Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en SportStaatscourant 2021, 4754Besluiten van algemene strekking

Beleidsregel van de Minister voor Medische Zorg van 26 januari 2021,kenmerk 1812008-217025-S, tot tegemoetkoming in de schade geleden door amateursportorganisaties en tot tegemoetkoming in gederfde huurinkomsten van verhuurders van sportaccommodaties in verband met COVID-19 (Beleidsregel tegemoetkoming amateursportorganisaties en verhuurders sportaccommodaties COVID-19)

De Minister voor Medische Zorg,

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1. Begripsbepaling

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

amateursport:

activiteiten op het gebied van sport die niet worden uitgeoefend in loondienst of als bezoldigde dienst, ongeacht of er een formele arbeidsovereenkomst is opgesteld tussen de sportbeoefenaar en de sportorganisatie;

amateursportorganisatie:

een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid zonder winstoogmerk die als doelstelling heeft amateursport voor lokale gebruikers aan te bieden;

bondsafdrachten:

25% van de afdrachten die de aanvrager in het betreffende boekjaar verschuldigd is aan een sportbond aangesloten bij NOC*NSF;

doorlopende lasten:

de lasten voor gas, water, licht, onderhoud, belastingen en heffingen, en hypotheeklasten of andere kosten gerelateerd aan leningen en verzekeringen die direct betrekking hebben op het gebruik van de sportaccommodatie in beheer of eigendom van de amateursportorganisatie, niet zijnde huurverplichtingen;

gebruiksgebonden huur:

de huur van een sportaccommodatie die verschuldigd is per uur of dagdeel dat de accommodatie wordt gebruikt;

huurinkomsten:

inkomsten uit de verhuur van sportaccommodaties aan amateursportorganisaties;

kantineresultaat:

het totaal aan inkomsten uit verkoop minus de inkoopkosten van de sportkantine in eigendom of beheer van de aanvrager in het laatst afgesloten boekjaar, gedeeld door vier;

minister:

Minister voor Medische Zorg;

niet-gebruiksgebonden huur:

de huur van een sportaccommodatie die periodiek verschuldigd is, ongeacht de mate waarin de sportaccommodatie daadwerkelijk gebruikt wordt;

NOW:

Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid;

omzetverlies:

verschil tussen het totaal van inkomsten uit de sportkantine, sponsoring, fondsenwervende activiteiten, entreegelden, subsidies, begrote contributie en verhuur van de accommodatie van de amateursportorganisatie die betrekking hebben op Q4 2020 en het totaal van deze inkomsten die betrekking hebben op de periode van 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019;

particuliere verhuurder:

verhuurder, niet zijnde een gemeente of sportbedrijf, die een sportaccommodatie ter beschikking stelt aan een amateursportorganisatie en hiervoor een huursom ontvangt;

personeelskosten:

de loonkosten voor personeel in dienst van de amateursportorganisatie en de inhuur van personeel;

Q4 2020:

de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020;

SBI-code:

code van de Standaard Bedrijfsindeling zoals gehanteerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek waarmee de economische hoofd- of nevenactiviteiten van een bedrijf wordt weergegeven in het handelsregister;

sportaccommodatie:

voorziening, bestemd en in gebruik voor activiteiten op het gebied van amateursport;

sportbedrijf:

een aan een gemeente verbonden lichaam, zoals beschreven in de Beleidsregels inhoudende de beoordeling van aanvragen van gemeenten voor de Regeling specifieke uitkering stimulering sport;

Tozo:

Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers;

TVL:

Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19.

HOOFDSTUK 2. TEGEMOETKOMING AMATEURSPORTORGANISATIES COVID-19: Q4 2020

Artikel 2.1. Verstrekking tegemoetkoming

  • 1. De minister kan op aanvraag een tegemoetkoming verstrekken aan een amateursportorganisatie die in Q4 2020 ten minste 10% omzetverlies heeft geleden als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19.

  • 2. Een amateursportorganisatie komt in aanmerking voor een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 2 indien de amateursportorganisatie:

    • a. een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid is;

    • b. geen winstoogmerk heeft; en

    • c. in het handelsregister staat ingeschreven met een SBI-code uit bijlage I.

  • 3. Een amateursportorganisatie komt slechts eenmaal in aanmerking voor een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 2.

  • 4. De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid, indien de aanvrager voor de financiële schade, bedoeld in artikel 2.2, reeds een subsidie ontvangt op grond van de TVL, tenzij de tegemoetkoming uitsluitend betrekking heeft op personeelskosten die niet reeds geheel of gedeeltelijk op grond van de NOW of de Tozo zijn gecompenseerd.

Artikel 2.2. Financiële schade

  • 1. Voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, komt de financiële schade in aanmerking die de aanvrager als het gevolg van de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19 in Q4 2020 heeft geleden.

  • 2. De financiële schade die de aanvrager in Q4 2020 heeft geleden, wordt vastgesteld op grond van:

    • a. de doorlopende lasten gerelateerd aan de sportaccommodatie in eigendom of beheer van de aanvrager;

    • b. de personeelskosten die niet reeds geheel of gedeeltelijk op grond van de NOW of de Tozo zijn gecompenseerd;

    • c. de bondsafdrachten van de aanvrager; en

    • d. het kantineresultaat van de aanvrager.

Artikel 2.3. Hoogte van de tegemoetkoming

De tegemoetkoming is afhankelijk van de financiële schade, bedoeld in artikel 2.2, van de aanvrager en bedraagt:

Financiële schade in Q4 2020

Tegemoetkoming (forfaitair)

€ 1.500 t/m € 5.000

€ 1.500

€ 5.001 t/m € 8.500

€ 3.000

€ 8.501 t/m € 12.000

€ 4.500

€ 12.001 t/m € 15.500

€ 6.000

€ 15.501 t/m € 19.000

€ 7.500

€ 19.001 t/m € 23.000

€ 9.000

€ 23.001 t/m € 27.500

€ 10.500

€ 27.501 en hoger

€ 12.500

Artikel 2.4. Het beschikbare bedrag en wijze van verdeling

  • 1. Het totaal beschikbare bedrag voor het verstrekken van een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, bedraagt € 29.000.000.

  • 2. Indien het totaal aangevraagde bedrag het totaal beschikbare bedrag, bedoeld in het eerste lid, overschrijdt, wordt het totaal beschikbare bedrag naar rato verdeeld over de aanvragen die in de aanvraagperiode zijn ontvangen.

  • 3. Artikel 4:25, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op het verstrekken van tegemoetkomingen op grond van hoofdstuk 2.

Artikel 2.5. De aanvraag

  • 1. Voor de aanvraag wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.

  • 2. De aanvraag voor een tegemoetkoming kan worden ingediend in de periode van 19 februari 2021 tot en met 5 april 2021.

Artikel 2.6. Verlening en uitbetaling

  • 1. De minister beslist binnen dertien weken na sluiting van de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 2.5, tweede lid, op een aanvraag voor een tegemoetkoming.

  • 2. De verlening van een tegemoetkoming kan in ieder geval worden geweigerd indien:

    • a. de aanvrager in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid; of

    • b. een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de aanvrager niet op behoorlijke wijze zal kunnen aantonen dat hij voldoet aan de voorwaarden uit hoofdstuk 2 van deze beleidsregel.

  • 3. De minister verleent bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, een voorschot van 100% dat in één keer wordt uitbetaald.

Artikel 2.7. Vaststelling tegemoetkoming

  • 1. De minister kan een steekproef uitvoeren voor de vaststelling van de tegemoetkoming.

