Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 2021, 42980ander besluit van algemene strekking

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 oktober 2021, nr. 2021-0000156512, tot wijziging van de Subsidieregeling ESF 2014–2020 in verband met extra middelen uit REACT EU voor subsidieaanvragen van de Minister voor Justitie en Veiligheid ten behoeve van in inrichtingen verblijvende personen of van sectorale samenwerkingsverbanden ten behoeve van kwetsbare werkenden

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op Verordening (EU) Nr. 2020/2221 van het Europees Parlement en van de Raad van 23 december 2020 tot wijziging van Verordening (EU) Nr. 1303/2013 wat betreft uitzonderlijke extra middelen en uitvoeringsregelingen om bijstand te verlenen ter bevordering van het crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan en ter voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie (React-EU), Verordening (EU) Nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad, Verordening (EU) Nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad en de artikelen 3, eerste lid, en 5 van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I. WIJZIGING SUBSIDIEREGELING ESF 2014–2020

De Subsidieregeling ESF 2014–2020 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De begripsbepaling ‘bijstandsuitkering’ wordt in alfabetische volgorde geplaatst.

2. In alfabetische volgorde wordt de volgende begripsbepaling ingevoegd:

sociale zekerheidswet:

Werkloosheidswet, Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, Ziektewet, Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten of Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;.

B

In artikel 2, tweede lid, wordt ‘Algemene Regeling SZW-subsidies’ vervangen door ‘Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS’.

C

In artikel 3, derde lid, wordt ‘Ministerie van Economische Zaken’ vervangen door ‘Ministerie van Economische Zaken en Klimaat’.

D

In artikel 6, eerste lid, wordt na ‘bijlage 1’ ingevoegd ‘of bijlage 1a’.

E

In bijlage 1 komt artikel A7, derde lid, te luiden:

  • 3. Voor subsidiëring komen uitsluitend in aanmerking de kostensoorten, bedoeld in artikel 12, twaalfde lid, en bijlage VI bij de gedelegeerde verordening (EU) 2019/2170 van de Commissie van 27 september 2019 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2195 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Sociaal Fonds, wat betreft de definitie van de standaardschalen van eenheidskosten en vaste bedragen voor de terugbetaling van uitgaven door de Commissie aan lidstaten (PbEU 2019, L 329). De minister specificeert de voorwaarden met betrekking tot het afrekenen op basis van deze kostensoorten in de beschikking tot subsidieverlening, bedoeld in artikel 9.

F

Aan bijlage 1a worden twee hoofdstukken toegevoegd, luidende:

Hoofdstuk II. Minister van Justitie en Veiligheid

Artikel D13. Subsidieaanvrager

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door de Minister van Justitie en Veiligheid.

Artikel D14. Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 11 oktober 2021, 9.00 uur, tot en met 12 november 2021, 17.00 uur.

Artikel D15. Subsidieplafond

Voor subsidies op grond van dit hoofdstuk is € 8,5 miljoen beschikbaar.

Artikel D16. Doel en doelgroep
  • 1. Een project in het kader van dit hoofdstuk heeft tot doel, in de context van de vertragingen die zijn ontstaan door de covid-19 pandemie bij de voorbereiding en begeleiding van personen bij de terugkeer in de maatschappij, de arbeidsmarktpositie van personen die op het moment van deelname aan een project verblijven in een gevangenis, een forensisch psychiatrische kliniek of een justitiële jeugdinrichting, zodanig te verbeteren, dat zij naar werk bemiddelbaar zijn of na dat verblijf inpasbaar zijn in een arbeidsmarkt gerelateerd programma of een regulier opleidingstraject.

  • 2. Indien een persoon bij zijn eerste project tot de doelgroep, bedoeld in het eerste lid, behoort en deelneemt aan opvolgende projecten, dan behoort deze persoon ook in de opvolgende projecten tot de doelgroep mits voor deze deelnemer sprake is van een individueel traject dat onafgebroken doorloopt, tenzij deze persoon in een gesloten accommodatie als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet verblijft.

Artikel D17. Specifieke eisen
  • 1. Een project komt slechts voor subsidie in aanmerking indien het project:

    • a. past binnen het doel, genoemd in artikel D16, eerste lid; en

    • b. een einddatum heeft die niet later ligt dan 31 december 2022.

  • 2. Op een daartoe strekkend verzoek van de subsidieontvanger kan de minister besluiten om in de beschikking tot subsidieverlening een andere datum te vermelden dan de in de aanvraag genoemde startdatum.

Artikel D18. Subsidiabele activiteiten
  • 1. Voor subsidie komen alleen activiteiten in aanmerking die de doelstelling, genoemd in artikel D16, eerste lid, ondersteunen en gericht zijn op of bestaan uit het volgen van scholing of een opleiding, dan wel anderszins gericht zijn op het vergroten van de mogelijkheden tot arbeidsinpassing.

  • 2. Voor subsidiëring komen uitsluitend in aanmerking de kostensoorten, bedoeld in artikel 12, twaalfde lid, en bijlage VI bij de gedelegeerde verordening (EU) 2019/2170 van de Commissie van 27 september 2019 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2195 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Sociaal Fonds, wat betreft de definitie van de standaardschalen van eenheidskosten en vaste bedragen voor de terugbetaling van uitgaven door de Commissie aan lidstaten (PbEU 2019, L 329). De minister specificeert de voorwaarden met betrekking tot het afrekenen op basis van deze kostensoorten in de beschikking tot subsidieverlening, bedoeld in artikel 9.

Artikel D19. Publiciteit

Onverminderd artikel 19 informeert de subsidieontvanger de door hem ingeschakelde uitvoerder en de deelnemers aan projecten dat zij deelnemen aan een door het Europees Sociaal Fonds gesubsidieerd project in het kader van de respons van de Europese Unie op de COVID-19-pandemie (REACT-EU).

Hoofdstuk III. Ondersteuning kwetsbare werkenden

Artikel D20. Definities

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

basisvaardigheden:

vaardigheden die de noodzakelijke basis vormen voor het verdere leerproces van de deelnemer als bedoeld in de ‘Aanbeveling van de Raad van 22 mei 2018, inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren’ (2018/C 189/01) en waaronder in elk geval taalvaardigheden, rekenvaardigheden, digitale vaardigheden en financiële vaardigheden vallen;

begeleider:

natuurlijk persoon, niet zijnde een persoon die in dienst is van de werkgever van de deelnemer, die met de deelnemer in een intakegesprek bespreekt wat nodig is om de arbeidsmarktpositie van de deelnemer te versterken of die als begeleider fungeert gedurende het doorlopen van een EVC-procedure of scholing;

beroepsvaardigheden:

vaardigheden noodzakelijk voor het uitvoeren van taken die behoren bij een beroep;

brancheorganisatie:

organisatie opgericht voor 1 januari 2020, die belangen behartigt van leden die tot eenzelfde bedrijfstak behoren;

deelnemer:

kwetsbare werkende die een activiteit volgt;

EVC-aanbieder:

aanbieder die volgens de principes en uitgangspunten van de Kwaliteitscode EVC een EVC-procedure uitvoert aan de hand van een voor EVC erkende onderwijs-, beroeps- of branchestandaard, en die voor de desbetreffende standaard is opgenomen in het register erkende EVC-aanbieders van het Nationaal Kenniscentrum EVC;

EVC-procedure:

geheel van processtappen en instrumenten waarmee een EVC-aanbieder eerder of elders verworven competenties van een kandidaat beoordeelt ten opzichte van een voor EVC erkende onderwijs-, beroeps- of branchestandaard, en waarbij de uitkomsten worden vastgelegd in een ervaringscertificaat;

indirecte kosten:

kosten voor projectcoördinatie, projectadministratie en projectcommunicatie;

intakegesprek:

vastgelegd gesprek bij de start van de deelname van een persoon aan een project tussen de begeleider en die persoon, welk gesprek onder andere betrekking heeft op de door de persoon ervaren situatie waarin hij zich binnen de arbeidsmarkt bevindt en in welke mate zijn arbeidsmarktpositie kan worden verbeterd door deelname aan scholing of een EVC-procedure;

KvK-nummer:

uniek nummer, bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007;

minimumloon per uur:

bedrag dat op grond van artikel 8, eerste en derde lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor de werknemer als minimumloon geldt, verminderd tot een bedrag per uur. Bij de vermindering wordt bij de berekening uitgegaan van een normale arbeidsduur;

normale arbeidsduur:

arbeidsduur die in de regel, dan wel bij voor de sector waarin de deelnemer werkzaam is geldende CAO, wordt geacht een volledige dienstbetrekking te vormen;

opleider:

natuurlijk persoon of rechtspersoon, niet zijnde een persoon die in dienst is van de werkgever van een deelnemer, die zich beroepshalve bezig houdt met het geven van scholing;

samenwerkingsverband:

overeengekomen samenwerking binnen een of meer sectoren waarin in elk geval een of meer werkgevers- en werknemersorganisaties of O&O fondsen deelnemen;

SBI-code:

code in de Standaard Bedrijfsindeling zoals gehanteerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek waarmee de economische hoofd- of nevenactiviteit van een bedrijf wordt weergegeven in het handelsregister;

sector:

arbeidsorganisaties die actief zijn in een overeenkomstige categorie producten, werkzaamheden of diensten die past binnen een of meer hoofdcategorieën van de sectorindeling, opgenomen in bijlage 3e bij deze regeling;

werkende:

natuurlijke persoon die werkzaam is en een band heeft met de Nederlandse arbeidsmarkt.

Artikel D21. Subsidieaanvrager

De subsidie voor een project in het kader van dit hoofdstuk kan worden aangevraagd door:

  • a. een hoofdaanvrager als bedoeld in artikel D22; of

  • b. een O&O fonds.

Artikel D22. Hoofdaanvrager
  • 1. De hoofdaanvrager is een werknemers- of werkgeversorganisatie, een O&O-fonds of een brancheorganisatie die partij is in een samenwerkingsverband, die namens de andere partijen in het samenwerkingsverband de subsidieaanvraag indient en die gemachtigd is om die andere partijen gedurende het subsidieproces in en buiten rechte te vertegenwoordigen.

  • 2. De hoofdaanvrager bestaat ten tijde van de indiening van de subsidieaanvraag ten minste twee jaar.

Artikel D23. Eisen subsidieaanvrager
  • 1. De subsidieaanvrager spant zich in om binnen de betrokken sectoren bekendheid te geven aan de mogelijkheid tot aansluiting bij het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

  • 2. Samenwerking in een samenwerkingsverband wordt vastgelegd in een door de partijen in het samenwerkingsverband ondertekende samenwerkingsovereenkomst, waarin een hoofdaanvrager wordt aangewezen en waarbij gebruik wordt gemaakt van het door de minister elektronisch beschikbaar gestelde model voor een vast te leggen samenwerkingsovereenkomst.

Artikel D24. Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 11 oktober 2021, 9.00 uur, tot en met 12 november 2021, 17.00 uur.

Artikel D25. Subsidieplafond

Voor subsidies op grond van dit hoofdstuk is € 28 miljoen beschikbaar.

Artikel D26. Subsidieplafond per sector en verdelingssystematiek
  • 1. Per sector is een subsidieplafond vastgelegd in bijlage 3e bij deze regeling, dat is gebaseerd op het aantal kwetsbare werkenden in de desbetreffende sector.

  • 2. Indien na afloop van het aanvraagtijdvak blijkt dat in een sector het totaal aangevraagde subsidiebedrag lager is dan het subsidieplafond, worden de resterende gelden verdeeld over de sectoren waar het aangevraagde subsidiebedrag hoger is dan het subsidieplafond, naar rato van het aantal kwetsbare werkenden in die sectoren.

  • 3. In afwijking van artikel 8 wordt, indien blijkt dat het totaalbedrag van de aangevraagde subsidies binnen een sector het voor die sector toepasselijke subsidieplafond, aangevuld met de verdeling op grond van het tweede lid, overschrijdt, het in die sector beschikbare subsidiebedrag gelijkelijk verdeeld over de subsidieaanvragers, met dien verstande dat een subsidieaanvrager nooit meer verleend krijgt dan door hem is aangevraagd.

  • 4. Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede of het derde lid, wordt dat bekendgemaakt op de website www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

Artikel D27. Doel en doelgroep
  • 1. Een project in het kader van dit hoofdstuk heeft tot doel, in de context van de COVID-19-pandemie, kwetsbare werkenden te begeleiden bij het verwerven of versterken van de nodige basis- en beroepsvaardigheden en hun hiertoe scholing of een EVC-procedure aan te bieden om hun arbeidsmarktpositie te versterken.

  • 2. Kwetsbare werkenden zijn personen die behoren tot een van de volgende groepen:

    • a. werkenden die in een periode van drie jaar voorafgaand aan de start van hun traject een bijstandsuitkering, een uitkering op grond van de IOAW, de IOAZ of het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004, dan wel een uitkering op grond van een sociale zekerheidswet ten laste van het UWV hebben ontvangen;

    • b. werkenden die aan de start van hun traject minder dan 130% van het minimumloon per uur verdienen;

    • c. werkenden op wie de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag niet van toepassing is, die gemiddeld een bedrag van € 35,– exclusief BTW per gewerkt uur verdienen over een periode van zes maanden voorafgaand aan de start van hun traject en die een traject volgen dat door hun opdrachtgever wordt aangeboden;

    • d. werkenden met een opleidingsniveau dat niet hoger is dan MBO-2 of een diploma in het voortgezet onderwijs, als bedoeld in artikel 2 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

    • e. werkenden die zijn geregistreerd in het doelgroepenregister in het kader van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten;

    • f. werkende hier te lande woonachtige vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijf houden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.

Artikel D28. Subsidieaanvraag
  • 1. De subsidieaanvrager dient een subsidieaanvraag in door middel van een door de minister beschikbaar gesteld elektronisch formulier.

  • 2. Onverminderd de artikelen 6 en 7, bevat de subsidieaanvraag de volgende gegevens:

    • a. het KvK-nummer van alle organisaties die deelnemen aan het samenwerkingsverband;

    • b. een afschrift van de notariële akte van oprichting, bedoeld in artikel 286, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en, indien na de datum van de akte van oprichting de statuten zijn gewijzigd, een afschrift van de gewijzigde statuten, neergelegd ten kantore van het in artikel 293 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde register;

    • c. de sectorbenaming zoals opgenomen in bijlage 3e bij deze regeling en de SBI-codes van de sector of sectoren, waarvoor de aanvraag wordt ingediend;

    • d. het aantal deelnemers en, verdeeld naar sectoren, het totaalbedrag waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

    • e. een bewijsstuk dat aantoont dat de subsidieaanvrager de houder is van het bankrekeningnummer, vermeld in de subsidieaanvraag;

    • f. indien hierom wordt verzocht, de meest recente jaarrekening, met dien verstande dat deze niet ouder is dan de jaarrekening die betrekking heeft op het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de subsidieaanvraag wordt gedaan, voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, of een mededeling, inhoudende dat van onjuistheden niet is gebleken, afkomstig van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 3. Onverminderd artikel 7 wordt in het geval van een aanvraag door een hoofdaanvrager, bij de subsidieaanvraag een door alle partijen die deelnemen aan het samenwerkingsverband ondertekende samenwerkingsovereenkomst gevoegd, inclusief een schriftelijke machtiging, ingevuld op het daartoe bestemde elektronisch formulier, waaruit blijkt dat de hoofdaanvrager gemachtigd is de andere partijen in het samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen en waarbij de samenwerkingsovereenkomst het KvK-nummer en de contactgegevens van alle partijen binnen het samenwerkingsverband bevat.

Artikel D29. Specifieke eisen aan de subsidieaanvraag
  • 1. Een project komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

    • a. het past binnen het doel, genoemd in artikel D27; en

    • b. het een startdatum heeft die niet eerder ligt dan de datum van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag en een einddatum heeft die niet later ligt dan 31 december 2022.

