, aangevuld met bijbehorende lessen en een examen;

  • gericht op het behalen van een diploma. Hierbij gaat het om een mbo-opleiding die kan worden ingekort vanwege opgedane werkervaring en/of een eerder afgeronde opleiding. Bij een diplomagericht traject voert de student werkprocessen uit in het leerbedrijf, aangevuld met relevante lessen en examens.

Deze mbo-opleidingen worden uitgevoerd in de zogenaamde derde leerweg. Deze leerweg wordt niet door het Ministerie van OCW bekostigd en is een aanvulling op de mogelijkheid om een diplomagerichte mbo-opleiding te volgen via de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) of de beroepsopleidende leerweg (bol), waarvoor roc’s, aoc’s en vakinstellingen bekostiging ontvangen van het Ministerie van OCW. De derde leerweg kent, anders dan de andere twee leerwegen in het mbo, geen wettelijk vastgestelde urennorm voor begeleide onderwijstijd en beroepspraktijkvorming. Daarnaast geldt de wettelijke studieduur niet. Ook kan in de derde leerweg een deel van een mbo-opleiding worden gedaan. Door deze kenmerken biedt de derde leerweg meer mogelijkheden voor maatwerk, wat juist voor werkzoekenden en werkenden waardevol is.

Meerwaarde praktijkleren in het mbo voor werkzoekenden en werkenden

Praktijkleren in het mbo:

  • a. past goed bij mensen die praktisch zijn ingesteld en biedt daarmee ook goede mogelijkheden voor bij- en omscholing van laagopgeleide mensen. Dit zijn tevens de mensen die door de coronacrisis relatief hard geraakt zijn;

  • b. leidt gericht op voor een (deel van een) beroep en draagt zodoende bij aan het omscholingsvraagstuk, dat mede door de coronacrisis is ingegeven;

  • c. kent, omdat scholing gecombineerd wordt met werken, geen ‘lock-in-effect’ (als je scholing volgt, zoek je niet naar werk, wat leidt tot een langere uitkeringsduur);

  • d. is gestoeld op een landelijke infrastructuur, waarbij gebruik kan worden gemaakt van meer dan 400 mbo-opleidingen en 250.000 erkende leerbedrijven met door het Ministerie van OCW vastgestelde waarborgen voor kwaliteit;

  • e. biedt de mogelijkheid tot modulair opleiden; en

  • f. resulteert in documenten die herkenbaar zijn voor zowel werkgevers als onderwijsinstellingen, wat arbeidstoeleiding, overstappen naar een andere sector en doorontwikkeling op een later moment ten goede komt (civiele waarde voor de arbeidsmarkt).

De subsidie

De subsidie die met onderhavige regeling wordt verstrekt, is een tegemoetkoming in de kosten van het bedrijf of de organisatie voor het als erkend leerbedrijf realiseren van een praktijkplaats. Denk hierbij aan kosten voor begeleiding, de verminderde arbeidsproductiviteit van de kandidaat die nog in opleiding is en eventuele verletkosten als sprake is van aanvullende lessen of examens die elders plaatsvinden. Om een praktijkplaats te kunnen bieden dient het bedrijf of de organisatie door de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) erkend te zijn als leerbedrijf voor (het deel van) de mbo-opleiding dat de kandidaat gaat doen.

De subsidie is niet bedoeld om de kosten van de mbo-instelling voor de uitvoering van de mbo-opleiding te vergoeden.

Voorwaarden voor subsidiëring

Voorwaarde voor het verstrekken van de vergoeding aan het bedrijf of de organisatie voor het als erkend leerbedrijf realiseren van een praktijkplaats, is dat er sprake is van een praktijkovereenkomst (POK) en dat de opleiding moet zijn aangevangen in de periode vanaf 1 januari 2021 tot en met 31 december 2022. In de POK worden afspraken gemaakt tussen de mbo-instelling, het erkend leerbedrijf die een praktijkplaats realiseert en de student (kandidaat) over de inrichting van de beroepspraktijkvorming.

