Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Justitie en VeiligheidStaatscourant 2021, 40211ander besluit van algemene strekking

Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 2 september 2021, nr. 3512514, houdende regeling van de tegemoetkoming in de waterschade in Limburg en het onbedijkte gebied langs de Maas in Noord-Brabant in juli 2021 (Regeling tegemoetkoming waterschade in Limburg en het onbedijkte gebied langs de Maas in Noord-Brabant in juli 2021)

De Minister van Justitie en Veiligheid,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Financiën, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Gelet op de artikelen 1, onderdeel d, 4, eerste lid, onderdelen e en f, en tweede lid, 6, tweede tot en met vijfde lid, en 7, eerste lid, van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en de artikelen 2, tweede lid, en 3, derde lid, van het Besluit tegemoetkoming schade bij rampen;

Besluit:

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

afstromend water:

water, veroorzaakt door extreem zware regenval in heuvelachtig terrein, dat niet afgevoerd kan worden door de verzadigde aanwezige riolering en andere afvoermiddelen zoals beken en stroompjes, en dat zich daardoor over land verplaatst naar lagergelegen delen;

AGVV:

Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Europese Commissie van 17 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Algemene Groepsvrijstellingsverordening (PbEU 2014, L 187);

besluit:

Besluit tegemoetkoming schade bij rampen;

eigen risico:

het verschil tussen de som van de schade- en kostenbedragen en de tegemoetkoming die daarvoor wordt verleend op basis van de artikelen 7, 8, 9, 10, 12 en 14, van deze regeling;

kostenbedrag:

de gemaakte kosten, vastgesteld door een schade-expert, waarop in mindering zijn gebracht de kosten, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de wet juncto artikel 5 van het besluit;

LVV:

Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Europese Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Landbouwvrijstellingsverordening (PbEU 2014, L 193);

RVO:

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat;

schadebedrag:

de omvang van de schade, vastgesteld door een schade-expert, waarop in mindering zijn gebracht de schades of tegemoetkomingen, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de wet juncto artikel 5 van het besluit;

wet:

de Wet tegemoetkoming schade bij rampen.

Artikel 2 Reikwijdte regeling, schadegebied en hardheidsclausule

  • 1. Deze regeling is van toepassing op de schade en kosten als bedoeld in artikel 4 van de wet en in artikel 5 die in de periode van 13 juli 2021 tot en met 20 juli 2021 in het schadegebied zijn ontstaan als rechtstreeks en onmiddellijk gevolg van overstromingen door zoet water als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 2, juncto artikel 2 van de wet en van afstromend water.

  • 2. De gebieden, die zijn ingekleurd op de kaart die is opgenomen als bijlage bij deze regeling, worden aangewezen als het schadegebied, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de wet.

  • 3. De Minister van Justitie en Veiligheid kan afwijken van het eerste lid, voor zover een beperking tot het schadegebied, gelet op het belang om aan gedupeerden een tegemoetkoming in de schade en de kosten toe te kennen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

§ 2. Hoogte van de tegemoetkoming

Artikel 3 Schade aan de woning, woonwagen of woonschip

De hoogte van de tegemoetkoming in de schade, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de wet, bedraagt 90% van het schadebedrag.

Artikel 4 Schade aan inboedel

De hoogte van de tegemoetkoming in de schade, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de wet, bedraagt 90% van het schadebedrag doch ten hoogste € 32.400.

Artikel 5 Schade aan personenauto’s

  • 1. In geval van schade aan een personenauto als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen, van een particulier die vanuit economisch oogpunt redelijkerwijs alleen WA of WA+ verzekerd was en die technisch gezien total loss is, wordt voorzien in een tegemoetkoming in de schade op basis van artikel 4, tweede lid, van de wet.

  • 2. De hoogte van de tegemoetkoming in de schade als bedoeld in het eerste lid bedraagt € 2.700 voor een personenauto die aantoonbaar WA verzekerd was of die WA+ verzekerd was maar waarbij de verzekeraar de claim heeft afgewezen.

Artikel 6 Schade aan openbare infrastructurele voorzieningen

De hoogte van de tegemoetkoming in de schade, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van de wet, bedraagt 58,5% van het schadebedrag.

Artikel 7 Schade aan vaste en vlottende activa

  • 1. De hoogte van de tegemoetkoming in de schade, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel d, van de wet, bedraagt 65% van het schadebedrag. Deze schade wordt berekend in overeenstemming met artikel 50, vierde lid, van de AGVV of voor de landbouwsector in overeenstemming met artikel 30, zesde lid, van de LVV.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt de tegemoetkoming in de schade, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel d, van de wet, voor een gedupeerd kerkgenootschap, een gedupeerde vereniging of een gedupeerde stichting vastgesteld overeenkomstig de artikelen 4 en 6, tenzij de stichting of vereniging een zorginstelling of onderneming in stand houdt.

  • 3. In afwijking van het eerste lid, eerste volzin, bedraagt de hoogte van de tegemoetkoming in de schade, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel d, van de wet, voor een gedupeerd openbaar lichaam 58,5% van het schadebedrag.

Artikel 8 Teeltplanschade bij agrarische bedrijven

  • 1. De hoogte van de tegemoetkoming in de schade, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel e, van de wet, bedraagt 65% van het schadebedrag. Deze schade wordt berekend in overeenstemming met artikel 30, zevende lid, van de LVV.