  • 2. Op een daartoe strekkend verzoek van de subsidieontvanger kan de minister besluiten om in de beschikking tot subsidieverlening een andere datum te vermelden dan de in de aanvraag genoemde startdatum.

  • 3. Het subsidiebedrag bedraagt per aanvraag ten minste € 250.000 of, als dat lager is, het bedrag dat voor de desbetreffende sector in bijlage 3e bij deze regeling is opgenomen.

  • 4. Deelname aan het project staat open voor alle bedrijven en kwetsbare werkenden in de in de subsidieaanvraag gespecificeerde sectoren.

  • 5. Niet subsidiabel is een subsidieaanvraag van:

    • a. een hoofdaanvrager als bedoeld in artikel D21, onderdeel a, of een O&O fonds als bedoeld in artikel D21, onderdeel b, dat al een subsidieaanvraag heeft ingediend;

    • b. een andere hoofdaanvrager, maar namens een samenwerkingsverband dat hetzelfde of grotendeels hetzelfde is als een samenwerkingsverband namens wie al een subsidieaanvraag is ingediend.

Artikel D30. Subsidiabele activiteiten:

Voor subsidie komen de volgende activiteiten en posten in aanmerking:

  • a. intakegesprek;

  • b. begeleiding;

  • c. scholing basisvaardigheden;

  • d. scholing beroepsvaardigheden;

  • e. EVC-procedure;

  • f. loonverletkosten;

  • g. indirecte kosten.

Artikel D31. Subsidiabele kosten
  • 1. In afwijking van artikel 12 komen voor subsidiëring van de activiteiten en posten, genoemd in artikel D30, uitsluitend in aanmerking:

    • a. met betrekking tot intakegesprek en begeleiding, de externe kosten van de door de begeleider werkelijk gerealiseerde uren, aantoonbaar besteed aan het intakegesprek en de begeleiding van de kwetsbare werkende gedurende het traject. Voor de berekening van de subsidie wordt het uurtarief van deze begeleider bepaald op maximaal € 89,02, tenzij de subsidieaanvrager een hoger uurtarief hanteert en de marktconformiteit van het door hem gehanteerde uurtarief aantoont op de wijze als omschreven in het tweede lid;

    • b. met betrekking tot scholing basisvaardigheden en scholing beroepsvaardigheden, de externe kosten voor de opleiding van kwetsbare werkenden. Voor de berekening van de subsidie worden de kosten voor de opleiding bepaald op maximaal € 32,01 per deelnemer per gegeven lesuur, tenzij de subsidieaanvrager een hoger tarief hanteert en de marktconformiteit van het door hem gehanteerde hogere tarief aantoont op de wijze als omschreven het tweede lid;

    • c. met betrekking tot een EVC-procedure, de externe kosten van de door een EVC-aanbieder gegeven EVC-procedure. Voor de berekening van de subsidie wordt het tarief van de EVC-aanbieder bepaald op maximaal € 1.250,– per EVC-procedure, tenzij de subsidieaanvrager een hoger tarief hanteert en de marktconformiteit van het door hem gehanteerde hogere tarief aantoont op de wijze als omschreven in het tweede lid;

    • d. mede in afwijking van artikel 13, aanhef en onderdeel d, met betrekking tot loonverletkosten, het aantal door de werkgever betaalde uren dat een kwetsbare werkende deelneemt aan gegeven scholing basisvaardigheden, scholing beroepsvaardigheden, exclusief uren van voorbereiding, reizen en zelfstudie, en niet productief kan zijn in zijn reguliere werkzaamheden, tegen een vast bedrag per uur van € 12,95;

    • e. met betrekking tot indirecte kosten, een toeslag van maximaal 7% op de subsidiabele kosten van de activiteiten, genoemd in artikel D30, onderdelen a tot en met f.

  • 2. De marktconformiteit van tarieven is aangetoond wanneer:

    • a. een offerteprocedure is uitgevoerd waarbij ten minste drie offertes zijn aangevraagd en beoordeeld; of

    • b. een transparante, objectieve en niet-discriminatoire aanbestedingsprocedure heeft plaatsgevonden.

  • 3. In afwijking van het eerste lid zijn slechts subsidiabel de directe loonkosten van werkelijk gerealiseerde uren tegen een uurtarief dat is berekend op basis van het individuele brutoloon, vermeerderd met een opslag van 32% van het brutoloon, van een persoon bij wie het aantal werkbare uren per jaar is gesteld op 1.720 op basis van een normale arbeidsduur, en die activiteiten verricht, genoemd in artikel D30, onderdelen a tot en met e, vanuit een dienstbetrekking bij een van de volgende organisaties:

    • a. de subsidieaanvrager;

    • b. een partij uit het samenwerkingsverband;

    • c. een organisatie die is vertegenwoordigd in het bestuur van de subsidieaanvrager of in het bestuur van een partij uit het samenwerkingsverband;

    • d. een aan één van de organisaties als bedoeld in de onderdelen a tot en met c, of aan de werkgever van een deelnemer, verbonden organisatie; of

    • e. een organisatie waarin dezelfde persoon een aanmerkelijk financieel belang heeft of in het bestuur zit van die organisatie, die ook werkzaam is voor de subsidieaanvrager of een partij uit het samenwerkingsverband.

  • 4. Onder een verbonden organisatie als bedoeld in het derde lid wordt verstaan een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisatie:

    • a. waarop de subsidieaanvrager, dan wel een bij het project betrokken partij, direct of indirect een overheersende invloed kan uitoefenen;

    • b. die direct of indirect een overheersende invloed op de subsidieaanvrager, dan wel op een bij het project betrokken partij, kan uitoefenen; of

    • c. die, tezamen met de subsidieaanvrager, dan wel met een bij het project betrokken partij, direct of indirect onderworpen is aan de overheersende invloed van een andere organisatie uit hoofde van eigendom, financiële deelneming of op haar van toepassing zijnde voorschriften.

  • 5. Overheersende invloed als bedoeld in het vierde lid wordt aangenomen, indien een organisatie direct of indirect, ten opzichte van een andere organisatie:

    • a. de meerderheid van het geplaatste kapitaal van de organisatie bezit;

    • b. over de meerderheid van de stemmen beschikt die aan de door de organisatie uitgegeven aandelen zijn verbonden; of

    • c. meer dan de helft van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de organisatie kan benoemen.

  • 6. De kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, en derde lid, zijn subsidiabel voor zover zij daadwerkelijk gemaakt en betaald zijn, ten laste van de begunstigde zijn gebleven en rechtstreeks aan de uitvoering van het project zijn toe te rekenen.

Artikel D32. Activiteiten intakegesprek en begeleiding
  • 1. Een activiteit als bedoeld in artikel D30, eerste lid, onderdelen a en b, wordt uitgevoerd door een begeleider, die is geregistreerd bij beroepsvereniging van loopbaanprofessionals en jobcoaches Noloc als loopbaanprofessional of jobcoach of die op een andere manier kan aantonen dat hij werkervaring heeft met het geven van begeleiding.

  • 2. De begeleider voert met de deelnemer een intakegesprek over de stappen die moeten worden gezet om de kansen van de deelnemer op het behoud van werk of het vinden van ander werk te vergroten. Gedurende het traject kan de begeleider de nodige ondersteuning bieden aan de deelnemer bij het volgen van scholing of een EVC-procedure.

Artikel D33. Activiteiten scholing
  • 1. Een activiteit als bedoeld in artikel D30, eerste lid, onderdelen c en d, wordt uitgevoerd door een opleider.

  • 2. Het scholingsaanbod voldoet aan de volgende eisen:

    • a. de scholing:

      • 1°. wordt aangeboden door een opleidingsinstituut dat door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap erkend onderwijs verzorgt en leidt tot een diploma of certificaat, dan wel houdt verband met onderdelen van een door deze minister vastgesteld kwalificatiedossier, vastgestelde kwalificatie of een door de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie geaccrediteerde opleiding; of

      • 2°. leidt tot een door het Nationaal Coördinatiepunt NQLF ingeschaalde kwalificatie, die is opgenomen in het NCP-register; of

      • 3°. wordt gegeven door een opleider die in het bezit is van het keurmerk van de Nederlandse Raad voor Training en Opleiding; of

      • 4°. leidt tot verstrekking van een overheids-, branche- of sector-erkend certificaat; en

    • b. de scholing richt zich op het verwerven of versterken van de nodige basis- of beroepsvaardigheden.

  • 3. Scholing beroepsvaardigheden komt alleen voor subsidiëring op grond van deze regeling in aanmerking, indien uit een voorafgaand, tussen een begeleider en de deelnemer gehouden intakegesprek of een door de deelnemer gevolgde EVC-procedure, blijkt dat de betreffende scholing als nodig is beoordeeld ter versterking van zijn arbeidsmarktpositie.

Artikel D34. Activiteiten EVC-procedure
  • 1. Een activiteit als bedoeld in artikel D30, eerste lid, onderdeel e, wordt uitgevoerd door een erkende EVC-aanbieder.

  • 2. Een EVC-procedure omvat in elk geval een of meer van de volgende activiteiten:

    • a. een intake;

    • b. het opbouwen van een portfolio; en

    • c. een persoonlijk assessment.

Artikel D35. Niet-subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 13 komt niet voor subsidiëring in aanmerking:

  • a. kosten van een intakegesprek en begeleiding die worden gemaakt door een persoon in dienst van de werkgever van de kwetsbare werknemer, bedoeld in artikel D27, tweede lid;

  • b. loonverletkosten die niet zijn toe te rekenen aan scholingsactiviteiten in het project, bedoeld in artikel D30, onderdelen c en d;

  • c. in rekening gebrachte BTW over gemaakte kosten van activiteiten binnen het project;

  • d. in afwijking van de artikelen 10, onderdeel i, en 13, onderdeel g, de kosten van een project die op grond van deze regeling subsidiabel zijn, indien voor dezelfde kosten subsidie wordt aangevraagd of subsidie is verleend.

Artikel D36. Publiciteit

Onverminderd artikel 19 informeert de subsidieontvanger de door hem ingeschakelde uitvoerder en de deelnemers aan projecten dat zij deelnemen aan een door het Europees Sociaal Fonds gesubsidieerd project in het kader van de respons van de Europese Unie op de COVID-19-pandemie (REACT-EU).

Artikel D37. Bevoorschotting
  • 1. De subsidieaanvrager kan bij de aanvraag om subsidie op het door de minister beschikbaar gestelde elektronisch formulier aangeven een voorschot als bedoeld in het tweede lid te willen ontvangen.

  • 2. In afwijking van artikel 14 kan de minister na verlening van de subsidie, indien de subsidieontvanger dit in zijn subsidieaanvraag heeft aangegeven, een voorschot van 20% van het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde subsidiebedrag worden verstrekt.

  • 3. In afwijking van artikel 14 kan de minister gedurende de looptijd van het project, op verzoek van de subsidieontvanger, besluiten om een voorschot te verlenen van maximaal 40% van het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen maximale subsidiebedrag, indien de subsidieontvanger aan de hand van een financiële rapportage in de vorm van een door de minister beschikbaar gesteld formulier de kosten waarop het voorschot betrekking heeft, voldoende heeft gespecificeerd en onderbouwd.

  • 4. Bij een verzoek tot voorschotverlening van een bedrag boven € 500.000, overlegt de subsidieaanvrager een bankgarantie.

Artikel D38. Meldingsplicht

De subsidieontvanger doet onverwijld schriftelijk melding aan de minister zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

Artikel D39. Rapportage bij einddeclaratie

In afwijking van artikel 17, eerste lid, verstrekt de subsidieontvanger het burgerservicenummer van de deelnemers aan het project slechts bij de einddeclaratie, bedoeld in artikel 18, eerste lid.

ARTIKEL II. WIJZIGING VAN DE SUBSIDIEREGELING ESF 2014–2020

In artikel D31, eerste lid, onderdeel a, van bijlage 1a bij de Subsidieregeling ESF 2014–2020 wordt ‘€ 89,02’ vervangen door ‘€ 92,39’.

ARTIKEL III. INWERKINGTREDING

  • 1. Deze regeling treedt, met uitzondering van artikel II, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. Artikel II treedt in werking met ingang van 1 januari 2022.

Deze regeling zal met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 4 oktober 2021

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A.D. Wiersma

BIJLAGE 3E, BEHORENDE BIJ BIJLAGE 1A, ARTIKELEN D20, D26 EN D29, EERSTE LID

Sectoren volgens SBI-indeling

Toebedeeld subsidiebudget gebaseerd op het aantal kwetsbare werkenden

Totaal subsidiabele kosten inclusief cofinanciering (bij een cofinancieringspercentage van 25%) bij toebedeeld subsidiebudget

A Landbouw, bosbouw en visserij

€ 415.608

€ 554.144

B Delfstoffenwinning

€ 10.495

€ 13.993

C Industrie

€ 2.677.837

€ 3.570.449

D Energievoorziening

€ 34.240

€ 45.653

E Waterbedrijven en afvalbeheer

€ 103.902

€ 138.536

F Bouwnijverheid

€ 827.542

€ 1.103.389

G Handel

€ 5.620.413

€ 7.493.884

H Vervoer en opslag

€ 1.516.942

€ 2.022.589

I Horeca

€ 1.652.986

€ 2.203.981

J Informatie en communicatie

€ 562.802

€ 750.403

K Financiële dienstverlening

€ 420.331

€ 560.441

L Verhuur en handel van onroerend goed

€ 164.511

€ 219.348

M Specialistische zakelijke diensten

€ 1.085.198

€ 1.446.931

N Verhuur en overige zakelijke diensten

€ 6.663.368

€ 8.884.491

O Openbaar bestuur en overheidsdiensten

€ 823.344

€ 1.097.792

P Onderwijs

€ 826.493

€ 1.101.991

Q Gezondheids- en welzijnszorg

€ 3.377.469

€ 4.503.292

R Cultuur, sport en recreatie

€ 440.796

€ 587.728

S Overige dienstverlening

€ 601.897

€ 802.529

T Huishoudens

€ 169.497

€ 225.996

U Extraterritoriale organisaties

€ 4.329

€ 5.772

TOELICHTING

1. Inleiding

De Europese Unie heeft met NextGenerationEU1 een omvangrijk herstelpakket aangenomen dat de lidstaten van de EU sociaaleconomisch ondersteunt bij het herstel van de COVID-19-crisis. Eén van de instrumenten uit dit herstelpakket is REACT-EU (Recovery Assistance for Cohesion and the Territories of Europe)2. Met REACT-EU wordt aanvullend budget toegevoegd aan de bestaande Europese structuurfondsen, waaronder het Europees Sociaal Fonds 2014–2020 (ESF). Op Europees niveau is er een grondslag voor de inzet van de aanvullende middelen gecreëerd in de vorm van een wijziging van de verordening die gemeenschappelijke regels stelt voor de Europese structuurfondsen (de Gemeenschappelijke Bepalingen Verordening)3. Om besteding van het aanvullende budget uit REACT-EU voor ESF op nationaal niveau mogelijk te maken leggen de lidstaten eerst een operationeel programma voor aan de Europese Commissie. Omdat de REACT-EU middelen worden toegevoegd aan het ESF, zijn deze middelen door Nederland geprogrammeerd binnen het bestaande Operationele Programma ESF 2014–2020. Na goedkeuring van de wijzigingen in het Operationele Programma ESF 2014–2020 door de Europese Commissie, kan het programma worden uitgewerkt in nationale regelgeving. De Europese Commissie heeft deze wijzigingen goedgekeurd op 15 april 2021. Deze regeling wijzigt de Subsidieregeling ESF 2014–2020 om de besteding van het aanvullende budget uit REACT-EU voor ESF op nationaal niveau mogelijk te maken.

