Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 november 2021, nr. MBO/27198599, houdende wijziging van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo en de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022 in verband met de invoering van mogelijkheden voor afwijking van subsidieverplichtingen vanwege COVID-19 en enkele technische wijzigingen

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 2.2.3, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

Besluit:

ARTIKEL I. WIJZIGING REGELING REGIONAAL INVESTERINGSFONDS MBO

De Regeling regionaal investeringsfonds mbo wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 26, vierde lid, wordt de zinsnede ‘tezamen met de jaarverslaggeving, bedoeld in het eerste lid,’ vervangen door ‘binnen tien weken na afloop van de subsidieperiode’.

B

In artikel 27, eerste lid, wordt de zinsnede ‘, postbus 16006, 2500 BA, Den Haag’ vervangen door ‘via het e-mailadres ocwsubsidies@minvws.nl’.

C

Artikel 29a komt te luiden:

Artikel 29a. Afwijkingen subsidieverplichtingen wegens COVID-19

  • 1. Indien het bevoegd gezag van de onderwijsinstelling, bedoeld in artikel 8, eerste lid, gedurende de projectperiode aannemelijk maakt dat zij door de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan redelijkerwijs niet in staat zal zijn om aan alle subsidieverplichtingen voortvloeiend uit deze regeling te voldoen, kan de Minister op verzoek van dat bevoegd gezag besluiten:

    • a. de subsidieperiode als bedoeld in artikel 11, derde of vierde lid, te verlengen tot in totaal maximaal zes jaar; of

    • b. de subsidieverlening tussentijds te beëindigen zonder daarbij subsidie terug te vorderen wegens het niet voldoen aan de cofinancieringseisen, bedoeld in artikel 10, tweede tot en met vierde lid, mits het bevoegd gezag verwacht de cofinanciering zoals begroot in de laatst goedgekeurde meerjarenbegroting niet daadwerkelijk te kunnen realiseren en daarvoor ook geen gebruik te kunnen maken van de mogelijkheden als bedoeld in het derde lid, een en ander onverminderd artikel 6, tweede lid.

  • 2. De Minister neemt binnen acht weken een besluit op een verzoek als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Indien het bevoegd gezag van de onderwijsinstelling, bedoeld in artikel 8, eerste lid, na afloop van de projectperiode aannemelijk maakt dat zij door de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan redelijkerwijs niet in staat is geweest om aan alle subsidieverplichtingen voortvloeiend uit deze regeling te voldoen, kan de Minister op verzoek van dat bevoegd gezag besluiten:

    • a. toe te staan dat de daadwerkelijk gerealiseerde cofinanciering niet voldoet aan de vereiste cofinancieringsverhoudingen tussen de partijen als bedoeld in artikel 10, derde lid, en de partijen als bedoeld in artikel 10, vierde lid, mits het bevoegd gezag alsmede de partijen als bedoeld in artikel 9, derde lid, onder a, f en g, hier geen bekostiging uit ’s Rijks kas voor hebben aangewend; of

    • b. toe te staan dat de daadwerkelijk gerealiseerde cofinanciering niet voldoet aan de vereiste omvang van ten minste twee derde deel van de laatst goedgekeurde meerjarenbegroting, bedoeld in artikel 10, tweede tot en met vierde lid, mits de gerealiseerde cofinanciering wel ten minste een derde deel van die begroting bedraagt.

  • 4. Een verzoek als bedoeld in het derde lid dient binnen de periode als bedoeld in artikel 26, vierde lid, te worden ingediend. De Minister neemt binnen tien weken een besluit op dit verzoek.

  • 5. De Minister kan tevens ambtshalve besluiten tot tussentijdse beëindiging van de subsidieverlening, bedoeld in het eerste lid, onder b.

D

Na artikel 29a wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 29b. Aanvullingen subsidieverplichtingen wegens COVID-19

  • 1. Indien de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan grote invloed op de voortgang van het project heeft, beschrijft het bevoegd gezag van de onderwijsinstelling, bedoeld in artikel 8, eerste lid, in aanvulling op de onderdelen genoemd in artikel 25, tweede lid, in de voortgangsrapportage waaruit die invloed bestaat, welke maatregelen zijn of worden genomen om een goede voortgang desondanks zoveel mogelijk te waarborgen en eventueel welke onzekerheden er daarbij zijn. Het bevoegd gezag kan daarbij een verzoek doen als bedoeld in artikel 29a, eerste lid.

  • 2. Naar aanleiding van een beschrijving als bedoeld in het eerste lid, kan de Minister een termijn stellen waarbinnen de voortgangsrapportage moet worden aangepast of aangevuld of waarbinnen de Minister over de nadere ontwikkelingen rondom COVID-19 moet worden geïnformeerd.

  • 3. Indien de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan grote invloed op de doelrealisatie van het project heeft gehad, beschrijft het bevoegd gezag van de onderwijsinstelling, bedoeld in artikel 8, eerste lid, in aanvulling op de onderdelen genoemd in artikel 25, derde lid, en 26, derde lid, in de eindrapportage waaruit die invloed heeft bestaan en welke maatregelen zijn genomen om een goede doelrealisatie desondanks zoveel mogelijk te waarborgen. Het bevoegd gezag kan daarbij een verzoek doen als bedoeld in artikel 29a, derde lid.

ARTIKEL II. WIJZIGING REGELING REGIONAAL INVESTERINGSFONDS MBO 2019–2022

De Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid wordt na de zinsnede ‘van vier of vijf kalenderjaren’ een zinsnede toegevoegd, luidende: ‘, gerekend vanaf de start van het project’.

2. In het vijfde lid komt de zinsnede ‘, derde lid,’ te vervallen.

B

In artikel 8, eerste lid, onder a, wordt ‘aangevraagd’ vervangen door ‘verstrekt’.

C

Artikel 10, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel d wordt na de zinsnede ‘bedoeld in artikel 13, vierde lid,’ een zinsnede toegevoegd, luidende: ‘ en bedoeld in onderdeel a,’.

2. In onderdeel e wordt ‘een onderwijsinstelling’ vervangen door ‘de aanvragende onderwijsinstelling’.

D

Aan artikel 17, vijfde lid, wordt een zin toegevoegd, luidende:

Kosten voor de inzet van vrijwilligers worden niet als personeelskosten aangemerkt.

E

Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vijfde lid komt te luiden:

  • 5. De voortgangsrapportage wordt ingediend uiterlijk zes weken voor de helft van de subsidieperiode. DUS-I kan in overleg met de onderwijsinstelling een eerder of later indieningstijdstip bepalen. Het indieningstijdstip wordt opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening.

2. In het zesde lid komt de zin ‘In de beschikking tot subsidieverlening wordt voor een project de periode van de tussentijdse beoordeling opgenomen.’ te vervallen.

F

Artikel 28, vijfde lid, komt te luiden:

Indien de onderwijsinstelling de voortgangsrapportage niet uiterlijk op het indieningstijdstip, bedoeld in artikel 19, vijfde lid, indient, wordt de subsidieverlening ten nadele van de onderwijsinstelling gewijzigd. Voorafgaand aan de wijziging van de subsidieverlening wordt de betaling van het in artikel 31, eerste lid, bedoelde voorschot geheel of gedeeltelijk opgeschort.

G

In artikel 29, vierde lid, wordt de zinsnede ‘tezamen met de jaarverslaggeving, bedoeld in het eerste lid,’ vervangen door ‘binnen tien weken na afloop van de subsidieperiode’.

H

In artikel 30, eerste lid, wordt de zinsnede ‘, postbus 16006, 2500 BA, Den Haag’ vervangen door ‘via het e-mailadres ocwsubsidies@minvws.nl’.

I

Artikel 32a komt te luiden:

Artikel 32a. Afwijkingen subsidieverplichtingen wegens COVID-19

  • 1. Indien het bevoegd gezag van de aanvragende onderwijsinstelling gedurende de projectperiode aannemelijk maakt dat zij door de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan redelijkerwijs niet in staat zal zijn om aan alle subsidieverplichtingen voortvloeiend uit deze regeling te voldoen, kan de Minister op verzoek van dat bevoegd gezag besluiten:

    • a. de subsidieperiode als bedoeld in artikel 7, vierde lid, te verlengen tot in totaal maximaal zes jaar;

    • b. de subsidieverlening tussentijds te beëindigen zonder daarbij subsidie terug te vorderen wegens het niet voldoen aan de cofinancieringseisen, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b tot en met d, mits het bevoegd gezag verwacht de cofinanciering zoals begroot in de laatst goedgekeurde meerjarenbegroting niet daadwerkelijk te kunnen realiseren en daarvoor ook geen gebruik te kunnen maken van de mogelijkheden als bedoeld in het derde lid, een en ander onverminderd artikel 5, tweede lid; of

    • c. de subsidieverlening tussentijds te beëindigen zonder daarbij subsidie terug te vorderen wegens het niet voldoen aan de cofinancieringseisen, bedoeld in artikel 13, tweede tot en met vierde lid, mits het bevoegd gezag verwacht de cofinanciering zoals begroot in de laatst goedgekeurde meerjarenbegroting niet daadwerkelijk te kunnen realiseren en daarvoor ook geen gebruik te kunnen maken van de mogelijkheden als bedoeld in het derde lid, een en ander onverminderd artikel 5, tweede lid.

  • 2. De Minister neemt binnen acht weken een besluit op een verzoek als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Indien het bevoegd gezag van de aanvragende onderwijsinstelling na afloop van de projectperiode aannemelijk maakt dat zij door de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan redelijkerwijs niet in staat is geweest om aan alle subsidieverplichtingen voortvloeiend uit deze regeling te voldoen, kan de Minister op verzoek van dat bevoegd gezag besluiten:

    • a. toe te staan dat de daadwerkelijk gerealiseerde cofinanciering niet voldoet aan de vereiste cofinancieringsverhoudingen tussen de partijen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c, en de partijen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder d, mits het bevoegd gezag alsmede de partijen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, en 12, tweede lid, onder a, g en h, hier geen bekostiging uit ’s Rijks kas voor hebben aangewend;

    • b. toe te staan dat de daadwerkelijk gerealiseerde cofinanciering niet voldoet aan de vereiste cofinancieringsverhoudingen tussen de partijen als bedoeld in artikel 13, derde lid, en de partijen als bedoeld in artikel 13, vierde lid, mits het bevoegd gezag alsmede de partijen als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder a, g en h, hier geen bekostiging uit ’s Rijks kas voor hebben aangewend;

    • c. toe te staan dat de daadwerkelijk gerealiseerde cofinanciering niet voldoet aan de vereiste omvang van ten minste 50% van de laatst goedgekeurde meerjarenbegroting, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b tot en met d, mits de gerealiseerde cofinanciering wel ten minste 25% van die begroting bedraagt; of

    • d. toe te staan dat de daadwerkelijk gerealiseerde cofinanciering niet voldoet aan de vereiste omvang van ten minste twee derde deel van de laatst goedgekeurde meerjarenbegroting, bedoeld in artikel 13, tweede tot en met vierde lid, mits de gerealiseerde cofinanciering wel ten minste een derde deel van die begroting bedraagt.

  • 4. Een verzoek als bedoeld in het derde lid dient binnen de periode als bedoeld in artikel 29, vierde lid, te worden ingediend. De Minister neemt binnen tien weken een besluit op dit verzoek.