  • 2. De gedupeerde heeft slechts recht op een tegemoetkoming in teeltplanschade, voor zover deze schade bestaat uit een productieverlies van meer dan 20% ten opzichte van de gemiddelde opbrengst in de betrokken productierichting op het betreffende bedrijf in de drie jaren voorafgaande aan het jaar waarin de productieverliezen zich voordoen, met dien verstande dat:

    • a. in voorkomend geval een voorafgaand jaar waarin reeds een zodanig productieverlies is geleden, de berekening in de betrokken productierichting kan worden gedaan als gemiddelde opbrengst van drie van de vijf jaren voorafgaand aan 13 juli 2021, waarbij de hoogste en de laagste productie niet meegerekend worden;

    • b. indien de productieverliezen zich over meerdere jaren zullen doen gevoelen, deze verliezen in het eerste jaar ten minste 10% moeten bedragen en het percentage van het productieverlies in het eerste jaar, vermenigvuldigd met het aantal jaren waarin productieverlies zal worden geleden, ten minste uitkomt op 20%.

  • 3. Indien een gedupeerde op grond van het tweede lid geen recht heeft op een tegemoetkoming in teeltplanschade, wordt deze schade niet meegenomen bij de berekening van het drempelbedrag en het eigen risico, bedoeld in artikel 14.

Artikel 9 Bedrijfsschade bij agrarische bedrijven

De hoogte van de tegemoetkoming in de schade, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel f, van de wet, bedraagt 65% van het schadebedrag. Deze schade wordt berekend in overeenstemming met artikel 30, zevende lid, van de LVV.

Artikel 10 Opstartkosten

De hoogte van de tegemoetkoming in de kosten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel g, van de wet, bedraagt 65% van de kosten.

Artikel 11 Evacuatiekosten

  • 1. De hoogte van de tegemoetkoming in de kosten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel h, van de wet als gevolg van een door het bevoegd gezag geboden of geadviseerd verlaten van de woon- of vestigingsplaats, bedraagt 100% van het kostenbedrag tot een maximum van € 597, doch ten minste € 304.

  • 2. De hoogte van de tegemoetkoming in de kosten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel h, van de wet als gevolg van een door het bevoegd gezag geboden of geadviseerd verlaten van de woon- of vestigingsplaats bedraagt voor een onderneming, een openbaar lichaam alsmede voor een stichting of vereniging die een zorginstelling of onderneming in stand houdt bedraagt 100% van het kostenbedrag doch ten minste € 901.

Artikel 12 Bereddings- en opruimingskosten

De hoogte van de tegemoetkoming in de kosten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdelen i en j, van de wet, gemaakt ter voorkoming, beperking of opruiming van schade als bedoeld in de artikelen 3 tot en met 9, bedraagt 65% van het kostenbedrag.

Artikel 13 Drempelbedragen

  • 1. Indien de som van de schade- en kostenbedragen, bedoeld in de artikelen 3, 4, en 12, voor particulieren meer bedraagt dan € 667, heeft de gedupeerde recht op een tegemoetkoming in de schade en kosten.

  • 2. Indien de som van de schade- en kostenbedragen, bedoeld in de artikelen 6, 7, 8, 9, 10 en 12 meer bedraagt dan € 1.322, heeft de gedupeerde, niet zijnde een particulier, recht op een tegemoetkoming in de schade en kosten.

  • 3. In afwijking van het tweede lid heeft een gedupeerd kerkgenootschap, een gedupeerde vereniging of een gedupeerde stichting recht op een tegemoetkoming in de schade en kosten, indien de som van de schade- en kostenbedragen, bedoeld in de artikelen 7, tweede lid, en 12, meer bedraagt dan € 667.

Artikel 14 Maximering eigen risico

Het eigen risico als gevolg van het resultaat van de berekeningen, genoemd in de artikelen 7, 8, 9, 10 en 12, bedraagt voor bedrijven niet meer dan € 6.014.

§ 3. Berekeningsgrondslag

Artikel 15

De schadetermijn voor de teeltplanschade, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel e, van de wet, en de bedrijfsschade, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel f, van de wet, wordt gerekend vanaf 13 juli 2021 tot het moment waarop het bedrijf redelijkerwijs in staat moet worden geacht op zijn normale productieniveau te werken, rekening houdend met de geteelde gewassen of de gehouden diersoorten, met een maximum van 52 weken.

Artikel 16

Het uurloon, bedoeld in de artikelen 2, tweede lid, en 3, derde lid, van het besluit, wordt vastgesteld op € 22,11 bruto per mensuur.

§ 4. Procedure

Artikel 17

  • 1. Degene die aanspraak wenst te maken op een tegemoetkoming in de schade of kosten meldt dit uiterlijk 15 december 2021 bij RVO door middel van het daartoe bestemde Wts-schademeldingsformulier, dat kan worden aangevraagd bij RVO.

  • 2. Degene die aanspraak wenst te maken op een tegemoetkoming in de schade of kosten en die voor inwerkingtreding van deze regeling reeds een ‘Centrale Registratie Aangerichte Schade’-formulier heeft ingediend bij de gemeente, hoeft geen Wts-schademeldingsformulier in te zenden aan RVO.

  • 3. Na ontvangst door RVO van een formulier als bedoeld in het eerste en tweede lid draagt RVO zorg voor de taxatie van de gemelde schade of kosten door een schade-expert die daartoe van RVO opdracht krijgt.