De REACT-EU middelen worden binnen het kader van het ESF geprogrammeerd onder een nieuwe prioritaire as en thematische doelstelling, die uitsluitend voor REACT-EU middelen beschikbaar is: ‘Bevordering van crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan en voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie’. In het licht van deze doelstelling kiest Nederland ervoor om de werkgelegenheids- en sociale effecten van de COVID-19-crisis aan te pakken door de steun met de aanvullende middelen uit het REACT-EU te richten op het aan het werk helpen en aan het werk houden van kwetsbare werkenden en werkzoekenden. Bij de inzet van de aanvullende ESF-middelen REACT-EU wordt, ten behoeve van een snelle en succesvolle uitvoerbaarheid, verder zoveel mogelijk aangesloten op de bestaande inrichting en uitvoeringsstructuren van het lopende ESF programma 2014–2020.

De regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 april 2021, 2020-0000167526, tot wijziging van de Subsidieregeling ESF 2014–2020 in verband met extra middelen uit REACT-EU geeft het kader voor inzet van middelen uit REACT-EU door de arbeidsmarktregio’s.

Deze tweede ESF-REACT-EU-regeling geeft het kader voor inzet van middelen door de Minister van Justitie en Veiligheid en door sectoren ten behoeve van:

  • de begeleiding en opleiding van mensen die in een justitiële inrichting verblijven;

  • de bij- en omscholing van werk naar werk voor kwetsbare werkenden en kwetsbare werkenden die willen overstappen naar werk in een krapteberoep al dan niet in een andere sector.

De uitvoering van deze regeling wordt, net als voor de subsidieregeling ESF 2014–2020, belegd bij Uitvoering Van Beleid (UVB), onderdeel van de directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. UVB is, in de terminologie van de Gemeenschappelijke Bepalingen Verordening, de landelijke managementautoriteit.

2. Inhoud van de regeling: de inzet van de aanvullende middelen ESF REACT-EU

Met deze regeling wordt de inzet van € 36,5 miljoen mogelijk voor de begeleiding en opleiding van mensen die in een justitiële inrichting verblijven en de bij- en omscholing van kwetsbare werkenden. Hiertoe worden twee hoofdstukken toegevoegd aan bijlage 1a van de Subsidieregeling ESF 2014–2020.

In relatie tot de COVID-19 crisis wordt een hoger subsidiepercentage dan reeds geprogrammeerd onder ESF 2014–2020 legitiem geacht, derhalve wordt er voor alle onderdelen onder REACT-EU een ESF-subsidiepercentage van (maximaal) 75% gehanteerd. De subsidieaanvrager is verantwoordelijk voor de cofinanciering van (minimaal) 25%.

Per 11 oktober 2021 worden de aanvraagtijdvakken voor het Ministerie van Justitie en Veiligheid (J&V) en voor de ondersteuning van kwetsbare werkenden opengesteld. Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) vraagt de subsidie namens het Ministerie van J&V aan ten behoeve van activiteiten voor personen die verblijven in gevangenissen, forensisch psychiatrische klinieken of justitiële jeugdinrichtingen die vallen onder haar verantwoordelijkheid (hierna te noemen: de inrichtingen). De voorwaarden hiervoor zijn opgenomen in het aan Bijlage 1a toegevoegde Hoofdstuk II. In Hoofdstuk III zijn de voorwaarden opgenomen waaronder sectoren subsidie kunnen aanvragen ten behoeve van trajecten voor kwetsbare werkenden. Per sector is hiervoor een subsidieplafond vastgesteld op basis van het aantal kwetsbare werkenden in de betreffende sector. Deze verdeling is opgenomen in bijlage 3e.

3. Toelichting op Hoofdstuk II

De uitbraak van het coronavirus heeft als gevolg gehad dat gedetineerden, terbeschikkinggestelden (tbs-gestelden) en jongeren in gesloten inrichtingen geen bezoek meer mochten ontvangen, dat verloven werden ingetrokken en dat de in- en uitstroom zo veel als mogelijk is beperkt. Het systeem waarin deze doelgroepen geleidelijk steeds meer vrijheden verwerven en zich steeds vaker buiten de inrichting mogen begeven om zich voor te bereiden op hun terugkeer in de maatschappij, is door de uitbraak van het coronavirus onder druk komen te staan. Niet alleen de gedetineerde, tbs-gestelde of jongere zelf maar ook de samenleving is bij dit systeem gebaat, omdat het de kans dat de betrokkene opnieuw een strafbaar feit pleegt verkleint.

Met de inzet van middelen vanuit het ESF REACT-EU wordt daarom voorzien in het bieden van aanvullende ondersteuning aan de doelgroep, gericht op het maken van de stap naar de arbeidsmarkt en het verkleinen van risico’s op recidive.

DJI heeft de expertise om deze begeleiding te bieden. Daarom wordt € 8,5 miljoen subsidie beschikbaar gesteld aan de Minister van J&V om de inrichtingen van DJI in staat te stellen deze extra begeleiding te bieden.

3.1 Doel en Doelgroep

Een project in het kader van dit hoofdstuk heeft tot doel begeleiding te bieden aan personen die in de inrichtingen verblijven en hen voor te bereiden op hun terugkeer in de maatschappij. Het doel is om hun arbeidsmarktpositie zodanig te verbeteren, dat zij naar werk bemiddelbaar zijn of na genoemd verblijf inpasbaar zijn in een arbeidsmarkt gerelateerd programma of een regulier opleidingstraject.

De doelgroep bestaat uit personen die op het moment van deelname verblijven in een gevangenis, een forensisch psychiatrische kliniek of een justitiële jeugdinrichting. Jongeren verblijvend in een gesloten accommodatie als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet vallen tegenwoordig onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten en maken daardoor geen deel meer uit van de doelgroep voor dit onderdeel van de subsidieregeling. Deze jongeren zouden eventueel ondersteuning kunnen ontvangen door middel van de projecten van de arbeidsmarktregio’s.

Artikel D16, tweede lid, is enigszins anders geformuleerd dan artikel A21, tweede lid van ESF 2014–2020, om te verduidelijken dat aan het tweede lid ook toepassing gegeven mag worden indien iemand deelneemt aan meer opeenvolgende projecten. Met de aanpassing is geen inhoudelijke wijziging ten opzichte van de voorgaande regeling beoogd.

3.2 Activiteiten

De ESF REACT-EU middelen worden ingezet om deelnemers te begeleiden naar werk of een stap naar werk (arbeidsmarkttoeleiding). Praktisch gezien betekent dit dat deelnemers begeleiding ontvangen, een arbeidsgerichte opleiding of training volgen, een vak en/of beroepsvaardigheden (competenties) zullen moeten leren. Deze activiteiten worden ingezet, omdat het hebben van opleiding of werk vaak van positieve invloed is op het voorkomen van recidive. De doelgroep betreft gedetineerden, tbs-gestelden en jongeren in een justitiële jeugdinrichting.

Dankzij de aanvullende steun vanuit het ESF REACT-EU zijn de inrichtingen in staat om extra middelen en mensen in te zetten waarmee zij geselecteerde deelnemers voorbereiden op het verkrijgen en het behouden van werk. Bij gedetineerden en tbs-gestelden gaat het vaak om het ontwikkelen van beroepsvaardigheden, terwijl het bij jongeren vaker gaat om een opleiding. Het is hoe dan ook een stap in de richting van betaalde arbeid.

Voor de activiteiten wordt een standaardprijs per kalenderdag aangehouden per deelnemer die in een ESF-traject participeert. Die standaardprijs is gebaseerd op een kostenonderzoek uit de huidige periode en door de Europese Commissie geaccordeerd.

3.3 Voorbereidingstijd, tijdvak en looptijd

De aanvullende ESF-middelen uit REACT-EU dienen als crisisbudget en moeten uiterlijk 31 december 2022 zijn besteed op projectniveau. Na de inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling, wordt het tijdvak één maand opengesteld voor het indienen van subsidieaanvragen. Projecten kunnen lopen van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022.

3.4 Privacy

Op basis van de Subsidieregeling ESF 2014–2020 wordt subsidie uit het Europees Sociaal Fonds aan het Ministerie van J&V verleend voor het vergroten van mogelijkheden tot arbeidsinpassing van personen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Hiervoor wordt een hoofdstuk aan Investeringsprioriteit D (luidende: bevordering van het crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en ter voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie) toegevoegd en wordt een subsidietijdvak opengesteld. Om te controleren of de subsidie door de subsidieaanvrager aan de doelgroepen genoemd in artikel D16 van bijlage 1a zijn besteed, en om de effectiviteit van de subsidie te kunnen evalueren, worden persoonsgegevens verwerkt. UVB voert deze taak uit.

Subsidieaanvrager

De subsidie wordt aangevraagd door het Ministerie van J&V.

Grondslag

Ten behoeve van de Subsidieregeling ESF 2014–2020 is het verwerken van de persoonsgegevens nodig om deelnemers te kunnen identificeren, te kunnen vaststellen of een deelnemer behoort tot de doelgroep van de Subsidieregeling ESF 2014–2020 en om te kunnen vaststellen of deze deelnemer heeft deelgenomen aan de opgegeven activiteiten.

De grondslag om persoonsgegevens te mogen verwerken is terug te vinden is artikel 6 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Dit artikel maakt de verwerking mogelijk indien de verwerking noodzakelijk is om te voldoen aan een wettelijke verplichting (artikel 6, eerste lid, onderdeel c, AVG). Deze wettelijke verplichting moet zijn grondslag kennen in Europese- of nationale wetgeving (artikel 6, derde lid, AVG).

Op grond van artikel 123 van de Gemeenschappelijke Bepalingen Verordening wijzen de lidstaten een managementautoriteit aan. In artikel 125 van die verordening worden aan de management autoriteit verschillende taken opgedragen: deze autoriteit dient toezicht te houden op naleving van het beginsel van goed financieel beheer (eerste lid), een systeem op te zetten met audit en persoonsgegevens (tweede lid, onderdeel d), te controleren of activiteiten hebben plaatsgevonden en kosten zijn betaald, fraude wordt voorkomen en een deugdelijke administratie wordt bijgehouden ten behoeve van de controle (vierde lid, onderdelen a, c en d) en tot slot dienen verificaties ter plekke worden gedaan (vijfde lid, onderdeel b). In artikel 3 van de Subsidieregeling ESF 2014–2020 wordt de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen als managementautoriteit. UVB voert de taken van de managementautoriteit in mandaat van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid uit. UVB maakt daarvoor gebruik van persoonsgegevens van deelnemers. Deze grondslag is verder uitgewerkt in de Subsidieregeling ESF 2014–2020. Op grond van artikel 15 en 17 van de Subsidieregeling ESF 2014–2020 worden de noodzakelijke persoonsgegevens verwerkt ten behoeve van controle, rapportage en evaluatiedoeleinden.

Op grond van artikel 10 van de Wet algemene bepalingen Burgerservicenummer kunnen overheidsorganen in het kader van de aan hen opgedragen taken gebruik maken van het Burgerservicenummer. Op grond van artikel 3, derde en vierde lid, van de Kaderwet SZW-subsidies kunnen persoonsgegevens, waaronder het Burgerservicenummer, in het kader van subsidieverstrekking met het oog op rapportage en evaluatie van de besteding van de subsidie worden verwerkt. De grondslag in de Kaderwet SZW subsidies is verder uitgewerkt in de bovengenoemde artikelen van de Subsidieregeling ESF 2014–2020.

De Burgerservicenummers die de subsidieontvangers op grond van artikel 15 en 17 van de Subsidieregeling ESF 2014–2020 aan UVB hebben verstrekt worden door UVB voor evaluatie en statistische doeleinden aan het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gestuurd. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de AVG staat het vereiste van doelbinding aan de verdere verwerking van persoonsgegevens in het algemeen belang voor statistische doeleinden niet in de weg. Op grond van artikel 34 van de Wet op het Centraal bureau voor de Statistiek is het CBS bevoegd om Burgerservicenummers voor statistische doeleinden te verwerken. CBS verwerkt de Burgerservicenummers tot een rapport over de uitstroomresultaten van de ESF subsidies. In het rapport dat wordt opgesteld door CBS staan alleen geaggregeerde resultaten die niet tot individuele deelnemers te herleiden zijn. UVB vraagt het CBS om deze rapporten op te stellen, omdat het CBS de gegevens kan koppelen aan andere voor statistische doeleinden ontvangen gegevens. Om deze koppeling mogelijk te maken heeft het CBS identificerende variabelen nodig, zoals het Burgerservicenummer.

Noodzaak

Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Gemeenschappelijke Bepalingen Verordening dient iedere lidstaat een jaarverslag in over de uitvoering van het ESF programma in het voorgaande begrotingsjaar. In dit jaarverslag doen de lidstaten aan de Europese Commissie verslag over de uitvoering van het ESF programma aan de hand van financiële gegevens en gemeenschappelijke en programmaspecifieke indicatoren. Daarnaast is iedere lidstaat, op grond van artikel 114 van de Gemeenschappelijke Bepalingen Verordening, verplicht om een evaluatieplan op te stellen. In dit evaluatieplan moeten de lidstaten een samenvatting geven van de belangrijkste resultaten van het operationele programma. Om aan deze verplichtingen te kunnen voldoen is het noodzakelijk dat UVB de naleving van de subsidievoorschriften kan controleren en de resultaten van de ESF subsidies kan beoordelen en evalueren. De subsidieontvangers worden daarom in de Subsidieregeling ESF 2014–2020 verplicht om de persoonsgegevens van deelnemers aan de ESF projecten te verwerken. Op grond van deze regeling worden persoonsgegevens verwerkt voor de volgende doeleinden:

  • om deelnemers te kunnen identificeren (artikel 15 Subsidieregeling ESF 2014–2020);

  • om vast te kunnen stellen of een deelnemer behoort tot de doelgroep van de regeling en om te kunnen vaststellen of deze deelnemer heeft deelgenomen aan de opgegeven activiteiten binnen het project (artikel 15 Subsidieregeling ESF 2014–2020);

  • ten behoeve van rapportage- en evaluatiedoeleinden (artikel 17 en 18 Subsidieregeling ESF 2014–2020).

Om te kunnen beoordelen of een deelnemer in aanmerking komt voor dienstverlening op grond van de Subsidieregeling ESF 2014–2020, is een beoordeling van persoonlijke omstandigheden nodig. Het gaat dan om een beoordeling van gegevens op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de deelnemer tot de doelgroep behoort en dat de activiteiten ten behoeve van de deelnemer passen binnen het doel van de Subsidieregeling ESF 2014–2020. De genoemde gegevens zijn daarom noodzakelijk en ter zake dienend om de dienstverlening uit te kunnen voeren en deze zo doeltreffend en efficiënt mogelijk vorm te geven.

Proportionaliteit

Het Ministerie van J&V dient binnen dertien weken na beëindiging van het project een verzoek in tot vaststelling van de subsidie bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zodat gecontroleerd kan worden of de opgevoerde kosten subsidiabel zijn. Bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie wordt een verantwoording en een einddeclaratie gevoegd (artikel 18 van de Subsidieregeling ESF 2014–2020). Het Ministerie van J&V verstrekt bij de einddeclaratie het Burgerservicenummer van de deelnemers van het project aan de minister.

Subsidiariteit

De inrichtingen vallend onder het Ministerie van J&V vervullen een taak die in het verlengde ligt van de wettelijke taken die zij reeds hebben. De uitvoering van taken die uit de Subsidieregeling ESF 2014–2020 volgen, kan in redelijkheid niet op een andere, voor de betrokkene minder nadelige wijze worden verwezenlijkt dan met toepassing van de voorgeschreven verwerking van persoonsgegevens.