  • 5. De Minister kan tevens ambtshalve besluiten tot tussentijdse beëindiging van de subsidieverlening, bedoeld in het eerste lid, onder b of c.

J

Na artikel 32a wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 32b. Aanvullingen subsidieverplichtingen wegens COVID-19

  • 1. Indien de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan grote invloed op de voortgang van het project heeft, beschrijft het bevoegd gezag van de aanvragende onderwijsinstelling in aanvulling op de onderdelen genoemd in artikel 27, eerste lid, in de voortgangsrapportage waaruit die invloed bestaat, welke maatregelen zijn of worden genomen om een goede voortgang desondanks zoveel mogelijk te waarborgen en eventueel welke onzekerheden er daarbij zijn. Het bevoegd gezag kan daarbij een verzoek doen als bedoeld in artikel 32a, eerste lid.

  • 2. De beoordelingscommissie kan in aanvulling op artikel 22, derde tot en met vijfde lid:

    • a. de omstandigheden en maatregelen zoals die blijken uit de beschrijving, bedoeld in het eerste lid, meewegen in de beoordeling van de voortgangsrapportage;

    • b. de mogelijkheden van de Minister, bedoeld in artikel 32a, eerste en derde lid, meewegen in de beoordeling van de voortgangsrapportage;

    • c. de Minister adviseren het bevoegd gezag een termijn te geven waarbinnen de voortgangsrapportage moet worden aangepast of aangevuld of waarbinnen de Minister over de nadere ontwikkelingen rondom COVID-19 moet worden geïnformeerd; en

    • d. de Minister adviseren gebruik te maken van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 32a, vijfde lid.

  • 3. De Minister kan in aanvulling op artikel 28:

    • a. de omstandigheden en maatregelen zoals die blijken uit de beschrijving, bedoeld in het eerste lid, meewegen in de tussentijdse beoordeling;

    • b. de mogelijkheden bedoeld in artikel 32a, eerste en derde lid, meewegen in de tussentijdse beoordeling;

    • c. het bevoegd gezag een termijn geven waarbinnen de voortgangsrapportage moet worden aangepast of aangevuld of waarbinnen de Minister over de nadere ontwikkelingen rondom COVID-19 moet worden geïnformeerd, en daarbij zo nodig artikel 28, vijfde lid, overeenkomstig toepassen; en

    • d. in plaats van artikel 28, derde lid, gebruik maken van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 32, vijfde lid, waarbij de Minister zo nodig kan afwijken van termijn, bedoeld in artikel 28, vierde lid.

  • 4. Indien de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan grote invloed op de doelrealisatie van het project heeft gehad, beschrijft het bevoegd gezag van de onderwijsinstelling in aanvulling op de onderdelen genoemd in artikel 29, tweede en derde lid, in de eindrapportage waaruit die invloed heeft bestaan en welke maatregelen zijn genomen om een goede doelrealisatie desondanks zoveel mogelijk te waarborgen. Het bevoegd gezag kan daarbij een verzoek doen als bedoeld in artikel 32a, derde lid.

K

In bijlage 2. behorende bij artikel 22, vierde lid, van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022 wordt onder de tabel ingevoegd:

N.B. Indien de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan van grote invloed op de voortgang van het project heeft, dient het bevoegd gezag van de aanvragende onderwijsinstelling te beschrijven waaruit die invloed bestaat, welke maatregelen zijn of worden genomen om de voortgang van het project desondanks zoveel mogelijk te waarborgen en eventueel welke onzekerheden er daarbij zijn. Als het bevoegd gezag een dergelijke beschrijving heeft gegeven, kan de beoordelingscommissie dit meewegen in de beoordeling van bovenstaande criteria. Daarbij kan de beoordelingscommissie ook rekening houden met de mogelijkheden van de Minister, bedoeld in artikel 32a, eerste, derde en vijfde lid.

ARTIKEL III. INWERKINGTREDING

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap I.K. van Engelshoven

TOELICHTING

Algemeen deel

Inleiding

Deze regeling wijzigt de Regeling regionaal investeringsfonds mbo en de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022 (hierna samen: de RIF-regelingen). Bekostigde mbo-instellingen (hierna: onderwijsinstellingen) die subsidie op grond van de RIF-regelingen ontvangen, kunnen te maken krijgen met verschillende problemen en onvoorziene omstandigheden als gevolg van de uitbraak van COVID-19. Met de Verzamelregeling subsidies OCW COVID-191 (hierna: Verzamelregeling) zijn de RIF-regelingen reeds aangepast door de Minister de mogelijkheid te geven om de periode waarvoor subsidie is verstrekt, te verlengen. In artikel 1 van de Verzamelregeling is ook een algemene hardheidsclausule opgenomen die het mogelijk maakt bepalingen uit de RIF-regelingen wegens COVID-19 buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken “indien de onverkorte toepassing van deze bepalingen (…) zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard”. Deze hardheidsclausule is bedoeld voor knelpunten die ten tijde van de totstandkoming van de verzamelregeling niet zijn voorzien.

Nu de COVID-19-pandemie voortduurt, is gebleken dat er een aantal concrete knelpunten zijn waar meerdere RIF-projecten wegens COVID-19 mee te maken hebben of kunnen krijgen. Dit geldt zowel voor RIF-projecten die voor de COVID-19-pandemie zijn gestart als RIF-projecten die tijdens de COVID-19-pandemie zijn gestart of nog zullen starten. Met deze wijzigingsregeling worden daarom beide RIF-regelingen aangepast en meer mogelijkheden gecreëerd om af te wijken van vereisten uit de RIF-regelingen. De artikelen 29a van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo en 32a van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022 worden hiertoe opnieuw vastgesteld. Op die manier wordt de RIF-projecten een duidelijk kader en dus meer zekerheid geboden. Voor alsnog onvoorziene, andere knelpunten is nog steeds de algemene hardheidsclausule van artikel 1 van de Verzamelregeling van toepassing.

Verder wordt met deze wijzigingsregeling een aantal aanvullingen op de subsidieverplichtingen in de RIF-regelingen opgenomen. Deze zorgen er met name voor dat de Minister zo goed mogelijk over de gevolgen van COVID-19 op de projecten wordt geïnformeerd. De projecten kunnen op hun beurt van deze gelegenheid gebruik maken om met de gegeven informatie een verzoek tot afwijking van de subsidieverplichtingen te onderbouwen. De aanvullingen op de subsidieverplichtingen zijn opgenomen in de nieuwe artikelen 29b van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo en 32b van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022.

Voordat afwijking van subsidieverplichtingen aan de orde is, bieden de RIF-regelingen in veel gevallen zelf nog ruimte om de gevolgen van COVID-19 op te vangen. Daarom worden hierna eerst de bestaande mogelijkheden om een project tussentijds bij te stellen toegelicht (paragraaf 1). Vervolgens worden de mogelijkheden tot afwijking van de subsidieverplichtingen wegens COVID-19 nader toegelicht (paragraaf 2). Tot slot wordt een aantal kleinere (technische) wijzigingen doorgevoerd. Deze worden nader toegelicht in de artikelsgewijze toelichting.

1. Bestaande mogelijkheden tussentijds bijstellen project en meldingsplicht

Het kan altijd, ook los van COVID-19, voorkomen dat een project gedurende de projectperiode de activiteitenplanning en/of de meerjarenbegroting wil aanpassen. Dit kan bijvoorbeeld worden aangegeven in de voortgangsrapportage2, maar ook op andere momenten. Op andere momenten dienen de beoogde wijzigingen op basis van de meldingsplicht uit artikel 5.7 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (hierna: Kaderregeling) bij de Minister te worden gemeld. In de praktijk kan dit bij de Dienst Uitvoering Subsidies (hierna: DUS-I) die de beoogde wijzigingen namens de Minister beoordeelt en eventueel goedkeurt. Na goedkeuring gaat DUS-I van de nieuwe versie(s) van het activiteitenplan en/of de meerjarenbegroting uit. In het geval van de meerjarenbegroting spreekt de regeling daarom steeds van de ‘laatst goedgekeurde’ meerjarenbegroting (in deze toelichting voor het leesgemak: meerjarenbegroting).

Een bijgesteld activiteitenplan of bijgestelde meerjarenbegroting dient uiteraard binnen de doelstellingen van de betreffende RIF-regeling te blijven passen en aan de eisen van die regeling te blijven voldoen. Met betrekking tot de meerjarenbegroting bevatten de RIF-regelingen een aantal specifieke eisen aan de cofinanciering. Binnen die eisen zijn er veelal nog mogelijkheden die projecten kunnen inzetten zonder af te hoeven wijken van de cofinancieringseisen. Hierbij kan gedacht worden aan:

  • Het toetreden van nieuwe partners tot het samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband mag tussentijds van samenstelling veranderen, zodat weggevallen cofinanciering kan worden opgevangen door cofinanciering door nieuwe partijen.

  • Verhoging cofinanciering aanvragende onderwijsinstelling: als de aanvragende onderwijsinstelling tot dan toe minder dan de maximaal toegestane cofinanciering heeft ingebracht, kan de onderwijsinstelling dit bedrag nog kan verhogen. Voor projecten op grond van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo kan dit tot maximaal één derde deel van de meerjarenbegroting. Voor projecten op grond van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022 kan dit tot maximaal 10% van de meerjarenbegroting.

  • Verhoging cofinanciering scholen, onderwijsinstellingen en regionale overheden3: als genoemde partijen tezamen tot dan toe minder dan de maximaal toegestane cofinanciering hebben ingebracht, kunnen zij dit bedrag nog verhogen. Voor projecten op grond van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo kan dit tot maximaal één derde deel van de meerjarenbegroting. Hetzelfde geldt voor projecten op grond van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022, tenzij het om entreeprojecten gaat. In dat geval kan dit tot maximaal 25% van de meerjarenbegroting.

2. Mogelijkheden tot afwijking subsidieverplichtingen wegens COVID-19

Zoals gezegd bevatten de RIF-regelingen reeds de mogelijkheid de periode waarvoor subsidie is verstrekt wegens COVID-19 te verlengen. Met deze wijzigingsregeling komt er aantal nieuwe mogelijkheden om wegens COVID-19 af te wijken van de subsidieverplichtingen bij. Het verzoek tot toepassing van een afwijkingsmogelijkheid moet worden gedaan door het bevoegd gezag van de onderwijsinstelling die de RIF-subsidie heeft aangevraagd. DUS-I besluit hierop namens de Minister.

Tezamen zien alle afwijkingsmogelijkheden er in grote lijnen als volgt uit:

Gedurende de projectperiode

  • Verlenging projectperiode: een RIF-project kan op grond van de huidige RIF-regelingen maximaal vijf jaar duren. Wanneer door de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan activiteiten vertraging oplopen, kan de onderwijsinstelling verlenging van deze projectperiode aanvragen. Het totale maximale subsidiebedrag blijft ongewijzigd, maar het project krijgt hiermee extra tijd om aan de subsidieverplichtingen te voldoen en de beoogde doelstellingen te realiseren. De projectperiode kan worden verlengd tot maximaal zes jaar.