  • 2. Op verzoek van de minister toont de ontvanger van een tegemoetkoming na de verlening aan dat hij voldoet aan de voorwaarden uit hoofdstuk 2 van deze beleidsregel door het overleggen van:

    • a. een overzicht van de omzet van de amateursportorganisatie waaruit blijkt dat deze ten opzichte van de periode van 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019 een omzetverlies van ten minste 10% heeft geleden in Q4 2020;

    • b. de facturen of contracten op naam van de amateursportorganisatie voor haar doorlopende lasten of personeelskosten;

    • c. de factuur op naam van de amateursportorganisatie of een mededeling van de sportbond aan de amateursportorganisatie waarin de hoogte van de bondsafdracht is genoemd;

    • d. indien een factuur of contract, bedoeld in onderdeel b, of een factuur of mededeling, bedoeld in onderdeel c, meer dan € 1.000 bedraagt, een betalingsbewijs, waaruit blijkt dat de amateursportorganisatie de doorlopende lasten, personeelskosten of bondsafdracht heeft betaald;

    • e. de jaarrekening van het laatst afgesloten boekjaar;

    • f. een overzicht van de loonkosten; en

    • g. een besluit tot toekenning van de tegemoetkoming of subsidie op grond van de TVL, de NOW en de Tozo.

  • 3. Indien de tegemoetkoming niet binnen de steekproef als bedoeld in het eerste lid valt, wordt de tegemoetkoming uiterlijk na 1 augustus 2022 ambtshalve vastgesteld tot ten hoogste het bedrag waarvan de hoogte door de minister bij de verlening is genoemd.

  • 4. Indien de tegemoetkoming binnen de steekproef als bedoeld in het eerste lid valt, wordt de tegemoetkoming binnen dertien weken na ontvangst van de gegevens als bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met g, vastgesteld tot ten hoogste het bedrag waarvan de hoogte door de minister bij de verlening is genoemd.

Artikel 2.8. Terugvordering

  • 1. De minister kan de verlening of vaststelling van de tegemoetkoming intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen indien:

    • a. de ontvanger van de tegemoetkoming onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere verleningsbeschikking zou hebben geleid; of

    • b. de verlening of vaststelling van de tegemoetkoming anderszins onjuist was en de aanvrager dit wist, dan wel behoorde te weten.

  • 2. De minister kan onverschuldigd betaalde bedragen aan tegemoetkoming terugvorderen.

HOOFDSTUK 3. TEGEMOETKOMING VERHUURDERS SPORTACCOMMODATIES COVID-19: Q4 2020

Artikel 3.1. Verstrekking tegemoetkoming

  • 1. De minister kan op aanvraag een tegemoetkoming verstrekken aan een gemeente, sportbedrijf of particuliere verhuurder voor de in Q4 2020 gederfde huurinkomsten als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19.

  • 2. Een gemeente, sportbedrijf of particuliere verhuurder komt slechts in aanmerking voor een tegemoetkoming indien de huurinkomsten als bedoeld in artikel 3.2, onder a en b, daadwerkelijk zijn kwijtgescholden.

  • 3. Een gemeente, sportbedrijf of particuliere verhuurder komt slechts eenmaal in aanmerking voor een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 3.

  • 4. De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid indien de aanvrager voor de in Q4 2020 gederfde huurinkomsten reeds een subsidie ontvangt op grond van de TVL.

Artikel 3.2. Gederfde huurinkomsten

De hoogte van de tegemoetkoming voor een gemeente, sportbedrijf of particuliere verhuurder is afhankelijk van de omvang van de gederfde huurinkomsten en bedraagt:

  • a. de totaal kwijtgescholden huurinkomsten voor gebruiksgebonden huur in Q4 2020; en

  • b. de totaal kwijtgescholden huurinkomsten voor niet-gebruiksgebonden huur, tot een maximum van 45% van de door de amateursportorganisatie verschuldigde huursom in Q4 2020.

Artikel 3.3. Het beschikbare bedrag en wijze van verdeling

  • 1. Het totaal beschikbare bedrag voor het verstrekken van een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, bedraagt € 30.000.000.

  • 2. Indien het totaal aangevraagde bedrag het totaal beschikbare bedrag, bedoeld in het eerste lid, overschrijdt, wordt het totaal beschikbare bedrag naar rato verdeeld over de aanvragen die in de aanvraagperiode zijn ontvangen.

  • 3. Artikel 4:25, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op het verstrekken van tegemoetkomingen op grond van hoofdstuk 3.

Artikel 3.4. De aanvraag

  • 1. Voor de aanvraag wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.

  • 2. De aanvraag voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 3.1 kan worden ingediend in de periode van 9 maart 2021 tot en met 3 mei 2021.

  • 3. De aanvraag van een particuliere verhuurder gaat vergezeld van een overzicht van de door de aanvrager kwijtgescholden gebruiksgebonden en niet-gebruiksgebonden huur per amateursportorganisatie.

Artikel 3.5. Verlening en uitbetaling

  • 1. De minister beslist binnen dertien weken na sluiting van de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, op een aanvraag voor een tegemoetkoming.

  • 2. De verlening van een tegemoetkoming kan in ieder geval worden geweigerd indien:

    • a. de aanvrager in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid; of

    • b. een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de aanvrager niet op behoorlijke wijze zal kunnen aantonen dat hij voldoet aan de voorwaarden uit hoofdstuk 3 van deze beleidsregel.

  • 3. De minister verleent bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, een voorschot van 100% dat in één keer wordt uitbetaald.

Artikel 3.6. Vaststelling tegemoetkoming tot € 100.000

  • 1. Indien de tegemoetkoming minder dan €100.000 bedraagt, kan de minister een steekproef uitvoeren voor de vaststelling van de tegemoetkoming.

  • 2. Op verzoek van de minister toont de ontvanger na de verlening aan dat hij voldoet aan de voorwaarden uit hoofdstuk 3 van deze beleidsregel door het overleggen van in ieder geval:

    • a. een overzicht van de kwijtgescholden huur per amateursportorganisatie in Q4 2020;

    • b. een mededeling van de gemeente, het sportbedrijf of de particuliere verhuurder aan de amateursportorganisaties dat de huur gedurende Q4 2020 is kwijtgescholden.

  • 3. Indien de tegemoetkoming niet binnen de steekproef als bedoeld in het eerste lid valt, wordt de tegemoetkoming uiterlijk na 12 november 2022 ambtshalve vastgesteld tot ten hoogste het bedrag waarvan de hoogte door de minister bij de verlening is genoemd.

  • 4. Indien de tegemoetkoming binnen de steekproef als bedoeld in het eerste lid valt, wordt de tegemoetkoming binnen dertien weken na ontvangst van de gegevens als bedoeld in het tweede lid, onder a en b, vastgesteld tot ten hoogste het bedrag waarvan de hoogte door de minister bij de verlening is genoemd.

Artikel 3.7. Vaststelling tegemoetkoming vanaf € 100.000

  • 1. Indien de tegemoetkoming meer dan € 100.000 bedraagt, dient de ontvanger, om aan te tonen dat hij voldoet aan de voorwaarden uit hoofdstuk 3 van deze beleidsregel, in de periode van 6 september 2021 tot en met 24 oktober 2021 een aanvraag tot vaststelling in.

  • 2. Voor de aanvraag tot vaststelling van de tegemoetkoming wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.

  • 3. De aanvraag tot vaststelling gaat in ieder geval vergezeld van:

    • a. een overzicht van de kwijtgescholden huur per amateursportorganisatie in Q4 2020;

    • b. een mededeling van de gemeente, het sportbedrijf of de particuliere verhuurder aan de amateursportorganisaties dat de huur gedurende Q4 2020 is kwijtgescholden.

  • 4. De minister besluit binnen dertien weken op een aanvraag tot vaststelling.

Artikel 3.8. Terugvordering

  • 1. De minister kan de verlening of vaststelling van de tegemoetkoming intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen indien:

    • a. de ontvanger van de tegemoetkoming onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere verleningsbeschikking zou hebben geleid; of

    • b. de verlening of vaststelling van de tegemoetkoming anderszins onjuist was en de aanvrager dit wist, dan wel behoorde te weten.

  • 2. De minister kan onverschuldigd betaalde bedragen aan tegemoetkoming terugvorderen.