  • 4. De aanvraag tot verlening van een tegemoetkoming in schade of kosten wordt ingediend door middel van het door de schade-expert, na overleg met de aanvrager, ingevulde en door de aanvrager ondertekende Wts-aanvraagformulier. De aanvraag wordt ingediend bij RVO binnen 14 dagen nadat de schade-expert het Wts-aanvraagformulier aan de gedupeerde heeft verstrekt.

Artikel 18

De Minister van Justitie en Veiligheid beslist binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 17, vierde lid.

Artikel 19

De beschikking op een aanvraag bevat in ieder geval:

  • a. de omvang van de schade, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdelen a tot en met f, van de wet, berekend met inachtneming van het schaderapport, bedoeld in artikel 5 van de wet;

  • b. de in aanmerking te nemen kosten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdelen g, h, i en j, van de wet, berekend met inachtneming van het schaderapport, bedoeld in artikel 5 van de wet;

  • c. de omvang van de schade en kosten, bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdelen a tot en met e, van de wet, berekend met inachtneming van het schaderapport, bedoeld in artikel 5 van de wet;

  • d. de berekening en het bedrag van de tegemoetkoming waaronder in voorkomend geval de tegemoetkoming in de schade als bedoeld in artikel 5.

§ 5. Slotbepalingen

Artikel 20

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat voor de landbouwsector de regeling met ingang van 13 september 2021 werkt.

Artikel 21

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tegemoetkoming waterschade in Limburg en het onbedijkte gebied langs de Maas in Noord-Brabant in juli 2021.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

TOELICHTING

1. Inleiding

De Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts) geeft gedupeerden onder voorwaarden recht op een tegemoetkoming in de schade en kosten die zijn ontstaan door een ramp, veroorzaakt door een overstroming of aardbeving van een bepaalde omvang. De Wts kan daarnaast van toepassing worden verklaard in geval van een ramp die van ten minste vergelijkbare orde is als overstroming door zoet water. Van deze mogelijkheid is, in verband met schade geleden door ondernemingen als gevolg van afstromend water, gebruik gemaakt bij koninklijk besluit van 1 september 2021 (Stb. 2021, 419).

2. De feitelijke omstandigheden in de periode van 13 juli tot en met 20 juli 2021

Medio juli 2021 zijn gebieden in de provincie Limburg en het gebied in de provincie Noord-Brabant langs de Maas vanaf de grens met de provincie Limburg tot aan Boxmeer, waar geen primaire of anderszins gereglementeerde waterkeringen aanwezig zijn (het onbedijkte gebied in Noord-Brabant langs de Maas) overstroomd. Gedurende de periode was er eveneens sprake van het buiten de oevers treden van verschillende andere wateren waar geen primaire of anderszins gereglementeerde keringen aanwezig zijn. Gedurende de periode van 15 juli tot en met 20 juli zijn in de Maas waterstanden gemeten die hoger zijn dan de hoogwaterstanden, veroorzaakt door een rivierafvoer met een gemiddelde kans van voorkomen van minder dan 1/10 per jaar.

De Brabantse oever van de Maas stroomafwaarts tot aan Boxmeer wordt eveneens tot het schadegebied door overstroming gerekend. Tot Boxmeer is de Maas onbedijkt (evenals de rechteroever tot Mook). Vanaf Boxmeer ligt van oudsher al een primaire kering.

Gelet op deze feitelijke situatie is artikel 2 van de Wts van toepassing voor die gedeelten van de Maas waar geen gereglementeerde waterkeringen, zoals kades of andere voorzieningen ter kering van het water, aanwezig zijn en waar waterstanden zijn gemeten die hoger zijn dan hoogwaterstanden, veroorzaakt door een rivierafvoer met een gemiddelde kans van voorkomen van minder dan 1/10 per jaar.

In de periode van 13 juli tot en met 15 juli 2021 is er in het zuidoosten van Nederland, in Duitsland en in België extreem veel neerslag gevallen. Het zwaartepunt lag in Zuid-Limburg. Op 14 juli heeft het KNMI code rood afgegeven. In het zuidoosten van Limburg is zelfs binnen twee dagen tijd een hoeveelheid regen gevallen die een herhalingstijd heeft tussen de 100 en 1.000 jaar. Ter vergelijking: bij de toepassing van de Wts voor de extreme regenval in 1998 was sprake van een hoeveelheid regen met een herhalingstijd van 125 jaar.

In verband met de samenval met de overstromingen wordt met betrekking tot het schadegebied in het zuidoosten van Limburg uitgegaan van een regenval binnen twee dagen met een herhalingstijd van 100 jaar.

De extreme regenval heeft ertoe geleid dat de Maas een zeer hoge waterstand heeft bereikt en dat verschillende wateren waar geen primaire of anderszins gereglementeerde keringen aanwezig zijn, zoals beken en zijrivieren in Limburg ver buiten hun oevers zijn getreden. Zuid-Limburg heeft een heuvelachtig landschap en door de extreem zware regenval is bovendien afstromend water ontstaan dat schade heeft aangericht die vergelijkbaar is met overstromingsschade.

Met name in de provincie Limburg heeft bovenstaande geleid tot grote wateroverlast met zeer veel schade en kosten tot gevolg en (verplichte) evacuatie op veel plekken. Op 16 juli 2021 heeft het kabinet besloten de Wts toe te passen en de uit te keren bedragen te dekken uit de algemene middelen.