  • Tijdens projectperiode stoppen: wanneer de onderwijsinstelling voorziet dat de uitbraak van COVID-19 dermate veel gevolgen heeft dat het onmogelijk wordt om, zelfs met inachtneming van de afwijkingsmogelijkheden die hier worden beschreven, aan de subsidieverplichtingen te voldoen, kan de Minister uit zichzelf of op verzoek van de onderwijsinstelling besluiten tussentijds de subsidieverlening te beëindigen. In dat geval worden de niet-bestede middelen teruggevorderd, maar wordt er niet teruggevorderd wegens het niet voldoen aan de cofinancieringseisen.

Na afloop van de projectperiode

  • Afwijken cofinancieringsverhoudingen: de RIF-regelingen schrijven bepaalde verhoudingen tussen de cofinancieringspartijen onderling voor. Wanneer het wegens COVID-19 onmogelijk is om hieraan te voldoen, mogen deze verhoudingen worden losgelaten. Hiervoor mag echter géén bekostiging uit ’s Rijks kas worden aangewend door een bekostigde vo-school, mbo- of ho-instelling – tenzij daar binnen de reguliere mogelijkheden regeling nog ruimte voor is (zie paragraaf 1). Dit betekent dat gemeenten bijvoorbeeld kunnen inspringen voor weggevallen cofinanciering door arbeidsorganisaties.

  • Afwijken hoogte cofinanciering: de cofinancieringseis wordt in de RIF-regelingen aangepast van 67 procent naar 33 procent als causaliteit met COVID-19 aannemelijk is gemaakt. Dit percentage geldt voor de gehele duur van het project. Bij een lager percentage dan 33 procent is er nauwelijks meer sprake van een publiek-private samenwerking en kan beter worden gekozen voor tussentijds stoppen. Voor entreeprojecten geldt dat de eis wordt aangepast van 50% naar 25%. Het maximale subsidiebedrag blijft gelijk aan het bedrag in de meerjarenbegroting; de subsidie wordt dus nooit hoger.

De laatste twee afwijkingsmogelijkheden zijn alleen mogelijk na afloop van de subsidieperiode, zodat de onderwijsinstelling zich gedurende de subsidieperiode zoveel mogelijk blijft inzetten de weggevallen cofinanciering alsnog te realiseren.

Verder bevatten alle afwijkingsmogelijkheden het criterium “door de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan redelijkerwijs niet in staat (…) om (…)’. Het betekent dat de onderwijsinstelling in het afwijkingsverzoek aannemelijk zal moeten maken dat het niet voldoen aan de subsidieverplichtingen door COVID-19 komt en dat zij zich tot in het redelijke heeft ingespannen om aan de subsidieverplichtingen te blijven voldoen. Met andere woorden: bij knelpunten wegens COVID-19 dient de onderwijsinstelling eerst naar oplossingen te hebben gezocht alvorens een afwijkingsverzoek te doen. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een beschrijving van de partijen die zijn benaderd om weggevallen cofinanciering op te vangen.

De afwijkingsmogelijkheden worden nader beschreven in de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel C, en artikel II, onderdeel I, en zijn voorzien van rekenvoorbeelden.

3. Gevolgen voor de regeldruk

De regeldruk voor aanvragende onderwijsinstellingen bestaat uit kennisneming van deze regeling, het schrijven van een extra paragraaf in de voortgangs- en eindrapportage en het schrijven van een eventueel afwijkingsverzoek. Dat laatste zal voor de subsidieontvangers de omvangrijkste aanvullende handeling zijn, omdat een afwijkingsverzoek goed onderbouwd moet worden en er ook afgestemd moet worden met de partners binnen het samenwerkingsverband. Naar schatting zijn de subsidieontvangers hier 5 uur aan kwijt. De regeldrukkosten zijn in totaal (voor alle projecten) ingeschat op maximaal € 70.400,– en komen per project uit op maximaal € 542,–. Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

4. Uitvoering en handhaving

Deze regeling is aan DUS-I voorgelegd voor een uitvoeringstoets. Hieruit komt naar voren dat de wijzigingen uitvoerbaar zijn onder bepaalde randvoorwaarden. DUS-I voorziet ten eerste dat het voorlichten van onderwijsinstellingen over de afwijkingsmogelijkheden en het behandelen van de afwijkingsverzoeken extra tijd zal kosten. Ook zal DUS-I werk hebben aan het ondersteunen van de beoordelingscommissie bij het beoordelen van de voortgangsrapportages. Over de uren die DUS-I hieraan kwijt zal zijn, worden afspraken gemaakt met OCW in een meerwerkofferte. De tweede randvoorwaarde is volgens DUS-I is een zorgvuldig communicatietraject. De afwijkingsmogelijkheden zijn soms technisch van aard en complex. Daarom is het belangrijk om voldoende aandacht te besteden aan voorlichting aan de onderwijsinstellingen die daar gebruik van willen maken. Aan de communicatie zal inderdaad ruim aandacht worden besteed, onder andere door middel van twee webinars gericht op de projectleiders en een infographic die de stappen en mogelijkheden in kaart brengt.

Naast DUS-I hebben ook de Inspectie van het Onderwijs (inspectie) en de Auditdienst Rijk (ADR) de regeling beoordeeld op uitvoerbaarheid. De inspectie heeft alleen een tekstuele suggestie gedaan, die is verwerkt. De belangrijkste aandachtspunten van de ADR betreffen de complexiteit van de regeling en de bijbehorende (regel)druk voor onderwijsinstellingen (zie ook paragraaf 3), indienings- en beslistermijnen en het onderscheid tussen een melding op basis van de Kaderregeling enerzijds, en een verzoek om van subsidieverplichtingen af te wijken anderzijds. Deze aandachtspunten zijn in de regeling en toelichting verwerkt.

Artikelsgewijs deel

Artikel I, onderdeel A (wijziging Regeling regionaal investeringsfonds mbo in verband met afwijkingsmogelijkheid indieningstijdstip voortgangsrapportage)

De verplichting om de jaarverslaggeving tezamen met het eindverslag aan de Minister te zenden komt te vervallen. In de praktijk is het vaak niet praktisch om te wachten met het indienen van het eindverslag tot het tijdstip van indiening van het jaarverslag, aangezien er veel tijd tussen dit tijdstip en het tijdstip van afronding van het project kan zitten. Hierdoor kan het voorkomen dat er informatie verloren gaat, bijvoorbeeld omdat de speciaal voor het project aangestelde projectleider inmiddels vertrokken is. Daarom wordt de regeling in overeenstemming gebracht met de praktijk door in artikel 26, vierde lid, te bepalen dat de eindrapportage binnen tien weken na afloop van de subsidieperiode moet worden ingediend.

Artikel I, onderdeel B (wijziging Regeling regionaal investeringsfonds mbo in verband met een aanpassing van de wijze van melden aan DUS-I)

Artikel 5.7 van de Kaderregeling bevat onder andere een meldingsplicht indien de subsidieontvanger de activiteiten niet tijdig of niet geheel de activiteiten zal kunnen verrichten of aan de subsidieverplichtingen zal kunnen voldoen. Met de wijziging van artikel 27, eerste lid, kan deze melding voortaan per e-mail in plaats van per post aan DUS-I worden toegezonden. De melding kan eventueel tezamen met een verzoek om afwijking van de subsidieverplichtingen wegens COVID-19 worden gedaan. Wel is het dan van belang dat de onderwijsinstelling duidelijk aangeeft zowel een melding als een afwijkingsverzoek te doen, om te voorkomen dat het verzoek over het hoofd wordt gezien.

Artikel I, onderdeel C (wijziging Regeling regionaal investeringsfonds mbo in verband met afwijkingsmogelijkheden subsidieverplichtingen wegens COVID-19)

Hierna wordt het nieuwe artikel 29a per lid toegelicht.

Eerste en tweede lid

In artikel 29a, eerste lid, onder a en b, zijn de afwijkingsmogelijkheden tijdens de subsidieperiode opgenomen.

Het eerste lid, onder a, voorziet in de mogelijkheid de subsidieperiode te verlengen tot in totaal zes jaar. In het oorspronkelijke artikel 29a was reeds de mogelijkheid opgenomen om subsidieperiodes die vier jaar duren op grond van artikel 11, derde lid, te verlengen wegens COVID-19. Het oorspronkelijke artikel 29a bevatte echter niet de mogelijkheid om subsidieperiodes die wegens bijzondere omstandigheden zijn verlengd naar vijf jaar op grond van artikel 11, vierde lid, nogmaals te verlengen wegens COVID-19. Omdat de gevolgen van COVID-19 bovenop de eerdere bijzondere omstandigheden kunnen komen, is met het nieuwe eerste lid, onder a, geregeld dat zowel subsidieperiodes van vier als vijf jaar kunnen worden verlengd tot in totaal zes jaar. Dit wil echter niet zeggen dat vierjarige projecten meteen een verlenging tot zes jaar kunnen krijgen: de Minister bepaalt of dat in de gegeven situatie nodig is, ervan uitgaande dat het bevoegd gezag zich tot het redelijke inspant om alsnog zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke planning te blijven.

Het eerste lid, onder b, voorziet in de mogelijkheid om voortijdig met een project te stoppen als de verwachting is dat de begrote cofinanciering niet daadwerkelijk zal worden gerealiseerd en na afloop van de subsidieperiode ook niet aan de voorwaarden voor afwijking van de cofinancieringseisen op grond van het derde lid zal worden voldaan. Voortijdig stoppen zou er normaliter toe kunnen leiden dat een deel van de tot dan toe verstrekte subsidie wordt teruggevorderd wegens het niet voldoen aan de cofinancieringseisen. Bij toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid laat de Minister terugvordering om die reden achterwege. Wel worden de niet-bestede middelen van de subsidie altijd teruggevorderd op grond van artikel 6, tweede lid. Zie ook de toelichting bij het vijfde lid.

De aanvraag tot toepassing van deze afwijkingsmogelijkheden moet worden gedaan door het bevoegd gezag van de onderwijsinstelling dat ook de subsidie heeft aangevraagd. De aanvraag kan gedurende de hele subsidieperiode worden gedaan, maar niet na afloop daarvan. De afwijkingsmogelijkheden na afloop van de subsidieperiode volgen uit het derde lid. De Minister besluit in beginsel binnen acht weken op de aanvraag, maar de beslistermijn kan eventueel worden verlengd op grond van artikel 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Derde en vierde lid

In artikel 29a, derde lid, onder a en b, zijn de afwijkingsmogelijkheden na afloop van de subsidieperiode opgenomen. Beide afwijkingsmogelijkheden hebben betrekking op de cofinancieringseisen in artikel 10.4 Uit artikel 10, eerste en tweede lid, volgt dat de subsidie maximaal een derde deel van de meerjarenbegroting mag bedragen en de partijen in het samenwerkingsverband minimaal twee derde deel van de meerjarenbegroting moeten inbrengen in de vorm van cofinanciering. Artikel 10, derde en vierde lid, schrijft bovendien een bepaalde cofinancieringsverhouding tussen de cofinancieringspartijen onderling voor. Schematisch ziet dit er als volgt uit, in delen van de meerjarenbegroting:

A. Subsidie

Ten hoogste één derde deel (art. 10, tweede lid)

B. Cofinanciering arbeidsorganisaties, het georganiseerd bedrijfsleven en/of O&O-fondsen

Ten minste één derde en ten hoogste twee derde deel (art. 10, derde lid)

C. Cofinanciering onderwijsinstellingen, regionale overheden, bekostigde vmbo-scholen, bekostigde pro-scholen1, bekostigde vso-scholen1, bekostigde ho-instellingen en/of overige partijen

Ten hoogste één derde deel (art. 10, vierde lid)

X Noot
1

Alleen in het geval een entreeopleiding deel uitmaakt van de publiek-private samenwerking (zie art. 10, vierde lid, in samenhang met artikel 9, vierde lid).