HOOFDSTUK 4. SLOTBEPALINGEN

Artikel 4.1. Inwerkingtreding en vervaldatum

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 19 februari 2021 en vervalt met ingang van 31 december 2022.

Artikel 4.2. Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel tegemoetkoming amateursportorganisaties en verhuurders sportaccommodaties COVID-19.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Medische Zorg, T. van Ark

BIJLAGE BEHORENDE BIJ ARTIKEL 1.1. VAN DE BELEIDSREGEL TEGEMOETKOMING AMATEURSPORTORGANISATIES EN VERHUURDERS SPORTACCOMMODATIES COVID-19: ACTIVITEITEN MET DE DAARBIJ BEHORENDE CODE VAN DE STANDAARD BEDRIJFSINDELING (SBI-CODE)

SBI-code

Omschrijving activiteit

85.51

Sport- en recreatieonderwijs

85.51.9

Overig sport- en recreatieonderwijs

93.11

Sportaccommodaties

93.11.1

Zwembaden

93.11.2

Sporthallen, sportzalen en gymzalen

93.11.3

Sportvelden

93.11.9

Overige sportaccommodaties

93.12

Buitensport

93.12.1

Veldvoetbal

93.12.2

Veldsport in teamverband (geen voetbal)

93.12.3

Atletiek

93.12.4

Tennis

93.12.5

Paardensport en maneges

93.12.6

Wielersport

93.12.7

Auto- en motorsport

93.12.8

Wintersport

93.12.9

Overige buitensport

93.14

Binnensport

93.14.1

Individuele zaalsport

93.14.2

Zaalsport in teamverband

93.14.3

Kracht- en vechtsport

93.14.4

Bowlen, kegelen, biljarten e.d.

93.14.5

Denksport

93.14.9

Overige binnensport en omnisport

93.15

Watersport

93.15.1

Zwem- en onderwatersport

93.15.2

Roei-, kano-, zeil- en surfsport e.d.

93.19

Overige sportactiviteiten

93.19.2

Hengelsport

93.19.6

Overkoepelende organen en samenwerkings- en adviesorganen op het gebied van sport

93.19.9

Overige sportactiviteiten (rest)

TOELICHTING

Algemeen deel

Inleiding

Het kabinet heeft besloten dat sportverenigingen extra ondersteund dienen te worden voor de financiële gevolgen die zij ondervinden door de maatregelen om de verdere verspreiding van COVID-19 of het Coronavirus te beperken. Hiervoor zijn vorig jaar al twee tegemoetkomingsregelingen opgesteld:

  • 1. Beleidsregel tegemoetkoming amateursportorganisaties COVID-19 II (hierna: TASO II) voor sportverenigingen; en

  • 2. Beleidsregel tegemoetkoming verhuurders sportaccommodaties COVID-19 (hierna: TVS) voor verhuurders van sportaccommodaties.

In de Kamerbrief van de minister van EZK van 27 oktober 20201 is een extra steunpakket aangekondigd.

In de periode van 1 oktober tot en met 31 december 2020 zijn sportverenigingen opnieuw geconfronteerd met maatregelen ter bestrijding van COVID-19, zoals de sluiting van sportkantines en een verbod op wedstrijden en beperkingen in de trainingsmogelijkheden voor volwassen sporters. Hierdoor vallen voor hen belangrijke inkomstenbronnen weg - zoals kantineomzet en inkomsten van toernooien - en kunnen ze slechts beperkt gebruik maken van dezelfde ruimte, waardoor inkomsten en uitgaven niet meer in verhouding staan. Voor deze effecten wil het kabinet een nieuwe compensatie beschikbaar stellen, in de lijn van de oude TASO II en TVS, maar toegespitst op de problematiek die de sportverenigingen nu ervaren.

Het Mulier Instituut monitort in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS) de financiële en organisatorische effecten van de Coronacrisis op de sport. In haar laatste rapport wordt de schade in 2020 bij sportverenigingen als gevolg van de Coronacrisis geschat op € 107 miljoen.

Op grond van deze nieuwe Beleidsregel tegemoetkoming amateursportorganisaties en verhuurders sportaccommodaties COVID-19 (hierna: Beleidsregel) wordt daarom een financiële bijdrage beschikbaar gesteld voor:

  • de financiële schade van amateursportorganisaties die tijdens de tweede periode van de maatregelen ter bestrijding van COVID-19 (de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020) geconfronteerd zijn met een omzetverlies van minimaal 10% ten opzichte van de periode van 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019; en

  • de gederfde huurinkomsten van gemeenten, sportbedrijven en particuliere verhuurders tijdens de tweede periode van de maatregelen ter bestrijding van COVID-19 (de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020).

Opzet

De Beleidsregel beoogt ten eerste de financiële schade te beperken die amateursportorganisaties ervaren, primair om ze op de korte termijn niet te laten omvallen door de onmiddellijke financiële effecten van de Coronacrisis, en secundair om te zorgen dat amateursportorganisaties ook op langere termijn in staat blijven om investeringen te doen in de kwaliteit van het sportaanbod.

Onderhavige Beleidsregel beoogt ten tweede verhuurders van sportaccommodaties te stimuleren om de huur van de amateursportorganisatie kwijt te schelden. Voor veel amateursportorganisaties is de huur één van de grootste kostenposten. Zij hebben hiervoor doorlopende contracten met de verhurende partijen. Vanwege de maatregelen ter bestrijding van COVID-19 hebben amateursportorganisaties gedurende een langere periode niet volledig gebruik kunnen maken van de accommodatie. Met onderhavige Beleidsregel kunnen amateursportorganisaties onder aan de streep op meerdere manieren worden gecompenseerd voor de financiële schade die ze hebben geleden als gevolg van de Coronacrisis.

Onderhavige regeling is een beleidsregel. Een beleidsregel is een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan (conform artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht). Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Dit wordt de inherente afwijkingsbevoegdheid genoemd. Toepassing van deze inherente afwijkingsbevoegdheid is aan strenge eisen gebonden en er zal met grote terughoudendheid gebruik van worden gemaakt. Het is evenwel niet op voorhand uit te sluiten dat zich omstandigheden zullen voordoen die noodzaken tot afwijken van deze Beleidsregel. Het dient dan te gaan om onbillijkheden van overwegende aard.

Doelgroep

  • A. Amateursportorganisaties (hoofdstuk 2 van de Beleidsregel)

    De ontvangers zijn amateursportorganisaties. Alleen aanvragers die voor de betreffende periode geen steun hebben ontvangen uit de Rijksbrede Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19, komen in aanmerking voor een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 2, tenzij de tegemoetkoming alleen personeelskosten betreft die niet reeds geheel of gedeeltelijk op grond van de Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (hierna: NOW) of de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers (hierna: Tozo) zijn gecompenseerd.

  • B. Verhuurders sportaccommodaties (hoofdstuk 3 van de Beleidsregel)

    Voor een tegemoetkoming komen alle verhuurders van sportaccommodaties aan amateursportorganisaties in aanmerking. Veruit de meeste amateursportorganisaties huren de accommodatie bij de gemeente of het aan de gemeente verbonden sportbedrijf. Daarnaast zijn er amateursportorganisaties die van één van de vele kleinere particuliere verhuurders de accommodatie huren.

Er is voor de verhurende partij als aanvrager gekozen omdat een deel van de verhuurders al voorafgaand aan publicatie van deze regeling de huur heeft kwijtgescholden dan wel opgeschort. Wanneer de amateursportorganisatie een tegemoetkoming zou aanvragen, zou de betaling van de huur alsnog doorgang moeten vinden. Dit zou leiden tot extra overbodige administratieve lasten in het lokale speelveld.

Omdat de regeling ten doel heeft de amateursportorganisaties te compenseren voor de huur van de sportaccommodatie in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020 zijn alle drie de verhurende partijen in beeld gebracht en is hen gelijkwaardig de mogelijkheid gesteld om compensatie aan te vragen voor de door hen gederfde huurinkomsten wanneer zij de huur kwijtschelden aan de amateursportorganisaties.