Het niet verwerken van persoonsgegevens is geen realistisch alternatief omdat voor uitvoering van de Subsidieregeling ESF 2014–2020 duidelijk moet zijn aan wie de ondersteuning wordt aangeboden. Ook voor verantwoordingsdoeleinden is het noodzakelijk dat gegevens worden bijgehouden.

Conclusie

Uit het vorenstaande blijkt dat alleen de noodzakelijke persoonsgegevens worden verwerkt en dat deze verwerking plaatsvindt in overeenstemming met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Praktische inrichting gegevensuitwisseling

De eis om bij de verwerking van gegevens een passend beveiligingsniveau in acht te nemen en daarvoor organisatorische- en technische maatregelen te treffen, volgt rechtstreeks uit de AVG en is daarom al onverkort van toepassing op het Ministerie van J&V. Aangezien het Ministerie van J&V en het CBS reeds gehouden zijn aan toepasselijke wet- en regelgeving, zoals de AVG, bevat de Subsidieregeling ESF 2014–2020 geen specifieke bepalingen over de uitvoering van de gegevensverwerking en de daarmee samenhangende technische- en organisatorische aspecten.

Verhouding tot hoger recht

In het kader van hoger recht wordt overwogen dat een inbreuk op het recht op privacy, in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM), van de deelnemers aan de ESF projecten kan worden gerechtvaardigd als deze is gebaseerd op een wettelijke grondslag, plaatsvindt in het algemeen belang zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 8 van het EVRM en niet verder gaat dan nodig. Aan alle drie deze criteria is voldaan. Dat er een wettelijke grondslag is voor de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is al eerder in deze toelichting, onder ‘grondslag’, uitgewerkt. De voorschriften, artikelen 15 en 17 van de Subsidieregeling ESF 2014–2020 in het bijzonder, zijn bovendien voldoende specifiek zodat voor betrokkenen voldoende kenbaar is dat, en voor welke doelen hun persoonsgegevens worden verwerkt. Daarnaast worden de persoonsgegevens verwerkt voor een legitiem doel in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Zoals hierboven onder ‘noodzaak’ is toegelicht, is het verwerken van de persoonsgegevens noodzakelijk om aan de voorschriften te voldoen die op grond van de Gemeenschappelijke Bepalingen aan het verstrekken van de middelen uit REACT EU zijn verbonden. REACT EU is een maatregel die in het algemeen belang middelen beschikbaar stelt in de context van de COVID-19-pandemie en het voorbereiden van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie. De inbreuk op de privacy van de betrokken gaat, tot slot, niet verder dan nodig is om het doel te behalen. In het bovenstaande kwam al aan bod dat de wijzigingsregeling voldoet aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Bewaartermijn

In artikel 16, eerste lid, van de Subsidieregeling ESF 2014–2020 is de bewaartermijn opgenomen voor de administratieve bescheiden die betrekking hebben op het gesubsidieerde project. Deze bewaartermijn, tot en met 31 december 2027, geldt ook voor projecten die worden gesubsidieerd vanuit ESF REACT-EU. De bewaartermijn is gebaseerd op artikel 140, eerste lid, van de Gemeenschappelijke Bepalingen Verordening. Hierin staat: ‘Voor alle andere concrete acties dan deze bedoeld in de eerste alinea, worden alle ondersteunende documenten beschikbaar gesteld gedurende twee jaar, vanaf 31 december na de indiening van de rekeningen waarin de definitieve uitgaven voor de voltooide concrete actie zijn opgenomen.’ Deze bepaling is van toepassing op de uitvoering van het ESF in Nederland. De laatste mogelijkheid om uitgaven van projecten, die worden gesubsidieerd vanuit ESF REACT-EU, op te nemen in de rekeningen aan de Europese Commissie is februari 2025. Dit leidt tot een uiterste bewaartermijn tot en met 31 december 2027. Om de bewaartermijn van de administratieve bescheiden (waaronder ook persoonsgegevens) niet langer te maken dan strikt noodzakelijk, is het mogelijk om een kortere bewaartermijn op te nemen in de beschikking tot subsidievaststelling, indien de uitgaven voor het betreffende project in een kalenderjaar vóór 2025 zijn opgenomen in de rekeningen aan de Europese Commissie.

3.5 Staatssteun

Subsidieaanvrager is het Ministerie van J&V. Dit is een bestuursorgaan en geen onderneming, zodat er geen sprake is van staatssteun als bedoeld in artikel 107, eerste lid, van het Verdrag inzake de Werking van de Europese Unie.

4. Toelichting Hoofdstuk III

De COVID-19-crisis heeft de afgelopen anderhalf jaar grote invloed gehad op de arbeidsmarkt. In korte tijd hebben ten gevolge van de coronamaatregelen in bepaalde branches overschotten en tekorten aan arbeidskrachten elkaar opgevolgd. Ook zijn transities in veel branches versneld, bijvoorbeeld het thuiswerken en online winkelen. Hoewel de economische impact ten opzichte van de ramingen van het CPB van vorig jaar meevallen en de krapte op de arbeidsmarkt lijkt aan te houden, is er ook nog onzekerheid. Hoe zal het coronavirus zich ontwikkelen? En welke gevolgen heeft het afbouwen van het steunpakket? In bepaalde sectoren verdwijnen banen. Dit kan langdurig of zelfs permanent zijn. Ook is sprake van een verschuiving van werkgelegenheid van de ene sector naar de andere. In sommige sectoren blijft de werkgelegenheid relatief ongemoeid en er zijn sectoren waar nog vacatures zijn. Zowel werkenden als werkzoekenden kunnen te maken krijgen met de gevolgen van de crisis.

In een presentatie voor de Ministeriële Commissie COVID-19 op 20 april 2021 wezen het CPB en SCP wederom op de ongelijke effecten die de snelle transities naar aanleiding van COVID-19 hebben. Vooral degenen met een flexibel arbeidscontract, waaronder ZZP-ers, lopen risico om werk te verliezen en maken vervolgens minder kans op het vinden van nieuw werk. Het SCP wijst erop dat vooral werkenden met een migratieachtergrond, jongeren, ouderen die vanuit een uitkering aan het werk zijn gegaan, werkenden met lage opleidingsniveaus alsmede mensen met een arbeidsbeperking, risico lopen omdat zij veelal in tijdelijke banen werkzaam zijn en vaker in een kwetsbare sector werken. Tussen deze kenmerken bestaat ook de nodige onderlinge samenhang.

Een nieuwe toekomst zoeken of je aanpassen aan de nieuwe omstandigheden betekent dat mensen zich moeten oriënteren op nieuw werk en soms hun expertise moeten aanpassen of hun competenties uitbreiden. Leven lang ontwikkelen is echter niet voor iedereen vanzelfsprekend en blijft achter, met name bij laagopgeleiden en mensen met een onzeker werkverband. Daarom worden de ESF REACT-EU middelen ingezet voor bij- en omscholing van kwetsbare werkenden en werkenden die willen overstappen naar werk in een krapteberoep, al dan niet in een andere sector.

4.1 Doel en Doelgroep

Het doel van de regeling is, in de context van de COVID-19 crisis, kwetsbare werkenden te ondersteunen hun baan te behouden of een verbetering in hun arbeidsmarktpositie te realiseren. Met de subsidie kunnen integrale trajecten aangeboden worden, waarin de deelnemer gedurende het traject kan worden begeleid/gecoacht zodat ingezette scholing en trajecten met succes worden afgerond en de opgedane kennis geoperationaliseerd wordt.

De regeling beoogt de grote verschillen in perspectief op de arbeidsmarkt te verkleinen, waardoor kwetsbare werkenden meer kans hebben op een vast arbeidsverband. Het gaat hierbij om een duurzame versterking van de positie van kwetsbare werkenden wat kan resulteren in het behouden van hun baan of het vinden van een andere, eventueel betere, functie.

De doelgroep is daarom breed gedefinieerd en omvat werknemers in loondienst, zelfstandigen zonder personeel en overige werkenden in opdracht van een opdrachtgever. Voor alle deelnemers wordt ofwel een arbeidscontract, een loonstrook of, in het geval iemand ZZP-er is, een inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel gevraagd om aan te tonen dat iemand werkend is. Daarnaast wordt gevraagd om aan te tonen dat de deelnemer een kwetsbare werkende is. Kwetsbare werkenden in de zin van hoofdstuk III zijn personen die aantoonbaar vallen onder een van de volgende categorieën:

  • a) werkenden die in een periode van drie jaar voorafgaand aan de start van een project een bijstandsuitkering, een uitkering op grond van de IOAW, de IOAZ of het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004, dan wel een uitkering op grond van een sociale zekerheidswet ten laste van het UWV hebben ontvangen;

  • b) werkenden die op het moment van de aanvraag minder dan 130% van het minimumloon verdienen;

  • c) indien het zelfstandigen zonder personeel betreft, als dezen over de periode van zes maanden voorafgaand aan deelname een tarief hanteren dat gemiddeld niet hoger ligt dan € 35 exclusief BTW per gewerkt uur;

  • d) werkenden met een opleidingsniveau dat niet hoger is dan MBO-2 of een daarmee vergelijkbaar niveau;

  • e) werkenden die zijn geregistreerd in het doelgroepenregister in het kader van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten;

  • f) werkende hier te lande woonachtige vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijf houden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.

Ad a)

Onder deze groep vallen alle werkenden die op dit moment werken, maar op enig moment in de drie jaar voorafgaand aan de start van het project een volledige of aanvullende uitkering hebben ontvangen. Hiermee worden alle uitkeringen van het UWV en uitkeringen op basis van de Participatiewet bedoeld die mede voorzien in het levensonderhoud. Hieronder vallen ook het Bbz levensonderhoud en de Tozo die betrekking hebben op zelfstandigen zonder personeel.

Ad b) en c)

Conform de definities die het SCP bij de beschrijving van precaire arbeid in ‘De onderkant van de arbeidsmarkt in 2025’4 hanteren wij als grens voor werkenden met een laag persoonlijk inkomen een uurloon dat gelijk is aan maximaal 130% van het wettelijk minimumloon. Zelfstandigen zonder personeel die in de periode van zes maanden voorafgaand aan deelname gemiddeld een tarief hebben gehanteerd van maximaal € 35 exclusief BTW per gewerkt uur kunnen op basis van deze voorwaarde ook deelnemen. Van hen wordt altijd een verklaring gevraagd van het gemiddeld gehanteerde tarief, het werkzaam zijn als ZZP-er en de naam en het KVK-nummer van zijn bedrijf. De minister kan de ZZP-er vragen deze verklaring te onderbouwen met bewijsstukken, waaronder facturen en betaalbewijzen

Ad d)

Tot de doelgroep behoren werkenden met een opleidingsniveau van maximaal een MBO-2 of een diploma in het voortgezet onderwijs. Het gaat hierbij bijvoorbeeld ook om werkenden die alleen een middelbare schoolopleiding hebben afgerond.

Ad e)

Binnen deze regeling vallen onder de doelgroep arbeidsbeperkten alle werkenden die in het doelgroepenregister staan. Dit zijn werknemers waarvoor een werkgever loonkostensubsidie ontvangt of waar een werkgever loondispensatie voor kan aanvragen.

Het doelgroepenregister is een landelijk register waarin alle mensen staan vermeld die onder de banenafspraak vallen. Dit zijn:

  • mensen in de Wajong die kunnen werken (arbeidsvermogen);

  • mensen met een Wsw-indicatie;

  • mensen met een WIW-baan;

  • mensen met een ID-baan;

  • mensen die onder de Participatiewet vallen en van wie is vastgesteld dat zij niet het wettelijk minimumloon kunnen verdienen;

  • mensen die tussen 1 september 2014 en 1 juli 2015 zijn afgewezen voor de Wajong;

  • schoolverlaters van het voortgezet speciaal onderwijs (vso), praktijkonderwijs (pro) en entree-opleiding in het mbo van het schooljaar 2014/2015;

  • mensen die zonder een voorziening niet het wettelijk minimumloon kunnen verdienen.

Ad f)

Dit heeft betrekking op de werkende statushouders in Nederland, oftewel werkende asielzoekers van wie de asielaanvraag is ingewilligd en die een (legale) verblijfsstatus hebben gekregen.

4.2 Subsidiabele activiteiten

Vanwege de uitvoerbaarheid van de regeling zijn alleen de volgende activiteiten subsidiabel. Hierbij is, met uitzondering van de indirecte kosten, gekozen voor activiteiten die direct toe te schrijven zijn aan de deelnemers. Dit vergemakkelijkt zowel het opstellen en controleren van de subsidieaanvragen, als de verantwoording en de controle van de uitgevoerde projecten.

Intakegesprek:

Een intakegesprek vindt plaats door een externe aanbieder en bepaalt op basis van de behoeften en mogelijkheden van de werkende de inhoud van het traject: EVC-procedure, scholing basisvaardigheden, scholing beroepsvaardigheden en de eventueel benodigde begeleiding hierbij. De begeleider is geregistreerd bij Noloc als loopbaanprofessional of jobcoach of heeft werkervaring met het geven van begeleiding. Met extern wordt bedoeld dat de persoon die de intake doet niet werkzaam is bij de werkgever van de kwetsbare werkende. Het intakegesprek wordt vastgelegd en deze vastlegging dient door zowel de begeleider als de deelnemer te worden ondertekend.

Begeleiding:

Zeker voor de kwetsbare werkendendoelgroep die met dit programmaonderdeel wordt gesteund, kan het van belang zijn dat ze gedurende het traject begeleiding krijgen (een ‘buddy functie’). Deze begeleiding moet worden geboden door een externe partij. De partij is geregistreerd bij Noloc als loopbaanprofessional of jobcoach of heeft aantoonbare werkervaring met het geven van begeleiding. Begeleiders zullen veelal uit de kringen van het personeelswerk in ruime zin komen. Een begeleider is een externe en kan of van binnenuit het samenwerkingsverband worden ingezet voor begeleidingsactiviteiten, of het betrokken samenwerkingsverband kiest ervoor de begeleiding van buiten in te huren. Met extern wordt bedoeld dat de begeleider niet werkzaam is bij de werkgever van de kwetsbare werkende.

EVC:

EVC staat voor Erkenning van eerder Verworven Competenties. Vooral voor mensen zonder startkwalificatie kan het waardevol zijn erkenning te krijgen van de competenties. Ook kan het een startpunt zijn voor verdere ontwikkeling, wat bijdraagt aan een leercultuur in Nederland en een Leven Lang Ontwikkelen (LLO). Net als bij NL Leert Door is vereist dat de EVC-aanbieder erkend is door het Nationaal Kenniscentrum EVC.

Scholing basisvaardigheden:

Het aanleren of versterken van basisvaardigheden is een belangrijk onderdeel van deze regeling. Onder basisvaardigheden worden verstaan alle basisvaardigheden zoals genoemd door de Europese Raad (Aanbeveling van de Raad van 22 mei 2018, inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren, 2018/C 189/01). Wij verwachten met name inzet op taalvaardigheden, rekenvaardigheden, digitale vaardigheden en financiële vaardigheden. De trainingen worden gegeven door een externe (hiertoe door NRTO gecertificeerde) aanbieder.

Scholing beroepsvaardigheden:

Uitkomst van een intakegesprek en/of EVC traject kan zijn dat de werknemer gebaat is bij scholing op beroepsvaardigheden. Financiering van beroepsvaardigheden is binnen dit onderdeel van de subsidieregeling alleen mogelijk als integraal onderdeel van een traject, waarbij uit een intakegesprek of een EVC-traject is gebleken dat scholing op beroepsvaardigheden nodig is. Voor scholing op beroepsvaardigheden is, overeenkomstig NL Leert Door, vereist dat de opleider een NRTO keurmerk heeft, de opleider opleidt tot een door het NCP NLQF ingeschaalde kwalificatie of opleidt tot een overheids-, branche- of sector-erkend certificaat. Een opleiding wordt aangemerkt als branche- of sector-erkend, wanneer het O&O fonds of een hoofdaanvrager uit de betreffende sector schriftelijk verklaard dat er sprake is van een branche- of sector-erkende opleiding en motiveert waarom dat zo is.