Het derde lid, onder a, voorziet in de mogelijkheid om af te wijken van de cofinancieringsverhouding tussen de cofinancieringspartijen onderling. Dit betekent dat de verhouding tussen de cofinanciering door de groepen B en C in het schema hierboven niet langer vastligt. Bekostigde scholen en instellingen mogen hiervoor echter géén bekostiging aanwenden, want het is niet de bedoeling dat het wegvallen van cofinanciering door groep B wordt opgevangen door middelen uit ’s Rijks kas voor meer dan een derde deel van de meerjarenbegroting. Wel zou een gemeente dat bijvoorbeeld kunnen doen.

Bovenstaande neemt niet weg dat het samenwerkingsverband op grond van artikel 1, derde lid, en 10, eerste lid, te allen tijde moet blijven bestaan uit in ieder geval één onderwijsinstelling en één arbeidsorganisatie en de aan het samenwerkingsverband deelnemende arbeidsorganisatie(s) te allen tijde iets aan cofinanciering moet(en) blijven inbrengen. Immers, anders zou het geheel geen publiek-private samenwerking meer zijn. Ook neemt het niet weg dat onderwijsinstellingen op grond van artikel 10, vierde lid, laatste volzin, uitsluitend cofinanciering in de vorm van geld mogen inbrengen. Met andere woorden: er kan alleen worden afgeweken van de onderlinge cofinancieringsverhoudingen tussen de groepen B en C zoals voorgeschreven door artikel 10, derde en vierde lid, maar de andere subsidieverplichtingen blijven gewoon gelden.

Het derde lid, onder b, voorziet voorts in de mogelijkheid om af te wijken van de vereiste hoogte van de cofinanciering en (dus) de verhouding met de subsidie. Zoals gezegd kan de subsidie in totaal nooit meer bedragen dan een derde deel van de meerjarenbegroting. De cofinanciering moet dus ook altijd ten minste twee derde deel van de meerjarenbegroting bedragen. Als de onderwijsinstelling minder cofinanciering realiseert dan begroot, kan de subsidie normaliter lager worden vastgesteld zodat deze verhouding intact blijft. Indien het gebrek aan gerealiseerde cofinanciering aan COVID-19 te wijten is, kan de Minister hiervan afwijken en de cofinancieringseis laten zakken tot ten minste een derde deel van de meerjarenbegroting. Realiseert de onderwijsinstelling echter nóg minder cofinanciering, komt de onderwijsinstelling niet in aanmerking voor afwijking van de subsidieverplichtingen. Zie rekenvoorbeeld 3 onder de artikelsgewijze toelichting bij artikel II, onderdeel I.

De aanvraag tot toepassing van deze afwijkingsmogelijkheden moet worden gedaan door het bevoegd gezag van de aanvragende onderwijsinstelling. Het afwijkingsverzoek kan niet gedurende de subsidieperiode worden gedaan, maar pas na afloop. Het afwijkingsverzoek moet vervolgens binnen tien weken na afloop van de subsidieperiode zijn gedaan. Dit is dezelfde termijn als de termijn waarbinnen de het bevoegd gezag de eindrapportage moet indienen. Vervolgens besluit de Minister in beginsel binnen tien weken op het afwijkingsverzoek. Dat is ook de tijd die DUS-I normaliter neemt om de eindrapportages te bekijken. De beslistermijn kan eventueel worden verlengd op grond van artikel 4:14 van de Awb. De subsidie wordt op grond van artikel 26, vijfde lid, vastgesteld binnen 52 weken na ontvangst van het jaarverslag over het laatste jaar van besteding. Het bevoegd gezag ontvangt het afwijkingsbesluit dus ruim voor het vaststellingsbesluit, zodat het wel alvast de zekerheid heeft dat van de subsidieverplichtingen mag worden afgeweken.

Vijfde lid

Artikel 29a, eerste lid, onder b, biedt de onderwijsinstelling zoals gezegd de mogelijkheid om tussentijds met het project te stoppen zonder dat de Minister subsidie terugvordert wegens het niet voldoen aan de cofinancieringseisen. Wel moeten de niet-bestede middelen, voor zover reeds ontvangen, worden terugbetaald. Artikel 29a, vijfde lid, bepaalt dat de Minister hier ook uit zichzelf toe kan besluiten, bijvoorbeeld als uit de voortgangsrapportage of een melding op grond van artikel 5.7 van de Kaderregeling blijkt dat het project niet meer aan (de voorwaarden voor afwijking van) de subsidieverplichtingen kan voldoen.

Overigens heeft de Minister op grond van artikel 4:48 van de Awb altijd de mogelijkheid om de subsidieverlening uit zichzelf tussentijds te beëindigen als de subsidieontvanger niet aan de subsidieverplichtingen voldoet. Ook heeft de Minister op grond van artikel 4:47 van de Awb reeds de mogelijkheid om een eventuele terugvordering (gedeeltelijk) achterwege te laten of te matigen. Uit het oogpunt van rechtszekerheid is ervoor gekozen het beleid van de Minister in dit specifieke geval bij regeling vast te leggen.

Artikel I, onderdeel D (wijziging Regeling regionaal investeringsfonds mbo in verband met aanvullingen op subsidieverplichtingen wegens COVID-19)

De voortgangsrapportage bevat op grond van artikel 25, tweede lid, een beschrijving van de voortgang ten aanzien van het realiseren van de mijlpalen. Eventuele gevolgen van COVID-19 op die voortgang zullen daar meestal reeds uit blijken. Zo kan COVID-19 ertoe leiden dat het activiteitenplan en/of de meerjarenbegroting moeten worden aangepast. Voor de volledigheid stelt het nieuwe artikel 29b, eerste lid, de aanvullende verplichting om de gevolgen van COVID-19 expliciet in de voortgangsrapportage op te nemen, evenals een beschrijving van de in dat verband genomen beheersmaatregelen en eventuele onzekerheden. In het formulier voor de voortgangsrapportage zal hiervoor een extra veld worden opgenomen. Op die manier wordt geborgd dat de gevolgen van COVID-19 voor de Minister inzichtelijk zijn.

De aanvullende verplichting om een beschrijving van de invloed van COVID-19 te geven, geldt alleen voor projecten waarop de invloed van COVID-19 groot is. Het is aan de onderwijsinstelling om te bepalen wanneer daarvan sprake is, maar het geven van een dergelijke beschrijving is ook in het belang van de onderwijsinstelling zelf. De beschrijving kan namelijk helpen om een eventueel afwijkingsverzoek als bedoeld in artikel 29a, eerste lid, te onderbouwen. De onderwijsinstelling kan ervoor kiezen het afwijkingsverzoek meteen in de voortgangsrapportage doen, maar dat hoeft niet en kan ook separaat of op een ander tijdstip gedurende de subsidieperiode.

Een afwijkingsverzoek als bedoeld in artikel 29a, derde lid, kan daarentegen pas na afloop van de subsidieperiode worden gedaan. Ook daarvoor geldt echter dat een beschrijving van de invloed van COVID-19 in de voortgangsrapportage, tezamen met eenzelfde beschrijving in de eindrapportage (zie het vierde lid), kan helpen om dat afwijkingsverzoek te onderbouwen.

Er kunnen tot slot zodanig veel onzekerheden of variabelen zijn dat niet alle onderdelen van de voortgangsrapportage volledig kunnen worden ingevuld. Zo kunnen het activiteitenplan en/of de meerjarenbegroting door COVID-19 gaten bevatten, niet het gewenste detailniveau hebben of afhankelijk zijn van meerdere scenario’s. Ook dat kan worden toegelicht in het extra veld. Als de maatregelen ter bestrijding van COVID-19 raken aan de uitvoering van de activiteiten, kan de onderwijsinstelling bijvoorbeeld toelichten wat de mogelijkheden zijn om de activiteiten in aangepaste vorm te laten doorgaan. In het geval er door COVID-19 cofinanciering is weggevallen en de aangepaste meerjarenbegroting niet dekkend is, kan de onderwijsinstelling bijvoorbeeld toelichten hoe zij van plan is die cofinanciering alsnog te realiseren en waar zij naar andere cofinancieringspartners gaat zoeken. Zodra een en ander wel duidelijk is, dient op grond van artikel 5.7 van de Kaderregeling een melding aan DUS-I te worden gedaan. De Minister kan ook zelf om een aanpassing of aanvulling van de voortgangsrapportage verzoeken.

Indien COVID-19 van grote invloed is geweest op de doelrealisatie van het project, ligt het vervolgens voor de hand om deze invloed in de eindrapportage te beschrijven. De projecten waarvoor dit geldt krijgen met artikel 29b, derde lid, daarom de aanvullende verplichting om expliciet in de eindrapportage te beschrijven waaruit die invloed heeft bestaan en welke maatregelen de onderwijsinstelling heeft genomen om een goede doelrealisatie van het project desondanks zoveel mogelijk te waarborgen. Het is ook hier aan de onderwijsinstelling om te bepalen wanneer van een ‘grote invloed’ sprake is, maar het geven van deze beschrijving kan onderwijsinstelling helpen om een eventueel afwijkingsverzoek als bedoeld in artikel 29a, derde lid, goed te onderbouwen. De onderwijsinstelling kan de eindrapportage desgewenst gebruiken om dat afwijkingsverzoek meteen te doen, maar dat hoeft niet en kan ook separaat – zolang het verzoek maar uiterlijk binnen 10 weken na van de subsidieperiode wordt gedaan.

N.B. Artikel 29b van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo is minder uitgebreid dan het equivalent daarvan, artikel 32b van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022. Dit komt mede doordat de voortgangsrapportage op basis van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo niet wordt beoordeeld door een beoordelingscommissie.

Artikel II, onderdeel A (wijziging Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022 in verband met verduidelijking berekeningswijze projectperiode en verbetering verwijzing WHW)

Uit artikel 7, vierde lid, van de regeling volgt dat de subsidie wordt toegekend voor een periode van vier of vijf kalenderjaren. Met deze wijziging wordt verduidelijkt dat deze periode in de praktijk wordt berekend vanaf de startdatum van het project. Het project dient op grond van artikel 26, eerste lid, uiterlijk binnen drie maanden na het besluit tot subsidieverlening te starten.

Verder komt in artikel 7, vijfde lid, de verwijzing naar het derde lid van artikel 7.8a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek te vervallen. Dit lid gaat alleen over Associate-degreeprogramma’s die worden uitgevoerd door niet-bekostigde mbo-instellingen als bedoeld in artikel 1.4.1 van de WEB. Echter: ook Associate-degreeprogramma’s die worden uitgevoerd door bekostigde mbo-instellingen als bedoeld in de WEB komen in aanmerking voor subsidie op grond van deze regeling. Om deze omissie te herstellen en soortgelijke omissies in de toekomst te voorkomen, wordt verwezen naar artikel 7.8a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek als geheel.