De contouren van het schadegebied zijn weergegeven op de kaart in de bijlage. Deze kaart is opgesteld op grond van de ten tijde van het opstellen van deze regeling beschikbare informatie van betrokken organisaties, zoals het Ministerie van IenW/Rijkswaterstaat, de provincie Limburg, de veiligheidsregio’s Zuid-Limburg en Limburg-Noord, het waterschap Limburg, het waterschap Aa en Maas en het KNMI.

Gebleken is dat ook door zogenoemd kwelwater schade is ontstaan. De artikelen 1 en 2 van de Wts bieden echter geen basis om geleden schade als gevolg van kwelwater voor een tegemoetkoming in aanmerking te laten komen.

3. Aspecten van staatssteun

Wanneer een tegemoetkoming aan een onderneming wordt verleend kan sprake zijn van staatssteun in de zin van artikel 107, eerste lid van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU).

Deze steun aan ondernemingen wordt geacht verenigbaar te zijn en is derhalve toegestaan, voor zover de tegemoetkoming voldoet aan de (materiële en procedurele) eisen in de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV) of, voor zover de tegemoetkoming ziet op de landbouwsector, de Landbouwvrijstellingsverordening (LVV). De AGVV en LVV zijn van toepassing op steun voor het herstel van de schade als gevolg van natuurrampen (artikel 1, eerste lid, onder g, AGVV resp. artikel 1, eerste lid, onder c, LVV), zoals in dit geval de overstromingen (artikel 50 AGVV resp. artikel 2, onder 9, LVV) waaronder mede wordt verstaan afstromend water. Er is verder sprake van transparante steun in de vorm van een in deze regeling beschreven tegemoetkoming (artikel 5 AGVV en artikel 5 LVV). Alle bedragen die voor de berekening van de steunintensiteit en de in aanmerking komende kosten worden gebruikt, zijn bedragen vóór aftrek van belastingen of andere heffingen. De in aanmerking komende kosten worden gestaafd met bewijsstukken die duidelijk, specifiek en actueel zijn (artikel 7 AGVV resp. artikel 7, eerste lid, LVV). In overeenstemming met artikel 8 AGVV en artikel 8 LVV wordt op basis van de betreffende vrijstellingsverordeningen geen tegemoetkoming toegekend indien er sprake is van ongeoorloofde cumulatie.

Deze regeling voldoet aan de voorwaarden die volgen uit artikel 50 AGVV en artikel 30 LVV: het kabinet heeft de overstromingen en afstromend water in de periode van 13 juli tot en met 20 juli 2021 formeel als natuurramp erkend, en de tegemoetkoming vereist een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de natuurramp en de schade die de onderneming heeft geleden (artikel 2). De steun wordt rechtstreeks betaald aan de betrokken onderneming. Deze regeling is ingesteld binnen drie jaar nadat de overstromingen hebben plaatsgevonden en de steun wordt binnen vier jaar na die datum betaald. Conform artikel 50, vierde lid, AGVV en artikel 30, vijfde lid, LVV vereist deze regeling een taxatie van de gemelde schade door een schade-expert (artikel 17, derde lid). De taxateur zal zijn taxatie baseren op de berekeningen zoals beschreven in artikel 50 AGVV en artikel 30 LVV (artikelen 6 tot en met 8). Overcompensatie wordt vermeden. De compensatie zal niet méér bedragen dan wat nodig is om de begunstigde in staat te stellen terug te keren naar de situatie zoals die vóór de ramp bestond, en er wordt hiermee ook voldaan aan de eisen met betrekking tot de steunintensiteit.

Nu aan de voorwaarden van de AGVV en LVV wordt voldaan, is deze steunregeling verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, tweede of derde lid, van het Verdrag en geldt niet de verplichting van voorafgaande goedkeuring door de Europese Commissie.

Conform artikel 9 AGVV en artikel 11 LVV zullen de uit deze verordeningen voortvloeiende publicatieverplichtingen worden nageleefd. Ter voldoening aan de eis van artikel 11 AGVV respectievelijk artikel 11 LVV wordt de regeling ook gepubliceerd op https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/staatssteun/documenten. Op basis van artikel 9 AGVV en artikel 9 LVV zullen kennisgevingen met betrekking tot deze regeling worden verstuurd aan de Europese Commissie.

4. De systematiek van de regeling

Voor de systematiek van deze regeling, waaronder de hoogtes van de tegemoetkomingen, de berekeningsgrondslagen en de aanvraagprocedure, is aansluiting gezocht bij de regelingen die in het verleden zijn getroffen ter uitvoering van de Wts. In 1998 zijn twee regelingen getroffen om tegemoetkoming te kunnen verlenen in de schade en kosten als gevolg van extreem zware regenval (Stcrt. 1998, 208 en 244). Ook in 2003 zijn twee regelingen getroffen: één regeling voor tegemoetkoming in schade en kosten als gevolg van overstroming van de Maas (Stcrt. 2003, 9) en één regeling als gevolg van de dijkdoorbraak te Wilnis (Stcrt. 2003, 202). In 2011 is een regeling getroffen als gevolg van overstroming van de Maas (Stcrt. 2011, 12398). De systematiek van de regelingen uit het verleden is beproefd en maatschappelijk geaccepteerd.

