TOELICHTING
I. Algemeen
Met hogescholen, universiteiten en het toeleverend onderwijs zijn ook voor het studiejaar
2021–2022 afspraken gemaakt over het toelaten van (aspirant-)studenten die door de
uitbraak van COVID-19 in de knel komen in de doorstroom naar en binnen het hoger onderwijs,
doordat zij door COVID-19 niet kunnen voldoen aan de instroomeisen vanwege het niet
doorgaan van onderwijs en examens. Deze afspraken zijn op hoofdlijnen gelijkluidend
aan de afspraken die gemaakt zijn voor het studiejaar 2020–2021. Waar nodig zijn voor
specifieke doelgroepen voor het studiejaar 2021–2022 afspraken gepreciseerd. Deze
afspraken zijn neergelegd in het Servicedocument HO – aanpak Coronavirus COVID-19,
versie 10.0, 7 april 2021 (hierna: servicedocument).1 Met het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek en de Wet studiefinanciering 2000 betreffende tijdelijke voorzieningen voor
het studiejaar 2021–2022 in verband met COVID-19 is het tijdelijke artikel 7.37d,
toegevoegd aan de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna:
WHW). Dit artikel betreft de juridische grondslag op basis waarvan instellingen uitvoering
geven aan de afspraken in het servicedocument. Het regelt de wettelijke bevoegdheid
voor onderwijsinstellingen om (aspirant-)studenten die vanwege de uitbraak van COVID-19
nog niet aan alle vooropleidingseisen of toelatingseisen voldoen in te schrijven voor
het hoger onderwijs, en uit te schrijven van de betreffende opleiding indien de student
niet alsnog aan de eisen voldoet op een daartoe vastgestelde datum. Voor de uitvoering
van de bevoegdheid van het instellingsbestuur, stelt het instellingsbestuur, in lijn
met het servicedocument, eigen beleid vast. Onderhavige regeling betreft de uitwerking
van artikel 7.37d, vijfde lid, van de wet, dat de mogelijkheid geeft regels te stellen
over de nadere voorwaarden voor inschrijving (onderdeel a) en over de onderwerpen
waarop het door de instelling gevoerde beleid voor de inschrijving in ieder geval
betrekking dient te hebben (onderdeel b).
Nadere voorwaarden afwijkende inschrijving
Artikel 7.37d van de wet heeft betrekking op de (aspirant-)student die per 1 september
2021 of een ander regulier instroommoment wil worden ingeschreven voor een opleiding
in het hoger onderwijs, maar die ten gevolge van de uitbraak van COVID-19 niet heeft
kunnen voldoen aan de vooropleidingseisen (in geval van een associate degree- of een
bacheloropleiding) of de toelatingseisen (in geval van een masteropleiding) van de
opleiding. In de onderhavige regeling wordt bepaald in welke gevallen het niet kunnen
voldoen aan de eisen, het gevolg is van de uitbraak van COVID-19. Het moet gaan om
(aspirant-)studenten die niet aan de eisen hebben kunnen voldoen doordat onderwijs
niet kon worden verzorgd, een stage niet kon worden voltooid, dan wel één of meerdere
examens, tentamens, of toetsen niet konden worden afgenomen, vanwege overheidsmaatregelen
in verband met COVID-19. Het kan in algemene zin hierbij ook gaan om (aspirant-)studenten
die tijdens of reeds vóór de overheidsmaatregelen een studievertraging hebben opgelopen,
maar deze vanwege de overheidsmaatregelen niet meer konden inhalen, doordat bijvoorbeeld
het hertentamen niet kon worden afgenomen. De term ‘toetsen’ in de zin van artikel
3, eerste lid, van de onderhavige regeling omvat alle wijzen waarop een (aspirant-)student
kan worden gevraagd aan te tonen dat hij voldoet aan de instroomeisen waarvan op grond
van artikel 7.37d, eerste lid, van de wet kan worden afgeweken. Het kan dus ook gaan
om toetsen die geen onderdeel zijn van een (voor)opleiding, zoals de toelatingstoets
om te kunnen instromen in de lerarenopleiding of het staatsexamen Nederlands als tweede
taal waarmee de (aspirant-)student met een buitenlands diploma voldoende beheersing
van de Nederlandse taal aantoont. Voorts kan het nog voorkomen dat de eindexamens
in het voortgezet onderwijs, gelet op de specifieke maatregelen in het studiejaar
2020–2021 die betrekking hebben op de afname van deze eindexamens, samenvallen met
de af te nemen toelatingstoetsen voor de lerarenopleiding basis onderwijs. Mocht dat
het geval zijn en de (aspirant-)studenten daardoor in redelijkheid niet kunnen deelnemen
aan de toelatingstoets, dan heeft het instellingsbestuur de bevoegdheid om in dit
geval ook alvast tot inschrijving over te gaan en de (aspirant-)student de gelegenheid
te bieden deze toets alsnog af te leggen gedurende de eerste maanden van de lerarenopleiding
basis onderwijs.
