Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 24 juni 2021, nr. 28318215 tot intrekking van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2017 onder vaststelling van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2021

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

Gelet op artikel 13, eerste en derde lid, van de Wet op het onderwijstoezicht;

Gezien de voordracht van de Inspecteur-generaal van het onderwijs van 16 juni 2021;

Besluiten:

Artikel 1

De volgende beleidsregels worden vastgesteld:

  • a. Onderzoekskader 2021 voor het toezicht op de voorschoolse educatie en het primair onderwijs (bijlage I);

  • b. Onderzoekskader 2021 voor het toezicht op het voortgezet onderwijs (bijlage II);

  • c. Onderzoekskader 2021 voor het toezicht op het (voortgezet) speciaal onderwijs (bijlage III); en

  • d. Onderzoekskader 2021 voor het toezicht op het middelbaar beroepsonderwijs (bijlage IV).

Artikel 2

De volgende beleidsregels worden ingetrokken:

  • a. Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op de voorschoolse educatie en het primair onderwijs, zoals gepubliceerd in Staatscourant 2017, 38522;

  • b. Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op het voortgezet onderwijs, zoals gepubliceerd in Staatscourant 2017, 38522;

  • c. Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op het (voortgezet) speciaal onderwijs, zoals gepubliceerd in Staatscourant 2017, 38522; en

  • d. Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op het middelbaar beroepsonderwijs, zoals gepubliceerd in Staatscourant 2017, 38522.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 augustus 2021.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob

BIJLAGE 1 ONDERZOEKSKADER 2021 VOOR HET TOEZICHT OP DE VOORSCHOOLSE EDUCATIE EN HET PRIMAIR ONDERWIJS

Geldig per 1 augustus 2021

Inhoud

Samenvatting

3

1.

Inleiding

6

1.1

Inleiding

6

1.2

Waar houden we toezicht op?

6

1.3

Begripsbepalingen

7

1.4

Niveaus in het toezicht

7

1.5

Werking en evaluatie

8

2.

Visie en uitgangspunten voor het toezicht

8

2.1

Inleiding

8

2.2

Visie

9

2.3

Uitgangspunten voor het toezicht

9

2.3.1

Verbeteren stelselkwaliteit

10

2.3.2

Verantwoordelijkheid bij besturen

10

2.3.3

Waarborgen

10

2.3.4

Stimuleren

11

2.3.5

Proportionaliteit en maatwerk

11

3.

Stelseltoezicht

12

3.1

Inleiding

12

3.2

Stelselkwaliteit en stelseltoezicht

12

3.2.1

Een stelsel van onderwijsvoorzieningen

12

3.2.2

Stelseltoezicht

12

3.3

Raamwerk voor stelselkwaliteit

13

4.

Waarderingskader besturen

16

4.1

Inleiding

16

4.2

Opbouw van het kader

16

4.3

Kwaliteitsgebied en standaarden

17

5.

Waarderingskader scholen

20

5.1

Inleiding

20

5.2

Opbouw van het kader

20

5.3

Kwaliteitsgebieden en standaarden

21

5.4

Overige wettelijke vereisten

27

6.

Oordelen en waarderen

27

6.1

Inleiding

27

6.2

Stimuleren op stelselniveau

27

6.3

Oordelen en waarderen standaarden bestuur en school

27

6.4

Oordelen en waarderen op bestuursniveau

28

6.5

Oordelen en waarderen op schoolniveau

28

6.5.1

Wettelijke norm zeer zwak onderwijs

29

6.5.2

Normering bij niet te beoordelen resultaten

29

6.5.3

Aanvullende normering voor nieuwe scholen

29

6.6

Oordeelsvorming

29

6.6.1

Beoordelen naleving deugdelijkheidseisen

29

6.6.2

Waarderen van ambities

30

6.6.3

Omgeving van bestuur en school

30

7.

Werkwijze toezicht

30

7.1

Inleiding

30

7.2

Stelseltoezicht

30

7.2.1

Werkwijze van het stelseltoezicht

30

7.2.2

Monitoring en analyse van ontwikkelingen

31

7.2.3

Agenderen en interveniëren

32

7.3

Toezicht op besturen en scholen

32

7.3.1

Werkwijze toezicht op besturen en scholen

32

7.3.2

Proportionaliteit en maatwerk

33

7.3.3

Jaarlijkse prestatie- en risicoanalyse

33

7.4

Toezichtsactiviteiten bij besturen en scholen

34

7.4.1

Vierjaarlijks onderzoek bestuur en scholen

34

7.4.2

Onderzoeken op schoolniveau

36

7.4.3

Onderzoeken specifiek gericht op financieel beheer

36

7.4.4

Overige toezichtsactiviteiten

37

7.5

Vervolgtoezicht, intensivering en sancties

37

7.5.1

Vervolgtoezicht bij herstelperiode

37

7.5.2

Escaleren

38

8.

Communicatie en rapportage

39

8.1

Inleiding

39

8.2

Communicatie

39

8.3

Rapportage

39

8.3.1

Stelselniveau

39

8.3.2

Bestuursniveau

40

8.3.3

Schoolniveau

40

8.4

Openbaarmaking, zienswijze en bezwaar

41

9.

Specifieke toepassingen van het onderzoekskader

41

9.1

Inleiding

41

9.2

Besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs

42

9.2.1

Inleiding

42

9.2.2

Aanpassingen waarderingskader en normering

42

9.2.3

Werkwijze

43

9.3

Speciaal basisonderwijs

44

9.3.1

Inleiding

44

9.3.2

Aanpassingen waarderingskader en normering

44

9.3.3

Werkwijze

44

9.4

Onderwijs aan nieuwkomers

44

9.4.1

Inleiding

44

9.4.2

Aanpassingen waarderingskader en normering

45

9.4.3

Werkwijze

45

9.5

Internationaal georiënteerd basisonderwijs

45

9.5.1

Inleiding

45

9.5.2

Aanpassingen waarderingskader en normering

45

9.5.3

Werkwijze

46

9.6

Kinderopvang en voor- en vroegschoolse educatie

46

9.6.1

Inleiding

46

9.6.2

Toezicht op kinderopvang op gemeentelijk niveau

46

9.6.3

Toezicht op voor- en vroegschoolse educatie

47

9.7

Onderwijs in Caribisch Nederland

49

9.7.1

Inleiding

49

9.7.2

Aanpassing waarderingskader en normering

49

9.7.3

Werkwijze

50

Bijlage 1

Waarderingskader besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs

50

Bijlage 2

Waarderingskader speciaal basisonderwijs

54

Bijlage 3

Waarderingskader nieuwkomersvoorzieningen type 1 en 2

63

Bijlage 4

Waarderingskader internationaal georiënteerd basisonderwijs

71

Bijlage 5

Waarderingskader vve gemeentelijk niveau

78

Bijlage 6

Waarderingskader voorschoolse educatie

81

Bijlage 7

Waarderingskader primair onderwijs Caribisch Nederland

84

Samenvatting

Inleiding

Toezicht vereist actualisatie en continue verbetering om effectief te zijn en te blijven. Op basis van evaluaties, ervaringen en actuele ontwikkelingen heeft de Inspectie van het Onderwijs daarom het Onderzoekskader 2017 aangepast.1 Het vernieuwde toezicht dat toen in werking trad, nam de verantwoordelijkheid van besturen voor de kwaliteit van hun scholen en opleidingen als uitgangspunt. Die ontwikkeling zetten we (hiermee wordt in dit document de inspectie bedoeld) door en wordt met dit aangepaste kader verder verstevigd.

In het onderzoekskader is beschreven hoe het toezicht op het onderwijs is ingericht. Het omvat het waarderingskader op grond waarvan we oordelen en waarderen en omschrijft de werkwijze daarvoor.

Visie

Centraal in het toezicht op het onderwijs staan de belangen van de leerlingen en studenten. Het doel is het stelsel zo te laten functioneren dat het voorziet in de bagage die voor leerlingen en studenten nu en in hun verdere onderwijsloopbaan en leven essentieel is. Iedereen heeft recht op onderwijs van voldoende kwaliteit en moet erop kunnen vertrouwen dat het onderwijs op een school op orde is. Onze missie, ‘Effectief toezicht voor beter onderwijs’, sluit daarop aan. In ons toezicht waarborgen we de kwaliteit van het onderwijs en stimuleren we de verbetering ervan.

Onze missie wordt gedragen door vijf uitgangspunten. De uitgangspunten hangen met elkaar samen en borduren op elkaar voort. Met elk uitgangspunt afzonderlijk, maar vooral in die samenhang beoogt het toezicht bij te dragen aan de verbetering van de kwaliteit van het onderwijsstelsel. Daarnaast sluit het toezicht aan bij de verantwoordelijkheid die besturen hebben voor het onderwijs, bewaakt het in aanvulling daarop de basiskwaliteit (waarborgen) en wil het beter onderwijs bevorderen (stimuleren). We bepalen de intensiteit van het toezicht per bestuur (proportionaliteit) en houden bij de uitvoering rekening met de organisatiekenmerken en omstandigheden van het bestuur (maatwerk).

Toezicht op de kwaliteit van het onderwijs richt zich op drie niveaus, die voortvloeien uit onze wettelijke opdracht(en): op het stelsel, op besturen en op hun scholen. Hierna wordt per niveau toegelicht hoe het toezicht is ingericht.

Toezicht op het onderwijsstelsel

Toezicht op de kwaliteit van het onderwijs richt zich op de context waarbinnen besturen en hun scholen hun werk doen: we spreken dan over het onderwijsstelsel als geheel. Voor de werking en de kwaliteit van het stelsel beschouwen we onderdelen ervan en de verbanden daartussen. We geven daarmee invulling aan de reflectieve functie van het toezicht: vanwege onze wettelijke taak op stelselniveau reflecteren we op de kwaliteit van het stelsel.

Het stelseltoezicht gaat uit van het belang dat de samenleving als geheel heeft bij het onderwijs: het publieke belang. Als onderdeel daarvan geven we in het toezicht aandacht aan specifieke kansen en bedreigingen, specifieke onderdelen van het stelsel of groepen leerlingen. Als toezichthouder moeten we daarom weten hoe het onderwijs zich ontwikkelt en, als er iets niet goed loopt, de samenleving informeren. De kernfuncties van het onderwijs, kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen – nemen we in ons toezicht als uitgangspunt voor de omschrijving van de kwaliteit van het onderwijsstelsel.

Stelseltoezicht was al onderdeel van het toezicht van de inspectie, maar nieuw is dat we de kwaliteit hebben gedefinieerd in een raamwerk. Dat is geen kader waarmee we een individueel bestuur of een individuele school beoordelen of waarderen, het is een raamwerk om het onderwijs als geheel te beschouwen. Het biedt sturing en focus voor het krijgen van zicht op trends en knelpunten in het stelsel. Op basis daarvan agenderen we de risico’s en interveniëren we, op het niveau van het stelsel, wanneer dat vanuit de stimulerende functie van het toezicht passend of nodig is.

We duiden en waarderen jaarlijks in ‘De Staat van het Onderwijs’ hoe het met de kernfuncties en voorwaarden van het onderwijsstelsel is gesteld. Daarnaast maken we vaak aparte themarapporten.

Toezicht op het bestuur en zijn scholen

Besturen zijn ervoor verantwoordelijk dat het onderwijs op hun scholen van voldoende kwaliteit is en dat het financieel beheer op orde is. Door het aangepaste onderzoekskader worden besturen daarnaast nog nadrukkelijker gestimuleerd om na te denken over hun eigen ambities. Elke vier jaar onderzoekt de inspectie in het ‘Vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en scholen’ de mate waarin het bestuur deze verantwoordelijkheid neemt en of de (be)sturing op de kwaliteit van de scholen op orde is.

We beoordelen de kwaliteit van de besturing in het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie. De kern van het kwaliteitsgebied is dat het bestuur zorgt voor besturing van de onderwijskwaliteit op de scholen en voor een goede organisatie en kwaliteitscultuur. Uit het oordeel op dit kwaliteitsgebied blijkt of het bestuur in staat is om met zijn (be)sturing de kwaliteit en het financieel beheer van het onderwijs op de scholen te waarborgen en verder te ontwikkelen. Wat nieuw is, is dat het financieel beheer integraal onderdeel van de standaarden in dit kwaliteitsgebied is.

Om te onderzoeken in hoeverre de besturing door het bestuur op orde is, ondernemen we onderzoeksactiviteiten op bestuurs- en schoolniveau die we vooraf vastleggen in een onderzoeksplan. Met verificatie-activiteiten toetsen we bij besturen en scholen in hoeverre het bestuur zicht heeft op de kwaliteit van zijn onderwijs, het financieel beheer en hoe het bestuur daarop stuurt. Zo spreken we onder andere met de medezeggenschapsraad of studentenraad en het interne toezicht. Daarnaast voeren we activiteiten op scholen uit, zoals het voeren van gesprekken met leerlingen, ouders en schoolleiders of het afleggen van lesbezoeken. Ook kunnen we een risico-onderzoek of een onderzoek naar de waardering Goed uitvoeren. Het onderzoek leidt tot een oordeel of waardering per standaard. Op basis van de beslisregels beoordelen we de besturing ook op het niveau van het gehele kwaliteitsgebied. Dit laatste is voor sommige sectoren nieuw ten opzichte van 2017. De waardering Goed kunnen we zowel op het niveau van de standaard als op het niveau van het kwaliteitsgebied toekennen als het bestuur niet alleen voldoet aan de deugdelijkheidseisen, maar ook ambities realiseert die daarboven uitstijgen. Het rapport van het onderzoek, inclusief de oordelen en waarderingen, maken we openbaar via onze website.

Afhankelijk van de kwaliteit van de besturing en eventuele tekortkomingen bepalen we het vervolgtoezicht. Er kan gekozen worden om het toezicht te intensiveren of juist minder intensief te laten zijn. Dit vervolgtoezicht kan uitgevoerd worden door het bestuur of door de inspectie. Daarnaast is het mogelijk dat er een tussentijds onderzoek plaatsvindt, als dit op basis van bepaalde informatie, zoals signalen of financiële kengetallen, nodig blijkt. Bij een bestuur dat er niet in slaagt zijn besturing op (delen van) de kwaliteit van scholen te waarborgen, voeren wij zelf (delen van) het tussentijds onderzoek uit.

Toezicht op individuele scholen

Het bestuur is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs op zijn scholen, waarbinnen schoolleiders hun verantwoordelijkheid voor de sturing van de kwaliteit op school vormgeven. De waarborgfunctie van de inspectie sluit daarop aan. Deze waarborgfunctie wordt versterkt door meer en beter gebruik te maken van signalen en andere gegevens en informatie, waaronder schooleigen informatie zoals het schoolplan. Het toezicht op individuele scholen is daarmee ook aanvullend op wat het bestuur zelf uitvoert en waarover het bestuur zich verantwoordt. Naast verificatie-activiteiten op scholen waar we onderdelen van de kwaliteit onderzoeken, is het mogelijk dat we op het niveau van een school op (een selectie van) standaarden oordelen geven of een waardering uitspreken. Dit doen we bij een onderzoek naar risico’s en bij een onderzoek naar de waardering Goed. Wanneer wij risico’s signaleren, voeren wij (afhankelijk van de aard van de risico’s) het onderzoek op de school geheel of gedeeltelijk uit. Dit kan zowel binnen als buiten het vierjaarlijks onderzoek plaatsvinden. Op verzoek van het bestuur kunnen we tevens een onderzoek naar de waardering Goed uitvoeren indien het bestuur onderbouwt waarom de betreffende school de waardering Goed verdient.2

Wanneer we een onderzoek naar risico’s of naar de waardering Goed uitvoeren, gebruiken we standaarden uit het waarderingskader voor scholen. We beoordelen standaarden binnen de kwaliteitsgebieden Onderwijsproces, Veiligheid en schoolklimaat, Onderwijsresultaten en Sturen, kwaliteitszorg en ambitie.3 De standaarden krijgen een oordeel of waardering. Daarnaast kan een school, op basis van een beslisregel, het eindoordeel Zeer zwak, Onvoldoende, Voldoende (basiskwaliteit) of de waardering Goed krijgen. De oordelen en/of waarderingen, die vaak onderdeel zijn van het rapport van het vierjaarlijks onderzoek, maken we openbaar via onze website.

Net zoals bij besturen is ook op scholen vervolgtoezicht mogelijk bij tekortkomingen en bij het oordeel Onvoldoende of Zeer zwak. Ook bij scholen is het, zoals hierboven aangegeven, mogelijk dat we tussentijds een onderzoek naar risico’s uitvoeren, bijvoorbeeld bij ernstige signalen. De intensiteit van het vervolgtoezicht hangt net als bij besturen af van de kwaliteit van het bestuur. We gaan er namelijk van uit dat het bestuur er in eerste instantie zelf voor zorgt dat er effectieve maatregelen worden getroffen.

Een laatste type onderzoek waarbij we scholen bezoeken, is het themaonderzoek. De uitkomsten van themaonderzoeken brengen we op verschillende manieren onder de aandacht van besturen, scholen en de samenleving.

Afsluiting

Hierboven is het toezicht op het funderend onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs beschreven. Voor elke sector is een specifiek onderzoekskader gemaakt op basis van de relevante wet- en regelgeving en de ontwikkelingen in de sector. Daarnaast zijn er specifieke toepassingen van en uitzonderingen op het reguliere onderzoekskader, zoals bij de samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs en bij onderwijssoorten en voorzieningen waarvoor specifieke wet- en regelgeving geldt.

In het onderzoekskader is beschreven hoe het toezicht is vormgegeven en wat de inspectie verwacht van het onderwijs. Uiteindelijk begint de verantwoordelijkheid voor beter onderwijs voor alle leerlingen op de school zelf. Het bestuur kan scholen daarin activeren en dit borgen. De inspectie zal hierop toezien, zo nodig ingrijpen en verdere kwaliteitsverbetering stimuleren.

1. Inleiding

1.1 Inleiding

Het onderwijs verandert voortdurend door nieuwe ontwikkelingen in de samenleving. Daarom is het nodig het toezicht op (de kwaliteit van) het onderwijs regelmatig aan te passen. In 2017 is het toezicht vernieuwd. Sinds die tijd is de verantwoordelijkheid van besturen voor de kwaliteit van hun scholen het uitgangspunt voor het toezicht. In het toezicht op het onderwijs in Nederland gaat het om de leerlingen en studenten.

De inspectie heeft inmiddels enkele jaren ervaring opgedaan met het onderzoekskader van 2017. Na evaluatie stellen we het toezicht bij. Dit doen we niet alleen op grond van de opgedane ervaringen, maar ook op basis van actuele ontwikkelingen, verbetersuggesties vanuit het onderwijsveld en aanpassingen in beleid en wet- en regelgeving. In het voorliggende onderzoekskader zijn deze bijstellingen verwerkt. Hierin gaan we uit van de wettelijke taken van de inspectie en de voorschriften in wet- en regelgeving zoals deze voor de desbetreffende sectoren gelden. Daarnaast zijn de uitgangspunten voor het toezicht, zoals al geformuleerd in het Onderzoekskader 2017, verder verankerd in dit herziene onderzoekskader.4

Het door de minister vastgestelde Onderzoekskader 2021 (hierna: onderzoekskader) van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) beschrijft hoe het toezicht op het primair onderwijs is ingericht. Het onderzoekskader omvat het kader, op grond waarvan we oordelen en waarderen, en de werkwijze. Het onderzoekskader is bedoeld om de werkwijze van de inspectie voor anderen inzichtelijk te maken en het toezicht transparant uit te voeren.

In dit eerste hoofdstuk beschrijven we de wettelijke basis van het onderzoekskader en geven we de belangrijke begrippen in het toezicht weer. In hoofdstuk 2 gaan we in op de visie en de uitgangspunten voor ons toezicht. Daarna volgt in hoofdstuk 3 de invulling van het stelseltoezicht en in de hoofdstukken 4 en 5 de waarderingskaders voor het toezicht op bestuurs- en schoolniveau. Vervolgens beschrijven we hoe we tot oordelen en waarderingen komen (hoofdstuk 6), onze werkwijze (hoofdstuk 7) en communicatie (hoofdstuk 8). Tot slot geven we een overzicht van onderwijsvoorzieningen waarvoor specifieke wetgeving geldt en waar het waarderingskader en de werkwijze afwijken (hoofdstuk 9). Deze afwijkende waarderingskaders zijn te vinden in de bijlagen.

1.2 Waar houden we toezicht op?

In de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) staat in artikel 3, eerste lid, onder meer dat de inspectie toeziet op de naleving van de onderwijswet- en regelgeving, de taak heeft om de ontwikkeling van het onderwijs en de kwaliteit daarvan te bevorderen, en de taak heeft om de financiële rechtmatigheid, - doelmatigheid en -continuïteit te beoordelen en bevorderen.

Het onderzoekskader heeft betrekking op alle besturen en scholen die onderwijs verzorgen op basis van de onderwijswetten, zoals in onderstaand tekstkader weergegeven.5 Daarnaast houdt de inspectie toezicht op de besturen van samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Besturen, scholen, opleidingen en besturen van samenwerkingsverbanden zijn onze objecten van toezicht.

Wettelijk kader toezicht op primair onderwijs

De Wet op het onderwijstoezicht vormt de grondslag voor het toezicht. In deze wet is het toezicht op het onderwijs opgedragen aan de inspectie en heeft de inspectie de taak toe te zien op de naleving van wet- en regelgeving, de kwaliteit van het onderwijs te bevorderen en het financieel beheer te beoordelen1 en te bevorderen, zoals bedoeld in de volgende wetten:

• Wet op het primair onderwijs (WPO);

• Wet op het primair onderwijs BES (WPO BES);

• Leerplichtwet 1969 (LPW 1969);

• Wet medezeggenschap op scholen (WMS);

• Wet overige OCW-subsidies;

• Experimentenwet onderwijs.

X Noot
1

We doelen hier op de taak van de inspectie zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, sub c, WOT.

1.3 Begripsbepalingen

Hieronder definieren we een aantal begrippen die belangrijk zijn voor het toezicht.

Toezicht

De activiteiten van de inspectie, ten aanzien van scholen en samenwerkingsverbanden, die redelijkerwijs voortvloeien uit de taken op grond van artikel 3 van de WOT.

Besturen

Het bevoegd gezag bestaat uit het uitvoerend deel van het bestuur en het interne toezicht. Hoewel deze functies gescheiden zijn, zorgt men er, ieder vanuit zijn eigen rol en verantwoordelijkheid, samen voor dat de kwaliteit van hun scholen gewaarborgd is en er sprake is van deugdelijk financieel beheer. Voor de leesbaarheid spreken we over het bestuur als aanduiding voor het bevoegd gezag als geheel.

Daarnaast kennen we besturen van samenwerkingsverbanden passend onderwijs.

Deugdelijkheidseisen

Deugdelijkheidseisen zijn bij of krachtens de wet geregelde algemene kwaliteitsnormen, gericht aan besturen. Deugdelijkheidseisen hebben betrekking op de onderwijskwaliteit (in ruime zin) en het financieel beheer.

Waarborgen

Vanuit de waarborgfunctie van het toezicht ziet de inspectie erop toe dat de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften (de deugdelijkheidseisen) worden nageleefd. Dit gaat over wat het bestuur en de school moeten. Een school die niet voldoet aan die voorschriften, biedt onderwijs van onvoldoende kwaliteit. Onvoldoende onderwijskwaliteit en/of onvoldoende financieel beheer kan leiden tot vervolgtoezicht en sancties.

Stimuleren

Vanuit de stimuleringsfunctie onderzoekt de inspectie hoe eigen ambities bijdragen aan (de continue en duurzame verbetering van) de onderwijskwaliteit. Hiermee bevorderen we de kwaliteit op het niveau van scholen, besturen en zo ook het stelsel. Eigen ambities hebben betrekking op de ambities en doelen die een bestuur/school zichzelf stelt. De school beschrijft deze in haar schoolplan.

Interventies

Bij alle handelingen die we ondernemen, spreken we van interventies. We onderscheiden:

  • interventies vanuit onze waarborgfunctie: het gaat dan om het naleven van de wet;

  • interventies vanuit onze stimuleringsfunctie: gericht op de eigen ambities;

  • interventies op stelselniveau: het agenderen van stelselproblemen.

Stelseltoezicht

Het beschouwen van de werking van het stelsel noemen we de reflectieve functie van het toezicht, oftewel stelseltoezicht.

1.4 Niveaus in het toezicht

We onderscheiden verschillende niveaus in het toezicht: onderwijsstelsel, besturen en scholen.

Onderwijsstelsel

Omdat de kwaliteit van het onderwijsstelsel als geheel meer is dan de optelsom van de kwaliteit van de besturen en scholen, richten we ons op de werking van het onderwijsstelsel. Vraagstukken overstijgen in toenemende mate de reikwijdte van individuele scholen en besturen en vergen, om deze het hoofd te bieden, bredere samenwerking. We definiëren het onderwijsstelsel als het geheel van scholen, instellingen, besturen, schooltypen en opleidingen. Als inspectie kijken we wat daarin goed gaat en waar zich knelpunten voordoen. Deze knelpunten analyseren en agenderen we op landelijk en regionaal niveau. Het beschouwen van de werking van het stelsel als geheel noemen we de reflectieve functie van het toezicht.6 ‘De Staat van het Onderwijs’ is daarvan een voorbeeld.

Besturen

Besturen zijn ervoor verantwoordelijk dat het onderwijs van hun scholen van voldoende kwaliteit is. En ook dat het financieel beheer op orde is. In het toezicht gaan wij na of besturen hier zicht op hebben en of zij hieraan sturing geven, zodat besturen waarborgen dat de leerlingen op hun scholen onderwijs krijgen van voldoende kwaliteit.

Besturen vormen een belangrijk schakelpunt: door te werken aan de kwaliteit van hun scholen dragen zij bij aan de werking en de kwaliteit van het onderwijsstelsel als geheel. Zo moeten leerlingen, om zelfstandig te kunnen functioneren, in de samenleving in staat worden gesteld om te kunnen slagen in het vervolgonderwijs en op de arbeidsmarkt. Het onderwijs zorgt ervoor dat leerlingen de school voldoende geletterd en gecijferd en met de benodigde kennis en vaardigheden verlaten. Bovendien is het belangrijk dat zij gelijke kansen krijgen op een passend aanbod, waarbij het geen verschil maakt wie hun ouders zijn, waar zij vandaan komen of waar zij onderwijs volgen. Ook is het belangrijk dat leerlingen en studenten zich als persoon ontwikkelen; het onderwijs draagt eraan bij dat ze zichzelf en hun omgeving kennen en zelfstandig keuzes kunnen maken. Zo leren zij ook zelf om bij te dragen aan de sociale samenhang in de samenleving.

Scholen

De schoolleider geeft samen met het team het onderwijs op hun school vorm. Samen met het bestuur streven zij kwaliteitsdoelen en ambities voor het onderwijs aan hun leerlingen na. Hoe ze dat doen, beschrijven zij in hun schoolplan. Het schoolplan beschrijft het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg. In ons toezicht sluiten we aan bij deze schooleigen informatie. Kernvragen voor de kwaliteit van het onderwijs zijn: leren leerlingen genoeg, krijgen ze goed les en zijn ze veilig?

1.5 Werking en evaluatie

Dit onderzoekskader is van kracht met ingang van 1 augustus 2021 en is vastgesteld op 24 juni 2021. Het is overeenkomstig artikel 13, derde lid, van de WOT bekendgemaakt in de Staatscourant (28 juli 2021) en is gepubliceerd op de website van de Inspectie van het Onderwijs en op www.wetten.nl.

Het onderzoekskader is vastgesteld op grond van artikel 13 van de WOT en is een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap legt met dit onderzoekskader de werkwijze van de inspectie vast met betrekking tot de uitoefening van haar onderzoekstaken en -bevoegdheden. Ook is het onderzoekskader een wetsinterpreterende beleidsregel. Bij de uitwerking van de deugdelijkheidseisen in het waarderingskader is uitgegaan van een redelijke uitleg van de wet en de daarop gebaseerde lagere regelgeving.7 Over zowel de uitleg van wettelijke voorschriften als de werkwijze is overleg gevoerd met het veld conform artikel 13, tweede lid van de WOT.

Lopende toezichtsinterventies, waaronder die op basis van het Onderzoekskader 2017 of die tot 1 augustus 2021 voortvloeiend uit specifieke onderzoeken zijn gemaakt, blijven van toepassing. Wetsartikelen die op de dag van publicatie van dit kader in de Staatscourant nog niet in werking zijn getreden, zijn tussen blokhaken ([]) geplaatst.

Vóór 1 januari 2025 evalueren we de werking en de effecten van het onderzoekskader. Ervaringen met dit onderzoekskader en ontwikkelingen in de samenleving, in de verschillende sectoren of in politiek en beleid kunnen leiden tot eerdere bijstelling van (delen van) het onderzoekskader. In beginsel is de geldigheidsduur van het Onderzoekskader 2021 vier jaar.

Ieder jaar wordt het onderzoekskader in ieder geval geactualiseerd naar aanleiding van wijzigingen in de wet- en regelgeving. Om zicht te hebben op ervaringen en ontwikkelingen raadpleegt de inspectie periodiek het veld.

2. Visie en uitgangspunten voor het toezicht

2.1 Inleiding

Beter onderwijs voor alle leerlingen, daar staan wij als inspectie voor. We gaan uit van onderwijs in brede zin: het onderwijs óp school en ook op afstand door school. In de wet staat aan welke eisen het onderwijs ten minste moet voldoen. Als inspectie zien we erop toe dat deze basiskwaliteit, via besturen, wordt gewaarborgd: besturen waarborgen de kwaliteit van de scholen, wij waarborgen op onze beurt de kwaliteit van de sturing door besturen (het bestuurlijk handelen). Dit doen we door het beoordelen van hun zicht op kwaliteit en op de sturing op kwaliteit die we van elk bestuur verwachten. Waar nodig intensiveren we het toezicht op de besturen. Daarnaast stimuleren we besturen en scholen om hun ambities waar te maken en om een hogere kwaliteit dan basiskwaliteit te realiseren. Als inspectie willen we laten zien wat er goed gaat bij besturen, scholen en ook in het onderwijsstelsel. We reflecteren dan ook op de werking van het stelsel als geheel. In dit hoofdstuk beschrijven we onze visie op het toezicht (paragraaf 2.2). Daarna beschrijven we de uitgangspunten die we in de uitvoering van het toezicht hanteren (paragraaf 2.3).

2.2 Visie

Onderwijs vervult een belangrijke taak in de samenleving. Het onderwijs begeleidt leerlingen naar vervolgonderwijs of werk, als werknemer of ondernemer. Ook moet het onderwijs ervoor zorgen dat kinderen leren hoe zij als burger volwaardig deel kunnen uitmaken van de samenleving. Om elke leerling daadwerkelijk in staat te stellen te werken en mee te doen, geeft het onderwijs hun de benodigde kennis en vaardigheden mee. Het is immers aan het onderwijs om de talenten van álle leerlingen tot bloei te laten komen. Anders gezegd: het leren (kwalificatie), de vaardigheden aanleren om mee te doen en bij te dragen aan de samenleving (socialisatie), en de weg vrijmaken naar vervolgonderwijs en arbeidsmarkt (allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen), zijn de kernfuncties van het Nederlandse onderwijs.

Visie en missie

Iedereen heeft recht op onderwijs van voldoende kwaliteit. Elke dag zetten leraren, besturen en andere professionals zich met dit doel in voor hun leerlingen en studenten. Al deze inspanningen dragen bij aan de werking en daarmee de kwaliteit van het onderwijsstelsel om zo een goede onderwijsloopbaan voor alle leerlingen te realiseren. Onze missie, 'Effectief toezicht voor beter onderwijs', sluit daarop aan. In ons toezicht waarborgen én stimuleren we de kwaliteit van het onderwijs. We richten ons daarbij op de werking van het stelsel als geheel (stimuleren) en op besturen en hun scholen (waarborgen en stimuleren). Besturen waarborgen de kwaliteit van hun scholen en het onderwijs aan de leerlingen. De intensiteit van het toezicht en het vervolgtoezicht stemmen we af op de mate waarin het bestuur de deugdelijkheidseisen naleeft en de kwaliteit van zijn scholen waarborgt.

Alle besturen en scholen maken deel uit van het onderwijsstelsel en dragen daarmee bij aan de werking ervan. Het beschouwen van de werking van het stelsel noemen we de reflectieve functie van het toezicht, oftewel stelseltoezicht.8 De versterking van de rol van het toezicht hierin is bepleit door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en wordt ondersteund door het kabinet.

2.3 Uitgangspunten voor het toezicht

Onze missie, ‘Effectief toezicht voor beter onderwijs’, wordt gedragen door vijf uitgangspunten (zie figuur 2.3a). De uitgangspunten hangen met elkaar samen en borduren op elkaar voort. Met elk uitgangspunt afzonderlijk, maar vooral in die samenhang beoogt het toezicht bij te dragen aan de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs(stelsel). Daarnaast sluit het toezicht aan bij de verantwoordelijkheid die besturen hebben voor het onderwijs, bewaakt het in aanvulling daarop de basiskwaliteit (waarborgen) en wil het beter onderwijs bevorderen (stimuleren). We bepalen de intensiteit van het toezicht per bestuur (proportionaliteit) en houden bij de uitvoering rekening met de organisatiekenmerken en omstandigheden van het bestuur (maatwerk). We lichten de uitgangspunten hierna toe.

Figuur 2.3a Uitgangspunten van het toezicht

Figuur 2.3a Uitgangspunten van het toezicht
2.3.1 Verbeteren stelselkwaliteit

Scholen en besturen maken onderdeel uit van het onderwijsstelsel. Het stelsel vormt ook de context waarbinnen zij hun werk doen. Onder stelselkwaliteit verstaan we de mate waarin alle besturen en scholen er samen met anderen in slagen om voor alle leerlingen bij te dragen aan de realisatie van de kernfuncties van het onderwijs. Zij zorgen er samen voor dat deze kernfuncties van onderwijs (kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen) met succes én in evenwicht gerealiseerd worden.

Stelseltoezicht (stimuleren) en het toezicht op besturen en scholen (stimuleren en waarborgen) hangen met elkaar samen, elk met een eigen plaats in het toezicht. Besturen en scholen zijn afzonderlijke objecten van toezicht. Het stelseltoezicht richt zich vanuit een stimulerende en agenderende invalshoek vooral op de samenhang: zowel de inspanningen van besturen, scholen en samenwerkingsverbanden als andere zaken die meespelen bij de totstandkoming van de kernfuncties van het onderwijs, zijn daarin belangrijk. We gebruiken de kernfuncties van het onderwijsstelsel om inhoud te geven aan het stelseltoezicht. Dat kan leiden tot stimulerende interventies op stelsel-, bestuurs- en schoolniveau.

De werking van het stelsel omvat dus meer dan de optelsom van de resultaten van het toezicht op besturen en scholen. Daarom monitoren we ook de ontwikkelingen op stelselniveau, bijvoorbeeld de mate waarin alle kinderen gelijke kansen krijgen in het onderwijs. We onderzoeken en agenderen positieve voorbeelden en knelpunten en kijken hoe we in afstemming met het onderwijsveld de kwaliteit van het stelsel kunnen verhogen. Jaarlijks rapporteren we over de kwaliteit van het stelsel in ‘De Staat van het Onderwijs’, een taak die ons in de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) is toebedeeld. Ook bespreken we tijdens onderzoeken met besturen, in een open dialoog, hoe zij met de scholen aan de kwaliteit van het stelsel bijdragen, zonder dat dit tot oordelen of een waardering leidt. Op scholen onderzoeken we via themaonderzoeken thema’s die de kernfuncties raken. Dit alles samen noemen we stelseltoezicht.

2.3.2 Verantwoordelijkheid bij besturen

Onder ‘bestuur’ verstaan we het bevoegd gezag van een of meer scholen. Dit omvat ook het interne toezicht. Omdat we besturen aanspreken op hun verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs op hun scholen, noemen we het toezicht bestuursgericht. Besturen waarborgen de kwaliteit van hun scholen en het onderwijs aan de leerlingen. In de uitoefening van hun taken zijn zij ervoor verantwoordelijk dat het onderwijs op hun scholen van voldoende kwaliteit is en dat het financieel beheer deugdelijk is.

Besturen hebben daarnaast een wettelijke verantwoordelijkheid voor passend onderwijs. De kern daarvan is dat voor alle leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte zo passend mogelijk onderwijs wordt gerealiseerd. Schoolbesturen hebben in dat verband een zorgplicht voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. Alle schoolbesturen zijn verplicht aangesloten bij een of meer (regionale) samenwerkingsverbanden passend onderwijs. We houden toezicht op de uitvoering van de afspraken binnen het samenwerkingsverband door de schoolbesturen. Daarnaast houden we toezicht op het bestuur van het samenwerkingsverband. Dit lichten we verder toe in hoofdstuk 9.

Wij zien erop toe dat besturen hun taken (het bewaken en bevorderen van de basiskwaliteit en de continuïteit) voldoende uitvoeren. Gebeurt dat niet of in onvoldoende mate, dan houden we verscherpt toezicht op het bestuur en de scholen. Dat maakt onderdeel uit van onze waarborgfunctie. In aanvulling op dit bestuursgerichte toezicht, onderzoeken en beoordelen we ook scholen als het besturen niet lukt de basiskwaliteit te realiseren. Verder geeft het bestuur met het onderwijs ook invulling aan eigen ambities, waaronder vaak ook ambities die de kernfuncties van het onderwijsstelsel raken. Daarop sluiten we aan vanuit onze stimulerende rol.

2.3.3 Waarborgen

De samenleving moet erop kunnen vertrouwen dat leerlingen onderwijs volgen dat van voldoende kwaliteit is. Temeer omdat er een leerplicht geldt voor leerlingen tot 16 jaar en een kwalificatieplicht tot 23 jaar.9 De norm voor basiskwaliteit is dat besturen en scholen voldoen aan de deugdelijkheidseisen voor de onderwijskwaliteit, de kwaliteitszorg en het financieel beheer. Deze eisen hebben we in het waarderingskader voor besturen en scholen opgenomen (zie hoofdstuk 4 en 5).

Zo spreken we besturen die het onvoldoende lukt om de basiskwaliteit van hun scholen te waarborgen, aan. Waarborgen zij de basiskwaliteit niet of onvoldoende, dan geven wij het bestuur een of meerdere herstelopdrachten. Dat kan betekenen dat we ons dan ook op scholen richten. Bij een of meerdere onvoldoendes op standaarden krijgen scholen, na toepassing van de beslisregels, een eindoordeel Onvoldoende of Zeer zwak. Waar nodig intensiveren we het toezicht.

2.3.4 Stimuleren

Naast ingrijpen waar het niet goed gaat, stimuleren we ook verdere ontwikkeling van het onderwijs en de kwaliteit ervan. We doen dit op meerdere niveaus. Op stelselniveau monitoren we met onderzoek en gegevensverzameling hoe de kernfuncties van het onderwijs zich ontwikkelen. Als we hierin risico’s signaleren, agenderen we deze, passend bij de urgentie ervan. We signaleren en agenderen belangrijke onderwerpen in bijvoorbeeld ‘De Staat van het Onderwijs’ en in themarapportages. Op stelselniveau geven we kansen en mogelijkheden voor verbetering aan, waarmee we het stelsel beogen te stimuleren. We brengen de uitkomsten en analyses van onderzoek op verschillende manieren en bij verschillende betrokkenen onder de aandacht, om zo bij te dragen aan inzicht en oplossingen voor gesignaleerde problemen. Soms is het belangrijk dat betrokkenen rond een thema samen in gesprek gaan. Zo kunnen bijvoorbeeld besturen, gemeenten en samenwerkingsverbanden samen een rol spelen bij voorschoolse educatie of jeugdzorg. We brengen de uitkomsten ook onder de aandacht van besturen en scholen door met hen in een open dialoog te bespreken of zij kansen zien om bij te dragen aan het verbeteren van een stelselknelpunt.

Naast stimuleren door aan te geven wat er beter kan, doen we dat ook door goede kwaliteit zichtbaar te maken. We onderzoeken ook de kwaliteit van besturen en scholen die boven basiskwaliteit uitstijgt. We kunnen daarvoor de waardering Goed toekennen. We geven deze waardering op het moment dat een school of bestuur niet alleen voldoet aan de wettelijke vereisten maar ook aanvullende ambities realiseert. Op verzoek van het bestuur onderzoeken we of de onderwijskwaliteit van een school de waardering Goed kan krijgen. Ook de mogelijkheid om het predicaat Excellente School te krijgen (zie excellentescholen.nl) is een voorbeeld van het zichtbaar maken van kwaliteit en het stimuleren van verbetering van de onderwijskwaliteit. Ten slotte nemen we de (realisatie van de) ambities van het bestuur mee in de onderzoeken en streven we ernaar om tijdens het uitvoeren van onze onderzoeken en in de rapportage daarvan stimulerend te werk te gaan: we geven op een positieve manier feedback en benoemen naast wat er beter moet of kan, ook wat er goed gaat.

2.3.5 Proportionaliteit en maatwerk

Besturen en scholen verschillen van elkaar. De kwaliteit die ze realiseren is anders en ook kunnen ze anders georganiseerd zijn. De manier van ontwikkelen en hun omstandigheden kunnen ook verschillend zijn. Wij sluiten daar in ons toezicht op aan: de intensiteit van het toezicht bepalen we proportioneel in relatie tot de kwaliteit van het bestuur. Daarnaast is de uitvoering van het onderzoek op maat, rekening houdend met de kenmerken van het bestuur en de scholen. Zo komen we zo effectief mogelijk tot een deugdelijk oordeel en beperken we de toezichtslast.

De samenleving verwacht dat besturen en scholen voldoen aan de basiskwaliteit. Voor het toezicht is het belangrijk hoe effectief het bestuur is in het zorgen voor basiskwaliteit op zijn scholen. Het gaat dan om de kwaliteit van het onderwijs, de wijze waarop de professionaliteit van de instelling en het bestuur is gewaarborgd, om de mate van naleving van wettelijke voorschriften en de financiële situatie van de instelling.Naarmate een bestuur er beter in slaagt de kwaliteit van de scholen te bewaken en te bevorderen, is het toezicht minder intensief. Dan ligt het accent bijvoorbeeld meer op gesprekken over ambities over hun maatschappelijke opdracht en vragen we het bestuur vanuit zijn zicht op de kwaliteit te rapporteren over kwaliteitsontwikkeling en -verbetering. Indien dit aan de orde is, vragen we het bestuur ook over herstel van tekortkomingen te rapporteren.

Wanneer een bestuur er minder of niet in slaagt de kwaliteit van scholen te realiseren, intensiveren we het toezicht (proportioneel). We kunnen dan bijvoorbeeld in een kort tijdsbestek meerdere onderzoeken naar onderwijskwaliteit uitvoeren of meerdere personen of instanties binnen of rondom het bestuur bij het onderzoek betrekken.

In het kader van onze waarborgfunctie monitoren we jaarlijks de ontwikkeling en de prestaties van een bestuur en de scholen. Op basis van eerder toezicht en kwaliteitsgegevens die we hebben vanuit monitoring, houden we de kwaliteit van bestuur en scholen in beeld. Dit is van belang voor de uitvoering van onze waarborgfunctie.

Bij de uitvoering van het (proportionele) toezicht stemmen we de onderzoeksactiviteiten af op de omstandigheden van het bestuur. Dat is het maatwerk. Hoe we proportionaliteit en maatwerk inzetten, beschrijven we in hoofdstuk 7. Dat hoofdstuk gaat over onze werkwijze.

3. Stelseltoezicht

3.1 Inleiding

Toezicht op de kwaliteit van het onderwijs richt zich ook op de context waarbinnen besturen en hun scholen hun werk doen: we spreken dan over het onderwijsstelsel als geheel. Voor de werking en de kwaliteit van het stelsel beschouwen we onderdelen ervan en de verbanden daartussen. We geven daarmee invulling aan de reflectieve functie van het toezicht: vanwege onze wettelijke taak op stelselniveau, reflecteren we op de kwaliteit van het stelsel. Uitkomsten daarvan gebruiken we voor stimulerende interventies op stelsel-, bestuurs- en schoolniveau. In dit hoofdstuk geven we in een raamwerk weer wat we verstaan onder stelselkwaliteit.10 Dit raamwerk is opgebouwd aan de hand van de kernfuncties van het onderwijs.

In paragraaf 3.2 definiëren we eerst wat we verstaan onder stelselkwaliteit en stelseltoezicht. We geven aan welke wettelijke taken daarbij van belang zijn. Paragraaf 3.3 bevat het raamwerk voor stelselkwaliteit.

3.2 Stelselkwaliteit en stelseltoezicht

3.2.1 Een stelsel van onderwijsvoorzieningen

In Nederland zorgt de overheid voor de inrichting en het functioneren van een stelsel van onderwijsvoorzieningen. We willen als samenleving dat leerlingen kennis en vaardigheden opdoen die bij hun mogelijkheden en talenten passen, zodat zij kunnen bijdragen aan de samenleving en de arbeidsmarkt. Goed onderwijs is essentieel om ervoor te zorgen dat alle kernfuncties van het onderwijs gerealiseerd worden. Dit is nodig voor een pluriforme samenleving. Onderdeel van goed onderwijs is dat álle leerlingen zich maximaal kunnen ontwikkelen en gelijke kansen hebben. Het gaat erom dat ons onderwijsstelsel goed werkt en er voor alle leerlingen en studenten in slaagt de kernfuncties van het onderwijs te realiseren: kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen.

Binnen het stelsel van onderwijsvoorzieningen is er sprake van wederzijdse afhankelijkheid: onderwijssectoren zijn nauw met elkaar en met andere voorzieningen in de samenleving verweven. Belangrijke maatschappelijke problemen raken onderwijsinstellingen en ook knelpunten op instellingsniveau en vragen om een breder stelselperspectief.

Om de werking van het stelsel te kunnen duiden, beschrijven we de kwaliteit van het onderwijs als geheel aan de hand van de kernfuncties van het onderwijs (paragraaf 3.3). Zowel stelselkwaliteit als stelseltoezicht vindt een basis in de stelselverantwoordelijkheid van de overheid (artikel 23, Grondwet en artikel 3, eerste lid, sub d, 4, vierde lid, en artikel 8, eerste lid, WOT). Hierbij gaat het om een stimulerende rol en de reflectieve functie van het toezicht.

We omschrijven stelselkwaliteit als de mate waarin het stelsel van besturen, scholen en andere actoren erin slaagt de kernfuncties van het onderwijs (kwalificatie, socialisatie en allocatie waaronder selectie en gelijke kansen) met succes én in evenwicht te realiseren. Deze kernfuncties nemen we in ons toezicht als uitgangspunt voor de omschrijving van de kwaliteit van het onderwijsstelsel.

3.2.2 Stelseltoezicht

Het toezicht gaat uit van het belang dat de samenleving als geheel heeft bij het onderwijs: het publieke belang. Als onderdeel daarvan geven we in het toezicht aandacht aan specifieke kansen en bedreigingen, specifieke onderdelen van het stelsel of groepen leerlingen. Als toezichthouder moeten we daarom weten hoe het onderwijs zich ontwikkelt, daarop reflecteren en, als er iets niet goed loopt, de samenleving informeren. Wij vatten stelseltoezicht dan ook op als het beschouwen van de werking en de kwaliteit van het stelsel als geheel. Omdat dit het niveau van individuele besturen overstijgt, ondernemen we activiteiten die de tot doel hebben de werking en de kwaliteit van het stelsel te stimuleren. We doorlopen een cyclus van waarnemen (monitoren), analyseren, agenderen en stimulerend interveniëren en zien daarmee toe op de kwaliteit van het stelsel. De uitkomsten van het stelseltoezicht zijn van belang voor de samenleving, het parlement en de regering en helpen ons om gericht en slagvaardig toezicht uit te oefenen. Informatie op stelselniveau laat zo zien hoe het totale onderwijsstelsel functioneert en met welke problemen besturen en scholen te maken hebben. Bij besturen en scholen stellen we deze problemen aan de orde en bespreken we hoe zij hiermee omgaan in een open gesprek.

Onderzoeken naar de kwaliteit van het stelsel doen we ook in samenhang met de onderzoeken naar besturen en scholen. De informatie daaruit vormt een bron voor ‘De Staat van het Onderwijs’, voor afzonderlijke publicaties (bijvoorbeeld themarapporten) en voor stimulerende interventies.

Het stelseltoezicht is gebaseerd op de taken van de inspectie zoals beschreven in de WOT. Zo ligt er een taak voor de inspectie in het rapporteren over de ontwikkeling van, in bijzonder van de kwaliteit van, het onderwijs en over de uitoefening van de taken door de instellingen, de samenwerkingsverbanden en de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven, in het bijzonder over de kwaliteit daarvan (artikel 3, eerste lid, sub d, WOT).

Vanuit onze ervaring in de onderwijspraktijk zien wij hierbij het verband met een andere inspectietaak: het bevorderen van de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs aan en het bestuur van instellingen als bedoeld in de onderwijswetten (artikel 3, eerste lid, sub b, WOT).

Ook is de taakuitoefening van de inspectie er mede op gericht betrokkenen te informeren over de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs (artikel 4, vierde lid, WOT). Verder is omschreven dat “[d]e inspectie […] desgevraagd en uit eigen beweging [rapporteert] aan Onze Minister over de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs en doet op grond daarvan voorstellen die zij in het belang van het onderwijs nodig acht” (artikel 8, eerste lid, WOT).

Hoewel stelseltoezicht een grondslag heeft in de WOT, verschilt het van het toezicht op besturen en scholen. In het toezicht op besturen en scholen gaat het om toezicht op de naleving van onderwijswet- en regelgeving. Daarmee kunnen we besturen en scholen,waar nodig, met onze oordelen en herstelopdrachten aanzetten om het onderwijs te verbeteren. In het stelseltoezicht daarentegen kunnen we stelselproblemen signaleren, agenderen en op diverse manieren stimuleren11, maar daarbij geven we geen opdrachten tot herstel. Het gaat hierbij immers niet om toezicht op naleving.

In hoofdstuk 2 gaven we aan dat het stelseltoezicht raakvlakken heeft met het toezicht op besturen en scholen, vooral waar het de ambities van besturen en scholen raakt. Knelpunten op stelselniveau, zoals bijvoorbeeld blijkt uit een themaonderzoek, kunnen in dat geval aan de orde komen in het stimulerende toezicht op besturen en scholen.

3.3 Raamwerk voor stelselkwaliteit

Om de kwaliteit van het stelsel te monitoren, hanteren we een raamwerk. Dit raamwerk beschrijft de werking en de kwaliteit van het stelsel aan de hand van de kernfuncties van het onderwijs. Dit biedt focus voor het krijgen van zicht op de kwaliteit van de werking van het stelsel als geheel en op de trends en knelpunten. Het raamwerk geeft de thema’s aan voor de activiteiten die we ondernemen op het gebied van waarnemen, analyseren en agenderen. Om de kwaliteit van het onderwijsstelsel op niveau te houden en te bevorderen, zijn inspanningen nodig van alle betrokkenen samen. Daarbij helpt het om de aandacht te richten op wat belangrijk is met het oog op de leerlingen en de samenleving, maar ook op wat urgent is, gegeven de actuele ontwikkelingen en trends op de langere termijn. We formuleren daarom focuspunten om andere actoren te stimuleren om samen aan het oplossen van knelpunten te werken. Enkele voorbeelden: ‘Elke leerling (digitaal) geletterd en gecijferd’, ‘Elke leerling krijgt gelijke kansen op een passend aanbod’, ‘Leerlingen zijn toegerust om bij te dragen aan de samenleving’, ‘Leerlingen slagen in het vervolgonderwijs en op de arbeidsmarkt’ en ‘Leerlingen kennen zichzelf en hun omgeving, en kunnen zelfstandig keuzes maken’. Deze vormen ook onderwerp van gesprek met besturen en raken het onderwijs op de scholen.

In het onderstaande Raamwerk voor stelselkwaliteit hebben we de kernfuncties weergegeven. In de beschrijving onderscheiden we drie kernfuncties: kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen. Persoonsvorming maakt daarbij onderdeel uit van de kernfunctie socialisatie. Naast de drie kernfuncties beschrijven we ook de voorwaarden die cruciaal zijn voor realisatie van de kernfuncties. De beschrijving geeft de essentie van de kernfunctie weer. In hoofdstuk 7(Werkwijze) werken we uit hoe we invulling geven aan het stelseltoezicht.

RAAMWERK VOOR STELSELKWALITEIT

Kernfunctie Kwalificatie

Het onderwijs brengt leerlingen kennis, houdingen en vaardigheden bij die aansluiten bij de behoeften van de samenleving en bij de mogelijkheden en talenten van leerlingen.

Beschrijving

De leerprestaties en het bereikte niveau van alle leerlingen samen hebben een optimaal niveau, voor diverse groepen en voor deelgebieden (vakken). Onderdeel daarvan is dat elke leerling, naar zijn mogelijkheden, geletterd en gecijferd is. De leerprestaties sluiten aan bij de behoefte van de samenleving, zodat elke leerling uiteindelijk goed kan functioneren in de samenleving. In vergelijking met (eerdere) trends, nationaal en internationaal, is er stabiliteit of een ontwikkeling in de richting van de ambities van de samenleving. De kwaliteit van toetsing en examinering leidt tot relevante en betrouwbare uitspraken op stelselniveau over niveau, prestaties en referentieniveaus van leerlingen. De kwaliteit van het onderwijsaanbod omvat kennis, houding en (digitale) vaardigheden en wordt regelmatig getoetst aan de actualiteit en aan (internationale) wetenschappelijke maatstaven.

Kernfunctie Socialisatie

Het onderwijs draagt bij aan de verwerving van de sociale en maatschappelijke competenties die nodig zijn om optimaal te kunnen deelnemen en bijdragen aan de samenleving.

Beschrijving

De kennis, houding en vaardigheden van leerlingen liggen op het niveau dat nodig is om goed te kunnen functioneren in de pluriforme samenleving en de democratische rechtsstaat. Het gaat daarbij om de sociale en maatschappelijke competenties en om de basiswaarden1 van de democratische rechtsstaat die nodig zijn om hieraan succesvol te kunnen deelnemen. Bij de waardering van de bijdrage aan de samenleving zijn eerdere resultaten van het onderwijsstelsel, internationale vergelijking en inhoudelijke eisen leidend, net als de behoeften en ambities van de samenleving. Een vrije en pluriforme samenleving vraagt om burgers die de democratische spelregels in acht nemen, zelfstandig kunnen oordelen, verantwoordelijkheid willen nemen en die toegerust zijn om op een goede manier met diversiteit om te gaan.

1 Uitwerking burgerschap en basiswaarden

De standaarden hebben betrekking op aspecten van kwaliteit, waaronder het onderwijs gericht op bevordering van burgerschap. Hieronder wordt aangegeven in welke standaarden onderdelen van burgerschap aan de orde zijn en geven we met enige nadere uitwerking (A) een overzicht van de inrichting van het toezicht op basiswaarden (B).

Het toezicht op burgerschap is integraal onderdeel van het inspectietoezicht en omvat, al naar gelang de situatie, aandacht voor een of meer onderdelen, en krijgt aandacht als apart thema of in samenhang met andere aspecten van kwaliteit.

A. Bevordering burgerschap

De wettelijke burgerschapsopdracht bepaalt dat onderwijs actief burgerschap en sociale cohesie bevordert. Bij het toezicht hanteert de inspectie geen ‘eigen’ eisen; alleen de wet is uitgangspunt, die bevat minimumeisen. Dat betekent dat zolang scholen aan wettelijke eisen voldoen, invullingen gekozen kunnen worden die passen bij de school. De wettelijke eisen zijn in de standaarden verwerkt en deze zijn hieronder weergegeven.

Standaarden schoolniveau

OP1 Aanbod

OP2 Zicht op ontwikkeling en begeleiding

OP3 Pedagogisch-didactisch handelen

VS1 Veiligheid

VS2 Schoolklimaat

OR2 Sociale en maatschappelijke competenties

SKA1 Visie, ambities en doelen

SKA2 Uitvoering en kwaliteitscultuur

SKA3 Evaluatie, verantwoording en dialoog

Standaarden bestuursniveau

BKA1 Visie, ambities en doelen

BKA2 Uitvoering en kwaliteitscultuur

BKA3 Evaluatie, verantwoording en dialoog

De wet vraagt:

1) Actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze te bevorderen (standaarden OP1, OP2, OR2).

waarbij de volgende elementen op herkenbare wijze terugkomen in het onderwijs:

2) kennis van en het respect voor basiswaarden van de democratische rechtsstaat worden bevorderd (standaarden OP1, VS1, VS2);

3) sociale en maatschappelijke competenties worden ontwikkeld (standaarden OP1, VS2);

4) de schoolcultuur is in overeenstemming met basiswaarden, leerlingen worden gestimuleerd daarmee te oefenen en de school draagt zorg voor een veilige omgeving waarin leerlingen en personeel zich geaccepteerd voelen (standaarden OP3, VS1, VS2).

Toelichting

Ad 1) Standaarden Aanbod, Zicht op ontwikkeling en begeleiding en Sociale en maatschappelijke competenties (OP1, OP2, OR2):

De inspectie stelt vast of het onderwijs doelgericht, samenhangend en herkenbaar is, en de school de leerresultaten op betrouwbare en inzichtelijke manier in kaart brengt. Of het onderwijs doelgericht is, blijkt uit de formulering van geconcretiseerde leerdoelen die de school bereiken wil voor bevordering van basiswaarden en sociale en maatschappelijke competenties. Of het onderwijs samenhangend is, blijkt uit de logische opbouw van de leerstof en aanpak waarmee de school de leerdoelen bereiken wil. Of het onderwijs gericht op bevordering van burgerschap herkenbaar is, blijkt uit de realisering van de geplande leerstof en aanpak. Of de school de leerresultaten op betrouwbare en inzichtelijke wijze in kaart brengt, blijkt uit dat de school over gegevens beschikt die een adequaat beeld van de resultaten geven, zodanig dat beoordeeld kan worden of de school haar leerdoelen realiseert.

Ad 2) en 3) Standaarden Aanbod, Veiligheid, Schoolklimaat (OP1, VS1, VS2):

De inspectie stelt vast of het onderwijs gericht is op bevordering van basiswaarden en sociale en maatschappelijke competenties, en uitgaat van het uitgangspunt van gelijke behandeling van gelijke gevallen. Of het onderwijs gericht is op basiswaarden blijkt uit aandacht voor bevordering van kennis van, respect voor en handelen vanuit basiswaarden (zie B). Of het onderwijs gericht is op ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties blijkt uit aandacht van de school voor de competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische samenleving. De school kan hier eigen keuzes maken. Daarnaast zijn er de kerndoelen op het sociale en maatschappelijke domein. Scholen geven bij de vormgeving van aanbod en aanpak blijk van inzicht in de leerlingenpopulatie en de leefwereld van de leerlingen.

Ad 4) Standaarden Pedagogisch-didactisch handelen, Veiligheid en Schoolklimaat (OP3, VS1, VS2):

De inspectie stelt vast of het bestuur zorg draagt voor een schoolklimaat dat in overeenstemming is met de basiswaarden, waarin leerlingen oefenmogelijkheden wordt geboden en voor een veilig, inclusief schoolklimaat waarin allen zich geaccepteerd voelen. Of wordt gezorgd voor bedoeld schoolklimaat blijkt uit uitvoering van beleid waardoor het bestuur daarin inzicht heeft en zo nodig verbeteringen realiseert. Of het schoolklimaat in overeenstemming is met basiswaarden blijkt uit het voorleven van basiswaarden en de afwezigheid van strijdigheid met basiswaarden. Of het schoolklimaat leerlingen oefenmogelijkheden biedt, blijkt uit situaties waarin leerlingen worden gestimuleerd met basiswaarden te oefenen. Of sprake is van een veilig, inclusief schoolklimaat blijkt uit informatie die inzicht geeft in de mate waarin leerlingen en personeel zich geaccepteerd voelen.

Via de standaarden voor kwaliteitszorg van bestuur en school (standaarden SKA1-3; BKA1-3) beoordeelt de inspectie tenslotte of het onderwijs aan de wettelijke eisen voldoet en het bestuur haar zorgplicht hieromtrent realiseert (standaarden SKA1-3; BKA1-3).

B. Basiswaarden van de democratische rechtsstaat

Bevordering van basiswaarden vormt een belangrijk aspect van de wettelijke burgerschapsopdracht. Basiswaarden van de democratische rechtsstaat (hierna: basiswaarden) weerspiegelen de algemene, breed erkende essentiële waarden waarop onze democratische manier van samenleven is gebaseerd. Ze zijn breed gelegitimeerd, verankerd in de nationale en internationale rechtsorde en neergelegd in onder meer de Nederlandse Grondwet en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Basiswaarden zijn kort gezegd basale, minimale en breed onderschreven waarden die de democratische rechtsstaat schragen.

De basiswaarden waarom het in het onderwijs gaat, zijn vastgelegd en uitgewerkt in het wettelijk kader in de gewijzigde burgerschapsopdracht in de onderwijswetten voor funderend onderwijs (Gewijzigd voorstel van wet, 17 november 2020. Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2020-2021, 35 352 nr. 2; memorie van toelichting en Nota naar aanleiding van het verslag, Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2019–2020, 35 352 nr. 3 en nr. 6). Die uitwerking vormt het (hiertoe begrensde) uitgangspunt voor het inspectietoezicht op basiswaarden. De navolgende uitwerking en formuleringen zijn aan dit wettelijk kader ontleend.

Basiswaarden van de democratische rechtsstaat

Het respect voor de menselijke waardigheid zonder onderscheid des persoons staat aan de basis van de drie basiswaarden van de democratische, pluriforme en Nederlandse rechtsstaat: vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. De basiswaarde vrijheid wordt bevorderd door aandacht voor vrijheid van meningsuiting en autonomie. Gelijkwaardigheid wordt bevorderd in de vorm van het gelijkheidsbeginsel en het afwijzen van discriminatie. Solidariteit wordt bevorderd door verdraagzaamheid, begrip en verantwoordelijkheidsbesef en het afwijzen van onverdraagzaamheid.

Dit betekent dat scholen aandacht besteden aan vrijheid van meningsuiting, het gelijkheidsbeginsel, begrip, verdraagzaamheid, het afwijzen van onverdraagzaamheid en discriminatie, en autonomie en verantwoordelijkheidsbesef. Deze elementen vormen in de onderwijspraktijk de minimale kern waaraan een school moet voldoen bij de bevordering van respect voor en de kennis van basiswaarden.

De burgerschapswet creëert geen nieuwe basiswaarden. Ook onder de eerdere wettelijke opdracht was sprake van bevordering van deze basiswaarden. Wel is het gewicht daarvan groter geworden. In aansluiting bij deze wettelijke kaders en ter bevordering van de continuïteit voor onderwijspraktijk en inspectietoezicht wordt in de op praktijk gerichte operationalisering uitsluitend uitgegaan van de volgende uitwerkingen. Deze uitwerkingen zijn gericht op concrete toepassing in de dagelijkse schoolpraktijk en geformuleerd op voor alle betrokkenen (inclusief leerlingen) toegankelijke wijze:

• Vrijheid van meningsuiting betekent dat je mag zeggen of schrijven wat je denkt of tegen de opvatting van anderen in mag gaan. Iedereen mag dus ook zijn of haar geloof uitdragen, of zijn of haar mening aan anderen voorhouden. Daarbij moet je je wel houden aan de wet.

• Het gelijkheidsbeginsel (ook wel gelijkheid of gelijkwaardigheid genoemd) betekent dat mensen van gelijke waarde zijn. Daarbij maakt het niet uit wat je denkbeelden zijn of wat je gelooft. Je hoeft niet te vinden dat die denkbeelden of gebruiken zelf waardevol zijn, maar wel dat mensen met andere denkbeelden en gebruiken niet minder waard zijn dan jij of dan jouw groep.

• Begrip voor anderen betekent dat je probeert te begrijpen waarom mensen of groepen bepaalde denkbeelden of gebruiken hebben: wat is de achtergrond daarvan en waarom is dat belangrijk voor een ander?

• Verdraagzaamheid (ook wel tolerantie genoemd) betekent dat je de mening of het gedrag van een ander accepteert, ook al ben je het er helemaal niet mee eens. En het betekent ook dat je iedereen de ruimte wilt geven om zo’n mening of zulk gedrag te hebben. Natuurlijk moet iedereen zich daarbij wel houden aan de wet.

• Afwijzen van onverdraagzaamheid: onverdraagzaamheid (ook wel intolerantie genoemd) is het tegenovergestelde van tolerantie. Het betekent dat je vindt dat andere mensen of groepen, dingen waar jij het niet mee eens bent niet zouden mogen denken of doen; en dat je het niet nodig vindt dat ieder de ruimte krijgt om zo’n mening of zulk gedrag te hebben.

• Afwijzen van discriminatie: discriminatie betekent dat mensen of groepen bij anderen achtergesteld worden of dat je vindt dat er voor mensen met andere denkbeelden of gebruiken niet zoveel ruimte hoeft te zijn of dat die denkbeelden of gebruiken misschien zelfs verboden moeten worden.

• Autonomie betekent dat iedereen zelf kan bepalen wie hij/zij wil zijn en hoe hij/zij zijn/haar leven wil leiden. Iedereen is dus bijvoorbeeld vrij om zelf te bepalen welke denkbeelden of welk geloof voor hem/haar belangrijk zijn/is. Daarbij moet je je wel houden aan de wet.

• Verantwoordelijkheidsbesef betekent dat mensen verantwoordelijkheid willen nemen voor wat ze zeggen en doen (en wat ze niet zeggen en doen) en dat ze daarbij rekening willen houden met wat dat voor anderen betekent. Daarbij is vooral belangrijk dat je probeert anderen niet te schaden en dat je de samenleving en de democratie wilt helpen om goed te functioneren. Hoe je dat doet, mag iedereen zelf weten.

Reikwijdte

Actieve bevordering van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat neemt binnen de wettelijke opdracht een centrale plaats in. Van scholen wordt verwacht dat zij werken aan borging en overdracht van de basiswaarden. Ten overvloede zij daarbij opgemerkt dat uit deze opdracht ook volgt dat onderwijs of handelen van de school niet in strijd met basiswaarden kan zijn. Goed burgerschapsonderwijs sluit aan bij de leefwereld van leerlingen en de interesses, problemen en risico’s die hiermee gepaard gaan. Uitgangspunt bij het toezicht is dat scholen blijk geven van inzicht in hun leerlingenpopulatie en hun leefwereld en dit, indien nodig, vertalen naar het onderwijs. Verder is van belang dat basiswaarden structureel onderdeel zijn van de schoolcultuur en dat deze daarmee in overeenstemming is. De inspectie ziet toe op de naleving daarvan via de zorg van het bestuur voor een schoolcultuur waarin alle betrokkenen basiswaarden als centrale spelregels hanteren en voorleven en voor een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met basiswaarden.