Regeldruk

Met de opzet van onderhavige beleidsregel is beoogd om de administratieve lasten voor de aanvrager zo minimaal mogelijk te houden. Dit betekent dat de uitvoerder van de regeling, Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen (DUS-I), op sommige onderdelen van de aanvraag extra werkzaamheden zal verrichten. De totale administratieve lasten voor de Rijksoverheid voor deze beleidsregel liggen rond 3,2% van het totaal beschikbare bedrag voor tegemoetkomingen.

Van de aanvrager wordt verwacht dat zij een aanvraag binnen 1 uur afgehandeld kan hebben.

De amateursportorganisatie dient bij de aanvraag de volgende stukken in te dienen:

  • een aanvraagformulier met NAW-gegevens, ondertekend door de tekenbevoegde(n);

  • een bankafschrift;

  • een verklaring van de hoogte van financiële schade;

  • een verklaring van een omzetverlies van minimaal 10%.

De verhuurder dient bij de aanvraag de volgende stukken in te dienen:

  • een aanvraagformulier met NAW-gegevens, ondertekend door de tekenbevoegde(n);

  • een bankafschrift;

  • een overzicht van de kwijtgescholden gebruiksgebonden en niet-gebruiksgebonden huur per amateursportorganisatie.

Indien de aanvrager reeds eerder een tegemoetkoming heeft aangevraagd voor de TASO II of de TVS, hoeft er geen bankafschrift te worden aangeleverd.

Het verwachte kennisniveau van de aanvrager is hoger opgeleid. Wij verwachten dan ook per aanvraag maximaal € 60 (uurtarief) aan kosten per aanvrager.

Voor een tegemoetkoming uit de TASO verwachten we dat de aanvrager gemiddeld 3 uur nodig zal hebben om een aanvraag te doen. Hierbij is inbegrepen dat de aanvrager de benodigde (financiële) gegevens moet verzamelen om de hoogte van de tegemoetkoming te kunnen bepalen. Als een aanvraag in de steekproef valt, kunnen deze reeds verzamelde (financiële) gegevens gebruikt worden om aan te tonen of de aanvrager inderdaad recht had op de verleende tegemoetkoming. Hiervoor wordt dus ingeschat dat er geen extra administratieve lasten zijn. Naar verwachting komen er 6.000 aanvragen binnen. Dit leidt tot een totaal van € 1.080.000 aan administratieve lasten bij alle aanvragers. Dit is ongeveer 4% van het tegemoetkomingsbudget.

Voor een tegemoetkoming uit de TVS verwachten we dat verhuurders gemiddeld 6 uur nodig hebben om de benodigde gegevens te verzamelen om de hoogte van de tegemoetkoming te kunnen bepalen. Particuliere verhuurders wordt gevraagd om reeds bij hun aanvraag een overzicht aan te leveren van de kwijtgescholden huur. Het maken van dit overzicht valt binnen de tijd die is geraamd voor het verzamelen van de benodigde gegevens. Indien een aanvraag binnen de steekproef valt, kunnen de reeds verzamelde gegevens gebruikt worden om aan te tonen of de aanvrager inderdaad recht had op de verleende tegemoetkoming. Hiervoor wordt dus ingeschat dat er geen extra administratieve lasten zijn. Naar verwachting komen er 3.000 aanvragen binnen. Daarvan zijn circa 700 aanvragen afkomstig van gemeenten of aan de gemeente gelieerde organisaties, wiens inzet niet meegerekend wordt onder regeldruk. Voor de 2.300 aanvragen van particuliere verhuurders leidt dit tot een totaal van € 828.000 aan administratieve lasten bij de aanvragers. Dit is ongeveer 3% van het tegemoetkomingsbudget.

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat de Beleidsregel weliswaar gevolgen voor de regeldruk heeft, maar deze vergelijkbaar zijn met die van de twee voorgaande regelingen (TASO II en TVS).

Staatssteun

Er is sprake van staatssteun als aan de volgende vijf cumulatieve criteria van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is voldaan:

  • De steun wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht;

  • De steun wordt met staatsmiddelen bekostigd;

  • De staatsmiddelen verschaffen een economisch voordeel dat niet via de normale commerciële weg zou zijn verkregen;

  • De maatregel is selectief;

  • De maatregel vervalst (potentieel) de mededinging en (dreigt te) leiden tot een ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer in de Europese Unie.

Uit bovenstaande cumulatieve criteria kan worden afgeleid dat er geen sprake is van staatssteun wanneer de maatregel geen ongunstige beïnvloeding van het interstatelijke handelsverkeer kan opleveren. Eerder nam de Europese Commissie vaak zekerheidshalve aan dat een steunmaatregel het interstatelijk handelsverkeer kan beïnvloeden. Uit de recente beschikkingenpraktijk van de Europese Commissie blijkt dat deze meer ruimte laat voor maatregelen van lidstaten die zuiver lokaal zijn. Zeker op het gebied van sport is dit het geval.

De Europese Commissie heeft met zeven besluiten van 29 april 2015 aangegeven dat er in bepaalde gevallen waar de steun zuiver lokaal is geen sprake is van staatssteun. Ook in vijf meer recente besluiten van de Europese Commissie van 21 september 2016 lijkt er meer ruimte te zijn voor maatregelen van lidstaten die zuiver lokaal zijn. Daarbij geeft de Europese Commissie speciale aandacht aan het terrein sport en vrijetijdsbesteding. Twee van de besluiten van 29 april 2015 hadden ook betrekking op sport en vrijetijdsbesteding.

Uit de besluiten van de Europese Commissie, waarbij ze oordeelt dat er sprake is van zuiver lokale steun op het terrein van sport, volgt een rode lijn die gebruikt kan worden bij de beoordeling van het grensoverschrijdende effect van steun aan sportverenigingen of -stichtingen.

Ten eerste is het daarbij relevant om een onderscheid te maken tussen professionele sport en amateursport. De Europese Commissie is bij steun aan professionele sportclubs snel van oordeel dat het handelsverkeer binnen de Europese Unie kan worden beïnvloed. Wanneer een steunmaatregel slechts ten goede komt aan amateursport, is het argument dat het handelsverkeer binnen de Europese Unie niet ongunstig wordt beïnvloed aannemelijker. Daarom wordt de tegemoetkoming op grond van onderhavige beleidsregel alleen verstrekt aan (verhuurders van sportaccommodaties van) amateursportorganisaties. Het verstrekken van de tegemoetkoming levert alleen amateursportorganisaties een voordeel op. Dit geldt ook voor de tegemoetkoming die aan verhuurders van sportaccommodaties wordt verstrekt. Om voor een tegemoetkoming op grond van onderhavige beleidsregel in aanmerking te komen, moeten verhuurders de door amateursportorganisaties verschuldigde huur hebben kwijtgescholden. Amateursportorganisaties hoeven daardoor de huurverplichtingen over de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020 niet te voldoen. Het voordeel komt dus uiteindelijk terecht bij amateursportorganisaties. Er blijft geen voordeel achter bij de verhuurders van sportaccommodaties.

Daarnaast is de doelgroep van de activiteiten belangrijk. Wanneer de activiteiten van amateursportorganisaties alleen gericht zijn op lokale gebruikers is dit een indicatie dat er sprake is van zuiver lokale steun. In dit geval gaat het om zuiver lokale amateursportorganisaties die zich richten op de lokale bevolking. Alle ontvangers van het voordeel van de tegemoetkoming houden zich dus bezig met zuiver lokale activiteiten.

Om bovenstaande redenen zorgt de tegemoetkoming die op grond van onderhavige beleidsregel wordt verstrekt niet voor een (ongunstige) beïnvloeding van het handelsverkeer in de Europese Unie. Dit betekent dat er bij verstrekking van een tegemoetkoming op grond van onderhavige beleidsregel geen sprake is van staatssteun.

Artikelsgewijs

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepaling

In artikel 1 worden de begrippen gedefinieerd.