Artikel 7.37d van de wet geeft instellingen de bevoegdheid om (aspirant-)studenten
in te schrijven en betreft dus geen verplichting daartoe. De instelling beoordeelt
of het niet voldoen aan de eisen het gevolg is van COVID-19 en of de student over
een voldoende kennis- en vaardighedenniveau beschikt om de opleiding te kunnen starten
en binnen de bepaalde termijn zijn studievertraging in kan halen. In het servicedocument
zijn over deze beoordeling en onderlinge samenwerking afspraken gemaakt tussen het
aanleverend en ontvangend onderwijs, die hierbij leidend zijn. Voor onder meer de
overgang van mbo naar hbo, is afgesproken dat de instelling waar de betreffende leerling
of student vertraging heeft opgelopen een onderbouwd afrondingsadvies aan de student
opstelt. Verondersteld mag worden dat de betreffende instelling slechts een positief
afrondingsadvies geeft aan studenten van wie de studievertraging het gevolg is van
COVID-19 en in gevallen waarin de instelling van mening is dat de student deze studievertraging
binnen de gestelde termijn kan inhalen.
Nadere voorwaarden afwijkende inschrijving internationale studenten
De bevoegdheid in artikel 7.37d, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet geeft
voor wat betreft internationale (aspirant-)studenten aan instellingen de bevoegdheid
de studenten die nog niet aan alle toelatingseisen voldoen als gevolg van COVID-19,
in te schrijven voor een masteropleiding. Beoogd is om een voorziening te bieden voor
de groep studenten die al voornemens was een (vervolg)studie in Nederland te gaan
doen, en vaak het traject daartoe ook al gestart heeft, maar door de huidige omstandigheden
onverwacht niet aan de toelatingseisen kan voldoen. Instelling kunnen deze studenten
alsnog de gelegenheid geven om hun voorgenomen studie in Nederland te starten.
In deze regeling wordt voor de groep internationale studenten die op het moment van
inschrijving (nog) niet in Nederland verblijven, aanvullend geregeld dat zij alleen
ingeschreven kunnen worden zonder dat zij aan alle toelatingseisen voldoen, wanneer
zij op 1 september 2021 (zullen) beschikken over de benodigde verblijfsvergunning
regulier voor bepaalde tijd of een machtiging tot voorlopig verblijf, of wanneer de
instelling als erkend referent namens hen vóór 1 september 2021 de aanvraag voor de
benodigde verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd of machtiging tot voorlopig
verblijf heeft ingediend. Deze voorwaarde geldt eveneens met betrekking tot de inschrijving
met ingang van een ander regulier instroommoment tijdens het studiejaar 2020–2021
dan 1 september 2021. Deze voorwaarde geldt alleen voor de internationale (aspirant-)student
die op grond van artikel 7.37d van de wet wordt ingeschreven, niet voor internationale
(aspirant-)studenten die voldoen aan de toelatingseisen en gebruik maken van de reguliere
route om zich voor een masteropleiding in te schrijven.