Kernfunctie Allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen

Leerlingen volgen een onderwijsloopbaan die past bij hun mogelijkheden en talenten én bij de arbeidsbehoeften van de samenleving.

Beschrijving

Het onderwijs zorgt ervoor dat leerlingen een passende onderwijsloopbaan volgen en een gelijke kans hebben om terecht te komen op het onderwijstype dat bij hen past. Het onderwijs zorgt ervoor dat leerlingen slagen in het (vervolg)onderwijs en een diploma halen waarmee ze een passende plek op de arbeidsmarkt of een passende vervolgbestemming vinden. De advisering, schoolkeuze, overgangen en aansluiting binnen het (passend) onderwijs zijn doelmatig en werpen geen belemmeringen op voor doorstroom. Met andere woorden: het onderwijs is in gelijke mate toegankelijk en beschikbaar voor alle leerlingen die er gezien hun mogelijkheden thuishoren. In vergelijking met (eerdere) trends, nationaal en internationaal, is er stabiliteit of een ontwikkeling in de richting van de ambities van de samenleving.

Voorwaarden voor realisatie van de kernfuncties

Het onderwijs is zodanig toegerust en georganiseerd dat het voor continuïteit kan zorgen en kan bijdragen aan de drie kernfuncties.

Beschrijving

Het onderwijs heeft zich zo georganiseerd dat het in staat is in een gezamenlijke dynamiek en samenwerking de drie kernfuncties van het stelsel te realiseren. Goede sturing en visie op wat bereikt moet worden zijn daarbij van belang. Ook samenwerking tussen instellingen, zoals bijvoorbeeld ten gunste van de realisatie van passend onderwijs, is zodanig dat ze bijdraagt aan de kwaliteit van het onderwijs aan leerlingen. Middelen en mogelijkheden worden voldoende ingezet en benut. Er is voldoende personeel dat is toegerust voor de gevraagde onderwijstaken. Het niveau van middelen, organisatiewijze en personeel ligt op een geaccepteerd niveau in vergelijking met (eerdere) trends, nationaal en internationaal, of ontwikkelt zich in de richting van de ambities van de samenleving.

4. Waarderingskader besturen

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk beschrijven we het kader voor de beoordeling van de besturing door het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag bestaat uit het uitvoerend deel van het bestuur en het interne toezicht. Hoewel de functies gescheiden zijn, zorgt men er, ieder vanuit zijn eigen rol en verantwoordelijkheid, samen voor dat de kwaliteit van hun scholen gewaarborgd is en er sprake is van deugdelijk financieel beheer. Voor de leesbaarheid spreken we over het bestuur als aanduiding voor het bevoegd gezag.

We willen nagaan of het bestuur in staat is de basiskwaliteit van het onderwijs op zijn scholen te borgen, verder te verbeteren en te zorgen voor deugdelijk financieel beheer voor continuïteit in de toekomst. We beoordelen de kwaliteit van de besturing op basis de geldende wet- en regelgeving (hierna: wettelijke vereisten) die is genoemd in het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie. Ook de invulling van de kernfuncties van het stelsel door het bestuur (zie hoofdstuk 3) heeft hier een plek.

Uit het oordeel op dit kwaliteitsgebied blijkt of het bestuur in staat is om met zijn (be)sturing de kwaliteit van het onderwijs op de scholen te waarborgen en verder te ontwikkelen. Met deze kennis over de kwaliteit van de sturing, richten we het (vervolg)toezicht proportioneel in (zie hoofdstuk 7).

Naast het waarderingskader met standaarden voor besturing, kwaliteitszorg en ambitie op bestuursniveau (BKA), zijn er ook standaarden voor sturen, kwaliteitszorg en ambitie op schoolniveau (SKA). Deze standaarden zijn opgenomen in het waarderingskader voor scholen en beschrijven we in hoofdstuk 5. We maken onderscheid tussen besturen en scholen, omdat de besturing (van een of meerdere scholen) door het bestuur en de sturing (op een school) door schoolleiders van elkaar verschillen. Met dit onderscheid kunnen we het toezicht beter laten aansluiten bij de verantwoordelijkheden en werkwijzen van besturen en scholen. Deze niveaus staan allerminst los van elkaar. Het bestuur geeft de kaders voor kwaliteit en financieel beheer aan waarbinnen de schoolleiders hun verantwoordelijkheid voor de sturing van de kwaliteit op school vormgeven. Het bestuur en de scholen zorgen gezamenlijk voor het behalen van beoogde resultaten rondom onderwijskwaliteit en financiële kwaliteit.

In paragraaf 4.2 lichten we toe hoe het waarderingskader voor besturen is opgebouwd. In aansluiting daarop beschrijven we in paragraaf 4.3 de inhoud van dat waarderingskader.

4.2 Opbouw van het kader

Figuur 4.2a Opbouw kwaliteitsgebied

Figuur 4.2a Opbouw kwaliteitsgebied

De kern van het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie (BKA) is dat het bestuur zorgt voor besturing van de onderwijskwaliteit op de scholen en voor een goede organisatie en kwaliteitscultuur. Dat maakt dat leerlingen kunnen leren en zich kunnen ontwikkelen in een veilige omgeving. Ook het financieel beheer, waaronder financiële continuïteit, rechtmatigheid en doelmatigheid, is hiervan integraal onderdeel. Wij beschouwen de besturing als een cyclisch proces. De drie standaarden van het waarderingskader samen geven zicht op de kwaliteitscyclus van het bestuur. Als deze cyclus op orde is, is het bestuur in staat de basiskwaliteit te realiseren en te borgen, het onderwijs te verbeteren en te zorgen voor deugdelijk financieel beheer. Hiermee draagt het bestuur bij aan de kernfuncties van het stelsel. Bovendien bestaat er dan een ontwikkelingsgerichte kwaliteitscultuur: beleid wordt opgevolgd en na evaluatie bijgesteld.

In de eerste standaard (BKA1) beoordelen we de manier waarop het bestuur de besturing en de randvoorwaarden inricht aan de hand van een visie op onderwijs, uitgewerkt in ambities en doelen. Dit raakt ook de kernfuncties van het stelsel, zoals verwoord in hoofdstuk 3. In de tweede standaard (BKA2) staat de uitvoering centraal: hoe stuurt het bestuur op het realiseren van de visie, ambities en doelen en wat voor kwaliteitscultuur is er? In de derde standaard (BKA3), ten slotte, onderzoeken we hoe het bestuur evalueert en analyseert, verantwoording aflegt aan anderen en de samenleving, reflecteert op de resultaten en erover in gesprek gaat. Dit leidt tot bijstelling en verdere ontwikkeling van de visie, ambities en doelen, zoals bedoeld in de eerste standaard, en maakt de cyclus van (in)richten, uitvoeren en evalueren compleet. De kwaliteitscultuur is van belang voor een effectieve sturing op deze cyclus (de standaarden samen). Daardoor wordt de kwaliteit van het onderwijs gewaarborgd.

4.3 Kwaliteitsgebied en standaarden

Het waarderingskader voor besturen, het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie (BKA), is onderverdeeld in drie standaarden die (in)richting, uitvoering en evaluatie omvatten. Deze standaarden zijn met elkaar verbonden en vertegenwoordigen samen het stelsel van kwaliteitszorg. Dit betekent dat we deze standaarden in samenhang onderzoeken.

Bij elke standaard geven we aan wat we onder basiskwaliteit verstaan en wat de wet van besturen vraagt (wat moet het bestuur?).12 We gaan ervan uit dat besturen (be)sturen vanuit visie en ambitie. Naast de ambities die besturen hebben om de wettelijke verplichtingen na te leven, zijn er ambities die meer omvatten dan de basiskwaliteit. Wij noemen dit de aanvullende ambities. Ook over deze ambities gaan we met besturen in gesprek. We kunnen daaraan een waardering koppelen, namelijk de waardering Goed. Het is de invulling van de stimulerende functie van het toezicht. In het waarderingskader komt dit tot uitdrukking in vragen naar de realisatie van aanvullende ambities van het bestuur. Met het geheel aan ambities dragen besturen bij aan de kernfuncties van het onderwijsstelsel.

KWALITEITSGEBIED BESTURING, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (BKA)

BKA1. Visie, ambities en doelen

Het bestuur heeft een visie op kwaliteit, heeft hiervoor ambities en doelen opgesteld en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

Het bestuur heeft een visie op goed onderwijs en op de besturing daarvan. De visie is concreet en passend vertaald naar ambities, doelen en daarmee samenhangend beleid. Deze vertaling maakt sturing mogelijk op de kwaliteit en resultaten van het onderwijs en de voorwaarden. Daartoe is een stelsel van kwaliteitszorg ingericht dat het bestuur in staat stelt de basiskwaliteit van het onderwijs te waarborgen.

De doelen betreffen in elk geval de naleving van wettelijke eisen, waaronder de wettelijke vereisten voor het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces en de manier van toetsen. De visie, ambities en doelen omvatten uitwerkingen van eerdere evaluatieresultaten en resultaten van interne en externe dialoog.

Het bestuur zorgt er met betrokkenheid van de scholen voor dat de visie, ambities, doelen en het beleid sturend zijn voor de verbetering van het onderwijs aan leerlingen. Scholen formuleren op hun beurt doelen die aansluiten bij wat leerlingen nodig hebben met het oog op hun doorgaande onderwijsloopbaan.

Het bestuur richt de voorwaarden in om de doelen te bereiken, waaronder de inzet en het beheer van de (financiële) middelen voor het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijsproces, het schoolklimaat en de resultaten. Het bestuur heeft daartoe een meerjarenbegroting waarin de relatie met het beleid en de doelen duidelijk zijn toegelicht. Er is voor de sturing op (financiële) kwaliteit een functionerende verantwoordelijkheidsverdeling tussen de interne toezichthouder, het bestuur en de scholen afgesproken, op basis van de geldende wet- en regelgeving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 8, eerste lid, WPO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen.

• Artikel 10 en 12, vierde lid, WPO: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er toetsbare doelen zijn geformuleerd.

• Artikel 12, eerste, tweede en derde lid, WPO (in samenhang met artikel 1): Het bestuur zorgt ervoor dat alle scholen een schoolplan hebben. Het schoolplan omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg. Bij de beschrijving van het onderwijskundig beleid wordt het schoolondersteuningsprofiel betrokken. Dit bevat een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven.

• Artikel 17b, eerste en derde lid, WPO: Er moet sprake zijn van een functionele of organieke scheiding tussen uitvoerend deel van het bestuur en intern toezicht.

• Artikel 17c, eerste lid, sub c, WPO: De interne toezichthouder ziet erop toe dat het bestuur de middelen doelmatig en rechtmatig besteedt en aanwendt.

• Artikel 29, zevende lid, WPO: Het bestuur stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van de verschillende categorieën personeel van de scholen.

• Artikel 31 WPO: Het bestuur stelt een managementstatuut vast waaruit de verantwoordelijkheidsverdeling in de aansturing van de school blijkt.

• Artikel 148 en 175, WPO [jo. AMvB] en artikel 34a, Besluit bekostiging WPO: Het bestuur moet de rijksbekostiging rechtmatig aanwenden en moet evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen voorkomen.

• Artikel 167 en 167a, WPO: Het op gemeentelijk niveau maken van afspraken over en het formuleren van doelen voor het bestrijden van onderwijsachterstanden.

• Artikel 171 WPO en jo. artikel 4, vierde lid, RJO: Het bestuur maakt jaarlijks een jaarverslag waarin de resultaten van het financieel beleid en de continuïteitsparagraaf staan opgenomen.

• RJO, jo. artikel 171, WPO: De wijze waarop door het bestuur verslag wordt gedaan van het financieel beheer gebeurt overeenkomstig de daarvoor in de RJO gestelde regels.

BKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

Het bestuur realiseert samen met de scholen de doelen voor kwaliteit, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

Het bestuur geeft als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg met de scholen effectief uitvoering aan de visie en de doelen voor onderwijskwaliteit. Aan de transparante, integere kwaliteitscultuur is zichtbaar dat deze bijdraagt aan de gestelde doelen.

Het bestuur bevordert een op samenwerken, leren en verbeteren gerichte kwaliteitscultuur, zodat de doelen en ambities gerealiseerd kunnen worden. Het bestuur zorgt ervoor dat het onderwijskundig leiderschap op alle niveaus herkenbaar verankerd is in de organisatie. Ook bevordert het bestuur dat de schoolleiding en teams gezamenlijk werken aan hun professionaliteit in relatie tot de bekwaamheidseisen en aan een verbetercultuur.

Binnen de kwaliteitscultuur geeft het bestuur uitvoering aan kwaliteitszorg gericht op de kwaliteit van het onderwijs, de afspraken uit het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband passend onderwijs en de naleving van wettelijke voorschriften. Het bestuur bewaakt en bevordert dat de uitvoering in overeenstemming is met het beleid, zodat de doelen worden bereikt. Het bestuur houdt zicht op de uitvoering van het beleid en op de nagestreefde verbeteringen en stuurt daarop, zo nodig, tussentijds bij.

De beschikbare (financiële) middelen dragen bij aan de realisatie van de door het bestuur gestelde doelen en worden doelmatig en rechtmatig aangewend. Als onderdeel van zijn taak ziet de interne toezichthouder daarop toe. Het bestuur voorkomt evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen. Daarnaast stuurt het bestuur op effectief financieel beheer, zodat de continuïteit van het onderwijs gewaarborgd is en bekostiging rechtmatig verkregen wordt.

Het interne toezicht geeft voorts onafhankelijk en deugdelijk invulling aan zijn taak en wordt daarin gefaciliteerd door het uitvoerend deel van het bestuur. Het bestuur zorgt voor goed functionerende medezeggenschap en opereert volgens een code Goed Bestuur of legt in het jaarverslag1 uit als het daar eventueel van afwijkt en waarom dat het geval is. Als laatste zorgt het bestuur voor een doeltreffende verwerking van interne en externe signalen en klachten.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 10 en 12, vierde lid, WPO: Het bestuur en de schoolleiding zorgen ervoor dat de wet wordt nageleefd en dat er indien nodig verbetermaatregelen komen voor de kwaliteit. Dat houdt onder andere in dat het bestuur en de scholen zicht hebben op de kwaliteit van het onderwijs. Daarbij moet het functioneren van de kwaliteitscyclus centraal staan.

• Artikel 12, eerste en derde lid, artikel 32, artikel 32b en artikel 34a, WPO: Het bestuur zorgt voor bevoegd personeel en maakt het onderhouden en uitbreiden van de bekwaamheid mogelijk.

• Artikel 13, eerste lid, sub f in samenhang met artikel 14, WPO: Het bestuur communiceert over de klachtenregeling in de schoolgids(en).

• Artikel 14 WPO: Het bestuur heeft een klachtenregeling die leidt tot een deugdelijke klachtbehandeling waarbij voldaan wordt aan de specifieke vereisten die dit artikel noemt.

• Artikel 17a, eerste lid, jo. 10, WPO: Het bestuur draagt zorg voor een goed bestuurde school met een scheiding tussen het uitvoerend deel van het bestuur en het toezicht en met een rechtmatig bestuur en beheer.

• Artikel 17b, tweede lid, WPO: De interne toezichthouder (of lid daarvan) functioneert onafhankelijk van het uitvoerend deel van het bestuur.

• Artikel 17c, eerste lid, WPO: De interne toezichthouder houdt toezicht op de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden door het uitvoerend deel van het bestuur, staat het uitvoerend deel van het bestuur met raad ter zijde en heeft ten minste bepaalde taken.

• Artikel 31a, derde en vierde lid, WPO: De school dient leraren een zelfstandige verantwoordelijkheid te geven bij de beoordeling van de onderwijsprestaties van leerlingen en voldoende zeggenschap te geven waar het gaat om het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de school.

• Artikel 148 en 175, WPO [jo. AMvB] en artikel 34a, Besluit bekostiging WPO: Het bestuur moet de rijksbekostiging rechtmatig aanwenden en moet evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen voorkomen.

• Artikel 148b WPO: Het bestuur beheert de middelen van de school op zodanige wijze dat het voortbestaan van de school is verzekerd.

• Artikel 171, eerste lid, WPO: Het bestuur dient een code Goed Bestuur te hanteren en verantwoordt zich over eventuele afwijkingen in het jaarverslag.

• Artikel 171, eerste lid, sub b, WPO: Het bestuur stelt een jaarverslag vast met jaarrekening waaruit blijkt dat er sprake is van een rechtmatige en doelmatige aanwending van de bekostiging.

• Artikel 175, vierde lid, WPO: Als sprake is van evident ondoelmatige aanwending, kunnen daar financiële gevolgen aan worden verbonden, zoals wijziging van de bekostiging en het terugvorderen van het onverschuldigd betaalde deel van de bekostiging.2

• Artikel 175, vijfde lid, WPO [jo. AMvB]: Bij of krachtens AMvB worden nadere regels gesteld over de wijze waarop wordt vastgesteld dat sprake is van evident ondoelmatige aanwending van de bekostiging.

• Artikel 4, vierde lid, RJO: Het bestuur zorgt voor een continuïteitsparagraaf in de jaarverslaggeving.

BKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

Het bestuur evalueert en analyseert systematisch of het de doelen realiseert en verantwoordt zich hierover. Het stelt wanneer dat nodig is het beleid bij en betrekt daartoe interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

Het bestuur evalueert en beoordeelt als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de ambities, de doelen en het beleid worden gerealiseerd. Op deze manier krijgt het bestuur zicht op de gerealiseerde (financiële) kwaliteit en de resultaten van het onderwijs aan leerlingen. Bij de evaluatie en beoordeling van het beleid en de onderwijskwaliteit haalt het bestuur actief externe informatie op en gebruikt deze informatie bij de evaluatie en beoordeling. Op basis van de evaluatie reageert het bestuur tijdig op mogelijke kansen en bedreigingen, stelt wanneer nodig (verbeter)beleid op en treft passende maatregelen om de kwaliteit van het onderwijs op de scholen te borgen.

Het bestuur legt verantwoording af door middel van accurate, actuele en openbaar toegankelijke informatie over de gerealiseerde kwaliteit. Het brengt minimaal jaarlijks verslag uit aan zijn in- en externe belanghebbenden over zijn doelen en de resultaten van de scholen. De verantwoording in het jaarverslag is betrouwbaar en (de inhoud van) het jaarverslag voldoet aan de wettelijke vereisten.

Het bestuur verantwoordt zich daarbij ten minste over het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces, de manier van toetsen en het financieel beheer. De reflectie op de uitkomsten van de evaluatie geeft alle lagen van de organisatie, intern toezicht en de medezeggenschap voldoende inzicht in de effectiviteit van de besturing en uitvoering. Het bestuur analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verantwoording. Vervolgens verwerkt het bestuur deze wanneer nodig in bijstelling van ambities, (verbeter)doelen en beleid of nieuwe ambities zodat de opbrengst van de dialoog bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwijs en de sturing daarop. Het bestuur organiseert ook de dialoog hierover met interne en externe belanghebbenden, waarbij in elk geval leerlingen, personeel en de interne toezichthouder zijn betrokken. Het bestuur werkt bovendien actief samen met andere partijen aan doelen die het bestuurlijk belang overstijgen en de kernfuncties raken. Zo komt het bestuur de afspraken uit het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband passend onderwijs na en verantwoordt zich hierover.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1 en artikel 3, sub f, RJO, jo. artikel 171, WPO: Het bestuur informeert jaarlijks interne en externe belanghebbenden over het gevoerde en voorgenomen beleid en over de uitkomsten van het gevoerde beleid.

• Artikel 4, vierde lid, RJO, jo. artikel 171 WPO: Het bestuur maakt jaarlijks een jaarverslag waarin naast de resultaten van het financieel beleid ook verantwoording wordt gegeven over toekomstige ontwikkelingen van het onderwijs.

• Artikel 8 WMS: De (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad ((G)MR) ontvangt tijdig alle inlichtingen van het bestuur die redelijkerwijs nodig zijn om zijn taak te kunnen vervullen en ontvangt in elk geval bepaalde in de wet beschreven informatie.

• Artikel 10 WMS: Het bestuur heeft in bepaalde gevallen voorafgaande instemming nodig van de (G)MR voor elk besluit in dat geval (bijvoorbeeld bij verandering van de onderwijskundige doelstellingen van de school).

• Artikel 10 en 12, vierde lid, WPO: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er regelmatig wordt geëvalueerd of deze doelen worden gehaald.

• Artikel 11 WMS: Het bestuur moet de (G)MR vooraf in de gelegenheid stellen om te adviseren over besluiten bij bepaalde aangelegenheden (bijvoorbeeld vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de school).

• Artikel 12 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het personeelsdeel van de (G)MR bij besluiten bij bepaalde aangelegenheden (bijvoorbeeld bij de vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie).

• Artikel 13 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming van het ouderdeel van de (G)MR over bepaalde besluiten (bijvoorbeeld bij de vaststelling van de schoolgids).

• Artikel 167 en 167a, WPO: De besturen van de scholen voeren jaarlijks overleg met elkaar, met organisaties voor kinderopvang en met de gemeente over het voorkomen van segregatie, het bevorderen van integratie en het bestrijden van achterstanden.

• RJO, jo. artikel 171, WPO: De wijze waarop door het bestuur verslag wordt gedaan van het financieel beheer gebeurt overeenkomstig de daarvoor in de RJO gestelde regels.

• Artikel 171, eerste lid, WPO: Het bestuur dient een code Goed Bestuur te hanteren en verantwoordt zich over eventuele afwijkingen in het jaarverslag.

• Artikel 171, zevende en achtste lid, WPO: Het bestuur maakt het jaarverslag openbaar. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de wijze en het tijdstip waarop openbaarmaking van het jaarverslag plaatsvindt.

X Noot
1

Volgens artikel 1, sub c, RJO: het geheel van verslaggevingsdocumenten bestaande uit de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392, titel 9, boek 2, BW.

X Noot
2

Met het amendement (Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 102, nr. 11) is geregeld dat een bekostigingssanctie alleen kan worden opgelegd aan het bestuur nadat bij AMvB een nadere invulling wordt gegeven aan het begrip ‘evident ondoelmatige besteding’. Zonder deze algemene maatregel van bestuur is handhaving op ‘evident ondoelmatige besteding’ niet mogelijk. Tot de datum van inwerkingtreding van de AMvB richt de inspectie zich op haar stimulerende taak op dit gebied en zal alleen een Onvoldoende worden gegeven als een bestuur niet voldoet aan de op dit moment bij de basiskwaliteit opgenomen elementen.

5. Waarderingskader scholen

5.1 Inleiding

In het vorige hoofdstuk beschreven we het kader voor de beoordeling van de besturing door het bestuur. In dit hoofdstuk beschrijven we het waarderingskader voor het beoordelen van de kwaliteit op scholen. Deze kaders hangen nauw met elkaar samen. Het bestuur geeft de kaders voor kwaliteit en financieel beheer aan waarbinnen schoolleiders hun verantwoordelijkheid voor de sturing van de kwaliteit op school vormgeven. Dit waarderingskader bevat naast standaarden over sturen en kwaliteit ook standaarden over het onderwijsproces, het schoolklimaat en de onderwijsresultaten. De standaarden over sturen, kwaliteitszorg en ambitie op schoolniveau (SKA) hangen samen met die over besturing, kwaliteitszorg en ambitie op bestuursniveau (BKA) en zijn toegespitst op de wettelijke eisen op schoolniveau.

We gebruiken het waarderingskader voor scholen wanneer we onderzoek doen op schoolniveau.

We beschrijven de opbouw van het kader in paragraaf 5.2. In paragraaf 5.3 is vervolgens het waarderingskader op schoolniveau opgenomen. In de laatste paragraaf, 5.4, gaan we in op de overige wettelijke vereisten, die niet aan een standaard zijn gekoppeld.

5.2 Opbouw van het kader

In het waarderingskader op schoolniveau onderscheiden we vier kwaliteitsgebieden: Onderwijsproces, Veiligheid en schoolklimaat, Onderwijsresultaten, en Sturen, kwaliteitszorg en ambitie. Met het waarderingskader krijgen we antwoord op de drie elementaire vragen over het onderwijs voor leerlingen: krijgen ze goed onderwijs (Onderwijsproces), voelen ze zich veilig (Veiligheid en schoolklimaat), en leren ze genoeg (Onderwijsresultaten)? Daarnaast kijken we naar de sturing op en de verbetering van de kwaliteit (Sturen, kwaliteitszorg en ambitie). Dit zijn belangrijke aspecten voor de kwaliteit en ontwikkeling van het onderwijs aan leerlingen. We beoordelen bij de kwaliteit van het onderwijs het geheel van de prestaties van de school op deze vier gebieden. Het financieel beheer beoordeelt de inspectie op het niveau van het bestuur.

Het waarderingskader primair onderwijs heeft de volgende opbouw:13

KWALITEITSGEBIEDEN EN STANDAARDEN PO SCHOOLNIVEAU

OP ONDERWIJSPROCES

OP1

Aanbod

OP2

Zicht op ontwikkeling en begeleiding

OP3

Pedagogisch-didactisch handelen

OP4

Onderwijstijd

OP6

Afsluiting

VS VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT

VS1

Veiligheid

VS2

Schoolklimaat

OR ONDERWIJSRESULTATEN

OR1

Resultaten

OR2

Sociale en maatschappelijke competenties

SKA STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE

SKA1

Visie, ambities en doelen

SKA2

Uitvoering en kwaliteitscultuur

SKA3

Evaluatie, verantwoording en dialoog

5.3 Kwaliteitsgebieden en standaarden

Het waarderingskader primair onderwijs op schoolniveau telt per gebied een aantal standaarden, in totaal twaalf. Bij elke standaard is aangegeven wat we verstaan onder de basiskwaliteit (wat móet de school op orde hebben?).14 Ter onderbouwing van de eisen voor basiskwaliteit geven we per standaard de wettelijke eisen weer die van toepassing zijn. We noemen de wettelijke eisen ook wel deugdelijkheidseisen.

In de praktijk hebben scholen ambities die raken aan basiskwaliteit. Scholen doen echter vaak meer. Naast de ambities binnen de basiskwaliteit hebben scholen ook ambities die daarboven uitstijgen en die scholen met het bestuur hebben geformuleerd. Voor deze eigen ambities vormt het schoolplan de basis. Over het geheel aan ambities gaan we met de scholen in gesprek. We kunnen daaraan een waardering koppelen, namelijk de waardering Goed. Dit is de invulling van de stimulerende functie van ons toezicht. In het waarderingskader komt dit tot uitdrukking in vragen naar de realisatie van aanvullende ambities.

Met het geheel aan ambities, zowel voor de basiskwaliteit als ambities die daarboven uitstijgen, dragen scholen met hun besturen bij aan de kwaliteit van de kernfuncties van het onderwijsstelsel.

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSPROCES (OP)

OP1. Aanbod

Het aanbod bereidt de leerlingen voor op vervolgonderwijs en de samenleving.

Basiskwaliteit

De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs en de samenleving. Zij biedt een breed en op de kerndoelen1 gebaseerd aanbod dat ook de referentieniveaus taal en rekenen omvat. Onder aanbod verstaan we alle lesinhouden, ook die digitaal zijn of online aangeboden worden. Het aanbod van de school is afgestemd op de leerlingenpopulatie en sluit aan bij het (taal)niveau en de onderwijsbehoeften van de leerlingen. Het aanbod wordt waar nodig gedurende de schoolloopbaan verdiept en verbreed, zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. Het aanbod is doelgericht, samenhangend en herkenbaar. Bovendien heeft de school de leerinhouden evenwichtig en in samenhang over de leerjaren verdeeld.

Het aanbod draagt bij aan het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en aan het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die leerlingen in staat stellen deel uit te maken en bij te dragen aan de pluriforme, democratische samenleving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het aanbod en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2 WPO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 8, eerste lid, WPO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 8, tweede lid, WPO: De inhoud van het onderwijs richt zich op de emotionele, zintuigelijke, lichamelijke en verstandelijke ontwikkeling en op het ontwikkelen van de creativiteit, alsmede op het verwerven van de noodzakelijke kennis op het gebied van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden.

• Artikel 8, derde lid, WPO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 9 WPO, jo. Besluit vernieuwde kerndoelen, WPO: Het onderwijsaanbod voldoet aan de kerndoelen en is – waar mogelijk – in samenhang ingericht.

• Artikel 9, elfde lid, WPO jo. artikelen 2 en 3 en bijlagen bij Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen: Het onderwijs neemt de referentieniveaus van taal en rekenen als uitgangspunt.

• Artikel 12, tweede lid, sub a, WPO: Het schoolplan bevat de uitwerking van de wettelijke opdrachten voor de uitgangspunten, doelstellingen en inhoud van het onderwijs.

OP2. Zicht op ontwikkeling en begeleiding

De school volgt de ontwikkeling van de leerlingen en biedt waar nodig passende begeleiding en extra ondersteuning.

Basiskwaliteit

De school verzamelt vanaf binnenkomst systematisch informatie over de kennis en vaardigheden van leerlingen op alle voor het onderwijs belangrijke domeinen. Het verzamelen van (toets)informatie gebeurt systematisch en zorgvuldig en voor de kennisgebieden taal en rekenen/wiskunde met behulp van genormeerde toetsen. Voor het verzamelen en vastleggen van (toets)informatie gebruikt de school een leerling- en onderwijsvolgssysteem. De school vergelijkt de informatie met de verwachte ontwikkeling van de leerling. Dit maakt het mogelijk om het onderwijs af te stemmen op de onderwijsbehoeften van zowel groepen als individuele leerlingen. Het stelt de school in staat zorg te dragen voor de ontwikkeling en begeleiding van de leerling. De school waarborgt daarmee voor leerlingen de ononderbroken ontwikkeling en voortgang daarin en heeft daarbij oog voor de bevordering van gelijke kansen. De school informeert ouders regelmatig over de ontwikkeling en vorderingen van hun kind.

Wanneer individuele of groepen leerlingen niet genoeg lijken te profiteren van het onderwijs, analyseert de school waar de ontwikkeling stagneert en wat mogelijke verklaringen hiervoor zijn. Vervolgens bepaalt zij wat er nodig is om op eventuele achterstanden of voorsprongen in de ontwikkeling van leerlingen in te spelen. De school biedt de begeleiding vervolgens gestructureerd aan. Waar nodig betrekt de school het samenwerkingsverband, de gemeente en zorginstanties bij de begeleiding van de leerlingen.

De leerlingen krijgen daarmee de begeleiding die zij nodig hebben om het onderwijsprogramma beter te kunnen doorlopen. De school besteedt op een structurele en herkenbare manier aandacht aan het bestrijden van (taal)achterstanden.

De school heeft in het schoolondersteuningsprofiel vastgelegd wat zij onder extra ondersteuning verstaat en welke voorzieningen de school kan bieden. Voor de leerlingen die deze extra ondersteuning nodig hebben, legt de school in het ontwikkelingsperspectief vast hoe zij het onderwijs afstemt op de behoefte van de leerling en registreert het ontwikkelingsperspectief in BRON. De school voert de geplande ondersteuning uit. De inhoud en uitvoering van dit plan wordt minimaal eenmaal per schooljaar met de ouders geëvalueerd. De school vervult de zorgplicht passend onderwijs. Wanneer de school de extra ondersteuning voor een leerling niet kan bieden, zoekt de school in samenwerking met ouders en zo nodig het samenwerkingsverband een passende onderwijsplek.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor zicht op ontwikkeling en begeleiding en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1 WPO: In het schoolondersteuningsprofiel is vastgelegd welke voorzieningen zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.

• Artikel 8, eerste lid, WPO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 8, derde lid, WPO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze. Dat omvat onder meer regelmatig monitoren van de ontwikkeling van burgerschapscompetenties, om het onderwijs af te stemmen op de actuele leerbehoefte van leerlingen.

• Artikel 8, vierde lid, WPO: De school biedt individuele begeleiding die is afgestemd op de behoeften van de leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.

• Artikel 8, vijfde lid, WPO: Het bestuur stelt ten minste eenmaal in de vier jaar het schoolondersteuningsprofiel vast.

• Artikel 8, zesde lid, WPO: De school volgt de vorderingen van de leerlingen in kennis en vaardigheden door middel van een leerling- en onderwijsvolgsysteem. Bij taal en rekenen/wiskunde gebeurt dit met genormeerde toetsen.

• Artikel 8, elfde lid, WPO: De school werkt herkenbaar en gestructureerd aan de bestrijding van achterstanden.

• Artikel 11 WPO: De school rapporteert over de vorderingen van de leerlingen aan hun ouders, voogden of verzorgers.

• Artikel 12, tweede lid, WPO: De school heeft in het schoolplan beschreven op welke wijze het schoolondersteuningsprofiel wordt betrokken bij het onderwijskundig beleid.

• Artikel 12, vierde lid, sub a, WPO: De school heeft de wijze waarop het onderwijs wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen in het schoolplan beschreven.

• Artikel 34.7 Besluit bekostiging WPO: In het ontwikkelingsperspectief is informatie opgenomen over de begeleiding die de leerling wordt geboden, naar welke onderwijssoort in het voortgezet onderwijs of naar uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal onderwijs de leerling naar verwachting zal uitstromen, en over de belemmerende en bevorderende factoren die van invloed zijn op het onderwijs aan de leerling.

• Artikel 40, vierde en elfde lid, WPO: De school houdt zich aan de zorgplicht passend onderwijs.

• Artikel 40, derde lid, WPO: De school beoordeelt of de leerling extra ondersteuning nodig heeft.

• Artikel 40a, eerste en derde lid, WPO: Het bestuur stelt, na op overeenstemming gericht overleg met de ouders, een ontwikkelingsperspectief vast voor een leerling die extra ondersteuning nodig heeft.

• Artikel 40a, tweede lid, WPO: Over het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief dient door het bestuur overeenstemming met de ouders te worden bereikt.

• Artikel 40a, vierde lid, WPO: Het bestuur evalueert het ontwikkelingsperspectief minimaal eens per schooljaar met de ouders.

• Artikel 40a, vijfde lid, WPO: Het bestuur kan, na overleg of overeenstemming met de ouders, het ontwikkelingsperspectief bijstellen.

• Artikel 12 Wet register onderwijsdeelnemers, jo. artikel 8, eerste lid, Besluit register onderwijsdeelnemers: Het bestuur registreert in het Basisregister Onderwijs (BRON) voor welke periode er voor een leerling een ontwikkelingsperspectief is vastgesteld en, indien van toepassing, welke periode een leerling in een orthopedagogisch didactisch centrum (opdc) is geplaatst.

OP3. Pedagogisch-didactisch handelen

Het pedagogisch-didactisch handelen van de leraren stelt leerlingen in staat om te leren en zich te ontwikkelen.

Basiskwaliteit

De pedagogisch-didactische visie van de school is zichtbaar in het dagelijks handelen van de leraren.

De leraren plannen en structureren hun handelen met behulp van informatie die zij over leerlingen hebben. Zij maken pedagogische en didactische keuzes en stemmen daarbij het niveau van hun onderwijs af op het beoogde eindniveau van de leerlingen. De leerstof omvat kennis, vaardigheden en attitudes en wordt in een logische opbouw aangeboden.

De leraren creëren een pedagogisch en didactisch passend en stimulerend leerklimaat, waardoor leerlingen actief en betrokken zijn. Met geschikte opdrachten en heldere uitleg structureren de leraren het onderwijsaanbod zo dat de leerlingen zich het leerstofaanbod eigen kunnen maken. Leraren hebben hoge verwachtingen van leerlingen en geven leerlingen feedback op hun leerproces.

De leraren stemmen de instructies, begeleiding, opdrachten en onderwijstijd doelgericht af op de onderwijsbehoeften van groepen en individuele leerlingen, inclusief op de sociale en maatschappelijke competenties. De afstemming is zowel gericht op (pedagogische) ondersteuning als op uitdaging, afhankelijk van de onderwijsbehoeften van leerlingen.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het pedagogisch-didactisch handelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2 WPO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 8, eerste lid, WPO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen. Voor deze ‘ononderbroken ontwikkeling’ is het nodig dat het onderwijs aansluit bij het ontwikkelingsniveau van de leerling.

• Artikel 8, derde lid, WPO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 12, tweede en derde lid, WPO: De school heeft haar beleid over het pedagogisch-didactisch handelen in het schoolplan geformuleerd. Het beleid over het pedagogisch-didactisch handelen is zichtbaar in het dagelijks handelen van de leraren.

OP4. Onderwijstijd

De leerlingen krijgen voldoende tijd om zich het aanbod eigen te maken.

Basiskwaliteit

De school biedt een programma aan dat voldoet aan de wettelijk verplichte onderwijstijd. De school stelt vast welke activiteiten onder de onderwijstijd vallen. De school plant de onderwijsactiviteiten weloverwogen over het schooljaar en deze worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van bevoegde leraren.

De school verdeelt de tijd zo over de vakken dat leerlingen in staat zijn het verplichte onderwijsprogramma tot zich te nemen. De school heeft beleid om ongeoorloofd verzuim en voortijdig schoolverlaten van leerlingen tegen te gaan, zodat ook op leerlingniveau gestreefd wordt de onderwijstijd te behalen.

De school maakt, zo nodig, volgens de wettelijke voorschriften gebruik van de mogelijkheden om, in het belang van de individuele leerling, af te wijken van de verplichte onderwijstijd en/of van de mogelijkheid om een leerling een deel van de onderwijstijd door te laten brengen op een andere school.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de onderwijstijd en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 8, negende lid, WPO: De school verzorgt minimaal het wettelijk verplichte aantal uren onderwijs en zorgt ervoor dat de leerlingen in beginsel binnen acht aaneensluitende schooljaren de school kunnen doorlopen.

• Artikel 8, twaalfde lid, WPO, jo. Beleidsregel inzake het instemmen met afwijking onderwijstijd WPO: Voor het afwijken van de onderwijstijd vraagt het bestuur in bepaalde gevallen instemming van de inspectie.

• Artikel 13, eerste lid, onder d, WPO: In de schoolgids moet de wijze waarop de verplichte onderwijstijd wordt benut worden vermeld.

• Artikel 13, eerste lid, sub k, WPO: De school heeft haar verzuimbeleid opgenomen in de schoolgids.

• Artikel 15 WPO, jo. artikel 34.11 Besluit bekostiging WPO: Als een leerling een deel van het onderwijsprogramma onderwijs ontvangt op een andere school en het bestuur voldoet aan de voorwaarden daarvoor, dan telt die tijd mee voor het aantal uren onderwijs dat de leerling ten minste moet ontvangen.

• Artikel 32, vijfde lid, WPO: Leraren die voldoen aan de vereisten van artikel 3, WPO verzorgen het onderwijs.

OP6. Afsluiting

De afsluiting van het onderwijs verloopt zorgvuldig.

Basiskwaliteit

De school zorgt ervoor dat alle leerlingen goed worden voorbereid op de overgang naar het vervolgonderwijs.

Alle leerlingen krijgen een passend advies voor het vervolgonderwijs. De school hanteert hierbij een zorgvuldige procedure, waaruit blijkt dat zij ernaar streeft leerlingen gelijke kansen te bieden.

Alle leerlingen in leerjaar 8 (behoudens wettelijke uitzonderingen) maken een eindtoets. De leraren nemen de toets conform de voorschriften af.

Wanneer de uitslag van de eindtoets een hoger schooladvies suggereert dan het gegeven advies, neemt de school het advies in heroverweging. Als hierbij wordt afgeweken van de uitslag van de toets, wordt dit gemotiveerd aan de ouders.

De school informeert de ouders daarnaast over de vorderingen van de leerling en over de informatie over de leerling die aan de ontvangende school wordt verstrekt.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de afsluiting en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2 WPO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 11 WPO: De school houdt de ouders op de hoogte van de vorderingen van de leerlingen.

• Artikel 9b WPO en de Beleidsregel ontheffingsgronden eindtoetsing primair onderwijs: De wet schrijft voor dat alle leerlingen in het laatste schooljaar (behoudens uitzonderingen) een eindtoets maken.

• Toetsbesluit PO: De eindtoets wordt conform voorschriften afgenomen.

• Artikel 42, eerste lid, WPO: De eindtoets dient om onderadvisering vanuit het primair onderwijs te voorkomen.

• Artikel 42, tweede lid, WPO: Het bestuur stelt voor iedere leerling in het achtste schooljaar voor 1 maart een schooladvies vast over het volgen van aansluitend onderwijs, en heroverweegt het advies als een leerling hoger scoort op de eindtoets dan het schooladvies. Wanneer hierbij wordt afgeweken van de uitslag van de toets, wordt dit gemotiveerd aan de ouders.

• Artikel 42, eerste lid, WPO: Voor de ontvangende school stelt de school een onderwijskundig rapport op.

X Noot
1

Scholen in Friesland geven het vak Fries, met inachtneming van de daarvoor vastgestelde kerndoelen, tenzij zij hiervoor een ontheffing hebben van gedeputeerde staten.

KWALITEITSGEBIED VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT (VS)

VS1. Veiligheid

De school zorgt voor een veilige omgeving voor leerlingen.

Basiskwaliteit

De school zorgt voor de sociale, fysieke en psychische veiligheid van de leerlingen op school gedurende de schooldag. Een school is veilig als de sociale, fysieke en psychische veiligheid van leerlingen niet door handelingen van anderen wordt aangetast. Dit blijkt onder andere uit de beleving van de veiligheid en het welbevinden van de leerlingen op school. De school monitort dit ten minste jaarlijks met een gestandaardiseerd instrument.

De school heeft een veiligheidsbeleid beschreven dat bestaat uit een samenhangende set van maatregelen. Het beleid is gericht op het voorkomen, afhandelen, registreren en evalueren van incidenten, en de school voert dat beleid ook uit. Als de uitkomsten van de monitoring daartoe aanleiding geven, treft de school maatregelen om de situatie te verbeteren. De school voorkomt, zoveel als mogelijk, (digitaal)pesten, agressie en geweld in elke vorm en treedt zo nodig snel en adequaat op. Dat geldt ook bij uitingen die strijdig zijn met basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals discriminatie en onverdraagzaamheid. De school heeft een persoon aangesteld die voor ouders en leerlingen het aanspreekpunt is in geval van pesten en die het beleid tegen pesten coördineert.

De school hanteert de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling. Daarnaast komt de school de verplichtingen na rond het melden, overleggen en aangifte doen van zedenmisdrijven.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de veiligheid en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 4a WPO: Het bestuur houdt zich aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van het melden van een mogelijk zedenmisdrijf en het overleggen daarover, en het aangifte doen in het geval van een (redelijk vermoeden van een) zedenmisdrijf. Het bestuur treedt hierbij onverwijld in contact met de vertrouwensinspecteur.

• Artikel 4b WPO: Het bestuur stelt voor het personeel een meldcode vast die aangeeft hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan. Daarnaast moet het bestuur de kennis en het gebruik van de meldcode bevorderen.

• Artikel 4c, eerste lid, sub a, WPO: Het bestuur heeft beleid ten aanzien van de veiligheid van leerlingen en voert dat ook uit.

• Artikel 4c, eerste lid, sub b, WPO: Het bestuur monitort de veiligheid van leerlingen met een instrument dat een representatief en actueel beeld geeft.

• Artikel 4c, eerste lid, sub c, WPO: Het bestuur heeft de volgende taken belegd bij een persoon:

– coördinatie van het beleid in het kader van het tegengaan van pesten op school;

– fungeren als aanspreekpunt in het kader van pesten.

• Artikel 4c, tweede lid, WPO: Onder veiligheid wordt de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen verstaan.

• Artikel 4c, vierde lid, WPO: Het bestuur zendt de resultaten van de monitor, nadat de resultaten beschikbaar zijn, aan de inspectie.

• Artikel 8, derde lid, WPO: Het onderwijs richt zich op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Dat omvat onder meer dat de school actie onderneemt als er onvoldoende sprake is van een cultuur die in overeenstemming is met basiswaarden.

VS2. Schoolklimaat

De school heeft een schoolklimaat dat bijdraagt aan het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties.

Basiskwaliteit

De school bereidt de leerlingen voor op het leven in de maatschappij. Zij creëert daarvoor een oefenplaats die leerlingen ondersteunt bij het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties. In de school doen leerlingen ervaring op met de omgang met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en de pluriforme samenleving. Het bestuur ziet erop toe dat de school zorg draagt voor een schoolklimaat dat in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en bijdraagt aan de bevordering daarvan.

Het personeel van de school is in zijn gedrag een voorbeeld voor de leerlingen: personeelsleden leven de basiswaarden zichtbaar na.

De school stemt aanpak en aanbod af op de leerlingenpopulatie van de school en de leefwereld van de leerlingen. Ook signaleert en corrigeert de school uitingen van leerlingen die met de basiswaarden in strijd zijn.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het schoolklimaat en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 8, derde lid, WPO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze, richt zich onder andere op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden en het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties.

• Artikel 8, lid 3a, WPO: Het bestuur draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, en creëert een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met deze waarden.

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSRESULTATEN (OR)

OR1. Resultaten

De school behaalt met haar leerlingen leerresultaten die ten minste in overeenstemming zijn met de gestelde norm.

Basiskwaliteit

De cognitieve eindresultaten liggen op het niveau dat op grond van de kenmerken van de leerlingenpopulatie mag worden verwacht. Dit betekent dat de eindresultaten op de kernvakken Nederlandse taal en rekenen/wiskunde voldoen aan de gestelde norm.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de onderwijsresultaten en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 10a WPO, artikelen 34.4 en 34.6, Besluit bekostiging WPO en de Regeling leerresultaten PO 2020: Scholen moeten voldoende leerresultaten behalen. Er is sprake van voldoende leerresultaten als de resultaten op of boven de normering liggen (die is afgestemd op de samenstelling van de leerlingenpopulatie van scholen), zoals vastgelegd in de Regeling leerresultaten PO 2020.

OR2. Sociale en maatschappelijke competenties

De leerlingen behalen sociale en maatschappelijke competenties op het niveau dat ten minste in overeenstemming is met de verwachtingen van het vervolgonderwijs en de maatschappij.

Basiskwaliteit

De school heeft een goed beeld van de kenmerken van haar leerlingenpopulatie en heeft ambitieuze verwachtingen over het niveau dat de leerlingen voor de sociale en maatschappelijke competenties kunnen bereiken. Ze neemt de aansluiting op het vervolgonderwijs en de maatschappij als uitgangspunt voor de competenties voor leerlingen.

De school onderbouwt welke resultaten ze op dit gebied wil bereiken. De school brengt de resultaten op een betrouwbare en inzichtelijke manier in kaart. De school spant zich zichtbaar in om ervoor te zorgen dat leerlingen die de school verlaten daaraan voldoen. Daarmee laat de school zien dat zij haar doelstellingen voor deze competenties behaald heeft.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sociale en maatschappelijke competenties en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2 WPO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 8, tweede lid, WPO: Het onderwijs richt zich herkenbaar op de emotionele en de verstandelijke ontwikkeling, op het ontwikkelen van creativiteit, het verwerven van kennis en van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden.

• Artikel 8, derde lid, WPO: Het onderwijs richt zich herkenbaar op het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving.

KWALITEITSGEBIED STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (SKA)

SKA1. Visie, ambities en doelen

De school heeft een gedragen visie op goed onderwijs, heeft daarvoor ambities en doelen en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

De school heeft, als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg, een gedragen visie, ambities en doelen gericht op goed onderwijs die ervoor zorgen dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. De schoolleiding vertaalt haar visie, ambities en doelen in onderwijskundig beleid en stuurt daarop om de beoogde resultaten te behalen. De schoolleiding beschrijft op welke manier ze zorgt voor het realiseren, borgen en verbeteren van de onderwijskwaliteit en hoe ze de naleving van de wettelijke eisen realiseert.

De schoolleiding sluit met haar visie, ambities en doelen aan op die van haar bestuur en op de kenmerken van de leerlingenpopulatie van de school. Dit doet zij onder meer door aan te geven hoe ze rekening houdt met (taal)achterstanden, de wettelijke opdracht tot bevordering van burgerschap en specifieke leerbehoeften om bij te dragen aan gelijke kansen voor alle leerlingen. Resultaten van eerdere evaluaties, interne en externe dialoog zijn zichtbaar in de doelen voor het onderwijskundig beleid.

De schoolleiding richt de voorwaarden in om de onderwijskundige ambities en doelen te bereiken, waaronder het personeelsbeleid en de organisatie van het onderwijs. Daarbij is de interne verantwoordelijkheidsverdeling duidelijk.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 8, derde lid, WPO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 8, elfde lid, WPO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat daarbij op structurele en herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden, in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal.

• Artikel 10 WPO: Het bestuur moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder zorg dragen voor wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er toetsbare doelen zijn geformuleerd.

• Artikel 12, eerste lid, WPO: Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school wordt gevoerd, en omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg.

• Artikel 12, tweede lid, WPO: De beschrijving van het onderwijskundig beleid omvat in elk geval de inhoud van het onderwijs, de eigen opdrachten voor het onderwijs, het pedagogisch-didactisch klimaat en de veiligheid. Daarbij betrekt de school het schoolondersteuningsprofiel.

• Artikel 12, vierde lid, WPO: De school draagt door haar stelsel van kwaliteitszorg zorg voor de ononderbroken ontwikkeling van leerlingen en de afstemming van het onderwijs op de voortgang van de ontwikkeling van leerlingen. Ook moet worden vastgesteld waar verbetermaatregelen nodig zijn.

• Artikel 31 WPO: Het bestuur stelt een managementstatuut vast waaruit de verantwoordelijkheidsverdeling in de aansturing van de school blijkt.

• Artikel 167 en 167a, WPO: Het op gemeentelijk niveau maken van afspraken over en het formuleren van doelen voor het bestrijden van onderwijsachterstanden.

SKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

De school realiseert de doelen voor goed onderwijs, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

De school realiseert de doelen voor goed onderwijs, die voortkomen uit haar visie en ambities. De schoolleiding zorgt daartoe voor een professionele en veilige leer- en verbetercultuur in de school. Binnen deze kwaliteitscultuur geven schoolleiding en het (bevoegd) onderwijspersoneel samen uitvoering aan het stelsel van kwaliteitszorg, zodat de school als geheel gericht werkt aan het bereiken van de onderwijskundige doelen. Waar nodig stuurt de schoolleiding tussentijds bij.

De schoolleiding zorgt ervoor dat de deskundigheidsbevordering van het personeel binnen de gestelde doelen gestalte krijgt. Leraren(teams) oefenen daarbij de eigen verantwoordelijkheid bij het inrichten van hun onderwijs uit.

De schoolleiding toont in haar sturing onderwijskundig leiderschap en zorgt voor een gerichte inzet van middelen om gestelde doelen te realiseren. De school geeft uitvoering aan het schoolondersteuningsprofiel. Zij werkt samen met andere scholen, het samenwerkingsverband en andere organisaties, zodat geen leerling tussen wal en schip valt.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 8, vierde lid, WPO: Het bestuur treedt zo nodig in overleg met gemeente,

• jeugdgezondheidszorg, een instantie voor maatschappelijke ondersteuning of een zorgaanbieder.

• Artikel 8, vijfde lid, WPO: Het bestuur stelt ten minste eenmaal in de vier jaar het schoolondersteuningsprofiel vast.

• Artikel 18a WPO: Het bestuur is aangesloten bij een samenwerkingsverband.

• Artikel 10 WPO: Het bestuur moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder ‘zorg dragen voor’ wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat het bestuur en de scholen zicht hebben op de kwaliteit van het onderwijs. Daarbij moet het functioneren van de kwaliteitscyclus centraal staan.

• Artikel 12, derde lid, WPO: Het schoolplan bevat een beschrijving van het personeelsbeleid. Dit personeelsbeleid gaat in elk geval over hoe wordt voldaan aan de eisen van bevoegdheid en onderhoud van bekwaamheid, de bijdrage van het personeel aan het onderwijskundig beleid, het pedagogisch-didactisch handelen, de evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding, bedoeld in artikel 30.

• Artikel 31a, eerste tot en met derde lid, WPO: De school dient leraren een zelfstandige verantwoordelijkheid te geven bij de beoordeling van de onderwijsprestaties van leerlingen en voldoende zeggenschap te geven waar het gaat om het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de school.

• Artikel 32b en artikel 34a, WPO: Het bestuur beschikt bij elk personeelslid waarvoor bekwaamheidseisen gelden over geordende gegevens over de bekwaamheid en het onderhouden daarvan.

SKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

De school evalueert en analyseert systematisch of zij de doelen realiseert en verantwoordt zich daarover. Ze stelt, wanneer nodig, het schoolbeleid bij en betrekt interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

De schoolleiding monitort, evalueert, analyseert en beoordeelt als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de doelen en het beleid worden gerealiseerd en informeert het bestuur daarover. Zij haalt intern en extern actief informatie op om zicht te krijgen op de uitvoering, de resultaten van het onderwijs voor de leerlingen en mogelijke kansen en bedreigingen voor de verdere ontwikkeling van het onderwijs.

Voor een goede overdracht en om zicht te houden op het vervolgsucces van haar leerlingen, onderhoudt de school contact met de scholen/instellingen waar deze naartoe uitstromen. De schoolleiding organiseert tegenspraak. Daarvoor gaat zij actief een dialoog aan met in ieder geval ouders, personeel, de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad ((G)MR) en, wanneer van toepassing, leerlingen, gemeenten en/of (regionale)werkgevers.

De school informeert belanghebbenden minimaal jaarlijks op toegankelijke manier over haar doelen en werkwijze, en over de resultaten die zij heeft behaald.

De schoolleiding analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verwerkt deze wanneer nodig in het (verbeter)beleid, zodat dit bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwijs. Daarnaast gebruikt de school de uitkomsten van de evaluatie om de sturing te verbeteren. Zij maakt daarbij duidelijk welk effect de inbreng van belanghebbenden heeft op het borgen en bijstellen van het schoolbeleid.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 8, eerste lid, WPO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen.

• Artikel 8 WMS: De (G)MR ontvangt tijdig alle inlichtingen van het bestuur die redelijkerwijs nodig zijn om zijn taak te kunnen vervullen en ontvangt in elk geval bepaalde in de wet beschreven informatie.

• Artikel 10 en 12, vierde lid, WPO: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er regelmatig wordt geëvalueerd of deze doelen worden gehaald.

• Artikel 10 WMS: Het bestuur heeft in bepaalde gevallen voorafgaande instemming nodig van de (G)MR voor elk besluit in dat geval, bijvoorbeeld bij verandering van de onderwijskundige doelstellingen van de school.

• Artikel 11 WMS: Het bestuur moet de (G)MR vooraf in de gelegenheid stellen om te adviseren over besluiten bij bepaalde aangelegenheden, bijvoorbeeld bij de vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de school.

• Artikel 12 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het personeelsdeel van de (G)MR bij besluiten bij bepaalde aangelegenheden, bijvoorbeeld bij de vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie.

• Artikel 13, eerste lid, sub a, WPO: De school maakt in de schoolgids duidelijk wat de doelen van het onderwijs zijn en welke resultaten met het onderwijsleerproces worden bereikt.

• Artikel 13, eerste lid, sub o, WPO: In de schoolgids dienen ook de gedane bevindingen ten aanzien van het stelsel van kwaliteitszorg te worden opgenomen en de maatregelen die naar aanleiding daarvan zijn getroffen.

• Artikel 14 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het ouder- en leerlingdeel van de (G)MR over bepaalde besluiten, bijvoorbeeld over de vaststelling van de schoolgids.

• Artikel 167 en 167a, WPO: De bevoegde gezagsorganen van de scholen voeren jaarlijks overleg met elkaar, met organisatie voor kinderopvang en met de gemeente over het voorkomen van segregatie, het bevorderen van integratie en het bestrijden van achterstanden.

5.4 Overige wettelijke vereisten

Niet alle deugdelijkheidseisen zoals die in de onderwijswet- en regelgeving staan vermeld, zijn opgenomen in het onderzoekskader. Dit geldt bijvoorbeeld voor die over de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) en de vrijwillige ouderbijdrage. De deugdelijkheidseisen die niet aan een standaard in het waarderingskader zijn verbonden, vatten we samen onder de noemer ‘overige wettelijke vereisten’. Het schoolplan is voor het schoolbeleid, vaak ook in relatie tot overige wettelijke eisen, een belangrijk verantwoordingsdocument.

In ons jaarwerkplan, dat op de website van de inspectie wordt gepubliceerd, geven we aan welke thema’s we in dat jaar onderzoeken. Ook op grond van meldingen en signalen kunnen we besturen en scholen bevragen op het mogelijk niet-naleven van de overige wettelijke vereisten. Niet-naleving van (een of meer van) de overige wettelijke vereisten kan op schoolniveau in dat geval niet leiden tot een oordeel Onvoldoende of tot het oordeel Zeer zwak. Wel moet de school/het bestuur de tekortkoming binnen een door de inspectie te bepalen termijn herstellen. Om voor de waardering Goed in aanmerking te komen, moet een school, in aanvulling op de wettelijke eisen van de standaarden, ook aan alle overige wettelijke vereisten voldoen.

6. Oordelen en waarderen

6.1 Inleiding

In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we oordelen en waarderen. We doen dat zo transparant mogelijk, aan de hand van het waarderingskader op bestuurs- en schoolniveau en met de beschrijving van de oordeelsvorming, zoals opgenomen in dit hoofdstuk. Onze oordelen gaan altijd over de gerealiseerde kwaliteit van de (be)sturing en over het onderwijs dat leerlingen ontvangen.

We gaan in dit hoofdstuk eerst in op hoe we omgaan met het raamwerk van de kernfuncties op stelselniveau (paragraaf 6.2), zoals opgenomen in hoofdstuk 3. Dat hanteren we uitsluitend vanuit onze stimulerende rol. Daarna leggen we uit hoe we op basis van de waarderingskaders voor besturen en scholen (hoofdstuk 4 en 5) oordelen en waarderen. In het algemeen bepaalt het al dan niet voldoen aan de deugdelijkheidseisen of een standaard Voldoende of Onvoldoende is. De waardering Goed spreken we uit als ambities, rondom basiskwaliteit en/of daarboven uitstijgend, gerealiseerd worden. We beschrijven dit in paragraaf 6.3. In paragraaf 6.4 zijn beslisregels voor de beoordeling van de standaarden voor het bestuur beschreven, gevolgd door de beslisregels voor de beoordeling van onderwijskwaliteit van scholen in paragraaf 6.5.

6.2 Stimuleren op stelselniveau

In hoofdstuk 3 is het stelseltoezicht beschreven. We reflecteren daarop en spreken geen oordelen uit. We gebruiken het raamwerk om de drie kernfuncties van het onderwijs, namelijk kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen en daarnaast de belangrijke voorwaarden daarvoor te beschouwen. We beschrijven jaarlijks in ‘De Staat van het Onderwijs’ (paragraaf 7.2) hoe het met de kernfuncties en voorwaarden van het onderwijsstelsel is gesteld.

We bespreken deze thema’s bij onderzoeken bij besturen en scholen. Uit onze gegevens op stelselniveau kan blijken dat de kwaliteit van (een deel van) de kernfuncties in een bepaalde regio in hoge of juist mindere mate gerealiseerd wordt. Door ambities van besturen rondom kernfuncties in een open dialoog te bespreken en te verkennen, leggen we een verbinding tussen scholen en hun invulling van de kernfuncties.

6.3 Oordelen en waarderen standaarden bestuur en school

Voor het beoordelen en waarderen van de kwaliteit van besturen en scholen gebruiken we de standaarden zoals beschreven in de hoofdstukken 4 en 5. Een standaard bestaat uit een beschrijving van de basiskwaliteit, gebaseerd op de deugdelijkheidseisen. Per standaard besteden we daarnaast aandacht aan de vragen naar aanvullende ambities.

Of een standaard als Voldoende of Onvoldoende wordt beoordeeld, is gebaseerd op de vraag of het bestuur/de school voldoet aan de deugdelijkheidseisen en daarmee basiskwaliteit realiseert. Voor de waardering Goed wordt de realisatie van ambities betrokken. Onderstaande tabel geeft aan hoe het oordeel en de waardering op standaardniveau tot stand komt:

Oordeel/waardering standaard

Norm voor standaarden

Goed

Het bestuur of de school voldoet aan de deugdelijkheidseisen en realiseert ook ambities die daarboven uitstijgen.

Voldoende

Het bestuur of de school voldoet aan de deugdelijkheidseisen en realiseert daarmee basiskwaliteit.

Onvoldoende

Het bestuur of de school voldoet niet aan de deugdelijkheidseisen.

6.4 Oordelen en waarderen op bestuursniveau

Om basiskwaliteit op de scholen te kunnen waarborgen, gaan we ervan uit dat het bestuur in staat is om de kwaliteitscyclus, zoals uitgedrukt in de wettelijke eisen van de drie standaarden van het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie (zie hoofdstuk 4), uit te voeren. Daar waar dat niet het geval is, leidt dit tot een Onvoldoende op het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie. Als het bestuur aan de deugdelijkheidseisen voldoet en ambities realiseert, waarderen we het kwaliteitsgebied als Goed. Hoe het oordeel of de waardering op bestuursniveau tot stand komt, ziet er als volgt uit:

Oordeel/waardering bestuursniveau

Norm kwaliteitsgebied

Besturing, kwaliteitszorg en ambitie

Goed

Twee standaarden uit het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie zijn Goed en de derde is ten minste Voldoende.

Voldoende

Alle drie de standaarden uit het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie zijn ten minste Voldoende.

Onvoldoende

Een of meer standaarden uit het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie is/zijn Onvoldoende.

Het niet voldoen aan een deugdelijkheidseis van financiële continuïteit of rechtmatigheid leidt in alle gevallen tot een herstelopdracht voor het bestuur. Dit geldt ook als de jaarstukken van het bestuur niet zijn ingediend zoals wettelijk vereist is. De mate waarin het oordeel of waardering van de betreffende standaard binnen het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie wordt aangepast is afhankelijk van de ernst van de tekortkoming.

6.5 Oordelen en waarderen op schoolniveau

Het oordeel of de waardering over de kwaliteit van de school (eindoordeel) komt tot stand op basis van de volgende normen.

Eindoordeel/waardering schoolniveau

Norm

Goed

Alle standaarden zijn minimaal Voldoende én de standaard Uitvoering en kwaliteitscultuur (SKA2) is Goed, evenals ten minste twee standaarden uit de andere kwaliteitsgebieden van het waarderingskader voor scholen. Alle onderzochte overige wettelijke vereisten worden nageleefd én de financiële continuïteit op bestuursniveau voldoet aan de wettelijke vereiste.

Voldoende (basiskwaliteit)

De standaarden Resultaten, Zicht op ontwikkeling en begeleiding, Pedagogisch-didactisch handelen en Veiligheid zijn Voldoende, én niet meer dan één andere standaard in de gebieden Onderwijsproces of Veiligheid en schoolklimaat is Onvoldoende.

Onvoldoende1

De standaard Resultaten of Zicht op ontwikkeling en begeleiding of Pedagogisch-didactisch handelen of Veiligheid is Onvoldoende, óf twee of meer andere standaarden in de gebieden Onderwijsproces en/of Veiligheid en schoolklimaat zijn Onvoldoende.

Zeer zwak

De standaard Resultaten is Onvoldoende én een of meer van de volgende standaarden Zicht op ontwikkeling en begeleiding en/óf Pedagogisch-didactisch handelen en/óf Veiligheid is/zijn Onvoldoende.

X Noot
1

In het geval er sprake is van een situatie met alleen onvoldoende leerresultaten (zonder een of meerdere andere onvoldoende(s) op standaarden) zal dat geen aanleiding zijn om over te gaan tot het opleggen van een bekostigingsmaatregel, zoals opschorten of inhouden van de rijksbekostiging.

De waardering Goed is bedoeld om goede kwaliteit op scholen te waarderen en te stimuleren. We gaan ervan uit dat deze scholen een brede basiskwaliteit hebben. Dat betekent dat er onomwonden een positief antwoord gegeven kan worden op de kernvragen voor goed onderwijs. Deze kernvragen zijn: krijgen leerlingen goed onderwijs (Onderwijsproces), voelen ze zich veilig (Veiligheid en schoolklimaat) en leren ze genoeg (Onderwijsresultaten)? Dit vraagt een expertoordeel over de integrale kwaliteit van de school. Dit betekent dat wij van goede scholen verwachten dat zij aan ons laten zien hoe zij hun visie, ambities en doelen uitvoeren (SKA2) en welke kwaliteit dit in de praktijk oplevert, zoals te zien aan de standaarden voor Onderwijsproces en Veiligheid en schoolklimaat.

6.5.1 Wettelijke norm zeer zwak onderwijs

De norm voor het oordeel Zeer zwak is bij wet bepaald. Artikel 10a, WPO stelt dat het onderwijs zeer zwak is als de resultaten ernstig en langdurig tekortschieten en er in verband met dit tekortschieten ook tekortkomingen zijn in de naleving van een of meer bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften. In de tabel hierboven is aangegeven hoe we deze wettelijke norm in het waarderingskader hebben vertaald. Het inspectierapport waarin de inspectie tot het oordeel komt dat de kwaliteit van het onderwijs Zeer zwak is, geldt na de vaststelling daarvan als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een bestuur kan tegen het oordeel Zeer zwak bezwaar maken en vervolgens tegen de beslissing op bezwaar beroep aantekenen (artikel 20, zesde lid, WOT).

6.5.2 Normering bij niet te beoordelen resultaten

In de wet (artikel 10a, vierde lid, WPO) is bepaald dat wanneer de leerresultaten van de school niet kunnen worden beoordeeld, het volgende geldt: “De kwaliteit van het onderwijs is Zeer zwak als de school tekortschiet in de naleving van twee of meer bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften en de school dientengevolge tekortschiet in het zorg dragen voor de veiligheid op school, bedoeld in artikel 4c, of het zodanig inrichten van het onderwijs dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen dan wel het afstemmen van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, WPO.”

In alle gevallen dat de resultaten niet te beoordelen zijn, hanteren we, als voldaan is aan artikel 10a, vierde lid, WPO, de volgende normering voor Zeer zwak.