De duur van de opleiding waarvoor een vergoeding wordt verstrekt, is gemaximeerd op 40 weken vanaf de startdatum zoals opgenomen in de praktijkovereenkomst. Geen vergoeding wordt verstrekt aan het erkende leerbedrijf als een kandidaat een hele kalenderweek niet aanwezig is op de praktijkplaats. Voor het realiseren van een praktijkleerplaats van 40 weken kan het erkende leerbedrijf een vergoeding van maximaal € 2.700 krijgen. Als de kandidaat minder dan 40 weken aanwezig is geweest op de praktijkplaats, wordt de hoogte van de vergoeding naar rato vastgesteld. Indien een langere duur van de mbo-opleiding gewenst is, kan dit worden afgesproken in de POK, maar kunnen de kosten gemoeid met de langere duur van de opleiding niet gefinancierd worden uit de middelen voor praktijkleren in het mbo uit het steun- en herstelpakket.

Voor het realiseren van een praktijkplaats waar een kandidaat een (deel van een) mbo-opleiding doet in de derde leerweg, kan het erkende leerbedrijf eenmalig subsidie ontvangen. Omdat de Stimuleringsregeling voor leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen en specifiek voor de grootbedrijven in de landbouw-, horeca- of recreatiesector (SLIM-regeling) ook voorziet in subsidie voor praktijkleren in het mbo in de derde leerweg, is bepaald dat een subsidieaanvraag wordt afgewezen indien voor eenzelfde gerealiseerde praktijkplaats en kandidaat reeds subsidie is verleend op basis van de SLIM-regeling. Titel 3.20 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (ook wel de regeling omscholing naar kansrijke beroepen in de ict en techniek) voorziet in een subsidie die, in het geval van een overstap naar een ander beroepssegment en daadwerkelijke omscholing, ook ingezet kan worden voor een mbo-opleiding in de derde leerweg en de praktijkondersteuning die een (leer)bedrijf biedt. Daarom is bepaald dat een subsidieaanvraag wordt afgewezen indien voor hetzelfde omscholingstraject en voor dezelfde kandidaat/werknemer reeds subsidie is verleend op basis van titel 3.20 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies.

Gegevensverwerking

Op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), is de verwerking van persoonsgegevens rechtmatig indien het noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen. In het kader van deze regeling heeft de Minister van SZW dergelijke taken van algemeen belang. Uit artikel 3, derde en vierde lid van de Kaderwet SZW-subsidies volgt dat deze taken bij de minister zijn belegd. Artikel 3, derde en vierde lid, van de Kaderwet SZW-subsidies vormt daarmee de grondslag van de gegevensverwerking.

De uitvoering van deze taken is gemandateerd aan Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (RVO). RVO verwerkt alle persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taken in dit kader als verwerker, ten behoeve van de minister als verwerkingsverantwoordelijke. Hieruit volgt dat RVO gebonden is aan de wettelijke grondslagen voor de rechtmatige verwerking van persoonsgegevens die gelden voor de Minister van SZW. De verwerking door RVO wordt uitgewerkt in verwerkersafspraken, op grond van artikel 28, derde lid, Algemene verordening gegevensbescherming.

De volgende categorieën persoonsgegevens worden door RVO verwerkt:

  • Wettelijk identificatienummer (zoals burgerservicenummer of onderwijsnummer student);

  • Identificatiegegevens (zoals naam student, naam leerbedrijf en naam contactpersoon leerbedrijf);

  • Contactgegevens (zoals telefoonnummer en e-mailadres contactpersoon leerbedrijf);

  • Adresgegevens (zoals correspondentie- en vestigingsadres leerbedrijf);

  • Financiële gegevens (zoals IBAN en BIC leerbedrijf);

  • Bedrijfsgegevens (zoals Kamer van Koophandel nummer);

  • Gegevens praktijkplaats (zoals Crebo, betrokken onderwijsinstelling, start- en einddatum beroepspraktijkvorming en aantal weken begeleiding).

Onder deze persoonsgegevens valt het burgerservicenummer, evenals de geslachtsnaam van de student. Verdere gegevens zien op de inschrijving en het onderwijs.