Het doel van deze nadere voorwaarde voor inschrijving is dat de inschrijving van internationale
studenten op grond van artikel 7.37d van de wet beperkt blijft tot die groep die ook
tijdig kan starten aan de desbetreffende opleiding. Om te kunnen starten is immers
tijdig een verblijfsvergunning nodig. Zonder deze nadere voorwaarde zouden ook studenten
die na 1 september 2021 nog besluiten naar Nederland te willen komen in aanmerking
komen voor inschrijving zonder dat ze aan de toelatingseisen voldoen. Dit is onwenselijk,
omdat niet kan worden gegarandeerd dat de verblijfsvergunning in die gevallen verstrekt
kan worden bij aanvang van de opleiding of binnen een redelijke termijn na aanvang
van de opleiding. Met de voorwaarde dat per 1 september 2021 de verblijfsvergunning
of machtiging tot voorlopig verblijf moet zijn ontvangen of zijn aangevraagd, wordt
de tijdige ontvangst van de verblijfsvergunning of machtiging tot voorlopig verblijf
wel geborgd. Als uitzondering geldt hierop een nadere regulier instroommoment, veelal
1 februari 2022. Wel is het zo dat alsdan nog steeds sprake moet zijn van het niet
voldoen aan de toelatingseisen vanwege maatregelen in verband met de uitbraak van
COVID-19. Gelet op de progressieve openstelling van het onderwijs, is de verwachting
dat tegen die tijd studenten in de gelegenheid moeten zijn geweest om aan de toelatingseisen
te voldoen.
Net als voor internationale studenten die voldoen aan de toelatingseisen en gebruik
maken van de reguliere route om zich voor een masteropleiding in te schrijven, dient
de instelling bij de inschrijving van een internationale student op grond van artikel
7.37d, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet, bewijsstukken in de administratie
op te nemen, waaruit voldoende blijkt dat de student toelaatbaar is gebleken tot de
opleiding (art. 4.29, tweede lid, Voorschrift Vreemdelingen 2000).
Instellingsbeleid afwijkende inschrijving
Instellingen stellen voor de toepassing van artikel 7.37d van de wet beleid vast.
Dit was voor het studiejaar 2020–2021 ook het geval, maar dan op grond van het toen
geldende artikel 7.37c van de wet. Met onderhavige regeling worden, net als voor het
studiejaar 2020–2021, in het belang van de studeerbaarheid en de rechtsbescherming
voor de student, twee onderwerpen voorgeschreven waarop het beleid met betrekking
tot de inschrijving in ieder geval betrekking dient te hebben.
In de eerste plaats is dat de studeerbaarheid van het onderwijsprogramma van de student.
De student zal tijdens het volgen van de opleiding waarvoor hij of zij wordt ingeschreven,
binnen de gestelde termijn alsnog moeten voldoen aan de vooropleidings- of toelatingseisen.
Dat kan betekenen dat onderdelen van een voorgaande opleiding nog moeten worden afgerond
of een bepaalde toets, praktijkonderdeel of examen nog moet worden gehaald. Hierin
schuilt het risico dat toets- en tentamenmomenten van beide opleidingen op hetzelfde
moment plaatsvinden, of dat de aanwezigheidsplicht op de ene opleiding, de student
belemmert zijn studievertraging in te halen bij de andere opleiding. Om dit te voorkomen,
dient het instellingsbestuur vast te leggen hoe hiermee aan de opleiding waarvoor
de student wordt ingeschreven, rekening wordt gehouden. Dit kan bijvoorbeeld door
vast te leggen dat indien een student aangeeft in de knel te komen op dit vlak, de
hogeronderwijsinstelling zal voorzien in een oplossing die de studeerbaarheid voor
de student waarborgt. Het ligt in de rede dat de instelling in geval van een student
die nog een opleiding in het buitenland dient af te ronden om alsnog aan de toelatingseisen
te kunnen voldoen, hier extra aandacht aan besteedt.
Wanneer een instelling ertoe besluit om een internationale student middels afwijkende
inschrijving wegens COVID-19 voor de masteropleiding in te schrijven, is een gesprek
met de (aspirant-) student over de wijze waarop de achterstand (op afstand) ingehaald
kan worden op zijn plaats. Het kan hier immers gaan om studenten die, om hun bacheloropleiding
in het thuisland af te ronden, nog één of enkele vakken moeten afronden. De Nederlandse
instelling kan in dit geval bijvoorbeeld bij de instelling waar de aspirant-student
de vooropleiding doet, verifiëren of dat er mogelijkheden zijn voor de student om
de onderwijsverplichtingen aan de buitenlandse opleiding online af te ronden. Voor
internationale studenten doet zich immers een ingrijpende situatie voor wanneer zij
na een jaar niet de achterstand hebben ingehaald. Zij zouden dan de opleiding in Nederland
moeten staken en terugkeren naar hun thuisland. Die situatie moet zoveel mogelijk
voorkomen worden, door internationale studenten vooraf goed te informeren over de
afwijkende inschrijving op grond van artikel 7.37d van de wet en hetgeen bij een dergelijke
inschrijving van hen wordt verwacht, alsmede door bij aanvang van de opleiding te
komen tot goede afspraken hierover tussen de instelling in Nederland en de student.