Normering bij niet te beoordelen resultaten

Onvoldoende

De standaard Zicht op ontwikkeling en begeleiding of Pedagogisch-didactisch handelen of Veiligheid of Visie, ambities en doelen is Onvoldoende, óf twee andere standaarden in de gebieden Onderwijsproces en/of Veiligheid en schoolklimaat zijn Onvoldoende.

Zeer zwak

Twee of meer van de vier volgende standaarden zijn Onvoldoende: Zicht op ontwikkeling en begeleiding, Pedagogisch-didactisch handelen, Veiligheid en Visie, ambities en doelen.

6.5.3 Aanvullende normering voor nieuwe scholen

Nieuwe scholen hebben vaak nog geen representatieve eindresultaten beschikbaar. Deze kunnen net als bij scholen met niet te beoordelen eindresultaten dan ook geen rol spelen in de beoordeling. Aanvullend op de beslisregels ’Normering bij niet te beoordelen eindresultaten’ (paragraaf 6.5.2) gelden voor nieuwe scholen de volgende wettelijke regels. In artikel 164b, WPO is geregeld dat een school die minder dan twee jaar bekostiging ontvangt en die slechte kwaliteit levert, gesloten kan worden of dat de bekostiging kan worden beëindigd. Dit kan alleen als de school al in het eerste jaar én na een verbetertermijn van een jaar nog steeds niet voldoet aan drie of meer belangrijke bij of krachtens de wet gegeven voorschriften (deugdelijkheidseisen). Daardoor draagt de school geen zorg voor de veiligheid, kunnen de leerlingen geen ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen of wordt het onderwijs niet afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen. Dat betekent dat de sluiting van een nieuwe school een uitzonderlijk instrument is, dat alleen gebruikt kan worden als de kwaliteit van een school ver beneden peil is. Daarom moet in dit geval sprake zijn van een extra tekortkoming in de naleving van de deugdelijkheidseisen ten opzichte van de normering Zeer zwak bij andere scholen. Sluiting of beëindiging van bekostiging is dan in het belang van de leerlingen wettelijk mogelijk.

Aanvullende normering voor nieuwe scholen

Zeer zwak

Veiligheid, Zicht op ontwikkeling en begeleiding én Pedagogisch-didactisch handelen zijn Onvoldoende.

Het oordeel Voldoende en de waardering Goed volgen de beslisregels voor de scholen (paragraaf 6.5 en/of paragraaf 6.5.2).

6.6 Oordeelsvorming

6.6.1 Beoordelen naleving deugdelijkheidseisen

Bij onze oordeelsvorming hanteren we bovengenoemde normering als richtlijn. De mate waarin de onderwijspraktijk de essentie en de bedoeling van met name de deugdelijkheidseisen tentoonspreidt, is bepalend voor ons oordeel. Voor het oordeel Voldoende gaan we er in principe van uit dat aan alle deugdelijkheidseisen die horen bij de standaard is voldaan. We beoordelen de kwaliteit zoals in de standaard is omschreven integraal en niet elke deugdelijkheidseis van de standaard op zichzelf. Het kan zijn dat een bestuur of school op een standaard een positief beeld laat zien, maar op een bepaald element van de standaard (nog) niet. Als dit beperkt van invloed is op de aangetroffen kwaliteit van de school of voor leerlingen én als de tekortkoming eenvoudig en op korte termijn kan worden hersteld, dan geven we het oordeel Voldoende op de standaard. Het bestuur krijgt dan een opdracht tot herstel (herstelopdracht) voor dit bepaalde onderdeel van de standaard en zorgt voor de naleving. Wanneer niet is voldaan aan de deugdelijkheidseisen van financiële continuïteit of rechtmatigheid, kan de betreffende standaard binnen het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambities niet als Voldoende worden beoordeeld of als Goed worden gewaardeerd.

6.6.2 Waarderen van ambities

Zowel besturen als scholen hebben vanuit hun visie ambities. Deze ambities kunnen gaan over de basiskwaliteit en er zijn ambities die daarboven uitstijgen. Naast het voldoen aan de deugdelijkheidseisen, baseren we een waardering Goed op het geheel aan gerealiseerde ambities door het bestuur of door de school bij een betreffende standaard. We onderzoeken of het bestuur (bij een vierjaarlijksonderzoek) of de school (bij een onderzoek op schoolniveau) de voorgenomen ambities uitvoert en realiseert. De visie en de plannen op bestuursniveau en de vertaling daarvan door de schoolleiding op schoolniveau, vastgelegd in het schoolplan, spelen hierbij een belangrijke rol. De waardering Goed op schoolniveau is vier jaar geldig.

6.6.3 Omgeving van bestuur en school

De omgeving en de condities waarin het bestuur en de school opereren, kunnen in positieve of negatieve zin de onderwijskwaliteit en het financieel beheer beïnvloeden. Omgevingsfactoren en condities zijn bijvoorbeeld de kenmerken en de ontwikkeling van de leerlingenpopulatie, de beschikbaarheid van personeel, een fusiegeschiedenis, de huisvesting, de organisatieontwikkeling en de ontwikkeling van het bestuur. We verwachten dat besturen en scholen met hun visie, ambities, doelen en beleid op deze factoren inspelen om de kernfuncties voor het onderwijs voor al hun leerlingen te realiseren. Onze oordelen gaan altijd over de gerealiseerde kwaliteit van de (be)sturing en van het onderwijs dat leerlingen ontvangen.

Omgeving en condities spelen hoofdzakelijk een rol bij het bepalen van de invulling van het onderzoek en eventueel bij het vervolgtoezicht.

7. Werkwijze toezicht

7.1 Inleiding

In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we het toezicht uitvoeren. We beschrijven in paragraaf 7.2 eerst onze werkwijze voor het stelseltoezicht. Aan de kernfuncties van het stelsel geven besturen en scholen invulling. Daarnaast waarborgen besturen de uitvoering en kwaliteit van het onderwijs op de scholen onder hun bestuur. In paragraaf 7.3 beschrijven we de werkwijze voor het toezicht op besturen en scholen. In paragraaf 7.4 staat welke activiteiten we hiervoor ondernemen. In de laatste paragraaf van dit hoofdstuk gaan we in op onze werkwijze bij het vervolgtoezicht.

7.2 Stelseltoezicht

7.2.1 Werkwijze van het stelseltoezicht

Via het stelseltoezicht geven we een beeld van de kwaliteit van het Nederlandse onderwijsstelsel. We signaleren waar het goed gaat en waar niet, agenderen thema’s en dragen bij aan het oplossen van knelpunten. Door het stelsel als geheel in ogenschouw te nemen, krijgen we bijvoorbeeld zicht op

onderwijsloopbanen, knelpunten bij overgangen tussen sectoren en (on)gelijkheid van kansen. Zo kunnen we bevorderen dat het onderwijs aan leerlingen steeds beter wordt. In hoofdstuk 3 is hiervoor een raamwerk met een beschrijving van stelselkwaliteit opgenomen.

In het stelseltoezicht zetten we een aantal stappen (zie figuur 7.2.1a):

  • We monitoren trends en ontwikkelingen in het Nederlandse onderwijs.

  • We analyseren waar het goed gaat, maar reflecteren ook op de knelpunten die risico’s vormen voor de kwaliteit van het stelsel.

  • We agenderen welke belangrijke risicovolle knelpunten we zien voor het onderwijsstelsel en rapporteren daarover onder andere jaarlijks in ‘De Staat van het Onderwijs’.

  • We interveniëren wanneer dat vanuit de stimulerende functie van het toezicht passend is. We doen dat via het stelsel-, bestuurs- en schooltoezicht, maar ook door andere activiteiten om het onderwijsveld te stimuleren de kwaliteit te verhogen.

Figuur 7.2.1a Cyclus stelseltoezicht

Figuur 7.2.1a Cyclus stelseltoezicht

In paragraaf 7.2.2 gaan we verder in op hoe we monitoren en analyseren. In paragraaf 7.2.3 beschrijven we hoe we agenderen en interveniëren.

7.2.2 Monitoring en analyse van ontwikkelingen

Aan de hand van het raamwerk van de kwaliteitsbeschrijving van het stelsel (zie hoofdstuk 3) volgen we systematisch de ontwikkelingen in het onderwijsstelsel. We kijken naar hoe het geheel van besturen en scholen samen de drie kernfuncties vervult: kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen. Ook kijken we naar de essentiële voorwaarden om deze te verwezenlijken: de doelmatigheid, zoals te zien aan beschikbaarheid en besteding van financiële middelen, het personeelsbeleid, de kwaliteitszorg en het bestuurlijk handelen.

Voor de monitoring en aansluitende analyse verzamelen we gegevens uit verschillende bronnen. We gebruiken bestaande gegevens, gegevens uit stelsel- en instellingstoezicht, signalen en we verzamelen zelf gegevens door thematisch onderzoek.

Bestaande gegevens, gegevens uit stelsel- en instellingstoezicht en signalen

We gebruiken gegevens uit het toezicht op besturen en scholen, waaronder gegevens die het bestuur zelf beschikbaar heeft. Daarnaast gebruiken we signalen die we over het onderwijs ontvangen. Verder maken we gebruik van gegevens van andere organisaties en van wetenschappelijk onderzoek. We analyseren het grootste gedeelte van de gegevens minimaal jaarlijks, maar het kan ook zijn dat we meerdere keren per jaar analyses maken. We analyseren ook prestaties in brede zin en kijken specifiek naar risico’s voor de kwaliteit van onderwijs.

Themaonderzoek

We monitoren ontwikkelingen door besturen en scholen te onderzoeken of door samen te werken met anderen om gegevens te verzamelen. We noemen dit themaonderzoek. Verschillende doelstellingen voor een themaonderzoek zijn bijvoorbeeld:

  • het krijgen van een beeld van de ontwikkeling van de kwaliteit van een bepaald (stelsel)aspect bij besturen of scholen;

  • het verkrijgen van inzichten en, waar mogelijk, het vinden van verklaringen voor risico’s of stelselknelpunten, zoals bij een regionaal probleem of voor een specifieke doelgroep.

We richten het themaonderzoek in op basis van actuele vraagstukken of gesignaleerde stelselproblemen. Dit doen we soms bij een bestuur of een school. In dat geval combineren we het themaonderzoek eventueel met het vierjaarlijks onderzoek bij het bestuur en scholen, zoals beschreven in paragraaf 7.3. Ook is het mogelijk dat we op een andere manier onderzoek doen, bijvoorbeeld door vragenlijsten uit te zetten, mee te kijken in het onderwijsproces, gesprekken te voeren met meerdere besturen of scholen tegelijk of gesprekken te voeren met bijvoorbeeld wetenschappers en deskundigen.

Met ons thematisch onderzoek willen we in kaart brengen in hoeverre het onderwijsstelsel erin slaagt de eerdergenoemde kernfuncties van het onderwijs te realiseren. Daarbij zoeken we naar verklaringen voor wat niet goed gaat en willen we laten zien wat wel en niet bijdraagt aan het realiseren van de kernfuncties. Hierover gaan we actief de dialoog aan met betrokkenen.

Wat we willen onderzoeken, nemen we op in het Jaarwerkplan. Hierin beschrijven we meerjarige onderzoeksprogramma’s en eenmalige themaonderzoeken die gericht zijn op het in beeld brengen van de kernfuncties of gesignaleerde knelpunten in het stelsel. Urgente thema’s kunnen leiden tot verschuiving of uitbreiding van onze onderzoeksagenda.

In het primair onderwijs vinden daarnaast periodieke peilingsonderzoeken plaats onder de naam Peil.onderwijs. Informatie hierover kunt u vinden op onze website (www.onderwijsinspectie.nl).

7.2.3 Agenderen en interveniëren

Voor het agenderen en interveniëren in het stelseltoezicht onderscheiden we vier soorten activiteiten. Deze beschrijven we hierna. Agenderen en interveniëren liggen soms dicht bij elkaar, omdat agenderen een vorm van interveniëren is.

De Staat van het Onderwijs

Jaarlijks brengen we ‘De Staat van het Onderwijs’ uit. Hierin geven we weer hoe het onderwijsstelsel in Nederland ervoor staat. Wat gaat er goed en waar zijn knelpunten, kansen en risico’s? Ook de informatie over onze verrichte (thema)onderzoeken maakt deel uit van ‘De Staat van het Onderwijs’. Deze rapportagetaak van de inspectie is vastgelegd in de Grondwet (artikel 23, achtste lid) en in de Wet op het onderwijstoezicht (WOT).

Landelijk rapport gemeentelijk toezicht kinderopvang

Het stelseltoezicht voor de gemeentelijke taken in het kader van kinderopvang vindt zijn vorm in het jaarlijks uitgebrachte ‘Landelijk rapport gemeentelijk toezicht kinderopvang’ en in themaonderzoeken. Door middel van deze rapporten geven we inzicht in het stelsel en agenderen of diepen we actuele thema’s uit.

Thematisch rapporteren

De uitkomsten van themaonderzoeken brengen we op verschillende manieren onder de aandacht van besturen, scholen en de samenleving. Het doel hiervan is om de stand van zaken over het betreffende thema weer te geven en om risico’s en knelpunten te agenderen. Ook stimuleren we samenwerking zodat (verdere) verbeteringen kunnen plaatsvinden. Dat doen we vaak in de vorm van een onderzoeksrapport, maar ook in de vorm van een symposium, een bezoek van inspecteurs, een podcast of een webinar. We richten ons hierbij zo direct mogelijk op de doelgroep die het meest betrokken is, zoals leraren of bijvoorbeeld op alle partners in een specifieke regio.

Thema’s als onderdeel van het toezicht bij besturen en scholen

Bij de uitvoering van ons toezicht bij besturen en scholen bespreken we soms thema’s, specifieke knelpunten en goede voorbeelden vanuit de regionale of lokale context. Zo hebben we aanknopingspunten om met bestuur en scholen over hun ambities die de kernfuncties raken in gesprek te gaan in aansluiting op hun omgeving, of risico’s.

Interventies op maat

Naast de hiervoor genoemde activiteiten zetten we waar dat passend is ook specifieke interventies in. Uit diverse bronnen komen onderwerpen van het onderwijsstelsel naar voren die we, met het oog op het publiek belang, willen adresseren. Zo kan er een knelpunt zijn waar op lokaal niveau meerdere besturen, een samenwerkingsverband, groepen werkgevers en de gemeente een rol in hebben. En dan loont het om het knelpunt bij deze actoren samen te agenderen. Voorbeelden daarvan zijn regionale gesprekken over de aanpak van het lerarentekort, krimp of zorg voor specifieke groepen leerlingen.

7.3 Toezicht op besturen en scholen

Bij het toezicht op de besturen en scholen staat centraal hoe besturen de (financiële) kwaliteit van het onderwijs waarborgen en bevorderen. Om deze vragen te beantwoorden doen we onderzoek op het niveau van bestuur en scholen. We lichten hieronder eerst onze werkwijze toe en gaan vervolgens in op de toezichtsactiviteiten.

7.3.1 Werkwijze toezicht op besturen en scholen

De eindverantwoordelijkheid voor de onderwijskwaliteit op de scholen ligt bij de besturen. Bij de uitvoering van het toezicht op besturen en scholen gaan we uit van proportionaliteit, maatwerk, transparantie en verantwoording. We lichten in paragraaf 7.3.2 proportionaliteit en maatwerk verder toe.

  • proportionaliteit: we stemmen de intensiteit van het toezicht op het bestuur en de scholen af op de kwaliteit van het bestuur. Dit lichten we in paragraaf 7.3.2 toe;

  • maatwerk: omdat besturen en scholen sterk verschillen in grootte, (regionale en lokale) omstandigheden en ontwikkeling, bepalen we bij elk onderzoek de inrichting en de opzet. We zetten verschillende onderzoeks- en verificatie-activiteiten in;

  • transparantie en verantwoording: bij de start van een onderzoek gaan we in gesprek met het bestuur en onderbouwen we de gekozen onderzoeksopzet. Gedurende het onderzoek informeren we het bestuur over eventuele aanpassingen hierin. We onderbouwen na afloop van het onderzoek de uitkomsten in de rapportage en passen hoor en wederhoor toe. We baseren onze oordelen, voor zover mogelijk, op minimaal drie verschillende bronnen. Dit noemen we triangulatieen daarmee waarborgen we onze onderzoekskwaliteit.

7.3.2 Proportionaliteit en maatwerk

We stemmen de intensiteit van het toezicht af op de kwaliteit van het bestuur. Het toezicht is daarmee proportioneel. Hoe effectiever het bestuur in staat is om te sturen op de kwaliteit van het onderwijs en het financieel beheer, de kwaliteit waarborgt op zijn scholen en zich daarover verantwoordt, hoe minder intensief het toezicht. Het omgekeerde geldt ook: hoe minder goed het bestuur in staat is de (financiële) kwaliteit te waarborgen en zich erover te verantwoorden, hoe intensiever we het toezicht inrichten. Urgente signalen of klachten kunnen in alle gevallen aanleiding zijn voor onderzoek, ook als de eerdere kwaliteitsbeoordeling van het bestuur Voldoende of Goed was. Om te bepalen of dit nodig is, zullen wij, indien mogelijk, het signaal eerst bespreken met het bestuur.

We bepalen de intensiteit van het toezicht op basis van onze gegevens over de kwaliteit van het bestuur. Deze inschatting bouwen we op uit een analyse van de bij ons beschikbare gegevens en aanvullende andere bronnen:

  • We hebben alle besturen in de afgelopen vier jaar onderzocht en beoordeeld. De uitkomsten daarvan en van andere momenten van onderzoek of contact vormen de start van ons beeld van de kwaliteit van het bestuur en van de kwaliteit van de invulling van hun (interne) waarborgfunctie.

  • Dit beeld vullen we aan op basis van gegevens uit de prestatie- en risicoanalyse die we jaarlijks per bestuur en voor alle scholen uitvoeren (zie paragraaf 7.3.3). We analyseren de ontwikkeling van deze gegevens in de tijd en ten opzichte van andere besturen.

  • Signalen die over een bestuur en de scholen bij de inspectie binnenkomen, betrekken we bij de analyse om de kwaliteit van het bestuur in beeld te brengen. Denk hierbij aan actuele ontwikkelingen, zoals mogelijke incidenten of andere berichten.

De analyse van het geheel aan informatie gebruiken we om de intensiteit van het toezicht te bepalen. Het geeft ons zicht op het al dan niet aanwezig zijn van (mogelijke) risico’s voor de onderwijskwaliteit en/of risico’s voor de kwaliteit van het bestuur. Dit is de basis van waaruit we de proportionaliteit van het toezicht bepalen: het toezicht kan intensief zijn, maar ook minder intensief.

Daarna werken we de toezichtsactiviteiten uit die aansluiten op de omstandigheden van het bestuur. Welke onderzoekinstrumenten hebben we nodig om bij het desbetreffende bestuur de kwaliteit te beoordelen? Is er sprake van een eenpitter of vallen er meerdere scholen onder het bestuur? Bij kleine besturen en eenpitters houden we in onze benadering rekening met de gekozen samenhang van de sturing tussen het school- en bestuursniveau. Met wie voeren we gesprekken, waar en hoe kijken we mee in het onderwijs? Dit is het maatwerk in het toezicht. Hoe dit intensieve en minder intensieve (vervolg)toezicht eruitziet, lichten we toe in paragraaf 7.4 en 7.5.

7.3.3 Jaarlijkse prestatie- en risicoanalyse

De monitoring van de prestaties op het niveau van het bestuur en hun scholen helpt ons om tijdig eventuele risico’s op het spoor te komen en inzicht te krijgen in het functioneren van het bestuur. We doen dit conform artikel 11 van de WOT aan de hand van een aantal indicatoren. Die indicatoren betreffen onder andere financiële gegevens, gegevens over het personeel, over de veiligheid op scholen en de resultaten en doorstroom van leerlingen. Ten minste eenmaal per jaar voeren we een analyse uit op de data die we met de monitor verkrijgen. Als er een vermoeden van risico’s is, voeren we een risicoanalyse uit.

Deze zogeheten expertanalyse bevestigt al dan niet de vermoedens van tekortkomingen ten aanzien van de onderwijskwaliteit en/of het financieel beheer. De analyse wordt uitgevoerd door een expertteam, waarin kennis en deskundigheid op het terrein van data-analyse, onderwijskwaliteit en financieel beheer aanwezig zijn. Zo ontstaat een integraal beeld van de onderwijskwaliteit, de sturingskwaliteit en de financiën.

7.4 Toezichtsactiviteiten bij besturen en scholen

Het toezicht op besturen en scholen omvat meerdere activiteiten. We onderzoeken besturen eens in de vier jaar. Dit onderzoek heet ‘Het vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en scholen’ (hierna: vierjaarlijks onderzoek). Zoals in paragraaf 7.3 is beschreven, doen we dat proportioneel en op maat. Binnen het vierjaarlijks onderzoek kijken we ook naar scholen want op schoolniveau verifiëren we of de besturing door het bestuur effectief is en of het bestuur (be)stuurt op basis van een actueel beeld van de kwaliteit. We beschrijven dit type onderzoek in paragraaf 7.4.1.

Ook tussentijds doen we onderzoek op scholen. Dit doen we als er risico’s zijn, bij aanvragen om de waardering Goed te verkrijgen en bij themaonderzoeken die in relatie staan tot het stelseltoezicht. Onderzoeken kunnen zowel aangekondigd als onaangekondigd plaatsvinden. We beschrijven de onderzoeken op schoolniveau in paragraaf 7.4.2.

Er kunnen zowel binnen het vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en scholen als tussentijds onderzoeken plaatsvinden rondom financieel beheer. Dit beschrijven we in paragraaf 7.4.3. Ten slotte zijn er nog enkele andere onderzoeksactiviteiten; die zijn beschreven in paragraaf 7.4.4.

7.4.1 Vierjaarlijks onderzoek bestuur en scholen

In het vierjaarlijks onderzoek willen we weten of de (be)sturing door het bestuur op de kwaliteit van de scholen op orde is, of er sprake is van deugdelijk financieel beheer en hoe dit bijdraagt aan de kernfuncties van het onderwijs (stelselthema’s). We hanteren daarvoor het waarderingskader voor besturen, zoals beschreven in hoofdstuk 4.

Het vierjaarlijks onderzoek bestaat doorgaans uit de onderdelen die in figuur 7.4.1a zijn beschreven. We bepalen de intensiteit van het toezicht (proportionaliteit) op basis van onze gegevens en we houden in de uitvoering van het onderzoek rekening met de specifieke inrichting en context van het bestuur en de scholen (maatwerk).

Figuur 7.4.1a Stappen van het vierjaarlijks onderzoek bestuur en scholen

Figuur 7.4.1a Stappen van het vierjaarlijks onderzoek bestuur en scholen

Een belangrijk onderdeel van onze werkwijze in het vierjaarlijks onderzoek is verificatie. Met verificatie-activiteiten toetsen we bij besturen, scholen en andere betrokkenen in hoeverre het bestuur zicht heeft op de kwaliteit van het onderwijs en het financieel beheer en hoe het bestuur daarop stuurt.

Verificatie-activiteiten

Om te bepalen of het bestuur voldoende stuurt op de kwaliteit van scholen en financiële ontwikkelingen voeren we verificatie-activiteiten uit. We verifiëren het gegeven beeld van de kwaliteit en de sturing van het bestuur. We zetten proportioneel diverse verificatie-activiteiten in en passen maatwerk toe. Deze beschrijven we in het onderzoeksplan. Zo verifiëren we het gegeven kwaliteitsbeeld onder andere door lessen te bezoeken en met leerlingen, ouders of de schoolleiders te spreken. Ook kunnen onderzoeken op schoolniveau (zie paragraaf 7.4.2) bijdragen aan verificatie van het kwaliteitsbeeld. Voor een beeld van financiële of andere ontwikkelingen in relatie tot de ambities, doelstellingen en kwaliteitszorg van het bestuur, kunnen we managementinformatie opvragen. Ook kunnen we hierover gesprekken met het bestuur of bijvoorbeeld de controller voeren.

De verificatie-activiteiten dragen bij aan de doelstellingen van het onderzoek, namelijk om de bestuurlijke kwaliteit vast te stellen op basis van het waarderingskader besturen. Anders dan bij onderzoeken naar risico’s en de waardering Goed geven we bij verificatie-activiteiten geen oordeel op het niveau van de standaarden of de school. De verificatie draagt namelijk bij aan het oordeel op het niveau van het bestuur. Wel delen we met de school onze bevindingen over de mate waarin de bestuurlijke kwaliteit zichtbaar is op de school. Signaleren we bij een school risico’s, dan bespreken we deze met het bestuur. Wanneer nodig voeren wij een kwaliteitsonderzoek naar risico’s uit.

7.4.2 Onderzoeken op schoolniveau

Op schoolniveau zetten we verschillende typen onderzoeken in, zowel binnen het vierjaarlijks onderzoek (zie paragraaf 7.4.1) als daarbuiten. Wanneer een onderzoek op schoolniveau binnen het vierjaarlijks onderzoek plaatsvindt, worden de activiteiten opgenomen in het onderzoeksplan. Dit plan bevat in elk geval verificatie-activiteiten zoals in de voorgaande paragraaf beschreven.

Onderzoek naar de waardering Goed

Een bestuur kan een school voordragen waarvan het de kwaliteit goed vindt. Het bestuur onderbouwt vooraf waarom de betreffende school de waardering Goed verdient. Wij verifiëren en beoordelen dat aan de hand van het waarderingskader op schoolniveau (zie hoofdstuk 5). Op basis van de kwaliteit van de onderbouwing van de kwaliteit van de school door het bestuur richten we het onderzoek op maat in.

Zo’n verzoek kan gedaan worden bij aanvang van het vierjaarlijks onderzoek. Besturen kunnen een school ook buiten het vierjaarlijks onderzoek aandragen voor een onderzoek naar de waardering Goed. Eventueel kan een school daarna ook voor het excellentietraject aangemeld worden. Om een waardering Goed of het predicaat Excellente School te verkrijgen, moet het financieel beheer door het bestuur op orde zijn.15

Risico-onderzoek

Onderzoeken naar risico’s nemen we mee in het vierjaarlijks onderzoek. Maar ze kunnen ook daarbuiten plaatsvinden, naar aanleiding van de jaarlijkse prestatieanalyse en signalen. We houden hiermee zicht op mogelijke risico’s, maar we verwachten dat besturen die te allen tijde zelf ook in beeld hebben, als onderdeel van de kwaliteitscyclus. Bij een bestuur dat de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit goed invult, verwachten we dat als wij mogelijke risico’s detecteren, het bestuur zelf de oorzaken onderzoekt, passende maatregelen neemt en zich hierover verantwoordt aan de inspectie. Bij een bestuur dat er niet in slaagt de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen, voeren wij (afhankelijk van de aard van de risico’s) zelf het risico-onderzoek geheel of gedeeltelijk uit. We onderzoeken en beoordelen dan een of meerdere standaarden van het waarderingskader op schoolniveau (zie hoofdstuk 5) en maken afspraken over de rapportage en verantwoording van de bevindingen.

Themaonderzoeken

Meer informatie over thematische onderzoeken is te vinden in paragraaf 7.2, maar we nemen ze hier voor de volledigheid op. Vanuit het stelseltoezicht zijn er thema’s die we verder onderzoeken. Hiervoor bezoeken we scholen en/of besturen. Deze themaonderzoeken kunnen samenvallen met het vierjaarlijks onderzoek en ook los plaatsvinden. In de regel geven we geen oordelen bij dit type onderzoek.

7.4.3 Onderzoeken specifiek gericht op financieel beheer

Toezicht op financiële continuïteit

Besturen leveren elk jaar een jaarrekening inclusief een bestuursverslag met daarin een meerjarenbegroting aan bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Op basis daarvan analyseren we jaarlijks de actuele en toekomstgerichte financiële kengetallen van elk bestuur. Bij mogelijke risico’s voor de continuïteit van het onderwijs starten we een onderzoek naar de financiële continuïteit op bestuursniveau. Dit onderzoek kan ook plaatsvinden tijdens een vierjaarlijks onderzoek. Als daar vanuit de monitoring van financiële kengetallen of vanuit signalen aanleiding voor is, kunnen we op elk moment een onderzoek naar de financiële continuïteit starten.

We stellen aangepast financieel toezicht in wanneer blijkt dat de continuïteit van het onderwijs binnen afzienbare termijn in het geding is en onvoldoende wordt voldaan aan de wet- en regelgeving op dit gebied. In het rapport nemen we op welke herstelopdrachten worden gegeven en welke afspraken met het bestuur worden gemaakt, zoals welke informatie het bestuur op welk moment aanlevert. Deze interventie is erop gericht dat de risico’s of tekorten binnen afzienbare termijn zijn opgeheven. Als het bestuur niet in staat blijkt om herstel te realiseren, dan wordt het toezicht geïntensiveerd (zie paragraaf 7.5).

Toezicht op financiële rechtmatigheid

Het bestuur legt verantwoording af over de verwerving en besteding van de rijksbekostiging. Deze verantwoording wordt beoordeeld door een accountant die wordt aangesteld door het interne toezicht. Deze accountant moet opereren volgens de beroepsmaatstaven van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) en volgens het Onderwijsaccountantsprotocol dat door de inspectie in overleg met belanghebbenden16 is opgesteld. Elk jaar controleren wij bij een selectie van accountants of hun controle voldoet aan de regels. Aandachtspunten uit deze toezichtactiviteit worden jaarlijks besproken met de NBA en kunnen aanleiding zijn het Onderwijsaccountantsprotocol aan te passen.

Bij signalen van mogelijk onrechtmatige verkrijging of besteding van middelen voeren we onderzoek uit bij een bestuur. Als we oordelen dat sprake is van onrechtmatige verkrijging of besteding, dan volgen daarna in de regel een wijziging in de bekostiging en een terugvordering van de bekostiging.

De inspectie is, naast het toezicht op onderwijswetgeving in een vierjaarlijks onderzoek, ook belast met het toezicht op en de handhaving van de Wet normering topinkomens (WNT) binnen het onderwijs. De WNT is geen onderwijswet, maar wetgeving die van toepassing is op de gehele publieke en semipublieke sector. Het toezicht op onderwijswetgeving in een vierjaarlijks onderzoek en het toezicht op de WNT worden daarom door de inspectie gescheiden van elkaar uitgevoerd.

7.4.4 Overige toezichtsactiviteiten

Onderzoek bij nieuwe scholen

Bij nieuwe scholen voeren we in het eerste jaar na de start een kwaliteitsonderzoek uit. Hoe we dit onderzoek inrichten, hangt af van de (aard van de aangeleverde) informatie die beschikbaar is over deze school en hoe de adviesprocedure17 voorafgaand aan de start van de nieuwe school verliep. Ook is dit afhankelijk van of de school start onder een bestaand bestuur (en wat de kwaliteit van dat bestuur is), of dat er ook sprake is van een nieuw bestuur.

Specifiek onderzoek

Ernstige signalen of andere informatie kunnen aanleiding zijn om een onderzoek over een specifiek onderwerp in te stellen bij een bestuur of een school. Dit kan tijdens het vierjaarlijks onderzoek of daarbuiten. Bij urgente signalen en ernstige incidenten interveniëren we vanzelfsprekend meteen op een passende manier.

Wij onderzoeken bij een specifiek onderzoek bepaalde aspecten van het besturen, het financieel beheer of het onderwijs (artikel 15, WOT). Ook hier geldt dat we de intensiteit van het onderzoek afstemmen op de kwaliteit van het bestuur.

Bestuursgesprekken

Besturen en inspectie hebben de mogelijkheid om periodiek een gesprek met elkaar te voeren. Aan elk bestuur is een contactinspecteur gekoppeld die het contact onderhoudt. Dit gaat in ieder geval over onderzoeken en vervolgtoezicht (inclusief herstelopdrachten, zie paragraaf 7.5). Ook heeft de contactinspecteur gesprekken met het bestuur over risico’s, signalen en incidenten. Het bestuur kan de contactinspecteur hierover informeren. Het kan ook zijn dat de contactinspecteur het bestuur bevraagt of (afhankelijk van de kwaliteit van het bestuur) verzoekt om zelf nader onderzoek te doen bij mogelijke risico’s. Daarnaast kan het gesprek gaan over relevante ontwikkelingen binnen of buiten de onderwijsinstelling. We betrekken daarbij ook vraagstukken op het niveau van het onderwijsstelsel als geheel.

Het leggen van het contact is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Het bestuur kan ervoor kiezen de contactinspecteur gedurende het jaar op de hoogte te houden van relevante ontwikkelingen en hem te informeren bij urgente zaken, zoals (ernstige) signalen. Ook kan de contactinspecteur geregeld contact leggen met het bestuur om een vinger aan de pols te houden of urgente zaken te bespreken. De informatie uit deze contacten nemen we mee in de eerdergenoemde monitoring.

7.5 Vervolgtoezicht, intensivering en sancties

Vervolgtoezicht is nodig wanneer er tijdens een vierjaarlijks onderzoek tekortkomingen worden vastgesteld bij het bestuur en de scholen, of wanneer andere onderzoeken of toezichtsactiviteiten hiertoe aanleiding geven.

7.5.1 Vervolgtoezicht bij herstelperiode

Natuurlijk is vervolgtoezicht lang niet altijd nodig. Als tijdens een onderzoek tekortkomingen zijn geconstateerd, wordt vervolgtoezicht afgesproken. De intensiteit hiervan is ook hier afhankelijk van de kwaliteit van het bestuur. We kunnen tekortkomingen constateren op bestuursniveau en/of op schoolniveau.

Geen tekortkomingen

Als uit een onderzoek blijkt dat het bestuur voor basiskwaliteit heeft gezorgd en dat het daarmee aan de deugdelijkheidseisen en financiële voorwaarden voor bestuur en school voldoet, is er geen vervolgtoezicht. Het bestuur en de scholen vallen dan onder het reguliere toezicht, waarbij we prestaties en risico’s jaarlijks monitoren en elke vier jaar het bestuur beoordelen. Wanneer nodig of gewenst, is er tussentijds contact.

Tekortkomingen bij het bestuur

Bij tekortkomingen op bestuursniveau, bijvoorbeeld bij onvoldoende (financiële) basiskwaliteit en daardoor niet voldoen aan wet- en regelgeving, spreken we met het bestuur af binnen welke termijn de geconstateerde tekortkomingen hersteld moeten zijn. Afhankelijk van de zwaarte en omvang van de tekortkoming verantwoordt het bestuur zich over het herstel aan de inspectie en gaan wij na of de tekortkoming is hersteld. De intensiteit waarmee we dat doen, bepalen we ook in relatie tot de kwaliteit van het bestuur.

Tekortkomingen op scholen

Bij tekortkomingen in de basiskwaliteit op een school maken we met het bestuur afspraken over de termijn waarbinnen de kwaliteit hersteld moet zijn. Wanneer de zwaarte en omvang van de tekortkomingen hiertoe aanleiding geven, bijvoorbeeld bij het oordeel Zeer zwak, stellen we een toezichtsplan op om het verloop van het herstel te monitoren en voeren we een herstelonderzoek uit. Bij kleinere tekortkomingen en als de kwaliteit van het besturen op orde is, verantwoordt het bestuur zich bij ons over het herstel. We spreken, afhankelijk van de kwaliteit van het bestuur, af hoe we omgaan met het herstelonderzoek.

Proportionaliteit en maatwerk bij herstel

Proportionaliteit en maatwerk beïnvloeden ook hoe we in de herstelperiode ons toezicht inrichten. Zo kunnen we voortgangsgesprekken voeren of een plan op (laten) stellen met afspraken over de stappen waarlangs het herstel op een school zal plaatsvinden.

Bij een bestuur waar de sturing ruimschoots op orde is, leggen we de verantwoordelijkheid voor het waarborgen van de kwaliteit en het herstellen van eventuele tekortkomingen bij een school neer bij het bestuur. Dit betekent dat wij niet altijd zelf een herstelonderzoek uitvoeren, maar dit aan het bestuur overlaten. We vragen vervolgens het bestuur te verantwoorden hoe en met welk resultaat het herstel op de school plaatsvond.

Bij een bestuur dat er niet in slaagt zijn sturing op (delen van) de kwaliteit van scholen te waarborgen, voeren wij zelf (delen van) herstelonderzoeken uit.

Gevolgen uitkomst herstelonderzoek

Wanneer het herstel of de kwaliteit van de gevraagde verantwoording ontoereikend is, heeft dit gevolgen voor welke toezichtsinterventies we kiezen en hoe we de kwaliteit van het bestuur inschatten. Wanneer we concluderen dat het vermogen van het bestuur om zelf de kwaliteit te waarborgen niet voldoende is, neemt de intensiteit van ons vervolgtoezicht toe. Ook dit is proportioneel.

Bovenstaande geven we in tabel 7.5.1a schematisch weer. De invulling is maatwerk per onderzoek.

Tabel 7.5.1a Inrichting vervolgtoezicht

Uitkomsten onderzoek

Inrichting vervolgtoezicht

Voldoet ten minste aan basiskwaliteit

Geen vervolgtoezicht; regulier toezicht

Tekortkomingen bestuur

Monitoring voortgang herstel door inspectie

en/of

verantwoording herstel door bestuur

en

herstelonderzoek door inspectie

Tekortkomingen school

Monitoring voortgang herstel door inspectie

en/of

verantwoording herstel door bestuur

en/of

herstelonderzoek door inspectie

7.5.2 Escaleren

Escaleren heeft betrekking op interventies om besturen aan te sporen de door ons noodzakelijk geachte verbeteringen door te voeren. Escalatie gaat stapsgewijs, waarbij steeds wordt gekeken welk middel nodig is. Dit zodat de verbeteringen plaatsvinden. Naarmate een bestuur of een school daar minder goed in slaagt, intensiveren we het toezicht. Dit kan verder en verdiepend onderzoek inhouden, bijvoorbeeld een specifiek onderzoek naar het bestuurlijk handelen. In het uiterste geval, wanneer we zien dat verbetering uitblijft, kunnen we verschillende sancties inzetten of maatregelen nemen.

Naarmate verbetering uitblijft en de risico’s op kwaliteitsverlies groter worden, treedt een volgende fase van escalatie in werking. De escalatie sluit aan op de bevoegdheden van de inspectie en vervolgens op die van de minister. Een escalatietraject is bij elke toezichtsituatie anders. De volgorde van interventie- en escalatiestappen wordt per situatie bepaald.

Interventies kunnen variëren van een herstelopdracht om tekortkomingen op te heffen op schoolniveau tot zeer ingrijpende maatregelen op het niveau van bekostiging van scholen en op het niveau van besturen. Vanzelfsprekend wegen we in alle gevallen af wat de ernst en de langdurigheid van de risico’s zijn en of het bestuur voldoende perspectief op verbetering van de situatie biedt.

8. Communicatie en rapportage

8.1 Inleiding

Als inspectie hebben we een publieke taak om ouders en de samenleving te informeren over onze bevindingen en oordelen over de kwaliteit van de (be)sturing en het onderwijs. Daarom geven we op verschillende manieren actief inzicht in onze onderzoeksresultaten en oordelen. Zo dragen we bij aan de informatie die over het onderwijsstelsel, de besturen en scholen beschikbaar is. Naast de informatie waarin de inspectie voorziet, leveren besturen, scholen en anderen, elk vanuit hun rol en (publieke) verantwoordelijkheid, een bijdrage aan de informatie die over de scholen en het onderwijs beschikbaar is.

Naast communicatie via het meldpunt van de inspectie, de website en ‘De Staat van het Onderwijs’ zijn er rapportages over themaonderzoeken en onderzoeken bij besturen en scholen beschikbaar. Al onze rapporten zijn in beginsel openbaar.18 We zijn daarmee transparant in onze werkwijze en onze oordelen en waarderingen. Onze website is de centrale plek waar onze rapporten terug te vinden zijn. In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we communiceren en geven we een toelichting op de verschillende rapportagevormen.

8.2 Communicatie

Onze communicatie over de resultaten van onderzoeken kent meerdere vormen. We richten ons ten eerste op de vraag welke doelgroep het meest zou kunnen doen met onze toezichtsinformatie. We bepalen wie mogelijk betrokken is bij het verhogen van de onderwijskwaliteit of bij het oplossen van problemen. Vervolgens stemmen we de vorm van de communicatie daarop af. Naast de verschillende – meer formele – vormen van rapportage die hierna zijn beschreven, maken we gebruik van andere vormen van communicatie. Bijvoorbeeld van infographics of animaties. Ook de inzet van sociale media, bijdragen aan relevante congressen, het geven van lezingen en het zelf organiseren van conferenties of rondetafelgesprekken, maken deel uit van onze communicatie. Een belangrijke communicatievorm daarin is ons jaarlijkse congres, waar we ‘De Staat van het Onderwijs’ presenteren.

We communiceren over de uitkomsten van onze onderzoeken, maar hebben daarnaast ook een informatiefunctie. Via het meldpunt van de inspectie kunnen ouders, besturen en scholen bijvoorbeeld vragen stellen over het onderwijs, ons toezicht in het algemeen of specifieke scholen. Ook kunnen hier zorgen over het onderwijs worden gemeld. Vertrouwenskwesties kunnen worden gemeld bij vertrouwensinspecteurs.

Meldingen over het onderwijs hebben voor ons een signaalfunctie en we nemen deze mee bij de jaarlijkse prestatieanalyse en de expertanalyse ter voorbereiding van het vierjaarlijks onderzoek. Soms is de signalering zo ernstig van aard dat deze meteen aanleiding voor onderzoek vormt.

8.3 Rapportage

We rapporteren op stelselniveau en op het niveau van besturen en scholen. In beginsel maken we onze rapporten over besturen en scholen in de vijfde week na vaststelling openbaar (artikel 21, eerste lid, WOT).19

8.3.1 Stelselniveau

Onderzoeken op stelselniveau kennen de volgende rapportagevormen.

De Staat van het Onderwijs

Jaarlijks rapporteren we over het onderwijsstelsel als geheel in ‘De Staat van het Onderwijs’. Dit rapport publiceren we elk voorjaar. Hierin beschrijven we hoe het staat met de realisatie van de kernfuncties van het onderwijsstelsel. Ook geven we een beeld van de kwaliteit van de besturen en instellingen, de positieve ontwikkelingen en de mogelijke zorgen. Voor ‘De Staat van het Onderwijs’ gebruiken we onder andere de onderzoeksgegevens uit onze vierjaarlijkse onderzoeken, themaonderzoeken en gegevens uit (internationaal) wetenschappelijk onderzoek. Zo geven we een actueel beeld van de prestaties van het stelsel als geheel (zie hoofdstuk 7).

Jaarlijks rapporteren we ook over de financiële toestand van de instellingen en het onderwijsstelsel. Wij baseren ons daarbij op financiële gegevens van de instellingen zelf en verder op toezichtactiviteiten en onderzoeken die wij uitvoeren rond het financieel beheer van instellingen. Daarbij geven we aan wat goed gaat en wijzen we op risico’s.

Themarapporten

We rapporteren op diverse manieren over onze themaonderzoeken. Zo rapporteren we hier over in ‘De Staat van het Onderwijs’. Vaak brengen we daarnaast een apart themarapport uit.

8.3.2 Bestuursniveau

Over onderzoeken op bestuursniveau rapporteren we in het rapport van het vierjaarlijks onderzoek. Dit rapport is gericht aan het bestuur en geeft een totaalbeeld van de bevindingen en oordelen op bestuursniveau en van de onderzoeksactiviteiten die in dit kader op scholen plaatsvonden. We rapporteren in dit rapport kort over verificatie-activiteiten en – wanneer uitgevoerd – kwaliteitsonderzoeken naar risico’s en/of onderzoeken naar de waardering Goed en/of onderzoeken naar financiële risico’s. Bij verificatie-activiteiten op schoolniveau geven we geen oordelen of waarderingen. De rapportage hierover is daarom beknopt.

In het rapport maken we onderscheid tussen enerzijds de beoordeling van de naleving van de deugdelijkheidseisen (voldoen het bestuur en zijn scholen aan de basiskwaliteit?) en anderzijds onze waardering van de ambities. Tot slot worden in beginsel in het rapport eventuele herstelopdrachten en

-onderzoeken vastgelegd die betrekking hebben op het herstel van niet-naleving van de deugdelijkheidseisen. Dan leggen we ook de termijnen vast waarbinnen de tekortkoming(en) moet(en) zijn hersteld (zie paragraaf 7.5).

De oordelen op bestuursniveau presenteren we samen met het betreffende onderzoeksrapport op onze website. Het doel hiervan is om belanghebbenden over de resultaten van het toezicht te informeren. Als daarna uit herstelonderzoek blijkt dat een bestuur de aangetroffen tekortkomingen heeft hersteld, dan wordt dit nieuwe oordeel ook zichtbaar gemaakt op de website.

Specifieke onderzoeken

Als uit eerder onderzoek blijkt dat een bestuur niet in staat is noodzakelijke verbetermaatregelen te treffen of als uit signalen problemen naar voren komen die direct om onderzoek naar een specifiek knelpunt vragen, voert de inspectie een specifiek onderzoek uit. Deze onderzoeken worden uitgevoerd in het kader van artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT). Over de bevindingen en conclusies wordt een rapport gemaakt dat in beginsel op de website van de inspectie openbaar wordt gemaakt.

Onderzoeken naar financieel beheer

We rapporteren apart op bestuursniveau over de onderzoeken die buiten een vierjaarlijks onderzoek vallen en uitgevoerd worden bij financiële risico’s.

8.3.3 Schoolniveau

We rapporteren over onze bevindingen uit onderzoeken op scholen vaak als onderdeel van andere rapportages over besturen of het stelsel. In themaonderzoeken presenteren we een algemeen beeld, waardoor bevindingen van een individuele school niet herkenbaar zijn in het rapport. Het rapport ‘Vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en scholen’ bevat deelrapportages over onderzoeks- en verificatie-activiteiten die binnen het bestuursonderzoek op scholen plaatsvonden. We rapporteren afzonderlijk over onderzoeken die we op scholen uitvoeren, buiten de thema- en bestuursonderzoeken om. Zo kunnen ouders en andere belangstellenden, naast de informatie die vanuit het bestuur beschikbaar is, van onze toezichtsresultaten kennisnemen. Dat doen we in de volgende gevallen.

Kwaliteitsonderzoek naar risico’s

Als we een kwaliteitsonderzoek naar risico’s hebben uitgevoerd, rapporteren we over de uitkomsten in een rapport gericht aan het bestuur. Bij het oordeel Zeer zwak zenden we het bestuur ook een rapport toe dat bedoeld is voor ouders. Naast een beschrijving van de bevindingen worden de oordelen op de standaarden weergegeven. Ook wordt het eindoordeel toegevoegd. Het rapport van de school plaatsen we op onze website.

Wanneer het bestuur in opdracht van de inspectie zelf een (herstel)onderzoek uitvoert, worden de resultaten na herstel op de inspectiewebsite in principe vermeld via een verwijzing naar de website van het bestuur.

Onderzoeken naar Goed

Ook over onderzoeken naar Goed brengen we een afzonderlijk rapport uit als deze buiten een vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en scholen plaatsvinden. Naast een beschrijving van de bevindingen geven we hierin de waarderingen en oordelen op de standaarden weer. Ook voegen we het eindoordeel toe. Het rapport plaatsen we op onze website.

Specifieke onderzoeken

Net als bij besturen kunnen we ook op schoolniveau een specifiek onderzoek uitvoeren. Dit kan met het onderzoek op bestuursniveau samenhangen, maar ook afzonderlijk worden uitgevoerd. Dergelijke onderzoeken worden uitgevoerd in het kader van artikel 15, WOT. Over de bevindingen en conclusies schrijven we een rapport, dat op de website van de inspectie openbaar wordt gemaakt.

8.4 Openbaarmaking, zienswijze en bezwaar

Zoals in de inleiding van dit hoofdstuk staat, maken we al onze rapporten in beginsel openbaar.20 Nadat we het bestuur gevraagd hebben op basis van het conceptrapport een (beleids)reactie op te stellen, voegen we deze aan het rapport toe en stellen we het rapport definitief vast.

Als met het bestuur geen overeenstemming is bereikt over de door het bestuur gewenste wijzigingen van het conceptrapport, heeft het bestuur een andere zienswijze op de oordelen en waarderingen. Deze zienswijze voegen we als bijlage toe aan het definitieve rapport.

Een bestuur kan bezwaar maken tegen de openbaarmaking van een rapport als het een onderzoek is dat wordt uitgevoerd op basis van artikel 15 van de WOT (specifiek onderzoek, paragraaf 5.3) en daarnaast kan een bestuur bezwaar maken tegen het eindoordeel Zeer zwak.

In bepaalde gevallen is het mogelijk om een klacht in te dienen over een gedraging van de inspectie. Wij verwijzen u voor de klachtenprocedure naar onze website (www.onderwijsinspectie.nl).

9. Specifieke toepassingen van het onderzoekskader

9.1 Inleiding

In dit hoofdstuk beschrijven we enkele specifieke toepassingen van en uitzonderingen op het reguliere onderzoekskader. Het betreffen samenwerkingsverbanden passend onderwijs en onderwijssoorten en

-voorzieningen waarvoor specifieke wet- en regelgeving geldt, zodat aanpassingen van het waarderingskader of de werkwijze nodig zijn.

Er zijn ook onderwijssoorten en -voorzieningen waar we wel toezicht op houden, maar niet op grond van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT), bijvoorbeeld het Nederlands onderwijs in het buitenland (NOB) en niet-bekostigde instellingen (B3-scholen in primair en voortgezet onderwijs). Daarvoor zijn aparte waarderingskaders opgesteld. Hoe het toezicht op deze vormen eruitziet, is te vinden op onze website.21

Ook zijn er onderwijssoorten of -voorzieningen in de vorm van een pilot. In die gevallen is er wel sprake van inspectiebetrokkenheid, maar is de wet- en regelgeving nog niet volledig uitgekristalliseerd. Vanwege het tijdelijke karakter van pilots en experimenten zijn deze niet beschreven in dit onderzoekskader.

Het onderwijsstelsel laat de afgelopen jaren ontwikkelingen zien naar meer variatie in bijvoorbeeld onderwijsroutes, diplomering en samengestelde trajecten. Besturen hebben de verantwoordelijkheid voor al het onderwijs dat zij aanbieden. De beoordeling van de kwaliteit hiervan vindt in beginsel plaats binnen de reikwijdte van het vierjaarlijks onderzoek. Wij baseren ons hierbij op geldende wet- en regelgeving die voor deze routes van toepassing zijn.

Achtereenvolgens beschrijven we het toezicht op: besturen van samenwerkingsverbanden en orthopedagogisch-didactische centra (paragraaf 9.2), speciaal basisonderwijs (paragraaf 9.3), onderwijs aan nieuwkomers (paragraaf 9.4), internationaal georiënteerd basisonderwijs (paragraaf 9.5), voor- en vroegschoolse educatie (paragraaf 9.6) en onderwijs in Caribisch Nederland (paragraaf 9.7).

In de tekst hieronder staat een overzicht van de standaarden uit het waarderingskader (hoofdstuk 4 en/of 5) die al dan niet, of met wijziging, van toepassing zijn op genoemde voorzieningen. De overige wettelijke vereisten (paragraaf 5.4) zijn ook van toepassing op de bijlagen. Verder zijn afwijkingen in de normering (hoofdstuk 6) en de werkwijze (hoofdstuk 7) opgenomen. Voor de leesbaarheid zijn de volledige waarderingskaders per onderwijssoort in de bijlagen opgenomen.

9.2 Besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs

9.2.1 Inleiding

Schoolbesturen zijn verplicht aangesloten bij een of meer samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Het bestuur van het samenwerkingsverband en de aangesloten schoolbesturen zijn beide en gezamenlijk verantwoordelijk voor de realisatie van passend onderwijs. Het samenwerkingsverband heeft eigen wettelijke taken en deze zijn erop gericht om te zorgen voor een dekkend netwerk van voorzieningen, zodat aangesloten schoolbesturen kunnen voldoen aan de zorgplicht passend onderwijs. Het samenwerkingsverband moet afspraken maken over de manier waarop voor alle leerlingen zo goed mogelijk passend onderwijs wordt georganiseerd. Deze afspraken legt het samenwerkingsverband vast in het ondersteuningsplan. Waar deze afspraken het beleid van schoolbesturen en scholen betreffen, zijn de schoolbesturen verantwoordelijk voor de uitvoering van deze afspraken.

De wet laat veel ruimte voor samenwerkingsverbanden en schoolbesturen om passend onderwijs naar regionale kenmerken en eigen visie te organiseren. Die vrijheid is ook bedoeld om ruimte te creëren voor meer maatwerk en om keuzes te maken die passen bij de extra onderwijsbehoeften van leerlingen in de regio. Dit vraagt om een goede afstemming met gemeentelijke partners en is gericht op de aansluiting van het onderwijs op het jeugdbeleid van de gemeente(n), waaronder de jeugdhulp. Ook hierover legt het samenwerkingsverband afspraken vast in het ondersteuningsplan en voert hierover overleg met de gemeente(n) en andere samenwerkingsverbanden in de regio.

Een andere belangrijke taak van het samenwerkingsverband is de verantwoordelijkheid voor de advisering over extra ondersteuning en toeleiding tot speciale scholen en voorzieningen. Hiermee vervult het samenwerkingsverband een centrale rol in de toewijzing van extra ondersteuning.

Het toezicht moet inzicht geven in de mate waarin samenwerkingsverbanden erin slagen hun taak te vervullen.

Orthopedagogisch-didactische centra

Een samenwerkingsverband kan ervoor kiezen om, met het oog op de doelstelling om te zorgen voor een dekkend netwerk van voorzieningen, een orthopedagogisch-didactisch centrum (opdc) onderdeel te laten zijn van het samenwerkingsverband. Een opdc is een onderwijsvoorziening voor leerlingen voor wie een orthopedagogische en orthodidactische benadering nodig is. Voor hen is het tijdelijk niet mogelijk om onderwijs te volgen op de reguliere school, ook niet met extra ondersteuning. Hiermee biedt de voorziening schoolbesturen de mogelijkheid om voor specifieke leerlingen aan de zorgplicht te kunnen voldoen. Omdat de leerling ingeschreven blijft staan bij de reguliere school en het schoolbestuur daarmee verantwoordelijk blijft voor de resultaten van de leerling, is ook het schoolbestuur gebaat bij een voorziening van voldoende kwaliteit.

De kwaliteit van het onderwijs op een opdc is de verantwoordelijkheid van het bestuur van het samenwerkingsverband waartoe het opdc behoort. In het ondersteuningsplan staat wat de positie en functie zijn van het opdc binnen het dekkend netwerk van het samenwerkingsverband en welke leerlingen in aanmerking kunnen komen voor het volgen van (een deel van) het onderwijsprogramma op een opdc.

Het toezicht richt zich op de beoordeling van de onderwijskwaliteit van het opdc en gaat na in hoeverre het bestuur van het samenwerkingsverband zicht heeft op de kwaliteit en stuurt op verbetering. Voor schoolbesturen is het van belang dat het onderwijs van voldoende kwaliteit is, omdat zij verantwoordelijk zijn voor de resultaten van de leerling. De leerling blijft immers ingeschreven op de reguliere school.

9.2.2 Aanpassingen waarderingskader en normering

Waarderingskader en normering besturen samenwerkingsverbanden

Het waarderingskader voor besturen van samenwerkingsverbanden passend onderwijs bestaat uit twee kwaliteitsgebieden die ieder onderverdeeld zijn in drie standaarden.

Het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie (BKA) is onderverdeeld in drie standaarden die (in)richting, uitvoering en evaluatie omvatten. Deze standaarden zijn met elkaar verbonden en richten zich op het stelsel van kwaliteitszorg en governance. Dit betekent dat we deze standaarden in samenhang onderzoeken. Als een samenwerkingsverband een opdc heeft ingericht, dan nemen we bij de beoordeling van deze standaarden mee of het bestuur voldoet aan de zorgplicht voor de kwaliteit van het onderwijs op het opdc.

Het kwaliteitsgebied Realisatie passend onderwijs (RPO) richt zich op de wettelijke taken die specifiek zijn voorbehouden aan samenwerkingsverbanden passend onderwijs en die zijn gericht op de realisatie van de maatschappelijke opdracht voor passend onderwijs. Deze wettelijke taken zijn gevat in de drie standaarden in het kwaliteitsgebied Realisatie passend onderwijs.

Uit de beoordeling van de standaarden uit de twee kwaliteitsgebieden blijkt of het bestuur in staat is om met zijn (be)sturing de basiskwaliteit van het samenwerkingsverband te realiseren, te waarborgen en verder te ontwikkelen. Met deze kennis over het resultaat en de kwaliteit van de sturing richten we het (vervolg)toezicht proportioneel in (zie hoofdstuk 7).

In onderstaande figuur staat de beoordeling/normering schematisch weergegeven.

Oordeel/waardering bestuursniveau

Norm

Goed

Twee standaarden uit het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie zijn Goed en de derde ten minste Voldoende én twee standaarden uit het kwaliteitsgebied Realisatie passend onderwijs waaronder in elk geval de standaard Dekkend netwerk zijn Goed en de derde is ten minste Voldoende.

Voldoende

Alle drie standaarden uit het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie zijn ten minste Voldoende én uit het kwaliteitsgebied Realisatie passend onderwijs zijn minimaal de standaard Dekkend netwerk én een andere standaard Voldoende.

Onvoldoende

Een of meer standaarden uit het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie is Onvoldoende. Of de standaard Dekkend netwerk uit het kwaliteitsgebied Realisatie passend onderwijs is Onvoldoende.

Waarderingskader en normering opdc’s

Voor de beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs op het opdc maken we gebruik van de waarderingskaders primair onderwijs (voor opdc’s in het primair onderwijs) en voortgezet onderwijs (voor opdc’s in het voortgezet onderwijs), zoals beschreven in hoofdstuk 5 van de betreffende kaders. Omdat de leerlingen op het opdc ingeschreven staan op een reguliere school, tellen hun (onderwijs)resultaten mee op de school van inschrijving. We geven dus bij het opdc geen oordeel op de standaard OR1 (Resultaten). Voor de beoordeling en waardering van de kwaliteit van het opdc geldt dan ook de beslisregel voor scholen waarvan de resultaten niet te beoordelen zijn (zie paragraaf 6.5.2 van de betreffende kaders).

9.2.3 Werkwijze

Werkwijze toezicht op besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs

De werkwijze voor het toezicht op de besturen van samenwerkingsverbanden komt in grote mate overeen met de werkwijze bij schoolbesturen. Het verschil is dat we bij het toezicht op een samenwerkingsverband tijdens de expertanalyse (paragraaf 7.4.1, onderdeel 1. Analyse) belanghebbenden bij het samenwerkingsverband raadplegen. Dit doen we in de vorm van rondetafelgesprekken. Deze gesprekken zijn medebepalend voor de inrichting van het onderzoek.

Tijdens een onderzoek kunnen we ook gesprekken voeren met regionale partners, zoals de gemeente(n), de jeugdhulp en leerplicht.

Bij het toezicht op het samenwerkingsverband bekijken we ook of aangesloten scholen het beleid van het samenwerkingsverband in de praktijk uitvoeren. Dit beleid staat beschreven in het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband. De uitvoering van het beleid van het samenwerkingsverband en de resultaten die scholen hiermee bereiken, stellen we (ook) vast aan de hand van verificatie-activiteiten.

Een dergelijke activiteit is onderdeel van het onderzoek naar de werking van de kwaliteitszorg van het samenwerkingsverband. We gaan na of scholen de afspraken uit het ondersteuningsplan nakomen. We verwachten van het bestuur van het samenwerkingsverband dat het zicht heeft op deze uitvoering in de praktijk en dat het hierop stuurt. Daarnaast geeft het ons zicht op enkele aspecten van passend onderwijs op de bezochte scholen. De uitkomsten van de verificatie-activiteiten levert geen oordeel op over de scholen, maar een signaal of zij de onderzochte afspraken uit het ondersteuningsplan naleven en over de uitwerking van het beleid van het samenwerkingsverband.

Werkwijze toezicht op opdc’s

Voor de werkwijze voor het toezicht op de kwaliteit van het onderwijs op het opdc gelden de uitgangspunten zoals genoemd in hoofdstuk 7.

9.3 Speciaal basisonderwijs

9.3.1 Inleiding

Het speciaal basisonderwijs (sbo) valt onder de WPO. De doelgroep leerlingen is echter een andere dan die van een reguliere basisschool. In het sbo hebben alle leerlingen extra ondersteuningsbehoeften en een toelaatbaarheidsverklaring voor het sbo (verkregen via het samenwerkingsverband passend onderwijs). In het ontwikkelingsperspectief staat per leerling beschreven welk (eind)perspectief wordt nagestreefd en op welke wijze het onderwijs wordt aangepast om dit doel te bereiken. Om tegemoet te kunnen komen aan de specifieke onderwijsbehoeften van de leerlingen werken de leraren vanuit specifieke (ortho)didactische en (ortho)pedagogische principes. Voor de leraren en leerlingen is daarnaast meer ondersteuning beschikbaar dan in het basisonderwijs.

9.3.2 Aanpassingen waarderingskader en normering

De aanpassingen in het waarderingskader betreffen de standaarden Aanbod, Zicht op ontwikkeling en begeleiding, Pedagogisch-didactisch handelen en Resultaten.

  • De standaard Aanbod is aangepast aan de verplichtingen voor het aanbod in het sbo.

  • De standaard Zicht op ontwikkeling en begeleiding is aangepast, omdat alle leerlingen in het sbo een ontwikkelingsperspectief hebben.

  • De standaard Pedagogisch-didactisch handelen is aangevuld met de term ‘ortho’ om duidelijk te maken dat het hier gaat om specifiek handelen voor de doelgroep.

  • De standaard Resultaten is aangepast, omdat voor de resultaten van leerlingen in het sbo geen normen zijn vastgesteld. De leerresultaten worden daarom bekeken aan de hand van de doelen of normen die de school zelf heeft gesteld. De bevindingen wegen niet mee in het oordeel op de standaard. Deze krijgt altijd het oordeel ‘niet te beoordelen’.

Normering

Voor het speciaal basisonderwijs gelden voor het eindoordeel de beslisregels zoals bij basisscholen, waarbij de resultaten niet beoordeeld kunnen worden (paragraaf 6.5.2.).

Bijlage 1 bevat het volledige waarderingskader speciaal basisonderwijs.

9.3.3 Werkwijze

De werkwijze van het toezicht is zoals beschreven in hoofdstuk 7.

9.4 Onderwijs aan nieuwkomers

9.4.1 Inleiding

Het onderwijs aan nieuwkomers is bedoeld voor leerlingen die de Nederlandse taal niet of nauwelijks spreken. Als zij in aparte onderwijsvoorzieningen of klassen zitten, stromen zij veelal na één tot anderhalf jaar door naar het reguliere onderwijs. Daarnaast zijn er onderwijsvoorzieningen waar kinderen van asielzoekers een langere periode verblijven, in afwachting van de verblijfsstatus of uitzetting.

In het basisonderwijs onderscheiden we vier typen onderwijsvoorzieningen voor nieuwkomers. De indeling is gebaseerd op de organisatie van het onderwijs en gebruiken wij om ons toezicht in te richten.

  • Type 1: scholen verbonden aan asielzoekerscentra en noodopvanglocaties (azc-scholen).

  • Type 2: scholen die uitsluitend onderwijs verzorgen aan nieuwkomers én basisscholen met drie of meer nieuwkomersklassen.

  • Type 3: basisscholen met één of twee klassen voor nieuwkomers.

  • Type 4: basisscholen waar de nieuwkomers zijn geïntegreerd in reguliere klassen.

Voor nieuwkomersvoorzieningen die vallen onder type 1 en 2 gelden de hierna beschreven aanpassingen in het waarderingskader. Bij basisscholen die behoren tot type 3 en 4 gebruiken we het reguliere waarderingskader.

9.4.2 Aanpassingen waarderingskader en normering

De aard van het nieuwkomersonderwijs brengt met zich mee dat enkele standaarden uit het waarderingskader op een specifieke manier moeten worden geïnterpreteerd. Voor voorzieningen van het type 1 en 2 zijn de volgende aanpassingen gedaan in het waarderingskader:

  • De standaard Aanbod is aangepast, omdat het hier een specifiek(er) (taal)aanbod voor nieuwkomers betreft dat is gericht op de aansluiting in het reguliere onderwijs.

  • De standaard Zicht op ontwikkeling en begeleiding is aangepast, omdat voor nieuwkomers andere ontwikkeldoelen gelden en afstemming op onderwijsbehoeften anders verloopt dan in het reguliere basisonderwijs.

  • De standaard Pedagogisch-didactisch handelen is aangepast, omdat het hier specifiek (ortho)pedagogisch- didactisch handelen voor nieuwkomers betreft.

  • De standaard Afsluiting is aangepast, omdat het bij het onderwijs aan nieuwkomers veel vaker de afsluiting van een deel van de basisschoolloopbaan betreft. Daarnaast geldt de verplichting tot het maken van een eindtoets meestal niet, omdat de leerlingen vaak onder de ontheffingsgronden vallen.

  • De standaard Resultaten is aangepast. Voor de resultaten van leerlingen in het nieuwkomersonderwijs zijn geen normen vastgesteld. De leerresultaten worden daarom bekeken aan de hand van de doelen of normen die de school zelf heeft gesteld. De bevindingen worden niet meegenomen in het oordeel op de standaard Resultaten. Deze krijgt altijd het oordeel ‘niet te beoordelen’.

  • De standaard Evaluatie, verantwoording en dialoog is aangepast, zodat deze geschikt is voor de specifieke situatie van het nieuwkomersonderwijs.

Daarnaast gelden er enkele aanpassingen in de overige wettelijke vereisten. Dit zijn de eisen met betrekking tot het schoolplan, de schoolgids en de medezeggenschapsraad. Deze eisen worden bezien vanuit de moederschool en gelden niet voor de nieuwkomersvoorziening zelf.

Normering

Voor het nieuwkomersonderwijs gelden voor het eindoordeel de beslisregels zoals bij ‘basisscholen waarbij de resultaten niet beoordeeld kunnen worden’ (paragraaf 6.5.2.).

In bijlage 2 is het waarderingskader voor onderwijs aan nieuwkomers en de normering opgenomen. In alle gevallen kan voor het woord ‘school’ ook het woord ‘voorziening’ worden gelezen.

9.4.3 Werkwijze

De werkwijze is zoals beschreven in hoofdstuk 7.