Voor alle duidelijkheid wordt onder subsidiabele scholing beroepsvaardigheden (of basisvaardigheden) in elke geval niet verstaan bedrijfsspecifieke training, EHBO-cursussen en BHV-cursussen.

Loonverletkosten:

Dit zijn kosten van de werkgever voor improductiviteit van werknemers tijdens de uren dat de werknemer externe scholing (basisvaardigheden of beroepsvaardigheden) volgt in het kader van het traject. Over het algemeen geldt als regel dat dergelijke kosten niet voor subsidie in aanmerking komen, maar alleen voor dit onderdeel van de subsidieregeling wordt hier nu een uitzondering op gemaakt. Dat omdat deze regeling zich in belangrijke mate richt op het aanleren van basisvaardigheden door de specifieke groep kwetsbare werkenden en er niet in alle gevallen sprake is van een verbeterde inzetbaarheid voor de werkgever. Het kan, zeker gezien deze kwetsbare doelgroep, net die aanvullende stimulans bieden voor werkgevers om werknemers in werktijd te laten deelnemen aan deze trajecten. Op deze manier is beoogd de regeling maximaal toegankelijk te maken ook voor werkgevers die vanwege de coronacrisis weinig kunnen investeren in de ontwikkeling van hun personeel.

Om de controle van loonverletkosten goed uitvoerbaar te maken en het risico op misbruik of oneigenlijk gebruik waar mogelijk te voorkomen worden de volgende voorwaarden gesteld:

  • voor de hoogte van vergoeding van loonverletkosten komt alleen één gestandaardiseerd uurtarief voor subsidiering in aanmerking dat is gebaseerd op het wettelijk minimumloon. Dat maakt de verantwoording op dat aspect eenvoudig;

  • loonverletkosten zijn slechts subsidiabel als ook de kosten voor de scholing of opleiding waarop de loonverletkosten betrekking hebben voor de betreffende deelnemer zijn gedeclareerd;

  • loonverletkosten dienen door de aanvrager te worden onderbouwd door de volgende zaken:

    • een tijdsregistratiesysteem (kan ook een aanwezigheidsregistratie zijn);

    • een loonstrook/of verzamelloonstaat welke de dienstbetrekking bij de betrokken werkgever aantoont gedurende periode waarop gedeclareerde loonverletkosten betrekking hebben;

    • een verklaring ondertekend door zowel werkgever, werknemer (deelnemer) als externe opleider waarin in elk geval het totaal aantal lesuren per opleiding, alsmede het aantal van deze door de deelnemer bijgewoonde lesuren onder betaalde werktijd (de verleturen) is vastgelegd.

Indirecte kosten:

Dit betreft kosten die noodzakelijkerwijs moeten worden gemaakt om het project tot een goed einde te brengen en de subsidie hiervoor vastgesteld te krijgen, maar die niet direct zijn te verbinden aan een deelnemer, zoals het geval is bij de kosten zoals opgesomd in artikel D30 a t/m f en zoals hierboven toegelicht. Voor dit onderdeel van de regeling is ervoor gekozen om kosten die niet direct zijn te verbinden aan de deelnemer als indirecte kosten te definiëren. Het gaat dan om kosten van projectcoördinatie, projectadministratie en projectcommunicatie. Om deze kosten te kunnen dekken, wordt een flat rate van maximaal 7% over de subsidiabele directe kosten gehanteerd (artikel D30 a tot en met f). De indirecte kosten die worden bepaald door toepassing van de flat rate, hoeven door de subsidieontvanger niet meer te worden onderbouwd met bewijsstukken.

In de overige onderdelen van de subsidieregeling hebben wij dit type kosten altijd beschouwd als directe kosten, omdat zij direct noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het project. In afstemming met de Europese Commissie en om een eventueel risico op dubbele financiering volledig uit te sluiten, hebben wij er voor dit onderdeel van de regeling voor gekozen om de kosten voor projectleiding,

-administratie en -coördinatie niet meer als directe kosten te beschouwen, maar ze op te nemen in de definitie voor indirecte kosten en ze niet meer apart te subsidiëren, maar op basis van de flat rate van maximaal 7% die de Europese verordeningen5 hiervoor bieden.

Voorkomen dubbelfinanciering:

Binnen deze regeling is dubbelfinanciering of cofinanciering door middel van andere REACT-EU projecten, andere nationale of internationale subsidieregelingen niet mogelijk. Activiteiten kunnen alleen binnen deze regeling bekostigd worden indien zij niet reeds (deels) bekostigd worden op grond van een andere subsidieregeling, waaronder de subsidieregelingen NL Leert Door, STAP-budget en Tel mee met Taal.

BTW:

Betaalde BTW kan niet worden opgevoerd als subsidiabele kosten. Dit geldt ook voor niet btw-plichtige organisaties. Dit uit het oogpunt van een zo eenvoudig mogelijke uitvoering en controle van de projecten.

Verantwoording kosten en marktconformiteit:

Kosten worden vergoed op basis van werkelijk gemaakte en betaalde kosten en op basis van o.a. prestatieonderbouwing, factuur en betalingsbewijs. Dit geldt niet voor de indirecte kosten, die worden afgerekend op basis van een flat rate van 7% op de direct aan deelnemers gerelateerde kosten en waarvoor geen aanvullende bewijsstukken worden gevraagd. Per activiteit is in de regeling een drempeltarief opgenomen dat als marktconform geldt. Onder dit tarief hoeft de marktconformiteit niet te worden aangetoond.

Wanneer binnen een project kosten worden opgevoerd die boven het in de subsidieregeling vastgestelde marktconforme tarief liggen dienen aanvullend op de factuur en het betalingsbewijs bewijsstukken van de marktconformiteit te worden aangeleverd. Hiervoor gelden de volgende procedures:

  • een offerteprocedure waarbij ten minste drie offertes zijn aangevraagd en beoordeeld;

  • een transparante, objectieve en niet-discriminatoire aanbestedingsprocedure.

Bij een offerteprocedure wordt een bestek opgesteld waarin duidelijk is aangegeven wat de opdracht is. Een bestek is een beschrijvend document waarin de gunnings- en selectiecriteria zijn beschreven op basis waarvan de selectie plaatsvindt. Op basis van dit bestek wordt aan minimaal drie partijen gevraagd een offerte uit te brengen. De uitnodiging voor het verstrekken van een offerte moet bij alle partijen gelijk zijn. Hierbij moet het gaan om partijen waarvan redelijkerwijs mag worden verwacht dat zij in staat zijn de opdracht uit te voeren. Nadat de offertes zijn binnengekomen worden deze met elkaar vergeleken op basis van de criteria die zijn opgenomen in het bestek. Het is belangrijk dat de totstandkoming van de keuze duidelijk wordt vastgelegd in het dossier. Dit gebeurt onder andere door middel van een ondertekende gunningsmatrix en indien van toepassing gespreksverslagen met de offrerende partijen. De opdracht wordt verstrekt aan de aanbieder met de economisch meest voordelige aanbieding en de afgewezen partijen ontvangen een brief waarin staat aangegeven dat zij de opdracht niet gegund krijgen.

De vast te leggen gegevens in het dossier bestaan uit:

  • procedurebeschrijving offerteprocedure;

  • bestek (beschrijvend document) ten behoeve van de opdracht met selectie- en gunningscriteria en wegingsfactoren;

  • de uitvraag voor offertes;

  • de ingediende offertes;

  • de gunningsfase (gespreksverslagen en gunningsmatrix);

  • motivering van de gemaakte keuze;

  • de gunnings- en afwijzingsbrieven;

  • het contract met de gegunde partij.

Wanneer hier niet aan wordt voldaan kunnen kosten maximaal worden gesubsidieerd op basis van de tarieven zoals opgenomen in D31.

Voor aanbestedende diensten blijft onverkort de verplichting bestaan om opdrachten te verstrekken in overeenstemming met de Aanbestedingswet 2012.

Directe loonkosten:

Wanneer subsidiabele activiteiten uit artikel D30 (onderdelen a tot en met e) worden verricht door medewerkers van de aanvrager zelf, een van de partijen uit het samenwerkingsverband, een organisatie die is vertegenwoordigd in het bestuur van de subsidieaanvrager of in het bestuur van een partij uit het samenwerkingsverband, of een aan voorgenoemde organisaties verbonden organisatie, dan kunnen deze activiteiten enkel op basis van de loonkosten van betreffende medewerker worden gedeclareerd. Dit is zo omdat in de commerciële tarieven die door genoemde organisaties aan derden in rekening worden gebracht opslagen voor winst en overhead (kunnen) zijn vervat, die niet voor subsidiering in aanmerking kunnen komen.

De berekening van de loonkosten bestaat uit de som van de componenten brutoloon (basisbedrag zonder toeslagen) en de eindejaarsuitkering. Deze som wordt vermeerderd met een opslag van 32% voor werkgeverslasten. Om het uurtarief te berekenen, worden de totale loonkosten bij een voltijds dienstverband gedeeld door 1.720 uur per jaar (deze berekeningswijze is gebaseerd op artikel 68, tweede lid, uit Verordening (EU) nr. 1303/2013). Voor vereenvoudiging van de berekening van het uurloon is deze mogelijkheid overgenomen in de subsidieregeling. Deze berekeningswijze geldt ook bijvoorbeeld in het geval een 36-urige werkweek op basis van de CAO als een voltijds dienstverband wordt gezien. Indien het dienstverband van een medewerker minder uren dan een voltijds dienstverband bedraagt, dient het aantal werkbare uren evenredig te worden toegepast.

4.3 Aanvragers en subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen kunnen worden ingediend door een paritair bestuurde organisatie, bijvoorbeeld O&O fondsen zoals gedefinieerd in ESF 2014–2020. Ook samenwerkingsverbanden van werkgevers- of werknemers, brancheorganisaties en O&O fondsen kunnen een aanvraag indienen, zolang er in dit samenwerkingsverband sprake is van vertegenwoordiging vanuit zowel werkgeverszijde als werknemerszijde. O&O fondsen kunnen individueel een aanvraag indienen voor de sector waar zij onder vallen, maar ze kunnen zich ook aansluiten bij een samenwerkingsverband (van O&O fondsen) en zo een gezamenlijke aanvraag voor meerdere sectoren indienen.

Wanneer een subsidieaanvraag wordt ingediend door een samenwerkingsverband geldt de eis dat binnen dit samenwerkingsverband zowel werknemers- als werkgeversorganisaties deelnemen. De deelnemende organisaties machtigen één van de partijen in het samenwerkingsverband om als hoofdaanvrager op te treden en namens de overige de subsidieaanvraag in te dienen. Aan de hoofdaanvrager wordt als voorwaarde gesteld dat dit een organisatie is die bij het indienen van de aanvraag minimaal twee jaar bestaat, hetgeen in de meeste gevallen wel blijkt uit zijn inschrijving bij de Kamer van Koophandel.

Voor de toegankelijkheid van de regeling is het van belang dat een aanvraag binnen een sector op zoveel mogelijk draagvlak kan rekenen. Van de subsidieaanvragers wordt gevraagd om binnen de sector(en) waarvoor zij de aanvraag indienen zoveel mogelijk bekendheid te geven aan hun voornemen om een aanvraag in te dienen. In de aanloop naar het indienen van de subsidieaanvraag zorgen de subsidieaanvragers ervoor dat het mogelijk is voor andere organisaties uit hun sector om zich aan te sluiten en dat het mogelijk is voor kwetsbare ZZP-ers om deel te nemen. De subsidieaanvragers gebruiken alle mogelijke kanalen om bedrijven en zelfstandigen in hun sector over de mogelijkheden van hun project voor kwetsbare werkenden te informeren, zodat er sprake is van gelijke kansen voor alle kwetsbare werkenden in de sector om deel te nemen.

Om te waarborgen dat projecten voldoende omvang hebben en om de uitvoering voor UVB beheersbaar te houden is gekozen voor een omvang van minimaal € 250.000 subsidie per project. Voor sectoren met minder kwetsbare werkenden zou dit een drempel kunnen opwerpen om een project op te starten. Daarom is het voor een aantal sectoren mogelijk om voor betreffende sector een aanvraag in te dienen met een minimale omvang zo hoog als het in bijlage 3e toebedeelde budget. Het gaat hierbij om de sectoren: B Delfstoffenwinning; D Energievoorziening; E Waterbedrijven en afvalbeheer; L Verhuur en handel van onroerend goed; T Huishoudens, en; U Extraterritoriale organisaties. Zoals in de volgende paragraaf toegelicht kunnen zij ook een aanvraag indienen hoger dan het hen toebedeelde budget, om zo gebruik te maken van eventuele onderbenutting in andere sectoren.

Samenwerking wordt toegejuicht en ook samenwerking tussen verschillende sectoren is mogelijk. In het geval dat een aanvraag op meerdere sectoren is gericht wordt bij het indienen van de aanvraag gevraagd om een inschatting te maken van het aantal kwetsbare werkenden alsmede het subsidiebedrag per sector. Zo kan vanuit de toebedeelde gelden per sector budget toebedeeld worden.

Om het aantal aanvragen, en daarmee de uitvoeringskosten, te beperken kan elke subsidieaanvrager slechts één aanvraag indienen op grond van dit onderdeel van de subsidieregeling.

In een aantal sectoren hebben organisaties vanwege de coronacrisis moeten interen op hun vermogen. Hierdoor kan in deze sectoren mogelijk een drempel bestaan om een project te starten wanneer het project volledig voorgefinancierd zou moeten worden. Om juist ook in die sectoren subsidieaanvragen mogelijk te maken kan bij het indienen van de subsidieaanvraag om voorschot van 20% van de toegekende subsidie gevraagd worden. Na de subsidieverlening kunnen subsidieontvangers nogmaals om een voorschot vragen van maximaal 40%. Dit is ook mogelijk als in eerste instantie in de subsidieaanvraag niet om een voorschot is gevraagd. Het verzoek om dit voorschot van 40% moet worden gemotiveerd en gespecificeerd op basis van een financiële rapportage, waaruit blijkt dat het gevraagde voorschot dient ter dekking van de reeds gemaakte kosten. UVB kan vanuit controledoeleinden vragen om deze financiële rapportage nader met bewijsstukken (zoals facturen, betaalbewijzen, prestatieonderbouwingen, loonstroken, urenverantwoordingen) te onderbouwen. Indien een voorschot wordt aangevraagd van € 500.000 of meer, dan dient de subsidieontvanger hierbij een bankgarantie te verstrekken.

Einddeclaratie

Op grond van artikel 18, eerste lid, dient de subsidieontvanger bij de einddeclaratie een lijst met de Burgerservicenummers van alle deelnemers aan het project. Op basis van artikel 18, tweede lid, gebeurt dit onder gebruikmaking van een daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier. Dit formulier zal beschikbaar worden gesteld in het e-portaal. Het indienen van deze rapportage is nieuw voor de subsidieontvangers van dit onderdeel van de subsidieregeling. Om de administratieve lasten zo laag mogelijk te houden wordt deze rapportage alleen opgevraagd bij de einddeclaratie en niet tussentijds aan het eind van een kalenderjaar, zoals bepaald in artikel 17, eerste lid. Artikel 17, eerste lid, wordt voor dit onderdeel van de regeling buiten toepassing gesteld.