Een tweede onderwerp waar het beleid van het instellingsbestuur betrekking op dient
te hebben is het informeren van de (aspirant-)student over de termijn waarbinnen hij
alsnog dient te voldoen aan de vooropleidings- of toelatingseisen. Dit om ervoor te
zorgen dat de student goed geïnformeerd is over hetgeen van hem wordt verwacht en
niet wordt verrast door een eventuele uitschrijving. Het kan zo zijn dat het een student
buiten zijn of haar schuld om niet lukt om binnen de gestelde termijn aan de eisen
te voldoen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een tentamen of herkansing wordt
uitgesteld tot voorbij de vastgestelde termijn. De student dient dit zelf tijdig te
signaleren en kenbaar te maken bij de instelling die hem voorwaardelijk heeft toegelaten.
Het instellingsbestuur kan besluiten om op basis van artikel 7.37d, vierde lid, van
de wet, af te zien van de beëindiging van de inschrijving, indien de beëindiging zou
leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De inschrijving van de student
wordt in ieder geval beëindigd, indien niet alsnog voor aanvang van het nieuwe studiejaar
(vóór 1 september 2022) aan de eisen wordt voldaan.
Regeldruk
In paragraaf 5.2 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel zijn de regeldrukeffecten
in kaart gebracht.2 Uit deze regeling volgen zelfstandig geen regeldrukeffecten.
Reacties internetconsultatie
De regeling is gepubliceerd in het kader van internetconsultatie van 22 juni tot 29 juni.
Vanwege het belang van de spoedige inwerkingtreding van de regeling, gold een korte
reactietermijn. Er zijn in voornoemde periode geen reacties ingekomen die tot aanpassing
van de regeling hebben geleid.
II. Artikelsgewijs
Artikel I, onderdeel A
Gelet op het feit dat ten tijde van de inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling
geen mogelijkheid meer bestond om op grond van artikel 7.37c WHW tot inschrijving
over te gaan is gekozen om middels een wijziging van het studiejaar tot uitdrukking
te brengen dat de regeling betrekking heeft op het studiejaar 2021–2022.
Artikel I, onderdeel B
De inschrijving van studenten die nog niet volledig voldoen aan de nadere vooropleidings-
of toelatingseisen wordt in studiejaar 2021–2022 gebaseerd op artikel 7.37d WHW. Om
die reden zijn de verwijzingen naar artikel 7.37c WHW vervangen door verwijzingen
naar artikel 7.37d WHW. Voorts zijn de data geactualiseerd en is tot uitdrukking gebracht
dat de regeling ook van toepassing is op eventuele andere door het instellingsbestuur
vastgestelde reguliere inschrijfmomenten dan 1 september 2021.
Artikel I, onderdeel C
Het instellingsbestuur is net als in het studiejaar 2020–2021 gehouden beleid vast
te stellen. Deze verplichting is voor het studiejaar 2021–2022 gebaseerd op artikel
7.37d WHW.
Artikel I, onderdeel D
Artikel 7.37d WHW vervalt met ingang van 1 september 2022. De regeling betreft een
uitwerking van de uit dit artikel voortvloeiende bevoegdheid en kan om die reden eveneens
per 1 september 2022 komen te vervallen.
Artikel II
Deze wijzigingsregeling treedt in werking de dag na plaatsing in de Staatscourant.
Gelet op de spoedeisendheid verbonden aan het onderwerp wordt afgeweken van het beleid
van vaste verandermomenten en de minimuminvoeringstermijn. Bovendien heeft het voor
de doelgroep (de onderwijsinstellingen en de aspirant-studenten) een bijzonder voordeel,
namelijk op een zo kort mogelijke termijn zekerheid krijgen over het inschrijvingsregime
voor het studiejaar 2021–2022.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
I.K. van Engelshoven