9.5 Internationaal georiënteerd basisonderwijs

9.5.1 Inleiding

Internationaal georiënteerd basisonderwijs (igbo) is, gelet op artikel 40, tiende lid, WPO, bedoeld voor leerlingen die:

  • een andere dan de Nederlandse nationaliteit bezitten en van wie ten minste een van de ouders voor een tijdelijke periode in Nederland of in een grensgebied van Nederland werkzaam is;

  • de Nederlandse nationaliteit bezitten en twee jaar of langer in het buitenland onderwijs hebben genoten volgens het daar geldende onderwijssysteem, vanwege het feit dat ten minste een van de ouders, voogden of verzorgers voor een bepaalde tijd in het buitenland werkzaam was;

  • de Nederlandse nationaliteit bezitten, van wie ten minste een van de ouders blijkens een schriftelijke verklaring van de werkgever binnen twee jaar na het tijdstip van toelating voor ten minste twee jaar in het buitenland werkzaam zal zijn, en die meeverhuizen naar het buitenland.

Hoewel het in alle gevallen gaat om een afdeling of nevenvestiging van een reguliere (Nederlandstalige) basisschool, is in een toelichting op de wet geregeld dat wij daar apart toezicht op houden.

9.5.2 Aanpassingen waarderingskader en normering

In principe gebruiken we bij de beoordeling van het internationaal georiënteerd basisonderwijs het reguliere waarderingskader voor het primair onderwijs. Gezien de specifieke situatie en het karakter van de internationale afdelingen zijn enkele aanpassingen in onderstaande standaarden nodig:

  • De standaard Aanbod is aangepast, omdat deze scholen met een ander curriculum werken.

  • De standaard Zicht op ontwikkeling en begeleiding is veranderd, omdat de specifieke situatie van de school vraagt om enkele aanpassingen.

  • De standaard Afsluiting kent enkele wijzigingen, omdat de afsluiting van het onderwijs op een andere wijze verloopt.

  • De standaard Resultaten is aangepast. Voor de resultaten van leerlingen in het igbo geldt dat er geen normen zijn vastgesteld. Wel bekijken wij de behaalde leerresultaten wanneer de school een toets afneemt, zoals bijvoorbeeld Key Stage II en SAT’s, ten opzichte van de eigen schoolnorm. Maar hier wordt geen oordeel op standaardniveau aan verbonden.

Daarnaast gelden er enkele aanpassingen in de overige wettelijke vereisten. De belangrijkste is de ouderbijdrage. De internationale afdeling van de school mag een ouderbijdrage, waarvan de hoogte is bepaald door het bestuur, vragen. Het gaat om een geldelijke bijdrage voor extra activiteiten die het reguliere en door de overheid bekostigde onderwijsaanbod te boven gaan, zodat deze moeilijk als een vrijwillige bijdrage kan worden beschouwd. Als ouders hier niet mee akkoord zijn, kan de leerling ingeschreven worden op de reguliere Nederlandse afdeling waar een vrijwillige ouderbijdrage geldt.

Normering

Voor het eindoordeel worden de beslisregels gevolgd voor scholen waarvan we de resultaten niet kunnen beoordelen, zoals beschreven in paragraaf 6.5.2.

Bijlage 4 bevat het volledige waarderingskader igbo.

9.5.3 Werkwijze

De werkwijze van het toezicht is zoals beschreven in hoofdstuk 7.

9.6 Kinderopvang en voor- en vroegschoolse educatie

9.6.1 Inleiding

De Inspectie van het Onderwijs houdt interbestuurlijk toezicht op de taken van gemeenten die voortkomen uit de wet- en regelgeving rondom kinderopvang en voor- en vroegschoolse educatie (vve).

Daarnaast houdt de inspectie toezicht op de kwaliteit van de vve in voor- en vroegscholen. Het wettelijke kader voor het toezicht wordt in aanvulling op de in hoofdstuk 1 genoemde wetten gevormd door de Wet kinderopvang (Wko), de Gemeentewet en onderliggende regelgeving.

Hieronder beschrijven we de werkwijze van het toezicht op de kinderopvang op gemeentelijk niveau (paragraaf 9.5.2) en daarna het toezicht op de voor- en vroegschoolse educatie (paragraaf 9.5.3 en 9.5.4).

De inspectie werkt in overleg met het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) aan verdere verbetering van het toezicht op gemeenten in het kader van kinderopvang, vve en de taken die bij de gemeente zijn belegd in artikel 167 en 167a van de WPO en artikel 118 van de WVO (onder andere over segregatie, het bevorderen van integratie en het bestrijden van onderwijsachterstanden). Deze verbeteringen kunnen ook gevolgen hebben voor de inrichting van het toezicht. Wanneer dit het geval is, publiceren we hierover via onze gebruikelijke communicatiekanalen (zie hoofdstuk 8) en passen we het onderzoekskader in het daaropvolgende jaar aan.

9.6.2 Toezicht op kinderopvang op gemeentelijk niveau

Inleiding

Jonge kinderen moeten zich veilig voelen en de mogelijkheid krijgen om zich te ontwikkelen. Gemeenten hebben daarom de taak om de kwaliteit van kinderopvang te waarborgen, door toezicht en handhaving. De Inspectie van het Onderwijs houdt interbestuurlijk toezicht op de uitvoering van de wettelijke taken van gemeenten op het gebied van kinderopvang, in opdracht van de Minister van SZW. Dit toezicht heeft een waarborgfunctie. Daarnaast geeft de inspectie stelselbeelden via themaonderzoeken en het ‘Landelijk Rapport gemeentelijk toezicht kinderopvang’. Met ons toezicht willen we gemeenten stimuleren de kwaliteit van de uitvoering te blijven verbeteren.

Toezicht- en waarderingskader

Het interbestuurlijk toezicht van de inspectie richt zich op de belangrijkste wettelijke taken van gemeenten, namelijk:

  • 1. het actueel, juist en volledig houden van het Landelijk Register Kinderopvang (LRK);

  • 2. het tijdig afhandelen van aanvragen tot registratie en exploitatie van nieuwe voorzieningen;

  • 3. het laten uitvoeren van de verplichte inspecties door de toezichthouder (de GGD);

  • 4. handhaven, om geconstateerde tekortkomingen op te lossen.

Voor het toezicht op kinderopvang op gemeentelijk niveau hanteren we een toezichtkader en een waarderingskader, waarin het toezicht op deze taken is uitgewerkt. In het Toezichtkader kinderopvang is de werkwijze van het toezicht op individuele gemeenten beschreven. Het kader is ontwikkeld om gemeenten en overige betrokkenen transparantie te bieden in de wijze waarop de inspectie het toezicht uitvoert.

Het Waarderingskader kinderopvang maakt inzichtelijk hoe de inspectie ‘kijkt’ naar een gemeente en hoe (en op grond van welke criteria) zij tot haar oordeel komt over de uitvoering van de wettelijke taken van een gemeente. Het Waarderingskader kinderopvang is in feite een verdere uitwerking van het Toezichtkader kinderopvang. Beide kaders zijn te vinden op de website van de inspectie.22

Werkwijze

Het toezicht kinderopvang bestaat uit een combinatie van stelseltoezicht en risicogericht toezicht op de gemeentelijke taken voor kinderopvang. Voor het stelseltoezicht volgt kinderopvang de werkwijze zoals beschreven in hoofdstuk 7.

Het risicogerichte toezicht bestaat uit meerdere toezichtactiviteiten: de jaarlijkse risicoanalyse, een doorlopende signalenroute en het uitvoeren van verdere onderzoeken. Binnen al deze activiteiten neemt de inspectie contact op met de betreffende gemeente. Wanneer daarvoor aanleiding bestaat, kan contact worden opgenomen met meerdere gemeenten uit een regio.

In het risicogerichte toezicht wordt vanuit de risicoanalyse ingeschat of gemeenten hun wettelijke taken toezicht en handhaving kinderopvang naar behoren uitvoeren. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de aanlevering van het gemeentelijk jaarverslag over de taakuitvoering van toezicht en handhaving kinderopvang. Op basis van deze gegevens, eventuele signalen, de toezichthistorie en mogelijke overige informatie over gemeenten voert de inspectie haar gemeentelijk toezicht uit. Wanneer de inspectie risico’s verwacht of vragen heeft naar aanleiding van de jaarverantwoording, neemt zij contact op met de gemeente voor verdere toelichting of aanvullende informatie. Op het moment dat er voldoende informatie is om een goede afweging te maken, wordt bepaald of de gemeente als risicovol kan worden beschouwd. Is dat het geval, dan wordt een verder onderzoek gestart. Een verder onderzoek of contact met één of meerdere gemeenten kan ook plaatsvinden naar aanleiding van een signaal.

Normering: drie statussen

Bij een verder onderzoek wordt de status van een gemeente opnieuw bepaald. De inspectie publiceert de statussen van gemeenten op haar website. Wanneer een gemeente verder is onderzocht, wordt het onderzoeksrapport gepubliceerd. De inspectie hanteert drie statussen, te weten:

Status A: De gemeente leeft haar wettelijke taken na.

Status B: De gemeente leeft haar taken onvoldoende na en werkt mee aan verbetering.

Status C: De gemeente leeft haar wettelijke taken niet of onvoldoende na, en werkt niet of onvoldoende mee aan de verbetering hiervan.

9.6.3 Toezicht op voor- en vroegschoolse educatie

Inleiding

Voor- en vroegschoolse educatie (vve) is bedoeld voor peuters en kleuters met een (risico op een) (taal)achterstand. Vve richt zich niet alleen op taalachterstanden, maar ook op de sociaal-emotionele, cognitieve en motorische ontwikkeling van deze kinderen. De inspectie bekijkt of er in de gemeente afspraken zijn gemaakt over vve en onderwijsachterstanden en beoordeelt de kwaliteit van vve op kinderdagverblijven (voorscholen) en de groepen 1 en 2 van de basisscholen (vroegscholen). Het verschil in wetgeving tussen voor- en vroegschoolse educatie heeft gevolgen voor het toezicht. We beschrijven allereerst wat we op gemeentelijk niveau doen en gaan daarna in op de voorschoolse locaties. Vroegschoolse educatie wordt onderzocht in de reguliere onderzoeken op basisscholen, met gebruik van het reguliere waarderingskader po (hoofdstuk 5) en volgens de werkwijze voor thematische onderzoeken of onderzoeken op schoolniveau (hoofdstuk 7).

9.6.3.1 Gemeenten: waarderingskader en werkwijze

We houden in het kader van vve toezicht op gemeenten die van het Rijk middelen ontvangen voor de bestrijding van onderwijsachterstanden. Het toezicht op gemeenten vindt plaats door stelselonderzoek en signaalgestuurd onderzoek bij gemeenten. Voor het stelselonderzoek doen we een steekproef bij gemeenten. Hiermee brengen we op landelijk niveau de ontwikkelingen in het gemeentelijke vve-beleid in beeld. Dit is thematisch onderzoek zoals beschreven in hoofdstuk 7.

Voor het signaalgestuurd onderzoek gebruiken we het waarderingskader toezicht op gemeenten zoals weergegeven in bijlage 4. We gaan na of er ten minste jaarlijks overleg is tussen de gemeente, de houders en de schoolbesturen en of er afspraken zijn gemaakt over wie de doelgroepkinderen zijn voor voorschoolse educatie, over de toeleiding, de doorlopende leerlijn en de resultaten van de vroegschoolse educatie. Daarnaast gaan we na of de gemeente zorg draagt voor voldoende voorzieningen in aantal en spreiding, waar kinderen met een risico op een achterstand in de Nederlandse taal kunnen deelnemen aan voorschoolse educatie.

Om de standaarden uit het waarderingskader te kunnen beoordelen, halen we informatie op via een vragenlijst of contact met de gemeente. De uitkomsten van de analyses kunnen leiden tot een onderzoek op gemeenteniveau, of bijvoorbeeld een gesprek. Hierbij kan de inspectie ook veranderingen in het gemeentelijke vve-beleid opnemen in het onderzoek. Dat kan gaan om niet-wettelijke aspecten van kwaliteit, zoals ouderbeleid en interne kwaliteitszorg, en is bedoeld om de gemeentelijke context van vve op de locaties in beeld te brengen. Het onderzoek op gemeenteniveau leidt tot een rapport dat, na hoor en wederhoor, openbaar wordt op grond van artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Als de gemeente niet voldoet aan de wettelijke eisen dan moet dat zo snel mogelijk worden hersteld. We voeren daartoe gesprekken met gemeenten en, wanneer van toepassing, schoolbesturen en/of houders. Uiteindelijk kan de inspectie het dossier overdragen aan de Minister van OCW. De minister kan besluiten tot indeplaatsstelling.

gemeente: normering

De standaarden 1.1 t/m 1.5 en 3.1 bij vve op gemeentelijk niveau hebben een wettelijke basis. Een oordeel op deze standaarden kan tot een Onvoldoende leiden. Ook kan sprake zijn van de waardering Goed. Deze waarderingen van de standaarden op gemeentelijk niveau zijn dezelfde als die in het po-kader.

Oordeel/waardering standaard

Norm voor standaarden met deugdelijkheidseisen

Goed

De gemeente voldoet aan de wettelijke eisen en laat de eigen aspecten van kwaliteit op overtuigende wijze zien.

Voldoende

De gemeente voldoet aan de wettelijke eisen.

Onvoldoende

De gemeente voldoet niet aan de wettelijke eisen.

De waardering van de eigen aspecten van kwaliteit vindt op twee manieren plaats:

  • 1. Bij de oordeelsvorming op de standaard zijn de eigen aspecten van kwaliteit doorslaggevend voor de waardering Goed (paragraaf 4.2).

  • 2. De volgende standaarden kennen geen wettelijke basis:

    • Vve-coördinatie op gemeentelijk niveau (paragraaf 1.6)

    • Integraal vve-programma (paragraaf 2.1)

    • Ouders (paragraaf 2.2)

    • Externe zorg (paragraaf 2.3)

    • Interne kwaliteitszorg voor- en vroegscholen (paragraaf 2.4)

    • Systematische evaluatie en verbetering van vve op gemeentelijk niveau (paragraaf 2.5)

    • ‘Er is een gemeentelijk vve-subsidiekader (paragraaf 3.2)’

Als de gemeente op deze standaarden geen eigen ambities en doelen stelt/realiseert dan leidt dat niet tot een oordeel Onvoldoende, maar geven we dit aan als ‘kan beter’. Als de gemeente de eigen aspecten van kwaliteit op overtuigende wijze laat zien (zowel in ambitie als realisatie) dan verbinden we daaraan de waardering Goed.

Waardering standaard

Richtlijn voor waardering eigen aspecten van kwaliteit

Goed

De gemeente laat de eigen aspecten van kwaliteit op overtuigende wijze zien.

Voldoende

De gemeente laat de eigen aspecten van kwaliteit zien.

Kan beter

De gemeente laat de eigen aspecten van kwaliteit niet of beperkt zien.

Geen eindoordeel

We geven bij de gemeenten geen eindoordeel, maar wel een oordeel over de verschillende standaarden.

9.6.3.2 Voorschoolse educatie op de voorschoollocaties

Gemeenten financieren de voorschoolse educatie op kinderopvanglocaties. Dit zijn de zogenoemde voorscholen. We houden signaalgestuurd toezicht op de kwaliteit van voorschoolse educatie op locaties met gesubsidieerde voorschoolse educatie in alle gemeenten die onderwijsachterstandsmiddelen ontvangen. Het waarderingskader voor voorschoolse educatie is te vinden in bijlage 5. Signalen kunnen leiden tot een onderzoek, of bijvoorbeeld een gesprek met de houder van de voorschoolse voorziening.

Zowel de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) als de Inspectie van het Onderwijs houden toezicht op voorschoolse educatie. Het (jaarlijkse) toezicht op de basisvoorwaarden voorschoolse educatie, zoals beschreven in het gelijknamige Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie (hierna: het besluit), vindt plaats door de GGD. De Inspectie van het Onderwijs is ook bevoegd om toezicht te houden op deze voorwaarden, maar doet dit alleen in uitzonderlijke gevallen. De basisvoorwaarden zijn opgenomen in onderstaand tekstkader.

Voorwaarden uit het Besluit basisvoorwaarden voorschoolse educatie (01-08-2020):

• Omvang (artikel 2). Dit artikel gaat over voldoende vve-tijd.

• Aantal beroepskrachten en groepsgrootte (artikel 3). Dit artikel gaat over de beroepskracht-kindratio.

• Taalniveau (artikel 3a). Dit artikel gaat over het niveau (Nederlandse taal en rekenen) dat de beroepskrachten moeten beheersen.

• Kwaliteit van beroepskrachten (artikel 4). Dit artikel gaat over de opleiding van de beroepskrachten en de vve-scholing.

• Gebruik van een voorschools educatieprogramma (artikel 5). Dit artikel gaat over het voorschoolse aanbod op de verschillende ontwikkelingsgebieden.

• Kwaliteit van de locatie (artikel 6). Dit artikel geeft aan dat de voorschoolse educatie plaats dient te vinden in een kindercentrum.

• Opleidingsplan (artikel 4, vierde lid). Dit artikel gaat over de verplichting voor houders om jaarlijks een opleidingsplan voorschoolse educatie op te stellen.

• Inhoud pedagogisch beleidsplan wat voorschoolse educatie betreft (artikel 4a). Dit artikel gaat over de verplichting voor houders om in het pedagogisch beleidsplan het beleid voor voorschoolse educatie te beschrijven, te evalueren en bij te stellen.

Rol GGD

De GGD beoordeelt of locaties aan de eisen van het besluit voldoen. In sommige gemeenten kijkt de GGD ook meer inhoudelijk naar de kwaliteit van de educatie. Het veldinstrument observatie pedagogische praktijk dat de GGD hanteert, is te vinden op de website van de rijksoverheid.

Rol Inspectie

In de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) (artikel 15i) staat beschreven dat de inspectie op de locaties met gesubsidieerde voorschoolse educatie onderzoek kan verrichten naar:

  • de basisvoorwaarden voor voorschoolse educatie;

  • het informeren van ouders en ouderbetrokkenheid;

  • de kwaliteit van de educatie;

  • de ontwikkeling, zorg en begeleiding van de kinderen;

  • kwaliteitszorg;

  • de doorgaande lijn tussen voor- en vroegschoolse educatie.

Een onderzoek op locatieniveau leidt tot een rapport dat, na hoor en wederhoor, openbaar wordt op grond van de WOT (zie hoofdstuk 8). We sturen een afschrift van het rapport naar de gemeente.

Normering voor voorscholen

De standaarden bij voorschoolse educatie kennen geen wettelijke basis en een waardering op deze standaarden kan dan ook niet tot een Onvoldoende leiden. Als de aangetroffen praktijk niet of nauwelijks overeenkomt met de uitwerking, dan geven we de waardering Kan beter.

Waardering standaard

Norm voor standaarden

Goed

De voorschool laat de eigen aspecten van kwaliteit op overtuigende wijze zien.

Voldoende

De voorschool laat de eigen aspecten van kwaliteit zien.

Kan beter

De voorschool laat de aspecten van kwaliteit niet of beperkt zien.

Geen eindoordeel

Aangezien het waarderingskader alleen gaat over het educatieve deel van de locatie, en niet over de gehele locatie, geven we bij de voorscholen geen eindoordeel.

9.7 Onderwijs in Caribisch Nederland

9.7.1 Inleiding

Sinds 10 oktober 2010 zijn Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (BES) bijzondere gemeenten van Nederland. De eilanden worden samen Caribisch Nederland genoemd. We houden toezicht op het onderwijs in Caribisch Nederland (primair onderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs, hoger onderwijs, sociale kanstrajecten jongeren en expertisecentra onderwijszorg). Ook hebben we de taak van vertrouwensinspecteur voor Caribisch Nederland.

9.7.2 Aanpassing waarderingskader en normering

Het onderwijs in Caribisch Nederland beoordelen wij zoveel mogelijk aan de hand van dezelfde onderzoekskaders als in Europees Nederland (zie hoofdstuk 1 tot en met 8). Er zijn echter enkele verschillen in het waarderingskader, de normering en de werkwijze. Dat is noodzakelijk omdat voor Caribisch Nederland specifieke wet- en regelgeving geldt. Ook kunnen wij met een enigszins aangepaste werkwijze beter aansluiten op de onderwijskundige context in Caribisch Nederland. Zo is voor het overgrote deel van de leerlingen en studenten in Caribisch Nederland het Nederlands een vreemde taal. Ook kent Caribisch Nederland geen scholen voor speciaal onderwijs of samenwerkingsverbanden passend onderwijs.

Waarderingskader

Het waarderingskader voor Caribisch Nederland is gebaseerd op de Wet primair onderwijs BES (WPO BES), de Wet voortgezet onderwijs BES (WVO BES) en de Wet educatie en beroepsonderwijs BES (WEB BES). Deze wetten wijken af van de sectorwetten voor Europees Nederland. Bovendien zijn sommige wetsartikelen weliswaar in de wet opgenomen, maar nog niet van kracht.23 Tot slot is er nog aanvullende regelgeving voor het voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs op Sint Eustatius en Saba als het gaat om het Engelstalige onderwijs op deze eilanden.24 Het volledige waarderingskader is te vinden in bijlage 7. Het bevat dezelfde standaarden als het waarderingskader voor Europees Nederland. Op enkele plaatsen is de beschrijving van de basiskwaliteit aangepast vanwege de afwijkende wet- en regelgeving.

Normering

Wij willen, zodra dat mogelijk, is voor Caribisch Nederland dezelfde normen hanteren in het waarderingskader als voor Europees Nederland. Voor de standaard Onderwijsresultaten kunnen wij echter nog geen oordeel uitspreken, omdat de basis voor deze standaard in de wet- en regelgeving voor Caribisch Nederland nog niet is geregeld: er zijn geen normen vastgesteld. Na herziening van de sectorwet- en regelgeving voor Caribisch Nederland en als het voorgaande daarmee wel is geregeld, zullen wij wel een oordeel uitspreken over de onderwijsresultaten. Dit zal gebeuren zodra de aangepaste wet- en regelgeving op dit punt van kracht is en er in overleg met alle betrokkenen wel eilandelijke normen voor de resultaten zijn afgesproken en in de wet- en regelgeving zijn vastgelegd.

Behalve op standaardniveau geeft de inspectie ook een eindoordeel op schoolniveau. We beperken ons vooralsnog tot het eindoordeel Voldoende of Onvoldoende. Dit oordeel komt tot stand op basis van aangepaste beslisregels, omdat wij de onderwijsresultaten nog niet kunnen beoordelen. In dit verband is ook het eindoordeel Zeer zwak in Caribisch Nederland nog niet wettelijk verankerd. Een dergelijk oordeel laten we achterwege. Zodra die verankering wel het geval is, zal ook het oordeel Zeer zwak door ons afgegeven kunnen worden. Wel geven we in dit waarderingskader de waardering Goed, onder dezelfde voorwaarden als in Europees Nederland. Tekortkomingen op de wettelijke eisen kunnen leiden tot een oordeel Onvoldoende op standaarden en eventueel ook op het eindoordeel over de school/opleiding. Een Onvoldoende op een standaard leidt tot een herstelopdracht, conform het toerzicht in Europees Nederland (paragraaf 7.5).

9.7.3 Werkwijze

Het bestuursgerichte toezicht in Caribisch Nederland wijkt enigszins af van de reguliere aanpak. Wij beoordelen wel de kwaliteitszorg en het financieel beheer op het niveau van het bestuur en schrijven ook één rapport over alle onderzoeken die zijn uitgevoerd bij scholen van een bestuur, inclusief het vervolgtoezicht. We hanteren in dit stadium een tweejaarlijkse cyclus voor de kwaliteitsonderzoeken op school- of opleidingsniveau. Een oordeel voor de kwaliteitszorg op het niveau van de instelling, evenals het bestuur, geven we eens per vier jaar. Dit laatste is in overeenstemming met onze aanpak in Europees Nederland. Alle scholen worden elke twee jaar onderzocht om vast te stellen of het onderwijs nog voldoet aan de basiskwaliteit. Tijdens deze onderzoeken geven we dan ook een oordeel over de standaarden die nodig zijn voor het oordeel over basiskwaliteit. Het onderzoek naar deze standaarden kan proportioneel uitgevoerd worden. In het tussenliggende jaar wordt met elk bestuur en de betreffende schoolleiders een voortgangsgesprek/bestuursgesprek gevoerd

Bijlage 1 Waarderingskader besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs

In deze bijlage is het waarderingskader voor het toezicht op besturen van samenwerkingsverbanden passend onderwijs opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.2.

KWALITEITSGEBIED REALISATIE PASSEND ONDERWIJS (RPO)

RPO1. Dekkend netwerk van voorzieningen

Het samenwerkingsverband heeft voor alle leerlingen in het samenwerkingsverband die extra ondersteuning nodig hebben een passende onderwijsplek beschikbaar.

Basiskwaliteit

Het samenwerkingsverband voert de aan hem opgedragen taken uit en realiseert een samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen, zodanig dat alle leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen. Het samenwerkingsverband doet al het mogelijke om passende ondersteuningsvoorzieningen te organiseren voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben en benut hiervoor de mogelijkheden die de wet biedt. Het samenwerkingsverband kan hiervoor onder andere gebruikmaken van de mogelijkheid om een orthopedagogisch-didactisch centrum (opdc) in te richten.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het dekkend netwerk van voorzieningen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 18a, tweede lid, WPO / artikel 17a, tweede lid, WVO: Het samenwerkingsverband stelt zich ten doel een samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen te realiseren en wel zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken en leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats krijgen.

• Artikel 18a, zesde lid, WPO / artikel 17a, zesde lid, WVO: Het samenwerkingsverband heeft onder andere de taak om middelen en voorzieningen te verdelen over en toe te wijzen aan de scholen ten behoeve van het dekkend netwerk.

• Artikel 18a, lid 10a, WPO / artikel 17a, lid 10a, WVO: Het samenwerkingsverband kan met het oog op het dekkend netwerk een opdc inrichten. Hier zijn voorwaarden aan verbonden (artikel 34.10 Besluit bekostiging WPO / artikel 26 Inrichtingsbesluit WVO).

RPO2. Regionale samenwerking

Het samenwerkingsverband werkt samen in de regio en zorgt voor een doorgaande leerlijn en realiseert een aansluiting tussen het onderwijs en de jeugdhulp in de regio.

Basiskwaliteit

Het samenwerkingsverband en de gemeente(n) hebben een gezamenlijke taak in het afstemmen van het jeugdbeleid. Het samenwerkingsverband werkt hiervoor samen met de gemeente(n) en ketenpartners om de ondersteuning af te stemmen op de jeugdhulp1 die door de gemeente wordt gerealiseerd. Dit heeft als doel dat alle leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen en er geen leerlingen thuiszitten.

Het samenwerkingsverband legt de afspraken hierover vast in het ondersteuningsplan. Hierover voert het samenwerkingsverband op overeenstemming gericht overleg (oogo) met het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente of gemeenten.

Met het oog op de doorgaande leerlijn van het primair onderwijs (inclusief het speciaal (basis)onderwijs) naar het voortgezet onderwijs (inclusief het praktijkonderwijs (pro) en voortgezet speciaal onderwijs (vso)) stemt het samenwerkingsverband zijn beleid af met het samenwerkingsverband dat (geheel of gedeeltelijk) samenvalt met de eigen regio. Ook deze afspraken legt het samenwerkingsverband vast in het ondersteuningsplan.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de regionale samenwerking en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 18a, tweede en achtste lid, WPO / artikel 17a, tweede en achtste lid, WVO: Het ondersteuningsplan omvat onder andere de wijze waarop wordt voldaan aan het realiseren van een samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen.

• Artikel 18a, negende lid, WPO / artikel 17a, negende lid, WVO: Na op overeenstemming gericht overleg over het conceptondersteuningsplan met de gemeente(n) en het samenwerkingsverband waarmee de regio samenvalt (en het bestuur van instelling(en) voor middelbaar beroepsonderwijs in dit gebied), stelt het bestuur het ondersteuningsplan vast.

RPO3. Advisering en beoordeling toelaatbaarheid

Het samenwerkingsverband voorziet in een zorgvuldige advisering en besluitvorming bij de beoordeling van aanvragen voor de toelaatbaarheid tot speciale onderwijsvoorzieningen.

Basiskwaliteit

Op verzoek van het bestuur van een school adviseert het samenwerkingsverband over de ondersteuningsbehoefte van een leerling als deze bij de school is aangemeld of ingeschreven.

Voor leerlingen voor wie een speciale vorm van onderwijs (voor het primair onderwijs: speciaal basisonderwijs (sbo) en speciaal onderwijs (so); voor het voortgezet onderwijs: leerwegondersteunend onderwijs (lwoo), praktijkonderwijs (pro) en voortgezet speciaal onderwijs (vso)) de best passende plek is, is een toelaatbaarheidsverklaring van het samenwerkingsverband nodig (voor het lwoo geldt een aanwijzing). Het toelaatbaar verklaren tot deze scholen is een wettelijke taak van het samenwerkingsverband en is aan voorschriften gebonden. Wanneer voor een leerling een toelaatbaarheidsverklaring is aangevraagd, dan handelt het samenwerkingsverband deze aanvraag volgens een zorgvuldige procedure af binnen een redelijke termijn, opdat de leerling een ononderbroken ontwikkeling kan doormaken.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de advisering en beoordeling toelaatbaarheid en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 18a, zesde lid, sub d, WPO / artikel 17a, zesde lid, sub d, WVO: Het samenwerkingsverband heeft onder andere tot taak om te adviseren over de ondersteuningsbehoefte van een leerling op verzoek van het bestuur van een bij het samenwerkingsverband aangesloten school waar de leerling is aangemeld of ingeschreven.

• Artikel 18a, zesde lid, sub c, WPO / artikel 17a, zesde lid, sub c, WVO: Het samenwerkingsverband heeft onder andere tot taak het beoordelen of een leerling toelaatbaar is tot het sbo en het so, respectievelijk het pro en vso, of aangewezen is op het lwoo.

• Artikel 18a, lid 10a, WPO / artikel 17a, lid 10a, WVO: Het samenwerkingsverband kan met het oog op het dekkend netwerk een opdc inrichten. Hier zijn voorwaarden aan verbonden (zie artikel 34.10 Besluit bekostiging WPO / artikel 26 Inrichtingsbesluit WVO).

• Artikel 18a, elfde lid, WPO en artikel 34.8, Besluit bekostiging WPO / artikel 17a, twaalfde lid, WVO en artikel 15a, Inrichtingsbesluit WVO: Het samenwerkingsverband betrekt de adviezen van wettelijk verplichte deskundigen bij de beoordeling of een leerling toelaatbaar is tot het sbo en so, respectievelijk het pro en vso, of aangewezen is op het lwoo.

• Artikel 18a, twaalfde lid, WPO / artikel 17a, dertiende lid, WVO: Het samenwerkingsverband stelt een adviescommissie in die adviseert over bezwaarschriften betreffende besluiten van het samenwerkingsverband over de toelaatbaarheid van leerlingen tot speciale scholen (sbo, v(s)o en pro).

• Artikel 18a, veertiende lid, WPO / artikel 17a, vijftiende lid, WVO: Het samenwerkingsverband verstrekt van elk advies over de ondersteuningsbehoefte van een leerling een afschrift aan de ouders.

X Noot
1

Jeugdhulp en eventuele andere domeinen uit artikel 2.2 van de Jeugdwet zoals beschreven in het jeugdplan van de gemeente.

KWALITEITSGEBIED BESTURING, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (BKA)

BKA1. Visie, ambities en doelen

Het bestuur heeft een visie op kwaliteit, heeft hiervoor ambities en doelen opgesteld en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

Het bestuur heeft een visie op de uitvoering van de wettelijke taken en op de besturing daarvan. De visie is concreet en passend vertaald naar ambities, doelen en daarmee samenhangende beleid. Deze vertaling maakt sturing mogelijk op de kwaliteit en resultaten van beleid van het samenwerkingsverband en de voorwaarden. Daartoe is een stelsel van kwaliteitszorg ingericht dat het bestuur in staat stelt de basiskwaliteit van de taakuitvoering te waarborgen. Wanneer het samenwerkingsverband een opdc in stand houdt, valt hieronder ook het zorg dragen voor de kwaliteit van het onderwijs op het opdc.

De doelen betreffen in elk geval de naleving van de wettelijke eisen, waaronder het zorg dragen voor de dienstverlening aan de aangeslotenen, het realiseren van een samenhangend geheel van voorzieningen en de beoogde kwalitatieve en kwantitatieve resultaten van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning behoeven en de daarmee samenhangende bekostiging. De visie, ambities en doelen omvatten uitwerkingen van eerdere evaluatieresultaten en resultaten van interne en externe dialoog. De doelen, het beleid en de afspraken zijn vastgelegd in het ondersteuningsplan. Het ondersteuningsplan wordt eenmaal in de vier jaar door het bestuur vastgesteld en vormt de basis voor de sturing op de uitvoering van de taken en de verbetering van de kwaliteit.

Het bestuur richt de voorwaarden in om de doelen te bereiken, waaronder de inzet en het beheer van de (financiële) middelen voor het waarborgen van de uitvoering van de wettelijke taken van het samenwerkingsverband en de realisatie van de zorgplicht passend onderwijs door schoolbesturen. Het bestuur heeft daartoe een meerjarenbegroting waarin de relatie met het beleid, de doelen en de gemaakte keuzes voor het verdelen van de middelen duidelijk zijn toegelicht. Er is voor de sturing op (financiële) kwaliteit een functionerende verantwoordelijkheidsverdeling tussen de interne toezichthouder en het bestuur afgesproken, op basis van de geldende wet- en regelgeving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 14a WMS: Het samenwerkingsverband behoeft de voorafgaande instemming van de ondersteuningsplanraad voor elk door het samenwerkingsverband te nemen besluit met betrekking tot vaststelling van het ondersteuningsplan.

• Artikel 17a, eerste en derde lid, WPO, jo. artikel 10 WPO / artikel 24d, eerste en derde lid, WVO, jo. artikel 23a, WVO: Het samenwerkingsverband dient zorg te dragen voor de kwaliteit van de dienstverlening aan de aangeslotenen. Onder ‘zorg dragen voor de kwaliteit van de taken’ valt in elk geval het naleven van de wettelijke bepalingen, waaronder indien van toepassing die voor de kwaliteit van het onderwijs op het opdc en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg.

• Artikel 17a, eerste en derde lid, WPO, jo. artikel 10, WPO, jo. artikel 12, vierde lid, WPO / artikel 24d, eerste en derde lid, WVO, jo. artikel 23a, WVO, jo. artikel 24, vierde lid, WVO: Het stelsel van kwaliteitszorg omvat in elk geval het zorg dragen voor het bewaken dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en het vaststellen welke maatregelen ter verbetering nodig zijn.

• Artikel 17a, eerste en derde lid, WPO / artikel 24d, eerste en derde lid, WVO: Het bestuur draagt zorg voor een goed bestuurd samenwerkingsverband met een scheiding tussen bestuur en toezicht en met een rechtmatig bestuur en beheer.

• Artikel 17b, eerste en derde lid, WPO / artikel 24e, eerste en derde lid, WVO: Er moet sprake zijn van een functionele of organieke scheiding tussen het uitvoerend deel van het bestuur en het intern toezicht.

• Artikel 17c, eerste lid, sub c, en vijfde lid, WPO / artikel 24e1, eerste lid, sub c, en vijfde lid, WVO: De interne toezichthouder ziet erop toe dat het bestuur de middelen rechtmatig verwerft en doelmatig en rechtmatig besteedt en aanwendt.

• Artikel 18a, tweede lid, WPO / artikel 17a, tweede lid, WVO: Het samenwerkingsverband stelt zich ten doel een samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen te realiseren en wel zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken en leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen.

• Artikel 18a, zevende en achtste lid, WPO / artikel 17a, zevende en achtste lid, WVO: Het samenwerkingsverband stelt ten minste eenmaal in de vier jaar een ondersteuningsplan vast. Het ondersteuningsplan omvat bepaalde onderdelen, waaronder de beoogde kwalitatieve en kwantitatieve resultaten van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning behoeven en de daarmee samenhangende bekostiging.

• Artikel 171 WPO, jo. artikel 4, vierde lid, RJO / Artikel 103, WVO jo. artikel 18, eerste, tweede en vijfde lid, Bekostigingsbesluit WVO, jo. artikel 4, vierde lid, RJO: Het bestuur maakt jaarlijks een jaarverslag waarin de resultaten van het financieel beleid en de continuïteitsparagraaf staan opgenomen.

• Artikel 148 WPO / Artikel 99 WVO en artikel 21 Bekostigingsbesluit WVO: Het bestuur moet de rijksbekostiging doelmatig en rechtmatig aanwenden.

BKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

Het bestuur realiseert samen met de aangesloten schoolbesturen de doelen voor kwaliteit, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

Het bestuur geeft als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg met de schoolbesturen uitvoering aan de visie en de doelen voor het realiseren van de wettelijke taken (indien van toepassing: inclusief het zorgdragen voor de kwaliteit van het onderwijs op het opdc).

Aan de transparante, integere kwaliteitscultuur is zichtbaar dat deze bijdraagt aan de gestelde doelen.

Het bestuur bevordert een op samenwerken, leren en verbeteren gerichte kwaliteitscultuur, zodat de doelen en ambities gerealiseerd kunnen worden en de aangesloten schoolbesturen de afspraken in het ondersteuningsplan nakomen. Het bestuur spreekt de schoolbesturen aan op het nakomen van de afspraken voortkomend uit het ondersteuningsplan. Ook aangesloten schoolbesturen kunnen elkaar aanspreken op het nakomen van de afspraken in het ondersteuningsplan.

Binnen de kwaliteitscultuur geeft het bestuur uitvoering aan kwaliteitszorg gericht op de realisatie van de wettelijke taken, de afspraken uit het ondersteuningsplan en de naleving van wettelijke voorschriften. Het bestuur bewaakt en bevordert dat de uitvoering in overeenstemming is met het beleid en de afspraken uit het ondersteuningsplan, zodat de doelen worden bereikt. Het bestuur houdt zicht op de uitvoering van het beleid, de afspraken en op de nagestreefde verbeteringen en stuurt daarop, zo nodig, tussentijds bij.

De beschikbare (financiële) middelen worden doelmatig en rechtmatig aangewend conform de gemaakte keuzes in het ondersteuningsplan en dragen bij aan de realisatie van de door het bestuur gestelde doelen. Het bestuur stuurt op effectief financieel beheer, zodat de continuïteit van het samenwerkingsverband en de dienstverlening aan de aangeslotenen gewaarborgd is en bekostiging rechtmatig verkregen wordt.

Het interne toezicht geeft onafhankelijk en deugdelijk invulling aan zijn taak en wordt daarin gefaciliteerd door het bestuur. Het bestuur zorgt ook voor een goede facilitering van de ondersteuningsplanraad, betrekt deze tijdig en legt besluiten voor conform wettelijke vereisten. Het bestuur opereert volgens een code Goed Bestuur of legt in het jaarverslag1 uit als het daar eventueel van afwijkt en waarom dat het geval is.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 4, vierde lid, RJO: Het bestuur zorgt voor een continuïteitsparagraaf in de jaarverslaggeving.

• Artikel 4a WMS: Het samenwerkingsverband stelt een ondersteuningsplanraad in en de inrichting voldoet aan de wettelijke voorschriften.

• Artikel 8 WMS (jo. artikel 9, WMS): De ondersteuningsplanraad en de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad ((G)MR) ontvangt tijdig alle inlichtingen van het samenwerkingsverband die redelijkerwijs nodig zijn om zijn taak te kunnen vervullen en ontvangt in elk geval bepaalde in de wet beschreven informatie.

• Artikel 14a WMS: Het samenwerkingsverband behoeft de voorafgaande instemming van de ondersteuningsplanraad voor elk door het samenwerkingsverband te nemen besluit met betrekking tot vaststelling of wijziging van het ondersteuningsplan.

• Artikel 17a, tweede lid, WPO / artikel 24d, tweede lid, WVO: Benoeming van bestuur en intern toezicht geschiedt op vooraf openbaar gemaakte profielen. De ondersteuningsplanraad (en indien van toepassing de medezeggenschap) krijgen een beslissende rol bij het benoemen van leden van de raad van toezicht.

• Artikel 17a, eerste en derde lid, WPO, jo. artikel 10 WPO, jo. artikel 12, vierde lid, WPO / artikel 24d, eerste en derde lid, WVO, jo. artikel 23a WVO, jo. artikel 24, vierde lid, WVO: Het stelsel van kwaliteitszorg omvat in elk geval het zorg dragen voor het bewaken dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en het vaststellen welke maatregelen ter verbetering nodig zijn.

• Artikel 17a, eerste en derde lid, WPO / artikel 24d, eerste en derde lid, WVO: Het bestuur draagt zorg voor een goed bestuurd samenwerkingsverband met een scheiding tussen bestuur en toezicht en met een rechtmatig bestuur en beheer.

• Artikel 17b, eerste en derde lid, WPO / artikel 24e, eerste en derde lid, WVO: Er moet sprake zijn van een functionele of organieke scheiding tussen het uitvoerend deel van het bestuur en het intern toezicht.

• Artikel 17b, tweede en derde lid, WPO / artikel 24e, tweede en derde lid, WVO: De interne toezichthouder (of lid daarvan) functioneert onafhankelijk van het bestuur.

• Artikel 17c, eerste lid, WPO, jo. artikel 171, eerste lid, WPO / artikel 24e1, eerste lid, WVO, jo. artikel 103, eerste lid, WVO: De interne toezichthouder houdt toezicht op de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden door het bestuur, staat het bestuur met raad terzijde en heeft ten minste bepaalde taken.

• Artikel 17c, tweede, vierde en vijfde lid, WPO / artikel 24e1, tweede, vierde en vijfde lid, WVO: De taken en bevoegdheden van de interne toezichthouder of het intern toezichthoudend orgaan zijn zodanig dat hij een deugdelijk en onafhankelijk intern toezicht kan uitoefenen. Wanneer een samenwerkingsverband werkt met een raad van toezicht, dan is deze belast met het benoemen, schorsen en ontslaan van de leden van het bestuur. De interne toezichthouder of het intern toezichthoudend orgaan van het samenwerkingsverband pleegt ten minste tweemaal per jaar overleg met de ondersteuningsplanraad.

• Artikel 148 WPO / Artikel 99 WVO en artikel 21 Bekostigingsbesluit WVO: Het bestuur moet de rijksbekostiging doelmatig en rechtmatig aanwende.

• Artikel 171, eerste lid, WPO / artikel 103, eerste lid, WVO: Het bestuur van het samenwerkingsverband dient een code Goed Bestuur te hanteren en verantwoordt zich over eventuele afwijkingen in het jaarverslag.

BKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

Het bestuur evalueert en analyseert systematisch of het de doelen realiseert en verantwoordt zich hierover. Het stelt wanneer dat nodig is het beleid bij en betrekt daartoe interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

Het bestuur evalueert en beoordeelt als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de ambities, de doelen en het beleid worden gerealiseerd. Op deze manier krijgt het bestuur zicht op de gerealiseerde (financiële) kwaliteit en de bereikte resultaten. Bij de evaluatie en beoordeling van het beleid, de naleving van de afspraken en indien van toepassing de onderwijskwaliteit op het opdc, haalt het bestuur actief externe informatie op en gebruikt deze informatie bij de evaluatie en beoordeling. Op basis van de evaluatie reageert het bestuur tijdig op mogelijke kansen en bedreigingen, stelt wanneer nodig (verbeter)beleid op en treft passende maatregelen om de kwaliteit van de uitvoering van de taken te borgen.

Het bestuur legt verantwoording af door middel van accurate, actuele en openbaar toegankelijke informatie over de gerealiseerde kwaliteit. Het brengt minimaal jaarlijks verslag uit aan zijn in- en externe belanghebbenden over zijn doelen en de realisatie van de wettelijke taken. De verantwoording in het jaarverslag is betrouwbaar en (de inhoud van) het jaarverslag voldoet aan de wettelijke vereisten.

Het bestuur verantwoordt zich daarbij ten minste over het zorg dragen voor de dienstverlening aan de aangeslotenen, het realiseren van een samenhangend geheel van voorzieningen en de bereikte kwantitatieve en kwalitatieve resultaten van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning behoeven en de daarmee samenhangende bekostiging en de gemaakte keuzes voor het verdelen van de middelen. De reflectie op de uitkomsten van de evaluatie geeft alle lagen van de organisatie, het interne toezicht, de ondersteuningsplanraad en de medezeggenschapsraad voldoende inzicht in de effectiviteit van de besturing en de uitvoering. Het bestuur analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verantwoording, onder andere op basis van de verantwoording door de aangesloten schoolbesturen. Vervolgens verwerkt het bestuur deze wanneer nodig in bijstelling van ambities, (verbeter)doelen, afspraken en beleid of in nieuwe ambities zodat de opbrengst van de dialoog bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van de uitvoering van de taken en de sturing daarop.

Het bestuur organiseert ook de dialoog hierover met interne en externe belanghebbenden uit de regionale context. Het samenwerkingsverband voert periodiek een dialoog met de ondersteuningsplanraad en organiseert het overleg tussen het interne toezicht en de ondersteuningsplanraad. Daarbij verantwoordt het bestuur zich ten minste bij de vaststelling van het ondersteuningsplan over de bereikte kwantitatieve en kwalitatieve resultaten van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning behoeven.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1 en artikel 3, sub f, RJO, jo. artikel 171, WPO / artikel 1 en artikel 3, sub f, RJO, jo. artikel 103, WVO: Het samenwerkingsverband informeert jaarlijks interne en externe belanghebbenden over het gevoerde en voorgenomen beleid en de uitkomsten van het gevoerde beleid.

• Artikel 4, vierde lid, RJO, artikel 171, WPO / artikel 103, WVO en artikel 18, vijfde lid, Bekostigingsbesluit WVO: Het bestuur maakt jaarlijks een jaarverslag, waarin naast de resultaten van het financieel beleid ook verantwoording wordt gegeven over toekomstige ontwikkelingen van het samenwerkingsverband.

• Artikel 8 WMS (jo. artikel 9 WMS): De ondersteuningsplanraad en de medezeggenschapsraad ontvangen tijdig alle inlichtingen van het samenwerkingsverband die redelijkerwijs nodig zijn om zijn taak te kunnen vervullen en ontvangen in elk geval bepaalde in de wet beschreven informatie.

• Artikel 11a WMS: Het samenwerkingsverband moet de ondersteuningsplanraad vooraf in de gelegenheid stellen om te adviseren over besluiten bij bepaalde aangelegenheden.

• Artikel 14a WMS: Het samenwerkingsverband behoeft de voorafgaande instemming van de ondersteuningsplanraad voor elk door het samenwerkingsverband te nemen besluit met betrekking tot vaststelling en wijziging van het ondersteuningsplan.

• Artikel 17a, eerste en derde lid, WPO, jo. artikel 10, WPO jo. artikel 12, vierde lid, WPO / artikel 24d, eerste en derde lid, WVO, jo. artikel 23a, WVO, jo. artikel 24, vierde lid, WVO: Het stelsel van kwaliteitszorg omvat in elk geval het zorg dragen voor het bewaken dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en het vaststellen welke maatregelen ter verbetering nodig zijn.

• Artikel 17c, vijfde lid, WPO / artikel 24e1, vijfde lid, WVO: Het interne toezicht overlegt minimaal twee keer per jaar met de ondersteuningsplanraad.

• Artikel 18a, tweede lid, WPO / artikel 17a, tweede lid, WVO: Het samenwerkingsverband stelt zich ten doel een samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen te realiseren, en wel zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken en leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen.

• Artikel 18a, zevende en achtste lid, sub e, WPO / artikel 17a, zevende en achtste lid, sub e, WVO: Het samenwerkingsverband stelt ten minste eenmaal in de vier jaar een ondersteuningsplan vast. Het ondersteuningsplan omvat bepaalde onderdelen waaronder de bereikte kwalitatieve en kwantitatieve resultaten van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning behoeven en de daarmee samenhangende bekostiging.

• Artikel 171, eerste lid, WPO / artikel 103, eerste lid, WVO: Het bestuur van het samenwerkingsverband dient een code Goed Bestuur te hanteren en verantwoordt zich over eventuele afwijkingen in het jaarverslag.

• Artikel 171, zevende en achtste lid, WPO / Artikel 103, zevende en achtste lid, WVO: Het bestuur maakt het jaarverslag openbaar. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de wijze en het tijdstip waarop openbaarmaking van het jaarverslag plaatsvindt.

X Noot
1

Volgens artikel 1, sub c, RJO: het geheel van verslaggevingsdocumenten bestaande uit de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392, titel 9, boek 2, BW.

Bijlage 2 Waarderingskader speciaal basisonderwijs

In deze bijlage is het waarderingskader voor het toezicht op het speciaal basisonderwijs opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.3.

KWALITEITSGEBIED BESTURING, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (BKA)

BKA1. Visie, ambities en doelen

Het bestuur heeft een visie op kwaliteit, heeft hiervoor ambities en doelen opgesteld en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

Het bestuur heeft een visie op goed onderwijs en op de besturing daarvan. De visie is concreet en passend vertaald naar ambities, doelen en daarmee samenhangend beleid. Deze vertaling maakt sturing mogelijk op de kwaliteit en resultaten van het onderwijs en de voorwaarden. Daartoe is een stelsel van kwaliteitszorg ingericht dat het bestuur in staat stelt de basiskwaliteit van het onderwijs te waarborgen.

De doelen betreffen in elk geval de naleving van wettelijke eisen, waaronder de wettelijke vereisten voor het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces en de manier van toetsen. De visie, ambities en doelen omvatten uitwerkingen van eerdere evaluatieresultaten en resultaten van interne en externe dialoog.

Het bestuur zorgt er met betrokkenheid van de scholen voor dat de visie, ambities, doelen en het beleid sturend zijn voor de verbetering van het onderwijs aan leerlingen. Scholen formuleren op hun beurt doelen die aansluiten bij wat leerlingen nodig hebben met het oog op hun doorgaande onderwijsloopbaan.

Het bestuur richt de voorwaarden in om de doelen te bereiken, waaronder de inzet en het beheer van de (financiële) middelen voor het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijsproces, het schoolklimaat en de resultaten. Het bestuur heeft daartoe een meerjarenbegroting waarin de relatie met het beleid en de doelen duidelijk zijn toegelicht. Er is voor de sturing op (financiële) kwaliteit een functionerende verantwoordelijkheidsverdeling tussen de interne toezichthouder, het bestuur en de scholen afgesproken, op basis van de geldende wet- en regelgeving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 8, eerste lid, WPO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen.

• Artikel 10 en 12, vierde lid, WPO: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er toetsbare doelen zijn geformuleerd.

• Artikel 12, eerste, tweede en derde lid, WPO (in samenhang met artikel 1): Het bestuur zorgt ervoor dat alle scholen een schoolplan hebben. Het schoolplan omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg. Bij de beschrijving van het onderwijskundig beleid wordt het schoolondersteuningsprofiel betrokken. Dit bevat een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven.

• Artikel 17b, eerste en derde lid, WPO: Er moet sprake zijn van een functionele of organieke scheiding tussen uitvoerend deel van het bestuur en intern toezicht.

• Artikel 17c, eerste lid, sub c, WPO: De interne toezichthouder ziet erop toe dat het bestuur de middelen doelmatig en rechtmatig besteedt en aanwendt.

• Artikel 29, zevende lid, WPO: Het bestuur stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van de verschillende categorieën personeel van de scholen.

• Artikel 171 WPO en jo. artikel 4, vierde lid, RJO: Het bestuur maakt jaarlijks een jaarverslag waarin de resultaten van het financieel beleid en de continuïteitsparagraaf staan opgenomen.

• Artikel 31 WPO: Het bestuur stelt een managementstatuut vast waaruit de verantwoordelijkheidsverdeling in de aansturing van de school blijkt.

• Artikel 148 en 175, WPO [jo. AMvB] en artikel 34a, Besluit bekostiging WPO: Het bestuur moet de rijksbekostiging rechtmatig aanwenden en moet evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen voorkomen.

• Artikel 167 en 167a, WPO: Het op gemeentelijk niveau maken van afspraken over en het formuleren van doelen voor het bestrijden van onderwijsachterstanden.

• RJO, jo. artikel 171, WPO: De wijze waarop door het bestuur verslag wordt gedaan van het financieel beheer gebeurt overeenkomstig de daarvoor in de RJO gestelde regels.

BKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

Het bestuur realiseert samen met de scholen de doelen voor kwaliteit, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

Het bestuur geeft als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg met de scholen effectief uitvoering aan de visie en de doelen voor onderwijskwaliteit. Aan de transparante, integere kwaliteitscultuur is zichtbaar dat deze bijdraagt aan de gestelde doelen.

Het bestuur bevordert een op samenwerken, leren en verbeteren gerichte kwaliteitscultuur, zodat de doelen en ambities gerealiseerd kunnen worden. Het bestuur zorgt ervoor dat het onderwijskundig leiderschap op alle niveaus herkenbaar verankerd is in de organisatie. Ook bevordert het bestuur dat de schoolleiding en teams gezamenlijk werken aan hun professionaliteit in relatie tot de bekwaamheidseisen en aan een verbetercultuur.

Binnen de kwaliteitscultuur geeft het bestuur uitvoering aan kwaliteitszorg gericht op de kwaliteit van het onderwijs, de afspraken uit het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband passend onderwijs en de naleving van wettelijke voorschriften. Het bestuur bewaakt en bevordert dat de uitvoering in overeenstemming is met het beleid, zodat de doelen worden bereikt. Het bestuur houdt zicht op de uitvoering van het beleid en op de nagestreefde verbeteringen en stuurt daarop, zo nodig, tussentijds bij.

De beschikbare (financiële) middelen dragen bij aan de realisatie van de door het bestuur gestelde doelen en worden doelmatig en rechtmatig aangewend. Als onderdeel van zijn taak ziet de interne toezichthouder daarop toe. Het bestuur voorkomt evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen. Daarnaast stuurt het bestuur op effectief financieel beheer, zodat de continuïteit van het onderwijs gewaarborgd is en bekostiging rechtmatig verkregen wordt.

Het interne toezicht geeft voorts onafhankelijk en deugdelijk invulling aan zijn taak en wordt daarin gefaciliteerd door het uitvoerend deel van het bestuur. Het bestuur zorgt voor goed functionerende medezeggenschap en opereert volgens een code Goed Bestuur of legt in het jaarverslag1 uit als het daar eventueel van afwijkt en waarom dat het geval is. Als laatste zorgt het bestuur voor een doeltreffende verwerking van interne en externe signalen en klachten.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 10 en 12, vierde lid, WPO: Het bestuur en de schoolleiding zorgen ervoor dat de wet wordt nageleefd en dat er indien nodig verbetermaatregelen komen voor de kwaliteit. Dat houdt onder andere in dat het bestuur en de scholen zicht hebben op de kwaliteit van het onderwijs. Daarbij moet het functioneren van de kwaliteitscyclus centraal staan.

• Artikel 12, eerste en derde lid, artikel 32, artikel 32b en artikel 34a, WPO: Het bestuur zorgt voor bevoegd personeel en maakt het onderhouden en uitbreiden van de bekwaamheid mogelijk.

• Artikel 13, eerste lid, sub f in samenhang met artikel 14, WPO: Het bestuur communiceert over de klachtenregeling in de schoolgids(en).

• Artikel 14 WPO: Het bestuur heeft een klachtenregeling die leidt tot een deugdelijke klachtbehandeling waarbij voldaan wordt aan de specifieke vereisten die dit artikel noemt.

• Artikel 17a, eerste lid, jo. 10, WPO: Het bestuur draagt zorg voor een goed bestuurde school met een scheiding tussen het uitvoerend deel van het bestuur en het toezicht en met een rechtmatig bestuur en beheer.

• Artikel 17b, tweede lid, WPO: De interne toezichthouder (of lid daarvan) functioneert onafhankelijk van het uitvoerend deel van het bestuur.

• Artikel 17c, eerste lid, WPO: De interne toezichthouder houdt toezicht op de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden door het uitvoerend deel van het bestuur, staat het uitvoerend deel van het bestuur met raad ter zijde en heeft ten minste bepaalde taken.

• Artikel 31a, derde en vierde lid, WPO: De school dient leraren een zelfstandige verantwoordelijkheid te geven bij de beoordeling van de onderwijsprestaties van leerlingen en voldoende zeggenschap te geven waar het gaat om het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de school.

• Artikel 148 en 175, WPO [jo. AMvB] en artikel 34a, Besluit bekostiging WPO: Het bestuur moet de rijksbekostiging rechtmatig aanwenden en moet evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen voorkomen.

• Artikel 148b WPO: Het bestuur beheert de middelen van de school op zodanige wijze dat het voortbestaan van de school is verzekerd.

• Artikel 171, eerste lid, WPO: Het bestuur dient een code Goed Bestuur te hanteren en verantwoordt zich over eventuele afwijkingen in het jaarverslag.

• Artikel 171, eerste lid, sub b, WPO: Het bestuur stelt een jaarverslag vast met jaarrekening waaruit blijkt dat er sprake is van een rechtmatige en doelmatige aanwending van de bekostiging.

• Artikel 175, vierde lid, WPO: Als sprake is van evident ondoelmatige aanwending, kunnen daar financiële gevolgen aan worden verbonden, zoals wijziging van de bekostiging en het terugvorderen van het onverschuldigd betaalde deel van de bekostiging.2

• Artikel 175, vijfde lid, WPO [jo. AMvB]: Bij of krachtens AMvB worden nadere regels gesteld over de wijze waarop wordt vastgesteld dat sprake is van evident ondoelmatige aanwending van de bekostiging.

• Artikel 4, lid 4, RJO: Het bestuur zorgt voor een continuïteitsparagraaf in de jaarverslaggeving.

BKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

Het bestuur evalueert en analyseert systematisch of het de doelen realiseert en verantwoordt zich hierover. Het stelt wanneer dat nodig is het beleid bij en betrekt daartoe interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

Het bestuur evalueert en beoordeelt als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de ambities, de doelen en het beleid worden gerealiseerd. Op deze manier krijgt het bestuur zicht op de gerealiseerde (financiële) kwaliteit en de resultaten van het onderwijs aan leerlingen. Bij de evaluatie en beoordeling van het beleid en de onderwijskwaliteit haalt het bestuur actief externe informatie op en gebruikt deze informatie bij de evaluatie en beoordeling. Op basis van de evaluatie reageert het bestuur tijdig op mogelijke kansen en bedreigingen, stelt wanneer nodig (verbeter)beleid op en treft passende maatregelen om de kwaliteit van het onderwijs op de scholen te borgen.

Het bestuur legt verantwoording af door middel van accurate, actuele en openbaar toegankelijke informatie over de gerealiseerde kwaliteit. Het brengt minimaal jaarlijks verslag uit aan zijn in- en externe belanghebbenden over zijn doelen en de resultaten van de scholen. De verantwoording in het jaarverslag is betrouwbaar en (de inhoud van) het jaarverslag voldoet aan de wettelijke vereisten.

Het bestuur verantwoordt zich daarbij ten minste over het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces, de manier van toetsen en het financieel beheer. De reflectie op de uitkomsten van de evaluatie geeft alle lagen van de organisatie, intern toezicht en de medezeggenschap voldoende inzicht in de effectiviteit van de besturing en uitvoering. Het bestuur analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verantwoording. Vervolgens verwerkt het bestuur deze wanneer nodig in bijstelling van ambities, (verbeter)doelen en beleid of nieuwe ambities zodat de opbrengst van de dialoog bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwijs en de sturing daarop. Het bestuur organiseert ook de dialoog hierover met interne en externe belanghebbenden, waarbij in elk geval leerlingen, personeel en de interne toezichthouder zijn betrokken. Het bestuur werkt bovendien actief samen met andere partijen aan doelen die het bestuurlijk belang overstijgen en de kernfuncties raken. Zo komt het bestuur de afspraken uit het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband passend onderwijs na en verantwoordt zich hierover.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1 en artikel 3, sub f, RJO, jo. artikel 171, WPO: Het bestuur informeert jaarlijks interne en externe belanghebbenden over het gevoerde en voorgenomen beleid en over de uitkomsten van het gevoerde beleid.

• Artikel 4, vierde lid, RJO, jo. artikel 171 WPO: Het bestuur maakt jaarlijks een jaarverslag waarin naast de resultaten van het financieel beleid ook verantwoording wordt gegeven over toekomstige ontwikkelingen van het onderwijs.

• Artikel 8 WMS: De (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad ((G)MR) ontvangt tijdig alle inlichtingen van het bestuur die redelijkerwijs nodig zijn om zijn taak te kunnen vervullen en ontvangt in elk geval bepaalde in de wet beschreven informatie.

• Artikel 10 WMS: Het bestuur heeft in bepaalde gevallen voorafgaande instemming nodig van de (G)MR voor elk besluit in dat geval (bijvoorbeeld bij verandering van de onderwijskundige doelstellingen van de school).

• Artikel 10 en 12, vierde lid, WPO: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er regelmatig wordt geëvalueerd of deze doelen worden gehaald.

• Artikel 11 WMS: Het bestuur moet de (G)MR vooraf in de gelegenheid stellen om te adviseren over besluiten bij bepaalde aangelegenheden (bijvoorbeeld vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de school).

• Artikel 12 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het personeelsdeel van de (G)MR bij besluiten bij bepaalde aangelegenheden (bijvoorbeeld bij de vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie).

• Artikel 13 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming van het ouderdeel van de (G)MR over bepaalde besluiten (bijvoorbeeld bij de vaststelling van de schoolgids).

• Artikel 167 en 167a, WPO: De besturen van de scholen voeren jaarlijks overleg met elkaar, met organisaties voor kinderopvang en met de gemeente over het voorkomen van segregatie, het bevorderen van integratie en het bestrijden van achterstanden.

• RJO, jo. artikel 171, WPO: De wijze waarop door het bestuur verslag wordt gedaan van het financieel beheer gebeurt overeenkomstig de daarvoor in de RJO gestelde regels.

• Artikel 171, eerste lid, WPO: Het bestuur dient een code Goed Bestuur te hanteren en verantwoordt zich over eventuele afwijkingen in het jaarverslag.

• Artikel 171, zevende en achtste lid, WPO: Het bestuur maakt het jaarverslag openbaar. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de wijze en het tijdstip waarop openbaarmaking van het jaarverslag plaatsvindt.

X Noot
1

Volgens artikel 1, sub c, RJO: het geheel van verslaggevingsdocumenten bestaande uit de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392, titel 9, boek 2, BW.

X Noot
2

Met het amendement (Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 102, nr. 11) is geregeld dat een bekostigingssanctie alleen kan worden opgelegd aan het bestuur nadat bij AMvB een nadere invulling wordt gegeven aan het begrip ‘evident ondoelmatige besteding’. Zonder deze algemene maatregel van bestuur is handhaving op ‘evident ondoelmatige besteding’ niet mogelijk. Tot de datum van inwerkingtreding van de AMvB richt de inspectie zich op haar stimulerende taak op dit gebied en zal alleen een Onvoldoende worden gegeven als een bestuur niet voldoet aan de op dit moment bij de basiskwaliteit opgenomen elementen.

KWALITEITSGEBIEDEN EN STANDAARDEN PO SCHOOLNIVEAU

OP ONDERWIJSPROCES

OP1

Aanbod

OP2

Zicht op ontwikkeling en begeleiding

OP3

Pedagogisch-didactisch handelen

OP4

Onderwijstijd

OP6

Afsluiting

VS VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT

VS1

Veiligheid

VS2

Schoolklimaat

OR ONDERWIJSRESULTATEN

OR1

Resultaten

OR2

Sociale en maatschappelijke competenties

SKA STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE

SKA1

Visie, ambities en doelen

SKA2

Uitvoering en kwaliteitscultuur

SKA3

Evaluatie, verantwoording en dialoog

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSPROCES (OP)

OP1. Aanbod

Het aanbod bereidt de leerlingen voor op vervolgonderwijs en de samenleving.

Basiskwaliteit

De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs en de samenleving. Zij biedt een breed en op de kerndoelen1 gebaseerd aanbod dat ook de referentieniveaus taal en rekenen omvat. Wanneer de school afwijkt van de kerndoelen en referentieniveaus, wordt dit vermeld en onderbouwd in het ontwikkelingsperspectief van de leerling. Onder aanbod verstaan we alle lesinhouden, ook die digitaal zijn of online aangeboden worden. Het aanbod van de school is afgestemd op de leerlingenpopulatie en sluit aan bij het (taal)niveau en de onderwijsbehoeften van de leerlingen. Het aanbod wordt waar nodig gedurende de schoolloopbaan verdiept en verbreed, zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. Het aanbod is doelgericht, samenhangend en herkenbaar. Bovendien heeft de school de leerinhouden evenwichtig en in samenhang over de leerjaren verdeeld.

Het aanbod draagt bij aan het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en aan het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die leerlingen in staat stellen deel uit te maken en bij te dragen aan de pluriforme, democratische samenleving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het aanbod en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2 WPO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 8, eerste lid, WPO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 8, tweede lid, WPO: Het onderwijs richt zich in elk geval op de emotionele en de verstandelijke ontwikkeling, op het ontwikkelen van creativiteit en op het verwerven van noodzakelijke kennis en van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden.

• Artikel 8, derde lid, WPO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 9 WPO, jo. Besluit vernieuwde kerndoelen WPO: Het onderwijsaanbod voldoet aan de kerndoelen en is – waar mogelijk – in samenhang ingericht.

• Artikel 9, elfde lid, WPO, jo. artikel 2 en 3 en bijlagen bij Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen: Het onderwijs neemt de referentieniveaus van taal en rekenen als uitgangspunt.

• Artikel 12, tweede lid, sub a, WPO: Het schoolplan bevat de uitwerking van de wettelijke opdrachten voor de uitgangspunten, doelstellingen en inhoud van het onderwijs.

• Artikel 40a, vijfde lid, WPO: Wanneer wordt afgeweken van de kerndoelen en referentieniveaus, wordt dit vermeld in het ontwikkelingsperspectief van de leerling.

OP2. Zicht op ontwikkeling en begeleiding

De school volgt de ontwikkeling van de leerlingen en biedt waar nodig passende begeleiding en extra ondersteuning.

Basiskwaliteit

De school verzamelt vanaf binnenkomst systematisch informatie over de kennis en vaardigheden van leerlingen op alle voor het onderwijs belangrijke domeinen. De school stelt voor elke leerling, op basis van alle leerlinggegevens, een passend ontwikkelingsperspectief op. De school legt in het ontwikkelingsperspectief vast hoe zij het onderwijs afstemt op de behoefte van de leerling. De school voert de geplande ondersteuning uit. De inhoud en uitvoering van dit plan wordt minimaal eenmaal per schooljaar met de ouders geëvalueerd. Het onderwijs is erop gericht dat leerlingen zo mogelijk kunnen doorstromen naar het regulier onderwijs.