Onderhavige subsidieregeling is een persoonsgebonden subsidie. Een erkend leerbedrijf kan subsidie aanvragen na afloop van het opleidingstraject: de prestatie is geleverd. De gegevensverwerking is noodzakelijk om de rechtmatigheid van de subsidieaanvraag te kunnen beoordelen en zodoende de juiste subsidie te kunnen verstrekken aan de subsidieaanvrager. Omdat de subsidie is gekoppeld aan een specifieke opleiding (leerweg) in combinatie met een specifieke praktijkplaats voor een specifieke student, zijn persoonsgegevens van deze student benodigd. Verwerkt worden persoonsgegevens benodigd voor de beoordeling van de praktijkplaats in combinatie met het erkende leerbedrijf. Alleen gegevens nodig ter identificatie van de leerweg, de praktijkplaats en het leerbedrijf, gegevens benodigd voor communicatie met het leerbedrijf en gegevens benodigd voor de uitbetaling van de subsidie worden verwerkt.

De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) heeft op 17 juni 2021 een advies uitgebracht op de regeling. Daaruit volgt een aantal opmerkingen. In de eerste plaats is geadviseerd de algemene toelichting rondom gegevensverwerking aan te vullen op de punten grondslag, noodzaak en dataminimalisatie. In de tweede plaats is de wenselijkheid aangegeven van het opnemen van bewaartermijnen van persoonsgegevens voor de subsidieontvanger en RVO. Tot slot heeft de AP geadviseerd in de toelichting bij artikel 17 over evaluatie van de regeling ook op te nemen om welke persoonsgegevens het gaat en wat de noodzaak van verwerking is. Alle drie adviezen van de AP zijn in de regeling verwerkt, alleen de bewaartermijnen voor RVO zijn niet in onderhavige regeling opgenomen omdat dit is geregeld in de Archiefwet.

Staatssteun

De begunstigde is een erkend leerbedrijf als bedoeld in artikel 7.2.10. van de Wet educatie en beroepsonderwijs. De begunstigde is dus een onderneming. Met de subsidieverlening wordt beoogd dat bedrijven zich als leerbedrijf inzetten om de directe en duurzame inzetbaarheid van werkzoekenden en werkenden op de arbeidsmarkt te verbeteren. De subsidie is een tegemoetkoming in de kosten voor het als erkend leerbedrijf realiseren van een praktijkplaats. Denk hierbij aan kosten voor begeleiding, de verminderde arbeidsproductiviteit van de kandidaat die nog in opleiding is en verletkosten. De subsidie bedraagt voor de maximum looptijd (40 weken) maximaal 2.700 euro per student. Het traject wordt afgesloten met een certificaat. De kosten worden naar rato van het aantal weken waarin het onderwijs in de praktijk plaatsvond berekend. Voor praktijkleren in de derde leerweg wordt vanuit OCW geen kostenvergoeding aan de leerbedrijven verstrekt. Door via subsidieverlening een deel van de kosten van een erkend leerbedrijf te vergoeden, wordt beoogd dat meer bedrijven erkenning aanvragen om als leerbedrijf voor deze doelgroep te dienen.

Nu de kosten van een leerbedrijf bij lange na niet door de subsidie worden gedekt, is er geen sprake van verstoring van de mededinging. Ook wordt de handel tussen de lidstaten door deze subsidieregeling niet negatief beïnvloed.

Regeldruk

Bij de regeling wordt uitgegaan van documenten die al op grond van andere verplichtingen tot stand moeten worden gebracht. De praktijkovereenkomst is verplicht op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs voor de verzorging van de beroepspraktijkvorming door een bedrijf of organisatie die erkend leerbedrijf is. Uit de overeenkomst volgt dat de student bepaalde vaardigheden leert. Een werkgever verzorgt dit en de mbo-instelling moet hierop toezien. Ook het vragen van een administratie van de begeleiding betreft geen nieuwe verplichting. Immers voor de beoordeling door de mbo-instelling of de student zijn praktijkdeel heeft behaald, gaat deze te rade bij de werkgever.