Artikel II, onderdeel B (wijziging Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022 in verband met het niet langer uitsluiten van onderwijsinstellingen waarvan de aanvraag is afgewezen)

In artikel 8, eerste lid, onder a, wordt ‘aangevraagd’ vervangen door ‘verstrekt’. Het is namelijk niet de bedoeling om hier onderwijsinstellingen uit te sluiten waarvan de subsidieaanvraag is afgewezen, maar slechts de onderwijsinstellingen uit te sluiten die voor dezelfde publiek-private samenwerking reeds subsidie hebben gekregen. Dit doet overigens niets af aan artikel 24, vijfde lid, waaruit kort gezegd volgt dat de aanvrager een afgewezen aanvraag nog eenmaal in een later tijdvak kan indienen.

Artikel II, onderdeel C (wijziging Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022 in verband met verduidelijking voorwaarden cofinanciering pro en vso)

Voor entreeprojecten geldt op grond van artikel 10, eerste lid, onder a, dat naast vmbo- ook pro- en vso-scholen aan het samenwerkingsverband kunnen deelnemen. Anders dan voor alle andere partijen in het samenwerkingsverband, is voor pro- en vso-scholen echter niet duidelijk geregeld wat de cofinancieringseisen in artikel 10, eerste lid, onder c tot en met e, voor hen inhouden. Daarom is verduidelijkt dat de pro- en vso-scholen onder de cofinancieringseisen van artikel 10, eerste lid, onder d, vallen, wat betekent dat zij – samen met de andere partijen die onder d worden genoemd – ten hoogste 25% van de meerjarenbegroting aan cofinanciering mogen inbrengen.

In artikel 10, eerste lid, onder e, wordt in navolging van artikel 13, vierde lid, verduidelijkt dat het hier om de aanvragende onderwijsinstelling gaat. Eventuele andere onderwijsinstellingen die naast de aanvragende onderwijsinstellingen deelnemen aan de publiek-private samenwerking, vallen onder artikel 10, eerste lid, onder d.

Artikel II, onderdeel D (wijziging Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022 in verband met verduidelijking omgang met vrijwilligerskosten)

In artikel 17, vijfde lid, wordt verduidelijkt dat de kosten voor vrijwilligers niet onder de personeelskosten en dus ook niet onder het integrale uurtarief van € 73,– voor betaald personeel vallen. Hoewel met de inzet van vrijwilligers wel degelijk subsidiabele kosten kunnen zijn gemoeid, zoals een vrijwilligersvergoeding, verzekeringen, scholing, et cetera en hun werk wel degelijk in geld waardeerbaar kan zijn, is een standaard integraal uurtarief van € 73,–, gebaseerd op de rijksoverheidstarieven, evident te hoog. Een onderwijsinstelling die vrijwilligerskosten als subsidiabele kosten of (door een van de andere partijen ingebrachte) cofinanciering wenst op te voeren, dient zelf aannemelijk te maken in hoeverre met de inzet van de vrijwilligers kosten zijn gemoeid en/of die inzet in geld waardeerbaar is.5 Op de meerjarenbegroting kunnen de kosten voor vrijwilligers worden opgenomen als ‘kosten derden’.

Artikel II, onderdeel E (wijziging Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022 in verband met afwijkingsmogelijkheid indieningstijdstip voortgangsrapportage)

In artikel 19, vijfde lid, is de procedure rondom de indiening van de voortgangsrapportage aangepast. Uit het oorspronkelijke vijfde lid volgt dat de voortgangsrapportage uiterlijk zes weken voor de helft van de subsidieperiode moet worden ingediend. De Minister bepaalt in de beschikking tot het verstrekken van subsidie wat de helft van de subsidieperiode is, aangezien projecten op verschillende tijdstippen kunnen starten en de subsidieperiode wordt berekend vanaf de start van het project. Het hieruit voortvloeiende indieningstijdstip kan echter ongunstig vallen, bijvoorbeeld wegens de schoolvakanties. Daarom is in het nieuwe vijfde lid opgenomen dat DUS-I en de onderwijsinstelling in overleg met elkaar een afwijkend indieningstijdstip kunnen bepalen. Als DUS-I en de onderwijsinstelling het niet eens worden over een afwijkend indieningstijdstip, kan DUS-I terugvallen op het oorspronkelijke indieningstijdstip. Het blijft zo dat het (al dan niet conform afspraak afwijkende) indieningstijdstip in de beschikking tot subsidieverlening wordt opgenomen.

Uit het oorspronkelijke artikel 19, zesde lid, volgt dat de Minister in de beschikking tot het verstrekken van de subsidie tevens de periode van de tussentijdse beoordeling bepaalt. Dit is verwarrend, aangezien de periode van tussentijdse beoordeling reeds wordt bepaald door artikel 28. Daaruit volgt dat de start van bijbehorende termijnen afhankelijk is van het indieningstijdstip van de voortgangsrapportage. Dit is ten tijde van de beschikking tot subsidieverstrekking echter nog niet precies bekend, aangezien de onderwijsinstelling de voortgangsrapportage ook éérder dan het uiterlijke indieningstijdstip kan indienen. DUS-I kan dit in de praktijk dan ook niet uitvoeren. Daarom is de verplichting om in de beschikking de periode van de tussentijdse beoordeling te bepalen, uit het zesde lid geschrapt. De mogelijkheid om een afwijkend indieningstijdstip voor de voortgangsrapportage af te spreken, kan overigens eveneens worden gebruikt om te voorkomen dat de periode van de tussentijdse beoordeling ongunstig valt voor de beoordelingscommissie en/of de Minister.

Artikel II, onderdeel F (wijziging Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022 in verband met afwijkingsmogelijkheid indieningstijdstip voortgangsrapportage)

Artikel 28, vijfde lid, regelt de consequenties in het geval de onderwijsinstelling de voortgangsrapportage niet tijdig inlevert. Het oorspronkelijke lid geeft aan dat de uitbetaling van de subsidie wordt opgeschort, maar ook dat de opgeschorte betalingen niet alsnog worden uitgekeerd. Dit kan tot verwarring leiden. Met de herformulering van het vijfde lid is beoogd meer aan te sluiten bij het doel en tevens helderheid te scheppen over de toepasselijkheid van de Algemene wet bestuursrecht: verduidelijkt is dat het niet naleven van de rapportageverplichting wordt gesanctioneerd door de subsidieverlening ten nadele van de onderwijsinstelling te wijzigen (artikel 4:48 Awb) en dat voorafgaand aan die wijziging van de subsidieverlening de betaling van de voorschotten (gedeeltelijk) wordt opgeschort (art. 4:56 Awb).

Verder wordt het nieuwe artikel 28, vijfde lid, in overeenstemming met het nieuwe artikel 19, vijfde lid, gebracht, zodat ook de situatie waarin DUS-I en de onderwijsinstelling een afwijkend indieningstijdstip hebben afgesproken eronder valt. Na het verstrijken van het indieningstijdstip zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening kan bovenbedoelde opschorting van de betaling van voorschotten worden ingezet.

Tot slot is het woord ‘instelling’ voor de duidelijkheid vervangen door ‘onderwijsinstelling’, aangezien de rest van de regeling eveneens van ‘onderwijsinstelling’ spreekt.

Artikel II, onderdeel G (wijziging Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022 in verband met wijziging indieningstijdstip eindrapportage)

Uit het oorspronkelijke artikel 29, vierde lid, volgt dat de eindrapportage tezamen met het jaarverslag moet worden ingediend. In de praktijk is het vaak echter niet praktisch om hiermee te wachten tot het tijdstip van indiening van het jaarverslag, aangezien er veel tijd tussen dit tijdstip en het tijdstip van afronding van het project kan zitten. Hierdoor kan het voorkomen dat er informatie verloren gaat, bijvoorbeeld omdat de speciaal voor het project aangestelde projectleider inmiddels vertrokken is. Daarom wordt de regeling in overeenstemming gebracht met de praktijk door te bepalen dat de eindrapportage binnen tien weken na afloop van de subsidieperiode moet worden ingediend.

Artikel II, onderdeel H (wijziging Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022 in verband met een aanpassing van de wijze van melden aan DUS-I)

Artikel 5.7 van de Kaderregeling bevat onder andere een meldingsplicht indien de subsidieontvanger niet tijdig of niet geheel de activiteiten zal kunnen verrichten of aan de subsidieverplichtingen zal kunnen voldoen. Met de wijziging van artikel 30 kan deze melding voortaan per e-mail in plaats van per post aan DUS-I worden toegezonden. De melding kan eventueel tezamen met een verzoek om afwijking van de subsidieverplichtingen wegens COVID-19 worden gedaan. Wel is het dan van belang dat de onderwijsinstelling duidelijk aangeeft zowel een melding als een afwijkingsverzoek te doen, om te voorkomen dat het verzoek over het hoofd wordt gezien.

Artikel II, onderdeel I (wijziging Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022 in verband met afwijkingsmogelijkheden subsidieverplichtingen wegens COVID-19)

Hierna wordt het nieuwe artikel 32a per lid toegelicht.

Eerste en tweede lid

In artikel 32a, eerste lid, onder a tot en met c, zijn de afwijkingsmogelijkheden tijdens de subsidieperiode opgenomen.

Het eerste lid, onder a, voorziet in de mogelijkheid de subsidieperiode te verlengen. De subsidieperiode kan op grond van artikel 7, vierde lid, vier of vijf jaar duren en in bijzondere gevallen dus ook kan worden verlengd van vier naar vijf jaar. Voor al deze gevallen geldt dat de subsidieperiode wegens COVID-19 (nogmaals) kan worden verlengd tot in totaal zes jaar. Deze verlengingsmogelijkheid was reeds opgenomen in het oorspronkelijke artikel 32a, maar met deze wijzigingsregeling wordt artikel 32a uitgebreid en daarom opnieuw geredigeerd in overeenstemming met het nieuwe artikel 29a, eerste lid, onder a, van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo. Dat de Minister de subsidieperiode kan verlengen tot in totaal zes jaar, wil niet zeggen dat vierjarige projecten meteen een verlenging tot zes jaar kunnen krijgen: de Minister bepaald of dat in de gegeven situatie nodig is, ervan uitgaande dat het bevoegd gezag zich tot het redelijke inspant om alsnog zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke planning te blijven.

Het eerste lid, onder b, voorziet in de mogelijkheid om voortijdig met een entreeproject te stoppen als de verwachting is dat de begrote cofinanciering niet daadwerkelijk zal worden gerealiseerd en na afloop van de subsidieperiode ook niet aan de voorwaarden voor afwijking van de cofinancieringseisen op grond van het derde lid zal worden voldaan. Voortijdig stoppen zou er normaliter toe kunnen leiden dat een deel van de tot dan toe verstrekte subsidie wordt teruggevorderd wegens het niet voldoen aan de cofinancieringseisen. Bij toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid laat de Minister terugvordering om die reden achterwege. Wel worden de niet-bestede altijd middelen teruggevorderd op grond van artikel 5, tweede lid. Zie ook de toelichting bij het vijfde lid.