Het verzamelen van (toets)informatie gebeurt systematisch en zorgvuldig en voor de kennisgebieden taal en rekenen/wiskunde met behulp van genormeerde toetsen. Voor het verzamelen en vastleggen van (toets)informatie gebruikt de school een leerling- en onderwijsvolgssysteem. De school vergelijkt de informatie met de verwachte ontwikkeling van de leerling. Dit maakt het mogelijk om het onderwijs af te stemmen op de onderwijsbehoeften van zowel groepen als individuele leerlingen. Het stelt de school in staat zorg te dragen voor de ontwikkeling en begeleiding van de leerling. De school waarborgt daarmee voor leerlingen de ononderbroken ontwikkeling en voortgang daarin en heeft daarbij oog voor de bevordering van gelijke kansen. De school informeert ouders regelmatig over de ontwikkeling en vorderingen van hun kind.

Wanneer individuele of groepen leerlingen niet genoeg lijken te profiteren van het onderwijs, analyseert de school waar de ontwikkeling stagneert en wat mogelijke verklaringen hiervoor zijn. Vervolgens bepaalt zij wat er nodig is om op eventuele achterstanden of voorsprongen in de ontwikkeling van leerlingen in te spelen. De school biedt de begeleiding (op cognitief, sociaal en/of motorisch gebied) vervolgens gestructureerd aan. Waar nodig betrekt de school het samenwerkingsverband, gemeenten en zorginstanties bij de begeleiding van de leerlingen.

De leerlingen krijgen daarmee de begeleiding die zij nodig hebben om het onderwijsprogramma beter te kunnen doorlopen. De school besteedt op structurele en herkenbare wijze aandacht aan het bestrijden van (taal)achterstanden.

De school heeft in het schoolondersteuningsprofiel vastgelegd wat zij onder extra ondersteuning verstaat en welke voorzieningen de school kan bieden. De school vervult de zorgplicht passend onderwijs. Wanneer de school de extra ondersteuning voor de leerlingen niet kan bieden, zoekt de school in samenwerking met ouders en zo nodig het samenwerkingsverband een passende onderwijsplek.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor zicht op ontwikkeling en begeleiding en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1 WPO: In het schoolondersteuningsprofiel is vastgelegd welke voorzieningen zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.

• Artikel 8, eerste lid, WPO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 8, derde lid, WPO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze. Dat omvat onder meer regelmatig monitoren van de ontwikkeling van burgerschapscompetenties, om het onderwijs af te stemmen op de actuele leerbehoefte van leerlingen.

• Artikel 8, vierde lid, WPO: De school biedt individuele begeleiding die is afgestemd op de behoeften van de leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.

• Artikel 8, vijfde lid, WPO: Het bestuur stelt ten minste eenmaal in de vier jaar het schoolondersteuningsprofiel vast.

• Artikel 8, zesde lid, WPO: De school volgt de vorderingen van de leerlingen in kennis en vaardigheden door middel van een leerling- en onderwijsvolgsysteem. Bij taal en rekenen/wiskunde gebeurt dit met genormeerde toetsen.

• Artikel 8, elfde lid, WPO: De school werkt herkenbaar en gestructureerd aan de bestrijding van achterstanden.

• Artikel 11 WPO: De school rapporteert over de vorderingen van de leerlingen aan hun ouders, voogden of verzorgers.

• Artikel 12, tweede lid, WPO: De school heeft in het schoolplan beschreven op welke wijze het schoolondersteuningsprofiel wordt betrokken bij het onderwijskundig beleid.

• Artikel 12, vierde lid, sub a, WPO: De school heeft de wijze waarop het onderwijs wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen in het schoolplan beschreven.

• Artikel 34.7 Besluit bekostiging WPO: In het ontwikkelingsperspectief is informatie opgenomen over de begeleiding die de leerling wordt geboden, naar welke onderwijssoort in het voortgezet onderwijs of uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal onderwijs hij naar verwachting zal uitstromen, en over de belemmerende en de bevorderende factoren die van invloed zijn op het onderwijs aan de leerling.

• Artikel 40, vierde en elfde lid, WPO: De school houdt zich aan de zorgplicht passend onderwijs.

• Artikel 40, derde lid, WPO: De school beoordeelt of de leerling extra ondersteuning nodig heeft.

• Artikel 40a, eerste en derde lid, WPO: Het bestuur stelt, na op overeenstemming gericht overleg met de ouders, een ontwikkelingsperspectief vast voor een leerling die extra ondersteuning nodig heeft.

• Artikel 40a, tweede lid, WPO: Over het handelingsdeel van het ontwikkelperspectief dient door het bestuur overeenstemming met de ouders te worden bereikt.

• Artikel 40a, vierde lid, WPO: Het bestuur evalueert het ontwikkelingsperspectief minimaal eens per schooljaar met de ouders.

• Artikel 40a, vijfde lid, WPO: Het bestuur kan, na overleg of overeenstemming met de ouders, het ontwikkelingsperspectief bijstellen.

OP3. Pedagogisch-didactisch handelen

Het pedagogisch-didactisch handelen van de leraren stelt leerlingen in staat om te leren en zich te ontwikkelen.

Basiskwaliteit

De pedagogisch-didactische visie van de school is zichtbaar in het dagelijks handelen van de leraren.

De leraren plannen en structureren hun (ortho)pedagogisch-didactisch handelen met behulp van informatie die zij over leerlingen hebben. Zij maken pedagogische en didactische keuzes en stemmen daarbij het niveau van hun onderwijs af op het beoogde eindniveau van leerlingen. De leerstof omvat kennis, vaardigheden en attitudes en wordt in een logische opbouw aangeboden.

De leraren creëren een pedagogisch en didactisch passend en stimulerend leerklimaat, waardoor leerlingen actief en betrokken zijn. Met geschikte opdrachten en heldere uitleg structureren de leraren het onderwijsaanbod zo dat de leerlingen zich het leerstofaanbod eigen kunnen maken. Leraren hebben hoge verwachtingen van leerlingen en geven leerlingen feedback op hun leerproces.

De leraren stemmen de instructies, begeleiding, opdrachten en onderwijstijd doelgericht af op de onderwijsbehoeften van groepen en individuele leerlingen, inclusief op de sociale en maatschappelijke competenties. De afstemming is zowel gericht op (pedagogische) ondersteuning als op uitdaging, afhankelijk van de onderwijsbehoeften van leerlingen.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het pedagogisch-didactisch handelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2 WPO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 8, eerste lid, WPO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen. Voor deze ‘ononderbroken ontwikkeling’ is het nodig dat het onderwijs aansluit bij het ontwikkelingsniveau van de leerling.

• Artikel 8, derde lid, WPO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 12, tweede en derde lid, WPO: De school heeft haar beleid over het pedagogisch-didactisch handelen in het schoolplan geformuleerd. Het beleid over het pedagogisch-didactisch handelen is zichtbaar in het dagelijks handelen van de leraren.

OP4. Onderwijstijd

De leerlingen krijgen voldoende tijd om zich het aanbod eigen te maken.

Basiskwaliteit

De school biedt een programma aan dat voldoet aan de wettelijk verplichte onderwijstijd. De school stelt vast welke activiteiten onder de onderwijstijd vallen. De school plant de onderwijsactiviteiten weloverwogen over het schooljaar en deze worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van bevoegde leraren.

De school verdeelt de tijd zo over de vakken dat leerlingen in staat zijn het verplichte onderwijsprogramma tot zich te nemen. De school heeft beleid om ongeoorloofd verzuim en voortijdig schoolverlaten van leerlingen tegen te gaan, zodat ook op leerlingniveau gestreefd wordt de onderwijstijd te behalen.

De school maakt, zo nodig, volgens de wettelijke voorschriften gebruik van de mogelijkheden om, in het belang van de individuele leerling, af te wijken van de verplichte onderwijstijd en/of van de mogelijkheid om een leerling een deel van de onderwijstijd door te laten brengen op een andere school.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de onderwijstijd en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 8, negende lid, WPO: De school verzorgt minimaal het wettelijk verplichte aantal uren onderwijs en zorgt ervoor dat de leerlingen in beginsel binnen acht aaneensluitende schooljaren de school kunnen doorlopen.

• Artikel 8, twaalfde lid, WPO, jo. Beleidsregel inzake het instemmen met afwijking onderwijstijd WPO: Voor het afwijken van de onderwijstijd vraagt het bestuur in bepaalde gevallen instemming van de inspectie.

• Artikel 13, eerste lid, onder d, WPO: In de schoolgids moet de wijze waarop de verplichte onderwijstijd wordt benut worden vermeld.

• Artikel 13, eerste lid, sub k, WPO: De school heeft haar verzuimbeleid opgenomen in de schoolgids.

• Artikel 15 WPO, jo. artikel 34.11 Besluit bekostiging WPO: Als een leerling een deel van het onderwijsprogramma onderwijs ontvangt op een andere school en het bestuur voldoet aan de voorwaarden daarvoor, dan telt die tijd mee voor het aantal uren onderwijs dat de leerling ten minste moet ontvangen.

• Artikel 32, vijfde lid, WPO: Leraren die voldoen aan de vereisten van artikel 3, WPO verzorgen het onderwijs.

OP6. Afsluiting

De afsluiting van het onderwijs verloopt zorgvuldig.

Basiskwaliteit

De school zorgt ervoor dat alle leerlingen goed worden voorbereid op de overgang naar het vervolgonderwijs.

Alle leerlingen krijgen een passend advies voor het vervolgonderwijs. De school hanteert hierbij een zorgvuldige procedure, waaruit blijkt dat zij ernaar streeft leerlingen gelijke kansen te bieden.

Alle leerlingen in leerjaar 8 (behoudens wettelijke uitzonderingen) maken een eindtoets. De leraren nemen de toets conform de voorschriften af.

Wanneer de uitslag van de eindtoets een hoger schooladvies suggereert dan het gegeven advies, neemt de school het advies in heroverweging. Als hierbij wordt afgeweken van de uitslag van de toets, wordt dit gemotiveerd aan de ouders.

De school informeert de ouders daarnaast over de vorderingen van de leerling en over de informatie over de leerling die aan de ontvangende school wordt verstrekt.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de afsluiting en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2 WPO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 11 WPO: De school houdt de ouders op de hoogte van de vorderingen van de leerlingen.

• Artikel 9b WPO en de Beleidsregel ontheffingsgronden eindtoetsing primair onderwijs: De wet schrijft voor dat alle leerlingen in het laatste schooljaar (behoudens uitzonderingen) een eindtoets maken.

• Toetsbesluit PO: De eindtoets wordt conform voorschriften afgenomen.

• Artikel 42, eerste lid, WPO: De eindtoets dient om onderadvisering vanuit het primair onderwijs te voorkomen.

• Artikel 42, tweede lid, WPO: Het bestuur stelt voor iedere leerling in het achtste schooljaar voor 1 maart een schooladvies vast over het volgen van aansluitend onderwijs, en heroverweegt het advies als een leerling hoger scoort op de eindtoets dan het schooladvies. Wanneer hierbij wordt afgeweken van de uitslag van de toets, wordt dit gemotiveerd aan de ouders.

• Artikel 42, eerste lid, WPO: Voor de ontvangende school stelt de school een onderwijskundig rapport op.

X Noot
1

Scholen in Friesland geven het vak Fries, met inachtneming van de daarvoor vastgestelde kerndoelen, behalve als zij hiervoor een ontheffing hebben van gedeputeerde staten.

KWALITEITSGEBIED VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT (VS)

VS1. Veiligheid

De school zorgt voor een veilige omgeving voor leerlingen.

Basiskwaliteit

De school zorgt voor de sociale, fysieke en psychische veiligheid van de leerlingen op school gedurende de schooldag. Een school is veilig als de sociale, fysieke en psychische veiligheid van leerlingen niet door handelingen van anderen wordt aangetast. Dit blijkt onder andere uit de beleving van de veiligheid en het welbevinden van de leerlingen op school. De school monitort dit ten minste jaarlijks met een gestandaardiseerd instrument.

De school heeft een veiligheidsbeleid beschreven dat bestaat uit een samenhangende set van maatregelen. Het beleid is gericht op het voorkomen, afhandelen, registreren en evalueren van incidenten, en de school voert dat beleid ook uit. Als de uitkomsten van de monitoring daartoe aanleiding geven, treft de school maatregelen om de situatie te verbeteren. De school voorkomt, zoveel als mogelijk, (digitaal)pesten, agressie en geweld in elke vorm en treedt zo nodig snel en adequaat op. Dat geldt ook bij uitingen die strijdig zijn met basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals discriminatie en onverdraagzaamheid. De school heeft een persoon aangesteld die voor ouders en leerlingen het aanspreekpunt is in geval van pesten en die het beleid tegen pesten coördineert.

De school hanteert de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling. Daarnaast komt de school de verplichtingen na rond het melden, overleggen en aangifte doen van zedenmisdrijven.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de veiligheid en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 4a WPO: Het bestuur houdt zich aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van het melden van een mogelijk zedenmisdrijf en het overleggen daarover, en het aangifte doen in het geval van een (redelijk vermoeden van een) zedenmisdrijf. Het bestuur treedt hierbij onverwijld in contact met de vertrouwensinspecteur.

• Artikel 4b WPO: Het bestuur stelt voor het personeel een meldcode vast die aangeeft hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan. Daarnaast moet het bestuur de kennis en het gebruik van de meldcode bevorderen.

• Artikel 4c, eerste lid, sub a, WPO: Het bestuur heeft beleid ten aanzien van de veiligheid van leerlingen en voert dat ook uit.

• Artikel 4c, eerste lid, sub b, WPO: Het bestuur monitort de veiligheid van leerlingen met een instrument dat een representatief en actueel beeld geeft.

• Artikel 4c, eerste lid, sub c, WPO: Het bestuur heeft de volgende taken belegd bij een persoon:

– coördinatie van het beleid in het kader van het tegengaan van pesten op school;

– fungeren als aanspreekpunt in het kader van pesten.

• Artikel 4c, tweede lid, WPO: Onder veiligheid wordt de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen verstaan.

• Artikel 4c, vierde lid, WPO: Het bestuur zendt de resultaten van de monitor, nadat de resultaten beschikbaar zijn, aan de inspectie.

• Artikel 8, derde lid, WPO: Het onderwijs richt zich op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Dat omvat onder meer dat de school actie onderneemt als er onvoldoende sprake is van een cultuur die in overeenstemming is met basiswaarden.

VS2. Schoolklimaat

De school heeft een schoolklimaat dat bijdraagt aan het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties.

Basiskwaliteit

De school bereidt de leerlingen voor op het leven in de maatschappij. Zij creëert daarvoor een oefenplaats die leerlingen ondersteunt bij het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties. In de school doen leerlingen ervaring op met de omgang met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en de pluriforme samenleving. Het bestuur ziet erop toe dat de school zorg draagt voor een schoolklimaat dat in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en bijdraagt aan de bevordering daarvan.

Het personeel van de school is in zijn gedrag een voorbeeld voor de leerlingen: personeelsleden leven de basiswaarden zichtbaar na.

De school stemt aanpak en aanbod af op de leerlingenpopulatie van de school en de leefwereld van de leerlingen. Ook signaleert en corrigeert de school uitingen van leerlingen die met de basiswaarden in strijd zijn.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het schoolklimaat en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 8, derde lid, WPO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze, richt zich onder andere op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden en het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties.

• Artikel 8, lid 3a, WPO: Het bestuur draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, en creëert een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met deze waarden.

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSRESULTATEN (OR)

OR1. Resultaten1

De school behaalt met haar leerlingen leerresultaten die ten minste in overeenstemming zijn met de gestelde streefniveaus.

Beschrijving

De cognitieve eindresultaten liggen op het niveau dat op grond van de kenmerken van de leerlingenpopulatie mag worden verwacht. Dit betekent dat de school kan aantonen dat de eindresultaten op de kernvakken Nederlandse taal en rekenen/wiskunde voldoen aan de door de school gestelde ambitieuze streefniveaus.

Voor de leerlingen die verplicht zijn de eindtoets te maken, onderbouwt de school de resultaten bij de kernvakken Nederlandse taal en rekenen/wiskunde met behulp van de resultaten op de eindtoets.

Eisen die samenhangen met (aanvullende) ambities

• Artikel 2 WPO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 8, eerste lid, WPO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 9, elfde lid, WPO: Het onderwijs neemt de referentieniveaus van taal en rekenen als uitgangspunt.

• Artikel 9b WPO, Toetsbesluit PO en Beleidsregel ontheffingsgronden eindtoetsing po: De wet schrijft voor dat alle leerlingen (behoudens uitzonderingen) een eindtoets maken.

• Artikel 34.7, Besluit bekostiging WPO: In het ontwikkelingsperspectief is informatie opgenomen over de begeleiding die de leerling wordt geboden, naar welke onderwijssoort in het voortgezet onderwijs of uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal onderwijs de leerling naar verwachting zal uitstromen, en over de belemmerende en de bevorderende factoren die van invloed zijn op het onderwijs aan de leerling.

• Artikel 40a, vijfde lid, WPO: Voor iedere leerling wordt een ontwikkelingsperspectief opgesteld.

OR2. Sociale en maatschappelijke competenties

De leerlingen behalen sociale en maatschappelijke competenties op het niveau dat ten minste in overeenstemming is met de verwachtingen van het vervolgonderwijs en de maatschappij.

Basiskwaliteit

De school heeft een goed beeld van de kenmerken van haar leerlingenpopulatie en heeft ambitieuze verwachtingen over het niveau dat de leerlingen voor de sociale en maatschappelijke competenties kunnen bereiken. Ze neemt de aansluiting op het vervolgonderwijs en de maatschappij als uitgangspunt voor de competenties voor leerlingen.

De school onderbouwt welke resultaten ze op dit gebied wil bereiken. De school brengt de resultaten op een betrouwbare en inzichtelijke manier in kaart. De school spant zich zichtbaar in om ervoor te zorgen dat leerlingen die de school verlaten daaraan voldoen. Daarmee laat de school zien dat zij haar doelstellingen voor deze competenties behaald heeft.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sociale en maatschappelijke competenties en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2 WPO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 8, tweede lid, WPO: Het onderwijs richt zich herkenbaar op de emotionele en de verstandelijke ontwikkeling, op het ontwikkelen van creativiteit, het verwerven van kennis en van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden.

• Artikel 8, derde lid, WPO: Het onderwijs richt zich herkenbaar op het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving.

X Noot
1

In de komende periode ontwikkelen wij een resultatenmodel voor het speciaal basisonderwijs om te komen tot een beoordeling van de leerresultaten aan het einde van het speciaal basisonderwijs. Hierover voeren wij overleg met het veld.

KWALITEITSGEBIED STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (SKA)

SKA1. Visie, ambities en doelen

De school heeft een gedragen visie op goed onderwijs, heeft daarvoor ambities en doelen en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

De school heeft, als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg, een gedragen visie, ambities en doelen gericht op goed onderwijs die ervoor zorgen dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. De schoolleiding vertaalt haar visie, ambities en doelen in onderwijskundig beleid en stuurt daarop om de beoogde resultaten te behalen. De schoolleiding beschrijft op welke manier ze zorgt voor het realiseren, borgen en verbeteren van de onderwijskwaliteit en hoe ze de naleving van de wettelijke eisen realiseert.

De schoolleiding sluit met haar visie, ambities en doelen aan op die van haar bestuur en op de kenmerken van de leerlingenpopulatie van de school. Dit doet zij onder meer door aan te geven hoe ze rekening houdt met (taal)achterstanden, de wettelijke opdracht tot bevordering van burgerschap en specifieke leerbehoeften om bij te dragen aan gelijke kansen voor alle leerlingen. Resultaten van eerdere evaluaties, interne en externe dialoog zijn zichtbaar in de doelen voor het onderwijskundig beleid.

De schoolleiding richt de voorwaarden in om de onderwijskundige ambities en doelen te bereiken, waaronder het personeelsbeleid en de organisatie van het onderwijs. Daarbij is de interne verantwoordelijkheidsverdeling duidelijk.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 8, derde lid, WPO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 8, elfde lid, WPO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat daarbij op structurele en herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden, in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal.

• Artikel 10 WPO: Het bestuur moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder zorg dragen voor wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er toetsbare doelen zijn geformuleerd.

• Artikel 12, eerste lid, WPO: Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school wordt gevoerd, en omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg.

• Artikel 12, tweede lid, WPO: De beschrijving van het onderwijskundig beleid omvat in elk geval de inhoud van het onderwijs, de eigen opdrachten voor het onderwijs, het pedagogisch-didactisch klimaat en de veiligheid. Daarbij betrekt de school het schoolondersteuningsprofiel.

• Artikel 12, vierde lid, WPO: De school draagt door haar stelsel van kwaliteitszorg zorg voor de ononderbroken ontwikkeling van leerlingen en de afstemming van het onderwijs op de voortgang van de ontwikkeling van leerlingen. Ook moet worden vastgesteld waar verbetermaatregelen nodig zijn.

• Artikel 31 WPO: Het bestuur stelt een managementstatuut vast waaruit de verantwoordelijkheidsverdeling in de aansturing van de school blijkt.

• Artikel 167 en 167a, WPO: Het op gemeentelijk niveau maken van afspraken over en het formuleren van doelen voor het bestrijden van onderwijsachterstanden.

SKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

De school realiseert de doelen voor goed onderwijs, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

De school realiseert de doelen voor goed onderwijs, die voortkomen uit haar visie en ambities. De schoolleiding zorgt daartoe voor een professionele en veilige leer- en verbetercultuur in de school. Binnen deze kwaliteitscultuur geven schoolleiding en het (bevoegd) onderwijspersoneel samen uitvoering aan het stelsel van kwaliteitszorg, zodat de school als geheel gericht werkt aan het bereiken van de onderwijskundige doelen. Waar nodig stuurt de schoolleiding tussentijds bij.

De schoolleiding zorgt ervoor dat de deskundigheidsbevordering van het personeel binnen de gestelde doelen gestalte krijgt. Leraren(teams) oefenen daarbij de eigen verantwoordelijkheid bij het inrichten van hun onderwijs uit.

De schoolleiding toont in haar sturing onderwijskundig leiderschap en zorgt voor een gerichte inzet van middelen om gestelde doelen te realiseren. De school geeft uitvoering aan het schoolondersteuningsprofiel. Zij werkt samen met andere scholen, het samenwerkingsverband en andere organisaties, zodat geen leerling tussen wal en schip valt.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 8, vierde lid, WPO: Het bestuur treedt zo nodig in overleg met gemeente,

jeugdgezondheidszorg, een instantie voor maatschappelijke ondersteuning of een zorgaanbieder.

• Artikel 8, vijfde lid, WPO: Het bestuur stelt ten minste eenmaal in de vier jaar het schoolondersteuningsprofiel vast.

• Artikel 18a WPO: Het bestuur is aangesloten bij een samenwerkingsverband.

• Artikel 10 WPO: Het bestuur moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder ‘zorg dragen voor’ wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat het bestuur en de scholen zicht hebben op de kwaliteit van het onderwijs. Daarbij moet het functioneren van de kwaliteitscyclus centraal staan.

• Artikel 12, derde lid, WPO: Het schoolplan bevat een beschrijving van het personeelsbeleid. Dit personeelsbeleid gaat in elk geval over hoe wordt voldaan aan de eisen van bevoegdheid en onderhoud van bekwaamheid, de bijdrage van het personeel aan het onderwijskundig beleid, het pedagogisch-didactisch handelen, de evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding, bedoeld in artikel 30.

• Artikel 31a, eerste tot en met derde lid, WPO: De school dient leraren een zelfstandige verantwoordelijkheid te geven bij de beoordeling van de onderwijsprestaties van leerlingen en voldoende zeggenschap te geven waar het gaat om het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de school.

• Artikel 32b en artikel 34a, WPO: Het bestuur beschikt bij elk personeelslid waarvoor bekwaamheidseisen gelden over geordende gegevens over de bekwaamheid en het onderhouden daarvan.

SKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

De school evalueert en analyseert systematisch of zij de doelen realiseert en verantwoordt zich daarover. Ze stelt, wanneer nodig, het schoolbeleid bij en betrekt interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

De schoolleiding monitort, evalueert, analyseert en beoordeelt als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de doelen en het beleid worden gerealiseerd en informeert het bestuur daarover. Zij haalt intern en extern actief informatie op om zicht te krijgen op de uitvoering, de resultaten van het onderwijs voor de leerlingen en mogelijke kansen en bedreigingen voor de verdere ontwikkeling van het onderwijs.

Voor een goede overdracht en om zicht te houden op het vervolgsucces van haar leerlingen, onderhoudt de school contact met de scholen/instellingen waar deze naartoe uitstromen. De schoolleiding organiseert tegenspraak. Daarvoor gaat zij actief een dialoog aan met in ieder geval ouders, personeel, de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad ((G)MR) en, wanneer van toepassing, leerlingen, gemeenten en/of (regionale)werkgevers.

De school informeert belanghebbenden minimaal jaarlijks op toegankelijke manier over haar doelen en werkwijze, en over de resultaten die zij heeft behaald.

De schoolleiding analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verwerkt deze wanneer nodig in het (verbeter)beleid, zodat dit bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwijs. Daarnaast gebruikt de school de uitkomsten van de evaluatie om de sturing te verbeteren. Zij maakt daarbij duidelijk welk effect de inbreng van belanghebbenden heeft op het borgen en bijstellen van het schoolbeleid.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 8, eerste lid, WPO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen.

• Artikel 8 WMS: De (G)MR ontvangt tijdig alle inlichtingen van het bestuur die redelijkerwijs nodig zijn om zijn taak te kunnen vervullen en ontvangt in elk geval bepaalde in de wet beschreven informatie.

• Artikel 10 en 12, vierde lid, WPO: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er regelmatig wordt geëvalueerd of deze doelen worden gehaald.

• Artikel 10 WMS: Het bestuur heeft in bepaalde gevallen voorafgaande instemming nodig van de (G)MR voor elk besluit in dat geval, bijvoorbeeld bij verandering van de onderwijskundige doelstellingen van de school.

• Artikel 11 WMS: Het bestuur moet de (G)MR vooraf in de gelegenheid stellen om te adviseren over besluiten bij bepaalde aangelegenheden, bijvoorbeeld bij de vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de school.

• Artikel 12 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het personeelsdeel van de (G)MR bij besluiten bij bepaalde aangelegenheden, bijvoorbeeld bij de vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie.

• Artikel 13, eerste lid, sub a, WPO: De school maakt in de schoolgids duidelijk wat de doelen van het onderwijs zijn en welke resultaten met het onderwijsleerproces worden bereikt.

• Artikel 13, eerste lid, sub o, WPO: In de schoolgids dienen ook de gedane bevindingen ten aanzien van het stelsel van kwaliteitszorg te worden opgenomen en de maatregelen die naar aanleiding daarvan zijn getroffen.

• Artikel 14 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het ouder- en leerlingdeel van de (G)MR over bepaalde besluiten, bijvoorbeeld over de vaststelling van de schoolgids.

• Artikel 167 en 167a, WPO: De bevoegde gezagsorganen van de scholen voeren jaarlijks overleg met elkaar, met organisatie voor kinderopvang en met de gemeente over het voorkomen van segregatie, het bevorderen van integratie en het bestrijden van achterstanden.

Bijlage 3 Waarderingskader nieuwkomersvoorzieningen type 1 en 2

In deze bijlage is het waarderingskader voor het toezicht op nieuwkomersvoorzieningen type 1 en 2 opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.4.

KWALITEITSGEBIED BESTURING, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (BKA)

BKA1. Visie, ambities en doelen

Het bestuur heeft een visie op kwaliteit, heeft hiervoor ambities en doelen opgesteld en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

Het bestuur heeft een visie op goed onderwijs en op de besturing daarvan. De visie is concreet en passend vertaald naar ambities, doelen en daarmee samenhangend beleid. Deze vertaling maakt sturing mogelijk op de kwaliteit en resultaten van het onderwijs en de voorwaarden. Daartoe is een stelsel van kwaliteitszorg ingericht dat het bestuur in staat stelt de basiskwaliteit van het onderwijs te waarborgen.

De doelen betreffen in elk geval de naleving van wettelijke eisen, waaronder de wettelijke vereisten voor het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces en de manier van toetsen. De visie, ambities en doelen omvatten uitwerkingen van eerdere evaluatieresultaten en resultaten van interne en externe dialoog.

Het bestuur zorgt er met betrokkenheid van de scholen voor dat de visie, ambities, doelen en het beleid sturend zijn voor de verbetering van het onderwijs aan leerlingen. Scholen formuleren op hun beurt doelen die aansluiten bij wat leerlingen nodig hebben met het oog op hun doorgaande onderwijsloopbaan.

Het bestuur richt de voorwaarden in om de doelen te bereiken, waaronder de inzet en het beheer van de (financiële) middelen voor het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijsproces, het schoolklimaat en de resultaten. Het bestuur heeft daartoe een meerjarenbegroting waarin de relatie met het beleid en de doelen duidelijk zijn toegelicht. Er is voor de sturing op (financiële) kwaliteit een functionerende verantwoordelijkheidsverdeling tussen de interne toezichthouder, het bestuur en de scholen afgesproken, op basis van de geldende wet- en regelgeving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 10 en 12, vierde lid, WPO: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er toetsbare doelen zijn geformuleerd.

• Artikel 8, eerste lid, WPO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen.

• Artikel 29, zevende lid, WPO: Het bestuur stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van de verschillende categorieën personeel van de scholen.

• Artikel 12, eerste, tweede en derde lid, WPO (in samenhang met artikel 1): Het bestuur zorgt ervoor dat alle scholen een schoolplan hebben. Het schoolplan omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg. Bij de beschrijving van het onderwijskundig beleid wordt het schoolondersteuningsprofiel betrokken. Dit bevat een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven.

• Artikel 167 en 167a, WPO: Het op gemeentelijk niveau maken van afspraken over en het formuleren van doelen voor het bestrijden van onderwijsachterstanden.

• Artikel 17b, eerste en derde lid, WPO: Er moet sprake zijn van een functionele of organieke scheiding tussen uitvoerend deel van het bestuur en intern toezicht.

• Artikel 17c, eerste lid, sub c, WPO: De interne toezichthouder ziet erop toe dat het bestuur de middelen doelmatig en rechtmatig besteedt en aanwendt.

• Artikel 171 WPO en jo. artikel 4, vierde lid, RJO: Het bestuur maakt jaarlijks een jaarverslag waarin de resultaten van het financieel beleid en de continuïteitsparagraaf staan opgenomen.

• Artikel 31 WPO: Het bestuur stelt een managementstatuut vast waaruit de verantwoordelijkheidsverdeling in de aansturing van de school blijkt.

• Artikel 148 en 175, WPO [jo. AMvB] en artikel 34a, Besluit bekostiging WPO: Het bestuur moet de rijksbekostiging rechtmatig aanwenden en moet evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen voorkomen.

• RJO, jo. artikel 171, WPO: De wijze waarop door het bestuur verslag wordt gedaan van het financieel beheer gebeurt overeenkomstig de daarvoor in de RJO gestelde regels.

BKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

Het bestuur realiseert samen met de scholen de doelen voor kwaliteit, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

Het bestuur geeft als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg met de scholen effectief uitvoering aan de visie en de doelen voor onderwijskwaliteit. Aan de transparante, integere kwaliteitscultuur is zichtbaar dat deze bijdraagt aan de gestelde doelen.

Het bestuur bevordert een op samenwerken, leren en verbeteren gerichte kwaliteitscultuur, zodat de doelen en ambities gerealiseerd kunnen worden. Het bestuur zorgt ervoor dat het onderwijskundig leiderschap op alle niveaus herkenbaar verankerd is in de organisatie. Ook bevordert het bestuur dat de schoolleiding en teams gezamenlijk werken aan hun professionaliteit in relatie tot de bekwaamheidseisen en aan een verbetercultuur.

Binnen de kwaliteitscultuur geeft het bestuur uitvoering aan kwaliteitszorg gericht op de kwaliteit van het onderwijs, de afspraken uit het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband passend onderwijs en de naleving van wettelijke voorschriften. Het bestuur bewaakt en bevordert dat de uitvoering in overeenstemming is met het beleid, zodat de doelen worden bereikt. Het bestuur houdt zicht op de uitvoering van het beleid en op de nagestreefde verbeteringen en stuurt daarop, zo nodig, tussentijds bij.

De beschikbare (financiële) middelen dragen bij aan de realisatie van de door het bestuur gestelde doelen en worden doelmatig en rechtmatig aangewend. Als onderdeel van zijn taak ziet de interne toezichthouder daarop toe. Het bestuur voorkomt evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen. Daarnaast stuurt het bestuur op effectief financieel beheer, zodat de continuïteit van het onderwijs gewaarborgd is en bekostiging rechtmatig verkregen wordt.

Het interne toezicht geeft voorts onafhankelijk en deugdelijk invulling aan zijn taak en wordt daarin gefaciliteerd door het uitvoerend deel van het bestuur. Het bestuur zorgt voor goed functionerende medezeggenschap en opereert volgens een code Goed Bestuur of legt in het jaarverslag1 uit als het daar eventueel van afwijkt en waarom dat het geval is. Als laatste zorgt het bestuur voor een doeltreffende verwerking van interne en externe signalen en klachten.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 10 en 12, vierde lid, WPO: Het bestuur en de schoolleiding zorgen ervoor dat de wet wordt nageleefd en dat er indien nodig verbetermaatregelen komen voor de kwaliteit. Dat houdt onder andere in dat het bestuur en de scholen zicht hebben op de kwaliteit van het onderwijs. Daarbij moet het functioneren van de kwaliteitscyclus centraal staan.

• Artikel 12, eerste en derde lid, artikel 32, artikel 32b en artikel 34a, WPO: Het bestuur zorgt voor bevoegd personeel en maakt het onderhouden en uitbreiden van de bekwaamheid mogelijk.

• Artikel 13, eerste lid, sub f in samenhang met artikel 14, WPO: Het bestuur communiceert over de klachtenregeling in de schoolgids(en).

• Artikel 14 WPO: Het bestuur heeft een klachtenregeling die leidt tot een deugdelijke klachtbehandeling waarbij voldaan wordt aan de specifieke vereisten die dit artikel noemt.

• Artikel 17a, eerste lid, jo. 10, WPO: Het bestuur draagt zorg voor een goed bestuurde school met een scheiding tussen het uitvoerend deel van het bestuur en het toezicht en met een rechtmatig bestuur en beheer.

• Artikel 17b, tweede lid, WPO: De interne toezichthouder (of lid daarvan) functioneert onafhankelijk van het uitvoerend deel van het bestuur.

• Artikel 17c, eerste lid, WPO: De interne toezichthouder houdt toezicht op de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden door het uitvoerend deel van het bestuur, staat het uitvoerend deel van het bestuur met raad ter zijde en heeft ten minste bepaalde taken.

• Artikel 31a, derde en vierde lid, WPO: De school dient leraren een zelfstandige verantwoordelijkheid te geven bij de beoordeling van de onderwijsprestaties van leerlingen en voldoende zeggenschap te geven waar het gaat om het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de school.

• Artikel 148 en 175, WPO [jo. AMvB] en artikel 34a, Besluit bekostiging WPO: Het bestuur moet de rijksbekostiging rechtmatig aanwenden en moet evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen voorkomen.

• Artikel 148b WPO: Het bestuur beheert de middelen van de school op zodanige wijze dat het voortbestaan van de school is verzekerd.

• Artikel 171, eerste lid, WPO: Het bestuur dient een code Goed Bestuur te hanteren en verantwoordt zich over eventuele afwijkingen in het jaarverslag.

• Artikel 171, eerste lid, sub b, WPO: Het bestuur stelt een jaarverslag vast met jaarrekening waaruit blijkt dat er sprake is van een rechtmatige en doelmatige aanwending van de bekostiging.

• Artikel 175, vierde lid, WPO: Als sprake is van evident ondoelmatige aanwending, kunnen daar financiële gevolgen aan worden verbonden, zoals wijziging van de bekostiging en het terugvorderen van het onverschuldigd betaalde deel van de bekostiging.2

• Artikel 175, vijfde lid, WPO [jo. AMvB]: Bij of krachtens AMvB worden nadere regels gesteld over de wijze waarop wordt vastgesteld dat sprake is van evident ondoelmatige aanwending van de bekostiging.

• Artikel 4, lid 4, RJO: Het bestuur zorgt voor een continuïteitsparagraaf in de jaarverslaggeving.

BKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

Het bestuur evalueert en analyseert systematisch of het de doelen realiseert en verantwoordt zich hierover. Het stelt wanneer dat nodig is het beleid bij en betrekt daartoe interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

Het bestuur evalueert en beoordeelt als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de ambities, de doelen en het beleid worden gerealiseerd. Op deze manier krijgt het bestuur zicht op de gerealiseerde (financiële) kwaliteit en de resultaten van het onderwijs aan leerlingen. Bij de evaluatie en beoordeling van het beleid en de onderwijskwaliteit haalt het bestuur actief externe informatie op en gebruikt deze informatie bij de evaluatie en beoordeling. Op basis van de evaluatie reageert het bestuur tijdig op mogelijke kansen en bedreigingen, stelt wanneer nodig (verbeter)beleid op en treft passende maatregelen om de kwaliteit van het onderwijs op de scholen te borgen.

Het bestuur legt verantwoording af door middel van accurate, actuele en openbaar toegankelijke informatie over de gerealiseerde kwaliteit. Het brengt minimaal jaarlijks verslag uit aan zijn in- en externe belanghebbenden over zijn doelen en de resultaten van de scholen. De verantwoording in het jaarverslag is betrouwbaar en (de inhoud van) het jaarverslag voldoet aan de wettelijke vereisten.

Het bestuur verantwoordt zich daarbij ten minste over het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces, de manier van toetsen en het financieel beheer. De reflectie op de uitkomsten van de evaluatie geeft alle lagen van de organisatie, intern toezicht en de medezeggenschap voldoende inzicht in de effectiviteit van de besturing en uitvoering. Het bestuur analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verantwoording. Vervolgens verwerkt het bestuur deze wanneer nodig in bijstelling van ambities, (verbeter)doelen en beleid of nieuwe ambities zodat de opbrengst van de dialoog bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwijs en de sturing daarop. Het bestuur organiseert ook de dialoog hierover met interne en externe belanghebbenden, waarbij in elk geval leerlingen, personeel en de interne toezichthouder zijn betrokken. Het bestuur werkt bovendien actief samen met andere partijen aan doelen die het bestuurlijk belang overstijgen en de kernfuncties raken. Zo komt het bestuur de afspraken uit het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband passend onderwijs na en verantwoordt zich hierover.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1 en artikel 3, sub f, RJO, jo. artikel 171, WPO: Het bestuur informeert jaarlijks interne en externe belanghebbenden over het gevoerde en voorgenomen beleid en over de uitkomsten van het gevoerde beleid.

• Artikel 4, vierde lid, RJO, jo. artikel 171 WPO: Het bestuur maakt jaarlijks een jaarverslag waarin naast de resultaten van het financieel beleid ook verantwoording wordt gegeven over toekomstige ontwikkelingen van het onderwijs.

• Artikel 8 WMS: De (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad ((G)MR) ontvangt tijdig alle inlichtingen van het bestuur die redelijkerwijs nodig zijn om zijn taak te kunnen vervullen en ontvangt in elk geval bepaalde in de wet beschreven informatie.

• Artikel 10 WMS: Het bestuur heeft in bepaalde gevallen voorafgaande instemming nodig van de (G)MR voor elk besluit in dat geval (bijvoorbeeld bij verandering van de onderwijskundige doelstellingen van de school).

• Artikel 10 en 12, vierde lid, WPO: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er regelmatig wordt geëvalueerd of deze doelen worden gehaald.

• Artikel 11 WMS: Het bestuur moet de (G)MR vooraf in de gelegenheid stellen om te adviseren over besluiten bij bepaalde aangelegenheden (bijvoorbeeld vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de school).

• Artikel 12 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het personeelsdeel van de (G)MR bij besluiten bij bepaalde aangelegenheden (bijvoorbeeld bij de vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie).

• Artikel 13 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming van het ouderdeel van de (G)MR over bepaalde besluiten (bijvoorbeeld bij de vaststelling van de schoolgids).

• Artikel 167 en 167a, WPO: De besturen van de scholen voeren jaarlijks overleg met elkaar, met organisaties voor kinderopvang en met de gemeente over het voorkomen van segregatie, het bevorderen van integratie en het bestrijden van achterstanden.

• RJO, jo. artikel 171, WPO: De wijze waarop door het bestuur verslag wordt gedaan van het financieel beheer gebeurt overeenkomstig de daarvoor in de RJO gestelde regels.

• Artikel 171, eerste lid, WPO: Het bestuur dient een code Goed Bestuur te hanteren en verantwoordt zich over eventuele afwijkingen in het jaarverslag.

• Artikel 171, zevende en achtste lid, WPO: Het bestuur maakt het jaarverslag openbaar. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de wijze en het tijdstip waarop openbaarmaking van het jaarverslag plaatsvindt.

X Noot
1

Volgens artikel 1, sub c, RJO: het geheel van verslaggevingsdocumenten bestaande uit de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392, titel 9, boek 2, BW.

X Noot
2

Met het amendement (Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 102, nr. 11) is geregeld dat een bekostigingssanctie alleen kan worden opgelegd aan het bestuur nadat bij AMvB een nadere invulling wordt gegeven aan het begrip ‘evident ondoelmatige besteding’. Zonder deze algemene maatregel van bestuur is handhaving op ‘evident ondoelmatige besteding’ niet mogelijk. Tot de datum van inwerkingtreding van de AMvB richt de inspectie zich op haar stimulerende taak op dit gebied en zal alleen een Onvoldoende worden gegeven als een bestuur niet voldoet aan de op dit moment bij de basiskwaliteit opgenomen elementen.

KWALITEITSGEBIEDEN EN STANDAARDEN PO SCHOOLNIVEAU

OP ONDERWIJSPROCES

OP1

Aanbod

OP2

Zicht op ontwikkeling en begeleiding

OP3

Pedagogisch-didactisch handelen

OP4

Onderwijstijd

OP6

Afsluiting

VS VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT

VS1

Veiligheid

VS2

Schoolklimaat

OR ONDERWIJSRESULTATEN

OR1

Resultaten

OR2

Sociale en maatschappelijke competenties

SKA STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE

SKA1

Visie, ambities en doelen

SKA2

Uitvoering en kwaliteitscultuur

SKA3

Evaluatie, verantwoording en dialoog

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSPROCES (OP)

OP1. Aanbod

Het aanbod bereidt de leerlingen voor op vervolgonderwijs en de samenleving.

Basiskwaliteit

De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs en de samenleving. Zij biedt een breed en op de kerndoelen gebaseerd aanbod dat ook de referentieniveaus taal en rekenen omvat. Het leren van de Nederlandse taal in brede zin staat centraal en de leerinhouden zijn daarop afgestemd. Onder aanbod verstaan we alle lesinhouden, ook die digitaal zijn of online aangeboden worden. Het aanbod van de school is afgestemd op de leerlingenpopulatie en sluit aan bij het (taal)niveau en de onderwijsbehoeften van de leerlingen. Het aanbod wordt waar nodig gedurende de schoolloopbaan verdiept en verbreed, zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. Het aanbod is doelgericht, samenhangend en herkenbaar. Bovendien heeft de school de leerinhouden evenwichtig en in samenhang over de periode die de leerlingen in de nieuwkomersvoorziening verblijven, verdeeld.

Het aanbod draagt bij aan het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en aan het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die leerlingen in staat stellen deel uit te maken en bij te dragen aan de pluriforme, democratische samenleving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het aanbod en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2 WPO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 8, eerste lid, WPO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 8, tweede lid, WPO: De inhoud van het onderwijs richt zich op de emotionele, zintuigelijke, lichamelijke en verstandelijke ontwikkeling en op het ontwikkelen van de creativiteit, alsmede op het verwerven van de noodzakelijke kennis op het gebied van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden.

• Artikel 8, derde lid, WPO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 9 WPO, jo. Besluit vernieuwde kerndoelen WPO: Het onderwijsaanbod voldoet aan de kerndoelen en is – waar mogelijk – in samenhang ingericht.

• Artikel 9, elfde lid, WPO, jo. artikel 2 en 3 en bijlagen bij Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen: Het onderwijs neemt de referentieniveaus van taal en rekenen als uitgangspunt. Artikel 12, tweede lid, sub a, WPO: Het schoolplan bevat de uitwerking van de wettelijke opdrachten voor de uitgangspunten, doelstellingen en inhoud van het onderwijs.

OP2. Zicht op ontwikkeling en begeleiding

De school volgt de ontwikkeling van de leerlingen en biedt waar nodig passende begeleiding en extra ondersteuning.

Basiskwaliteit

De school verzamelt vanaf binnenkomst systematisch informatie over de kennis en vaardigheden van leerlingen op alle voor het onderwijs belangrijke domeinen. Het verzamelen van (toets)informatie gebeurt systematisch en zorgvuldig en voor de kennisgebieden taal en rekenen/wiskunde met behulp van genormeerde toetsen. Voor het verzamelen en vastleggen van (toets)informatie gebruikt de school een leerling- en onderwijsvolgssysteem. De school vergelijkt de informatie met de verwachte ontwikkeling van de leerling.

De school stelt voor elke leerling, op basis van alle leerlinggegevens, passende (streef)doelen op. Dit maakt het mogelijk om het onderwijs af te stemmen op de onderwijsbehoeften van zowel groepen als individuele leerlingen. Het stelt de school in staat zorg te dragen voor de ontwikkeling en begeleiding van de leerling. De school waarborgt daarmee voor leerlingen de ononderbroken ontwikkeling en voortgang daarin en heeft daarbij oog voor de bevordering van gelijke kansen. De school informeert ouders regelmatig over de ontwikkeling en vorderingen van hun kind.

Wanneer individuele of groepen leerlingen niet genoeg lijken te profiteren van het onderwijs, analyseert de school waar de ontwikkeling stagneert en wat mogelijke verklaringen hiervoor zijn. Vervolgens bepaalt zij wat er nodig is om op eventuele achterstanden of voorsprongen in de ontwikkeling van leerlingen in te spelen. De school biedt de begeleiding vervolgens gestructureerd aan. Waar nodig betrekt de school het samenwerkingsverband, gemeenten en zorginstanties bij de begeleiding van de leerlingen.

De leerlingen krijgen daarmee de begeleiding die zij nodig hebben om het onderwijsprogramma beter te kunnen doorlopen. De school besteedt op structurele en herkenbare wijze aandacht aan het bestrijden van (taal)achterstanden.

De school heeft in het schoolondersteuningsprofiel vastgelegd wat zij onder extra ondersteuning verstaat en welke voorzieningen de school kan bieden. Voor de leerlingen die deze extra ondersteuning nodig hebben, legt de school in het ontwikkelingsperspectief vast hoe zij het onderwijs afstemt op de behoefte van de leerling en registreert het ontwikkelingsperspectief in BRON. De school voert de geplande ondersteuning uit. De inhoud en uitvoering van dit plan wordt minimaal eenmaal per schooljaar met de ouders geëvalueerd. De school vervult de zorgplicht passend onderwijs. Wanneer de school de extra ondersteuning voor de leerlingen niet kan bieden, zoekt de school in samenwerking met ouders en zo nodig het samenwerkingsverband een passende onderwijsplek.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor zicht op ontwikkeling en begeleiding en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1 WPO: In het schoolondersteuningsprofiel is vastgelegd welke voorzieningen zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.

• Artikel 8, eerste lid, WPO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 8, derde lid, WPO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze. Dat omvat onder meer regelmatig monitoren van de ontwikkeling van burgerschapscompetenties, om het onderwijs af te stemmen op de actuele leerbehoefte van leerlingen.

• Artikel 8, vierde lid, WPO: De school biedt individuele begeleiding die is afgestemd op de behoeften van de leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.

• Artikel 8, vijfde lid, WPO: Het bestuur stelt ten minste eenmaal in de vier jaar het schoolondersteuningsprofiel vast.

• Artikel 8, zesde lid, WPO: De school volgt de vorderingen van de leerlingen in kennis en vaardigheden door middel van een leerling- en onderwijsvolgsysteem. Bij taal en rekenen/wiskunde gebeurt dit met genormeerde toetsen.

• Artikel 8, elfde lid, WPO: De school werkt herkenbaar en gestructureerd aan de bestrijding van achterstanden.

• Artikel 11 WPO: De school rapporteert over de vorderingen van de leerlingen aan hun ouders, voogden of verzorgers.

• Artikel 12, tweede lid, WPO: De school heeft in het schoolplan beschreven op welke wijze het schoolondersteuningsprofiel wordt betrokken bij het onderwijskundig beleid.

• Artikel 12, vierde lid, sub a, WPO: De school heeft de wijze waarop het onderwijs wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen in het schoolplan beschreven.

• Artikel 34.7, Besluit bekostiging WPO: In het ontwikkelingsperspectief is informatie opgenomen over de begeleiding die de leerling wordt geboden, naar welke onderwijssoort in het voortgezet onderwijs of naar welk uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal onderwijs de leerling naar verwachting zal uitstromen, en over de belemmerende en bevorderende factoren die van invloed zijn op het onderwijs aan de leerling.

• Artikel 40, vierde en elfde lid, WPO: De school houdt zich aan de zorgplicht passend onderwijs.

• Artikel 40, derde lid, WPO: De school beoordeelt of de leerling extra ondersteuning nodig heeft.

• Artikel 40a, eerste en derde lid, WPO: Het bestuur stelt, na op overeenstemming gericht overleg met de ouders, een ontwikkelingsperspectief vast voor een leerling die extra ondersteuning nodig heeft.

• Artikel 40a, tweede lid, WPO: Over het handelingsdeel van het ontwikkelperspectief dient door het bestuur overeenstemming met de ouders te worden bereikt.

• Artikel 40a, vierde lid, WPO: Het bestuur evalueert het ontwikkelingsperspectief minimaal eens per schooljaar met de ouders.

• Artikel 40a, vijfde lid, WPO: Het bestuur kan, na overleg of overeenstemming met de ouders, het ontwikkelingsperspectief bijstellen.

• Artikel 12 van de Wet register onderwijsdeelnemers, jo. artikel 8, eerste lid, Besluit register onderwijsdeelnemers: Het bestuur registreert in het Basisregister Onderwijs (BRON) voor welke periode er voor een leerling een ontwikkelingsperspectief is vastgesteld en, indien van toepassing, welke periode een leerling in een orthopedagogisch didactisch centrum (opdc) is geplaatst.

OP3. Pedagogisch-didactisch handelen

Het pedagogisch-didactisch handelen van de leraren stelt leerlingen in staat om te leren en zich te ontwikkelen.

Basiskwaliteit

De pedagogisch-didactische visie van de school is zichtbaar in het dagelijks handelen van de leraren.

De leraren plannen en structureren hun (ortho)pedagogisch-didactisch handelen met behulp van informatie die zij over leerlingen hebben. Zij hanteren bij het lesgeven principes van de (vak)didactiek van Nederlands als tweede taal. De leraren maken pedagogische en didactische keuzes en stemmen daarbij het niveau van hun onderwijs af op het beoogde doorstroom- of eindniveau van leerlingen. De leerstof omvat kennis, vaardigheden en attitudes en wordt in een logische opbouw aangeboden.

De leraren creëren een pedagogisch en didactisch passend en stimulerend leerklimaat, waardoor leerlingen actief en betrokken zijn. Met geschikte opdrachten en heldere uitleg structureren de leraren het onderwijsaanbod zo dat de leerlingen zich het leerstofaanbod eigen kunnen maken. Leraren hebben hoge verwachtingen van leerlingen en geven feedback op hun leerproces.

De leraren stemmen de instructies, begeleiding, opdrachten en onderwijstijd doelgericht af op de onderwijsbehoeften van groepen en individuele leerlingen, inclusief op de sociale en maatschappelijke competenties. De afstemming is zowel gericht op (pedagogische) ondersteuning als op uitdaging, afhankelijk van de onderwijsbehoeften van leerlingen.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het pedagogisch-didactisch handelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2 WPO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 8, eerste lid, WPO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen. Voor deze ‘ononderbroken ontwikkeling’ is het nodig dat het onderwijs aansluit bij het ontwikkelingsniveau van de leerling.

• Artikel 8, derde lid, WPO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 12, tweede en derde lid, WPO: De school heeft haar beleid over het pedagogisch-didactisch handelen in het schoolplan geformuleerd. Het beleid over het pedagogisch-didactisch handelen is zichtbaar in het dagelijks handelen van de leraren.

OP4. Onderwijstijd

De leerlingen krijgen voldoende tijd om zich het aanbod eigen te maken.

Basiskwaliteit

De school biedt een programma aan dat voldoet aan de wettelijk verplichte onderwijstijd. De school stelt vast welke activiteiten onder de onderwijstijd vallen. De school plant de onderwijsactiviteiten weloverwogen over het schooljaar en deze worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van bevoegde leraren.

De school verdeelt de tijd zo over de vakken dat leerlingen in staat zijn het verplichte onderwijsprogramma tot zich te nemen. De school heeft beleid om ongeoorloofd verzuim en voortijdig schoolverlaten van leerlingen tegen te gaan, zodat ook op leerlingniveau gestreefd wordt de onderwijstijd te behalen.

De school maakt, zo nodig, volgens de wettelijke voorschriften gebruik van de mogelijkheden om, in het belang van de individuele leerling, af te wijken van de verplichte onderwijstijd en/of van de mogelijkheid om een leerling een deel van de onderwijstijd door te laten brengen op een andere school.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de onderwijstijd en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 8, negende lid, WPO: De school verzorgt minimaal het wettelijk verplichte aantal uren onderwijs en zorgt ervoor dat de leerlingen in beginsel binnen acht aaneensluitende schooljaren de school kunnen doorlopen.

• Artikel 8, twaalfde lid, WPO, jo. Beleidsregel inzake het instemmen met afwijking onderwijstijd WPO: Voor het afwijken van de onderwijstijd vraagt het bestuur in bepaalde gevallen instemming van de inspectie.

• Artikel 13, eerste lid, onder d, WPO: In de schoolgids moet de wijze waarop de verplichte onderwijstijd wordt benut worden vermeld.

• Artikel 13, eerste lid, sub k, WPO: De school heeft haar verzuimbeleid opgenomen in de schoolgids.

• Artikel 15 WPO, jo. artikel 34.11 Besluit bekostiging WPO: Als een leerling een deel van het onderwijsprogramma onderwijs ontvangt op een andere school en het bestuur voldoet aan de voorwaarden daarvoor, dan telt die tijd mee voor het aantal uren onderwijs dat de leerling ten minste moet ontvangen.

• Artikel 32, vijfde lid, WPO: Leraren die voldoen aan de vereisten van artikel 3, WPO verzorgen het onderwijs.

OP6. Afsluiting

De afsluiting van het onderwijs verloopt zorgvuldig.

Basiskwaliteit

De school zorgt ervoor dat alle leerlingen goed worden voorbereid op de overgang naar het vervolgonderwijs.

Aan het eind van de schoolperiode informeert de school de ouders en de vervolgschool over de ontwikkelingen en vorderingen van de leerlingen. Het onderwijskundig rapport en de overdracht hiervan hebben daarbij een centrale rol.

De school informeert de ouders daarnaast over de informatie over de leerling die aan de ontvangende school wordt verstrekt.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de afsluiting en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2 WPO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 11 WPO: De school houdt de ouders op de hoogte van de vorderingen van de leerlingen.

• Artikel 42, eerste lid, WPO: Voor de ontvangende school stelt de school een onderwijskundig rapport op.

KWALITEITSGEBIED VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT (VS)

VS1. Veiligheid

De school zorgt voor een veilige omgeving voor leerlingen.

Basiskwaliteit

De school zorgt voor de sociale, fysieke en psychische veiligheid van de leerlingen op school gedurende de schooldag. Een school is veilig als de sociale, fysieke en psychische veiligheid van leerlingen niet door handelingen van anderen wordt aangetast. Dit blijkt onder andere uit de beleving van de veiligheid en het welbevinden van de leerlingen op school. De school monitort dit ten minste jaarlijks met een gestandaardiseerd instrument.

De school heeft een veiligheidsbeleid beschreven dat bestaat uit een samenhangende set van maatregelen. Het beleid is gericht op het voorkomen, afhandelen, registreren en evalueren van incidenten, en de school voert dat beleid ook uit. Als de uitkomsten van de monitoring daartoe aanleiding geven, treft de school maatregelen om de situatie te verbeteren. De school voorkomt, zoveel als mogelijk, (digitaal)pesten, agressie en geweld in elke vorm en treedt zo nodig snel en adequaat op. Dat geldt ook bij uitingen die strijdig zijn met basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals discriminatie en onverdraagzaamheid. De school heeft een persoon aangesteld die voor ouders en leerlingen het aanspreekpunt is in geval van pesten en die het beleid tegen pesten coördineert.

De school hanteert de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling. Daarnaast komt de school de verplichtingen na rond het melden, overleggen en aangifte doen van zedenmisdrijven.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de veiligheid en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 4a WPO: Het bestuur houdt zich aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van het melden van een mogelijk zedenmisdrijf en het overleggen daarover, en het aangifte doen in het geval van een (redelijk vermoeden van een) zedenmisdrijf. Het bestuur treedt hierbij onverwijld in contact met de vertrouwensinspecteur.

• Artikel 4b WPO: Het bestuur stelt voor het personeel een meldcode vast die aangeeft hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan. Daarnaast moet het bestuur de kennis en het gebruik van de meldcode bevorderen.

• Artikel 4c, eerste lid, sub a, WPO: Het bestuur heeft beleid ten aanzien van de veiligheid van leerlingen en voert dat ook uit.

• Artikel 4c, eerste lid, sub b, WPO: Het bestuur monitort de veiligheid van leerlingen met een instrument dat een representatief en actueel beeld geeft.

• Artikel 4c, eerste lid, sub c, WPO: Het bestuur heeft de volgende taken belegd bij een persoon:

– coördinatie van het beleid in het kader van het tegengaan van pesten op school;

– fungeren als aanspreekpunt in het kader van pesten.

• Artikel 4c, tweede lid, WPO: Onder veiligheid wordt de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen verstaan.

• Artikel 4c, vierde lid, WPO: Het bestuur zendt de resultaten van de monitor, nadat de resultaten beschikbaar zijn, aan de inspectie.

• Artikel 8, derde lid, WPO: Het onderwijs richt zich op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Dat omvat onder meer dat de school actie onderneemt als er onvoldoende sprake is van een cultuur die in overeenstemming is met basiswaarden.

VS2. Schoolklimaat

De school heeft een schoolklimaat dat bijdraagt aan het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties.

Basiskwaliteit

De school bereidt de leerlingen voor op het leven in de maatschappij. Zij creëert daarvoor een oefenplaats die leerlingen ondersteunt bij het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties. In de school doen leerlingen ervaring op met de omgang met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en de pluriforme samenleving. Het bestuur ziet erop toe dat de school zorg draagt voor een schoolklimaat dat in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en bijdraagt aan de bevordering daarvan.

Het personeel van de school is in zijn gedrag een voorbeeld voor de leerlingen: personeelsleden leven de basiswaarden zichtbaar na.

De school stemt aanpak en aanbod af op de leerlingenpopulatie van de school en de leefwereld van de leerlingen. Ook signaleert en corrigeert de school uitingen van leerlingen die met de basiswaarden in strijd zijn.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het schoolklimaat en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 8, derde lid, WPO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze, richt zich onder andere op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden en het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties.

• Artikel 8, lid 3a, WPO: Het bestuur draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, en creëert een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met deze waarden.

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSRESULTATEN (OR)

OR1. Resultaten

De school behaalt met haar leerlingen leerresultaten die ten minste in overeenstemming zijn met de gestelde streefniveaus.

Beschrijving

De cognitieve resultaten bij doorstroom naar het vervolgonderwijs liggen op het niveau dat op grond van de kenmerken van de leerlingenpopulatie mag worden verwacht. Dit betekent dat de school kan aantonen dat de resultaten op de kernvakken Nederlandse taal en rekenen/wiskunde voldoen aan de door de school gestelde ambitieuze streefniveaus.

Eisen die samenhangen met (aanvullende) ambities

• Artikel 2 WPO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 8, eerste lid, WPO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 9, elfde lid, WPO: Het onderwijs neemt de referentieniveaus van taal en rekenen als uitgangspunt.

OR2. Sociale en maatschappelijke competenties

De leerlingen behalen sociale en maatschappelijke competenties op het niveau dat ten minste in overeenstemming is met de verwachtingen van het vervolgonderwijs en de maatschappij.

Basiskwaliteit

De school heeft een goed beeld van de kenmerken van haar leerlingenpopulatie en heeft ambitieuze verwachtingen over het niveau dat de leerlingen voor de sociale en maatschappelijke competenties kunnen bereiken. Ze neemt de aansluiting op het vervolgonderwijs en de maatschappij als uitgangspunt voor de competenties voor leerlingen.

De school onderbouwt welke resultaten ze op dit gebied wil bereiken. De school brengt de resultaten op een betrouwbare en inzichtelijke manier in kaart. De school spant zich zichtbaar in om ervoor te zorgen dat leerlingen die de school verlaten daaraan voldoen. Daarmee laat de school zien dat zij haar doelstellingen voor deze competenties behaald heeft.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sociale en maatschappelijke competenties en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2 WPO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 8, tweede lid, WPO: Het onderwijs richt zich herkenbaar op de emotionele en de verstandelijke ontwikkeling, op het ontwikkelen van creativiteit, het verwerven van kennis en van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden.

• Artikel 8, derde lid, WPO: Het onderwijs richt zich herkenbaar op het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving.

KWALITEITSGEBIED STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (SKA)

SKA1. Visie, ambities en doelen

De school heeft een gedragen visie op goed onderwijs, heeft daarvoor ambities en doelen en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

De school heeft, als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg, een gedragen visie, ambities en doelen gericht op goed onderwijs die ervoor zorgen dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. De schoolleiding vertaalt haar visie, ambities en doelen in onderwijskundig beleid en stuurt daarop om de beoogde resultaten te behalen. De schoolleiding beschrijft op welke manier ze zorgt voor het realiseren, borgen en verbeteren van de onderwijskwaliteit en hoe ze de naleving van de wettelijke eisen realiseert.

De schoolleiding sluit met haar visie, ambities en doelen aan op die van haar bestuur en op de kenmerken van de leerlingenpopulatie van de school. Dit doet zij onder meer door aan te geven hoe ze rekening houdt met (taal)achterstanden, de wettelijke opdracht tot bevordering van burgerschap en specifieke leerbehoeften om bij te dragen aan gelijke kansen voor alle leerlingen. Resultaten van eerdere evaluaties, interne en externe dialoog zijn zichtbaar in de doelen voor het onderwijskundig beleid.

De schoolleiding richt de voorwaarden in om de onderwijskundige ambities en doelen te bereiken, waaronder het personeelsbeleid en de organisatie van het onderwijs. Daarbij is de interne verantwoordelijkheidsverdeling duidelijk.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 8, derde lid, WPO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 8, elfde lid, WPO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat daarbij op structurele en herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden, in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal.

• Artikel 10 WPO: Het bestuur moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder zorg dragen voor wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er toetsbare doelen zijn geformuleerd.

• Artikel 12, eerste lid, WPO: Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school wordt gevoerd, en omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg.

• Artikel 12, tweede lid, WPO: De beschrijving van het onderwijskundig beleid omvat in elk geval de inhoud van het onderwijs, de eigen opdrachten voor het onderwijs, het pedagogisch-didactisch klimaat en de veiligheid. Daarbij betrekt de school het schoolondersteuningsprofiel.

• Artikel 12, vierde lid, WPO: De school draagt door haar stelsel van kwaliteitszorg zorg voor de ononderbroken ontwikkeling van leerlingen en de afstemming van het onderwijs op de voortgang van de ontwikkeling van leerlingen. Ook moet worden vastgesteld waar verbetermaatregelen nodig zijn.

• Artikel 31 WPO: Het bestuur stelt een managementstatuut vast waaruit de verantwoordelijkheidsverdeling in de aansturing van de school blijkt.

• Artikel 167 en 167a, WPO: Het op gemeentelijk niveau maken van afspraken over en het formuleren van doelen voor het bestrijden van onderwijsachterstanden.

SKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

De school realiseert de doelen voor goed onderwijs, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

De school realiseert de doelen voor goed onderwijs, die voortkomen uit haar visie en ambities. De schoolleiding zorgt daartoe voor een professionele en veilige leer- en verbetercultuur in de school. Binnen deze kwaliteitscultuur geven schoolleiding en het (bevoegd) onderwijspersoneel samen uitvoering aan het stelsel van kwaliteitszorg, zodat de school als geheel gericht werkt aan het bereiken van de onderwijskundige doelen. Waar nodig stuurt de schoolleiding tussentijds bij.

De schoolleiding zorgt ervoor dat de deskundigheidsbevordering van het personeel binnen de gestelde doelen gestalte krijgt. Leraren(teams) oefenen daarbij de eigen verantwoordelijkheid bij het inrichten van hun onderwijs uit.

De schoolleiding toont in haar sturing onderwijskundig leiderschap en zorgt voor een gerichte inzet van middelen om gestelde doelen te realiseren. De school geeft uitvoering aan het schoolondersteuningsprofiel. Zij werkt samen met andere scholen, het samenwerkingsverband en andere organisaties, zodat geen leerling tussen wal en schip valt.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 8, vierde lid, WPO: Het bestuur treedt zo nodig in overleg met gemeente,

• jeugdgezondheidszorg, een instantie voor maatschappelijke ondersteuning of een zorgaanbieder.

• Artikel 8, vijfde lid, WPO: Het bestuur stelt ten minste eenmaal in de vier jaar het schoolondersteuningsprofiel vast.

• Artikel 18a WPO: Het bestuur is aangesloten bij een samenwerkingsverband.

• Artikel 10 WPO: Het bestuur moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder ‘zorg dragen voor’ wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat het bestuur en de scholen zicht hebben op de kwaliteit van het onderwijs. Daarbij moet het functioneren van de kwaliteitscyclus centraal staan.