De administratieve lasten zitten daarom in het indienen van de subsidieaanvraag zelf. Voor de indiening van de aanvraag is een digitaal portaal beschikbaar, waar een werkgever door het proces van indienen wordt geleid. De administratieve lasten per aanvraag worden geschat op € 7,85; 10 minuten vermenigvuldigd met een vaststaand uurtarief per werkgever (€ 47). De totale lasten van de regeling komen daarmee op € 157.000, uitgaande van 20.000 praktijkplaatsen waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het wel gevolgen voor de regeldruk heeft, maar deze in de toelichting toereikend in beeld zijn gebracht.

Artikelsgewijs

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

De meeste begrippen in deze regeling spreken voor zich. Enkele bepalingen worden hieronder nog nader toegelicht.

eerste, tweede, derde, vierde en vijfde aanvraagtijdvak: de vijf aanvraagtijdvakken die deze regeling kent. Binnen deze tijdvakken kan de subsidieaanvrager een subsidieaanvraag indienen voor een gerealiseerde praktijkplaats. Zie hierover meer in de toelichting op artikel 9.

erkend leerbedrijf: de subsidieaanvrager is een voor de opleiding erkend leerbedrijf. Een bedrijf of organisatie mag de beroepspraktijkvorming (het praktijkgedeelte van een mbo-opleiding) voor een student verzorgen als hij voor deze opleiding erkend is als leerbedrijf. De Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs en Bedrijfsleven (SBB) verleent de erkenning als leerbedrijf, als het bedrijf of de organisatie aan een aantal voorwaarden voldoet. De erkenning wordt verleend per opleiding.

scholing via praktijkleren in het mbo: onder scholing via praktijkleren in het mbo wordt verstaan een beroepsopleiding in de derde leerweg als bedoeld in artikel 1.4.1., lid 1a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB), waarbij sprake is van beroepspraktijkvorming waarvoor een erkend leerbedrijf als bedoeld in artikel 7.2.10. WEB een praktijkplaats realiseert, gericht op het behalen van een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6. WEB, een certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3. WEB, of een mbo-verklaring als bedoeld in artikel 7.4.6.a WEB, vóór 1 augustus 2021 genaamd instellingsverklaring.

Voor laatstgenoemd document maakt de mbo-instelling gebruik van het model voor de mbo-verklaring zoals die per 1 augustus 2021 in werking is getreden. Dit model is opgenomen in de Regeling modellen voor mbo-diploma, mbo-certificaat en mbo-verklaring, ter vervanging van de huidige voorschriften voor de instellingsverklaring, die onderwijsinstellingen op grond van artikel 7.4.6.a WEB aan de deelnemer kan uitreiken als een mbo-opleiding zonder diploma of certificaat wordt afgerond. In het model van de mbo-verklaring zijn voorschriften voor een praktijkverklaring opgenomen. Indien de praktijkovereenkomst is aangegaan vóór 1 augustus 2021, kan ook worden volstaan met een instellingsverklaring.

praktijkovereenkomst: over een praktijkovereenkomst wordt in deze regeling gesproken als sprake is van een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8., tweede lid, WEB. Het betreft de overeenkomst op basis waarvan de student zijn praktijkdeel van een beroepsopleiding verricht onder verantwoordelijkheid van een bedrijf of organisatie. Van een praktijkovereenkomst in deze regeling is alleen sprake als deze overeenkomst voldoet aan de desbetreffende eisen in de Wet educatie en beroepsonderwijs.

praktijkplaats: onder dit begrip wordt de tijdsduur verstaan dat een student door een voor de opleiding erkend leerbedrijf onderricht in de praktijk van het beroep ontvangt op grond van een praktijkovereenkomst.

gerealiseerde praktijkplaats: in deze regeling wordt subsidie verstrekt voor een gerealiseerde praktijkplaats, waarbij voor maximaal 40 aaneengesloten weken vanaf de startdatum zoals opgenomen in de praktijkovereenkomst subsidie kan worden ontvangen. Het voor de opleiding erkende leerbedrijf wordt voor zijn daadwerkelijke inspanningen beloond. Elke week minder begeleiding, om welke reden dan ook, betekent een naar verhouding kleinere vergoeding. Zie hierover meer in de toelichting op artikel 4.