Het eerste lid, onder c, voorziet voorts in dezelfde mogelijkheid als het eerste lid, onder b, maar heeft betrekking op projecten die géén entreeprojecten zijn.

De aanvraag tot toepassing van deze drie afwijkingsmogelijkheden moet worden gedaan door het bevoegd gezag van de onderwijsinstelling die ook de subsidie heeft aangevraagd. De aanvraag kan gedurende de hele subsidieperiode worden gedaan, maar niet na afloop daarvan. De afwijkingsmogelijkheden na afloop van de subsidieperiode volgen uit het derde lid. De Minister besluit in beginsel binnen acht weken op de aanvraag, maar de beslistermijn kan eventueel worden verlengd op grond van artikel 4:14 van de Awb.

Derde en vierde lid

In artikel 32a, derde lid, onder a tot en met d, zijn de afwijkingsmogelijkheden na afloop van de subsidieperiode opgenomen. Alle afwijkingsmogelijkheden hebben betrekking op de cofinancieringseisen in de artikelen 10 en 13. Deze artikelen schrijven een bepaalde omvang van de cofinanciering en cofinancieringsverhouding tussen de cofinancieringspartijen onderling voor. Schematisch zien de cofinancieringseisen er als volgt uit, in procenten of delen van de meerjarenbegroting:

 

Entreeprojecten

Overige projecten

A. Subsidie

Ten hoogste 50% (art. 10, eerste lid, onder b)

Ten hoogste één derde deel (art. 13, tweede lid)

B. Cofinanciering arbeidsorganisaties, het georganiseerd bedrijfsleven en/of O&O-fondsen

Ten minste 25% en ten hoogste 50% (art. 10, eerste lid, onder c)

Ten minste één derde en ten hoogste twee derde deel (art. 13, derde lid)

C. Cofinanciering onderwijsinstellingen, regionale overheden, niet-bekostigde mbo-instellingen, bekostigde vmbo-scholen, bekostigde pro-scholen1, bekostigde vso-scholen2, bekostigde ho-instellingen en/of overige partijen

Ten hoogste 25%, waarvan ten hoogste 10% door de aanvragende onderwijsinstelling (art. 10, eerste lid, onder d en e)

Ten hoogste één derde deel, waarvan ten hoogste 10% door de aanvragende onderwijsinstelling (art. 13, vierde lid)

X Noot
1

Alleen in het geval van een entreeproject (zie art. 10, eerste lid, onder a).

X Noot
2

Alleen in het geval een entreeproject (zie art. 10, eerste lid, onder a).

Het derde lid, onder a, voorziet in de mogelijkheid om af te wijken van de cofinancieringsverhouding tussen de cofinancieringspartijen van een entreeproject onderling. Dit betekent dat de verhouding tussen de groepen B en C in het schema hierboven niet langer vastligt. Bekostigde scholen en instellingen mogen hiervoor echter géén bekostiging aanwenden, want het is niet de bedoeling dat het wegvallen van cofinanciering door groep B wordt opgevangen door middelen uit ’s Rijks kas voor meer dan 25% van de meerjarenbegroting. Wel zou een gemeente dat bijvoorbeeld kunnen doen.

Bovenstaande neemt niet weg dat het samenwerkingsverband op grond van artikel 12, derde lid, en 13, eerste lid, te allen tijde moet blijven bestaan uit in ieder geval één onderwijsinstelling en één arbeidsorganisatie en de aan het samenwerkingsverband deelnemende arbeidsorganisatie(s) te allen tijde iets aan cofinanciering moet(en) blijven inbrengen. Immers, anders zou het geheel geen publiek-private samenwerking meer zijn. Ook neemt het niet weg dat de aanvragende onderwijsinstelling op grond van artikel 13, vierde lid, tweede volzin, maximaal 10% van de meerjarenbegroting aan cofinanciering mag inbrengen en uitsluitend in de vorm van geld. Met andere woorden: er kan alleen worden afgeweken van de cofinancieringsverhoudingen tussen de groepen B en C zoals voorgeschreven door artikel 10, derde en vierde lid, maar de andere subsidieverplichtingen blijven gewoon gelden.

Het derde lid, onder b, voorziet in dezelfde mogelijkheid als het derde lid, onder a, maar heeft betrekking op projecten die géén entreeprojecten zijn. Zie rekenvoorbeeld 1:

Rekenvoorbeeld 1

Een project, niet zijnde een entreeproject, heeft de volgende inkomsten begroot in de meerjarenbegroting:

Begrote inkomsten

Bedrag

Percentage van meerjarenbegroting

Subsidie

€ 300.000,–

33%

Cofinanciering door arbeidsorganisaties, bedrijfsleven en/of O&O-fondsen

€ 450.000,–, waarvan:

– € 90.000,– door bedrijf A

– € 150.000,– door bedrijf B

– € 210.000,– door bedrijf C

50%

67%

Cofinanciering door onderwijsinstellingen, regionale overheden, niet-bekostigde mbo-instellingen, bekostigde vmbo-scholen, bekostigde ho-instellingen en/of andere partijen

€ 150.000,–, waarvan:

– € 45.000,– door aanvragende onderwijsinstelling D

– € 15.000,– door hogeschool E

– € 60.000,– door gemeente F

– € 30.000,– door gemeente G

17%

(D: 5%)

Totaal

€ 900.000,–

100%

Door COVID-19 heeft bedrijf B geen cofinanciering kunnen inbrengen. De aanvragende onderwijsinstelling D besluit zelf meer cofinanciering in te brengen, dit is binnen de reguliere mogelijkheden van de regeling toegestaan tot een maximum van 10% (in geld). Ook hogeschool E en gemeente G verhogen hun bijdrage. Het totaal aan cofinanciering door de onderwijsinstelling, hogeschool en gemeenten loopt hierdoor op tot 33% van de meerjarenbegroting. De gerealiseerde inkomsten zien er daardoor uiteindelijk uit als hieronder. Op grond van artikel 32a, derde lid, besluit de Minister dit toe te staan.

Begrote inkomsten

Bedrag

Percentage van meerjarenbegroting

Subsidie

€ 300.000,–

33%

Cofinanciering door arbeidsorganisaties, bedrijfsleven en/of O&O-fondsen

€ 300.000,–, waarvan:

– € 90.000,– door bedrijf A

– € 210.000,– door bedrijf C

33%

67%

Cofinanciering door onderwijsinstellingen, regionale overheden, niet-bekostigde mbo-instellingen, bekostigde vmbo-scholen, bekostigde ho-instellingen en/of andere partijen

€ 300.000,–, waarvan:

– € 90.000,– door aanvragende onderwijsinstelling D

– € 55.000,– door hogeschool E

– € 60.000,– door gemeente F

– € 95.000,– door gemeente G

33%

(D: 10%)

Totaal

€ 900.000,–

100%

Het derde lid, onder c, voorziet voorts voor entreeprojecten in de mogelijkheid om af te wijken van de vereiste hoogte van de cofinanciering en (dus) de verhouding met de subsidie. Zoals gezegd kan de subsidie voor entreeprojecten in totaal nooit meer bedragen dan 50% van de meerjarenbegroting. De cofinanciering moet dus ook altijd ten minste 50% van de meerjarenbegroting bedragen. Als de onderwijsinstelling minder cofinanciering realiseert dan begroot, kan de subsidie normaliter lager worden vastgesteld zodat deze verhouding intact blijft. Indien het gebrek aan gerealiseerde cofinanciering aan COVID-19 te wijten is, kan de Minister hiervan afwijken en de cofinancieringseis laten zakken tot ten minste 25% van de meerjarenbegroting. Realiseert de onderwijsinstelling echter nóg minder cofinanciering, komt de onderwijsinstelling niet in aanmerking voor afwijking van de subsidieverplichtingen. Zie rekenvoorbeeld 2:

Rekenvoorbeeld 2

Een entreeproject heeft de volgende inkomsten begroot in de meerjarenbegroting:

Begrote inkomsten

Bedrag

Percentage van meerjarenbegroting

Subsidie

€ 400.000,–

50%

Cofinanciering door arbeidsorganisaties, bedrijfsleven en/of O&O-fondsen

€ 300.000,–, waarvan:

– € 100.000,– door bedrijf A

– € 90.000 door bedrijf B

– € 60.000,– door bedrijf C

– € 50.000,– door bedrijf D

37,5%

50%

Cofinanciering door onderwijsinstellingen, regionale overheden, niet-bekostigde mbo-instellingen, bekostigde vmbo-, pro- of vso-scholen, bekostigde ho-instellingen en/of andere partijen

€ 100.000,–, waarvan:

– € 30.000,– door aanvragende onderwijsinstelling E

– € 20.000,– door een bekostigde vso-school F

– € 40.000 door gemeente G

– € 10.000,– door gemeente H

12,5%

Totaal

€ 800.000,–

100%

Door COVID-19 heeft bedrijf A geen cofinanciering kunnen inbrengen. De gerealiseerde inkomsten zien er daardoor uiteindelijk als volgt uit:

Gerealiseerde inkomsten

Bedrag

Percentage van meerjarenbegroting

Subsidie

€ 400.000,–

50%

Cofinanciering door arbeidsorganisaties, bedrijfsleven en/of O&O-fondsen

€ 200.000,–, waarvan:

– € 90.000 door bedrijf B

– € 60.000,– door bedrijf C

– € 50.000,– door bedrijf D

25%

37,5%

Cofinanciering door onderwijsinstellingen, regionale overheden, niet-bekostigde mbo-instellingen, bekostigde vmbo-, pro- of vso-scholen, bekostigde ho-instellingen en/of andere partijen

€ 100.000,–, waarvan:

– € 30.000,– door aanvragende onderwijsinstelling E

– € 20.000,– door vso-school F

– € 40.000 door gemeente G

– € 10.000,– door gemeente H

12,5%

Totaal

€ 700.000,–

87,5%

Uit artikel 10, eerste lid, onder b tot en met d, volgt dat de subsidie normaliter niet meer dan 50% van de meerjarenbegroting mag bedragen en de cofinanciering ten minste 50% van de meerjarenbegroting moet bedragen. Het maximale subsidiebedrag is dus gelijk aan de totale omvang van de cofinanciering, hier begroot op € 400.000,–. In dit geval is slechts € 300.000,– cofinanciering gerealiseerd, in plaats van de begrote € 400.000,–. Dit betekent dat de Minister de subsidie met € 100.000,– lager kan vaststellen, zodat zowel de subsidie als de cofinanciering € 300.000,– bedraagt. De Minister laat dit echter achterwege op grond van artikel 32a, derde lid, onder c.