4.4 Verdeling subsidiegelden

Omdat REACT-EU een kortlopende crisisregeling is waarvan de projecten een uiterste einddatum hebben van 31 december 2022, zijn een optimale benutting van de gelden binnen dit tijdvak en een snelle uitvoering van belang. Om een snelle uitvoering te faciliteren en om voor alle sectoren deelname mogelijk te maken is ervoor gekozen om het subsidiebudget per sector te verdelen naar rato van het aantal kwetsbare werkenden. Wanneer niet alle aanvragen binnen een sector volledig kunnen worden gehonoreerd, wordt het subsidiebedrag gelijkelijk verdeeld over de aanvragen binnen die sector. Ten behoeve van de verdeling wordt er marginaal getoetst of een realistische aanvraag is ingediend. Op basis van datum van binnenkomst toetsen en toekennen is niet wenselijk omdat dan mogelijk niet alle sectoren aanspraak kunnen maken op een deel van het subsidiebudget. Daarom is gekozen voor een verdelingssystematiek waarbij het aantal kwetsbare werknemers per sector (op basis van CBS cijfers ultimo 2020) de basis is voor het toebedeelde subsidiebudget per sector zoals vastgelegd in bijlage 3e. Het is op voorhand onduidelijk of elke sector gebruik gaat maken van het hen toebedeelde subsidiebudget. Daarom wordt subsidieaanvragers gevraagd zo goed mogelijk in te schatten welke aantallen kwetsbare werkenden zij verwachten te helpen en welk subsidiebedrag zij verwachten daarvoor nodig te hebben. Dit kan resulteren in aanvragen die hoger zijn dan het toebedeelde budget zoals opgenomen in bijlage 3e.

Om te bewerkstelligen dat er zo min mogelijk van het beschikbare budget van € 28 miljoen onbenut blijft en onrealistisch hoge aanvragen te voorkomen, is een verdelingssystematiek van kracht. Deze werkt als volgt.

Wanneer er minder dan € 28 miljoen in totaal wordt aangevraagd dan krijgen alle subsidieaanvragers het door hen aangevraagde subsidiebedrag verleend.

Indien alle sectoren het subsidieplafond overschrijden dan wordt de te verlenen subsidie per sector afgetopt op de in bijlage 3e genoemde subsidiebudgetten.

Wanneer blijkt dat er bij een of meer sectoren is ondervraagd (ten opzichte van het subsidiebudget per sector vastgelegd in bijlage 3e), wordt het bij die sector of die sectoren resterende subsidiebudget over de sectoren verdeeld waar het budget overvraagd is. Dit gebeurt naar rato van het aandeel kwetsbare werkenden (op basis van CBS cijfers ultimo 2020) in de sectoren waar overvraagd is.

Als er ten aanzien van een sector meerdere subsidieaanvragen zijn ingediend, die tezamen het beschikbare budget (na eventuele verdeling zoals hierboven uiteengezet) voor die sector overschrijden, dan zal dit budget over de verschillende subsidieaanvragen binnen deze sector gelijkelijk worden verdeeld. Daarbij geldt dat een aanvrager nooit meer verleend krijgt dan het aangevraagde bedrag. In deze stap wordt het budget dus gelijk verdeeld over de binnen de sector ingediende aanvragen, ongeacht de grootte van het project en de subsidieaanvraag. Dit is om te voorkomen dat aanvragers onrealistisch hoge subsidieaanvragen indienen om zodoende een groter beslag leggen op het voor de sector beschikbare budget.

In onderstaande voorbeelden wordt op basis van fictieve getallen bovenstaande verdelingssystematiek nader geïllustreerd:

Voorbeeld verdeling over de sectoren:

Sector 1

Sector 2

Sector 3

Sector 4

Totaal

Aantal kwetsbare werkenden

10.000

30.000

20.000

40.000

100.000

Toegedeelde budget

€ 32.000

€ 96.000

€ 64.000

€ 128.000

€ 320.000

Aanvraag

€ 70.000

€ 60.000

€ 70.000

€ 150.000

€ 350.000

Toekenning o.b.v. primaire budget

€ 32.000

€ 60.000

€ 64.000

€ 128.000

€ 284.000

Afromen surplus na verdeling

€ 0

€ 36.000

€ 0

€ 0

€ 36.000

1e verdeling op basis van aandeel kwetsbare werkenden

€ 5.143

€ 0

€ 10.286

€ 20.571

€ 36.000

(7/7)

Verdeling na verdeling 1e surplus

€ 37.143

€ 60.000

€ 70.000

€ 148.571

€ 315.714

Afromen surplus na verdeling

€ 0

€ 0

€ 4.286

€ 0

€ 4.286

Toekenning naar rato kwetsbare werkenden

€ 857

€ 0

€ 0

€ 3.429

€ 4.286

(5/5)

Verdeling na verdeling 2e surplus

€ 38.000

€ 60.000

€ 70.000

€ 150.000

€ 318.000

Afromen surplus na verdeling

€ 0

€ 0

€ 0

€ 2.000

€ 2.000

Toekenning naar rato kwetsbare werkenden

€ 2.000

€ 0

€ 0

€ 0

€ 2.000

(1/1)

Definitieve verdeling op basis van aandeel kwetsbare werkenden

€ 40.000

€ 60.000

€ 70.000

€ 150.000

€ 320.000

Voorbeeld verdeling binnen sector 1:

Subsector 1a

Subsector 1b

Subsector 1c

Totaal sector 1

Aanvraag

€ 14.000

€ 46.000

€ 10.000

€ 70.000

Toegedeelde budget naar rato van aantal aanvragen

€ 13.333

€ 13.333

€ 13.333

€ 40.000

Toekenning o.b.v. primaire budget

€ 13.333

€ 13.333

€ 10.000

€ 36.667

Afromen surplus na verdeling

€ 0

€ 0

€ 3.333

€ 3.333

Toekenning naar aantal aanvragen

€ 1.667

€ 1.667

€ 0

€ 3.333

Verdeling na verdeling 1e surplus

€ 14.000

€ 15.000

€ 10.000

€ 39.000

Afromen surplus na verdeling

€ 1.000

€ 0

€ 0

€ 1.000

Verdeling na verdeling 2e surplus

€ 0

€ 1.000

€ 0

€ 1.000

Definitieve verdeling op basis van aantal aanvragen

€ 14.000

€ 16.000

€ 10.000

€ 40.000

4.5 Voorbereidingstijd, tijdvak en looptijd

De aanvullende ESF-middelen uit REACT-EU dienen als crisisbudget en moeten uiterlijk 31 december 2022 zijn besteed op projectniveau. Na de inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling, wordt het tijdvak één maand opengesteld voor het indienen van subsidieaanvragen. Projecten kunnen lopen van het moment van indienen van een volledige subsidieaanvraag tot en met 31 december 2022.

4.6 Privacy en gegevensbeschermingseffectbeoordeling

De regeling heeft tot doel, in de context van de coronacrisis, de arbeidsmarktpositie van kwetsbare werkenden te verbeteren. Om te kunnen vaststellen of de deelnemers daadwerkelijk tot de beoogde doelgroep behoren en niet ook aan andere regelingen deelnemen, om te kunnen rapporteren aan de Europese Unie en om de regeling te kunnen evalueren is het van belang om inzicht te krijgen in de kenmerken van de deelnemers. Bij de opzet van de regeling is gekeken naar de bescherming van de privacy van deelnemers bij het verzamelen van deze gegevens. Dit heeft geresulteerd in een gegevensbeschermingeffectbeoordeling.

Deze beoordeling, ook wel PIA (privacy impact assessment) genoemd, is specifiek gericht op dit nieuwe onderdeel van de ESF-regeling en beschrijft de verantwoordelijkheden voor zowel werkeenheid Uitvoering van Beleid als de uitvoerder van deze regeling (Management Autoriteit) alsook voor de opdrachtgever directie Participatie en Decentrale Voorzieningen (hierna: PDV) van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Gegevens van kwetsbare werkenden zullen worden verzameld voor controlevereisten (bijvoorbeeld om te kunnen vaststellen of de deelnemers kwetsbare werkenden zijn en om uit te sluiten dat er vanuit andere nationale en Europese subsidieregelingen voor dezelfde kwetsbare werkende subsidie wordt ontvangen), om over de kenmerken van de deelnemers te kunnen rapporteren en om de regeling te kunnen evalueren. Met het oog op de algemene verordening gegevensbescherming (AVG) is het noodzakelijk om in kaart te brengen welke privacyrisico’s er zijn bij de verwerking van persoonsgegevens binnen de regeling: Worden de persoonsgegevens op een rechtmatige manier verwerkt? Zijn er voldoende maatregelen getroffen om datalekken te voorkomen? Wordt de privacy van betrokkenen voldoende beschermd?

De privacyrisico’s zijn in kaart gebracht en op basis van deze risico’s zijn er maatregelen geformuleerd en zullen worden toegepast om persoonsgegevens binnen dit proces goed te beveiligen en de privacy van betrokkenen te waarborgen.

De bevindingen uit de PIA dragen bij aan het aantoonbaar kunnen voldoen aan de in de AVG gestelde documentatie- en verantwoordingsplicht.

4.7 Staatssteun

Er is sprake van staatssteun als aan de vijf cumulatieve criteria van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is voldaan. Deze criteria zijn voor deze regeling beoordeeld en de conclusie is dat de subsidieverstrekking op basis van deze regeling niet kan worden aangemerkt als staatssteun. De maatregel leidt namelijk niet tot (potentiële) vervalsing van de mededinging en een ongunstige beïnvloeding van de handel tussen lidstaten.

De subsidieregeling is niet selectief omdat de regeling openstaat voor alle partijen. Ook wordt aan alle EU-lidstaten ESF-subsidie beschikbaar gesteld. Voor de externe uitvoerders kan de regeling wel selectief zijn. Daarom wordt in de regeling gewaarborgd dat de tarieven die de externe uitvoerders ontvangen marktconform zijn. Hiermee wordt concurrentievervalsing en marktverstoring voorkomen.

5. Advies en consultatie

UVB heeft een uitvoerings- en misbruik en oneigenlijk gebruik-toets (hierna: UMO-toets) uitgevoerd naar aanleiding van de wijzigingsregeling ESF 2014–2020. De toets bestaat uit twee delen; een toets op de uitvoering (U-deel) en de risico’s op misbruik en oneigenlijk gebruik (MO-deel).

In het U-deel worden alle praktische zaken nader bekeken waaronder personele capaciteit, de ICT, de planning, politieke en maatschappelijke risico’s. UVB geeft met deze toets als uitvoerder inzicht in de praktische uitvoerbaarheid van de regeling.

In het MO-deel wordt de regeling artikelsgewijs getoetst op mogelijke uitvoeringsrisico’s en de risico’s op misbruik en oneigenlijk gebruik. Voor ieder geconstateerd risico wordt een inschatting gemaakt van de kans en de impact van het geconstateerde risico waarna er beheersmaatregelen aangedragen worden. Vervolgens wordt het restrisico berekend. Op basis van deze toets krijgen UVB en de opdrachtgever een helder beeld van met de regeling gepaard gaande risico’s en het effect van mogelijk beheersmaatregelen.

Ten aanzien van bevindingen van mogelijke uitvoeringsrisico’s die in de uitgevoerde UMO-toets naar voren zijn gekomen, zijn door UVB beheersmaatregelen geformuleerd, waardoor er geen significante restrisico’s overblijven. Het beoogde project voor DJI is sterk vergelijkbaar met de DJI projecten die al ruim zeven jaar uitgevoerd worden onder huidige investeringsprioriteit Actieve Inclusie. De beoogde projecten voor kwetsbare werkenden met de sectoren zijn weer erg vergelijkbaar met andere en eerdere subsidieregelingen (zoals bijvoorbeeld ESF-DIS, NL leert door, Sectorplannen) die UVB uitvoert c.q. heeft uitgevoerd. Wel brengt deze wijzigingsregeling een behoorlijke extra werklast met zich mee. Hiertoe dient nog wel verschuiving en uitbreiding van capaciteit en/of herprioritering plaats te vinden, om onder andere tijdige verleningen te kunnen bewerkstelligen en de einddeclaraties binnen de vereiste termijn volledig gecontroleerd te hebben. Daarbij zal ook de controle om dubbele declaratie met andere subsidieregelingen (waarmee inhoudelijk overlap bestaat) te identificeren nog extra capaciteit vergen, zeker wanneer de voorgestelde te nemen maatregelen op dit vlak niet gedaan worden.

6. Financiële gevolgen

Voor 2021 wordt een bedrag van ruim 220 miljoen euro toegevoegd aan het lopende nationale ESF programma 2014–2020. Dit betreft ongeveer 80% van het totaalbudget van REACT-EU, want ook in 2022 wordt nog een extra budget beschikbaar gesteld vanuit REACT-EU. Dit bedrag wordt pas eind 2021 door de Europese Commissie bekend gemaakt. De hoogte hangt af van de economische ontwikkelingen in relatie tot de crisis.

Van het totale ESF REACT-EU budget voor Nederland, zijnde € 220.415.014, wordt 4%, zijnde € 8.816.600, ingezet voor de uitvoering van het programma (technische bijstand).

Het overige budget voor ESF REACT-EU, zijnde € 211.598.414, wordt ingezet op 4 onderdelen:

  • de begeleiding en opleiding van kwetsbare werkenden en werkzoekenden (waaronder ook ZZP’ers) in de 35 arbeidsmarktregio’s in Nederland (regio-aanvraag gemeenten);

  • de begeleiding en opleiding van leerlingen uit het voortgezet speciaal onderwijs (vso) en het praktijkonderwijs (pro) om de stap naar de arbeidsmarkt te kunnen maken (regio-aanvraag leerlingen voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs);

  • de begeleiding en opleiding van mensen die in een justitiële inrichting verblijven;

  • de bij- en omscholing van werk naar werk voor kwetsbare werkenden en werkenden die willen overstappen naar werk in een krapteberoep al dan niet in een andere sector.

Deze wijzigingsregeling heeft betrekking op de laatste twee onderdelen.

Er wordt voor alle onderdelen een subsidiepercentage van (maximaal) 75% gehanteerd. Subsidieontvangers zijn zelf verantwoordelijk voor een cofinanciering van (minimaal) 25%.

7. Juridische aspecten

Op deze regeling zijn titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Kaderwet SZW-subsidies van toepassing.

Naast de Awb en de Kaderwet SZW-subsidies zijn Europese verordeningen van toepassing op de uitvoering van het ESF, in het bijzonder de Gemeenschappelijke Bepalingen Verordening en de ESF verordening6 van toepassing. De Gemeenschappelijke Bepalingen Verordening is op 23 december 2020 gewijzigd door REACT EU. Op grond van REACT-EU zijn aanvullende middelen toegevoegd aan het ESF. Deze regeling geeft uitvoering aan de wijzigingen die in de Gemeenschappelijke Bepalingen Verordening zijn aangebracht in verband met REACT-EU.

Omdat rechtstreeks werkende bepalingen uit verordeningen in beginsel niet in nationale bepalingen worden overgenomen, zullen ook de bovengenoemde Europese verordeningen geraadpleegd moeten worden voor een compleet beeld van de toepasselijke voorschriften. Een van de voorschriften die om die reden niet in deze wijzigingsregeling is opgenomen is de evaluatiebepaling. Op grond van artikel 92 ter van de Gemeenschappelijke Bepalingen Verordening beoordelen de lidstaten uiterlijk op 31 december 2024 de effectiviteit van de aanvullende middelen uit REACT-EU in het licht van hun doel.

8. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Daarmee wordt afgeweken van het kabinetsbeleid voor vaste verandermomenten en een minimuminvoeringstermijn voor regelgeving, zoals vastgelegd in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. De reden daarvoor is gelegen in de aard van de subsidie. De subsidie is bestemd voor crisisherstel tijdens de COVID-19-pandemie. Afwijken van de minimuminvoeringstermijn is in het belang van de deelnemers aan de projecten waarvoor op grond van deze regeling subsidie wordt verleend. De subsidieaanvragers zijn voorafgaand aan publicatie geïnformeerd over de openstelling van de tijdvakken, zodat zij zich op de indiening van een aanvraag hebben kunnen voorbereiden. De datum van inwerkingtreding is met de uitvoerder van deze regeling, UVB, afgestemd. UVB heeft aangegeven dat de regeling vanaf de dag na de datum van publicatie uitvoerbaar is.

Artikelsgewijs

Artikel I. Wijziging Subsidieregeling ESF 2014–2020

Onderdelen A tot en met E

Deze wijzigingen in de ESF-regeling zijn hoofdzakelijk technisch.

De onderdelen B tot en met E betreffen verbeterde omschrijvingen.

In onderdeel B wordt de thans geldende Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS genoemd, onderdeel C betreft een juiste aanduiding van het Ministerie van EZK, onderdeel D het herstel van een omissie en in onderdeel E worden de kostensoorten die voor subsidiëring in aanmerking komen, door middel van wijziging van artikel A7, derde lid, van Bijlage I bij de regeling, verbeterd omschreven.

Onderdeel A brengt op twee onderdelen wijziging aan in artikel 1 van de regeling, dat de begripsbepalingen bevat.

Aangezien in bijlage 1A, voor de ondersteuning van kwetsbare werkenden, een goede doelgroepomschrijving dient te gelden, wordt het begrip ‘sociale zekerheidswet’ geïntroduceerd. Het gaat hier om uitkeringswetten die door het UWV worden uitgevoerd. Personen met een uitkering op grond van een van deze wetten vallen onder de doelgroep als omschreven in hoofdstuk III van bijlage 1A.

De bedoeling is, ter wille van de vindbaarheid van de begrippen, dat de begripsbepalingen alfabetisch zijn geordend. Dat is helaas misgegaan bij een eerdere wijziging van artikel 1, bij de begripsbepaling ‘bijstandsuitkering’. Daarom wordt deze begripsbepaling alsnog in alfabetische volgorde geplaatst, na het begrip ‘arbeidsorganisatie’.

Onderdeel F: Toevoeging twee hoofdstukken aan bijlage 1A van de regeling
Hoofdstuk II. Minister van Justitie en Veiligheid

Dit hoofdstuk betreft de subsidieverlening aan de Minister van Justitie en Veiligheid (J&V). Specifiek gaat het om de subsidieverlening aan de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) voor projecten gericht op terugkeer in het arbeidsproces van personen die gedetineerd zijn.

De subsidieverlening is ingegeven door het feit dat de maatregelen gedurende de coronaperiode voor deze personen vertraging hebben opgeleverd in de inzet op terugkeer in de maatschappij.

Artikel D16. Doel en doelgroep

De doelgroep bestaat uit personen die tijdens de deelname aan het project verblijven in een gevangenis, een forensisch psychiatrische kliniek of een justitiële jeugdinrichting. De inzet is om hun positie zodanig te verbeteren, dat zij gaandeweg meer mogelijkheden krijgen richting arbeidsmarktdeelname. Alle projecten die ertoe leiden dat deze personen naar werk bemiddelbaar zijn of na genoemd verblijf inpasbaar zijn in een arbeidsmarkt gerelateerd programma of een regulier opleidingstraject komen voor subsidie in aanmerking.

Artikel D16 geeft als criteria waaraan een project moet voldoen, dat een betrokken persoon via bemiddeling naar werk toe kan worden geleid, of kan worden begeleid naar een programma dat zich richt op de arbeidsmarkt, dan wel naar een opleidingstraject dat de arbeidsmarktpositie van de betrokkene verbetert.

Als iemand bij een eerder project behoort tot de doelgroep dan blijft hij daartoe behoren als zijn individuele traject onafgebroken doorloopt. Uiteraard blijft wel gelden dat betrokkene nog steeds moet verblijven in de desbetreffende inrichting. Is hij eenmaal ontslagen uit de gevangenis, de forensisch psychiatrische kliniek of de justitiële jeugdinrichting, dan vervalt zijn traject, omdat hij dan niet langer tot de doelgroep hoort.

Artikel D17. Specifieke eisen

Dit artikel meldt expliciet dat een project alleen in aanmerking komt voor subsidiëring, als het project valt binnen het doel, zoals dat in artikel 16D, eerste lid, is vermeld.

Verder dient een project voor het eind van het jaar 2022 te zijn afgerond. De subsidieaanvraag vermeldt een geplande datum waarop het project of de projecten van start gaan. Als bij nader inzien deze datum voor de subsidieaanvrager niet uitkomt, kan hij een verzoek doen om de startdatum te wijzigen.

Artikel D18. Subsidiabele activiteiten

Activiteiten moeten het doel, zoals omschreven in artikel D16, eerste lid, ondersteunen. Het gaat erom de mogelijkheid tot inpassing in het arbeidsproces te vergroten. In elk geval het volgen van scholing of een opleiding leidt tot vergroting van de mogelijkheid in te stromen in het arbeidsproces. Elke andere activiteit die daartoe leidt komt eveneens in aanmerking.

Het tweede lid beschrijft de kostensoorten die voor subsidiëring in aanmerking komen. Deze vloeien rechtstreeks voort uit gedelegeerde verordening (EU) nr. 1304/2013, zoals nadien gewijzigd en aangevuld.

Artikel D19. Publiciteit

Artikel 19 verplicht de subsidieontvanger tot het verstrekken van informatie en het doen van andere communicatie-uitingen.

Daarnaast geeft dit artikel aan dat de subsidieontvanger al diegenen die hij als uitvoerder inschakelt en alle deelnemers informeert over het gegeven dat zij deelnemen aan een door het Europees Sociaal Fonds gesubsidieerd project in het kader van de respons van de Unie op de COVID-19-pandemie (REACT-EU).

Hoofdstuk III. Ondersteuning kwetsbare werkenden

Artikel D20. Definities

Dit artikel geeft een aantal definitiebepalingen voor begrippen die nadien nog vaker in dit hoofdstuk worden gebruikt.

Om de stappen richting een versterkte arbeidsmarktpositie inzichtelijk te maken kan de hulp en ondersteuning van een terzake deskundige persoon aangewezen zijn, veelal in de vorm van een intakegesprek. Deze ondersteuning en begeleiding wordt gedaan door een begeleider. Bij begeleiding gaat het er om de kwetsbare werknemer langs meer praktische weg te ondersteunen. Door de begeleiding wordt hij op weg geholpen met het ondernemen van stappen en acties richting een opstap naar een betere arbeidsmarktpositie. Bij het doorlopen van alle stappen fungeert de begeleider als mentor, coach en buddy.

Het intakegesprek tussen begeleider en werknemer is een van de subsidiabele activiteiten. In dat gesprek wordt nagegaan wat de werkende aan kennis en ervaring heeft opgebouwd, wat zijn ideeën zijn om verder op de arbeidsmarkt te komen of te blijven, wat zijn ambities zijn. Deze gegevens en ideeën en alles wat meer in het gesprek aan de orde kan komen als aanknopingspunt voor het plannen en nemen van een volgende stap, kan in het intakegesprek aan de orde komen. Deze definitie bevat geen limitatieve omschrijving van dit gesprek tussen begeleider en werkende.

Een EVC-procedure wordt aangeboden door een erkende EVC-aanbieder. Deze erkenning verkrijgt een aanbieder bij het Nationaal Kenniscentrum EVC. Tijdens een EVC-procedure worden de kennis, ervaring en kunde van de deelnemer in kaart gebracht. Hetgeen de werknemer heeft geleerd buiten en binnen de werkzaamheden die hij heeft verricht mondt uit in een Ervaringscertificaat. In dat document is vastgelegd wat hij kan en weet. Deze kennis en ervaring worden vergeleken met een landelijke standaard zoals die in het mbo of in een branche wordt gebruikt, waarmee voor de deelnemer inzicht bestaat in welke richting zijn volgende stap in de arbeidsparticipatie zich kan bevinden. Het resultaat van de EVC-procedure is voor de werkende eveneens dat hij een toekomstige werkgever inzicht kan verschaffen in zijn kennis en ervaring.

Een samenwerkingsverband is een samenwerking tussen in elk geval een of meer werkgevers- en werknemersorganisaties of O&O fondsen. In het samenwerkingsverband moet in ieder geval sprake zijn van vertegenwoordiging vanuit werkgeverszijde én vertegenwoordiging vanuit werknemerszijde. Het samenwerkingsverband kan worden aangevuld met andere organisaties (zie artikelen D22, derde lid, en D23, eerste lid). Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan beroepsorganisaties, brancheorganisaties of kennisinstituten. Dit is geen limitatieve opsomming, ook andere dan genoemde organisaties komen in aanmerking. Een samenwerkingsverband kan worden gevormd binnen een sector of branche, binnen een of meer sectoren en tussen branches.

Tot slot is het begrip sector gedefinieerd, onder meer voor de verlening van het toebedeeld subsidiebudget, dat per sector wordt gehonoreerd. De sectoraanduiding staat in de nieuwe bijlage 3e van de regeling.

In dit artikel zijn ook definities opgenomen van basisvaardigheden en beroepsvaardigheden. Deze definities zijn met name van belang voor de vaststelling wanneer de desbetreffende scholing kan worden ingezet. Dat is verder bepaald in artikel D33 (activiteiten scholing). Duidelijk voor deze regeling is dat scholing om basisvaardigheden aan te leren als activiteit gelijk kan worden ingezet. Waar het gaat om beroepsvaardigheden is de scholing voortgekomen uit een eerdere activiteit (intake of EVC-procedure) waaruit de wenselijkheid van die scholing naar voren is gekomen. Het is niet noodzakelijk dat deze eerdere activiteit heeft plaatsgevonden als onderdeel van het project waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, zolang maar door de aanvrager kan worden aangetoond dat de noodzakelijkheid van de scholing beroepsvaardigheden uit een eerdere activiteit is gebleken.

Het begrip werkende is ruim gedefinieerd. Het gaat om alle natuurlijke personen die een band hebben met de Nederlandse arbeidsmarkt.

De grootste groep werkenden zijn werknemers, werkzaam in dienstbetrekking. De andere groepen werkenden zijn zelfstandigen of personen die op een andere basis werkzaam zijn, zoals de overeenkomst tot aanneming van werk of de overeenkomst van opdracht.

Artikel D21 Subsidieaanvrager

De subsidieaanvrager is de aanvrager van een subsidie op grond van deze regeling, zoals in de definitiebepaling van artikel 1 van deze regeling is vermeld. Artikel D21 van dit hoofdstuk geeft specifiek aan wie de subsidieaanvragers op grond van dit hoofdstuk zijn. Allereerst kan het gaan om de hoofdaanvrager van een samenwerkingsverband. Op het moment van indiening van de subsidieaanvraag zal het samenwerkingsverband al moeten zijn gevormd en vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst, neergelegd in het model dat elektronisch beschikbaar is op de website www.uitvoeringvanbeleidszw.nl. Zoals elders al in deze toelichting is vermeld, geldt dat er een ruime mogelijkheid bestaat om toe te treden tot een samenwerkingsverband.

De tweede groep aanvragers zijn de O&O-fondsen, die geen partij zijn in een samenwerkingsverband, maar die zelfstandig een aanvraag indienen. O&O-fondsen kunnen ook deelnemen aan een samenwerkingsverband. De O&O-fondsen zijn stichtingen of verenigingen die aan een aantal eisen dienen te voldoen. Deze eisen zijn opgenomen in artikel 1a van deze regeling. De subsidieaanvragers dienen tijdens het subsidieproces aan een aantal voorwaarden te voldoen. Zie daarvoor met name de artikelen D22 en D23.

Artikel D22 Hoofdaanvrager

De hoofdaanvrager is een partij binnen het samenwerkingsverband. De hoofdaanvrager wordt binnen het samenwerkingsverband aangewezen om het samenwerkingsverband en de overige partijen binnen dat samenwerkingsverband te vertegenwoordigen. Dat geldt het gehele subsidieproces van voorbereiding op de subsidieaanvraag tot vaststelling van de subsidie, tevens vertegenwoordigt de hoofdaanvrager het samenwerkingsverband in en buiten rechte. Hij is dan ook de partij die namens het samenwerkingsverband de subsidieaanvraag indient. Het is dan ook van belang dat dit een organisatie is met voldoende ervaring binnen de betrokken sector(en). In verband daarmee geldt de voorwaarde dat betrokken hoofdaanvrager ten minste twee jaar bestaat.

Artikel D23 Eisen subsidieaanvrager

De subsidieaanvrager dient zich in te spannen om bekendheid te geven aan het project waarvoor subsidie is aangevraagd en om binnen de betrokken sectoren bekendheid te geven aan de mogelijkheid om aan te sluiten bij het project. Dit kan er bijvoorbeeld toe leiden dat niet alleen bij de aanvrager aangesloten bedrijven en werknemers kunnen deelnemen, maar ook niet aangesloten bedrijven of mensen die werken als zelfstandige zonder personeel. Het is de bedoeling dat deze regeling zo breed mogelijk toegankelijk is. Het samenwerkingsverband wordt vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst. Op de site van het ministerie (Uitvoering van beleid) wordt een model van deze samenwerkingsovereenkomst beschikbaar gesteld. Volgens dat model moeten de samenwerkingspartners de overeenkomst vastleggen. In die samenwerkingsovereenkomst staat ook welke partij de hoofdaanvrager is. De eisen die aan de hoofdaanvrager worden gesteld zijn in artikel D22 opgenomen.

Artikel D24. Aanvraagtijdvak

Het aanvraagtijdvak beslaat vijf werkweken. Het loopt van 11 oktober 2021, 9.00 uur, tot en met 12 november 2021, 17.00 uur.

Artikel D25. Subsidieplafond

Het maximaal te verstrekken subsidiebedrag op grond van dit hoofdstuk is € 28 miljoen. Wanneer het subsidieplafond wordt bereikt, wordt toepassing gegeven aan de verdelingssystematiek die uiteen is gezet in artikel D26 en nader is toegelicht in de algemene toelichting, zodat het plafond niet wordt overschreden.

Artikel D26. Subsidieplafond per sector en verdelingssystematiek

Het totaal beschikbare subsidiebedrag is verdeeld over 21 sectoren. Bijlage 3e geeft deze sectoren aan. In die bijlage staat het subsidiebudget dat is toebedeeld aan de desbetreffende sector. Deze verdeling is gebaseerd op het aandeel kwetsbare werkenden in de sector.

Blijft binnen een sector het totaal aantal aangevraagde subsidies beneden het maximum, dan wordt het resterende bedrag verdeeld over de aanvragers die met het totaal van hun aanvragen boven het voor de sector geldende maximum zijn gekomen. De systematiek waarop deze verdeling plaatsvindt staat toegelicht in de algemene toelichting.

Wanneer er sprake is van een verdeling volgens deze systematiek, dan wordt dat op de site www.uitvoeringvanbeleidszw.nl bekend gemaakt.

Artikel D27. Doel en doelgroep

De doelgroep wordt gevormd door personen die door verschillende oorzaken in een kwetsbare arbeidsmarktpositie zijn gekomen. Deze groep personen is heel divers, van nauwelijks of geen ervaring of scholing tot langjarige, maar eenzijdige ervaring. Bij al deze groepen personen gaat het erom dat zij, als zij met werkloosheid zullen worden geconfronteerd, zeer moeilijk weer aan de slag komen. Daarom zullen deze personen, op instigatie van de werkgever of opdrachtgever aan een activiteit deelnemen. De subsidie die aan de subsidieaanvrager wordt verstrekt, komt geheel ten goede van deze deelnemers.