Artikel 2. Inleidende bepalingen

In het eerste lid is geregeld dat de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (Kaderregeling) van toepassing is. Uitgezonderd zijn de artikelen 3.1., 7.1. en 7.2. van de Kaderregeling. Dit betekent dat de bepalingen als weergegeven in deze regeling een aanvulling zijn op de Kaderregeling, met uitzondering van de artikelen 3.1., 7.1. en 7.2. van de Kaderregeling.

In de artikelen 3.1. en 7.1. van de Kaderregeling is bepaald dat voor een subsidieaanvraag tot verlening van een subsidie een door de minister vastgesteld modelformulier wordt gebruikt dat bekend is gemaakt op de website www.rijksoverheid.nl. Voor een subsidieaanvraag onder deze regeling is dat niet aan de orde, nu de subsidieaanvraag geschiedt middels een elektronisch aanvraagformulier dat beschikbaar is gesteld op www.rvo.nl/derde-leerweg.

Op grond van artikel 7.2. van de Kaderregeling dient een aanvraag voor subsidie te worden ingediend binnen 22 weken nadat de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, zijn verricht. Aangezien 22 weken een te korte termijn kan zijn met het oog op de aanvraagtijdvakken, is dit artikel uitgezonderd. In artikel 9 is bepaald dat de subsidieaanvraag wordt ingediend binnen een jaar na afronding van de beroepsopleiding in de derde leerweg of een deel daarvan.

Artikel 3. Doel van de regeling

Het doel van deze regeling is om de directe en duurzame inzetbaarheid van werkzoekenden en werkenden op de arbeidsmarkt te verbeteren. Om dat doel te bereiken wordt scholing via praktijkleren in het mbo in de derde leerweg bij een voor de opleiding erkend leerbedrijf gesubsidieerd.

De subsidie is een vergoeding voor de kosten die een erkend leerbedrijf maakt voor het realiseren van een praktijkplaats. Denk hierbij aan kosten van begeleiding van de student in de praktijk van het beroep, de verminderde arbeidsproductiviteit van de kandidaat die nog in opleiding is en eventuele verletkosten als sprake is van aanvullende lessen of examens die elders plaatsvinden. De begeleidingskosten kunnen onder andere bestaan uit materiaalkosten en kosten van in te zetten medewerkers als praktijkopleiders.

In het tweede lid is de doelgroep uitgewerkt. Zie hierover meer in de algemene toelichting onder ’Doel en doelgroep subsidieregeling’.

Artikel 4. Subsidie voor gerealiseerde praktijkplaats

Subsidie kan worden verstrekt aan een voor de opleiding erkend leerbedrijf voor het bieden van scholing via praktijkleren in het mbo, waaraan een praktijkovereenkomst ten grondslag ligt. De subsidie voor deze scholing wordt verstrekt binnen een periode van 40 aaneengesloten weken gerekend vanaf de startdatum zoals opgenomen in de praktijkovereenkomst, voor de maximale duur van 40 weken.

De vergoeding wordt verstrekt voor de weken waarin een student daadwerkelijk beroepspraktijkvorming heeft gevolgd bij het erkende leerbedrijf. Als een student slechts een deel van de week aanwezig is geweest, bijvoorbeeld één dag(deel), dan kan ook voor deze week subsidie worden ontvangen. Weken, die vallen binnen de periode van de gerealiseerde praktijkplaats, waarin de student in het geheel niet aanwezig is geweest bij het erkende leerbedrijf wegens bijvoorbeeld verlof of ziekte, komen niet in aanmerking voor subsidie.

Ter illustratie, een erkend leerbedrijf heeft met een student en een onderwijsinstelling een praktijkovereenkomst gesloten, waarbij is overeengekomen dat de student 20 weken onderricht in de praktijk krijgt bij het erkende leerbedrijf in het kader van een beroepsopleiding in de derde leerweg. De student is gedurende de looptijd van de praktijkplaats twee gehele weken ziek. Het erkende leerbedrijf kan dan na afloop van de praktijkplaats voor 18 weken subsidie ontvangen.