Voor de definitie van amateursport en amateursportorganisatie is nauw aangesloten bij verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (de Algemene Groepsvrijstellingsverordening). Organisaties zoals de Betaald Voetbalorganisaties en organisaties waarbij er op professioneel niveau wordt gedaan aan wielrennen, schaatsen, basketbal, ijshockey, hockey of hippische sport worden in elk geval niet aangemerkt als amateursportorganisaties.

Voor de tegemoetkoming die op grond van hoofdstuk 2 van de Beleidsregel kan worden verstrekt, komen privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid zonder winstoogmerk in aanmerking. Dit kunnen zowel verenigingen, stichtingen als B.V.’s zonder winstoogmerk zijn. Vandaar dat de brede term amateursportorganisatie wordt aangehouden. De amateursportorganisatie dient daarnaast in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel te zijn ingeschreven met een code van de Standaard Bedrijfsindeling (SBI-code), genoemd in de bijlage.

Ieder bedrijf dat zich inschrijft in het Handelsregister krijgt een of meerdere SBI-codes. Deze code bestaat uit 4 of 5 cijfers en geeft aan wat de activiteit van een bedrijf is. Alle organisaties met een SBI-code die begint met het cijfer 93.1, zijn sportorganisaties. Zij komen daarom in beginsel in aanmerking voor een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 2 van deze Beleidsregel. Uitzondering daarop vormen de organisaties met de volgende SBI-codes: 93.13, 93.14.6, 93.19.1, 93.19.3, 93.19.4 en 93.19.5. Deze uitgezonderde codes zijn codes gerelateerd aan beroepssporten. Daarbij gaat het dus niet om amateursportorganisaties. Ook organisaties met de volgende SBI-codes, voor zover sprake is van amateursportorganisaties, kunnen een aanvraag indienen: 85.51, 85.51.9.

Sportaccommodaties zijn gedefinieerd als een voorziening, bestemd en in gebruik voor activiteiten op het gebied van amateursport. Hierbij kan worden gedacht aan sporthallen, sportvelden, multizalen, maneges, atletiekbanen, wielerbanen of dojo’s.

Q4 2020 is de periode van 1 oktober tot en met 31 december 2020. In deze periode zijn sportverenigingen opnieuw geconfronteerd met maatregelen ter bestrijding van COVID-19, zoals de sluiting van sportkantines, een verbod op wedstrijden en beperkingen in de trainingsmogelijkheden voor volwassen sporters.

Het omzetverlies wordt bepaald op basis van het verschil tussen het totaal van inkomsten uit begrote contributies, de sportkantine, sponsoring, fondsenwervende activiteiten, entreegelden, subsidies en verhuur van de accommodatie van de aanvrager in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020, ten opzichte van het totaal van deze inkomsten in de periode van 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019. Onder begrote contributie wordt verstaan: de contributie die leden van de amateursportorganisatie verschuldigd waren, exclusief eventuele kwijtscheldingen, restituties of betalingsachterstanden. Voor de berekening van het omzetverlies dienen daarom de contributies te worden meegerekend zoals die oorspronkelijk verschuldigd zijn aan de aanvrager. Eventuele (nog) niet betaalde contributies, kwijtscheldingen of restituties mogen in beide periodes niet worden meegerekend als omzetderving. Hiervoor is gekozen om misbruik van de regeling te beperken. De achterliggende redenering is dat, tenzij een amateursportorganisatie is geconfronteerd met verlies van leden als gevolg van de Coronacrisis, de contributies normaal gesproken niet sterk zouden moeten verschillen tussen Q4 2020 en Q4 2019.

Onder de definitie van doorlopende lasten vallen de lasten voor gas, water, licht, onderhoud, belastingen en heffingen, hypotheeklasten of andere kosten gerelateerd aan leningen en verzekeringen die direct betrekking hebben op het gebruik van de sportaccommodatie van de aanvrager voor de amateursport. De sportaccommodatie dient in eigendom of beheer te zijn van de amateursportorganisatie. Alleen de doorlopende lasten in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020 komen in aanmerking. Huurverplichtingen vallen niet onder de definitie van doorlopende lasten. Ook lasten die doorbetaald moeten worden, maar niet betrekking hebben op het gebruik van de sportaccommodatie van de aanvrager voor de amateursport, zoals bondsafdrachten, personele lasten of vrijwilligersvergoedingen, vallen niet onder de definitie van doorlopende lasten.

Personeelskosten zijn zowel de loonkosten voor personeel in dienst van de amateursportorganisatie als de kosten voor inhuur van personeel. Kosten voor bijvoorbeeld cursussen en opleidingen van personeel vallen hier niet onder.

Bondsafdrachten zijn de jaarlijkse bijdragen die een amateursportorganisatie betaalt aan een sportbond die is aangesloten bij sportkoepel NOC*NSF. Deze bijdragen worden onder meer gebruikt om competities te organiseren en verenigingsondersteuning te kunnen uitvoeren.

Het kantineresultaat bestaat uit de inkomsten uit verkoop van de sportkantine van de aanvrager, minus de inkoopkosten. Overige kosten of inkomsten gerelateerd aan de sportkantine, zoals vrijwilligersvergoedingen, onderhoud of aanschaf van apparatuur, exploitatiekosten of de verhuur van de kantine, worden dus niet meegerekend in het kantineresultaat. Voor een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 2 van de Beleidsregel kan de aanvrager 25% opvoeren van het kantineresultaat uit het laatst afgesloten boekjaar. Het boekjaar hoeft niet gelijk te lopen met een kalenderjaar. Een boekjaar kan voor een amateursportorganisatie ook een gebroken boekjaar zijn, bijvoorbeeld aansluitend op een sportseizoen.

Huurinkomsten zijn alle inkomsten uit verhuur van sportaccommodaties aan amateursportorganisaties. Ook andere inkomsten die volgens het huurcontract bij de huur zijn inbegrepen (zoals servicekosten en gebruiksvergoedingen) zijn huurinkomsten. Derving van de huurinkomsten betekent dat deze huurinkomsten voor de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020 waren begroot door de verhuurder, maar niet zijn voldaan door de huurder (amateursportorganisatie).

Ten aanzien van de huurinkomsten wordt een scheiding gemaakt tussen gebruiksgebonden huur en niet-gebruiksgebonden huur. Gebruiksgebonden huur is de huur van een sportaccommodatie die verschuldigd is per uur of dagdeel dat de accommodatie wordt gebruikt. Hieronder vallen bijvoorbeeld zaalreserveringen. Niet-gebruiksgebonden huur is de huur van een sportaccommodatie die periodiek verschuldigd is, ongeacht de mate waarin de sportaccommodatie daadwerkelijk gebruikt wordt. Bijvoorbeeld een voetbalvereniging die per maand de sportaccommodatie huurt.

De particuliere verhuurder is een privaatrechtelijke partij welke geen gemeente of een sportbedrijf is, een sportaccommodatie in eigen bezit heeft en deze aan een amateursportorganisatie verhuurt tegen een vastgestelde huursom.

Hoofdstuk 2. Tegemoetkoming amateursportorganisaties COVID-19: Q4 2020

Artikel 2.1. Verstrekking tegemoetkoming

Een amateursportorganisatie kan in aanmerking komen voor een eenmalige tegemoetkoming indien zij in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020 ten minste 10% omzetverlies heeft geleden als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19. Het omzetverlies wordt bepaald op basis van het verschil tussen het totaal van inkomsten uit begrote contributies, de sportkantine, sponsoring, fondsenwervende activiteiten, entreegelden, subsidies en verhuur van de accommodatie van de aanvrager in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020, ten opzichte van het totaal van deze inkomsten in de periode van 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019. De amateursportorganisatie verklaart bij de aanvraag van de tegemoetkoming dat aan deze voorwaarde is voldaan.