Het tweede lid van dit artikel geeft aan wie tot de groep kwetsbare werkenden behoren. Voor de personen, bedoeld in onderdeel a, geldt dat zij voordat zij gingen werken, of naast hun huidige werk, een (aanvullende) uitkering (hebben) ontvangen. De groep, genoemd in onderdeel b, wordt gevormd door diegenen die niet meer dan 130% van het minimumloon of wanneer de wet minimumloon niet van toepassing is (onderdeel c) een gemiddeld uurtarief van niet hoger dan 35 euro exclusief BTW rekenen.

De groepen, bedoeld in de onderdelen d, e en f vallen onder een specifiek wettelijk kader.

Behoort een werkende tot een of meer van de categorieën a tot en met e, dan behoort hij tot de doelgroep en kan hij als deelnemer participeren in een van de subsidiabele activiteiten.

Artikel D28. Subsidieaanvraag

Een subsidieaanvraag moet worden ingediend door middel van een vooraf vastgesteld elektronisch aanvraagformulier. Dit formulier is per opening tijdvak beschikbaar.

Artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeldt een aantal gegevens, die een subsidieaanvraag ten minste moet bevatten, zoals de naam en het adres van de subsidieaanvrager. Daarnaast bevat een subsidieaanvraag een aantal aanvullende gegevens, waaronder het KvK-nummer, de akte van oprichting en de SBI-code van de sector(en) op wier conto de aanvraag wordt gedaan.

Belangrijk onderdeel van de subsidieaanvraag is de taxatie vooraf door het samenwerkingsverband of het O&O-fonds over het aantal deelnemers voor wie de subsidie zal worden aangewend. Dat impliceert dat de subsidieaanvrager een beeld geeft van de groep kwetsbare werkenden in termen van huidige situatie en toekomstig gewenste situatie op de arbeidsmarkt. Het samenwerkingsverband of het O&O-fonds vermeldt daarbij welke activiteiten met name voor zijn groep kwetsbare werkenden zijn aangewezen. Dit betekent dus een overall beeld en geen activiteitenoverzicht per werkende. Het gaat er bij toepassing van dit lid om dat de subsidieaanvrager zich ten volle verdiept in de groep werkenden voor wie het de subsidie aanvraagt.

De subsidieaanvraag dient vergezeld te gaan van een aantal relevante stukken. Voor het samenwerkingsverband dat subsidieaanvrager is, geldt dat de samenwerkingsovereenkomst als stuk moet worden bijgevoegd zodat kan worden nagegaan welke organisaties betrokken zijn bij deze aanvraag. Hieruit moet ook blijken dat het om een paritaire aanvraag gaat. Verder dienen de contactgegevens van alle bij het samenwerkingsverband betrokken partijen worden gegeven. Daarnaast moet de machtiging van de hoofdaanvrager worden bijgevoegd. Die machtiging verloopt volgens een elektronisch formulier dat beschikbaar is op de website www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

Artikel D29. Specifieke eisen aan de subsidieaanvraag

In dit artikel zijn de eisen aangegeven waaraan een subsidieaanvraag moet voldoen.

Belangrijk is dat de activiteit past binnen de doelstelling van dit hoofdstuk, de ondersteuning van kwetsbare werkenden. Het project kan niet eerder starten dan de datum waarop de volledige subsidieaanvraag is ontvangen. Zijn er goede redenen voor de subsidieaanvrager om een project op een andere datum te starten dan de in de subsidieaanvraag genoemde datum, dan is het mogelijk voor de subsidieontvanger om een andere startdatum te verzoeken, zolang deze startdatum niet ligt voor de datum waarop de volledige subsidieaanvraag is ontvangen. De einddatum is niet later dan 31 december 2022. Het derde lid geeft aan dat het minimum bedrag van de subsidieaanvraag ten minste € 250.000 is. Als in bijlage 3e bij een sector een lager bedrag staat, dan geldt dat lagere bedrag als minimum. Het vierde lid regelt dat de toegang tot projecten openstaat voor alle bedrijven en kwetsbare werkenden binnen de sector waarvoor subsidie is aangevraagd. Deze bepaling is bedoeld om ongeoorloofde staatssteun te voorkomen door brede toegang tot het project te garanderen en niet om bepaalde deelnemers en bedrijven uit te sluiten. Het is niet de bedoeling om te toetsten in welke mate deelnemers en bedrijven kunnen worden verbonden met de in de subsidieaanvraag gespecificeerde sectoren.

In het vijfde lid van D29 wordt geregeld dat een subsidieaanvrager (dat is een hoofdaanvrager of een O&O fonds) slechts eenmaal een subsidieaanvraag kan indienen. Een tweede aanvraag ingediend door de betreffende organisatie komt niet voor verlening in aanmerking, maar deze organisatie zou wel als onderdeel van een samenwerkingsverband betrokken kunnen zijn bij een subsidieaanvraag waarvoor een andere partij hoofdaanvrager is. Wel geldt hiervoor de beperking dat het niet mogelijk is dat voor (grotendeels) hetzelfde samenwerkingsverband meerdere subsidieaanvragen worden ingediend waarbij door verschillende deelnemers aan het samenwerkingsverband als hoofdaanvrager wordt opgetreden. Onder grotendeels hetzelfde wordt verstaan een samenwerkingsverband waarin 70–80% van de deelnemende organisaties overeen komen. Het doel is om te voorkomen dat voor dezelfde doelgroep en dezelfde activiteiten meerdere keren aanspraak wordt gemaakt op subsidie uit REACT-EU. Eén samenwerkingsverband kan wel activiteiten aanbieden aan meerdere doelgroepen, maar zal dan deze doelgroepen in één aanvraag moeten opnemen en benoemen. De voorwaarde om verschillende activiteiten van een O&O fonds of een samenwerkingsverband in één project bijeen te brengen, dient ook het doel van een zo effectief mogelijke uitvoering.

Artikel D30. Subsidiabele activiteiten

Dit artikel regelt de activiteiten en een aantal daarbij komende kostenposten waarvoor subsidie kan worden verstrekt. Deze worden in de navolgende artikelen verder uitgewerkt.

Artikel D31. Subsidiabele kosten

Dit artikel bevat een aantal voorschriften die afwijken van artikel 12 van de regeling. Aangezien het aantal afwijkingen groot is, zijn de onderdelen van artikel 12 waarop niet is afgeweken, rechtstreeks overgenomen in dit artikel. Dat geldt voor artikel 12, negende en tiende lid, die in dit artikel in het vierde en vijfde lid zijn opgenomen.

Het eerste lid, onderdeel a, geeft de externe kosten aan die door de begeleider zijn besteed aan het intakegesprek en de begeleiding van de deelnemer aan het project tegen een maximumbedrag van € 89,02. Voor die activiteiten geldt vanaf 1 januari 2022 een hoger maximum bedrag. Dat is bepaald in artikel II. Deze uurvergoeding is gebaseerd op het bedrag voor Persoonlijke ondersteuning/Jobcoaching uit het Besluit normbedragen voorzieningen UWV 2021.

In het eerste lid, onderdeel b, wordt een maximum bedrag van € 32,01 aan kosten bepaald voor scholing basisvaardigheden en -beroepsvaardigheden. Dit bedrag is gebaseerd op het bedrag uit de Gedelegeerde verordening (EU) 2015/2195 van de commissie: aantal aan werkenden verstrekte opleidingsuren per deelnemer voor Nederland.

In onderdeel c wordt eveneens met betrekking tot de EVC-procedure een maximum bedrag aan externe kosten aangegeven, te weten € 1.250,0. Dit bedrag is gebaseerd op het bedrag voor de EVC-procedure uit de regeling NL leert door met inzet van sectoraal maatwerk.

In onderdeel d wordt, mede in afwijking van artikel 13, onderdeel d van de regeling voor loonverletkosten een vast bedrag aangehouden van € 12,95 per uur bij de scholingstrajecten Dit tarief is gebaseerd op het minimumloon van een 21 jarige gebaseerd op een 40-urige werkweek, rekening houdend met een opslag voor werkgeverslasten van 32%. (78,51/8)*1,32 = € 12,95

Tot slot wordt in het eerste lid, onderdeel e, voor indirecte kosten voor de uitvoering van het project een toeslag van maximaal 7% op de subsidiabele kosten van de activiteiten opgenomen in artikel D30, onderdelen a tot en met e en de loonverletkosten (artikel D30, onderdeel f) aangehouden. Deze flat rate dient ter dekking van de kosten voor projectcoördinatie, projectadministratie en projectcommunicatie. Vanwege het gebruik van een flat rate kunnen deze kosten niet afzonderlijk in de einddeclaratie worden opgenomen en hoeven ze niet te worden onderbouwd.

Als gemeld worden voor de onderdelen a tot en met e, uitgezonderd onderdeel d, maximum bedragen voor externe kosten aangehouden. Als een hoger tarief wordt gehanteerd bij inschakeling van een externe begeleider, opleider of EVC-aanbieder, dan geldt de verplichting dat wordt aangetoond dat het desbetreffende tarief marktconform is. In het tweede lid wordt aangegeven hoe die marktconformiteit kan worden aangetoond. Kosten die uitkomen boven de in de regeling genoemde maximumtarieven en die niet marktconform zijn komen niet voor subsidie in aanmerking.

Het derde lid betreft de activiteiten die binnen de kring van de subsidieontvanger worden verricht. Het gaat daarbij om kosten die intern worden gemaakt voor de uitvoering van de activiteiten, of worden verricht door sterk met het samenwerkingsverband of het O&O-fonds gelieerde organisaties. Van belang om te melden is dat het niet kan gaan om interne kosten van de werkgever of opdrachtgever van de deelnemer. Subsidiëring gaat dan op basis van directe loonkosten. Deze moeten zijn berekend op basis van het aantal werkelijk aan de activiteit bestede uren tegen een individueel berekend uurtarief op basis van het brutoloon, vermeerderd met een opslag van 32% van het brutoloon. Het aantal werkbare uren wordt gesteld op 1.720, gerekend met een fulltime dienstverband.

Artikel D32 Activiteiten intakegesprek en begeleiding

Artikel D33. Activiteiten scholing

Artikel D34. Activiteiten EVC-procedure

In deze drie artikelen worden de activiteiten nader beschreven en worden de eisen waaraan degenen die de activiteiten verzorgen weergegeven. In paragraaf 4.2 van het algemeen deel van deze toelichting is op deze onderdelen ingegaan. Opgemerkt kan worden dat voor de begeleider, de opleider en de EVC-aanbieder geldt dat zij niet in dienst mogen zijn van de werkgever of opdrachtgever van de kwetsbare werkende.

Scholing basisvaardigheden kan zonder aantoonbaar voortraject worden gegeven. Voor scholing beroepsvaardigheden echter geldt dat deze pas mag worden gegeven, als uit een voorafgaand gehouden intakegesprek of een voorafgaand doorlopen EVC-procedure is gebleken dat dit nuttig en wenselijk is voor de deelnemer.

Artikel D35. Niet-subsidiabele kosten

Dit artikel beschrijft in het eerste lid de posten die niet subsidiabel zijn. Dat geldt in elk geval voor de activiteiten die worden uitgevoerd door een persoon die in dienst is bij de werkgever of opdrachtgever van de deelnemer. Loonverletkosten die buiten het kader van de scholingsactiviteiten vallen, zoals uren van voorbereiding en reizen naar het scholingsinstituut, worden evenmin als subsidiabel aangemerkt. Door de extern aangetrokken begeleider, opleider of EVC-aanbieder in rekening gebrachte BTW over de kosten van zijn activiteit, valt eveneens buiten de mogelijkheid tot subsidiëring.

Op grond van onderdeel d, ten slotte, zijn ook kosten waarvoor al subsidie is aangevraagd of verleend op grond van deze subsidieregeling of een andere subsidieregeling niet subsidiabel. Deze bepaling wijkt af van artikel 10, onderdeel i, en artikel 13, onderdeel g, omdat op grond van die artikelen alsnog subsidie kan worden verleend als de totale financiering van de subsidiabele kosten niet meer dan 100% bedraagt. Ter vergelijking: kosten die onder artikel D35, onderdeel d, vallen, worden niet gesubsidieerd, ook niet als de totale financiering minder dan 100% van de kosten zou bedragen.

Artikel D36. Publiciteit

Dit artikel is gelijk aan artikel D19 in hoofdstuk II.

Artikel 19 van de regeling verplicht de subsidieontvanger tot het verstrekken van informatie en het doen van andere communicatie-uitingen.

Daarnaast geeft dit artikel, evenals artikel D19, aan dat de subsidieontvanger al diegenen die hij als uitvoerder inschakelt en alle deelnemers informeert over het gegeven dat zij deelnemen aan het door het Europees Sociaal Fonds gesubsidieerd project in het kader van de respons van de Unie op de COVID-19-pandemie (REACT-EU).

Artikel D37. Bevoorschotting

Dit artikel regelt de mogelijkheid om, op maximaal twee momenten, een voorschot aan te vragen op het toekomstig vast te stellen subsidiebedrag.

Het eerste moment is bij de subsidieaanvraag. Op het aanvraagformulier kan de subsidieaanvrager dat aangeven. Het voorschot is dan 20% van het in de verleningsbeschikking vermelde subsidiebedrag.

Ongeacht of hij al bij zijn aanvraag een voorschot heeft gevraagd, kan de subsidieontvanger tijdens de looptijd van het project een voorschot aanvragen van maximaal 40% van het in de verleningsbeschikking vermelde subsidiebedrag. Welk percentage, gelijk of lager dan 40% wordt gevraagd, is ter keuze van de subsidieontvanger. Teneinde dit voorschot te kunnen ontvangen geldt dat subsidieontvanger een financiële rapportage dient te overleggen, waaruit blijkt dat het gevraagde voorschot dient ter dekking van reeds gemaakte kosten. Daarvoor wordt hem een elektronisch formulier verstrekt waarin hij zijn gevraagde voorschot kan specificeren en onderbouwen.

Wanneer een voorschot wordt gevaagd van meer dan € 500.000, dient de subsidieontvanger een bankgarantie te overleggen.

Artikel D38. Meldingsplicht

Om te voorkomen dat er, na verloop van tijd, terugvorderingen moeten plaatsvinden, is het van belang dat bijtijds de minister wordt geïnformeerd als de realisatie van het project tegenvalt. Ofwel het project kan niet tijdig worden afgerond, of niet volledig, of er zijn verplichtingen die aan de subsidieverstrekking zijn verbonden, die niet of niet geheel kunnen worden nageleefd. In deze gevallen is de subsidieontvanger, zodra hij een of meer van deze problemen ziet, gehouden daarvan melding te doen aan de minister, zodat bijtijds maatregelen kunnen worden genomen om de financiële schade te voorkomen of te herstellen.

Artikel D39. Rapportage bij einddeclaratie

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de regeling moet een subsidieontvanger elk jaar de Burgerservicenummers van zijn deelnemers verstrekken. Dit artikel wijkt hiervan af.

In het kader van dit hoofdstuk geldt dat bij gelegenheid van de einddeclaratie de subsidieontvanger opgave doet van de Burgerservicenummers. Dat doet hij conform artikel 18, eerste lid.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A.D. Wiersma


X Noot
1

Recovery plan for Europe | European Commission (Europa.eu)

X Noot
2

Verordening (EU) 2020/2221 van het Europees Parlement en de Raad van 23 december 2020 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat betreft extra middelen en uitvoeringsregelingen om bijstand te verlenen ter bevordering van het crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan en ter voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie (React-EU) (PbEU 2020, L 437).

X Noot
3

Verordening (EU) Nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PbEU 2013, L 347).

X Noot
5

VERORDENING (EU, Euratom) 2018/1046 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012

X Noot
6

Verordening (EU) Nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 (PbEU 2013, L 347).