De praktijkplaats mag wel langer dan 40 weken worden geboden, echter komt de duur na afloop van de eerste aaneengesloten 40 weken, niet voor subsidie in aanmerking. Dit brengt met zich dat de praktijkovereenkomst ook voor een langere duur dan 40 weken mag worden afgesloten.

Ter illustratie, indien een praktijkplaats een duur kent van 50 weken (afgesproken in de praktijkovereenkomst) en de student halverwege deze 50 weken 4 gehele weken afwezig is in verband met bijvoorbeeld verlof of ziekte, dan kan er voor maximaal 36 weken subsidie worden verstrekt. Binnen de periode van de eerste 40 aaneengesloten weken van de praktijkplaats, van de 50 weken dat de praktijkplaats in totaliteit duurt, is de student namelijk 36 weken aanwezig geweest bij het erkende leerbedrijf.

Artikel 5. Subsidievoorwaarden voor gerealiseerde praktijkplaats

In dit artikel zijn de voorwaarden weergegeven om voor subsidie in aanmerking te komen. Het moet daarbij gaan om een beroepsopleiding die voldoet aan de eisen in hoofdstuk 7 WEB en de beroepsopleiding dient in de derde leerweg te worden uitgevoerd. De gerealiseerde praktijkplaats moet worden geboden door een voor deze opleiding erkend leerbedrijf. Aan de gerealiseerde praktijkplaats moet een praktijkovereenkomst ten grondslag liggen. Voorts moet het onderwijs zijn gestart in de periode vanaf 1 januari 2021 tot en met 31 december 2022. Het erkend leerbedrijf dient overeenkomstig de praktijkovereenkomst de begeleiding te verzorgen. Om het toezicht mogelijk te maken, zijn er ook administratievoorwaarden gesteld ten aanzien van de begeleiding en de aanwezigheid van de student bij het erkende leerbedrijf voor de uitoefening van de beroepspraktijkvorming. Het erkend leerbedrijf kan hiervoor gebruik maken van formulieren die beschikbaar worden gesteld op de site www.rvo.nl/derde-leerweg.

Artikel 6. Aanvraagtijdvak

In artikel 6 zijn de tijdvakken gegeven waarbinnen een erkend leerbedrijf een subsidieaanvraag kan indienen. Indien een subsidieaanvraag buiten deze periodes valt, zal deze worden afgewezen. Wel kan er een nieuwe subsidieaanvraag worden ingediend voor het eerstvolgende aanvraagtijdvak. De subsidieaanvraag kan pas worden ingediend nadat de praktijkplaats is afgerond (zie artikel 9).

Artikel 7. Subsidieplafond

In artikel 7 zijn de subsidieplafonds per aanvraagtijdvak weergegeven. Het tweede lid bepaalt dat indien blijkt dat het subsidieplafond van een aanvraagtijdvak niet volledig is benut, het resterende bedrag kan worden doorgeschoven naar het volgende tijdvak.

Artikel 8. Subsidiebedrag

In dit artikel is de hoogte van het subsidiebedrag geregeld. Er is voor gekozen om aan alle aanvragers die voldoen aan de voorwaarden, subsidie te verstrekken. Het subsidiebedrag per gerealiseerde praktijkplaats wordt berekend door het voor het aanvraagtijdvak beschikbare subsidieplafond te delen door het totaal aan gerealiseerde praktijkplaatsen die in aanmerking komen voor subsidie in het betreffende aanvraagtijdvak. Het normbedrag dat daaruit volgt, bedraagt ten hoogste € 2.700. De berekening wordt dan als volgt: € 2.700 / 40 weken, maal het aantal weken dat een student daadwerkelijk bij de beroepspraktijkvorming aanwezig is geweest.