• Artikel 12, derde lid, WPO: Het schoolplan bevat een beschrijving van het personeelsbeleid. Dit personeelsbeleid gaat in elk geval over hoe wordt voldaan aan de eisen van bevoegdheid en onderhoud van bekwaamheid, de bijdrage van het personeel aan het onderwijskundig beleid, het pedagogisch-didactisch handelen, de evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding, bedoeld in artikel 30.

• Artikel 31a, eerste tot en met derde lid, WPO: De school dient leraren een zelfstandige verantwoordelijkheid te geven bij de beoordeling van de onderwijsprestaties van leerlingen en voldoende zeggenschap te geven waar het gaat om het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de school.

• Artikel 32b en artikel 34a, WPO: Het bestuur beschikt bij elk personeelslid waarvoor bekwaamheidseisen gelden over geordende gegevens over de bekwaamheid en het onderhouden daarvan.

SKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

De school evalueert en analyseert systematisch of zij de doelen realiseert en verantwoordt zich daarover. Ze stelt, wanneer nodig, het schoolbeleid bij en betrekt interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

De schoolleiding monitort, evalueert, analyseert en beoordeelt als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de doelen en het beleid worden gerealiseerd en informeert het bestuur daarover. Zij haalt intern en extern actief informatie op, om zicht te krijgen op de uitvoering, de resultaten van het onderwijs voor de leerlingen en mogelijke kansen en bedreigingen voor de verdere ontwikkeling van het onderwijs.

Voor een goede overdracht en om zicht te houden op het vervolgsucces van haar leerlingen, onderhoudt de school contact met de scholen/instellingen waar deze naartoe uitstromen. De schoolleiding organiseert tegenspraak. Daarvoor gaat zij actief een dialoog aan met in ieder geval ouders, personeel, de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad ((G)MR) en, wanneer van toepassing, leerlingen, gemeenten en/of (regionale)werkgevers.

De school informeert belanghebbenden minimaal jaarlijks op toegankelijke manier over haar doelen en

werkwijze, en over de resultaten die zij heeft behaald.

Voor ouders doet zij dit op een bij deze doelgroep passende wijze.

De schoolleiding analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verwerkt deze wanneer nodig in het (verbeter)beleid, zodat dit bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwijs. Daarnaast gebruikt de school de uitkomsten van de evaluatie om de sturing te verbeteren. Zij maakt daarbij duidelijk welk effect de inbreng van belanghebbenden heeft op het borgen en bijstellen van het schoolbeleid.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 8, eerste lid, WPO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen.

• Artikel 8 WMS: De (G)MR ontvangt tijdig alle inlichtingen van het bestuur die redelijkerwijs nodig zijn om zijn taak te kunnen vervullen en ontvangt in elk geval bepaalde in de wet beschreven informatie.

• Artikel 10 WMS: Het bestuur heeft in bepaalde gevallen voorafgaande instemming nodig van de (G)MR voor elk besluit in dat geval, bijvoorbeeld bij verandering van de onderwijskundige doelstellingen van de school.

• Artikel 10 en 12, vierde lid, WPO: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er regelmatig wordt geëvalueerd of deze doelen worden gehaald.

• Artikel 11 WMS: Het bestuur moet de (G)MR vooraf in de gelegenheid stellen om te adviseren over besluiten bij bepaalde aangelegenheden, bijvoorbeeld bij de vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de school.

• Artikel 12 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het personeelsdeel van de (G)MR bij besluiten bij bepaalde aangelegenheden, bijvoorbeeld bij de vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie.

• Artikel 13, eerste lid, sub a, WPO: De school maakt in de schoolgids duidelijk wat de doelen van het onderwijs zijn en welke resultaten met het onderwijsleerproces worden bereikt.

• Artikel 13, eerste lid, sub o, WPO: In de schoolgids dienen ook de gedane bevindingen ten aanzien van het stelsel van kwaliteitszorg te worden opgenomen en de maatregelen die naar aanleiding daarvan zijn getroffen.

• Artikel 167 en 167a, WPO: De bevoegde gezagsorganen van de scholen voeren jaarlijks overleg met elkaar en met de gemeente over het voorkomen van segregatie, het bevorderen van integratie en het bestrijden van achterstanden.

Bijlage 4 Waarderingskader internationaal georiënteerd basisonderwijs

In deze bijlage is het waarderingskader voor het toezicht op internationaal georiënteerd basisonderwijs opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.5.

KWALITEITSGEBIED BESTURING, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (BKA)

BKA1. Visie, ambities en doelen

Het bestuur heeft een visie op kwaliteit, heeft hiervoor ambities en doelen opgesteld en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

Het bestuur heeft een visie op goed onderwijs en op de besturing daarvan. De visie is concreet en passend vertaald naar ambities, doelen en daarmee samenhangend beleid. Deze vertaling maakt sturing mogelijk op de kwaliteit en resultaten van het onderwijs en de voorwaarden. Daartoe is een stelsel van kwaliteitszorg ingericht dat het bestuur in staat stelt de basiskwaliteit van het onderwijs te waarborgen.

De doelen betreffen in elk geval de naleving van wettelijke eisen, waaronder de wettelijke vereisten voor het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces en de manier van toetsen. De visie, ambities en doelen omvatten uitwerkingen van eerdere evaluatieresultaten en resultaten van interne en externe dialoog.

Het bestuur zorgt er met betrokkenheid van de scholen voor dat de visie, ambities, doelen en het beleid sturend zijn voor de verbetering van het onderwijs aan leerlingen. Scholen formuleren op hun beurt doelen die aansluiten bij wat leerlingen nodig hebben met het oog op hun doorgaande onderwijsloopbaan.

Het bestuur richt de voorwaarden in om de doelen te bereiken, waaronder de inzet en het beheer van de (financiële) middelen voor het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijsproces, het schoolklimaat en de resultaten. Het bestuur heeft daartoe een meerjarenbegroting waarin de relatie met het beleid en de doelen duidelijk zijn toegelicht. Er is voor de sturing op (financiële) kwaliteit een functionerende verantwoordelijkheidsverdeling tussen de interne toezichthouder, het bestuur en de scholen afgesproken, op basis van de geldende wet- en regelgeving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 10 en 12, vierde lid, WPO: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er toetsbare doelen zijn geformuleerd.

• Artikel 8, eerste lid, WPO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen.

• Artikel 29, zevende lid, WPO: Het bestuur stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van de verschillende categorieën personeel van de scholen.

• Artikel 12, eerste, tweede en derde lid, WPO (in samenhang met artikel 1): Het bestuur zorgt ervoor dat alle scholen een schoolplan hebben. Het schoolplan omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg. Bij de beschrijving van het onderwijskundig beleid wordt het schoolondersteuningsprofiel betrokken. Dit bevat een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven.

• Artikel 167 en 167a, WPO: Het op gemeentelijk niveau maken van afspraken over en het formuleren van doelen voor het bestrijden van onderwijsachterstanden.

• Artikel 17b, eerste en derde lid, WPO: Er moet sprake zijn van een functionele of organieke scheiding tussen uitvoerend deel van het bestuur en intern toezicht.

• Artikel 17c, eerste lid, sub c, WPO: De interne toezichthouder ziet erop toe dat het bestuur de middelen doelmatig en rechtmatig besteedt en aanwendt.

• Artikel 171 WPO en jo. artikel 4, vierde lid, RJO: Het bestuur maakt jaarlijks een jaarverslag waarin de resultaten van het financieel beleid en de continuïteitsparagraaf staan opgenomen.

• Artikel 31 WPO: Het bestuur stelt een managementstatuut vast waaruit de verantwoordelijkheidsverdeling in de aansturing van de school blijkt.

• Artikel 148 en 175, WPO [jo. AMvB] en artikel 34a, Besluit bekostiging WPO: Het bestuur moet de rijksbekostiging rechtmatig aanwenden en moet evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen voorkomen.

• RJO, jo. artikel 171, WPO: De wijze waarop door het bestuur verslag wordt gedaan van het financieel beheer gebeurt overeenkomstig de daarvoor in de RJO gestelde regels.

BKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

Het bestuur realiseert samen met de scholen de doelen voor kwaliteit, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

Het bestuur geeft als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg met de scholen effectief uitvoering aan de visie en de doelen voor onderwijskwaliteit. Aan de transparante, integere kwaliteitscultuur is zichtbaar dat deze bijdraagt aan de gestelde doelen.

Het bestuur bevordert een op samenwerken, leren en verbeteren gerichte kwaliteitscultuur, zodat de doelen en ambities gerealiseerd kunnen worden. Het bestuur zorgt ervoor dat het onderwijskundig leiderschap op alle niveaus herkenbaar verankerd is in de organisatie. Ook bevordert het bestuur dat de schoolleiding en teams gezamenlijk werken aan hun professionaliteit in relatie tot de bekwaamheidseisen en aan een verbetercultuur.

Binnen de kwaliteitscultuur geeft het bestuur uitvoering aan kwaliteitszorg gericht op de kwaliteit van het onderwijs, de afspraken uit het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband passend onderwijs en de naleving van wettelijke voorschriften. Het bestuur bewaakt en bevordert dat de uitvoering in overeenstemming is met het beleid, zodat de doelen worden bereikt. Het bestuur houdt zicht op de uitvoering van het beleid en op de nagestreefde verbeteringen en stuurt daarop, zo nodig, tussentijds bij.

De beschikbare (financiële) middelen dragen bij aan de realisatie van de door het bestuur gestelde doelen en worden doelmatig en rechtmatig aangewend. Als onderdeel van zijn taak ziet de interne toezichthouder daarop toe. Het bestuur voorkomt evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen. Daarnaast stuurt het bestuur op effectief financieel beheer, zodat de continuïteit van het onderwijs gewaarborgd is en bekostiging rechtmatig verkregen wordt.

Het interne toezicht geeft voorts onafhankelijk en deugdelijk invulling aan zijn taak en wordt daarin gefaciliteerd door het uitvoerend deel van het bestuur. Het bestuur zorgt voor goed functionerende medezeggenschap en opereert volgens een code Goed Bestuur of legt in het jaarverslag1 uit als het daar eventueel van afwijkt en waarom dat het geval is. Als laatste zorgt het bestuur voor een doeltreffende verwerking van interne en externe signalen en klachten.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 10 en 12, vierde lid, WPO: Het bestuur en de schoolleiding zorgen ervoor dat de wet wordt nageleefd en dat er indien nodig verbetermaatregelen komen voor de kwaliteit. Dat houdt onder andere in dat het bestuur en de scholen zicht hebben op de kwaliteit van het onderwijs. Daarbij moet het functioneren van de kwaliteitscyclus centraal staan.

• Artikel 12, eerste en derde lid, artikel 32, artikel 32b en artikel 34a, WPO: Het bestuur zorgt voor bevoegd personeel en maakt het onderhouden en uitbreiden van de bekwaamheid mogelijk.

• Artikel 13, eerste lid, sub f in samenhang met artikel 14, WPO: Het bestuur communiceert over de klachtenregeling in de schoolgids(en).

• Artikel 14 WPO: Het bestuur heeft een klachtenregeling die leidt tot een deugdelijke klachtbehandeling waarbij voldaan wordt aan de specifieke vereisten die dit artikel noemt.

• Artikel 17a, eerste lid, jo. 10, WPO: Het bestuur draagt zorg voor een goed bestuurde school met een scheiding tussen het uitvoerend deel van het bestuur en het toezicht en met een rechtmatig bestuur en beheer.

• Artikel 17b, tweede lid, WPO: De interne toezichthouder (of lid daarvan) functioneert onafhankelijk van het uitvoerend deel van het bestuur.

• Artikel 17c, eerste lid, WPO: De interne toezichthouder houdt toezicht op de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden door het uitvoerend deel van het bestuur, staat het uitvoerend deel van het bestuur met raad ter zijde en heeft ten minste bepaalde taken.

• Artikel 31a, derde en vierde lid, WPO: De school dient leraren een zelfstandige verantwoordelijkheid te geven bij de beoordeling van de onderwijsprestaties van leerlingen en voldoende zeggenschap te geven waar het gaat om het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de school.

• Artikel 148 en 175, WPO [jo. AMvB] en artikel 34a Besluit bekostiging WPO: Het bestuur moet de rijksbekostiging rechtmatig aanwenden en moet evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen voorkomen.

• Artikel 148b WPO: Het bestuur beheert de middelen van de school op zodanige wijze dat het voortbestaan van de school is verzekerd.

• Artikel 171, eerste lid, WPO: Het bestuur dient een code Goed Bestuur te hanteren en verantwoordt zich over eventuele afwijkingen in het jaarverslag.

• Artikel 171, eerste lid, sub b, WPO: Het bestuur stelt een jaarverslag vast met jaarrekening waaruit blijkt dat er sprake is van een rechtmatige en doelmatige aanwending van de bekostiging.

• Artikel 175, vierde lid, WPO: Als sprake is van evident ondoelmatige aanwending, kunnen daar financiële gevolgen aan worden verbonden, zoals wijziging van de bekostiging en het terugvorderen van het onverschuldigd betaalde deel van de bekostiging.2

• Artikel 175, vijfde lid, WPO [jo. AMvB]: Bij of krachtens AMvB worden nadere regels gesteld over de wijze waarop wordt vastgesteld dat sprake is van evident ondoelmatige aanwending van de bekostiging.

• Artikel 4, lid 4, RJO: Het bestuur zorgt voor een continuïteitsparagraaf in de jaarverslaggeving.

BKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

Het bestuur evalueert en analyseert systematisch of het de doelen realiseert en verantwoordt zich hierover. Het stelt wanneer dat nodig is het beleid bij en betrekt daartoe interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

Het bestuur evalueert en beoordeelt als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de ambities, de doelen en het beleid worden gerealiseerd. Op deze manier krijgt het bestuur zicht op de gerealiseerde (financiële) kwaliteit en de resultaten van het onderwijs aan leerlingen. Bij de evaluatie en beoordeling van het beleid en de onderwijskwaliteit haalt het bestuur actief externe informatie op en gebruikt deze informatie bij de evaluatie en beoordeling. Op basis van de evaluatie reageert het bestuur tijdig op mogelijke kansen en bedreigingen, stelt wanneer nodig (verbeter)beleid op en treft passende maatregelen om de kwaliteit van het onderwijs op de scholen te borgen.

Het bestuur legt verantwoording af door middel van accurate, actuele en openbaar toegankelijke informatie over de gerealiseerde kwaliteit. Het brengt minimaal jaarlijks verslag uit aan zijn in- en externe belanghebbenden over zijn doelen en de resultaten van de scholen. De verantwoording in het jaarverslag is betrouwbaar en (de inhoud van) het jaarverslag voldoet aan de wettelijke vereisten.

Het bestuur verantwoordt zich daarbij ten minste over het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces, de manier van toetsen en het financieel beheer. De reflectie op de uitkomsten van de evaluatie geeft alle lagen van de organisatie, intern toezicht en de medezeggenschap voldoende inzicht in de effectiviteit van de besturing en uitvoering. Het bestuur analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verantwoording. Vervolgens verwerkt het bestuur deze wanneer nodig in bijstelling van ambities, (verbeter)doelen en beleid of nieuwe ambities zodat de opbrengst van de dialoog bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwijs en de sturing daarop. Het bestuur organiseert ook de dialoog hierover met interne en externe belanghebbenden, waarbij in elk geval leerlingen, personeel en de interne toezichthouder zijn betrokken. Het bestuur werkt bovendien actief samen met andere partijen aan doelen die het bestuurlijk belang overstijgen en de kernfuncties raken. Zo komt het bestuur de afspraken uit het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband passend onderwijs na en verantwoordt zich hierover.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1 en artikel 3, sub f, RJO, jo. artikel 171 WPO: Het bestuur informeert jaarlijks interne en externe belanghebbenden over het gevoerde en voorgenomen beleid en over de uitkomsten van het gevoerde beleid.

• Artikel 4, vierde lid, RJO, jo. artikel 171 WPO: Het bestuur maakt jaarlijks een jaarverslag waarin naast de resultaten van het financieel beleid ook verantwoording wordt gegeven over toekomstige ontwikkelingen van het onderwijs.

• Artikel 8 WMS: De (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad ((G)MR) ontvangt tijdig alle inlichtingen van het bestuur die redelijkerwijs nodig zijn om zijn taak te kunnen vervullen en ontvangt in elk geval bepaalde in de wet beschreven informatie.

• Artikel 10 WMS: Het bestuur heeft in bepaalde gevallen voorafgaande instemming nodig van de (G)MR voor elk besluit in dat geval (bijvoorbeeld bij verandering van de onderwijskundige doelstellingen van de school).

• Artikel 10 en 12, vierde lid, WPO: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er regelmatig wordt geëvalueerd of deze doelen worden gehaald.

• Artikel 11 WMS: Het bestuur moet de (G)MR vooraf in de gelegenheid stellen om te adviseren over besluiten bij bepaalde aangelegenheden (bijvoorbeeld vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de school).

• Artikel 12 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het personeelsdeel van de (G)MR bij besluiten bij bepaalde aangelegenheden (bijvoorbeeld de bij vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie).

• Artikel 13 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming van het ouderdeel van de (G)MR over bepaalde besluiten (bijvoorbeeld bij de vaststelling van de schoolgids).

• Artikel 167 en 167a, WPO: De besturen van de scholen voeren jaarlijks overleg met elkaar, met organisaties voor kinderopvang en met de gemeente over het voorkomen van segregatie, het bevorderen van integratie en het bestrijden van achterstanden.

• RJO, jo. artikel 171, WPO: De wijze waarop door het bestuur verslag wordt gedaan van het financieel beheer gebeurt overeenkomstig de daarvoor in de RJO gestelde regels.

• Artikel 171, eerste lid, WPO: Het bestuur dient een code Goed Bestuur te hanteren en verantwoordt zich over eventuele afwijkingen in het jaarverslag.

• Artikel 171, zevende en achtste lid, WPO: Het bestuur maakt het jaarverslag openbaar. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de wijze en het tijdstip waarop openbaarmaking van het jaarverslag plaatsvindt.

X Noot
1

Volgens artikel 1, sub c, RJO: het geheel van verslaggevingsdocumenten bestaande uit de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392, titel 9, boek 2, BW.

X Noot
2

Met het amendement (Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 102, nr. 11) is geregeld dat een bekostigingssanctie alleen kan worden opgelegd aan het bestuur nadat bij AMvB een nadere invulling wordt gegeven aan het begrip ‘evident ondoelmatige besteding’. Zonder deze algemene maatregel van bestuur is handhaving op ‘evident ondoelmatige besteding’ niet mogelijk. Tot de datum van inwerkingtreding van de AMvB richt de inspectie zich op haar stimulerende taak op dit gebied en zal alleen een Onvoldoende worden gegeven als een bestuur niet voldoet aan de op dit moment bij de basiskwaliteit opgenomen elementen.

KWALITEITSGEBIEDEN EN STANDAARDEN PO SCHOOLNIVEAU

OP ONDERWIJSPROCES

OP1

Aanbod

OP2

Zicht op ontwikkeling en begeleiding

OP3

Pedagogisch-didactisch handelen

OP4

Onderwijstijd

OP6

Afsluiting

VS VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT

VS1

Veiligheid

VS2

Schoolklimaat

OR ONDERWIJSRESULTATEN

OR1

Resultaten

OR2

Sociale en maatschappelijke competenties

SKA STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE

SKA1

Visie, ambities en doelen

SKA2

Uitvoering en kwaliteitscultuur

SKA3

Evaluatie, verantwoording en dialoog

ONDERWIJSPROCES (OP)

OP1. Aanbod

Het aanbod bereidt de leerlingen voor op vervolgonderwijs en de samenleving.

Basiskwaliteit

De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs en de samenleving. Zij biedt een breed aanbod dat voldoet aan de standaarden van het desbetreffende buitenlandse of internationale curriculum en ook de basisvaardigheden taal en rekenen omvat. Onder aanbod verstaan we alle lesinhouden, ook die digitaal zijn of online aangeboden worden. Het aanbod van de school is afgestemd op de leerlingenpopulatie en sluit aan bij het (taal)niveau en de onderwijsbehoeften van de leerlingen. Het aanbod wordt waar nodig gedurende de schoolloopbaan verdiept en verbreed, zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. Het aanbod is doelgericht, samenhangend en herkenbaar. Bovendien heeft de school de leerinhouden evenwichtig en in samenhang over de leerjaren verdeeld.

Het aanbod draagt bij aan het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en aan het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die leerlingen in staat stellen deel uit te maken en bij te dragen aan de pluriforme, democratische samenleving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het aanbod en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2 WPO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 8, eerste lid, WPO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 8, tweede lid, WPO: De inhoud van het onderwijs richt zich op de emotionele, zintuigelijke, lichamelijke en verstandelijke ontwikkeling en op het ontwikkelen van de creativiteit, alsmede op het verwerven van de noodzakelijke kennis op het gebied van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden.

• Artikel 8, derde lid, WPO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 12, tweede lid, sub a, WPO: Het schoolplan bevat de uitwerking van de wettelijke opdrachten voor de uitgangspunten, doelstellingen en inhoud van het onderwijs.

OP2. Zicht op ontwikkeling en begeleiding

De school volgt de ontwikkeling van de leerlingen en biedt waar nodig passende begeleiding en extra ondersteuning.

Basiskwaliteit

De school verzamelt vanaf binnenkomst systematisch informatie over de kennis en vaardigheden van leerlingen op alle voor het onderwijs belangrijke domeinen. Het verzamelen van (toets)informatie gebeurt systematisch en zorgvuldig. Voor het verzamelen en vastleggen van (toets)informatie gebruikt de school een leerling- en onderwijsvolgssysteem. De school vergelijkt de informatie met de verwachte ontwikkeling van de leerling. Dit maakt het mogelijk om het onderwijs af te stemmen op de onderwijsbehoeften van zowel groepen als individuele leerlingen. Het stelt de school in staat zorg te dragen voor de ontwikkeling en begeleiding van de leerling. De school waarborgt daarmee voor leerlingen de ononderbroken ontwikkeling en voortgang daarin en heeft daarbij oog voor de bevordering van gelijke kansen. De school informeert ouders regelmatig over de ontwikkeling en vorderingen van hun kind. Wanneer individuele of groepen leerlingen niet genoeg lijken te profiteren van het onderwijs, analyseert de school waar de ontwikkeling stagneert en wat mogelijke verklaringen hiervoor zijn. Vervolgens bepaalt zij wat er nodig is om op eventuele achterstanden of voorsprongen in de ontwikkeling van leerlingen in te spelen. De school biedt de begeleiding vervolgens gestructureerd aan. Waar nodig betrekt de school het samenwerkingsverband, gemeentes en zorginstanties bij de begeleiding van de leerlingen.

De leerlingen krijgen daarmee de begeleiding die zij nodig hebben om het onderwijsprogramma beter te kunnen doorlopen. De school besteedt op structurele en herkenbare wijze aandacht aan het bestrijden van (taal)achterstanden, zowel in de Engelse als in de Nederlandse taal.

De school heeft in het schoolondersteuningsprofiel vastgelegd wat zij onder extra ondersteuning verstaat en welke voorzieningen de school kan bieden. Voor de leerlingen die deze extra ondersteuning nodig hebben, legt de school in het ontwikkelingsperspectief vast hoe zij het onderwijs afstemt op de behoefte van de leerling en registreert het ontwikkelingsperspectief in BRON. De school voert de geplande ondersteuning uit. De inhoud en uitvoering van dit plan wordt minimaal eenmaal per schooljaar met de ouders geëvalueerd. De school vervult de zorgplicht passend onderwijs. Wanneer de school de extra ondersteuning voor de leerlingen niet kan bieden, zoekt de school in samenwerking met ouders en zo nodig het samenwerkingsverband een passende onderwijsplek, of, als dit vanwege het internationale karakter van het onderwijs niet mogelijk is, passende aanvullende externe begeleiding.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor zicht op ontwikkeling en begeleiding en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1 WPO: In het schoolondersteuningsprofiel is vastgelegd welke voorzieningen zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.

• Artikel 8, eerste lid, WPO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 8, derde lid, WPO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze. Dat omvat onder meer regelmatig monitoren van de ontwikkeling van burgerschapscompetenties, om het onderwijs af te stemmen op de actuele leerbehoefte van leerlingen.

• Artikel 8, vierde lid, WPO: De school biedt individuele begeleiding die is afgestemd op de behoeften van de leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.

• Artikel 8, vijfde lid, WPO: Het bestuur stelt ten minste eenmaal in de vier jaar het schoolondersteuningsprofiel vast.

• Artikel 8, zesde lid, WPO: De school volgt de vorderingen van de leerlingen in kennis en vaardigheden door middel van een leerling- en onderwijsvolgsysteem.

• Artikel 8, elfde lid, WPO: De school werkt herkenbaar en gestructureerd aan de bestrijding van achterstanden.

• Artikel 11 WPO: De school rapporteert over de vorderingen van de leerlingen aan hun ouders, voogden of verzorgers.

• Artikel 12, tweede lid, WPO: De school heeft in het schoolplan beschreven op welke wijze het schoolondersteuningsprofiel wordt betrokken bij het onderwijskundig beleid.

• Artikel 12, vierde lid, sub a, WPO: De school heeft de wijze waarop het onderwijs wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen in het schoolplan beschreven.

• Artikel 34.7 Besluit bekostiging WPO: In het ontwikkelingsperspectief is informatie opgenomen over de begeleiding die de leerling wordt geboden, naar welke onderwijssoort in het voortgezet onderwijs of naar welk uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal onderwijs de leerling naar verwachting zal uitstromen, en over de belemmerende en bevorderende factoren die van invloed zijn op het onderwijs aan de leerling.

• Artikel 40, vierde en elfde lid, WPO: De school houdt zich aan de zorgplicht passend onderwijs.

• Artikel 40, derde lid, WPO: De school beoordeelt of de leerling extra ondersteuning nodig heeft.

• Artikel 40a, eerste en derde lid, WPO: Het bestuur stelt, na op overeenstemming gericht overleg met de ouders, een ontwikkelingsperspectief vast voor een leerling die extra ondersteuning nodig heeft.

• Artikel 40a, tweede lid, WPO: Over het handelingsdeel van het ontwikkelperspectief dient door het bestuur overeenstemming met de ouders te worden bereikt.

• Artikel 40a, vijfde lid, WPO: Het bestuur kan, na overleg of overeenstemming met de ouders, het ontwikkelingsperspectief bijstellen.

• Artikel 40a, vierde lid, WPO: Het bestuur evalueert het ontwikkelingsperspectief minimaal eens per schooljaar met de ouders.

• Artikel 12 van de Wet register onderwijsdeelnemers, jo. artikel 8, eerste lid, Besluit register onderwijsdeelnemers: Het bestuur registreert in het Basisregister Onderwijs (BRON) voor welke periode er voor een leerling een ontwikkelingsperspectief is vastgesteld en, indien van toepassing, welke periode een leerling in een orthopedagogisch didactisch centrum (opdc) is geplaatst.

OP3. Pedagogisch-didactisch handelen

Het pedagogisch-didactisch handelen van de leraren stelt leerlingen in staat om te leren en zich te ontwikkelen.

Basiskwaliteit

De pedagogisch-didactische visie van de school is zichtbaar in het dagelijks handelen van de leraren.

De leraren plannen en structureren hun handelen met behulp van informatie die zij over leerlingen hebben. Zij maken pedagogische en didactische keuzes en stemmen daarbij het niveau van hun onderwijs af op het beoogde eindniveau van de leerlingen. De leerstof omvat kennis, vaardigheden en attitudes en wordt in een logische opbouw aangeboden.

De leraren creëren een pedagogisch en didactisch passend en stimulerend leerklimaat, waardoor leerlingen actief en betrokken zijn. Met geschikte opdrachten en heldere uitleg structureren de leraren het onderwijsaanbod zo dat de leerlingen zich het leerstofaanbod eigen kunnen maken. Leraren hebben hoge verwachtingen van leerlingen en geven leerlingen feedback op hun leerproces.

De leraren stemmen de instructies, begeleiding, opdrachten en onderwijstijd doelgericht af op de onderwijsbehoeften van groepen en individuele leerlingen, inclusief op de sociale en maatschappelijke competenties. De afstemming is zowel gericht op (pedagogische) ondersteuning als op uitdaging, afhankelijk van de onderwijsbehoeften van leerlingen.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het pedagogisch-didactisch handelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2 WPO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 8, eerste lid, WPO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen. Voor deze ‘ononderbroken ontwikkeling’ is het nodig dat het onderwijs aansluit bij het ontwikkelingsniveau van de leerling.

• Artikel 8, derde lid, WPO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 12, tweede en derde lid, WPO: De school heeft haar beleid over het pedagogisch-didactisch handelen in het schoolplan geformuleerd. Het beleid over het pedagogisch-didactisch handelen is zichtbaar in het dagelijks handelen van de leraren.

OP4. Onderwijstijd

De leerlingen krijgen voldoende tijd om zich het aanbod eigen te maken.

Basiskwaliteit

De school biedt een programma aan dat voldoet aan de wettelijk verplichte onderwijstijd. De school stelt vast welke activiteiten onder de onderwijstijd vallen. De school plant de onderwijsactiviteiten weloverwogen over het schooljaar en deze worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van bevoegde leraren.

De school verdeelt de tijd zo over de vakken dat leerlingen in staat zijn het verplichte onderwijsprogramma tot zich te nemen. De school heeft beleid om ongeoorloofd verzuim en voortijdig schoolverlaten van leerlingen tegen te gaan, zodat ook op leerlingniveau gestreefd wordt de onderwijstijd te behalen.

De school maakt, zo nodig, volgens de wettelijke voorschriften gebruik van de mogelijkheden om, in het belang van de individuele leerling, af te wijken van de verplichte onderwijstijd en/of van de mogelijkheid om een leerling een deel van de onderwijstijd door te laten brengen op een andere school.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de onderwijstijd en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 8, negende lid, WPO: De school verzorgt minimaal het wettelijk verplichte aantal uren onderwijs en zorgt ervoor dat de leerlingen in beginsel binnen acht aaneensluitende schooljaren de school kunnen doorlopen.

• Artikel 8, twaalfde lid, WPO, jo. Beleidsregel inzake het instemmen met afwijking onderwijstijd WPO: Voor het afwijken van de onderwijstijd vraagt het bestuur in bepaalde gevallen instemming van de inspectie.

• Artikel 13, eerste lid, onder d, WPO: In de schoolgids moet de wijze waarop de verplichte onderwijstijd wordt benut worden vermeld.

• Artikel 13, eerste lid, sub k, WPO: De school heeft haar verzuimbeleid opgenomen in de schoolgids.

• Artikel 15 WPO, jo. artikel 34.11 Besluit bekostiging WPO: Als een leerling een deel van het onderwijsprogramma onderwijs ontvangt op een andere school en het bestuur voldoet aan de voorwaarden daarvoor, dan telt die tijd mee voor het aantal uren onderwijs dat de leerling ten minste moet ontvangen.

• Artikel 32, vijfde lid, WPO: Leraren die voldoen aan de vereisten van artikel 3, WPO verzorgen het onderwijs.

OP6. Afsluiting

De afsluiting van het onderwijs verloopt zorgvuldig.

Basiskwaliteit

De school zorgt ervoor dat alle leerlingen goed worden voorbereid op de overgang naar het vervolgonderwijs.

Alle leerlingen krijgen een passend advies voor het vervolgonderwijs. De school hanteert hierbij een zorgvuldige procedure, waaruit blijkt dat zij ernaar streeft leerlingen gelijke kansen te bieden. Zo mogelijk maakt de school gebruik van de bij het curriculum behorende genormeerde toets.

Aan het eind van de schoolperiode informeert de school de ouders en de vervolgschool over de ontwikkelingen en vorderingen van de leerlingen. Het onderwijskundig rapport en de overdracht hiervan hebben daarbij een centrale rol. De school informeert de ouders daarnaast over de informatie over de leerling die aan de ontvangende school wordt verstrekt.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de afsluiting en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2 WPO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 11 WPO: De school houdt de ouders op de hoogte van de vorderingen van de leerlingen.

• Artikel 42, eerste lid, WPO: Voor de ontvangende school stelt de school een onderwijskundig rapport op.

KWALITEITSGEBIED VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT (VS)

VS1. Veiligheid

De school zorgt voor een veilige omgeving voor leerlingen.

Basiskwaliteit

De school zorgt voor de sociale, fysieke en psychische veiligheid van de leerlingen op school gedurende de schooldag. Een school is veilig als de sociale, fysieke en psychische veiligheid van leerlingen niet door handelingen van anderen wordt aangetast. Dit blijkt onder andere uit de beleving van de veiligheid en het welbevinden van de leerlingen op school. De school monitort dit ten minste jaarlijks met een gestandaardiseerd instrument.

De school heeft een veiligheidsbeleid beschreven dat bestaat uit een samenhangende set van maatregelen. Het beleid is gericht op het voorkomen, afhandelen, registreren en evalueren van incidenten, en de school voert dat beleid ook uit. Als de uitkomsten van de monitoring daartoe aanleiding geven, treft de school maatregelen om de situatie te verbeteren. De school voorkomt, zoveel als mogelijk, (digitaal)pesten, agressie en geweld in elke vorm en treedt zo nodig snel en adequaat op. Dat geldt ook bij uitingen die strijdig zijn met basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals discriminatie en onverdraagzaamheid. De school heeft een persoon aangesteld die voor ouders en leerlingen het aanspreekpunt is in geval van pesten en die het beleid tegen pesten coördineert.

De school hanteert de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling. Daarnaast komt de school de verplichtingen na rond het melden, overleggen en aangifte doen van zedenmisdrijven.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de veiligheid en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 4a WPO: Het bestuur houdt zich aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van het melden van een mogelijk zedenmisdrijf en het overleggen daarover, en het aangifte doen in het geval van een (redelijk vermoeden van een) zedenmisdrijf. Het bestuur treedt hierbij onverwijld in contact met de vertrouwensinspecteur.

• Artikel 4b WPO: Het bestuur stelt voor het personeel een meldcode vast die aangeeft hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan. Daarnaast moet het bestuur de kennis en het gebruik van de meldcode bevorderen.

• Artikel 4c, eerste lid, sub a, WPO: Het bestuur heeft beleid ten aanzien van de veiligheid van leerlingen en voert dat ook uit.

• Artikel 4c, eerste lid, sub b, WPO: Het bestuur monitort de veiligheid van leerlingen met een instrument dat een representatief en actueel beeld geeft.

• Artikel 4c, eerste lid, sub c, WPO: Het bestuur heeft de volgende taken belegd bij een persoon:

– coördinatie van het beleid in het kader van het tegengaan van pesten op school;

– fungeren als aanspreekpunt in het kader van pesten.

• Artikel 4c, tweede lid, WPO: Onder veiligheid wordt de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen verstaan.

• Artikel 4c, vierde lid, WPO: Het bestuur zendt de resultaten van de monitor, nadat de resultaten beschikbaar zijn, aan de inspectie.

• Artikel 8, derde lid, WPO: Het onderwijs richt zich op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Dat omvat onder meer dat de school actie onderneemt als er onvoldoende sprake is van een cultuur die in overeenstemming is met basiswaarden.

VS2. Schoolklimaat

De school heeft een schoolklimaat dat bijdraagt aan het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties.

Basiskwaliteit

De school bereidt de leerlingen voor op het leven in de maatschappij. Zij creëert daarvoor een oefenplaats die leerlingen ondersteunt bij het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties. In de school doen leerlingen ervaring op met de omgang met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en de pluriforme samenleving. Het bestuur ziet erop toe dat de school zorg draagt voor een schoolklimaat dat in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en bijdraagt aan de bevordering daarvan.

Het personeel van de school is in zijn gedrag een voorbeeld voor de leerlingen: personeelsleden leven de basiswaarden zichtbaar na.

De school stemt aanpak en aanbod af op de leerlingenpopulatie van de school en de leefwereld van de leerlingen. Ook signaleert en corrigeert de school uitingen van leerlingen die met de basiswaarden in strijd zijn.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het schoolklimaat en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 8, derde lid, WPO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze, richt zich onder andere op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden en het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties.

• Artikel 8, lid 3a, WPO: Het bestuur draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, en creëert een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met deze waarden.

ONDERWIJSRESULTATEN (OR)

OR1. Resultaten

De school behaalt met haar leerlingen leerresultaten die ten minste in overeenstemming zijn met de door de school gestelde norm.

Beschrijving

De cognitieve eindresultaten liggen op het niveau dat op grond van de kenmerken van de leerlingenpopulatie mag worden verwacht. Dit betekent dat de eindresultaten op de basisvaardigheden taal en rekenen voldoen aan de door de school gestelde norm. Deze norm is waar mogelijk ontleend aan het buitenlandse of internationale curriculum dat de school hanteert.

Eisen die samenhangen met (aanvullende) ambities

• Artikel 2 WPO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 8, eerste lid, WPO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

OR2. Sociale en maatschappelijke competenties

De leerlingen behalen sociale en maatschappelijke competenties op het niveau dat ten minste in overeenstemming is met de verwachtingen van het vervolgonderwijs en de maatschappij.

Basiskwaliteit

De school heeft een goed beeld van de kenmerken van haar leerlingenpopulatie en heeft ambitieuze verwachtingen over het niveau dat de leerlingen voor de sociale en maatschappelijke competenties kunnen bereiken. Ze neemt de aansluiting op het vervolgonderwijs en de maatschappij als uitgangspunt voor de competenties voor leerlingen.

De school onderbouwt welke resultaten ze op dit gebied wil bereiken. De school brengt de resultaten op een betrouwbare en inzichtelijke manier in kaart. De school spant zich zichtbaar in om ervoor te zorgen dat leerlingen die de school verlaten daaraan voldoen. Daarmee laat de school zien dat zij haar doelstellingen voor deze competenties behaald heeft.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sociale en maatschappelijke competenties en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2 WPO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 8, tweede lid, WPO: Het onderwijs richt zich herkenbaar op de emotionele en de verstandelijke ontwikkeling, op het ontwikkelen van creativiteit, het verwerven van kennis en van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden.

• Artikel 8, derde lid, WPO: Het onderwijs richt zich herkenbaar op het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving.

KWALITEITSGEBIED STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (SKA)

SKA1. Visie, ambities en doelen

De school heeft een gedragen visie op goed onderwijs, heeft daarvoor ambities en doelen en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

De school heeft, als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg, een gedragen visie, ambities en doelen gericht op goed onderwijs die ervoor zorgen dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. De schoolleiding vertaalt haar visie, ambities en doelen in onderwijskundig beleid en stuurt daarop om de beoogde resultaten te behalen. De schoolleiding beschrijft op welke manier ze zorgt voor het realiseren, borgen en verbeteren van de onderwijskwaliteit en hoe ze de naleving van de wettelijke eisen realiseert.

De schoolleiding sluit met haar visie, ambities en doelen aan op die van haar bestuur en op de kenmerken van de leerlingenpopulatie van de school. Dit doet zij onder meer door aan te geven hoe ze rekening houdt met (taal)achterstanden, de wettelijke opdracht tot bevordering van burgerschap en specifieke leerbehoeften om bij te dragen aan gelijke kansen voor alle leerlingen. Resultaten van eerdere evaluaties, interne en externe dialoog zijn zichtbaar in de doelen voor het onderwijskundig beleid.

De schoolleiding richt de voorwaarden in om de onderwijskundige ambities en doelen te bereiken, waaronder het personeelsbeleid en de organisatie van het onderwijs. Daarbij is de interne verantwoordelijkheidsverdeling duidelijk.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 8, derde lid, WPO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 8, elfde lid, WPO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat daarbij op structurele en herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden, in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal.

• Artikel 10 WPO: Het bestuur moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder zorg dragen voor wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er toetsbare doelen zijn geformuleerd.

• Artikel 12, eerste lid, WPO: Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school wordt gevoerd, en omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg.

• Artikel 12, tweede lid, WPO: De beschrijving van het onderwijskundig beleid omvat in elk geval de inhoud van het onderwijs, de eigen opdrachten voor het onderwijs, het pedagogisch-didactisch klimaat en de veiligheid. Daarbij betrekt de school het schoolondersteuningsprofiel.

• Artikel 12, vierde lid, WPO: De school draagt door haar stelsel van kwaliteitszorg zorg voor de ononderbroken ontwikkeling van leerlingen en de afstemming van het onderwijs op de voortgang van de ontwikkeling van leerlingen. Ook moet worden vastgesteld waar verbetermaatregelen nodig zijn.

• Artikel 31 WPO: Het bestuur stelt een managementstatuut vast waaruit de verantwoordelijkheidsverdeling in de aansturing van de school blijkt.

• Artikel 167 en 167a, WPO: Het op gemeentelijk niveau maken van afspraken over en het formuleren van doelen voor het bestrijden van onderwijsachterstanden.

SKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

De school realiseert de doelen voor goed onderwijs, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

De school realiseert de doelen voor goed onderwijs, die voortkomen uit haar visie en ambities. De schoolleiding zorgt daartoe voor een professionele en veilige leer- en verbetercultuur in de school. Binnen deze kwaliteitscultuur geven schoolleiding en het (bevoegd) onderwijspersoneel samen uitvoering aan het stelsel van kwaliteitszorg, zodat de school als geheel gericht werkt aan het bereiken van de onderwijskundige doelen. Waar nodig stuurt de schoolleiding tussentijds bij.

De schoolleiding zorgt ervoor dat de deskundigheidsbevordering van het personeel binnen de gestelde doelen gestalte krijgt. Leraren(teams) oefenen daarbij de eigen verantwoordelijkheid bij het inrichten van hun onderwijs uit.

De schoolleiding toont in haar sturing onderwijskundig leiderschap en zorgt voor een gerichte inzet van middelen om gestelde doelen te realiseren. De school geeft uitvoering aan het schoolondersteuningsprofiel. Zij werkt samen met andere scholen, het samenwerkingsverband en andere organisaties, zodat geen leerling tussen wal en schip valt.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 8, vierde lid, WPO: Het bestuur treedt zo nodig in overleg met gemeente,

• jeugdgezondheidszorg, een instantie voor maatschappelijke ondersteuning of een zorgaanbieder.

• Artikel 8, vijfde lid, WPO: Het bestuur stelt ten minste eenmaal in de vier jaar het schoolondersteuningsprofiel vast.

• Artikel 18a WPO: Het bestuur is aangesloten bij een samenwerkingsverband.

• Artikel 10 WPO: Het bestuur moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder ‘zorg dragen voor’ wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat het bestuur en de scholen zicht hebben op de kwaliteit van het onderwijs. Daarbij moet het functioneren van de kwaliteitscyclus centraal staan.

• Artikel 12, derde lid, WPO: Het schoolplan bevat een beschrijving van het personeelsbeleid. Dit personeelsbeleid gaat in elk geval over hoe wordt voldaan aan de eisen van bevoegdheid en onderhoud van bekwaamheid, de bijdrage van het personeel aan het onderwijskundig beleid, het pedagogisch-didactisch handelen, de evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding, bedoeld in artikel 30.

• Artikel 31a, eerste tot en met derde lid, WPO: De school dient leraren een zelfstandige verantwoordelijkheid te geven bij de beoordeling van de onderwijsprestaties van leerlingen en voldoende zeggenschap te geven waar het gaat om het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de school.

• Artikel 32b en artikel 34a, WPO: Het bestuur beschikt bij elk personeelslid waarvoor bekwaamheidseisen gelden over geordende gegevens over de bekwaamheid en het onderhouden daarvan.

SKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

De school evalueert en analyseert systematisch of zij de doelen realiseert en verantwoordt zich daarover. Ze stelt, wanneer nodig, het schoolbeleid bij en betrekt interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

De schoolleiding monitort, evalueert, analyseert en beoordeelt als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de doelen en het beleid worden gerealiseerd en informeert het bestuur daarover. Zij haalt intern en extern actief informatie op om zicht te krijgen op de uitvoering, de resultaten van het onderwijs voor de leerlingen en mogelijke kansen en bedreigingen voor de verdere ontwikkeling van het onderwijs.

Voor een goede overdracht en om zicht te houden op het vervolgsucces van haar leerlingen, onderhoudt de school contact met de scholen/instellingen waar deze naartoe uitstromen. De schoolleiding organiseert tegenspraak. Daarvoor gaat zij actief een dialoog aan met in ieder geval ouders, personeel, de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad ((G)MR) en, wanneer van toepassing, leerlingen, gemeenten en/of (regionale)werkgevers.

De school informeert belanghebbenden minimaal jaarlijks op toegankelijke manier over haar doelen en werkwijze, en over de resultaten die zij heeft behaald.

De schoolleiding analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verwerkt deze wanneer nodig in het (verbeter)beleid, zodat dit bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwijs. Daarnaast gebruikt de school de uitkomsten van de evaluatie om de sturing te verbeteren. Zij maakt daarbij duidelijk welk effect de inbreng van belanghebbenden heeft op het borgen en bijstellen van het schoolbeleid.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 8, eerste lid, WPO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen.

• Artikel 8 WMS: De (G)MR ontvangt tijdig alle inlichtingen van het bestuur die redelijkerwijs nodig zijn om zijn taak te kunnen vervullen en ontvangt in elk geval bepaalde in de wet beschreven informatie.

• Artikel 10 en 12, vierde lid, WPO: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er regelmatig wordt geëvalueerd of deze doelen worden gehaald.

• Artikel 10 WMS: Het bestuur heeft in bepaalde gevallen voorafgaande instemming nodig van de (G)MR voor elk besluit in dat geval, bijvoorbeeld bij verandering van de onderwijskundige doelstellingen van de school.

• Artikel 11 WMS: Het bestuur moet de (G)MR vooraf in de gelegenheid stellen om te adviseren over besluiten bij bepaalde aangelegenheden, bijvoorbeeld bij de vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de school.

• Artikel 12 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het personeelsdeel van de (G)MR bij besluiten bij bepaalde aangelegenheden, bijvoorbeeld bij de vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie.

• Artikel 13, eerste lid, sub a, WPO: De school maakt in de schoolgids duidelijk wat de doelen van het onderwijs zijn en welke resultaten met het onderwijsleerproces worden bereikt.

• Artikel 13, eerste lid, sub o, WPO: In de schoolgids dienen ook de gedane bevindingen ten aanzien van het stelsel van kwaliteitszorg te worden opgenomen en de maatregelen die naar aanleiding daarvan zijn getroffen.

• Artikel 14 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het ouder- en leerlingdeel van de (G)MR over bepaalde besluiten, bijvoorbeeld over de vaststelling van de schoolgids.

• Artikel 167 en 167a, WPO: De bevoegde gezagsorganen van de scholen voeren jaarlijks overleg met elkaar, met organisatie voor kinderopvang en met de gemeente over het voorkomen van segregatie, het bevorderen van integratie en het bestrijden van achterstanden.

Bijlage 5 Waarderingskader vve gemeentelijk niveau

In deze bijlage zijn het waarderingskader en de normering voor de voor- en vroegschoolse educatie (vve) op gemeentelijk niveau opgenomen. Het waarderingskader is deels gebaseerd op specifieke wetgeving. De toelichting op het waarderingskader en de normering is te vinden in paragraaf 9.6.

KWALITEITSGEBIEDEN EN STANDAARDEN

1. Gemeentelijk vve-beleid

1.1

Definitie doelgroepkind

1.2

Bereik

1.3

Toeleiding

1.4

Doorgaande lijn

1.5

Resultaten

1.6

Vve-coördinatie op gemeentelijk niveau

2. Vve-beleidscontext

2.1

Integraal vve-programma

2.2

Ouders

2.3

Externe zorg

2.4

Interne kwaliteitszorg voor- en vroegscholen

2.5

Systematische evaluatie en verbetering van vve op gemeentelijk niveau

3. Vve-condities

3.1

De gemeente heeft geregeld dat de GGD de basiskwaliteit van de voorscholen beoordeelt.

3.2

Er is een gemeentelijk vve-subsidiekader.

1. GEMEENTELIJK VVE-BELEID

1.1 Definitie doelgroepkind

Basiskwaliteit

Bij de bekostiging van vve gaat het Rijk uit van een achterstandsscore. De gemeente kan deze score gebruiken om te bepalen welke peuters tot de doelgroep behoren, maar mag daarvan gemotiveerd afwijken. De doelgroepdefinitie kan dus per gemeente anders zijn. Meestal worden in plaats van of naast het opleidingsniveau van ouders aanvullende criteria benoemd, zoals een taal- en ontwikkelingsachterstand, de thuistaal of de beoordeling door het consultatiebureau of het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG). Een andere invalshoek is dat niet (alleen) de kindkenmerken een rol spelen, maar dat de locatie als criterium geldt (dus: alle kinderen op een voorschool zijn doelgroepkinderen). Steeds meer gemeenten gaan ertoe over om ook de feitelijke ontwikkelingsachterstand bij binnenkomst in het kinderdagverblijf mee te nemen in de doelgroepdefinitie. De gemeente dient helder te verantwoorden welke definitie ze hanteert. Dit kan op basis van een duidelijke analyse van de peuterpopulatie en/of afgeleid van het vve-beleid en de doelstellingen voor vve.

Richting voor eigen ambities

Er zijn geen wettelijke bepalingen dat een gemeente een definitie moet hanteren voor ‘doelgroepkleuter’. Alleen als de gemeente hier expliciet afspraken over heeft gemaakt met schoolbesturen, bijvoorbeeld in het kader van het formuleren van vve-resultaatafspraken, is dit aanleiding om deze doelgroepdefinitie mee te wegen in de waardering Goed. Hierbij kan het gaan om een doelgroepdefinitie die uitsluitend is gebaseerd op de achterstandsscore, maar het kan ook gaan om andere of aanvullende criteria.

Wettelijke vereisten

• In artikel 167, lid 1a, sub 1, WPO is vastgelegd dat de gemeente ten minste jaarlijks overleg voert en zorg draagt voor het maken van afspraken over welke kinderen met een risico op een achterstand in de Nederlandse taal in aanmerking komen voor voorschoolse educatie. Dat doet de gemeente met het oog op een zo groot mogelijke deelname van het aantal kinderen aan voorschoolse educatie.

1.2 Bereik

Basiskwaliteit

Het bereik wordt beoordeeld voor de peuters (dus op de voorscholen), omdat kleuters (vrijwel) allemaal naar de basisschool gaan. Het bereik wordt beoordeeld op basis van aanbod (zijn er voldoende kindplaatsen? = basiskwaliteit) en op basis van het gerealiseerde bereik (hoeveel vve-kindplaatsen worden daadwerkelijk door een doelgroeppeuter bezet? = eigen aspecten van kwaliteit).

De inspectie inventariseert of de gemeente voldoende vve-kindplaatsen heeft gerealiseerd op de voorscholen. Deze aantallen worden specifiek gevraagd aan de gemeente en worden opgenomen in het gemeentelijke vve-rapport.

Aanbod: voldoende kindplaatsen?

De eigen doelgroepdefinitie van de gemeenten is het uitgangspunt voor de beoordeling van het bereik. Het aantal peuters dat de gemeenten op basis van deze definitie als doelgroepkind definieert vormt de basis voor de beoordeling van het aanbod. Aan de gemeente wordt gevraagd of ze ten minste dit aantal kindplaatsen realiseert.

Richting voor eigen ambities

Gerealiseerd bereik?

Het is wenselijk dat de gemeente niet alleen voldoende plaatsen aanbiedt, maar de doelgroeppeuters ook daadwerkelijk bereikt met een vve-aanbod. We waarderen dit door het gerealiseerde bereik in beeld te brengen.

‘Zitten’ er voldoende doelgroepkinderen op een vve-kindplaats?

Het is niet zeker dat een vve-kindplaats door een doelgroepkind wordt bezet, want er kan bijvoorbeeld ook een niet-doelgroepkind op een voorschool zitten. Een belangrijk punt bij het gerealiseerde bereik is of de gemeente voldoende uren voorschoolse educatie bekostigt van een doelgroepkind. De vraag is hier hoeveel van de doelgroepkinderen (volgens de gemeentelijke definitie) vve krijgen, conform de wettelijke basisvoorwaarden die voor vve worden gesteld.

Wettelijke vereisten

• Volgens artikel 166, eerste lid van de WPO moeten gemeenten voldoende aanbod voor vve realiseren (voldoende voorzieningen in aantal en spreidingen, waar kinderen met een risico op een achterstand in de Nederlandse taal kunnen deelnemen aan voorschoolse educatie).

1.3 Toeleiding

Basiskwaliteit

Gemeenten dienen afspraken te maken met betrokken partners (bijvoorbeeld Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG), consultatiebureau, organisaties van kinderdagverblijven) over wie wanneer verantwoordelijk is om ervoor te zorgen dat potentiële doelgroepkinderen worden toegeleid naar een vve-voorziening.

Er kunnen verschillende toeleidingsactiviteiten op initiatief van de gemeente worden uitgevoerd, zoals vanuit consultatiebureau, felicitatiedienst, wijk- en ouderactiviteiten, gerichte mailings en huisbezoeken.

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor een goede toegankelijkheid van de voor- en vroegscholen (praktisch, financieel en geografisch) voor alle potentiële doelgroepkinderen. Daartoe moeten zij ook inzicht hebben in het non-bereik: waar ‘zitten’ de doelgroepkinderen die niet naar een voorschool gaan en waardoor komt het dat zij niet naar een voorschool gaan?

Wettelijke vereisten

• Gemeenten zijn op basis van artikel 167, lid 1a sub 2, WPO verantwoordelijk voor het voeren van overleg en het zorg dragen voor het maken van afspraken over de wijze waarop doelgroepkinderen worden toegeleid naar voorschoolse en vroegschoolse educatie. Dat doen zij met het oog op een zo groot mogelijke deelname van het aantal kinderen aan voorschoolse educatie.

1.4 Doorgaande lijn

Basiskwaliteit

Een soepele doorgaande lijn van voor- naar vroegschool is belangrijk voor succesvolle vve.

Gemeenten dienen minimaal afspraken te hebben gemaakt met houders van kinderopvang en met schoolbesturen over de overdracht van kindgegevens van voor- naar vroegschool, waarbij gegevens over de ontwikkeling van het kind een onderdeel zijn van deze gegevens.

Eigen aspecten van kwaliteit

Daarnaast is het wenselijk dat er een warme overdracht voor zorgkinderen plaatsvindt voor de continuïteit van de zorg. Een warme overdracht houdt in dat er een (telefonisch of mondeling) gesprek is over de bijzonderheden in de ontwikkeling van een kind op de vier ontwikkelingsgebieden. Ook kan een gemeente nadere afspraken maken met de verschillende partners over bijvoorbeeld het gebruik van eenzelfde vve-programma en observatiesysteem.

Gemeenten kunnen de doorgaande lijn nog verder versterken door afspraken te maken over:

• doorstroom van doelgroepkinderen van een voor- naar een vroegschool. Als doelgroepkinderen deelnemen aan vve op een voorschool is het belangrijk dat ze zo veel mogelijk doorstromen naar een school met een vve-aanbod;

• afstemming van het pedagogisch klimaat en het educatief handelen tussen de voor- en vroegschool;

• afstemming van de wijze waarop de ouderparticipatie wordt gestimuleerd op de voor- en vroegschool;

• afstemming van de wijze waarop de zorg en begeleiding zijn ingericht op de voor- en vroegschool.

Wettelijke vereisten

• Gemeenten zijn op basis van artikel 167, lid 1a sub 3, WPO verantwoordelijk voor het voeren van overleg en het zorg dragen voor het maken van afspraken over de organisatie van een doorlopende leerlijn van voorschoolse naar vroegschoolse educatie. Dat doen zij met het oog op een zo groot mogelijke deelname van het aantal kinderen aan voorschoolse educatie.

1.5 Resultaten

Basiskwaliteit

De gemeente maakt met schoolbesturen afspraken over de resultaten van vroegschoolse educatie. Welke resultaten moeten worden behaald, kan per gemeente verschillen. Belangrijk is wel dat de resultaten meetbaar zijn en daadwerkelijk worden gemeten. Dit betekent dat scholen/schoolbesturen concrete gegevens moeten aanleveren (bijvoorbeeld gegevens uit het observatiesysteem of Cito-toetsgegevens) zodat de gemeente (en de inspectie) kan (kunnen) nagaan in hoeverre de gewenste resultaten worden bereikt.

Eigen aspecten van kwaliteit

De kwaliteit van de vroegschoolse educatie is erbij gebaat dat de resultaatafspraken voldoende ambitieus zijn. Dat wil zeggen dat ze erop gericht zijn achterstanden bij kinderen in te lopen, zodat ze zonder of hooguit met een beperkte achterstand aan groep 3 kunnen beginnen. Ook kunnen resultaten worden bepaald voor de voorschoolse educatie. De gemeente heeft dan met de voorschoolse instellingen afgesproken wat de resultaten moeten zijn aan het einde van de voorschoolse periode.

Wettelijke vereisten

• Volgens artikel 167, lid 1b, WPO moet de gemeente met de schoolbesturen afspraken maken over wat de resultaten van vroegschoolse educatie moeten zijn. De gemeente heeft, net als bij de andere afspraken uit artikel 167, WPO, doorzettingsmacht (artikel 168, WPO). Dat wil zeggen dat, als schoolbesturen hier niet meewerken aan het maken van resultaatafspraken, de gemeente dan eenzijdig resultaten kan vaststellen en kan besluiten de werkingssfeer van deze afspraken uit te breiden naar de weigerende partij(en).

1.6 Vve-coördinatie op gemeentelijk niveau

Eigen aspecten van kwaliteit

De gemeenten zijn regievoerder voor vve in hun gemeente. Dit betekent allereerst het formuleren van helder vve-beleid vanuit de gemeente met duidelijke ambities en concrete doelen. Daarnaast vraagt het om voldoende sturing en coördinatie vanuit de gemeente om vve tot stand te brengen en te borgen in de gemeente. Dit kan tot uiting komen door een actieve rol van de verantwoordelijk wethouder en beleidsverantwoordelijken, die vve expliciet op de Lokaal Educatieve Agenda (LEA) zetten. Hierdoor wordt vve een gezamenlijk gedragen beleid, waar schoolbesturen, instellingen voor kinderopvang, Centra voor Jeugd en Gezin, het consultatiebureau en anderen bij betrokken zijn.

Daarnaast gaat het hier ook om de coördinatie van de uitvoering. Sommige gemeenten stellen specifiek een (interne of externe) vve-coördinator aan, die zorg draagt voor de uitrol van vve, de scholing, de doorgaande lijn, de evaluatie, enzovoorts.

2. VVE-BELEIDSCONTEXT

2.1 Integraal vve-programma

Eigen aspecten van kwaliteit

Gemeenten dienen ervoor te zorgen dat voorscholen gebruikmaken van een integraal programma dat voldoet aan artikel 5 van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie. Dat betekent dat het gaat om een programma waarmee de ontwikkeling van peuters op de vier ontwikkelingsgebieden (taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotioneel) wordt gestimuleerd. De gemeente kan dit in de subsidievoorwaarden vastleggen of hierover afzonderlijke afspraken maken met de instellingen en deze vastleggen.

Sommige gemeenten maken afspraken over het werken met een integraal vve-programma dat door Sardes of het Nederlands Jeugdinstituut is beoordeeld. Deze programma’s voldoen over het algemeen aan artikel 5 van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie. Zie hiervoor www.nji.nl.

Gemeenten kunnen ook de algemene afspraak maken dat er moet worden gewerkt met een programma dat voldoet aan artikel 5. Als voorscholen niet werken met een integraal vve-programma, moeten ze wel kunnen aantonen dat het aanbod voldoet aan de eisen uit artikel 5 van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie. Dit kan betekenen dat verschillende programma’s worden ingezet voor de afzonderlijke ontwikkelingsgebieden, of dat wordt gewerkt met thema’s die door de locaties zelf volgens beredeneerde leerlijnen en met tussendoelen worden aangeboden.

Gemeenten dienen bovendien afspraken te maken over het gebruik van een observatiesysteem in de voorscholen voor het volgen van de brede ontwikkeling van peuters. Sommige gemeenten maken afspraken met zowel de voor- als de vroegscholen over het gebruik van hetzelfde integrale vve-programma en observatiesysteem om de doorgaande lijn te bevorderen. Gemeenten kunnen naast het werken met een integraal vve-programma ook afspraken maken over het gebruik van aanvullende vve-programma’s, of versterkende (taal)programma’s op basis van een analyse van de peuterpopulatie.

2.2 Ouders

Eigen aspecten van kwaliteit

Het is van belang dat een gemeente actieve participatie van ouders van doelgroeppeuters inzet als instrument om achterstanden van peuters te voorkomen of te verminderen. Hiervoor is het belangrijk dat de gemeente concreet beleid ontwikkelt waarin is aangegeven welke doelen de gemeente nastreeft op het gebied van ouderparticipatie, op welke wijze de gemeente deze doelen wil verwezenlijken (inclusief financiering/subsidiëring), welke instellingen hierbij betrokken zijn en welke concrete resultaten de gemeente verwacht te behalen, om na te gaan of de doelen behaald zijn.

Voor het inzetten van effectief beleid is het wenselijk dat de gemeente een heldere analyse heeft van de ouderpopulatie die zij wil bereiken met haar beleid. Het gaat hier expliciet om gemeentelijk beleid. Ouderactiviteiten die door een gemeente worden geïnitieerd, kunnen onderdeel uitmaken van het beleid en op die manier de doelen van dat beleid realiseren.

2.3 Externe zorg

Eigen aspecten van kwaliteit

Gemeenten zijn, in het kader van integraal jeugdbeleid, verantwoordelijk voor een sluitend netwerk van zorgverleners, zodat kinderen op effectieve en efficiënte wijze de zorg en ondersteuning krijgen die ze nodig hebben om zich optimaal te kunnen ontwikkelen. Veel gemeenten stellen hiervoor netwerken, platforms, zorgadviesteams (ZAT’s) en dergelijke in, vaak onder aanvoering van het Centrum voor Jeugd en Gezin. Voor vve is het van belang dat de gemeente een dergelijke zorgstructuur ook in het leven heeft geroepen voor peuters, zodat voorscholen en ouders van peuters hier gebruik van kunnen maken als dit nodig is.

Bij een dergelijke externe zorgstructuur is het belangrijk dat duidelijk is wie waar verantwoordelijk voor is en dat de regiefunctie ergens belegd is (bijvoorbeeld een casemanager). Dit om te voorkomen dat een kind of een gezin door meerdere instellingen wordt geholpen zonder dat de instellingen dit van elkaar weten. Ook is het van belang dat er heldere procedures zijn vastgelegd voor het aanmelden van een zorgkind, dat de zorg tijdig geleverd kan worden (geen wachtlijsten) en dat er vanuit de zorginstelling een terugkoppeling is naar de voorschool, zodat deze met haar activiteiten kan aansluiten bij de zorg die extern wordt geboden.

2.4 Interne kwaliteitszorg voor- en vroegscholen

Eigen aspecten van kwaliteit

Effecten van vve zijn mede afhankelijk van de kwaliteit van de vve die wordt geleverd door de voorscholen. Het gaat dan om de pedagogische en educatieve vaardigheden van de pedagogisch medewerkers, de wijze waarop het vve-programma wordt gebruikt, de zorg en begeleiding die aan peuters wordt geboden, de inrichting van de ruimtes, enzovoorts.

Van vve-instellingen wordt verwacht dat ze deze kwaliteit regelmatig evalueren, verbeteren en borgen. Gemeenten kunnen met vve-instellingen afspraken maken over de wijze waarop ze dit doen en hoe ze zich over deze kwaliteit verantwoorden aan de gemeente. Sommige gemeenten geven bijvoorbeeld in hun subsidievoorwaarden aan dat de vve-instellingen een jaarverslag leveren, waarin ze zich verantwoorden over de geleverde kwaliteit. Sommige gemeenten geven zelfs aan dat de voor- en vroegscholen ook op inhoudelijke aspecten, zoals leidstervaardigheden, aan bepaalde normen moeten voldoen.

2.5 Systematische evaluatie en verbetering van vve op gemeentelijk niveau

Eigen aspecten van kwaliteit

De gemeente kan het eigen vve-beleid, de afspraken, de uitvoering en de resultaten regelmatig (jaarlijks) evalueren. Deze jaarlijkse evaluatie kan worden vastgelegd en kan leiden tot conclusies voor verbeteringen of aanpassingen van het beleid.

Sommige gemeenten zetten een monitor in om het vve-beleid, het bereik en de resultaten jaarlijks in kaart te brengen. Dit kan een monitor zijn van de eigen onderzoeksafdeling. Sommige gemeenten kiezen echter voor het inzetten van een onafhankelijk extern bureau.

3. VVE-CONDITIES

3.1 De gemeente heeft geregeld dat de GGD de basiskwaliteit van de voorscholen beoordeelt

Basiskwaliteit

Deze standaard heeft betrekking op het voldoen aan de basiskwaliteit volgens de Wet op de kinderopvang (artikel 1.50 en 2.6) en de basiskwaliteit voorschoolse educatie (artikel 1.50b en 2.8 Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wkkp) en het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie.)

De GGD toetst zowel de algemene basiskwaliteit (zoals veiligheid en gezondheid) als de basiskwaliteit van de voorschoolse educatie: hoeveel tijd per week, groepsgrootte en dubbele bezetting, opleidings- en scholingseisen van de vve-beroepskrachten en gebruik van voorschools educatieprogramma. Sinds 2013 moet de GGD jaarlijks van elke voorschool (psz/kdv) de basiskwaliteit en de kwaliteit voorschoolse educatie (het 1e domein) toetsen. Dit legt de GGD jaarlijks vast in een rapport.

Sinds 2008 voert de Inspectie van het Onderwijs het interbestuurlijk toezicht uit op de kwaliteit van de kinderopvang. Doel daarvan is om de prestaties van het eerstelijnstoezicht door gemeenten verder te bevorderen en daarmee de kwaliteit in de kinderopvang op hoog niveau te brengen en/of te houden.

Wettelijke vereisten

• Het toezicht voor deze standaard is gebaseerd op artikel 1.63 van de Wet kinderopvang. Daarin zijn de taken van de toezichthouder vastgelegd.

3.2 Er is een gemeentelijk vve-subsidiekader

Eigen aspecten van kwaliteit

Gemeenten maken over het algemeen gebruik van een subsidiekader of beschikking om te garanderen dat de verstrekte subsidies op de juiste wijze worden gebruikt. In het kader van vve is het bijvoorbeeld van belang dat de voorscholen voldoen aan de basisvoorwaarden zoals aangegeven in het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie. Deze basisvoorwaarden worden ook jaarlijks door de GGD getoetst. In een subsidiebeschikking kan een gemeente er daarom voor kiezen om aan te geven dat de voorscholen aan deze voorwaarden moeten voldoen en dat de GGD dit zal toetsen. Daarnaast gebruiken gemeenten een subsidiekader voor aanvullende voorwaarden, zoals ouderbetrokkenheid, doorgaande lijn of warme overdracht. Hiermee kan de gemeente sturen op het vergroten van de kwaliteit van vve. Door deze subsidievoorwaarden op te nemen in het subsidiekader heeft de gemeente greep op de besteding van de subsidiegelden.