Alleen ten aanzien van in de wet opgesomde categorieën schade en kosten bestaat een recht op tegemoetkoming. Schade die het gevolg is van gederfde omzet, komt in ieder geval niet in aanmerking voor een tegemoetkoming. Op grond van artikel 4, tweede lid, van de wet kunnen bij ministeriële regeling ook andere categorieën van schade en kosten worden aangewezen als schade en kosten waarvoor een recht op tegemoetkoming geldt. Gelet op de ernst van de situatie gedurende 13 tot en met 20 juli en om mogelijk schrijnende gevallen te voorkomen, heeft het kabinet besloten om van vorenbedoelde bevoegdheid gebruik te maken en schade aan een personenauto van een particulier dat vanuit economisch oogpunt redelijkerwijs niet allrisk verzekerd was, voor een tegemoetkoming in aanmerking te laten komen.

In onderhavige regeling is de vaststelling van de hoogte van de tegemoetkoming geregeld per schade- en kostencategorie, zoals die in de wet zijn opgesomd. In algemene zin geldt dat een bepaalde doelgroep slechts in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in een bepaalde categorie schade.

Zo kunnen alleen particulieren in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de schade aan de woning, de inboedel en personenauto’s, en alleen openbare lichamen voor schade aan infrastructurele voorzieningen. Uitzondering op deze regel vormt de schade aan vaste en vlottende activa. Naast bedrijven kunnen ook kerkgenootschappen, stichtingen, verenigingen en openbare lichamen schade hebben aan vaste en vlottende activa. Ook voor evacuatiekosten geldt dat deze kosten door meerdere categorieën gedupeerden kunnen zijn gemaakt.

Indien er feiten of omstandigheden zijn waarvan de Minister van Justitie en Veiligheid redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming lager zou zijn vastgesteld, kan de beschikking tot het toekennen van een tegemoetkoming worden gewijzigd of ingetrokken (artikel 10 van de wet). In dezelfde bepaling wordt verwezen naar artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, op grond waarvan eenieder verplicht is om alle medewerking te verlenen die redelijkerwijs kan worden gevorderd.

5. De hoogte van de tegemoetkoming

a. Algemeen

Artikel 4, derde lid, van de wet bepaalt onder meer dat er geen tegemoetkoming is voor schade en kosten die redelijkerwijs verzekerbaar zijn of waarvoor uit anderen hoofde een tegemoetkoming is verkregen of kan worden verkregen, en evenmin voor schade die is veroorzaakt door eigen schuld of doordat de gedupeerde onvoldoende maatregelen heeft getroffen ter voorkoming of beperking van de schade en kosten, dan wel voor schade aan bouwwerken die na 1 april 1996 zijn gerealiseerd in de winterbedding van de Maas. De hoogte van de tegemoetkoming wordt derhalve bepaald op grond van het totale schade- en kostenbedrag, onder aftrek van de schade en kosten die om voornoemde redenen niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming. Het schadebedrag en het kostenbedrag zijn als zodanig gedefinieerd in artikel 1.

Hoe de vaststelling van het schade- en kostenbedrag plaatsvindt, moet voor de gedupeerde inzichtelijk zijn. Daarom dienen ook de schade en kosten die om voornoemde redenen niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming, in de beschikking van de Minister te worden opgenomen (artikel 19).

De schadebedragen zijn ten opzichte van de bedragen in de regelingen uit 2011 geïndexeerd, met 17%, conform de consumentenprijsindex.

b. Particulieren

De artikelen 3, 4 en 5 bepalen de hoogte van de tegemoetkoming voor schade van particulieren. Het betreft de schade aan de woning, woonwagen en woonschip (artikel 3), schade aan de inboedel (artikel 4) en schade aan personenauto’s (artikel 5).

De hoogte van de tegemoetkoming voor de schade aan de inboedel bedraagt 90% van het gemaximeerde schadebedrag, zijnde € 36.000,–.

Voor personenauto’s die, mede gelet op de leeftijd van het voertuig, vanuit economisch oogpunt redelijkerwijs alleen WA of WA+ verzekerd konden worden, geldt het volgende. Om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen moet een gedupeerde een kopie van de verzekeringspolis overleggen, een afwijzingsbrief van de verzekeraar (in geval van een WA+ verzekering), en een vrijwaringsbewijs of ander bewijs waaruit blijkt dat de personenauto technisch gezien total loss is. De tegemoetkoming bedraagt € 2.700, zijnde 90% van het gemaximeerde schadebedrag van € 3.000. Dit bedrag is gebaseerd op een advies ter zake van het Nederlands Instituut Van Register Experts (NIVRE).

De tegemoetkoming in bereddings- en opruimingskosten is geregeld in artikel 12.

Uitsluitend indien de som van de schade- en kostenbedragen (met uitzondering van de evacuatiekosten) meer bedraagt dan € 667 is er recht op een tegemoetkoming (artikel 13, eerste lid). Dit is het zogeheten drempelbedrag.