Het totaal aan gerealiseerde praktijkplaatsen is een optelsom die volgt uit de ingediende aanvragen in het aanvraagtijdvak. Uit de berekening van een gerealiseerde praktijkplaats volgt dat dit geen volledige praktijkplaatsen hoeven te zijn. Bij begeleiding van 20 weken van een student is bijvoorbeeld sprake van 0,5 gerealiseerde praktijkleerplaats. Als het normbedrag vervolgens op € 2.500 uitkomt dan ontvangt het erkende leerbedrijf voor de begeleiding van die student dus € 1.250.

§ 2. Subsidieaanvraag

Artikel 9. Aanvraagtermijn

Uit het eerste lid van artikel 9 volgt dat de subsidieaanvraag pas kan worden ingediend nadat de praktijkplaats is afgerond. Een aanvraag kan worden ingediend in de in artikel 6 bepaalde tijdvakken. Een praktijkplaats is afgerond na voltooiing van de praktijkplaats, nadat de eerste 40 aaneengesloten weken van de praktijkplaats zijn verstreken in het geval de praktijkplaats langer dan 40 aaneengesloten weken duurt, maar ook indien de praktijkplaats voortijdig is beëindigd door toedoen van de student. De subsidie kan in dat laatste geval worden aangevraagd voor de weken dat het erkende leerbedrijf de student daadwerkelijk heeft begeleid bij het onderricht in de praktijk van het beroep.

Aanvragen worden elektronisch ingediend via een elektronisch aanvraagloket. Als zich kort voor of op de sluitingsdatum voor het indienen van de subsidieaanvraag ernstige calamiteiten voordoen bij het elektronisch loket, kan de minister bepalen dat de termijn voor het indienen wordt verlengd. De minister maakt terughoudend gebruik van deze mogelijkheid: alleen bij ernstige verstoringen in het elektronisch loket op een cruciaal tijdstip en voor langere duur, kan er aanleiding zijn de indieningsperiode met één of enkele dagen te verlengen. Calamiteiten die optreden in de elektronische of internetinfrastructuur bij een subsidieaanvrager of bij derden die de aanvraag namens de subsidieaanvrager indienen, vallen buiten de reikwijdte van deze bepaling.

Artikel 10. Subsidieaanvraag

Dit artikel regelt de in te dienen stukken bij een subsidieaanvraag. Een subsidieaanvraag wordt ingediend door het invullen van een aanvraagformulier, dat beschikbaar wordt gesteld op elektronisch aanvraagformulier dat beschikbaar is gesteld op www.rvo.nl/derde-leerweg. In het aanvraagformulier wordt naast feitelijke gegevens onder meer gevraagd of voor dezelfde gerealiseerde praktijkplaats subsidie is aangevraagd voor de SLIM-regeling, of titel 3.20 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies, en wat de status van de eventuele aanvraag is.

De aanvrager dient ter onderbouwing van de aanvraag een aantal documenten bij te voegen bij de aanvraag. Het gaat hierbij om de praktijkovereenkomst, een administratie waaruit de aanwezigheid blijkt van de begeleide student bij het erkende leerbedrijf voor het onderricht in de praktijk van het beroep in de weken waarvoor subsidie wordt gevraagd en een administratie waaruit de begeleiding bij het onderricht in de praktijk van het beroep van de student blijkt die is verzorgd door het erkende leerbedrijf. Het erkend leerbedrijf kan voor de administratieve verplichtingen gebruik maken van formulieren die beschikbaar worden gesteld op de site www.rvo.nl/derde-leerweg.

§ 3. Vaststellen subsidie

Artikel 11. Weigeringsgronden

De weigeringsgronden als weergegeven in artikel 10 moeten ruim worden uitgelegd.

Omdat de SLIM-regeling en titel 3.20 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies, ook voorziet in subsidie voor praktijkleren in het mbo in de derde leerweg, is onder onderdeel b bepaald dat een subsidieaanvraag wordt afgewezen indien voor eenzelfde gerealiseerde praktijkplaats en student reeds subsidie is of wordt verleend op basis van de SLIM-regeling of titel 3.20 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies. Een erkend leerbedrijf zal in geval van het aanvragen van een subsidie voor praktijkleren in het mbo in de derde leerweg een keuze moeten maken tussen de onderhavige regeling of de SLIM-regeling, dan wel de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies. Het is wel mogelijk om naast deze regeling subsidie te ontvangen op grond van de SLIM-regeling voor initiatieven als genoemd onder artikel 4, eerste lid, onderdeel a, b en c, van de SLIM-regeling en op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies, niet vallend onder titel 3.20.