Bijlage 6 Waarderingskader voorschoolse educatie

In deze bijlage zijn het waarderingskader en de normering voor de voorschoolse educatie opgenomen. De toelichting op de aanpassing van het waarderingskader en de normering is te vinden in paragraaf 9.6.

KWALITEITSGEBIEDEN EN STANDAARDEN

OP. Ontwikkelingsproces

OP1

Aanbod

OP2

Zicht op ontwikkeling

OP3

Pedagogisch-educatief handelen

OP4

(Extra) ondersteuning

OP6

Samenwerking

OR. Ontwikkelingsresultaten voorschoolse educatie

OR1

Ontwikkelingsresultaten

KA. Kwaliteitszorg en ambitie

KA1

Kwaliteitszorg

KA2

Kwaliteitscultuur

KA3

Verantwoording en dialoog

ONTWIKKELINGSPROCES (OP)

OP1. Aanbod

Het aanbod bereidt de peuters voor op de basisschool.

Eigen aspecten van kwaliteit

• Biedt de voorschool een integraal aanbod dat aansluit bij het (beoogde) niveau van alle peuters?

• Sluit het aanbod aan op het niveau van de peuters bij binnenkomst van de voorschool?

• Wordt het aanbod afgestemd op de behoeften die kenmerkend zijn voor de kindpopulatie?

• Bereidt het aanbod hen voor op het aanbod bij de start van de basisschool?

• Verdelen de pedagogisch medewerkers het aanbod evenwichtig en in samenhang over de peuterperiode?

• Werken de pedagogisch medewerkers doelgericht aan de uitvoering van het aanbod?

• Gebruiken de pedagogisch medewerkers in de groep spel- en leermaterialen die afgestemd zijn op de ontwikkelingsfase van de peuters?

• Richten de pedagogisch medewerkers de groepsruimten of de speel- en leeromgeving aantrekkelijk en uitdagend in, waarbij zij rekening houden met de ontwikkelingsfase van de peuters?

OP2. Zicht op ontwikkeling

De voorschool volgt de ontwikkeling van haar peuters zodanig dat zij een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen.

Eigen aspecten van kwaliteit

• Verzamelt de voorschool vanaf binnenkomst systematisch informatie over de kennis en vaardigheden van haar peuters op de verschillende ontwikkelingsgebieden, en benut de voorschool daarbij ook de informatie van ouders?

• Vergelijken pedagogisch medewerkers deze informatie met de verwachte ontwikkeling?

• Worden deze signalering en analyses gebruikt om de voorschoolse educatie af te stemmen op de behoeften van zowel groepjes als individuele peuters?

• Gaat de voorschool na waar de ontwikkeling stagneert en wat mogelijke verklaringen zijn als peuters niet genoeg lijken te profiteren van de educatie?

• Gaat de voorschool na wat nodig is om eventuele achterstanden bij peuters te verhelpen en wat de rol van ouders daarbij kan zijn?

• Gebeurt dit ten minste met een gestandaardiseerd observatie-instrument dat het mogelijk maakt om vroegtijdig (achterstanden) te signaleren op de verschillende ontwikkelingsgebieden?

• Gebruikt de voorschool deze observatiegegevens in een cyclisch proces van doelen stellen, passende educatie bieden aan peuters, evalueren en bijstellen van doelen en het educatieve aanbod?

• Bespreken de pedagogisch medewerkers de bevindingen op vaste momenten in het jaar met ouders?

• Herkennen pedagogisch medewerkers tijdig talenten en zijn zij bereid en in staat om passende programma’s en trajecten uit te voeren voor individuele of groepjes peuters?

OP3. Pedagogisch-educatief handelen

Het pedagogisch-educatief handelen van de pedagogisch medewerkers stelt peuters in staat tot spelend leren en ontwikkelen.

• Eigen aspecten van kwaliteit

• Plannen en structureren de pedagogisch medewerkers hun handelen met behulp van informatie die zij over peuters hebben?

• Zorgen de pedagogisch medewerkers ervoor dat het niveau van hun aanbod past bij het beoogde eindniveau van peuters (als groep en individueel)?

• Werken de pedagogisch medewerkers opbrengstgericht en concretiseren zij dat door doelen voor hun peuters te stellen die aansluiten op de zone van naaste ontwikkeling?

• Verdelen de pedagogisch medewerkers de activiteiten evenwichtig over de dag/het dagdeel?

• Voert de voorschool actief beleid om alle peuters de voor hen bedoelde activiteiten te laten bijwonen?

• Maakt het pedagogisch klimaat het spelend leren mogelijk? Zijn de peuters actief en betrokken?

• Zijn er duidelijke regels en is er een voorspelbaar en betrouwbaar positief klimaat waarin afspraken worden nagekomen?

• Structureren de pedagogisch medewerkers met geschikte opdrachten en heldere uitleg vrij spel en begeleid spel, en het aanbod zo dat de peuter het zich eigen kan maken?

• Stimuleren de pedagogisch medewerkers de actieve betrokkenheid van de peuters en verrijken zij het spelend leren?

• Leren de pedagogisch medewerkers peuters sociale vaardigheden aan en tonen ze voorbeeldgedrag?

• Gaan peuters, pedagogisch medewerkers, leiding en overig personeel respectvol en betrokken met elkaar om?

• Weten de pedagogisch medewerkers de geplande tijd voor voorschoolse educatie effectief te benutten door een efficiënte werkwijze in de groep?

• Stemmen de pedagogisch medewerkers de instructies en spelbegeleiding, opdrachten en tijd af op de behoeften van groepjes en individuele peuters?

• Is de afstemming zowel op ondersteuning als uitdaging gericht, afhankelijk van de behoeften van peuters? Is het voorschoolklimaat naast ondersteunend ook stimulerend?

• Stimuleren de pedagogisch medewerkers een brede ontwikkeling bij hun peuters?

• Gebruiken de pedagogisch medewerkers bij de instructies en opdrachten passende educatieve principes en werkvormen?

• Stimuleren de pedagogisch medewerkers peuters tot interactie, zowel interactie tussen de pedagogisch medewerker en de peuters als interactie tussen peuters onderling?

• Gaan de pedagogisch medewerkers actief na of peuters de opdrachten begrijpen en of de pedagogisch medewerkers daarmee hun doelen hebben gehaald?

• Geven de pedagogisch medewerkers de peuters inhoudelijk feedback op hun speel- en leerproces?

OP4. (Extra) ondersteuning

Peuters die dat nodig hebben ontvangen extra aanbod, ondersteuning en begeleiding.

Eigen aspecten van kwaliteit

• Zorgt de voorschool voor (doorverwijzing naar en aanmelding bij) externe zorg als zij zelf de gewenste zorg niet kan leveren?

• Stelt de voorschool zelf ook een passend aanbod samen voor peuters die structureel een extra aanbod krijgen door een externe instantie, binnen of buiten de groep, dat is gebaseerd op de mogelijkheden van de desbetreffende peuter?

• Evalueert de voorschool regelmatig zelf, en/of met externe partners en altijd met ouders of de extra ondersteuning en begeleiding van de (individuele) peuters het gewenste effect heeft, en stelt de voorschool de interventies zo nodig bij?

OP6. Samenwerking

De voorschool werkt samen met relevante partners.

Eigen aspecten van kwaliteit

• Werkt de voorschool samen met basisscholen, voorgaande voorscholen, ouders en andere ketenpartners door informatie over doelgroeppeuters uit te wisselen en de voorschoolse educatie in een doorgaande leerlijn te realiseren? Geeft de voorschool daarbij in ieder geval door welk vve-programma de peuter heeft gevolgd en hoe lang dit gevolgd is? En zijn er afspraken over de wijze waarop de voorschool de gegevens van de peuters aanlevert aan de basisschool (artikel 167, lid 3, WPO)?

• Informeert de voorschool gedurende de voorschoolperiode, aan het einde en bij tussentijds vertrek van peuters de ouders en zo nodig de basisschool, over de ontwikkeling van de peuters (zie ook standaard OP2)?

• Ziet de voorschool ouders als partner in het stimuleren van de ontwikkeling van hun kinderen en stemt de voorschool haar ouderbeleid daarop af?

• Werkt de voorschool samen met partners in de zorg voor peuters met een extra ondersteuningsbehoefte (zie standaard OP4)?

• Zorgen de voorschool en de bijbehorende basisschool voor een doorgaande leerlijn van voor- naar vroegschoolse educatie? Is er een doorgaande lijn in het aanbod, de zorg en begeleiding, het ouderbeleid en de kwaliteitszorg rondom het jonge kind?

ONTWIKKELINGSRESULTATEN (OR)

OR1. Ontwikkelingsresultaten

De voorschool behaalt met haar peuters resultaten voor taal en rekenen die ten minste in overeenstemming zijn met de gestelde doelen. De voorschool gaat na of de peuters goed zijn toegerust voor de basisschool. De peuters behalen daarnaast sociale competenties en motorische vaardigheden op het niveau dat ten minste in overeenstemming is met de gestelde doelen.

Eigen aspecten van kwaliteit

• Heeft de voorschool hoge verwachtingen over de voortgang in de ontwikkeling die de peuters kunnen bereiken aan het einde van de voorschoolse periode?

• Stelt de voorschool eigen doelen op de verschillende ontwikkelingsgebieden die passen bij de kenmerken van de kindpopulatie?

• Evalueert de voorschool of deze eigen doelen worden gerealiseerd, zodat de peuters de voorschool verlaten met kennis en vaardigheden die passen bij de kenmerken van de kindpopulatie?

• Betrekt de voorschool daarbij de ontwikkelingsgroei van de kinderen?

• Voert de voorschool interne en externe gesprekken over de ontwikkelingen van de peuters in relatie tot de doelen, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van deze jonge leeftijdsgroep?

KWALITEITSZORG EN AMBITIE (KA)

KA1. Kwaliteitszorg

De voorschool heeft vanuit haar maatschappelijke opdracht doelen geformuleerd. Zij evalueert regelmatig en systematisch de realisatie van de doelen en verbetert op basis daarvan de voorschoolse educatie.

Eigen aspecten van kwaliteit

Houder:

• Heeft de houder in zijn (pedagogisch) beleidsplan samen met de voorschool/voorscholen de eigen opdrachten voor de voorschoolse educatie op de voorschool/voorscholen omschreven?

• Heeft de houder ook aangegeven hoe hij de kwaliteit bewaakt en omvat dit de voortgang van de ontwikkeling van peuters en de afstemming van de voorschoolse educatie op de ontwikkeling van peuters?

Voorschool:

• Heeft de voorschool ambitieuze doelen voor zichzelf geformuleerd die passen bij haar maatschappelijke opdracht?

• Evalueert de voorschool via een cyclisch werkend systeem van kwaliteitszorg alle doelstellingen uit haar (pedagogisch) beleidsplan? En kijkt zij of kinderen voldoende worden voorbereid op de basisschool? Omvat de kwaliteitszorg daarnaast ook objectieve evaluaties over het aanbod, het educatief handelen, de ouderbetrokkenheid, het zicht op ontwikkeling en de ontwikkelingsresultaten van peuters?

• Betrekt de voorschool hierbij ook de tevredenheid en feedback van haar belanghebbenden?

• Neemt de voorschool op basis van deze evaluaties planmatig en doelgericht maatregelen ter verbetering?

KA2. Kwaliteitscultuur

De voorschool heeft een heldere structuur, kent een professionele kwaliteitscultuur en functioneert transparant en integer.

Eigen aspecten van kwaliteit

• Werken de leiding en de pedagogisch medewerkers gezamenlijk aan een voortdurende verbetering van hun professionaliteit?

• Is het beleid van de voorschool om haar visie op de kwaliteit van voorschoolse educatie en ambities te realiseren breed gedragen?

• Is er een grote bereidheid om gezamenlijk de voorschoolse educatie te verbeteren?

• Vertoont de leiding leiderschap en kwaliteitsbewustzijn?

• Werken pedagogisch medewerkers en andere betrokkenen bij de educatie resultaatgericht, zijn zij aanspreekbaar op gemaakte afspraken en zijn zij zich bewust van de effecten van hun handelen op de kwaliteit en op de ontwikkeling van de peuters?

• Werkt de voorschool vanuit een transparante en integere cultuur waarin sprake is van zichtbaar zorgvuldig handelen en ervaren externe belanghebbenden dit ook zo?

• Wordt er gehandeld vanuit een duidelijke verantwoordelijkheidsverdeling?

KA3. Verantwoording en dialoog

De voorschool legt intern en extern toegankelijk en betrouwbaar verantwoording af over ambities, doelen en resultaten en voert daarover actief een dialoog.

Eigen aspecten van kwaliteit

• Verantwoordt de voorschool zich (via de houder) aan de gemeente over het gevoerde beleid ten aanzien van voorschoolse educatie?

• Betrekt de voorschool interne en externe belanghebbenden bij de ontwikkeling van haar beleid?

• Bespreekt zij regelmatig haar ambities en welke resultaten ze behaalt?

• Stimuleert de voorschool deze partijen om betrokkenheid en inzet te tonen bij het realiseren van haar ambities en doelen?

• Staat de voorschool open voor wensen en voorstellen van interne en externe belanghebbenden en neemt zij deze aantoonbaar serieus?

Bijlage 7 Waarderingskader primair onderwijs Caribisch Nederland

In deze bijlage is het waarderingskader voor het primair onderwijs op Caribisch Nederland opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.7.

KWALITEITSGEBIED BESTURING, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (BKA)

BKA1. Visie, ambities en doelen

Het bestuur heeft een visie op kwaliteit, heeft hiervoor ambities en doelen opgesteld en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

Het bestuur heeft een visie op goed onderwijs en op de besturing daarvan. De visie is concreet en passend vertaald naar ambities, doelen en daarmee samenhangend beleid. Deze vertaling maakt sturing mogelijk op de kwaliteit en resultaten van het onderwijs en de voorwaarden. Daartoe is een stelsel van kwaliteitszorg ingericht dat het bestuur in staat stelt de basiskwaliteit van het onderwijs te waarborgen.

De doelen betreffen in elk geval de naleving van wettelijke eisen, waaronder de wettelijke vereisten voor het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces en de manier van toetsen. De visie, ambities en doelen omvatten uitwerkingen van eerdere evaluatieresultaten en resultaten van interne en externe dialoog.

Het bestuur zorgt er met betrokkenheid van de scholen voor dat de visie, ambities, doelen en het beleid sturend zijn voor de verbetering van het onderwijs aan leerlingen. Scholen formuleren op hun beurt doelen die aansluiten bij wat leerlingen nodig hebben met het oog op hun doorgaande onderwijsloopbaan.

Het bestuur richt de voorwaarden in om de doelen te bereiken, waaronder de inzet en het beheer van de (financiële) middelen voor het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijsproces, het schoolklimaat en de resultaten. Het bestuur heeft daartoe een meerjarenbegroting waarin de relatie met het beleid en de doelen duidelijk zijn toegelicht. Er is voor de sturing op (financiële) kwaliteit een functionerende verantwoordelijkheidsverdeling tussen de interne toezichthouder, het bestuur en de scholen afgesproken, op basis van de geldende wet- en regelgeving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 3, achtste lid, RJO BES: Het bestuur zorgt voor een continuïteitsparagraaf in de jaarverslaggeving.

• Artikel 10, eerste lid, WPO BES: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen.

• Artikel 13 WPO BES, jo. artikel 15 WPO BES: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg.

• Artikel 15, eerste, tweede en derde lid, WPO BES: Het bestuur zorgt ervoor dat alle scholen een schoolplan hebben. Het schoolplan omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg. Bij de beschrijving van het onderwijskundig beleid wordt het schoolondersteuningsprofiel betrokken. Dit bevat een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven.

• Artikel 25, eerste lid sub c, WPO BES: De interne toezichthouder ziet erop toe dat het bestuur de middelen rechtmatig verwerft en doelmatig en rechtmatig besteedt en aanwendt.

• Artikel 31, achtste lid, WPO BES: Het bestuur stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van de verschillende categorieën personeel van de scholen.

• Artikel 33 WPO BES: Het bestuur stelt een managementstatuut vast waaruit de verantwoordelijkheidsverdeling in de aansturing van de school blijkt.

• Artikel 119 en artikel 135, WPO BES [jo. AmvB], en artikel 23, Besluit bekostiging WPO BES: Het bestuur moet de rijksbekostiging rechtmatig aanwenden en moet evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen voorkomen.

• Artikel 131, eerste lid, WPO BES, en artikel 3, achtste lid, RJO BES en artikel 2, Besluit informatievoorziening WPO BES: Het bestuur maakt jaarlijks een jaarverslag waarin de resultaten van het financieel beleid staan.

• RJO BES, jo. artikel 131, WPO BES: De wijze waarop door het bestuur verslag wordt gedaan van het financieel beheer gebeurt overeenkomstig de daarvoor in de RJO BES gestelde regels.

BKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

Het bestuur realiseert samen met de scholen de doelen voor kwaliteit, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

Het bestuur geeft als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg met de scholen uitvoering aan de visie en de doelen voor onderwijskwaliteit. Aan de transparante, integere kwaliteitscultuur is zichtbaar dat deze bijdraagt aan de gestelde doelen.

Het bestuur bevordert een op samenwerken, leren en verbeteren gerichte kwaliteitscultuur, zodat de doelen en ambities gerealiseerd kunnen worden. Het bestuur zorgt ervoor dat het onderwijskundig leiderschap op alle niveaus herkenbaar verankerd is in de organisatie. Ook bevordert het bestuur dat de schoolleiding en teams gezamenlijk werken aan hun professionaliteit in relatie tot de bekwaamheidseisen en aan een verbetercultuur.

Binnen de kwaliteitscultuur geeft het bestuur uitvoering aan kwaliteitszorg gericht op de kwaliteit van het onderwijs, de afspraken uit het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband passend onderwijs en de naleving van wettelijke voorschriften. Het bestuur bewaakt en bevordert dat de uitvoering in overeenstemming is met het beleid, zodat de doelen worden bereikt. Het bestuur houdt zicht op de uitvoering van het beleid en op de nagestreefde verbeteringen en stuurt daarop, zo nodig, tussentijds bij.

De beschikbare (financiële) middelen dragen bij aan de realisatie van de door het bestuur gestelde doelen en worden doelmatig en rechtmatig aangewend. Als onderdeel van zijn taak ziet de interne toezichthouder daarop toe. Het bestuur voorkomt evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen. Daarnaast stuurt het bestuur op effectief financieel beheer, zodat de continuïteit van het onderwijs gewaarborgd is en bekostiging rechtmatig verkregen wordt.

Het interne toezicht geeft voorts onafhankelijk en deugdelijk invulling aan zijn taak en wordt daarin gefaciliteerd door het uitvoerend deel van het bestuur. Het bestuur zorgt voor goed functionerende medezeggenschap en opereert volgens een code Goed Bestuur of legt in het jaarverslag1 uit als het daar eventueel van afwijkt en waarom dat het geval is. Als laatste zorgt het bestuur voor een doeltreffende verwerking van interne en externe signalen en klachten.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 3, achtste lid, RJO BES: Het bestuur zorgt voor een continuïteitsparagraaf in de jaarverslaggeving.

• Artikel 13 en artikel 15, vierde lid, WPO BES: Bestuur en schoolleiding zorgen ervoor dat de wet wordt nageleefd en dat er indien nodig verbetermaatregelen komen voor de kwaliteit. Dat houdt onder andere in dat het bestuur en de scholen zicht hebben op de kwaliteit van het onderwijs. Daarbij moet het functioneren van de kwaliteitscyclus centraal staan.

• Artikel 15, eerste en derde lid, en artikel 36, WPO BES: Het bestuur zorgt voor bevoegd personeel en maakt het onderhouden en uitbreiden van de bekwaamheid mogelijk.

• Artikelen 16, eerste lid, sub f, jo. artikel 17, WPO BES: Het bestuur communiceert daarover in de schoolgids(en).

• Artikel 17 WPO BES: Het bestuur heeft een klachtenregeling die leidt tot een deugdelijke klachtbehandeling waarbij voldaan wordt aan de specifieke vereisten die dit artikel noemt.

• Artikel 23 WPO BES: Het bestuur draagt zorg voor een goed bestuurde school met een scheiding tussen het uitvoerend deel van het bestuur en het toezicht en met een rechtmatig bestuur en beheer.

• Artikel 24, tweede lid, WPO BES: De interne toezichthouder (of lid daarvan) functioneert onafhankelijk van het uitvoerend deel van het bestuur.

• Artikel 25, eerste lid en eerste lid, artikel 131, WPO BES: De interne toezichthouder houdt toezicht op de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden door het uitvoerend deel van het bestuur, staat het uitvoerend deel van het bestuur met raad terzijde en heeft ten minste bepaalde taken.

• Artikel 119 en artikel 135, WPO BES [jo. AmvB], en artikel 23, Besluit bekostiging WPO BES: Het bestuur moet de rijksbekostiging rechtmatig aanwenden en moet evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen voorkomen.

• Artikel 119a WPO BES: Het bestuur beheert de middelen van de school op zodanige wijze dat het voortbestaan van de school is verzekerd.

• Artikel 131, eerste lid, WPO BES: Het bestuur dient een code Goed Bestuur te hanteren en verantwoordt zich over eventuele afwijkingen in het jaarverslag.

• Artikel 135, vierde lid, WPO BES: Als sprake is van evident ondoelmatige aanwending, kunnen daar financiële gevolgen aan worden verbonden, zoals wijziging van de bekostiging en het terugvorderen van het onverschuldigd betaalde deel van de bekostiging.2

• Artikel 135, vijfde lid, WPO BES [jo. AMvB]: Bij of krachtens AMvB worden nadere regels gesteld over de wijze waarop wordt vastgesteld dat sprake is van evident ondoelmatige aanwending van de bekostiging.

BKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

Het bestuur evalueert en analyseert systematisch of het de doelen realiseert en verantwoordt zich hierover. Het stelt wanneer nodig het beleid bij en betrekt daartoe interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

Het bestuur evalueert en beoordeelt als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de ambities, de doelen en het beleid worden gerealiseerd. Op deze manier krijgt het bestuur zicht op de gerealiseerde (financiële) kwaliteit en de resultaten van het onderwijs aan leerlingen. Bij de evaluatie en beoordeling van het beleid en de onderwijskwaliteit haalt het bestuur actief externe informatie op en gebruikt deze informatie bij de evaluatie en beoordeling. Op basis van de evaluatie reageert het bestuur tijdig op mogelijke kansen en bedreigingen, stelt wanneer nodig (verbeter)beleid op en treft passende maatregelen om de kwaliteit van het onderwijs op de scholen te borgen.

Het bestuur legt verantwoording af door middel van accurate, actuele en openbaar toegankelijke informatie over de gerealiseerde kwaliteit. Het brengt minimaal jaarlijks verslag uit aan zijn in- en externe belanghebbenden over zijn doelen en de resultaten van de scholen. De verantwoording in het jaarverslag is betrouwbaar en (de inhoud van) het jaarverslag voldoet aan de wettelijke vereisten.

Het bestuur verantwoordt zich daarbij ten minste over het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces, de wijze van toetsen en het financieel beheer. De reflectie op de uitkomsten van de evaluatie geeft alle lagen van de organisatie, intern toezicht en de medezeggenschap voldoende inzicht in de effectiviteit van de besturing en uitvoering. Het bestuur analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verantwoording. Vervolgens verwerkt het bestuur deze wanneer nodig in de bijstelling van ambities, (verbeter)doelen en beleid of nieuwe ambities, zodat de opbrengst van de dialoog bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwijs en de sturing daarop. Het bestuur organiseert ook de dialoog hierover met interne en externe belanghebbenden, waarbij in elk geval leerlingen, personeel en de interne toezichthouder zijn betrokken. Het bestuur werkt bovendien actief samen met andere partijen aan doelen die het bestuurlijk belang overstijgen en de kernfuncties opdracht raken. Zo komt het bestuur de afspraken uit het eilandelijk zorgplan over passend onderwijs na en verantwoordt zich hierover.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 3, achtste lid, RJO.BES, jo. artikel 131 WVO BES: Het bestuur maakt jaarlijks een jaarverslag waarin naast de resultaten van het financieel beleid ook verantwoording wordt gegeven over toekomstige ontwikkelingen van het onderwijs.

• Artikel 13 en artikel 15, vierde lid, WPO BES: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er regelmatig wordt geëvalueerd of deze doelen worden gehaald.

• Artikel 18 en artikel 19, WPO BES: Aan de school is een (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad verbonden. Het bestuur stelt de medezeggenschapsraad ten minste twee maal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de school met hem te bespreken. Verder komen zij bijeen als daarom gemotiveerd door het bestuur, de vertegenwoordigers van ouders, de vertegenwoordigers van leerlingen of de vertegenwoordigers van personeel wordt verzocht.

• Artikel 131, eerste lid, WPO BES: Het bestuur dient een code Goed Bestuur te hanteren en verantwoordt zich over eventuele afwijkingen in het jaarverslag.

• Artikel 131 WPO BES, en artikel 2, Besluit informatievoorziening WPO BES en artikel 1 RJO BES: Het bestuur informeert jaarlijks interne en externe belanghebbenden over het gevoerde en voorgenomen beleid en de uitkomsten van het gevoerde beleid.

• RJO BES, jo. artikel 131, WPO BES: De wijze waarop door het bestuur verslag wordt gedaan van het financieel beheer gebeurt overeenkomstig de daarvoor in de RJO BES gestelde regels.

• Artikel 131, zevende en achtste lid, WPO BES: Het bestuur maakt het jaarverslag openbaar. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de wijze en het tijdstip waarop openbaarmaking van het jaarverslag plaatsvindt.

X Noot
1

Volgens artikel 1, sub c, RJO: het geheel van verslaggevingsdocumenten bestaande uit de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392, titel 9, boek 2, BW.

X Noot
2

Met het amendement (Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 102, nr. 11) is geregeld dat een bekostigingssanctie alleen kan worden opgelegd aan het bestuur nadat bij AMvB een nadere invulling wordt gegeven aan het begrip ‘evident ondoelmatige besteding’. Zonder deze algemene maatregel van bestuur is handhaving op ‘evident ondoelmatige besteding’ niet mogelijk. Tot de datum van inwerkingtreding van de AMvB richt de inspectie zich op haar stimulerende taak op dit gebied en zal alleen een Onvoldoende worden gegeven als een bestuur niet voldoet aan de op dit moment bij de basiskwaliteit opgenomen elementen.

KWALITEITSGEBIEDEN EN STANDAARDEN PO SCHOOLNIVEAU

OP ONDERWIJSPROCES

OP1

Aanbod

OP2

Zicht op ontwikkeling en begeleiding

OP3

Pedagogisch-didactisch handelen

OP4

Onderwijstijd

OP6

Afsluiting

VS VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT

VS1

Veiligheid

VS2

Schoolklimaat

OR ONDERWIJSRESULTATEN

OR1

Resultaten

OR2

Sociale en maatschappelijke competenties

SKA STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE

SKA1

Visie, ambities en doelen

SKA2

Uitvoering en kwaliteitscultuur

SKA3

Evaluatie, verantwoording en dialoog

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSPROCES (OP)

OP1. Aanbod

Het aanbod bereidt de leerlingen voor op vervolgonderwijs en de samenleving.

Basiskwaliteit

De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs en de samenleving. Zij biedt een breed en op de kerndoelen gebaseerd aanbod dat ook de referentieniveaus voor Nederlandse taal en rekenen omvat. Onder aanbod verstaan we alle lesinhouden, ook die digitaal zijn of online aangeboden worden. Het aanbod van de school is afgestemd op de leerlingenpopulatie en sluit aan bij het (taal)niveau en de onderwijsbehoeften van de leerlingen. Het aanbod wordt waar nodig gedurende de schoolloopbaan verdiept en verbreed, zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. Het aanbod is doelgericht, samenhangend en herkenbaar. Bovendien heeft de school de leerinhouden evenwichtig en in samenhang over de leerjaren verdeeld.

Het aanbod draagt bij aan het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en aan het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die leerlingen in staat stellen deel uit te maken en bij te dragen aan de pluriforme, democratische samenleving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het aanbod en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2 WPO BES: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 10, eerste lid, WPO BES: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 10, tweede en derde lid, WPO BES: De inhouden van het onderwijs richten zich op de emotionele, zintuigelijke, lichamelijke en verstandelijke ontwikkeling en op het ontwikkelen van de creativiteit alsmede op het verwerven van de noodzakelijke kennis op het gebied van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden.

• Artikel 10, derde lid, WPO BES: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 11 WPO BES, jo. Besluit kerndoelen WPO BES: Het onderwijsaanbod voldoet aan de kerndoelen en is – waar mogelijk – in samenhang ingericht.

• Artikel 15, tweede lid, sub a, WPO BES: Het schoolplan bevat de uitwerking van de wettelijke opdrachten voor de uitgangspunten, doelstellingen en inhoud van het onderwijs.

OP2. Zicht op ontwikkeling en begeleiding

De school volgt de ontwikkeling van de leerlingen en biedt waar nodig passende begeleiding en extra ondersteuning.

Basiskwaliteit

De school verzamelt vanaf binnenkomst systematisch informatie over de kennis en vaardigheden van leerlingen op alle voor het onderwijs belangrijke domeinen. Het verzamelen van (toets)informatie gebeurt systematisch en zorgvuldig. Voor het verzamelen en vastleggen van (toets)informatie gebruikt de school een leerling- en onderwijsvolgssysteem.

De school vergelijkt de informatie met de verwachte ontwikkeling van de leerling. Dit maakt het mogelijk om het onderwijs af te stemmen op de onderwijsbehoeften van zowel groepen als individuele leerlingen. Het stelt de school in staat zorg te dragen voor de ontwikkeling en begeleiding van de leerling. De school waarborgt daarmee voor leerlingen de ononderbroken ontwikkeling en voortgang daarin en heeft daarbij oog voor de bevordering van gelijke kansen. De school informeert ouders regelmatig over de ontwikkeling en vorderingen van hun kind.

Wanneer individuele of groepen leerlingen niet genoeg lijken te profiteren van het onderwijs analyseert de school, zo nodig ondersteund door het Expertisecentrum Onderwijszorg, waar de ontwikkeling stagneert en wat mogelijke verklaringen hiervoor zijn. Vervolgens bepaalt zij wat er nodig is om op eventuele achterstanden of voorsprongen in de ontwikkeling van leerlingen in te spelen. De school biedt de begeleiding vervolgens gestructureerd aan.

De leerlingen krijgen daarmee de begeleiding die zij nodig hebben om het onderwijsprogramma beter te kunnen doorlopen. De school besteedt op structurele en herkenbare wijze aandacht aan het bestrijden van (taal)achterstanden.

Wanneer de school de extra ondersteuning voor de leerlingen niet kan bieden, zoekt de school in samenwerking met ouders en zo nodig het Expertisecentrum Onderwijszorg voor passende extra ondersteuning en zo nodig een meer passende onderwijsplek.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor zicht op ontwikkeling en begeleiding en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 10, eerste lid, WPO BES: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen. Het wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen.

• Artikel 10, derde lid, WPO BES: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze. Dat omvat onder meer regelmatig monitoren van de ontwikkeling van burgerschapscompetenties, om het onderwijs af te stemmen op de actuele leerbehoefte van leerlingen.

• Artikel 10, vierde lid, WPO BES: De scholen voorzien in een leerlingvolgsysteem waarin in elk geval de vorderingen van de leerling van de basisvaardigheden worden bijgehouden.

• Artikel 10, vijfde lid, WPO BES: De school biedt individuele begeleiding die is afgestemd op de behoeften van de leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte.

• Artikel 10, achtste lid, WPO BES: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat daarbij op structurele en herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden, in het bijzonder van taalachterstanden.

• Artikel 15, tweede lid, WPO BES: Bij de beschrijving van het onderwijskundig beleid worden ook de voorzieningen betrokken die zijn getroffen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften.

• Artikel 15, vierde lid, sub a, WPO BES: De school heeft de wijze waarop het onderwijs wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen in het schoolplan beschreven.

• Artikel 12 van de Wet register onderwijsdeelnemers, jo. artikel 8, eerste lid, Besluit register onderwijsdeelnemers: Er is een Expertisecentrum Onderwijszorg aangewezen dat onder andere onderwijsondersteunende activiteiten en ambulante begeleiding verzorgt. Het bestuur van de school blijft verantwoordelijk voor de leerling tijdens het verblijf binnen het Expertisecentrum Onderwijszorg.

OP3. Pedagogisch-didactisch handelen

Het pedagogisch-didactisch handelen van de leraren stelt leerlingen in staat om te leren en zich te ontwikkelen.

Basiskwaliteit

De pedagogisch-didactische visie van de school is zichtbaar in het dagelijks handelen van de leraren.

De leraren plannen en structureren hun handelen met behulp van informatie die zij over leerlingen hebben. Zij maken pedagogische en didactische keuzes en stemmen daarbij het niveau van hun onderwijs af op het beoogde eindniveau van leerlingen. De leerstof omvat kennis, vaardigheden en attitudes en wordt in een logische opbouw aangeboden.

De leraren creëren een pedagogisch en didactisch passend en stimulerend leerklimaat, waardoor leerlingen actief en betrokken zijn. Met geschikte opdrachten en heldere uitleg structureren de leraren het onderwijsaanbod zodanig dat de leerlingen zich het leerstofaanbod eigen kunnen maken. Leraren hebben hoge verwachtingen van leerlingen en geven leerlingen feedback op hun leerproces.

De leraren stemmen de instructies, begeleiding, opdrachten en onderwijstijd doelgericht af op de onderwijsbehoeften van groepen en individuele leerlingen, inclusief op de sociale en maatschappelijke competenties. De afstemming is zowel gericht op (pedagogische) ondersteuning als op uitdaging, afhankelijk van de onderwijsbehoeften van leerlingen.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het pedagogisch-didactisch handelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 10, eerste lid, WPO BES: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen. Voor deze ‘ononderbroken ontwikkeling’ is het nodig dat het onderwijs aansluit bij het ontwikkelingsniveau van de leerling.

• Artikel 10, derde lid, WPO BES: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 15, eerste en derde lid, WPO BES: De school heeft haar beleid over het pedagogisch-didactisch handelen in het schoolplan geformuleerd. Het beleid over het pedagogisch-didactisch handelen is zichtbaar in het dagelijks handelen van de leraren.

OP4. Onderwijstijd

De leerlingen krijgen voldoende tijd om zich het aanbod eigen te maken.

Basiskwaliteit

De school biedt een programma aan dat voldoet aan de wettelijk verplichte onderwijstijd. De school stelt vast welke activiteiten onder de onderwijstijd vallen. De school plant de onderwijsactiviteiten weloverwogen over het schooljaar en deze worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van bevoegde leraren.

De school verdeelt de tijd zo over de vakken dat leerlingen in staat zijn het verplichte onderwijsprogramma tot zich te nemen. De school heeft beleid om ongeoorloofd verzuim en voortijdig schoolverlaten van leerlingen tegen te gaan, zodat ook op leerlingniveau gestreefd wordt om de onderwijstijd te behalen.

De school maakt, zo nodig, volgens de wettelijke voorschriften gebruik van de mogelijkheden om, in het belang van de individuele leerling, af te wijken van de verplichte onderwijstijd en/of van de mogelijkheid om een leerling een deel van de onderwijstijd door te laten brengen op een andere school.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de onderwijstijd en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 10, zesde lid, WPO BES: De school verzorgt minimaal het wettelijk verplicht aantal uren onderwijs en zorgt ervoor dat de leerlingen in beginsel binnen acht aaneensluitende schooljaren de school kunnen doorlopen.

• Artikel 16, eerste lid, sub k, WPO BES: De school heeft haar verzuimbeleid opgenomen in de schoolgids.

• Artikel 34, vijfde lid, WPO BES, jo. artikel 3, WPO BES: Leraren die voldoen aan de wettelijke vereisten verzorgen het onderwijs.

OP6. Afsluiting

De afsluiting van het onderwijs verloopt zorgvuldig.

Basiskwaliteit

De school zorgt ervoor dat alle leerlingen goed worden voorbereid op de overgang naar het vervolgonderwijs.

Alle leerlingen krijgen een passend advies voor het vervolgonderwijs. De school hanteert hierbij een zorgvuldige procedure, waaruit blijkt dat zij ernaar streeft leerlingen gelijke kansen te bieden.

Als scholen de eindtoets afnemen, dan betrekken zij de uitslag bij het advies. De leraren nemen de toets conform de voorschriften af.

De school informeert de ouders daarnaast over de informatie over de leerling die aan de ontvangende school wordt verstrekt.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de afsluiting en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 14 WPO BES: De school houdt de ouders op de hoogte van de vorderingen van de leerlingen.

• Artikel 48 WPO BES: Voor iedere leerling die de school verlaat, stelt de school ten behoeve van de nieuwe school een onderwijskundig rapport op.

KWALITEITSGEBIED VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT (VS)

VS1. Veiligheid

De school zorgt voor een veilige omgeving voor leerlingen.

Basiskwaliteit

De school zorgt voor de sociale, fysieke en psychische veiligheid van de leerlingen op school gedurende de schooldag. Een school is veilig als de psychische, sociale en fysieke veiligheid van leerlingen niet door handelingen van anderen wordt aangetast. Dit blijkt onder andere uit de beleving van de veiligheid en het welbevinden van de leerlingen op school. De school monitort dit ten minste jaarlijks met een gestandaardiseerd instrument.

De school heeft een veiligheidsbeleid beschreven dat bestaat uit een samenhangende set van maatregelen. Het beleid is gericht op het voorkomen, afhandelen, registreren en evalueren van incidenten, en de school voert dat beleid ook uit. Als de uitkomsten van de monitoring daartoe aanleiding geven, treft de school maatregelen om de situatie te verbeteren. De school voorkomt zoveel als mogelijk, (digitaal) pesten, agressie en geweld in elke vorm en treedt zo nodig snel en adequaat op. Dat geldt ook bij uitingen die strijdig zijn met basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals discriminatie en onverdraagzaamheid. De school heeft een persoon aangesteld die voor ouders en leerlingen het aanspreekpunt is in geval van pesten en die het beleid tegen pesten coördineert.

Daarnaast komt de school de verplichtingen na rond het melden, overleggen en aangifte doen van zedenmisdrijven.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de veiligheid en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 6 WPO BES: Het bestuur houdt zich aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van het melden, overleggen en aangifte doen in het geval van een (redelijk vermoeden van een) zedenmisdrijf. Het bestuur treedt hierbij onverwijld in contact met de vertrouwensinspecteur.

• Artikel 6a, eerste lid, sub a, WPO BES: Het bestuur heeft beleid ten aanzien van de veiligheid van leerlingen en voert dat ook uit.

• Artikel 6a, eerste lid, sub b, WPO BES: Het bestuur monitort de veiligheid van leerlingen met een instrument dat een representatief en actueel beeld geeft.

• Artikel 6a, eerste lid, sub c, WPO BES: Het bestuur heeft de volgende taken belegd bij een persoon:

– coördinatie van het beleid in het kader van het tegengaan van pesten op school;

– fungeren als aanspreekpunt in het kader van pesten.

• Artikel 6a, tweede lid, WPO BES: Onder veiligheid wordt de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen verstaan.

• Artikel 10, derde lid, WPO BES: Het onderwijs richt zich op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Dat omvat onder meer dat de school actie onderneemt als er onvoldoende sprake is van een cultuur die in overeenstemming is met basiswaarden.

VS2. Schoolklimaat

De school heeft een schoolklimaat dat bijdraagt aan het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties.

Basiskwaliteit

De school bereidt de leerlingen voor op het leven in de maatschappij. Zij creëert daarvoor een oefenplaats die leerlingen ondersteunt bij het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties. In de school doen leerlingen ervaring op met de omgang met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en de pluriforme samenleving. Het bestuur ziet erop toe dat de school zorg draagt voor een schoolklimaat dat in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en bijdraagt aan de bevordering daarvan.

Het personeel van de school is in zijn gedrag een voorbeeld voor de leerlingen: personeelsleden leven de basiswaarden zichtbaar na.

De school stemt aanpak en aanbod af op de leerlingenpopulatie van de school en de leefwereld van de leerlingen. Ook signaleert en corrigeert de school uitingen van leerlingen die met de basiswaarden in strijd zijn.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het schoolklimaat en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 10, derde lid, WPO BES: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze, richt zich onder andere op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden en het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties.

• Artikel 10, lid 3a, WPO BES: Het bestuur draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en creëert een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met deze waarden.

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSRESULTATEN (OR)

OR1. Resultaten

De school behaalt met haar leerlingen leerresultaten die ten minste in overeenstemming zijn met de gestelde streefniveaus.

Beschrijving

De school heeft een goed beeld van de kenmerken van haar leerlingenpopulatie en heeft op basis daarvan ambitieuze streefniveaus vastgesteld voor de resultaten die de leerlingen kunnen bereiken. Daarbij neemt ze de aansluiting op het vervolgonderwijs als uitgangspunt. De school toont aan dat deze ambitieuze streefniveaus behaald worden.

Eisen die samenhangen met (aanvullende) ambities

• Artikel 2 WPO BES: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 10, eerste lid, WPO BES: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen. Voor deze ‘ononderbroken ontwikkeling’ is het nodig dat het onderwijs aansluit bij het ontwikkelingsniveau van de leerling.

• Er is in de huidige WPO BES nog geen sprake van een wettelijke basis voor een oordeel over de te behalen leerresultaten. Deze zal naar verwachting wel in de herziene WPO BES opgenomen worden.

OR2. Sociale en maatschappelijke competenties

De leerlingen behalen sociale en maatschappelijke competenties op het niveau dat ten minste in overeenstemming is met de verwachtingen van het vervolgonderwijs en de maatschappij.

Basiskwaliteit

De school heeft een goed beeld van de kenmerken van haar leerlingenpopulatie en heeft ambitieuze verwachtingen over het niveau dat de leerlingen voor de sociale en maatschappelijke competenties kunnen bereiken. Ze neemt de aansluiting op het vervolgonderwijs en de maatschappij als uitgangspunt voor de competenties voor leerlingen.

De school onderbouwt welke resultaten ze op dit gebied wil bereiken. De school brengt de resultaten op een betrouwbare en inzichtelijke manier in kaart. De school spant zich zichtbaar in om ervoor te zorgen dat leerlingen die de school verlaten daaraan voldoen. Daarmee laat de school zien dat zij haar doelstellingen voor deze competenties behaald heeft.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sociale en maatschappelijke competenties en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2 WPO BES: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 10, tweede lid, WPO BES: De inhouden van het onderwijs richten zich onder andere op het verwerven van de noodzakelijke kennis op het gebied van sociale en culturele vaardigheden.

• Artikel 10, derde lid, WPO BES: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgericht en samenhangeden wijze, richt zich onder andere op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden en het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties.

• Artikel 10, lid 3a, WPO BES: Het bestuur draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en creëert een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met deze waarden.

• Artikel 11 en 12, WPO BES, tweede lid: Bij de kennisgebieden wordt in ieder geval aandacht besteed aan de maatschappelijke verhoudingen

KWALITEITSGEBIED STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (SKA)

SKA1. Visie, ambities en doelen

De school heeft een gedragen visie op goed onderwijs, heeft daarvoor ambities en doelen en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

De school heeft, als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg, een gedragen visie, ambities en doelen gericht op goed onderwijs die ervoor zorgen dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling van leerlingen kunnen doorlopen. De schoolleiding vertaalt haar visie, ambities en doelen in onderwijskundig beleid en stuurt daarop om de beoogde resultaten te behalen. De schoolleiding beschrijft op welke manier ze zorgt voor het realiseren, borgen en verbeteren van de onderwijskwaliteit en hoe ze de naleving van de wettelijke eisen realiseert.

De schoolleiding sluit met haar visie, ambities en doelen aan op die van haar bestuur en op de kenmerken van de leerlingenpopulatie van de school. Dit doet zij onder meer door aan te geven hoe ze rekening houdt met (taal)achterstanden, de wettelijke opdracht tot bevordering van burgerschap en specifieke leerbehoeften om bij te dragen aan gelijke kansen voor alle leerlingen. Resultaten van eerdere evaluaties, interne en externe dialoog zijn zichtbaar in de doelen voor het onderwijskundig beleid.

De schoolleiding richt de voorwaarden in om de onderwijskundige ambities en doelen te bereiken, waaronder het personeelsbeleid en de organisatie van het onderwijs. Daarbij is de interne verantwoordelijkheidsverdeling duidelijk.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 10, achtste lid, WPO BES: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat daarbij op structurele en herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden, in het bijzonder van taalachterstanden.

• Artikel 13 en artikel 15, vierde lid, WPO BES: Het bestuur moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder zorg dragen voor wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er toetsbare doelen zijn geformuleerd.

• Artikel 15, eerste lid, WPO BES: Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school wordt gevoerd, en omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg.

• Artikel 15, tweede lid, WPO BES: De beschrijving van het onderwijskundig beleid omvat in elk geval de inhoud van het onderwijs, de eigen opdrachten voor het onderwijs, het pedagogisch-didactisch klimaat en de veiligheid. Daarbij betrekt de school het schoolondersteuningsprofiel.

• Artikel 15, vierde lid, WPO BES: De school moet door haar stelsel van kwaliteitszorg zorgdragen voor de ononderbroken ontwikkeling van leerlingen en de afstemming van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen. Ook moet worden vastgesteld waar verbetermaatregelen nodig zijn.

• Artikel 27 WPO BES: Het bestuur is verantwoordelijk voor het vaststellen van het eilandelijk zorgplan.

• Artikel 33 WPO BES: Het bestuur stelt een managementstatuut vast waaruit de verantwoordelijkheidsverdeling in de aansturing van de school blijkt.

SKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

De school realiseert de doelen voor goed onderwijs, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

De school realiseert de doelen voor goed onderwijs, die voortkomen uit haar visie en ambities. De schoolleiding zorgt daartoe voor een professionele en veilige leer- en verbetercultuur in de school. Binnen deze kwaliteitscultuur geven schoolleiding en het (bevoegd) onderwijspersoneel samen uitvoering aan het stelsel van kwaliteitszorg, zodat de school als geheel gericht werkt aan het bereiken van de onderwijskundige doelen. Waar nodig stuurt de schoolleiding tussentijds bij.

De schoolleiding zorgt ervoor dat de deskundigheidsbevordering van het personeel binnen de gestelde doelen gestalte krijgt. Leraren(teams) oefenen daarbij de eigen verantwoordelijkheid bij het inrichten van hun onderwijs uit.

De schoolleiding toont in haar sturing onderwijskundig leiderschap en zorgt voor een gerichte inzet van middelen om gestelde doelen te realiseren. Zij werkt samen met het Expertisecentrum Onderwijszorg en met andere scholen en organisaties, zodat geen leerling tussen wal en schip valt.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 13 en artikel 15, vierde lid, WPO BES: Het bestuur moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder ‘zorg dragen voor’ wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat het bestuur en de scholen zicht hebben op de kwaliteit van het onderwijs. Daarbij moet het functioneren van de kwaliteitscyclus centraal staan.

• Artikel 15, derde lid, WPO BES: Het schoolplan bevat een beschrijving van het personeelsbeleid. Dit personeelsbeleid gaat in elk geval over hoe wordt voldaan aan de eisen van bevoegdheid en onderhoud van bekwaamheid, de bijdrage van het personeel aan het onderwijskundig beleid en het pedagogisch-didactisch handelen.

• Artikel 28 WPO BES, jo. artikel 1 WPO BES: Er is een Expertisecentrum Onderwijszorg aangewezen dat onder andere onderwijsondersteunende activiteiten en ambulante begeleiding verzorgt. Het bestuur van de school blijft verantwoordelijk voor de leerling tijdens het verblijf binnen het Expertisecentrum Onderwijszorg.

• Artikel 26 en artikel 28, WPO BES: Het bestuur is voor elk van zijn scholen aangesloten bij een samenwerkingsverband. Dat verband kan bestaan uit een expertisecentrum onderwijszorg om de leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte deskundige ondersteuning te bieden.

• Artikel 36 WPO BES: Het bestuur beschikt bij elk personeelslid waarvoor bekwaamheidseisen gelden, over geordende gegevens over de bekwaamheid en het onderhouden daarvan.

SKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

De school evalueert en analyseert systematisch of zij de doelen realiseert en verantwoordt zich daarover. Ze stelt, wanneer nodig, het schoolbeleid bij en betrekt interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

De schoolleiding monitort, evalueert, analyseert en beoordeelt als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de doelen en het beleid worden gerealiseerd, en informeert het bestuur daarover. Zij haalt intern en extern actief informatie op om zicht te krijgen op de uitvoering, de resultaten van het onderwijs voor de leerlingen en mogelijke kansen en bedreigingen voor de verdere ontwikkeling van het onderwijs.

Voor een goede overdracht en om zicht te houden op het vervolgsucces van haar leerlingen, onderhoudt de school contact met de scholen/instellingen waar deze naartoe uitstromen. De schoolleiding organiseert tegenspraak. Daarvoor gaat zij actief een dialoog aan met in ieder geval ouders, personeel, (gemeenschappelijke) medezeggenschapraad ((G)MR) en wanneer van toepassing leerlingen, gemeenten en/of (regionale)werkgevers.

De school informeert belanghebbenden minimaal jaarlijks op toegankelijke wijze over haar doelen en werkwijze, en over de resultaten die zij behaald heeft.

De schoolleiding analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verwerkt deze wanneer nodig in het (verbeter)beleid, zodat dit bijdraagt aan de ontwikkeling en verbetering van het onderwijs. Daarnaast gebruikt de school de uitkomsten van de evaluatie om de sturing te verbeteren. Zij maakt daarbij duidelijk welk effect de inbreng van belanghebbenden heeft op het borgen en bijstellen van het schoolbeleid.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 10, eerste lid, WPO BES: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen.

• Artikel 13 en artikel 15, vierde lid, WPO BES: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er regelmatig wordt geëvalueerd of deze doelen worden gehaald.

• Artikel 16, eerste lid, sub a en e, WPO BES: De school maakt in de schoolgids duidelijk wat de doelen van het onderwijs zijn en welke resultaten met het onderwijsleerproces worden bereikt, inclusief context daarbij. Ook maakt de school daarin duidelijk wat de bevindingen ten aanzien van het stelsel van kwaliteitszorg zijn, evenals de maatregelen die naar aanleiding daarvan zijn getroffen.

• Artikelen 18 en 19, WPO BES: Aan de school is een (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad verbonden. Het bestuur stelt de medezeggenschapsraad ten minste twee maal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de school met hem te bespreken. Verder komen zij bijeen als daarom gemotiveerd door het bestuur, de vertegenwoordigers van ouders, de vertegenwoordigers van leerlingen of de vertegenwoordigers van personeel wordt verzocht.

BIJLAGE 2 ONDERZOEKSKADER 2021 VOOR HET TOEZICHT OP HET (VOORTGEZET) SPECIAAL ONDERWIJS

Geldig per 1 augustus 2021

Inhoud

Samenvatting

93

1.

Inleiding

95

1.1

Inleiding

95

1.2

Waar houden we toezicht op?

96

1.3

Begripsbepalingen

96

1.4

Niveaus in het toezicht

97

1.5

Werking en evaluatie

97

2.

Visie en uitgangspunten voor het toezicht

98

2.1

Inleiding

98

2.2

Visie

98

2.3

Uitgangspunten voor het toezicht

99

2.3.1

Verbeteren stelselkwaliteit

99

2.3.2

Verantwoordelijkheid bij besturen

99

2.3.3

Waarborgen

100

2.3.4

Stimuleren

100

2.3.5

Proportionaliteit en maatwerk

101

3.

Stelseltoezicht

101

3.1

Inleiding

101

3.2

Stelselkwaliteit en stelseltoezicht

101

3.2.1

Een stelsel van onderwijsvoorzieningen

101

3.2.2

Stelseltoezicht

102

3.3

Raamwerk voor stelselkwaliteit

103

4.

Waardingeringskader besturen

105

4.1

Inleiding

105

4.2

Opbouw van het kader

106

4.3

Kwaliteitsgebied en standaarden

106

5.

Waarderingskader scholen

109

5.1

Inleiding

109

5.2

Opbouw van het kader

109

5.3

Kwaliteitsgebieden en standaarden

110

5.4

Overige wettelijke vereisten

118

6.

Oordelen en waarderen

118

6.1

Inleiding

118

6.2

Stimuleren op stelselniveau

118

6.3

Oordelen en waarderen standaarden bestuur en school

118

6.4

Oordelen en waarderen op bestuursniveau

119

6.5

Oordelen en waarderen op schoolniveau

119

6.5.1

Wettelijke norm zeer zwak onderwijs

120

6.6

Oordeelsvorming

120

6.6.1

Beoordelen naleving deugdelijkheidseisen

120

6.6.2

Waarderen van ambities

120

6.6.3

Omgeving van bestuur en school

120

7.

Werkwijze toezicht

120

7.1

Inleiding

120

7.2

Stelseltoezicht

121

7.2.1

Werkwijze van het stelseltoezicht

121

7.2.2

Monitoring en analyse van ontwikkelingen

121

7.2.3

Agenderen en interveniëren

122

7.3

Toezicht op besturen en scholen

123

7.3.1

Werkwijze toezicht op besturen en scholen

123

7.3.2

Proportionaliteit en maatwerk

123

7.3.3

Jaarlijkse prestatie- en risicoanalyse

124

7.4

Toezichtsactiviteiten bij besturen en scholen

124

7.4.1

Vierjaarlijks onderzoek bestuur en scholen

124

7.4.2

Onderzoeken op schoolniveau

126

7.4.3

Onderzoeken specifiek gericht op financieel beheer

126

7.4.4

Overige toezichtsactiviteiten

127

7.5

Vervolgtoezicht, intensivering en sancties

127

7.5.1

Vervolgtoezicht bij herstelperiode

127

7.5.2

Escaleren

128

8.

Communicatie en rapportage

129

8.1

Inleiding

129

8.2

Communicatie

129

8.3

Rapportage

129

8.3.1

Stelselniveau

129

8.3.2

Bestuursniveau

130

8.3.3

Schoolniveau

130

8.4

Openbaarmaking, zienswijze en bezwaar

131

9.

Specifieke toepassingen van het onderzoekskader

131

9.1

Inleiding

131

9.2

Besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs

132

9.2.1

Inleiding

132

9.2.2

Aanpassingen waarderingskader en normering

132

9.2.3

Werkwijze

133

Bijlage 1

Waarderingskader besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs

133

Samenvatting

Inleiding

Toezicht vereist actualisatie en continue verbetering om effectief te zijn en te blijven. Op basis van evaluaties, ervaringen en actuele ontwikkelingen heeft de Inspectie van het Onderwijs daarom het Onderzoekskader 2017 aangepast.25 Het vernieuwde toezicht dat toen in werking trad, nam de verantwoordelijkheid van besturen voor de kwaliteit van hun scholen en opleidingen als uitgangspunt. Die ontwikkeling zetten we (hiermee wordt in dit document de inspectie bedoeld) door en wordt met dit aangepaste kader verder verstevigd.

In het onderzoekskader is beschreven hoe het toezicht op het onderwijs is ingericht. Het omvat het waarderingskader op grond waarvan we oordelen en waarderen en omschrijft de werkwijze daarvoor.

Visie

Centraal in het toezicht op het onderwijs staan de belangen van de leerlingen en studenten. Het doel is het stelsel zo te laten functioneren dat het voorziet in de bagage die voor leerlingen en studenten nu en in hun verdere onderwijsloopbaan en leven essentieel is. Iedereen heeft recht op onderwijs van voldoende kwaliteit en moet erop kunnen vertrouwen dat het onderwijs op een school op orde is. Onze missie, ‘Effectief toezicht voor beter onderwijs’, sluit daarop aan. In ons toezicht waarborgen we de kwaliteit van het onderwijs en stimuleren we de verbetering ervan.

Onze missie wordt gedragen door vijf uitgangspunten. De uitgangspunten hangen met elkaar samen en borduren op elkaar voort. Met elk uitgangspunt afzonderlijk, maar vooral in die samenhang beoogt het toezicht bij te dragen aan de verbetering van de kwaliteit van het onderwijsstelsel. Daarnaast sluit het toezicht aan bij de verantwoordelijkheid die besturen hebben voor het onderwijs, bewaakt het in aanvulling daarop de basiskwaliteit (waarborgen) en wil het beter onderwijs bevorderen (stimuleren). We bepalen de intensiteit van het toezicht per bestuur (proportionaliteit) en houden bij de uitvoering rekening met de organisatiekenmerken en omstandigheden van het bestuur (maatwerk).

Toezicht op de kwaliteit van het onderwijs richt zich op drie niveaus die voortvloeien uit onze wettelijke opdracht(en): op het stelsel, op besturen en op hun scholen. Hierna wordt per niveau toegelicht hoe het toezicht is ingericht.

Toezicht op het onderwijsstelsel

Toezicht op de kwaliteit van het onderwijs richt zich op de context waarbinnen besturen en hun scholen hun werk doen: we spreken dan over het onderwijsstelsel als geheel. Voor de werking en de kwaliteit van het stelsel beschouwen we onderdelen ervan en de verbanden daartussen. We geven daarmee invulling aan de reflectieve functie van het toezicht: vanwege onze wettelijke taak op stelselniveau reflecteren we op de kwaliteit van het stelsel.

Het stelseltoezicht gaat uit van het belang dat de samenleving als geheel heeft bij het onderwijs: het publieke belang. Als onderdeel daarvan geven we in het toezicht aandacht aan specifieke kansen en bedreigingen, specifieke onderdelen van het stelsel of groepen leerlingen. Als toezichthouder moeten we daarom weten hoe het onderwijs zich ontwikkelt en, als er iets niet goed loopt, de samenleving informeren. De kernfuncties van het onderwijs (kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen) nemen we in ons toezicht als uitgangspunt voor de omschrijving van de kwaliteit van het onderwijsstelsel.

Stelseltoezicht was al onderdeel van het toezicht van de inspectie, maar nieuw is dat we de kwaliteit hebben gedefinieerd in een raamwerk. Dat is geen kader waarmee we een individueel bestuur of een individuele school beoordelen of waarderen, het is een raamwerk om het onderwijs als geheel te beschouwen. Het biedt sturing en focus voor het krijgen van zicht op trends en knelpunten in het stelsel. Op basis daarvan agenderen we de risico’s en interveniëren we, op het niveau van het stelsel, wanneer dat vanuit de stimulerende functie van het toezicht passend of nodig is.

We duiden en waarderen jaarlijks in ‘De Staat van het Onderwijs’ hoe het met de kernfuncties en voorwaarden van het onderwijsstelsel is gesteld. Daarnaast maken we vaak aparte themarapporten.

Toezicht op het bestuur en zijn scholen

Besturen zijn ervoor verantwoordelijk dat het onderwijs op hun scholen van voldoende kwaliteit is en dat het financieel beheer op orde is. Door het aangepaste onderzoekskader worden besturen daarnaast nog nadrukkelijker gestimuleerd om na te denken over hun eigen ambities. Elke vier jaar onderzoekt de inspectie in het ‘Vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en scholen’ de mate waarin het bestuur deze verantwoordelijkheid neemt en of de (be)sturing op de kwaliteit van de scholen op orde is.

We beoordelen de kwaliteit van de besturing in het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie. De kern van het kwaliteitsgebied is dat het bestuur zorgt voor besturing van de onderwijskwaliteit op de scholen en voor een goede organisatie en kwaliteitscultuur. Uit het oordeel op dit kwaliteitsgebied blijkt of het bestuur in staat is om met zijn (be)sturing de kwaliteit en het financieel beheer van het onderwijs op de scholen te waarborgen en verder te ontwikkelen. Wat nieuw is, is dat het financieel beheer integraal onderdeel van de standaarden in dit kwaliteitsgebied is.

Om te onderzoeken in hoeverre de besturing door het bestuur op orde is, ondernemen we onderzoeksactiviteiten op bestuurs- en schoolniveau die we vooraf vastleggen in een onderzoeksplan. Met verificatie-activiteiten toetsen we bij besturen en scholen in hoeverre het bestuur zicht heeft op de kwaliteit van zijn onderwijs, het financieel beheer en hoe het bestuur daarop stuurt. Zo spreken we onder andere met de medezeggenschapsraad of studentenraad en het interne toezicht. Daarnaast voeren we activiteiten op scholen uit, zoals het voeren van gesprekken met leerlingen, ouders en schoolleiders of het afleggen van lesbezoeken. Ook kunnen we een risico-onderzoek of een onderzoek naar de waardering Goed uitvoeren. Het onderzoek leidt tot een oordeel of waardering per standaard. Op basis van de beslisregels beoordelen we de besturing ook op het niveau van het gehele kwaliteitsgebied. Dit laatste is voor sommige sectoren nieuw ten opzichte van 2017. De waardering Goed kunnen we zowel op het niveau van de standaard als op het niveau van het kwaliteitsgebied toekennen als het bestuur niet alleen voldoet aan de deugdelijkheidseisen, maar ook ambities realiseert die daarboven uitstijgen. Het rapport van het onderzoek, inclusief de oordelen en waarderingen, maken we openbaar via onze website.

Afhankelijk van de kwaliteit van de besturing en eventuele tekortkomingen bepalen we het vervolgtoezicht. Er kan gekozen worden om het toezicht te intensiveren of juist minder intensief te laten zijn. Dit vervolgtoezicht kan uitgevoerd worden door het bestuur of door de inspectie. Daarnaast is het mogelijk dat er een tussentijds onderzoek plaatsvindt, als dit op basis van bepaalde informatie, zoals signalen of financiële kengetallen, nodig blijkt. Bij een bestuur dat er niet in slaagt zijn besturing op (delen van) de kwaliteit van scholen te waarborgen, voeren wij zelf (delen van) het tussentijds onderzoek uit.

Toezicht op individuele scholen

Het bestuur is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs op zijn scholen, waarbinnen schoolleiders hun verantwoordelijkheid voor de sturing van de kwaliteit op school vormgeven. De waarborgfunctie van de inspectie sluit daarop aan. Deze waarborgfunctie wordt versterkt door meer en beter gebruik te maken van signalen en andere gegevens en informatie, waaronder schooleigen informatie zoals het schoolplan. Het toezicht op individuele scholen is daarmee ook aanvullend op wat het bestuur zelf uitvoert en waarover het bestuur zich verantwoordt. Naast verificatie-activiteiten op scholen waar we onderdelen van de kwaliteit onderzoeken, is het mogelijk dat we op het niveau van een school op (een selectie van) standaarden oordelen geven of een waardering uitspreken. Dit doen we bij een onderzoek naar risico’s en bij een onderzoek naar de waardering Goed. Wanneer wij risico’s signaleren, voeren wij (afhankelijk van de aard van de risico’s) het onderzoek op de school geheel of gedeeltelijk uit. Dit kan zowel binnen als buiten het vierjaarlijks onderzoek plaatsvinden. Op verzoek van het bestuur kunnen we tevens een onderzoek naar de waardering Goed uitvoeren indien het bestuur onderbouwt waarom de betreffende school de waardering Goed verdient.26

Wanneer we een onderzoek naar risico’s of naar de waardering Goed uitvoeren, gebruiken we standaarden uit het waarderingskader voor scholen. We beoordelen standaarden binnen de kwaliteitsgebieden Onderwijsproces, Veiligheid en schoolklimaat, Onderwijsresultaten en Sturen, kwaliteitszorg en ambitie.27 De standaarden krijgen een oordeel of waardering. Daarnaast kan een school, op basis van een beslisregel, het eindoordeel Zeer zwak, Onvoldoende, Voldoende (basiskwaliteit) of de waardering Goed krijgen. De oordelen en/of waarderingen, die vaak onderdeel zijn van het rapport van het vierjaarlijks onderzoek, maken we openbaar via onze website.

Net zoals bij besturen is ook op scholen vervolgtoezicht mogelijk bij tekortkomingen en bij het oordeel Onvoldoende of Zeer zwak. Ook bij scholen is het, zoals hierboven aangegeven, mogelijk dat we tussentijds een onderzoek naar risico’s uitvoeren, bijvoorbeeld bij ernstige signalen. De intensiteit van het vervolgtoezicht hangt net als bij besturen af van de kwaliteit van het bestuur. We gaan er namelijk van uit dat het bestuur er in eerste instantie zelf voor zorgt dat er effectieve maatregelen worden getroffen. Een laatste type onderzoek waarbij we scholen bezoeken, is het themaonderzoek. De uitkomsten van themaonderzoeken brengen we op verschillende manieren onder de aandacht van besturen, scholen en de samenleving.

Afsluiting

Hierboven is het toezicht op het funderend onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs beschreven. Voor elke sector is een specifiek onderzoekskader gemaakt op basis van de relevante wet- en regelgeving en de ontwikkelingen in de sector. Daarnaast zijn er specifieke toepassingen van en uitzonderingen op het reguliere onderzoekskader, zoals bij de samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs en bij onderwijssoorten en voorzieningen waarvoor specifieke wet- en regelgeving geldt.

In het onderzoekskader is beschreven hoe het toezicht is vormgegeven en wat de inspectie verwacht van het onderwijs. Uiteindelijk begint de verantwoordelijkheid voor beter onderwijs voor alle leerlingen op de school zelf. Het bestuur kan scholen daarin activeren en dit borgen. De inspectie zal hierop toezien, zo nodig ingrijpen en verdere kwaliteitsverbetering stimuleren.

1. Inleiding

1.1 Inleiding

Het onderwijs verandert voortdurend door nieuwe ontwikkelingen in de samenleving. Daarom is het nodig het toezicht op (de kwaliteit van) het onderwijs regelmatig aan te passen. In 2017 is het toezicht vernieuwd. Sinds die tijd is de verantwoordelijkheid van besturen voor de kwaliteit van hun scholen het uitgangspunt voor het toezicht. In het toezicht op het onderwijs in Nederland gaat het om de leerlingen en studenten.