Om in aanmerking te kunnen komen voor een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 2 dient de amateursportorganisatie een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid zonder winstoogmerk en met een SBI-code uit bijlage I te zijn. Op basis van het KvK-nummer van de amateursportorganisatie wordt gecontroleerd of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden van hoofdstuk 2 van de Beleidsregel. Deze extra controlestap is toegevoegd naar aanleiding van de eerste bevindingen bij de uitvoering van de TASO II. Voor aanvragers is deze extra administratieve handeling slechts minimaal; aanvragers leveren alleen het KvK-nummer aan. Bij twijfel over het winstoogmerk kan ook naar aanvullend bewijs worden gevraagd, zoals naar een belastingverklaring.

In het derde lid wordt de samenloop tussen de TASO II en andere regelingen binnen het rijksbrede COVID-19-steunpakket geregeld. Indien een amateursportorganisatie reeds een subsidie ontvangt op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL), komt deze op grond van hoofdstuk 2 van deze Beleidsregel slechts in aanmerking voor een tegemoetkoming voor de personele lasten in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020. Deze personele lasten mogen niet reeds op grond van de NOW of de Tozo zijn gecompenseerd. Bovendien kan de tegemoetkoming voor de personele lasten die op grond van hoofdstuk 2 van deze Beleidsregel wordt verstrekt niet worden gebruikt om de compensatie die op grond van de NOW of Tozo is ontvangen aan te vullen tot 100%.

Artikel 2.2. Financiële schade

De hoogte van de tegemoetkoming wordt vastgesteld op grond van de financiële schade die de aanvrager als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19 in Q4 2020 heeft geleden. De financiële schade die de aanvrager in Q4 2020 heeft geleden, wordt bepaald door de doorlopende lasten, de personeelskosten waarvoor niet reeds op grond van de NOW of de Tozo compensatie is ontvangen, de bondsafdrachten en het kantineresultaat van de aanvrager bij elkaar op te tellen.

Artikel 2.3. Hoogte van de tegemoetkoming

Als een aanvraag wordt toegewezen, bedraagt de tegemoetkoming voor amateursportorganisaties - afhankelijk van de hoogte van de door de aanvrager opgevoerde financiële schade - een forfaitair bedrag van € 1.500 tot maximaal € 12.500.

Artikel 2.4. Het beschikbare bedrag en wijze van verdeling

Voor het verstrekken van tegemoetkomingen op grond van hoofdstuk 2 van deze Beleidsregel is een bedrag van € 29.000.000 beschikbaar. Wanneer het totale voor tegemoetkoming geclaimde bedrag hoger is dan € 29.000.000 zal de verdeling naar rato van de aangevraagde bedragen plaatsvinden. Hiervoor is gekozen omdat alle aanvragers vóór 6 april 2021 hun aanvraag moeten indienen, maar de volgorde waarin zij dit doen geen gevolgen heeft voor de eventuele uitkering van de middelen.

Het derde lid bepaalt dat artikel 4:25, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van overeenkomstige toepassing is op het verstrekken van tegemoetkomingen. Dit betekent dat het beschikbare bedrag van € 29.000.000 niet wordt overschreden, tenzij niet tijdig op een aanvraag zou worden beslist, of als een aanvraag in de bezwaar- of beroepsfase of ter uitvoering van een rechterlijke uitspraak alsnog wordt toegewezen. Artikel 4:25 van de Awb geldt in beginsel voor subsidies en ziet op het vaststellen van een subsidieplafond en de gevolgen hiervan. De tegemoetkomingen die op basis van deze beleidsregel worden verstrekt zijn geen subsidies, nu geen sprake is van door een bestuursorgaan verstrekte financiële middelen voor het verrichten van bepaalde activiteiten door een aanvrager. Het tweede en derde lid van artikel 4:25 van de Awb zijn dus niet automatisch van toepassing, maar worden voor deze beleidsregel wel van toepassing verklaard.

Artikel 2.5. De aanvraag

Een tegemoetkoming wordt alleen op aanvraag verstrekt. De aanvraag voor een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 2 van de Beleidsregel kan worden ingediend in de periode van 19 februari 2021 tot en met 5 april 2021. Voor de aanvraag wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt. Dit formulier is te vinden op www.dus-i.nl. Uit dit formulier blijkt welke gegevens de aanvrager dient aan te leveren, zoals de naam, het adres, het KvK-nummer van de amateursportorganisatie, een bankafschrift op naam van de aanvrager (niet ouder dan drie maanden), de gegevens van de contactpersoon en een verklaring van het omzetverlies.

Artikel 2.6. Verlening en uitbetaling

Vanwege de nood bij de getroffen ondernemingen, wordt zo snel mogelijk op de aanvraag beslist, maar uiterlijk binnen dertien weken na het sluiten van de aanvraagperiode (in afwijking van de standaard Awb-termijn van acht weken na ontvangst van de aanvraag, opgenomen in artikel 4:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht). Aangezien het totaal beschikbare bedrag bij overschrijding naar rato wordt verdeeld, kan er slechts na sluiting van de aanvraagperiode besloten worden op de aanvragen. Om dezelfde reden kan een verzoek tot verhoging van de aangevraagde tegemoetkoming na sluiting van de aanvraagtermijn niet met zekerheid worden gehonoreerd. In het uiterste geval dat een beslissing binnen dertien weken niet haalbaar is, is artikel 4:14, eerste lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing.

Indien voorafgaand aan de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag wordt vastgesteld dat een aanvraag (nog) niet compleet is, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld deze binnen een redelijke, door de minister te stellen termijn aan te vullen, conform artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Awb. Als een aanvraag niet binnen de geboden termijn wordt aangevuld, en dus onvoldoende gegevens bevat om een goede beoordeling mogelijk te maken, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen. Conform artikel 4:15, eerste lid, onder a, van de Awb wordt de termijn voor het geven van een beschikking opgeschort met ingang van de dag na die waarop de aanvrager wordt uitgenodigd de aanvraag krachtens artikel 4:5 van de Awb aan te vullen.

Het tweede lid bepaalt wanneer een verlening van een tegemoetkoming in ieder geval kan worden geweigerd. Dit is bijvoorbeeld het geval indien er bij de aanvraag een valse verklaring over het te verwachten omzetverlies of de financiële schade wordt aangeleverd.

Als een aanvraag voor een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 2 van de Beleidsregel wordt toegewezen, betaalt de minister het volledige bedrag van de tegemoetkoming na zijn besluit in één keer uit.

Artikel 2.7. Vaststelling tegemoetkoming

De minister heeft de mogelijkheid om achteraf te toetsen of de ontvanger van de tegemoetkoming daadwerkelijk aan alle voorwaarden uit de onderhavige Beleidsregel heeft voldaan. Steekproefsgewijs kan de ontvanger worden gevraagd om hiervoor documenten aan te leveren. Het gaat ten eerste om een overzicht van de omzet waaruit blijkt dat de amateursportorganisatie in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020 een omzetverlies van minstens 10% heeft geleden. De amateursportorganisatie kan dit omzetverlies aantonen aan de hand van een overzicht waarin de omzetcijfers in de periode van 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019 en de omzetcijfers in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020 worden vergeleken. Dit overzicht geeft inzicht in de volgende posten:

  • a. inkomsten uit de sportkantine;

  • b. inkomsten uit sponsoring;

  • c. inkomsten uit fondsenwervende activiteiten;

  • d. inkomsten uit entreegelden;

  • e. inkomsten uit subsidies;

  • f. begrote contributie; en

  • g. inkomsten uit verhuur van de accommodatie.