Artikel 12. Beslistermijn

Dit artikel regelt wanneer er op de subsidieaanvraag wordt beslist. De uiterste beslisdatum is 13 weken na sluiting van het aanvraagtijdvak. De beslissing is direct de vaststelling van de subsidie. Betaling volgt binnen 14 dagen na dagtekening van een positief besluit op de subsidieaanvraag.

Artikel 13. Bewaartermijnen

Dit artikel regelt dat de subsidieontvanger de documenten, die in het kader van een subsidieaanvraag opgevraagd kunnen worden, gedurende vijf jaar na het subsidievaststellingsbesluit bewaart. Deze bewaarverplichting houdt verband met controles die na subsidieverstrekking in het kader van toezicht en handhaving naar aanleiding van eventuele M&O signalen en meldingen kunnen worden verricht. Om deze effectief te kunnen uitvoeren is het van belang dat de documenten nog aanwezig zijn bij de subsidieontvanger. Omdat de controle binnen een periode van vijf jaar na de subsidieverstrekking plaatsvindt, geldt de bewaarplicht voor de subsidieontvanger gedurende vijf jaar. De gegevens worden met deze bewaartermijn niet langer verwerkt dan noodzakelijk.

§ 4. Mandaatverlening en toezicht

Artikel 14. Mandaatverlening Algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

Aan de Algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat wordt mandaat verleend om namens de minister besluiten op grond van deze regeling te nemen. Op deze wijze kan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat de regeling uitvoeren.

Artikel 15. Gegevensverwerking ter uitvoering mandaat

Op grond van dit artikel kunnen op verzoek van RVO gegevens worden uitgewisseld tussen de directie Uitvoering van Beleid (UVB) van het Ministerie Sociale Zaken en Werkgelegenheid en RVO. De gegevensuitwisseling zal in dat geval zien op het verstrekken van informatie over de samenloop van subsidie op grond van deze regeling en subsidie op grond van de SLIM-regeling. Meer specifiek zal het dan gaan om een overzicht van erkend leerbedrijven die op grond van de SLIM-regeling subsidie hebben ontvangen en voor welke studenten. Om te kunnen controleren of de subsidie op grond van de SLIM-regeling ziet op praktijkplaatsen voor dezelfde studenten als waarvoor onder de huidige regeling subsidie wordt aangevraagd, is uitwisseling van burgerservicenummers noodzakelijk. De wettelijke grondslag hiervoor is artikel 10 van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer. Uitwisseling van deze gegevens zal op verzoek van RVO geschieden.

Artikel 16. Toezicht

Ten behoeve van de handhaving van hetgeen bepaald is in deze regeling, worden de personen bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat die werkzaam zijn in het kader van deze regeling belast met het toezicht. Dit maakt het voor deze personen mogelijk om namens de minister te controleren of aanvragen naar waarheid zijn ingevuld.

§ 5. Slotbepalingen

Artikel 17. Evaluatie van de regeling

Dit artikel ziet op de evaluatie van de regeling. In dat kader verstrekt de subsidieaanvrager benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden. Het gaat daarbij niet om persoonsgegevens.

Artikel 18. Inwerkingtreding

Om duidelijkheid te verschaffen over de mogelijkheid van het verkrijgen van subsidies voor scholing via praktijkleren in het mbo, treedt de regeling in werking de dag na uitgifte in de Staatscourant.

De regeling vervalt met ingang van 1 april 2024, met dien verstande dat deze regeling van toepassing blijft op een subsidie die krachtens deze regeling is verstrekt.

Artikel 19. Citeertitel

Deze regeling wordt ook wel aangehaald als: Subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg.

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, A.D. Wiersma

Naar boven