Alleen indien er een bevolen of geadviseerde evacuatie heeft plaatsgevonden, worden evacuatiekosten vergoed. In lijn met de eerdere tegemoetkomingregelingen geldt een vast bedrag: € 304 per risico-adres. Indien wordt aangetoond dat een hoger bedrag met de evacuatie was gemoeid, worden de kosten vergoed tot een maximum van € 597 (artikel 11, eerste lid).

c. Kerkgenootschappen, verenigingen en stichtingen

Voor kerkgenootschappen, verenigingen en stichtingen is de hoogte van de tegemoetkoming gelijk aan die voor particulieren. Schade voor kerkgenootschappen, verenigingen en stichtingen aan de vaste en de vlottende activa (zie artikel 7, tweede lid) is vergelijkbaar met de schade voor particulieren aan respectievelijk de woning en de inboedel. Aan verenigingen en stichtingen die een zorginstelling of onderneming in stand houden wordt de tegemoetkoming verstrekt conform de systematiek die geldt voor ondernemers aangaande vaste en vlottende activa. De tegemoetkoming in de gemaakte bereddings- en opruimingskosten is op 65% bepaald (artikel 12). Uitsluitend indien de som van de schade- en kostenbedragen (met uitzondering van de evacuatiekosten) meer bedraagt dan € 667 is er recht op een tegemoetkoming (artikel 13, derde lid).

Voorts geldt ook voor deze gedupeerden dat zij aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming in de evacuatiekosten indien er een bevolen of geadviseerde evacuatie heeft plaatsgevonden (artikel 11). Daarbij geldt het volgende:

  • aan verenigingen en stichtingen en aan kerkgenootschappen wordt een vast bedrag uitgekeerd van € 304 (eerste lid). Indien wordt aangetoond dat een hoger bedrag dan € 304 met de bevolen of geadviseerde evacuatie was gemoeid, worden de kosten tot een maximum van € 597 vergoed.

  • voor ondernemingen, openbare lichamen en voor zover verenigingen en stichtingen een zorginstelling of onderneming in stand houden is de tegemoetkoming € 901 (tweede lid). Indien wordt aangetoond dat een hoger bedrag met de bevolen of geadviseerde evacuatie was gemoeid, worden ook die meerdere kosten vergoed.

d. Gemeenten, provincies, waterschappen en andere openbare lichamen

De schade aan infrastructurele voorzieningen en vaste en vlottende activa wordt voor 58,5% van het schade- en kostenbedrag vergoed (artikelen 6 en 7, derde lid). Daarnaast hebben ook openbare lichamen recht op een tegemoetkoming in de evacuatiekosten bij een geboden of geadviseerde evacuatie (artikel 11, eerste lid) en in de gemaakte kosten voor beredding en opruiming (artikel 12).

Uitsluitend indien de som van de schade- en kostenbedragen (met uitzondering van de evacuatiekosten) meer bedraagt dan € 1.322 (artikel 13, tweede lid) is er recht op tegemoetkoming.

e. Bedrijven

Alle bedrijven komen in aanmerking voor een tegemoetkoming in de schade aan vaste en vlottende activa (artikel 7, eerste lid) en voor een tegemoetkoming in de opstartkosten (artikel 10). Agrarische bedrijven komen ook in aanmerking voor een tegemoetkoming in de teeltplanschade (artikel 8) en bedrijfsschade waaronder begrepen de evacuatie van vee (artikel 9).

Ten aanzien van teeltplanschade geldt dat de schade uit een productieverlies ten minste 20% dient te bedragen. In de Regeling tegemoetkoming schade bij overstroming van de Maas in januari 2011 is als schadedrempel voor teeltplanschade opgenomen 30%. Daarmee volgde deze regeling de schadedrempel die ook gold in een andere regeling voor teeltplanschade, de subsidieregeling Brede weersverzekering. Die regelingen waren vervolgens gebaseerd op de destijds daarvoor geldende Europese steunkaders. In de subsidieregeling Brede weersverzekering is de schadedrempel in 2020 verlaagd van 30% naar 20%. Reden hiervoor is dat de huidige subsidieregeling is gebaseerd op artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling, welk artikel per 1 januari 2018 is gewijzigd, waarbij de schadedrempel is verlaagd van 30% naar 20%. Het uitgangspunt van deze regeling is om wederom de parallel met de Brede weersverzekering aan te houden, waarbij de schadedrempel voor teeltplanschade op 20% gesteld wordt.

Voor de berekening van het normale productieniveau wordt aangesloten bij artikel 30 LVV, tevens de systematiek bij de Brede weersverzekering. Hier wordt uitgegaan van het gemiddelde van 3 jaar of een zogenoemd olympisch gemiddelde: het gemiddelde over 5 jaar waarvan de hoogste en de laagste productie niet worden meegerekend.

Als de teeltplanschade meer bedraagt, wordt de totale teeltplanschade conform het vergoedingspercentage van 65% meegenomen in de tegemoetkoming. Is het productieverlies lager dan 20%, dan wordt de teeltplanschade niet vergoed. Het vorenstaande vloeit voort uit artikel 30 LVV.

Daarnaast hebben bedrijven recht op een tegemoetkoming in de evacuatiekosten (artikel 11, eerste lid) en de kosten voor beredding en opruiming (artikel 12). Uitsluitend indien de som van de schade- en kostenbedragen (met uitzondering van de evacuatiekosten) meer bedraagt dan € 1.322 (artikel 13, tweede lid) is er recht op tegemoetkoming.

f. Maximering eigen risico

Op grond van de hiervoor beschreven rekenwijzen wordt niet voor het geheel van de berekende schade en kosten een tegemoetkoming gegeven. Het verschil tussen de berekende schade en kosten enerzijds, en de tegemoetkoming op basis van deze regeling anderzijds, vormt het eigen risico dat de gedupeerde zelf dient te dragen.