Daarnaast kan de ontvanger van de tegemoetkoming worden gevraagd om alle facturen of contracten voor de doorlopende lasten en personeelskosten op naam van de amateursportorganisatie te verstrekken. Voor wat betreft de bondsafdrachten wordt de ontvanger van de tegemoetkoming gevraagd een factuur op naam van de amateursportorganisatie of een mededeling van de sportbond aan de amateursportorganisatie te overleggen. Deze mededeling is vormvrij maar uit het document moet in ieder geval de omvang van de verschuldigde bondsafdracht blijken. Bij een factuur, contract of mededeling van boven de € 1.000 wordt tevens gevraagd om een betaalbewijs, waaruit blijkt dat de amateursportorganisatie de doorlopende lasten, personeelskosten of bondsafdrachten daadwerkelijk heeft betaald. Voor wat betreft de personeelskosten wordt voorts gevraagd om een overzicht van de loonkosten te overleggen. Ten aanzien van het kantineresultaat dient een jaarrekening van het laatst afgesloten boekjaar te worden aangeleverd. Tot slot zal van de amateursportorganisatie worden gevraagd de besluiten te overleggen waarmee de tegemoetkoming op grond van de NOW en de Tozo is toegekend en de subsidie op grond van de TVL is verleend. In het geval een amateursportorganisatie geen tegemoetkoming of subsidie op grond van eerdergenoemde regelingen heeft ontvangen, hoeft de amateursportorganisatie ook geen besluiten te overleggen.

De steekproef zal plaatsvinden in de tweede helft van 2021. Voor ontvangers van een tegemoetkoming die binnen de steekproef vallen geldt dat de tegemoetkoming binnen dertien weken na ontvangst van de opgevraagde verantwoordingsgegevens wordt vastgesteld. Voor ontvangers van een tegemoetkoming die niet binnen de steekproef vallen, geldt dat de tegemoetkoming na het afronden van de steekproef (uiterlijk na 1 augustus 2022) ambtshalve wordt vastgesteld.

De tegemoetkoming wordt vastgesteld overeenkomstig de verlening, tenzij één van de situaties als bedoeld in artikel 2.8 zich voordoet.

Artikel 2.8. Terugvordering

Indien uit de controle blijkt dat de tegemoetkoming niet in overeenstemming met deze Beleidsregel is verstrekt, kan de tegemoetkoming die ten onrechte is uitbetaald, worden teruggevorderd van degene aan wie is uitbetaald. Dit zal het geval zijn als de ontvanger van de tegemoetkoming onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft of de ontvanger van de tegemoetkoming wist of behoorde te weten dat het besluit tot toekenning van de tegemoetkoming anderszins onjuist was. Hierbij kan gedacht worden aan het aanleveren van een valse verklaring over het te verwachten omzetverlies of de financiële schade.

Hoofdstuk 3. Tegemoetkoming verhuurders sportaccommodaties COVID-19: Q4 2020

Artikel 3.1. Verstrekking tegemoetkoming

Een gemeente, sportbedrijf of particuliere verhuurder komt in aanmerking voor een eenmalige tegemoetkoming indien zij (een deel van) de door amateursportorganisaties verschuldigde huur voor sportaccommodaties in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020 heeft kwijtgescholden. Voor de gederfde huurinkomsten als bedoeld in artikel 3.2, onder a en b, kan een tegemoetkoming worden aangevraagd. De gederfde huurinkomsten waarvoor een tegemoetkoming wordt aangevraagd moeten door de aanvrager daadwerkelijk zijn kwijtgescholden voordat een aanvraag voor een tegemoetkoming wordt ingediend. Het risico dat uiteindelijk niet het volledig aangevraagde bedrag aan gederfde huurinkomsten wordt vergoed, ligt bij de aanvrager van de tegemoetkoming. De verhuurder mag wel afspraken maken met de huurder over een eventuele verrekening als het aangevraagde bedrag niet volledig wordt verleend, maar om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming dient het bedrag aan gederfde huurinkomsten waarvoor een tegemoetkoming wordt aangevraagd daadwerkelijk te zijn kwijtgescholden.

Een gemeente, sportbedrijf of particuliere verhuurder komt slechts in aanmerking voor een tegemoetkoming op grond van onderhavige Beleidsregel indien de aanvrager voor de gederfde huurinkomsten geen aanspraak heeft gemaakt op een tegemoetkoming op grond van de TVL. De aanvrager geeft hieromtrent een verklaring bij de aanvraag.

Artikel 3.2. Gederfde huurinkomsten

De hoogte van tegemoetkomingen die op grond van hoofdstuk 3 van de Beleidsregel worden verstrekt, wordt bepaald aan de hand van de gederfde huurinkomsten van de aanvrager. Het betreft huur die voor Q4 2020 is kwijtgescholden aan de amateursportorganisatie. Hierbij wordt een scheiding gemaakt tussen gebruiksgebonden huur en niet-gebruiksgebonden huur. Voor gebruiksgebonden huur (huur per uur/tijdvak) geldt dat de totale kwijtgescholden huursom in aanmerking komt voor een tegemoetkoming; als een sportactiviteit door de Coronamaatregelen niet kan worden uitgevoerd, dan wordt er voor die periode geen huur betaald en is de kwijtschelding daar direct aan te verbinden. Bij niet-gebruiksgebonden huur (bijvoorbeeld een voetbalvereniging die per maand de accommodatie huurt) geldt dat de verhuurder maximaal 45% van de huur voor dat tijdvak en opvoeren. In deze gevallen wordt namelijk deels wel, deels niet gesport, maar is het niet goed aan te wijzen welke uren wel of niet worden gerealiseerd. Om de regeling beter uitvoerbaar te maken, is ervoor gekozen om met een generiek percentage van maximale kwijtschelding te werken. Dit generieke percentage is bepaald op basis van cijfers van gemeenten over het deel van de tijd dat verenigingen nu niet in staat zijn om sport (trainingen en wedstrijden) aan te bieden. Het totale bedrag aan gederfde huurinkomsten wordt bepaald door de inkomsten uit gebruiksgebonden huur en niet-gebruiksgebonden huur, zoals hierboven omschreven, bij elkaar op te tellen. Het totale bedrag aan gederfde huurinkomsten is bepalend voor de hoogte van de tegemoetkoming.

Artikel 3.3. Het beschikbare bedrag en wijze van verdeling

Voor het verstrekken van tegemoetkomingen op grond van hoofdstuk 3 van de Beleidsregel is een bedrag van € 30.000.000 beschikbaar. Wanneer het totale voor tegemoetkomingen geclaimde bedrag hoger is dan € 30.000.000 zal de verdeling naar rato van de aangevraagde bedragen plaatsvinden. Hiervoor is gekozen, omdat alle aanvragers vóór 4 mei 2021 hun aanvraag moeten indienen, maar de volgorde waarin zij dit doen geen gevolgen heeft voor de eventuele uitkering van de middelen.

Het derde lid bepaalt dat artikel 4:25, tweede en derde lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing is op het verstrekken van tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 3 van de Beleidsregel. Dit betekent dat het beschikbare bedrag van € 30.000.000 niet wordt overschreden, tenzij niet tijdig op een aanvraag zou worden beslist, of als een aanvraag in de bezwaar- of beroepsfase of ter uitvoering van een rechterlijke uitspraak alsnog wordt toegewezen. Artikel 4:25, tweede en derde lid, van de Awb worden van overeenkomstige toepassing verklaard, omdat dit artikel in beginsel geldt voor subsidies en ziet op het vaststellen van een subsidieplafond en de gevolgen daarvan. De tegemoetkomingen die op basis van hoofdstuk 3 van de Beleidsregel worden verstrekt zijn geen subsidies, nu er geen sprake is van door een bestuursorgaan verstrekte financiële middelen voor het verrichten van bepaalde activiteiten door een aanvrager. Artikel 4:25, tweede en derde lid, van de Awb zijn daarom niet automatisch van toepassing, maar worden voor deze Beleidsregel wel van toepassing verklaard.

Artikel 3.4. De aanvraag

Een tegemoetkoming wordt alleen op aanvraag verstrekt. De aanvraag voor een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 3 van de Beleidsregel kan worden ingediend in de periode van 9 maart 2021 tot en met 3 mei 2021. Voor de aanvraag wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt. Dat formulier is te vinden op www.dus-i.nl. Uit dit formulier blijkt welke gegevens de aanvrager dient aan te leveren.