Het derde lid, onder d, voorziet tot slot in dezelfde mogelijkheid als het derde lid, onder c, maar heeft betrekking de projecten die géén entreeproject zijn. Daarvoor kan de subsidie zoals gezegd in totaal nooit meer bedragen dan een derde deel van de meerjarenbegroting. Dit betekent dat de cofinanciering dus ook altijd minimaal twee derde deel van de meerjarenbegroting moet bedragen. Als een onderwijsinstelling minder cofinanciering realiseert dan begroot, kan de subsidie normaliter lager worden vastgesteld zodat deze verhouding intact blijft. Indien het gebrek aan gerealiseerde cofinanciering aan COVID-19 te wijten is, kan de Minister hiervan afwijken en de cofinancieringseis laten zakken tot ten minste een derde deel van de meerjarenbegroting. Realiseert de onderwijsinstelling echter nóg minder cofinanciering, komt de onderwijsinstelling niet in aanmerking voor afwijking van de subsidieverplichtingen. Zie rekenvoorbeeld 3:

Rekenvoorbeeld 3

Een project, niet zijnde een entreeproject, heeft de volgende inkomsten begroot in de meerjarenbegroting:

Begrote inkomsten

Bedrag

Percentage van meerjarenbegroting

Subsidie

€ 300.000,–

33%

Cofinanciering door arbeidsorganisaties, bedrijfsleven en/of O&O-fondsen

€ 450.000,–, waarvan:

– € 90.000,– door bedrijf A

– € 150.000,– door bedrijf B

– € 210.000,– door bedrijf C

50%

67%

Cofinanciering door onderwijsinstellingen, regionale overheden, niet-bekostigde mbo-instellingen, bekostigde vmbo-scholen, bekostigde ho-instellingen en/of andere partijen

€ 150.000,–, waarvan:

– € 60.000,– door aanvragende onderwijsinstelling D

– € 60.000,– door gemeente E

– € 30.000,– door gemeente F

17%

Totaal

€ 900.000,–

100%

Door COVID-19 heeft bedrijf B geen cofinanciering kunnen inbrengen. De gerealiseerde inkomsten zien er daardoor uiteindelijk als volgt uit:

Gerealiseerde inkomsten

Bedrag

Percentage van meerjarenbegroting

Subsidie

€ 300.000,–

33%

Cofinanciering door arbeidsorganisaties, bedrijfsleven en/of O&O-fondsen

€ 300.000-, waarvan:

– € 90.000,– door bedrijf A

– € 210.000,– door bedrijf C

33%

50%

Cofinanciering door bekostigde onderwijsinstellingen, regionale overheden, niet-bekostigde mbo-instellingen, bekostigde vmbo-scholen, bekostigde ho-instellingen en/of andere partijen

€ 150.000-, waarvan

– € 60.000,– door aanvragende onderwijsinstelling D

– € 60.000,– door gemeente E

– € 30.000,– door gemeente F

17%

Totaal

€ 750.000,–

83%

Uit artikel 13, tweede tot en met vierde lid, volgt dat de subsidie normaliter niet meer dan één derde deel van het meerjarenbegroting mag bedragen en de cofinanciering ten minste twee derde deel van de meerjarenbegroting moet bedragen. Het maximale subsidiebedrag is dus gelijk aan de helft van de cofinanciering. In dit geval is slechts € 450.000,– cofinanciering gerealiseerd, in plaats van de begrote € 600.000,–. Dit betekent dat het maximale subsidiebedrag geen € 300.000,– maar ½ x € 450.000,– = € 225.000,– zou moeten bedragen. De Minister kan de subsidie dus met € 300.000 – € 225.000,– = € 75.000,– lager vaststellen. De Minister laat dit echter achterwege op grond van artikel 32a, derde lid, onder d.

Het kan ook voorkomen dat er een combinatie tussen de afwijkingsmogelijkheden als bedoeld in artikel 32a, derde lid, nodig is. Zie rekenvoorbeeld 4:

Rekenvoorbeeld 4

Een project, niet zijnde een entreeproject, heeft de volgende inkomsten begroot in de meerjarenbegroting:

Begrote inkomsten

Bedrag

Percentage van meerjarenbegroting

Subsidie

€ 700.000,–

33%

Cofinanciering door arbeidsorganisaties, bedrijfsleven en/of O&O-fondsen

€ 740.000,–, waarvan:

– € 300.000,– door bedrijf A

– € 170.000,– door bedrijf B

– € 50.000,– door bedrijf C

– € 220.000 door O&O-fonds D

35%

67%

Cofinanciering door onderwijsinstellingen, regionale overheden, niet-bekostigde mbo-instellingen, bekostigde vmbo-, pro- of vso-scholen, bekostigde ho-instellingen en/of andere partijen

€ 680.000,–, waarvan:

– € 150.000,– door aanvragende onderwijsinstelling E

– € 130.000,– door gemeente F

– € 100.000,– door gemeente G

– € 150.000,– door niet-bekostigde mbo-instelling H

– € 150.000 door ho-instelling I

32%

Totaal

€ 2.120.000,–

100%

Door COVID-19 hebben bedrijf C en O&O-fonds D geen cofinanciering kunnen inbrengen. Wel heeft gemeente F aangeboden € 50.000,– meer in te brengen. De gerealiseerde inkomsten zien er daardoor uiteindelijk als volgt uit:

Gerealiseerde inkomsten

Bedrag

Percentage van meerjarenbegroting

Subsidie

€ 700.000,–

33%

Cofinanciering door arbeidsorganisaties, bedrijfsleven en/of O&O-fondsen (groep A)

€ 470.000,–, waarvan:

– € 300.000,– door bedrijf A

– € 170.000,– door bedrijf B

22%

56%

Cofinanciering door onderwijsinstellingen, regionale overheden, niet-bekostigde mbo-instellingen, bekostigde vmbo-scholen, bekostigde ho-instellingen en/of andere partijen (groep B)

€ 730.000,–, waarvan:

– € 150.000,– door aanvragende onderwijsinstelling E

– € 180.000,– door gemeente F

– € 100.000,– door gemeente G

– € 150.000,– door niet-bekostigde mbo-instelling H

– € 150.000 door ho-instelling I

34%

Totaal

€ 1.900.000,–

89%

Uit artikel 13, tweede tot en met vierde lid, volgt dat de subsidie normaliter niet meer dan een derde deel van de meerjarenbegroting mag bedragen en de cofinanciering ten minste twee derde deel van de meerjarenbegroting moet bedragen. In dit geval is slechts € 1.200.000,– gerealiseerd, in plaats van de begrote € 1.420.000,–. Dit betekent dat de Minister de subsidie € 700.000,– – ½ x € 1.200.000,– = € 100.000,– lager kan vaststellen. De Minister laat dit echter achterwege op grond van artikel 32a, derde lid, onder b.

Verder volgt uit artikel 13, derde en vierde lid, dat groep A ten minste één derde en ten hoogste twee derde deel en groep B ten hoogste een derde deel van de meerjarenbegroting aan cofinanciering moet inbrengen. In dit geval klopt de verhouding tussen de groepen A en B niet meer, nu groep A slechts 22% heeft ingebracht en groep B 34%. De Minister staat dit echter toe en laat terugvordering om deze reden achterwege op grond van artikel 32a, derde lid, onder d.

De aanvraag tot toepassing van deze afwijkingsmogelijkheden moet worden gedaan door het bevoegd gezag van de aanvragende onderwijsinstelling. Het afwijkingsverzoek kan niet gedurende de subsidieperiode worden gedaan, maar pas na afloop. Het afwijkingsverzoek moet vervolgens binnen tien weken na afloop van de subsidieperiode zijn gedaan. Dit is dezelfde termijn als de termijn waarbinnen de het bevoegd gezag de eindrapportage moet indienen. Vervolgens besluit de Minister in beginsel binnen tien weken op het afwijkingsverzoek. Dat is ook de tijd die DUS-I normaliter neemt om de eindrapportages te bekijken. De beslistermijn kan eventueel worden verlengd op grond van artikel 4:14 van de Awb. De subsidie wordt op grond van artikel 29, vijfde lid, vastgesteld binnen 52 weken na ontvangst van het jaarverslag over het laatste jaar van besteding. Het bevoegd gezag ontvangt het afwijkingsbesluit dus ruim voor het vaststellingsbesluit, zodat het wel alvast de zekerheid heeft dat van de subsidieverplichtingen mag worden afgeweken.

Vijfde lid

Artikel 32a, eerste lid, onder b en c, biedt de onderwijsinstelling zoals gezegd de mogelijkheid om tussentijds met het project te stoppen zonder dat de Minister subsidie terugvordert wegens het niet voldoen aan de cofinancieringseisen. Wel moeten de niet-bestede middelen, voor zover reeds ontvangen, worden terugbetaald. Artikel 32a, vijfde lid, bepaalt dat de Minister hier ook uit zichzelf toe kan besluiten, bijvoorbeeld als uit de tussentijdse beoordeling of een melding op grond van artikel 5.7 van de Kaderregeling blijkt dat het project niet meer aan (de voorwaarden voor afwijking van) de subsidieverplichtingen kan voldoen.

Overigens heeft de Minister op grond van artikel 4:48 van de Awb altijd de mogelijkheid om de subsidieverlening uit zichzelf tussentijds te beëindigen als de subsidieontvanger niet aan de subsidieverplichtingen voldoet. In artikel 28, derde lid, is nog eens gespecificeerd dat dit ook op basis van de tussentijdse beoordeling kan. Ook heeft de Minister op grond van artikel 4:47 van de Awb reeds de mogelijkheid om een eventuele terugvordering (gedeeltelijk) achterwege te laten of te matigen. Uit het oogpunt van rechtszekerheid is ervoor gekozen het beleid van de Minister in dit specifieke geval bij regeling vast te leggen.

Artikel II, onderdeel J (wijziging Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022 in verband met aanvullingen op subsidieverplichtingen wegens COVID-19)

In het nieuwe artikel 32b is een aantal aanvullingen op de subsidieverplichtingen opgenomen in verband met COVID-19. Dit wordt hierna per lid toegelicht.

Eerste lid

De voortgangsrapportage bevat op grond van artikel 27, eerste lid, een aantal verplichte onderdelen. Eventuele gevolgen van COVID-19 op de voortgang van het project zullen daar meestal reeds uit blijken. Zo kan COVID-19 ertoe leiden dat het activiteitenplan en/of de meerjarenbegroting moeten worden aangepast. Voor de volledigheid stelt het nieuwe artikel 32b, eerste lid, de aanvullende verplichting om de gevolgen van COVID-19 expliciet in de voortgangsrapportage op te nemen, evenals een beschrijving van de in dat verband genomen beheersmaatregelen en eventuele onzekerheden. In het formulier voor de voortgangsrapportage zal hiervoor een extra veld worden opgenomen. Op die manier wordt geborgd dat de gevolgen van COVID-19 inzichtelijk zijn en de beoordelingscommissie en Minister daar rekening mee kunnen houden (zie het tweede en derde lid).

De aanvullende verplichting om een beschrijving van de invloed van COVID-19 te geven, geldt alleen voor projecten waarop de invloed van COVID-19 groot is. Het is aan de onderwijsinstelling om te bepalen wanneer daarvan sprake is, maar het geven van een dergelijke beschrijving is ook in het belang van de onderwijsinstelling zelf. De beschrijving kan namelijk helpen om een eventueel afwijkingsverzoek als bedoeld in artikel 32a, eerste lid, te onderbouwen. De onderwijsinstelling kan ervoor kiezen dat afwijkingsverzoek meteen in de voortgangsrapportage doen, maar dat hoeft niet en kan ook separaat of op een ander tijdstip gedurende de subsidieperiode.

Een afwijkingsverzoek als bedoeld in artikel 32a, derde lid, kan daarentegen pas na afloop van de subsidieperiode worden gedaan. Ook daarvoor geldt echter dat een beschrijving van de invloed van COVID-19 in de voortgangsrapportage, tezamen met eenzelfde beschrijving in de eindrapportage (zie het vierde lid), kan helpen om dat afwijkingsverzoek te onderbouwen.