Het eigen risico is voor bedrijven wel aan een maximum gebonden en bedraagt ingevolge artikel 14 maximaal € 6.014. Dit betekent dat de schade en gemaakte kosten die uitstijgen boven het bedrag van het eigen risico (35% van het totale schade- en kostenbedrag maar met een maximum van € 6.014) worden vergoed. Ter illustratie dient het volgende voorbeeld.

Schade vaste en vlottende activa (artikel 7): € 30.000. Teeltplanschade (artikel 8): € 50.000. Samen € 80.000. Het eigen risico zou in casu dus € 28.000 zijn (35% van € 80.000), maar bedraagt op grond van artikel 14 maximaal € 6.014. De tegemoetkoming wordt daardoor: € 80.000 -/- € 6.014 = € 73.986.

6. Berekeningsgrondslagen

De berekeningsgrondslagen voor (extra) ‘arbeid in eigen beheer’ en voor de schades als bedoeld in de artikelen 3, 4 en 6 van deze regeling, zijn neergelegd in het Besluit tegemoetkoming schade bij rampen. De berekening van de materiële schade als bedoeld in artikel 3 gebeurt, in overeenstemming met artikel 50 AGVV en artikel 30 LVV, op basis van de reparatiekosten of de economische waarde van het betrokken actief vóór de situatie van de wateroverlast. Dit berekende schadebedrag mag niet groter zijn dan de reparatiekosten of de daling van de billijke marktwaarde als gevolg van de situatie van de wateroverlast.

In lijn met artikel 30 LVV, wordt de volgende formule gehanteerd voor de berekening van teeltplanschade: (als bedoeld in artikel 8):

  • a) de hoeveelheid landbouwproducten die is geproduceerd in het jaar van de natuurramp of in elk volgend jaar waarin de weerslag van de volledige of gedeeltelijke vernietiging van de productiemiddelen voelbaar was, vermenigvuldigd met de in dat jaar verkregen gemiddelde verkoopprijs;

    af te trekken van:

  • b) de gemiddelde jaarlijkse hoeveelheid landbouwproducten die is geproduceerd in de drie jaren voorafgaand aan de natuurramp of het gemiddelde van drie van de vijf jaren voorafgaand aan de periode 13 juli 2021 tot en met 20 juli 2021, de hoogste en de laagste productie niet meegerekend, vermenigvuldigd met de gemiddelde verkregen verkoopprijs. Dat bedrag kan worden verhoogd met andere kosten die de begunstigde heeft gemaakt wegens de situatie als gevolg van de wateroverlast. Het bedrag wordt verlaagd met de kosten die, als gevolg van de wateroverlast, niet zijn gemaakt.

De schadetermijn voor teeltplanschade en bedrijfsschade dient bij ministeriële regeling te worden vastgesteld. Deze is vastgesteld op een termijn waarop het bedrijf redelijkerwijs in staat moet worden geacht op zijn normale productieniveau te kunnen werken, tot maximaal 52 weken (artikel 15).

De arbeid in eigen beheer in verband met beredding en de extra arbeid in eigen beheer in verband met opruiming worden als gevolg van respectievelijk de artikelen 2, tweede lid, en 3, derde lid, van het Besluit tegemoetkoming schade bij rampen bepaald op het aantal uren vermenigvuldigd met een bij ministeriële regeling vast te stellen uurloon. Dit uurloon is vastgesteld op € 22,11 per mensuur (artikel 16). Het uurloon is ten opzichte van de regelingen uit 2011 geïndexeerd, met 17% (stijging gemiddelde brutolonen in de marktsector).

Indien de aanvrager de omzetbelasting niet kan verrekenen met de door hem af te dragen omzetbelasting, worden – voor het bepalen van de hoogte van de tegemoetkoming – de schade en kosten in aanmerking genomen met inbegrip van de omzetbelasting.

Opgemerkt zij nog dat de op grond van deze regeling uitbetaalde vergoedingen geen aanleiding geven tot het heffen van omzetbelasting over die vergoedingen.

7. Uitvoering

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat is belast met de uitvoering van de regeling. Het Besluit mandaat Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voor de uitvoering van de Wet veiligheidsregio’s en van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Stcrt. 2020, 10742) ziet reeds op uitvoering van de voorliggende regeling.

8. Aanvraagprocedure

Artikel 17 beschrijft de aanvraagprocedure. Gedupeerden die in aanmerking wensen te komen voor een tegemoetkoming, kunnen bij RVO een Wts-schademeldingsformulier indienen. Dit kan via de website van RVO.nl en, indien gewenst, kan een papieren versie van het formulier worden opgevraagd. Hierover zal nader worden gecommuniceerd in het schadegebied. Een ingediend ‘Centrale Registratie Aangerichte Schade’-formulier wordt ook gezien als melding van de schade; degene die een dergelijk formulier heeft ingediend, hoeft geen Wts-schademeldingsformulier in te dienen.