Als de aanvrager een gemeente of gemeentelijke sportbedrijf is (medeoverheid), geeft de aanvrager aan hoeveel huur er is kwijtgescholden van amateursportorganisaties in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020.

Als de aanvrager een particuliere verhuurder is, volgt deze dezelfde stappen als een gemeente of gemeentelijk sportbedrijf. Aanvullend levert de aanvrager een overzicht aan waaruit blijkt hoeveel huur aan welke amateursportorganisatie is kwijtgescholden. Dit was in de eerste TVS alleen nodig als de aanvraag na de steekproef of na de aanvraag tot vaststelling nader gecontroleerd werd. Het aanleveren van dit overzicht is van belang voor de vaststelling van de definitieve tegemoetkoming. Om terugvorderingen te voorkomen wordt dit overzicht bij deze beleidsregel al aangeleverd bij de aanvraag.

Artikel 3.5. Verlening en uitbetaling

Vanwege de nood bij de getroffen ondernemingen, wordt zo snel mogelijk op de aanvraag beslist, maar uiterlijk binnen dertien weken na het sluiten van de aanvraagperiode (in afwijking van de standaard Awb-termijn van acht weken na ontvangst van de aanvraag, opgenomen in artikel 4:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht). Aangezien het totaal beschikbare bedrag bij overschrijding naar rato wordt verdeeld, kan er slechts na sluiting van de aanvraagperiode besloten worden op de aanvragen. Om dezelfde reden kan een verzoek tot verhoging van de aangevraagde tegemoetkoming na sluiting van de aanvraagtermijn niet met zekerheid worden gehonoreerd. In het uiterste geval dat een beslissing binnen dertien weken niet haalbaar is, is artikel 4:14, eerste lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing.

Indien voorafgaand aan de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag wordt vastgesteld dat een aanvraag (nog) niet compleet is, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld deze binnen een redelijke, door de minister te stellen termijn aan te vullen, conform artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Awb. Als een aanvraag niet binnen de geboden termijn wordt aangevuld, en dus onvoldoende gegevens bevat om een goede beoordeling mogelijk te maken, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen. Conform artikel 4:15, eerste lid, onder a, van de Awb wordt de termijn voor het geven van een beschikking opgeschort met ingang van de dag na die waarop de aanvrager wordt uitgenodigd de aanvraag krachtens artikel 4:5 van de Awb aan te vullen.

In de verleningsbeschikking zal worden aangegeven of de aanvrager onder het verantwoordingsregime van artikel 3.6 dan wel het verantwoordingsregime van artikel 3.7 valt en welke bewijsstukken de aanvrager bij (de aanvraag tot) vaststelling moet overleggen.

Het tweede lid bepaalt wanneer een verlening van een tegemoetkoming in ieder geval kan worden geweigerd. Dit is bijvoorbeeld het geval indien er bij de aanvraag een valse verklaring over de kwijtgescholden huur wordt aangeleverd.

Als een aanvraag voor een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 3 van de Beleidsregel wordt toegewezen, betaalt de minister het volledige bedrag van de tegemoetkoming na zijn besluit in één keer uit.

Artikel 3.6. Vaststelling tegemoetkoming tot € 100.000

De minister heeft de mogelijkheid om achteraf te toetsen of de ontvanger van een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 3 van de Beleidsregel van minder dan € 100.000 daadwerkelijk aan alle voorwaarden uit de onderhavige Beleidsregel heeft voldaan. Steekproefsgewijs kan de ontvanger van de tegemoetkoming gevraagd worden om een overzicht van de kwijtgescholden huur per amateursportorganisatie te overleggen inclusief een mededeling van de gemeente, het sportbedrijf of de particuliere verhuurder aan de amateursportorganisaties dat de huur gedurende de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020 is kwijtgescholden. Deze mededeling is vormvrij, maar uit het document moet in ieder geval blijken dat de huur daadwerkelijk is kwijtgescholden. De minister kan besluiten dat er meer documenten nodig zijn om de rechtmatigheid van de verstrekking van de tegemoetkoming te controleren.

De steekproef zal plaatsvinden in de tweede helft van 2021. Voor ontvangers van een tegemoetkoming die binnen de steekproef vallen geldt dat de tegemoetkoming binnen dertien weken na ontvangst van de door de minister opgevraagde verantwoordingsgegevens wordt vastgesteld. Voor ontvangers van een tegemoetkoming die niet binnen de steekproef vallen, geldt dat de tegemoetkoming na het afronden van de steekproef (uiterlijk na 12 november 2022) ambtshalve wordt vastgesteld.

De tegemoetkoming wordt vastgesteld overeenkomstig de verlening, tenzij één van de situaties als bedoeld in artikel 3.8 zich voordoet.

Artikel 3.7. Vaststelling tegemoetkoming vanaf € 100.000

Wanneer er een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 3 van de Beleidsregel is ontvangen voor een bedrag van meer dan € 100.000 dient de ontvanger in de periode van 6 september 2021 tot en met 24 oktober 2021 een aanvraag tot vaststelling in.

Bij de aanvraag tot vaststelling wordt een overzicht van de kwijtgescholden huur per amateursportorganisatie overgelegd. Ook wordt er een mededeling van de gemeente, het sportbedrijf of de particuliere verhuurder aan de amateursportorganisaties overgelegd waarin staat dat de huur gedurende de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020 is kwijtgescholden. Deze mededeling is vormvrij, maar uit het document moet in ieder geval blijken dat de huur daadwerkelijk is kwijtgescholden. De minister kan besluiten dat er meer documenten nodig zijn om de rechtmatigheid van de verstrekking van de tegemoetkoming te controleren.

De tegemoetkoming wordt binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling vastgesteld overeenkomstig de verlening, tenzij één van de situaties als bedoeld in artikel 3.8 zich voordoet.

Artikel 3.8. Terugvordering

In dit artikel wordt bepaald dat een verlening of vaststelling van een tegemoetkoming kan worden ingetrokken of ten nadele van de ontvanger kan worden gewijzigd indien een ontvanger onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft. Dit geldt ook indien de ontvanger anderszins redelijkerwijs had kunnen weten dat de tegemoetkoming (deels) ten onrechte is toegekend. Hier is bijvoorbeeld sprake van indien de aanvrager een valse verklaring aanlevert over de kwijtgescholden huur of indien de aanvrager de kwijtgescholden huursom waarvoor een tegemoetkoming is ontvangen alsnog bij de amateursportorganisatie in rekening brengt in het jaar 2022 (bijvoorbeeld door verhoging van de oorspronkelijke huursom). Onverschuldigd betaalde bedragen zullen door de minister worden teruggevorderd.

Bij de herziening van een tegemoetkoming kan de tegemoetkoming slechts op een lager bedrag of op nihil worden vastgesteld. Het herzien van het bedrag van een tegemoetkoming in positieve zin (de tegemoetkoming wordt hoger vastgesteld dan de verlening) is niet mogelijk in verband met de verdeling van het totaal beschikbare bedrag.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 4.1. Inwerkingtreding en vervaldatum

In afwijking van de systematiek van vaste verandermomenten bij regelgeving (zoals opgenomen in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving), treedt deze Beleidsregel in werking op 19 februari 2021. Hiervoor is gekozen om getroffen amateursportorganisaties, gemeenten, sportbedrijven en particuliere verhuurders zo snel mogelijk duidelijkheid te kunnen geven over de vraag of zij voor een tegemoetkoming op grond van onderhavige Beleidsregel in aanmerking komen.

Gelet op het tijdelijke karakter van deze Beleidsregel vervalt deze met ingang van 31 december 2022, met dien verstande dat deze Beleidsregel van toepassing blijft op tegemoetkomingen die krachtens deze Beleidsregel zijn verstrekt.

De Minister voor Medische Zorg, T. van Ark


X Noot
1

Kamerbrief van 27 oktober jl. van de minister van EZK, kenmerk CE-AEP / 20270015.