Er kunnen tot slot zodanig veel onzekerheden of variabelen zijn dat niet alle onderdelen van de voortgangsrapportage volledig kunnen worden ingevuld. Zo kunnen het activiteitenplan en/of de meerjarenbegroting door COVID-19 gaten bevatten, niet het gewenste detailniveau hebben of afhankelijk zijn van meerdere scenario’s. Ook dat kan worden toegelicht in het extra veld. Als de maatregelen ter bestrijding van COVID-19 raken aan de uitvoering van de activiteiten, kan de onderwijsinstelling bijvoorbeeld toelichten wat de mogelijkheden zijn om de activiteiten in aangepaste vorm te laten doorgaan. In het geval er door COVID-19 cofinanciering is weggevallen en de aangepaste meerjarenbegroting niet dekkend is, kan de onderwijsinstelling bijvoorbeeld toelichten hoe zij van plan is die cofinanciering alsnog te realiseren en waar zij naar andere cofinancieringspartners gaat zoeken. Zodra een en ander wel duidelijk is, dient op grond van artikel 5.7 van de Kaderregeling een melding aan DUS-I te worden gedaan. De Minister kan ook zelf om een aanpassing of aanvulling van de voortgangsrapportage verzoeken (zie het derde lid).

Tweede lid

De voortgangsrapportage wordt beoordeeld door de beoordelingscommissie. Indien de onderwijsinstelling op grond van artikel 32b, eerste lid, een beschrijving van de invloed van COVID-19 in de voortgangsrapportage heeft opgenomen, kan de beoordelingscommissie dit op grond van artikel 32b, tweede lid, onder a, in haar beoordeling meewegen. Voor de duidelijkheid is dit ook opgenomen in het beoordelingskader in bijlage 2 bij de regeling (zie artikel II, onderdeel K).

Ten tweede kan de beoordelingscommissie op grond van artikel 32b, tweede lid, onder b, rekening houden met de afwijkingsmogelijkheden die de Minister heeft. Voor een onderwijsinstelling die naar verwachting niet alle cofinanciering zal realiseren, kan de beoordelingscommissie bijvoorbeeld alvast uitgaan van de verlaagde cofinancieringseisen. Dat het project waarschijnlijk niet aan alle subsidieverplichtingen zal voldoen, hoeft op die manier niet tot een negatieve tussentijdse beoordeling te leiden. Indien de beoordelingscommissie hiervoor kiest, betekent dat overigens niet dat een (later) afwijkingsverzoek ook zal worden gehonoreerd. Dat is namelijk aan de Minister en hangt ervan af of de onderwijsinstelling zich tot in het redelijke heeft ingespannen om ondanks COVID-19 aan de subsidieverplichtingen te voldoen, bijvoorbeeld door de in de voortgangsrapportage geschetste beheersmaatregelen ook daadwerkelijk uit te voeren.

De beoordelingscommissie kan de Minister op grond van artikel 32b, tweede lid, onder c, ten derde adviseren een termijn te stellen waarbinnen de onderwijsinstelling de voortgangsrapportage moet aanpassen of aanvullen of de Minister anderszins over de nadere ontwikkelingen rondom COVID-19 moet informeren. De beoordelingscommissie kan hier bijvoorbeeld voor kiezen als er nog teveel informatie mist, er nog teveel onzeker is of een goede voortgang van een project afhangt van het slagen van een belangrijke beheersmaatregel.

Ten vierde kan de beoordelingscommissie de Minister op grond van artikel 32b, tweede lid, onder d, adviseren gebruik te maken van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 32a, vijfde lid. Deze bevoegdheid houdt in dat de Minister uit zichzelf kan besluiten om een project te stoppen zonder daarbij subsidie terug te vorderen wegens het niet voldoen aan de cofinancieringseisen. De beoordelingscommissie kan dit bijvoorbeeld doen als zij geen vertrouwen meer heeft in een goede voortgang van een project en het onwaarschijnlijk is dat het project aan de voorwaarden voor afwijking zal voldoen, maar wel ziet dat de onderwijsinstelling zich heeft ingespannen.

Er is tot slot voor gekozen om niet gedetailleerd uit te werken wanneer de beoordelingscommissie van een of meer van bovenstaande mogelijkheden gebruik maakt en bij welke criteria, deelaspecten en voorwaarden in het beoordelingskader de beoordelingscommissie de beoordelingscommissie rekening met COVID-19 houdt. Op die manier heeft de beoordelingscommissie de flexibiliteit om een evenwichtig, integraal oordeel te vellen en rekening te houden met de verscheidenheid aan gevallen. Daarbij is vooral van belang of de invloed van COVID-19 die de onderwijsinstelling beschrijft aannemelijk is en de voorgestelde beheersmaatregelen realistisch en effectief zullen zijn. Ook is van belang dat de beoordelingscommissie er vertrouwen in heeft dat de onderwijsinstelling zich voor een goede voortgang van het project heeft ingespannen en zal blijven inspannen.

Derde lid

De beoordelingscommissie beoordeelt de voortgangsrapportage en geeft de Minister op basis daarvan een advies ten behoeve van de tussentijdse beoordeling. Evenals de beoordelingscommissie kan de Minister daarbij de gevolgen van COVID-19 meewegen en rekening houden met de eigen afwijkingsmogelijkheden op grond van artikel 32b, derde lid, onder a en b.

Ook kan de Minister op grond van artikel 32b, derde lid, onder c, het advies van de commissie overnemen om de onderwijsinstelling een termijn te geven waarbinnen de onderwijsinstelling de voortgangsrapportage moet aanpassen of aanvullen of de Minister anderszins over de nadere ontwikkelingen moet informeren. Indien de onderwijsinstelling de gevraagde informatie niet tijdig verstrekt, kan de Minister artikel 28, vijfde lid, overeenkomstig toepassen. Dit houdt in dat de Minister een of meer van de eerstvolgende voorschotten verlaagt voor elke maand dat de informatie te laat is verstrekt.

Tot slot kan de Minister gebruik maken van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 32a, vijfde lid. Deze bevoegdheid houdt in dat de Minister uit zichzelf kan besluiten om een project te stoppen zonder daarbij subsidie terug te vorderen wegens het niet voldoen aan de cofinancieringseisen. De Minister kan hier op elk moment toe besluiten, waaronder de tussentijdse beoordeling. Artikel 32b, derde lid, onder d, beschrijft daarom het specifieke geval van samenloop van artikel 32a, vijfde lid, met de tussentijdse beoordeling zoals geregeld door artikel 28. Normaliter heeft de Minister op grond van artikel 28, derde lid, de mogelijkheid om de subsidieverlening naar aanleiding van de tussentijdse beoordeling te verlagen of te beëindigen. Daarbij kan het voorkomen dat de eerder verstrekte voorschotten worden teruggevorderd wegens het niet voldoen aan de cofinancieringseisen. De bevoegdheid als bedoeld in artikel 32a, vijfde lid, houdt in dat de Minister een dergelijke terugvordering juist achterwege laat. Bij de tussentijdse beoordeling heeft de Minister dus de keuze om artikel 28, derde lid, of artikel 32a, vijfde lid, in te zetten. Dit hangt ervan af of de onderwijsinstelling zich tot in het redelijke heeft ingespannen om ondanks COVID-19 aan de subsidieverplichtingen te voldoen.

Indien de Minister er inderdaad voor kiest om in plaats van artikel 28, derde lid, artikel 32a, vijfde lid, in te zetten, geldt de termijn zoals opgenomen in artikel 28, vierde lid, niet. Deze termijn houdt in dat de Minister binnen vier weken na ontvangst van het advies van de commissie moet besluiten tot inzet van artikel 28, derde lid, zodat het project zo snel mogelijk zekerheid heeft over eventuele negatieve consequenties naar aanleiding van de voortgangsrapportage. De reden dat deze termijn bij inzet van artikel 32a, vijfde lid, niet geldt, is dat de Minister in sommige gevallen nog zal willen wachten op de aanvullende informatie waar zij de onderwijsinstelling om heeft gevraagd op grond van 32b, derde lid, onder c. Dit neemt uiteraard niet weg dat de Minister de onderwijsinstelling binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvullende informatie over de eventuele negatieve consequenties zal moeten informeren.

Vierde lid

Indien COVID-19 grote invloed op de doelrealisatie van het project heeft gehad, ligt het vervolgens voor de hand om deze invloed in de eindrapportage te beschrijven. De projecten waarvoor dit geldt krijgen met artikel 32b, vierde lid, daarom de aanvullende verplichting om expliciet in de eindrapportage te beschrijven waaruit die invloed heeft bestaan en welke maatregelen de onderwijsinstelling heeft genomen om een goede doelrealisatie desondanks zoveel mogelijk te waarborgen. Het is aan de onderwijsinstelling om te bepalen wanneer van een ‘grote invloed’ sprake is, maar het geven van deze beschrijving kan onderwijsinstelling helpen om een eventueel afwijkingsverzoek als bedoeld in artikel 32a, derde lid, goed te onderbouwen. De onderwijsinstelling kan de eindrapportage desgewenst gebruiken om dat afwijkingsverzoek meteen te doen, maar dat hoeft niet en kan ook separaat – zolang het verzoek maar uiterlijk binnen 10 weken na van de subsidieperiode wordt gedaan.

Artikel II, onderdeel K (wijziging Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022 in verband met afwijkingsmogelijkheden COVID-19 bij beoordeling voortgangsrapportage)

Bijlage 2 van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022 bevat een tabel waarin de criteria aan de hand waarvan de voortgangsrapportage wordt beoordeeld nader worden bepaald. Onderdeel J regelt dat onder die tabel wordt toegelicht dat de beoordelingscommissie een eventuele beschrijving van de invloed van de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding daarvan meeweegt in de beoordeling van de criteria.

Artikel III (inwerkingtreding)

De regeling treedt een dag na publicatie in werking. Hiermee wordt afgeweken van de vaste minimuminvoeringstermijn, aangezien het van belang is dat de lopende RIF-projecten zo snel mogelijk kennis van de afwijkingsmogelijkheden hebben en daar ook gebruik van kunnen maken.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven


X Noot
2

Zie bijvoorbeeld artikel 27, eerste lid, onder c en d, van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022.

X Noot
3

Voluit de partijen genoemd in artikel 10, vierde lid, van de Regeling investeringsfonds mbo of artikel 10, eerste lid, onder d, of 13, vierde lid, van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022.

X Noot
4

Afwijking van artikel 17 is niet nodig, omdat er geen projecten voor het doelmatiger organiseren van het opleidingsaanbod meer lopen.

X Noot
5

In het geval de vrijwilligers een vrijwilligersvergoeding ontvangen, dient de onderwijsinstelling dus te onderbouwen dat dit een vergoeding is die in het zakelijk verkeer gebruikelijk is. Zie bijvoorbeeld de maxima die de Belastingdienst hanteert voor onbelaste vrijwilligersvergoedingen: https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/prive/werk_en_inkomen/werken/werken-als-vrijwilliger/vrijwilligersvergoedingen/vrijwilligersvergoedingen.

Naar boven