Het Wts-schademeldingsformulier wordt uiterlijk 15 december 2021 bij RVO ingediend, ook indien nog niet alle schade zich heeft gemanifesteerd, zoals bij mogelijke teeltplanschade en bedrijfsschade. Bij de melding dient te worden aangegeven in welke categorie de schade valt en welke soort kosten zijn gemaakt. Meldingen van schade en kosten buiten het vastgestelde schadegebied en meldingen gedaan na 15 december 2021 worden afgewezen.

Als de melding voldoet aan de voorwaarden, zal in opdracht van RVO een onafhankelijke schade-expert de schade taxeren. RVO zet voor de taxatie Register-Experts in. Deze schade-expert neemt de schade zo snel mogelijk na de melding op. Er kan wachttijd ontstaan tussen het moment van het doen van de melding en het moment waarop de schade-expert de schade opneemt. Het aantal schademeldingen en het aantal beschikbare schade-experts kunnen hierbij een rol spelen. Indien de schade zich naar verwachting pas op een later moment zal manifesteren, kan in overleg met de gedupeerde de taxatie van die schade op een later moment, maar binnen 52 weken na 20 juli 2021, plaatsvinden.

Na de taxatie reikt de schade-expert aan de gedupeerde een ingevuld Wts-aanvraagformulier inclusief taxatie uit.

Indien de gedupeerde het eens is met de taxatie dient het voor akkoord ondertekend te worden. Het door de gedupeerde ondertekende Wts-aanvraagformulier bevat de taxatie van de niet-verzekerbare schade en wordt door de schade-expert langs elektronische weg bij RVO ingediend. Als de gedupeerde dit zelf wil indienen, kan dat ook. In dat geval dient de gedupeerde de aanvraag in binnen 14 dagen na het uitreiken van het Wts-aanvraagformulier. Als het Wts-aanvraagformulier niet tijdig wordt ingediend, wordt de aanvraag afgewezen.

Artikel 18 bepaalt dat de Minister van Justitie en Veiligheid uiterlijk binnen 13 weken na ontvangst van het Wts-aanvraagformulier beslist op de aanvraag. RVO streeft ernaar om binnen een termijn van vier tot zes weken na ontvangst van het Wts-aanvraagformulier een beslissing te nemen en de tegemoetkoming daarmee ook uit te betalen. Indien de beslissing op de aanvraag niet binnen deze termijn van 13 weken kan worden gegeven, wordt de gedupeerde, conform artikel 4:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, daarvan in kennis gesteld en wordt daarbij tevens een zo kort mogelijke termijn genoemd waarbinnen de beslissing wel kan worden tegemoetgezien.

Indien de gedupeerde het niet eens is met de taxatie dient het formulier voor ‘niet akkoord’ ondertekend te worden. Ook dit Wts-aanvraagformulier wordt door de schade-expert, dan wel de gedupeerde, ingediend bij RVO. De gedupeerde ontvangt vervolgens een voorgenomen besluit op de ingediende aanvraag. De gedupeerde heeft dan de keuze om binnen een redelijke termijn alsnog akkoord te gaan met de taxatie dan wel om een hertaxatie te verzoeken. Indien de gedupeerde alsnog akkoord gaat, of niet tijdig reageert, wordt het voorgenomen besluit omgezet naar een definitieve beslissing op de aanvraag. Indien de gedupeerde een hertaxatie verzoekt, zal in opdracht van RVO een tweede onafhankelijke schade-expert de schade taxeren. Bij indiening van het verzoek om een hertaxatie kan ook om een voorschot op de tegemoetkoming van 70% van de in het voorgenomen besluit genoemde tegemoetkoming worden verzocht. Dit voorschot zal worden verrekend met de na hertaxatie vastgestelde tegemoetkoming.

De hertaxatie zal de basis zijn voor de uiteindelijke beslissing, ook indien een lagere waarde wordt vastgesteld dan bij de eerste taxatie. De gedupeerde heeft niet nogmaals de mogelijkheid om een hertaxatie aan te vragen indien hij niet akkoord is. Na deze hertaxatie zal de schade-expert het taxatierapport aan RVO sturen en zal beslist worden op de aanvraag. Als uit de hertaxatie volgt dat de omvang van de schade en kosten bij de eerste taxatie juist was, komen de kosten van de hertaxatie voor rekening van de gedupeerde (artikel 5, vierde lid, van de wet).

9. Slot

Bij koninklijk besluit van 14 oktober 2010 (Stcrt. 2010, 16528) is het beleidsterrein veiligheid overgeheveld van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties naar het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Daardoor valt onder meer het toepassen van de Wts en het opstellen van tegemoetkomingsregelingen niet langer onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hoewel dat nog zo in de Wts staat), maar onder de verantwoordelijkheid van (inmiddels) de Minister van Justitie en Veiligheid.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Hiermee wordt afgeweken van de vaste verandermomenten. Dit gebeurt in het belang van de inwoners en ondernemers in de getroffen gebieden. De verbijzondering voor de landbouwsector vloeit voort uit de in artikel 9 LVV voorgeschreven termijn van tien werkdagen na kennisgeving van de voorgenomen regeling aan de Europese Commissie.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

BIJLAGE ALS BEDOELD IN ARTIKEL 2, TWEEDE LID, VAN DE REGELING TEGEMOETKOMING WATERSCHADE IN LIMBURG EN HET ONBEDIJKTE GEBIED LANGS DE MAAS IN NOORD-BRABANT IN JULI 2021 HOUDENDE DE CONTOUREN VAN HET SCHADEGEBIED