De inspectie heeft inmiddels enkele jaren ervaring opgedaan met het onderzoekskader van 2017. Na evaluatie stellen we het toezicht bij. Dit doen we niet alleen op grond van de opgedane ervaringen, maar ook op basis van actuele ontwikkelingen, verbetersuggesties vanuit het onderwijsveld en aanpassingen in beleid en wet- en regelgeving. In het voorliggende onderzoekskader zijn deze bijstellingen verwerkt. Hierin gaan we uit van de wettelijke taken van de inspectie en de voorschriften in wet- en regelgeving zoals deze voor de desbetreffende sectoren gelden. Daarnaast zijn de uitgangspunten voor het toezicht, zoals al geformuleerd in het Onderzoekskader 2017, verder verankerd in dit herziene onderzoekskader.28

Het door de minister vastgestelde Onderzoekskader 2021 (hierna: onderzoekskader) van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) beschrijft hoe het toezicht op het speciaal onderwijs is ingericht. Het onderzoekskader omvat het kader, op grond waarvan we oordelen en waarderen, en de werkwijze. Het onderzoekskader is bedoeld om de werkwijze van de inspectie voor anderen inzichtelijk te maken en het toezicht transparant uit te voeren.

In dit eerste hoofdstuk beschrijven we de wettelijke basis van het onderzoekskader en geven we de belangrijke begrippen in het toezicht weer. In hoofdstuk 2 gaan we in op de visie en de uitgangspunten voor ons toezicht. Daarna volgt in hoofdstuk 3 de invulling van het stelseltoezicht en in de hoofdstukken 4 en 5 de waarderingskaders voor het toezicht op bestuurs- en schoolniveau. Vervolgens beschrijven we hoe we tot oordelen en waarderingen komen (hoofdstuk 6), onze werkwijze (hoofdstuk 7) en communicatie (hoofdstuk 8). Tot slot geven we een overzicht van onderwijsvoorzieningen waarvoor specifieke wetgeving geldt en waar het waarderingskader en de werkwijze afwijken (hoofdstuk 9). Deze afwijkende waarderingskaders zijn te vinden in de bijlagen.

1.2 Waar houden we toezicht op?

In de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) staat in artikel 3, eerste lid, onder meer dat de inspectie toeziet op de naleving van de onderwijswet- en regelgeving, de taak heeft om de ontwikkeling van het onderwijs en de kwaliteit daarvan te bevorderen, en de taak heeft om de financiële rechtmatigheid, doelmatigheid en continuïteit te beoordelen en bevorderen.

Het onderzoekskader heeft betrekking op alle besturen en scholen die onderwijs verzorgen op basis van de onderwijswetten, zoals in onderstaand tekstkader weergegeven.29 Daarnaast houdt de inspectie toezicht op de besturen van samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Besturen, scholen, opleidingen en besturen van samenwerkingsverbanden zijn onze objecten van toezicht.

Wettelijk kader toezicht op (voortgezet) speciaal onderwijs

De Wet op het onderwijstoezicht vormt de grondslag voor het toezicht. In deze wet is het toezicht op het onderwijs opgedragen aan de inspectie en heeft de inspectie de taak toe te zien op de naleving van wet- en regelgeving, de kwaliteit van het onderwijs te bevorderen en het financieel beheer te beoordelen1 en te bevorderen, zoals bedoeld in de volgende wetten:

• Wet op de expertisecentra (WEC);

• Leerplichtwet 1969 (LPW 1969);

• Wet medezeggenschap op scholen (WMS);

• Wet overige OCW-subsidies.

X Noot
1

We doelen hier op de taak van de inspectie zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, sub c, WOT.

1.3 Begripsbepalingen

Hieronder definieren we een aantal begrippen die belangrijk zijn voor het toezicht.

Toezicht

De activiteiten van de inspectie, ten aanzien van scholen en samenwerkingsverbanden, die redelijkerwijs voortvloeien uit de taken op grond van artikel 3 van de WOT.

Besturen

Het bevoegd gezag bestaat uit het uitvoerend deel van het bestuur en het interne toezicht. Hoewel deze functies gescheiden zijn, zorgt men er, ieder vanuit zijn eigen rol en verantwoordelijkheid, samen voor dat de kwaliteit van hun scholen gewaarborgd is en er sprake is van deugdelijk financieel beheer. Voor de leesbaarheid spreken we over het bestuur als aanduiding voor het bevoegd gezag als geheel.

Daarnaast kennen we besturen van samenwerkingsverbanden passend onderwijs.

Deugdelijkheidseisen

Deugdelijkheidseisen zijn bij of krachtens de wet geregelde algemene kwaliteitsnormen, gericht aan besturen. Deugdelijkheidseisen hebben betrekking op de onderwijskwaliteit (in ruime zin) en het financieel beheer.

Waarborgen

Vanuit de waarborgfunctie van het toezicht ziet de inspectie erop toe dat de bij of krachtens een onderwijswet gegeven, voorschriften (de deugdelijkheidseisen) worden nageleefd. Dit gaat over wat het bestuur en de school moeten. Een school die niet voldoet aan die voorschriften, biedt onderwijs van onvoldoende kwaliteit. Onvoldoende onderwijskwaliteit en/of onvoldoende financieel beheer kan leiden tot vervolgtoezicht en sancties.

Stimuleren

Vanuit de stimuleringsfunctie onderzoekt de inspectie hoe eigen ambities bijdragen aan (de continue en duurzame verbetering van) de onderwijskwaliteit. Hiermee bevorderen we de kwaliteit op het niveau van scholen, besturen en zo ook het stelsel. Eigen ambities hebben betrekking op de ambities en doelen die een bestuur/school zichzelf stelt. De school beschrijft deze in haar schoolplan.

Interventies

Bij alle handelingen die we ondernemen, spreken we van interventies. We onderscheiden:

  • interventies vanuit onze waarborgfunctie: het gaat dan om het naleven van de wet;

  • interventies vanuit onze stimuleringsfunctie: gericht op de eigen ambities;

  • interventies op stelselniveau: het agenderen van stelselproblemen.

Stelseltoezicht

Het beschouwen van de werking van het stelsel noemen we de reflectieve functie van het toezicht, oftewel stelseltoezicht.

1.4 Niveaus in het toezicht

We onderscheiden verschillende niveaus in het toezicht: onderwijsstelsel, besturen en scholen.

Onderwijsstelsel

Omdat de kwaliteit van het onderwijsstelsel als geheel meer is dan de optelsom van de kwaliteit van de besturen en scholen, richten we ons op de werking van het onderwijsstelsel. Vraagstukken overstijgen in toenemende mate de reikwijdte van individuele scholen en besturen en vergen, om deze het hoofd te bieden, bredere samenwerking. We definiëren het onderwijsstelsel als het geheel van scholen, instellingen, besturen, schooltypen en opleidingen. Als inspectie kijken we wat daarin goed gaat en waar zich knelpunten voordoen. Deze knelpunten analyseren en agenderen we op landelijk en regionaal niveau. Het beschouwen van de werking van het stelsel als geheel noemen we de reflectieve functie van het toezicht.30 De Staat van het Onderwijs is daarvan een voorbeeld.

Besturen

Besturen zijn ervoor verantwoordelijk dat het onderwijs van hun scholen van voldoende kwaliteit is. En ook dat het financieel beheer op orde is. In het toezicht gaan wij na of besturen hier zicht op hebben en of zij hieraan sturing geven, zodat besturen waarborgen dat de leerlingen op hun scholen onderwijs krijgen van voldoende kwaliteit.

Besturen vormen een belangrijk schakelpunt: door te werken aan de kwaliteit van hun scholen dragen zij bij aan de werking en de kwaliteit van het onderwijsstelsel als geheel. Zo moeten leerlingen, om zelfstandig te kunnen functioneren, in de samenleving in staat worden gesteld om te kunnen slagen in het vervolgonderwijs en op de arbeidsmarkt. Het onderwijs zorgt ervoor dat leerlingen de school voldoende geletterd en gecijferd en met de benodigde kennis en vaardigheden verlaten. Bovendien is het belangrijk dat zij gelijke kansen krijgen op een passend aanbod, waarbij het geen verschil maakt wie hun ouders zijn, waar zij vandaan komen of waar zij onderwijs volgen. Ook is het belangrijk dat leerlingen en studenten zich als persoon ontwikkelen; het onderwijs draagt eraan bij dat ze zichzelf en hun omgeving kennen en zelfstandig keuzes kunnen maken. Zo leren zij ook zelf om bij te dragen aan de sociale samenhang in de samenleving.

Scholen

De schoolleider geeft samen met het team het onderwijs op hun school vorm. Samen met het bestuur streven zij kwaliteitsdoelen en ambities voor het onderwijs aan hun leerlingen na. Hoe ze dat doen, beschrijven zij in hun schoolplan. Het schoolplan beschrijft het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg. In ons toezicht sluiten we aan bij deze schooleigen informatie. Kernvragen voor de kwaliteit van het onderwijs zijn: leren leerlingen genoeg, krijgen ze goed les en zijn ze veilig?

1.5 Werking en evaluatie

Dit onderzoekskader is van kracht met ingang van 1 augustus 2021 en is vastgesteld op 24 juni 2021. Het is overeenkomstig artikel 13, derde lid, van de WOT bekendgemaakt in de Staatscourant (28 juli 2021) en is gepubliceerd op de website van de Inspectie van het Onderwijs en op www.wetten.nl.

Het onderzoekskader is vastgesteld op grond van artikel 13 van de WOT en is een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap legt met dit onderzoekskader de werkwijze van de inspectie vast met betrekking tot de uitoefening van haar onderzoekstaken en -bevoegdheden. Ook is het onderzoekskader een wetsinterpreterende beleidsregel. Bij de uitwerking van de deugdelijkheidseisen in het waarderingskader is uitgegaan van een redelijke uitleg van de wet en de daarop gebaseerde lagere regelgeving.31 Over zowel de uitleg van wettelijke voorschriften als de werkwijze is overleg gevoerd met het veld conform artikel 13, tweede lid van de WOT.

Lopende toezichtsinterventies, waaronder die op basis van het Onderzoekskader 2017 of die tot 1 augustus 2021 voortvloeiend uit specifieke onderzoeken zijn gemaakt, blijven van toepassing. Wetsartikelen die op de dag van publicatie van dit kader in de Staatscourant nog niet in werking zijn getreden, zijn tussen blokhaken ([]) geplaatst.

Vóór 1 januari 2025 evalueren we de werking en de effecten van het onderzoekskader. Ervaringen met dit onderzoekskader en ontwikkelingen in de samenleving, in de verschillende sectoren of in politiek en beleid kunnen leiden tot eerdere bijstelling van (delen van) het onderzoekskader. In beginsel is de geldigheidsduur van het Onderzoekskader 2021 vier jaar.

Ieder jaar wordt het onderzoekskader in ieder geval geactualiseerd naar aanleiding van wijzigingen in de wet- en regelgeving. Om zicht te hebben op ervaringen en ontwikkelingen raadpleegt de inspectie periodiek het veld.

2. Visie en uitgangspunten voor het toezicht

2.1 Inleiding

Beter onderwijs voor alle leerlingen, daar staan wij als inspectie voor. We gaan uit van onderwijs in brede zin: het onderwijs óp school en ook op afstand door school. In de wet staat aan welke eisen het onderwijs ten minste moet voldoen. Als inspectie zien we erop toe dat deze basiskwaliteit, via besturen, wordt gewaarborgd: besturen waarborgen de kwaliteit van de scholen, wij waarborgen op onze beurt de kwaliteit van de sturing door besturen (het bestuurlijk handelen). Dit doen we door het beoordelen van hun zicht op kwaliteit en op de sturing op kwaliteit die we van elk bestuur verwachten. Waar nodig intensiveren we het toezicht op de besturen. Daarnaast stimuleren we besturen en scholen om hun ambities waar te maken en om een hogere kwaliteit dan basiskwaliteit te realiseren. Als inspectie willen we laten zien wat er goed gaat bij besturen, scholen en ook in het onderwijsstelsel. We reflecteren dan ook op de werking van het stelsel als geheel. In dit hoofdstuk beschrijven we onze visie op het toezicht (paragraaf 2.2). Daarna beschrijven we de uitgangspunten die we in de uitvoering van het toezicht hanteren (paragraaf 2.3).

2.2 Visie

Onderwijs vervult een belangrijke taak in de samenleving. Het onderwijs begeleidt leerlingen naar vervolgonderwijs of werk, als werknemer of ondernemer. Ook moet het onderwijs ervoor zorgen dat kinderen leren hoe zij als burger volwaardig deel kunnen uitmaken van de samenleving. Om elke leerling daadwerkelijk in staat te stellen te werken en mee te doen, geeft het onderwijs hun de benodigde kennis en vaardigheden mee. Het is immers aan het onderwijs om de talenten van álle leerlingen tot bloei te laten komen. Anders gezegd: het leren (kwalificatie), de vaardigheden aanleren om mee te doen en bij te dragen aan de samenleving (socialisatie), en de weg vrijmaken naar vervolgonderwijs en arbeidsmarkt (allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen), zijn de kernfuncties van het Nederlandse onderwijs.

Visie en missie

Iedereen heeft recht op onderwijs van voldoende kwaliteit. Elke dag zetten leraren, besturen en andere professionals zich met dit doel in voor hun leerlingen en studenten. Al deze inspanningen dragen bij aan de werking en daarmee de kwaliteit van het onderwijsstelsel om zo een goede onderwijsloopbaan voor alle leerlingen te realiseren. Onze missie, 'Effectief toezicht voor beter onderwijs', sluit daarop aan. In ons toezicht waarborgen én stimuleren we de kwaliteit van het onderwijs. We richten ons daarbij op de werking van het stelsel als geheel (stimuleren) en op besturen en hun scholen (waarborgen en stimuleren). Besturen waarborgen de kwaliteit van hun scholen en het onderwijs aan de leerlingen. De intensiteit van het toezicht en het vervolgtoezicht stemmen we af op de mate waarin het bestuur de deugdelijkheidseisen naleeft en de kwaliteit van zijn scholen waarborgt.

Alle besturen en scholen maken deel uit van het onderwijsstelsel en dragen daarmee bij aan de werking ervan. Het beschouwen van de werking van het stelsel noemen we de reflectieve functie van het toezicht, oftewel stelseltoezicht.32 De versterking van de rol van het toezicht hierin is bepleit door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en wordt ondersteund door het kabinet.

2.3 Uitgangspunten voor het toezicht

Onze missie, ‘Effectief toezicht voor beter onderwijs’, wordt gedragen door vijf uitgangspunten (zie figuur 2.3a). De uitgangspunten hangen met elkaar samen en borduren op elkaar voort. Met elk uitgangspunt afzonderlijk, maar vooral in die samenhang beoogt het toezicht bij te dragen aan de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs(stelsel). Daarnaast sluit het toezicht aan bij de verantwoordelijkheid die besturen hebben voor het onderwijs, bewaakt het in aanvulling daarop de basiskwaliteit (waarborgen) en wil het beter onderwijs bevorderen (stimuleren). We bepalen de intensiteit van het toezicht per bestuur (proportionaliteit) en houden bij de uitvoering rekening met de organisatiekenmerken en omstandigheden van het bestuur (maatwerk). We lichten de uitgangspunten hierna toe.

Figuur 2.3a Uitgangspunten van het toezicht

Figuur 2.3a Uitgangspunten van het toezicht
2.3.1 Verbeteren stelselkwaliteit

Scholen en besturen maken onderdeel uit van het onderwijsstelsel. Het stelsel vormt ook de context waarbinnen zij hun werk doen. Onder stelselkwaliteit verstaan we de mate waarin alle besturen en scholen er samen met anderen in slagen om voor alle leerlingen bij te dragen aan de realisatie van de kernfuncties van het onderwijs. Zij zorgen er samen voor dat deze kernfuncties van onderwijs (kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen) met succes én in evenwicht gerealiseerd worden.

Stelseltoezicht (stimuleren) en het toezicht op besturen en scholen (stimuleren en waarborgen) hangen met elkaar samen, elk met een eigen plaats in het toezicht. Besturen en scholen zijn afzonderlijke objecten van toezicht. Het stelseltoezicht richt zich vanuit een stimulerende en agenderende invalshoek vooral op de samenhang: zowel de inspanningen van besturen, scholen en samenwerkingsverbanden als andere zaken die meespelen bij de totstandkoming van de kernfuncties van het onderwijs, zijn daarin belangrijk. We gebruiken de kernfuncties van het onderwijsstelsel om inhoud te geven aan het stelseltoezicht. Dat kan leiden tot stimulerende interventies op stelsel-, bestuurs- en schoolniveau.

De werking van het stelsel omvat dus meer dan de optelsom van de resultaten van het toezicht op besturen en scholen. Daarom monitoren we ook de ontwikkelingen op stelselniveau, bijvoorbeeld de mate waarin alle kinderen gelijke kansen krijgen in het onderwijs. We onderzoeken en agenderen positieve voorbeelden en knelpunten en kijken hoe we in afstemming met het onderwijsveld de kwaliteit van het stelsel kunnen verhogen. Jaarlijks rapporteren we over de kwaliteit van het stelsel in ‘De Staat van het Onderwijs’, een taak die ons in de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) is toebedeeld. Ook bespreken we tijdens onderzoeken met besturen, in een open dialoog, hoe zij met de scholen aan de kwaliteit van het stelsel bijdragen, zonder dat dit tot oordelen of een waardering leidt. Op scholen onderzoeken we via themaonderzoeken ook thema’s die de kernfuncties raken. Dit alles samen noemen we stelseltoezicht.

2.3.2 Verantwoordelijkheid bij besturen

Onder ‘bestuur’ verstaan we het bevoegd gezag van een of meer scholen. Dit omvat ook het interne toezicht. Omdat we besturen aanspreken op hun verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs op hun scholen, noemen we het toezicht bestuursgericht. Besturen waarborgen de kwaliteit van hun scholen en het onderwijs aan de leerlingen. In de uitoefening van hun taken zijn zij ervoor verantwoordelijk dat het onderwijs op hun scholen van voldoende kwaliteit is en dat het financieel beheer deugdelijk is.

Besturen hebben daarnaast een wettelijke verantwoordelijkheid voor passend onderwijs. De kern daarvan is dat voor alle leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte zo passend mogelijk onderwijs wordt gerealiseerd. Schoolbesturen hebben in dat verband een zorgplicht voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. Alle schoolbesturen zijn verplicht aangesloten bij een of meer (regionale) samenwerkingsverbanden passend onderwijs. We houden toezicht op de uitvoering van de afspraken binnen het samenwerkingsverband door de schoolbesturen. Daarnaast houden we toezicht op het bestuur van het samenwerkingsverband. Dit lichten we verder toe in hoofdstuk 9.

Wij zien erop toe dat besturen hun taken (het bewaken en bevorderen van de basiskwaliteit en de continuïteit) voldoende uitvoeren. Gebeurt dat niet of in onvoldoende mate, dan houden we verscherpt toezicht op het bestuur en de scholen. Dat maakt onderdeel uit van onze waarborgfunctie. In aanvulling op dit bestuursgerichte toezicht, onderzoeken en beoordelen we ook scholen als het besturen niet lukt de basiskwaliteit te realiseren. Verder geeft het bestuur met het onderwijs ook invulling aan eigen ambities, waaronder vaak ook ambities die de kernfuncties van het onderwijsstelsel raken. Daarop sluiten we aan vanuit onze stimulerende rol.

2.3.3 Waarborgen

De samenleving moet erop kunnen vertrouwen dat leerlingen onderwijs volgen dat van voldoende kwaliteit is. Temeer omdat er een leerplicht geldt voor leerlingen tot 16 jaar en een kwalificatieplicht tot 23 jaar.33 De norm voor basiskwaliteit is dat besturen en scholen voldoen aan de deugdelijkheidseisen voor de onderwijskwaliteit, de kwaliteitszorg en het financieel beheer. Deze eisen hebben we in het waarderingskader voor besturen en scholen opgenomen (zie hoofdstuk 4 en 5).

Zo spreken we besturen die het onvoldoende lukt om de basiskwaliteit van hun scholen te waarborgen, aan. Waarborgen zij de basiskwaliteit niet of onvoldoende, dan geven wij het bestuur een of meerdere herstelopdrachten. Dat kan betekenen dat we ons dan ook op scholen richten. Bij een of meerdere onvoldoendes op standaarden krijgen scholen, na toepassing van de beslisregels, een eindoordeel Onvoldoende of Zeer zwak. Waar nodig intensiveren we het toezicht.

2.3.4 Stimuleren

Naast ingrijpen waar het niet goed gaat, stimuleren we ook verdere ontwikkeling van het onderwijs en de kwaliteit ervan. We doen dit op meerdere niveaus. Op stelselniveau monitoren we met onderzoek en gegevensverzameling hoe de kernfuncties van het onderwijs zich ontwikkelen. Als we hierin risico’s signaleren, agenderen we deze, passend bij de urgentie ervan. We signaleren en agenderen belangrijke onderwerpen in bijvoorbeeld ‘De Staat van het Onderwijs’ en in themarapportages. Op stelselniveau geven we kansen en mogelijkheden voor verbetering aan, waarmee we het stelsel beogen te stimuleren. We brengen de uitkomsten en analyses van onderzoek op verschillende manieren en bij verschillende betrokkenen onder de aandacht, om zo bij te dragen aan inzicht en oplossingen voor gesignaleerde problemen. Soms is het belangrijk dat betrokkenen rond een thema samen in gesprek gaan. Zo kunnen bijvoorbeeld besturen, gemeenten en samenwerkingsverbanden samen een rol spelen bij voorschoolse educatie of jeugdzorg. We brengen de uitkomsten ook onder de aandacht van besturen en scholen door met hen in een open dialoog te bespreken of zij kansen zien om bij te dragen aan het verbeteren van een stelselknelpunt.

Naast stimuleren door aan te geven wat er beter kan, doen we dat ook door goede kwaliteit zichtbaar te maken. We onderzoeken ook de kwaliteit van besturen en scholen die boven basiskwaliteit uitstijgt. We kunnen daarvoor de waardering Goed toekennen. We geven deze waardering op het moment dat een school of bestuur niet alleen voldoet aan de wettelijke vereisten maar ook aanvullende ambities realiseert. Op verzoek van het bestuur onderzoeken we of de onderwijskwaliteit van een school de waardering Goed kan krijgen. Ook de mogelijkheid om het predicaat Excellente School te krijgen (zie excellentescholen.nl) is een voorbeeld van het zichtbaar maken van kwaliteit en het stimuleren van verbetering van de onderwijskwaliteit. Ten slotte nemen we de (realisatie van de) ambities van het bestuur mee in de onderzoeken en streven we ernaar om tijdens het uitvoeren van onze onderzoeken en in de rapportage daarvan stimulerend te werk te gaan: we geven op een positieve manier feedback en benoemen naast wat er beter moet of kan, ook wat er goed gaat.

2.3.5 Proportionaliteit en maatwerk

Besturen en scholen verschillen van elkaar. De kwaliteit die ze realiseren is anders en ook kunnen ze anders georganiseerd zijn. De manier van ontwikkelen en hun omstandigheden kunnen ook verschillend zijn. Wij sluiten daar in ons toezicht op aan: de intensiteit van het toezicht bepalen we proportioneel in relatie tot de kwaliteit van het bestuur. Daarnaast is de uitvoering van het onderzoek op maat, rekening houdend met de kenmerken van het bestuur en de scholen. Zo komen we zo effectief mogelijk tot een deugdelijk oordeel en beperken we de toezichtslast.

De samenleving verwacht dat besturen en scholen voldoen aan de basiskwaliteit. Voor het toezicht is het belangrijk hoe effectief het bestuur is in het zorgen voor basiskwaliteit op zijn scholen. Het gaat dan om de kwaliteit van het onderwijs, de wijze waarop de professionaliteit van de instelling en het bestuur is gewaarborgd, om de mate van naleving van wettelijke voorschriften en de financiële situatie van de instelling.Naarmate een bestuur er beter in slaagt de kwaliteit van de scholen te bewaken en te bevorderen, is het toezicht minder intensief. Dan ligt het accent bijvoorbeeld meer op gesprekken over ambities over hun maatschappelijke opdracht en vragen we het bestuur vanuit zijn zicht op de kwaliteit te rapporteren over kwaliteitsontwikkeling en -verbetering. Indien dit aan de orde is, vragen we het bestuur ook over herstel van tekortkomingen te rapporteren.

Wanneer een bestuur er minder of niet in slaagt de kwaliteit van scholen te realiseren, intensiveren we het toezicht (proportioneel). We kunnen dan bijvoorbeeld in een kort tijdsbestek meerdere onderzoeken naar onderwijskwaliteit uitvoeren of meerdere personen of instanties binnen of rondom het bestuur bij het onderzoek betrekken.

In het kader van onze waarborgfunctie monitoren we jaarlijks de ontwikkeling en de prestaties van een bestuur en de scholen. Op basis van eerder toezicht en kwaliteitsgegevens die we hebben vanuit monitoring, houden we de kwaliteit van bestuur en scholen in beeld. Dit is van belang voor de uitvoering van onze waarborgfunctie.

Bij de uitvoering van het (proportionele) toezicht stemmen we de onderzoeksactiviteiten af op de omstandigheden van het bestuur. Dat is het maatwerk. Hoe we proportionaliteit en maatwerk inzetten, beschrijven we in hoofdstuk 7. Dat hoofdstuk gaat over onze werkwijze.

3. Stelseltoezicht

3.1 Inleiding

Toezicht op de kwaliteit van het onderwijs richt zich ook op de context waarbinnen besturen en hun scholen hun werk doen: we spreken dan over het onderwijsstelsel als geheel. Voor de werking en de kwaliteit van het stelsel beschouwen we onderdelen ervan en de verbanden daartussen. We geven daarmee invulling aan de reflectieve functie van het toezicht: vanwege onze wettelijke taak op stelselniveau, reflecteren we op de kwaliteit van het stelsel. Uitkomsten daarvan gebruiken we voor stimulerende interventies op stelsel-, bestuurs- en schoolniveau. In dit hoofdstuk geven we in een raamwerk weer wat we verstaan onder stelselkwaliteit. Dit raamwerk is opgebouwd aan de hand van de kernfuncties van het onderwijs.

In paragraaf 3.2 definiëren we eerst wat we verstaan onder stelselkwaliteit en stelseltoezicht. We geven aan welke wettelijke taken daarbij van belang zijn. Paragraaf 3.3 bevat het raamwerk voor stelselkwaliteit.

3.2 Stelselkwaliteit en stelseltoezicht

3.2.1 Een stelsel van onderwijsvoorzieningen

In Nederland zorgt de overheid voor de inrichting en het functioneren van een stelsel van onderwijsvoorzieningen. We willen als samenleving dat leerlingen kennis en vaardigheden opdoen die bij hun mogelijkheden en talenten passen, zodat zij kunnen bijdragen aan de samenleving en de arbeidsmarkt. Goed onderwijs is essentieel om ervoor te zorgen dat alle kernfuncties van het onderwijs gerealiseerd worden. Dit is nodig voor een pluriforme samenleving. Onderdeel van goed onderwijs is dat álle leerlingen zich maximaal kunnen ontwikkelen en gelijke kansen hebben. Het gaat erom dat ons onderwijsstelsel goed werkt en er voor alle leerlingen en studenten in slaagt de kernfuncties van het onderwijs te realiseren: kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen.

Binnen het stelsel van onderwijsvoorzieningen is er sprake van wederzijdse afhankelijkheid: onderwijssectoren zijn nauw met elkaar en met andere voorzieningen in de samenleving verweven. Belangrijke maatschappelijke problemen raken onderwijsinstellingen en ook knelpunten op instellingsniveau en vragen om een breder stelselperspectief.

Om de werking van het stelsel te kunnen duiden, beschrijven we de kwaliteit van het onderwijs als geheel aan de hand van de kernfuncties van het onderwijs (paragraaf 3.3). Zowel stelselkwaliteit als stelseltoezicht vindt een basis in de stelselverantwoordelijkheid van de overheid (artikel 23, Grondwet en artikel 3, eerste lid, sub d, artikel 4, vierde lid en artikel 8, eerste lid, WOT). Hierbij gaat het om een stimulerende rol en de reflectieve functie van het toezicht.

We omschrijven stelselkwaliteit als de mate waarin het stelsel van besturen, scholen en andere actoren erin slaagt de kernfuncties van het onderwijs (kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen) met succes én in evenwicht te realiseren. Deze kernfuncties nemen we in ons toezicht als uitgangspunt voor de omschrijving van de kwaliteit van het onderwijsstelsel.

3.2.2 Stelseltoezicht

Het toezicht gaat uit van het belang dat de samenleving als geheel heeft bij het onderwijs: het publieke belang. Als onderdeel daarvan geven we in het toezicht aandacht aan specifieke kansen en bedreigingen, specifieke onderdelen van het stelsel of groepen leerlingen. Als toezichthouder moeten we daarom weten hoe het onderwijs zich ontwikkelt, daarop reflecteren en, als er iets niet goed loopt, de samenleving informeren. Wij vatten stelseltoezicht dan ook op als het beschouwen van de werking en de kwaliteit van het stelsel als geheel. Omdat dit het niveau van individuele besturen overstijgt, ondernemen we activiteiten die tot doel hebben de werking en de kwaliteit van het stelsel te stimuleren. We doorlopen een cyclus van waarnemen (monitoren), analyseren, agenderen en stimulerend interveniëren en zien daarmee toe op de kwaliteit van het stelsel. De uitkomsten van het stelseltoezicht zijn van belang voor de samenleving, het parlement en de regering en helpen ons om gericht en slagvaardig toezicht uit te oefenen. Informatie op stelselniveau laat zo zien hoe het totale onderwijsstelsel functioneert en met welke problemen besturen en scholen te maken hebben. Bij besturen en scholen stellen we deze problemen aan de orde en bespreken we hoe zij hiermee omgaan in een open gesprek.

Onderzoeken naar de kwaliteit van het stelsel doen we ook in samenhang met de onderzoeken naar besturen en scholen. De informatie daaruit vormt een bron voor ‘De Staat van het Onderwijs’, voor afzonderlijke publicaties (bijvoorbeeld themarapporten) en voor stimulerende interventies.

Het stelseltoezicht is gebaseerd op de taken van de inspectie zoals beschreven in de WOT. Zo ligt er een taak voor de inspectie in het rapporteren over de ontwikkeling van, in bijzonder van de kwaliteit van, het onderwijs en over de uitoefening van de taken door de instellingen, de samenwerkingsverbanden en de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven, in het bijzonder over de kwaliteit daarvan (artikel 3, eerste lid, sub d, WOT).

Vanuit onze ervaring in de onderwijspraktijk zien wij hierbij het verband met een andere inspectietaak: het bevorderen van de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs aan en het bestuur van instellingen als bedoeld in de onderwijswetten (artikel 3, eerste lid, sub b, WOT).

Ook is de taakuitoefening van de inspectie er mede op gericht betrokkenen te informeren over de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs (artikel 4, vierde lid, WOT). Verder is omschreven dat “[d]e inspectie […] desgevraagd en uit eigen beweging [rapporteert] aan Onze Minister over de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs en doet op grond daarvan voorstellen die zij in het belang van het onderwijs nodig acht” (artikel 8, eerste lid, WOT).

Hoewel stelseltoezicht een grondslag heeft in de WOT, verschilt het van het toezicht op besturen en scholen. In het toezicht op besturen en scholen gaat het om toezicht op de naleving van onderwijswet- en regelgeving. Daarmee kunnen we besturen en scholen, waar nodig, met onze oordelen en herstelopdrachten aanzetten om het onderwijs te verbeteren. In het stelseltoezicht daarentegen kunnen we stelselproblemen signaleren, agenderen en op diverse manieren stimuleren34, maar daarbij geven we geen opdrachten tot herstel. Het gaat hierbij immers niet om toezicht op naleving.

In hoofdstuk 2 gaven we aan dat het stelseltoezicht raakvlakken heeft met het toezicht op besturen en scholen vooral waar het de ambities van besturen en scholen raakt. Knelpunten op stelselniveau, zoals bijvoorbeeld blijkt uit een themaonderzoek, kunnen in dat geval aan de orde komen in het stimulerende toezicht op besturen en scholen.

3.3 Raamwerk voor stelselkwaliteit

Om de kwaliteit van het stelsel te monitoren, hanteren we een raamwerk. Dit raamwerk beschrijft de werking en de kwaliteit van het stelsel aan de hand van de kernfuncties van het onderwijs. Dit biedt focus voor het krijgen van zicht op de kwaliteit van de werking van het stelsel als geheel en op de trends en knelpunten. Het raamwerk geeft de thema’s aan voor de activiteiten die we ondernemen op het gebied van waarnemen, analyseren en agenderen. Om de kwaliteit van het onderwijsstelsel op niveau te houden en te bevorderen, zijn inspanningen nodig van alle betrokkenen samen. Daarbij helpt het om de aandacht te richten op wat belangrijk is met het oog op de leerlingen en de samenleving, maar ook op wat urgent is, gegeven de actuele ontwikkelingen en trends op de langere termijn. We formuleren daarom focuspunten om andere actoren te stimuleren om samen aan het oplossen van knelpunten te werken. Enkele voorbeelden: ‘Elke leerling (digitaal) geletterd en gecijferd’, ‘Elke leerling krijgt gelijke kansen op een passend aanbod’, ‘Leerlingen zijn toegerust om bij te dragen aan de samenleving’, ‘Leerlingen slagen in het vervolgonderwijs en op de arbeidsmarkt’ en ‘Leerlingen kennen zichzelf en hun omgeving, en kunnen zelfstandig keuzes maken’. Deze vormen ook onderwerp van gesprek met besturen en raken het onderwijs op de scholen.

In het onderstaande Raamwerk voor stelselkwaliteit hebben we de kernfuncties weergegeven. In de beschrijving onderscheiden we drie kernfuncties: kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen. Persoonsvorming maakt daarbij onderdeel uit van de kernfunctie socialisatie. Naast de drie kernfuncties beschrijven we ook de voorwaarden die cruciaal zijn voor realisatie van de kernfuncties. De beschrijving geeft de essentie van de kernfunctie weer. In hoofdstuk 7 (Werkwijze) werken we uit hoe we invulling geven aan het stelseltoezicht.

RAAMWERK VOOR STELSELKWALITEIT

Kernfunctie Kwalificatie

Het onderwijs brengt leerlingen kennis, houdingen en vaardigheden bij die aansluiten bij de behoeften van de samenleving en bij de mogelijkheden en talenten van leerlingen.

Beschrijving

De leerprestaties en het bereikte niveau van alle leerlingen samen hebben een optimaal niveau, voor diverse groepen en voor deelgebieden (vakken). Onderdeel daarvan is dat elke leerling, naar zijn mogelijkheden, geletterd en gecijferd is. De leerprestaties sluiten aan bij de behoefte van de samenleving, zodat elke leerling uiteindelijk goed kan functioneren in de samenleving. In vergelijking met (eerdere) trends, nationaal en internationaal, is er stabiliteit of een ontwikkeling in de richting van de ambities van de samenleving. De kwaliteit van toetsing en examinering leidt tot relevante en betrouwbare uitspraken op stelselniveau over niveau, prestaties en referentieniveaus van leerlingen. De kwaliteit van het onderwijsaanbod omvat kennis, houding en (digitale) vaardigheden en wordt regelmatig getoetst aan de actualiteit en aan (internationale) wetenschappelijke maatstaven.

Kernfunctie Socialisatie

Het onderwijs draagt bij aan de verwerving van de sociale en maatschappelijke competenties die nodig zijn om optimaal te kunnen deelnemen en bijdragen aan de samenleving.

Beschrijving

De kennis, houding en vaardigheden van leerlingen liggen op het niveau dat nodig is om goed te kunnen functioneren in de pluriforme samenleving en de democratische rechtsstaat. Het gaat daarbij om de sociale en maatschappelijke competenties en om de basiswaarden1 van de democratische rechtsstaat die nodig zijn om hieraan succesvol te kunnen deelnemen. Bij de waardering van de bijdrage aan de samenleving zijn eerdere resultaten van het onderwijsstelsel, internationale vergelijking en inhoudelijke eisen leidend, net als de behoeften en ambities van de samenleving. Een vrije en pluriforme samenleving vraagt om burgers die de democratische spelregels in acht nemen, zelfstandig kunnen oordelen, verantwoordelijkheid willen nemen en die toegerust zijn om op een goede manier met diversiteit om te gaan.

1 Uitwerking burgerschap en basiswaarden

De standaarden hebben betrekking op aspecten van kwaliteit, waaronder het onderwijs gericht op bevordering van burgerschap. Hieronder wordt aangegeven in welke standaarden onderdelen van burgerschap aan de orde zijn en geven we met enige nadere uitwerking (A) een overzicht van de inrichting van het toezicht op basiswaarden (B).

Het toezicht op burgerschap is integraal onderdeel van het inspectietoezicht en omvat, al naar gelang de situatie, aandacht voor een of meer onderdelen, en krijgt aandacht als apart thema of in samenhang met andere aspecten van kwaliteit.

A. Bevordering burgerschap

De wettelijke burgerschapsopdracht bepaalt dat onderwijs actief burgerschap en sociale cohesie bevordert. Bij het toezicht hanteert de inspectie geen ‘eigen’ eisen; alleen de wet is uitgangspunt, die bevat minimumeisen. Dat betekent dat zolang scholen aan wettelijke eisen voldoen, invullingen gekozen kunnen worden die passen bij de school. De wettelijke eisen zijn in de standaarden verwerkt en deze zijn hieronder weergegeven.

Standaarden schoolniveau

OP1 Aanbod

OP2 Zicht op ontwikkeling en begeleiding

OP3 Pedagogisch-didactisch handelen

VS1 Veiligheid

VS2 Schoolklimaat

OR2 Sociale en maatschappelijke competenties

SKA1 Visie, ambities en doelen

SKA2 Uitvoering en kwaliteitscultuur

SKA3 Evaluatie, verantwoording en dialoog

Standaarden bestuursniveau

BKA1 Visie, ambities en doelen

BKA2 Uitvoering en kwaliteitscultuur

BKA3 Evaluatie, verantwoording en dialoog

De wet vraagt:

1) Actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze te bevorderen (standaarden OP1, OP2, OR2).

waarbij de volgende elementen op herkenbare wijze terugkomen in het onderwijs:

2) kennis van en het respect voor basiswaarden van de democratische rechtsstaat worden bevorderd (standaarden OP1, VS1, VS2);

2) sociale en maatschappelijke competenties worden ontwikkeld (standaarden OP1, VS2);

3) de schoolcultuur is in overeenstemming met basiswaarden, leerlingen worden gestimuleerd daarmee te oefenen en de school draagt zorg voor een veilige omgeving waarin leerlingen en personeel zich geaccepteerd voelen (standaarden OP3, VS1, VS2).

Toelichting

Ad 1) Standaarden Aanbod, Zicht op ontwikkeling en begeleiding en Sociale en maatschappelijke competenties (OP1, OP2, OR2):

De inspectie stelt vast of het onderwijs doelgericht, samenhangend en herkenbaar is, en de school de leerresultaten op betrouwbare en inzichtelijke manier in kaart brengt. Of het onderwijs doelgericht is, blijkt uit de formulering van geconcretiseerde leerdoelen die de school bereiken wil voor bevordering van basiswaarden en sociale en maatschappelijke competenties. Of het onderwijs samenhangend is, blijkt uit de logische opbouw van de leerstof en aanpak waarmee de school de leerdoelen bereiken wil. Of het onderwijs gericht op bevordering van burgerschap herkenbaar is, blijkt uit de realisering van de geplande leerstof en aanpak. Of de school de leerresultaten op betrouwbare en inzichtelijke wijze in kaart brengt, blijkt uit dat de school over gegevens beschikt die een adequaat beeld van de resultaten geven, zodanig dat beoordeeld kan worden of de school haar leerdoelen realiseert.

Ad 2) en 3) Standaarden Aanbod, Veiligheid, Schoolklimaat (OP1, VS1, VS2):

De inspectie stelt vast of het onderwijs gericht is op bevordering van basiswaarden en sociale en maatschappelijke competenties, en uitgaat van het uitgangspunt van gelijke behandeling van gelijke gevallen. Of het onderwijs gericht is op basiswaarden blijkt uit aandacht voor bevordering van kennis van, respect voor en handelen vanuit basiswaarden (zie B). Of het onderwijs gericht is op ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties blijkt uit aandacht van de school voor de competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische samenleving. De school kan hier eigen keuzes maken. Daarnaast zijn er de kerndoelen op het sociale en maatschappelijke domein. Scholen geven bij de vormgeving van aanbod en aanpak blijk van inzicht in de leerlingenpopulatie en de leefwereld van de leerlingen.

Ad 4) Standaarden Pedagogisch-didactisch handelen, Veiligheid en Schoolklimaat (OP3, VS1, VS2):

De inspectie stelt vast of het bestuur zorg draagt voor een schoolklimaat dat in overeenstemming is met de basiswaarden, waarin leerlingen oefenmogelijkheden wordt geboden en voor een veilig, inclusief schoolklimaat waarin allen zich geaccepteerd voelen. Of wordt gezorgd voor bedoeld schoolklimaat blijkt uit uitvoering van beleid waardoor het bestuur daarin inzicht heeft en zo nodig verbeteringen realiseert. Of het schoolklimaat in overeenstemming is met basiswaarden blijkt uit het voorleven van basiswaarden en de afwezigheid van strijdigheid met basiswaarden. Of het schoolklimaat leerlingen oefenmogelijkheden biedt, blijkt uit situaties waarin leerlingen worden gestimuleerd met basiswaarden te oefenen. Of sprake is van een veilig, inclusief schoolklimaat blijkt uit informatie die inzicht geeft in de mate waarin leerlingen en personeel zich geaccepteerd voelen.

Via de standaarden voor kwaliteitszorg van bestuur en school (standaarden SKA1-3; BKA1-3) beoordeelt de inspectie tenslotte of het onderwijs aan de wettelijke eisen voldoet en het bestuur haar zorgplicht hieromtrent realiseert (standaarden SKA1-3; BKA1-3).

B. Basiswaarden van de democratische rechtsstaat

Bevordering van basiswaarden vormt een belangrijk aspect van de wettelijke burgerschapsopdracht. Basiswaarden van de democratische rechtsstaat (hierna: basiswaarden) weerspiegelen de algemene, breed erkende essentiële waarden waarop onze democratische manier van samenleven is gebaseerd. Ze zijn breed gelegitimeerd, verankerd in de nationale en internationale rechtsorde en neergelegd in onder meer de Nederlandse Grondwet en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Basiswaarden zijn kort gezegd basale, minimale en breed onderschreven waarden die de democratische rechtsstaat schragen.

De basiswaarden waarom het in het onderwijs gaat, zijn vastgelegd en uitgewerkt in het wettelijk kader in de gewijzigde burgerschapsopdracht in de onderwijswetten voor funderend onderwijs (Gewijzigd voorstel van wet, 17 november 2020. Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2020-2021, 35 352 nr. 2; memorie van toelichting en Nota naar aanleiding van het verslag, Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2019–2020, 35 352 nr. 3 en nr. 6). Die uitwerking vormt het (hiertoe begrensde) uitgangspunt voor het inspectietoezicht op basiswaarden. De navolgende uitwerking en formuleringen zijn aan dit wettelijk kader ontleend.

Basiswaarden van de democratische rechtsstaat

Het respect voor de menselijke waardigheid zonder onderscheid des persoons staat aan de basis van de drie basiswaarden van de democratische, pluriforme en Nederlandse rechtsstaat: vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. De basiswaarde vrijheid wordt bevorderd door aandacht voor vrijheid van meningsuiting en autonomie. Gelijkwaardigheid wordt bevorderd in de vorm van het gelijkheidsbeginsel en het afwijzen van discriminatie. Solidariteit wordt bevorderd door verdraagzaamheid, begrip en verantwoordelijkheidsbesef en het afwijzen van onverdraagzaamheid.

Dit betekent dat scholen aandacht besteden aan vrijheid van meningsuiting, het gelijkheidsbeginsel, begrip, verdraagzaamheid, het afwijzen van onverdraagzaamheid en discriminatie, en autonomie en verantwoordelijkheidsbesef. Deze elementen vormen in de onderwijspraktijk de minimale kern waaraan een school moet voldoen bij de bevordering van respect voor en de kennis van basiswaarden.

De burgerschapswet creëert geen nieuwe basiswaarden. Ook onder de eerdere wettelijke opdracht was sprake van bevordering van deze basiswaarden. Wel is het gewicht daarvan groter geworden. In aansluiting bij deze wettelijke kaders en ter bevordering van de continuïteit voor onderwijspraktijk en inspectietoezicht wordt in de op praktijk gerichte operationalisering uitsluitend uitgegaan van de volgende uitwerkingen. Deze uitwerkingen zijn gericht op concrete toepassing in de dagelijkse schoolpraktijk en geformuleerd op voor alle betrokkenen (inclusief leerlingen) toegankelijke wijze:

• Vrijheid van meningsuiting betekent dat je mag zeggen of schrijven wat je denkt of tegen de opvatting van anderen in mag gaan. Iedereen mag dus ook zijn of haar geloof uitdragen, of zijn of haar mening aan anderen voorhouden. Daarbij moet je je wel houden aan de wet.

• Het gelijkheidsbeginsel (ook wel gelijkheid of gelijkwaardigheid genoemd) betekent dat mensen van gelijke waarde zijn. Daarbij maakt het niet uit wat je denkbeelden zijn of wat je gelooft. Je hoeft niet te vinden dat die denkbeelden of gebruiken zelf waardevol zijn, maar wel dat mensen met andere denkbeelden en gebruiken niet minder waard zijn dan jij of dan jouw groep.

• Begrip voor anderen betekent dat je probeert te begrijpen waarom mensen of groepen bepaalde denkbeelden of gebruiken hebben: wat is de achtergrond daarvan en waarom is dat belangrijk voor een ander?

• Verdraagzaamheid (ook wel tolerantie genoemd) betekent dat je de mening of het gedrag van een ander accepteert, ook al ben je het er helemaal niet mee eens. En het betekent ook dat je iedereen de ruimte wilt geven om zo’n mening of zulk gedrag te hebben. Natuurlijk moet iedereen zich daarbij wel houden aan de wet.

• Afwijzen van onverdraagzaamheid: onverdraagzaamheid (ook wel intolerantie genoemd) is het tegenovergestelde van tolerantie. Het betekent dat je vindt dat andere mensen of groepen, dingen waar jij het niet mee eens bent niet zouden mogen denken of doen; en dat je het niet nodig vindt dat ieder de ruimte krijgt om zo’n mening of zulk gedrag te hebben.

• Afwijzen van discriminatie: discriminatie betekent dat mensen of groepen bij anderen achtergesteld worden of dat je vindt dat er voor mensen met andere denkbeelden of gebruiken niet zoveel ruimte hoeft te zijn of dat die denkbeelden of gebruiken misschien zelfs verboden moeten worden.

• Autonomie betekent dat iedereen zelf kan bepalen wie hij/zij wil zijn en hoe hij/zij zijn/haar leven wil leiden. Iedereen is dus bijvoorbeeld vrij om zelf te bepalen welke denkbeelden of welk geloof voor hem/haar belangrijk zijn/is. Daarbij moet je je wel houden aan de wet.

• Verantwoordelijkheidsbesef betekent dat mensen verantwoordelijkheid willen nemen voor wat ze zeggen en doen (en wat ze niet zeggen en doen) en dat ze daarbij rekening willen houden met wat dat voor anderen betekent. Daarbij is vooral belangrijk dat je probeert anderen niet te schaden en dat je de samenleving en de democratie wilt helpen om goed te functioneren. Hoe je dat doet, mag iedereen zelf weten.

Reikwijdte

Actieve bevordering van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat neemt binnen de wettelijke opdracht een centrale plaats in. Van scholen wordt verwacht dat zij werken aan borging en overdracht van de basiswaarden. Ten overvloede zij daarbij opgemerkt dat uit deze opdracht ook volgt dat onderwijs of handelen van de school niet in strijd met basiswaarden kan zijn. Goed burgerschapsonderwijs sluit aan bij de leefwereld van leerlingen en de interesses, problemen en risico’s die hiermee gepaard gaan. Uitgangspunt bij het toezicht is dat scholen blijk geven van inzicht in hun leerlingenpopulatie en hun leefwereld en dit, indien nodig, vertalen naar het onderwijs. Verder is van belang dat basiswaarden structureel onderdeel zijn van de schoolcultuur en dat deze daarmee in overeenstemming is. De inspectie ziet toe op de naleving daarvan via de zorg van het bestuur voor een schoolcultuur waarin alle betrokkenen basiswaarden als centrale spelregels hanteren en voorleven en voor een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met basiswaarden.

Kernfunctie Allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen

Leerlingen volgen een onderwijsloopbaan die past bij hun mogelijkheden en talenten én bij de arbeidsbehoeften van de samenleving.

Beschrijving

Het onderwijs zorgt ervoor dat leerlingen een passende onderwijsloopbaan volgen en een gelijke kans hebben om terecht te komen op het onderwijstype dat bij hen past. Het onderwijs zorgt ervoor dat leerlingen slagen in het (vervolg)onderwijs en een diploma halen waarmee ze een passende plek op de arbeidsmarkt of een passende vervolgbestemming vinden. De advisering, schoolkeuze, overgangen en aansluiting binnen het (passend) onderwijs zijn doelmatig en werpen geen belemmeringen op voor doorstroom. Met andere woorden: het onderwijs is in gelijke mate toegankelijk en beschikbaar voor alle leerlingen die er gezien hun mogelijkheden thuishoren. In vergelijking met (eerdere) trends, nationaal en internationaal, is er stabiliteit of een ontwikkeling in de richting van de ambities van de samenleving.

Voorwaarden voor realisatie van de kernfuncties

Het onderwijs is zodanig toegerust en georganiseerd dat het voor continuïteit kan zorgen en kan bijdragen aan de drie kernfuncties.

Beschrijving

Het onderwijs heeft zich zo georganiseerd dat het in staat is in een gezamenlijke dynamiek en samenwerking de drie kernfuncties van het stelsel te realiseren. Goede sturing en visie op wat bereikt moet worden zijn daarbij van belang. Ook samenwerking tussen instellingen, zoals bijvoorbeeld ten gunste van de realisatie van passend onderwijs, is zodanig dat ze bijdraagt aan de kwaliteit van het onderwijs aan leerlingen. Middelen en mogelijkheden worden voldoende ingezet en benut. Er is voldoende personeel dat is toegerust voor de gevraagde onderwijstaken. Het niveau van middelen, organisatiewijze en personeel ligt op een geaccepteerd niveau in vergelijking met (eerdere) trends, nationaal en internationaal, of ontwikkelt zich in de richting van de ambities van de samenleving.

4. Waardingeringskader besturen

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk beschrijven we het kader voor de beoordeling van de besturing door het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag bestaat uit het uitvoerend deel van het bestuur en het interne toezicht. Hoewel de functies gescheiden zijn, zorgt men er, ieder vanuit zijn eigen rol en verantwoordelijkheid, samen voor dat de kwaliteit van hun scholen gewaarborgd is en er sprake is van deugdelijk financieel beheer. Voor de leesbaarheid spreken we over het bestuur als aanduiding voor het bevoegd gezag.

We willen nagaan of het bestuur in staat is de basiskwaliteit van het onderwijs op zijn scholen te borgen, verder te verbeteren en te zorgen voor deugdelijk financieel beheer voor continuïteit in de toekomst. We beoordelen de kwaliteit van de besturing op basis van de geldende wet- en regelgeving (hierna: wettelijke vereisten) die is genoemd in het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie. Ook de invulling van de kernfuncties van het stelsel door het bestuur (zie hoofdstuk 3) heeft hier een plek.

Uit het oordeel op dit kwaliteitsgebied blijkt of het bestuur in staat is om met zijn (be)sturing de kwaliteit van het onderwijs op de scholen te waarborgen en verder te ontwikkelen. Met deze kennis over de kwaliteit van de sturing, richten we het (vervolg)toezicht proportioneel in (zie hoofdstuk 7).

Naast het waarderingskader met standaarden voor besturing, kwaliteitszorg en ambitie op bestuursniveau (BKA) zijn er ook standaarden voor sturen, kwaliteitszorg en ambitie op schoolniveau (SKA). Deze standaarden zijn opgenomen in het waarderingskader voor scholen en beschrijven we in hoofdstuk 5. We maken onderscheid tussen besturen en scholen, omdat de besturing (van een of meerdere scholen) door het bestuur en de sturing (op een school) door schoolleiders van elkaar verschillen. Met dit onderscheid kunnen we het toezicht beter laten aansluiten bij de verantwoordelijkheden en werkwijzen van besturen en scholen. Deze niveaus staan allerminst los van elkaar. Het bestuur geeft de kaders voor kwaliteit en financieel beheer aan waarbinnen de schoolleiders hun verantwoordelijkheid voor de sturing van de kwaliteit op school vormgeven. Het bestuur en de scholen zorgen gezamenlijk voor het behalen van beoogde resultaten rondom onderwijskwaliteit en financiële kwaliteit.

In paragraaf 4.2 lichten we toe hoe het waarderingskader voor besturen is opgebouwd. In aansluiting daarop beschrijven we in paragraaf 4.3 de inhoud van dat waarderingskader.

4.2 Opbouw van het kader

De kern van het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie (BKA) is dat het bestuur zorgt voor besturing van de onderwijskwaliteit op de scholen en voor een goede organisatie en kwaliteitscultuur. Dat maakt dat leerlingen kunnen leren en zich kunnen ontwikkelen in een veilige omgeving. Ook het financieel beheer, waaronder financiële continuïteit, rechtmatigheid en doelmatigheid, is hiervan integraal onderdeel. Wij beschouwen de besturing als een cyclisch proces. De drie standaarden van het waarderingskader samen geven zicht op de kwaliteitscyclus van het bestuur. Als deze cyclus op orde is, is het bestuur in staat de basiskwaliteit te realiseren en te borgen, het onderwijs te verbeteren en te zorgen voor deugdelijk financieel beheer. Hiermee draagt het bestuur bij aan de kernfuncties van het stelsel. Bovendien bestaat er dan een ontwikkelingsgerichte kwaliteitscultuur: beleid wordt opgevolgd en na evaluatie bijgesteld.

In de eerste standaard (BKA1) beoordelen we de manier waarop het bestuur de besturing en de randvoorwaarden inricht aan de hand van een visie op onderwijs, uitgewerkt in ambities en doelen. Dit raakt ook de kernfuncties van het stelsel, zoals verwoord in hoofdstuk 3. In de tweede standaard (BKA2) staat de uitvoering centraal: hoe stuurt het bestuur op het realiseren van de visie, ambities en doelen en wat voor kwaliteitscultuur is er? In de derde standaard (BKA3), ten slotte, onderzoeken we hoe het bestuur evalueert en analyseert, verantwoording aflegt aan anderen en de samenleving, reflecteert op de resultaten en erover in gesprek gaat. Dit leidt tot bijstelling en verdere ontwikkeling van de visie, ambities en doelen, zoals bedoeld in de eerste standaard, en maakt de cyclus van (in)richten, uitvoeren en evalueren compleet. De kwaliteitscultuur is van belang voor een effectieve sturing op deze cyclus (de standaarden samen). Daardoor wordt de kwaliteit van het onderwijs gewaarborgd.

4.3 Kwaliteitsgebied en standaarden

Het waarderingskader voor besturen, het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie (BKA), is onderverdeeld in drie standaarden die (in)richting, uitvoering en evaluatie omvatten. Deze standaarden zijn met elkaar verbonden en vertegenwoordigen samen het stelsel van kwaliteitszorg. Dit betekent dat we deze standaarden in samenhang onderzoeken.

Bij elke standaard geven we aan wat we onder basiskwaliteit verstaan en wat de wet van besturen vraagt (wat moet het bestuur?).35 We gaan ervan uit dat besturen (be)sturen vanuit visie en ambitie. Naast de ambities die besturen hebben om de wettelijke verplichtingen na te leven, zijn er ambities die meer omvatten dan de basiskwaliteit. Wij noemen dit de aanvullende ambities. Ook over deze ambities gaan we met besturen in gesprek. We kunnen daaraan een waardering koppelen, namelijk de waardering Goed. Het is de invulling van de stimulerende functie van het toezicht. In het waarderingskader komt dit tot uitdrukking in vragen naar de realisatie van aanvullende ambities van het bestuur. Met het geheel aan ambities dragen besturen bij aan de kernfuncties van het onderwijsstelsel.

KWALITEITSGEBIED BESTURING, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (BKA)

BKA1. Visie, ambities en doelen

Het bestuur heeft een visie op kwaliteit, heeft hiervoor ambities en doelen opgesteld en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

Het bestuur heeft een visie op goed onderwijs en op de besturing daarvan. De visie is concreet en passend vertaald naar ambities, doelen en daarmee samenhangend beleid. Deze vertaling maakt sturing mogelijk op de kwaliteit en resultaten van het onderwijs en de voorwaarden. Daartoe is een stelsel van kwaliteitszorg ingericht dat het bestuur in staat stelt de basiskwaliteit van het onderwijs te waarborgen.

De doelen betreffen in elk geval de naleving van wettelijke eisen, waaronder de wettelijke vereisten voor het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces en de manier van toetsen. De visie, ambities en doelen omvatten uitwerkingen van eerdere evaluatieresultaten en resultaten van interne en externe dialoog.

Het bestuur zorgt er met betrokkenheid van de scholen voor dat de visie, ambities, doelen en het beleid sturend zijn voor de verbetering van het onderwijs aan leerlingen. Scholen formuleren op hun beurt doelen die aansluiten bij wat leerlingen nodig hebben met het oog op hun doorgaande onderwijsloopbaan.

Het bestuur richt de voorwaarden in om de doelen te bereiken, waaronder de inzet en het beheer van de (financiële) middelen voor het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijsproces, het schoolklimaat en de resultaten. Het bestuur heeft daartoe een meerjarenbegroting waarin de relatie met het beleid en de doelen duidelijk zijn toegelicht. Er is voor de sturing op (financiële) kwaliteit een functionerende verantwoordelijkheidsverdeling tussen de interne toezichthouder, het bestuur en de scholen afgesproken, op basis van de geldende wet- en regelgeving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

• Artikel 11, eerste lid, WEC: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen.

• Artikel 19 en artikel 21, vierde lid, WEC: Het bestuur draagt zorg voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er toetsbare doelen zijn geformuleerd.

• Artikel 21, eerste, tweede, derde en vierde lid, WEC: Het bestuur zorgt ervoor dat alle scholen een schoolplan hebben. Het schoolplan omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg. Bij de beschrijving van het onderwijskundig beleid wordt het schoolondersteuningsprofiel betrokken. Dit bevat een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven.

• Artikel 28h, eerste lid, WEC: Er moet sprake zijn van een functionele of organieke scheiding tussen uitvoerend deel van het bestuur en intern toezicht.

• Artikel 28i, eerste lid, sub c, WEC: De interne toezichthouder ziet erop toe dat het bestuur de middelen doelmatig en rechtmatig besteedt en aanwendt.

• Artikel 29, zevende lid, WEC: Het bestuur stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van de verschillende categorieën personeel van de scholen.

• Artikel 31, eerste lid, WEC: Het bestuur stelt een managementstatuut vast waaruit de verantwoordelijkheidsverdeling in de aansturing van de school blijkt.

• Artikel 143 en 161, WEC [jo AMvB] en artikel 43, Besluit bekostiging WEC: Het bestuur moet de rijksbekostiging rechtmatig besteden en moet evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen voorkomen.

• Artikel 157 WEC en jo. artikel 4, vierde lid, RJO: Het bestuur maakt jaarlijks een jaarverslag waarin de resultaten van het financieel beleid en de continuïteitsparagraaf staan opgenomen.

• RJO, jo. artikel 157, WEC: De wijze waarop door het bestuur verslag wordt gedaan van het financieel beheer gebeurt overeenkomstig de daarvoor in de RJO gestelde regels.

BKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

Het bestuur realiseert samen met de scholen de doelen voor kwaliteit, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

Het bestuur geeft als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg met de scholen effectief uitvoering aan de visie en de doelen voor onderwijskwaliteit. Aan de transparante, integere kwaliteitscultuur is zichtbaar dat deze bijdraagt aan de gestelde doelen.

Het bestuur bevordert een op samenwerken, leren en verbeteren gerichte kwaliteitscultuur, zodat de doelen en ambities gerealiseerd kunnen worden. Het bestuur zorgt ervoor dat het onderwijskundig leiderschap op alle niveaus herkenbaar verankerd is in de organisatie. Ook bevordert het bestuur dat de schoolleiding en teams gezamenlijk werken aan hun professionaliteit in relatie tot de bekwaamheidseisen en aan een verbetercultuur.

Binnen de kwaliteitscultuur geeft het bestuur uitvoering aan kwaliteitszorg gericht op de kwaliteit van het onderwijs, de afspraken uit het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband passend onderwijs en de naleving van wettelijke voorschriften. Het bestuur bewaakt en bevordert dat de uitvoering in overeenstemming is met het beleid, zodat de doelen worden bereikt. Het bestuur houdt zicht op de uitvoering van het beleid en op de nagestreefde verbeteringen en stuurt daarop, zo nodig, tussentijds bij.

De beschikbare (financiële) middelen dragen bij aan de realisatie van de door het bestuur gestelde doelen en worden doelmatig en rechtmatig aangewend. Als onderdeel van zijn taak ziet de interne toezichthouder daarop toe. Het bestuur voorkomt evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen. Daarnaast stuurt het bestuur op effectief financieel beheer, zodat de continuïteit van het onderwijs gewaarborgd is en bekostiging rechtmatig verkregen wordt.

Het interne toezicht geeft voorts onafhankelijk en deugdelijk invulling aan zijn taak en wordt daarin gefaciliteerd door het uitvoerend deel van het bestuur.1 Het bestuur zorgt voor goed functionerende medezeggenschap en opereert volgens een code Goed Bestuur of legt in het jaarverslag uit als het daar eventueel van afwijkt en waarom dat het geval is. Als laatste zorgt het bestuur voor een doeltreffende verwerking van interne en externe signalen en klachten.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 9, eerste lid, sub b, WEC: Een taak van instellingen is het ambulant begeleiden van leerlingen in het regulier onderwijs.

• Artikel 19 en 21, vierde lid, WEC: Bestuur en schoolleiding zorgen ervoor dat de wet wordt nageleefd en er indien nodig verbetermaatregelen komen voor de kwaliteit. Dat houdt onder andere in dat het bestuur en de scholen zicht hebben op de kwaliteit van het onderwijs. Daarbij moet het functioneren van de kwaliteitscyclus centraal staan.

• Artikel 21, eerste en derde lid, artikel 32b en artikel 34a, WEC: Het bestuur zorgt voor bevoegd personeel en maakt het onderhouden en uitbreiden van de bekwaamheid mogelijk.

• Artikel 22, eerste lid, sub e, WEC: Het bestuur communiceert over de klachtenregeling in de schoolgids(en).

• Artikel 23 WEC: Het bestuur heeft een klachtenregeling die leidt tot een deugdelijke klachtbehandeling waarbij voldaan wordt aan de specifieke vereisten die dit artikel noemt.

• Artikel 28g, jo. 10, WEC: Het bestuur draagt, mede in verband met de verplichting bedoeld in artikel 19, zorg voor een goed bestuurde school met een scheiding tussen het uitvoerend deel van het bestuur en het toezicht en met een rechtmatig bestuur en beheer.

• Artikel 28h WEC: De interne toezichthouder (of lid daarvan) functioneert onafhankelijk van het uitvoerend deel van het bestuur.

• Artikel 28i WEC: De interne toezichthouder houdt toezicht op de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden door het uitvoerend deel van het bestuur, staat het uitvoerend deel van het bestuur met raad terzijde en heeft ten minste bepaalde taken.

• Artikel 28i, tweede en vierde lid WEC: De taken en bevoegdheden van de interne toezichthouder of het intern toezichthoudend orgaan zijn zodanig dat hij een deugdelijk en onafhankelijk intern toezicht kan uitoefenen.

• Artikel 31a, derde en vierde lid, WEC: De school dient leraren een zelfstandige verantwoordelijkheid te geven bij de beoordeling van de onderwijsprestaties van leerlingen en voldoende zeggenschap te geven waar het gaat om het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de school.

• Artikel 143 en 161, WEC [jo AMvB] en artikel 43, Besluit bekostiging WEC: Het bestuur moet de rijksbekostiging rechtmatig besteden en moet evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen voorkomen.

• Artikel 143b WEC: Het bestuur beheert de middelen van de school op zodanige wijze dat het voortbestaan van de school is verzekerd.

• Artikel 157, eerste lid, sub a, WEC: Het bestuur dient een code Goed Bestuur te hanteren en verantwoordt zich over eventuele afwijkingen in het jaarverslag.

• Artikel 161, vierde lid, WEC: Als sprake is van evident ondoelmatige aanwending, kunnen daar financiële gevolgen aan worden verbonden, zoals wijziging van de bekostiging en het terugvorderen van het onverschuldigd betaalde deel van de bekostiging.2

• Artikel 161, vijfde lid, WEC [jo AMvB]: Bij of krachtens AMvB worden nadere regels gesteld over de wijze waarop wordt vastgesteld dat sprake is van evident ondoelmatige aanwending van de bekostiging.

• Artikel 4, vierde lid, RJO: Het bestuur zorgt voor een continuïteitsparagraaf in de jaarverslaggeving.

BKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

Het bestuur evalueert en analyseert systematisch of het de doelen realiseert en verantwoordt zich hierover. Het stelt wanneer dat nodig is het beleid bij en betrekt daartoe interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

Het bestuur evalueert en beoordeelt als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de ambities, de doelen en het beleid worden gerealiseerd. Op deze manier krijgt het bestuur zicht op de gerealiseerde (financiële) kwaliteit en de resultaten van het onderwijs aan leerlingen. Bij de evaluatie en beoordeling van het beleid en de onderwijskwaliteit haalt het bestuur actief externe informatie op en gebruikt deze informatie bij de evaluatie en beoordeling. Op basis van de evaluatie reageert het bestuur tijdig op mogelijke kansen en bedreigingen, stelt wanneer nodig (verbeter)beleid op en treft passende maatregelen om de kwaliteit van het onderwijs op de scholen te borgen.

Het bestuur legt verantwoording af door middel van accurate, actuele en openbaar toegankelijke informatie over de gerealiseerde kwaliteit. Het brengt minimaal jaarlijks verslag uit aan zijn in- en externe belanghebbenden over zijn doelen en de resultaten van de opleidingen. De verantwoording in het jaarverslag is betrouwbaar en (de inhoud van) het jaarverslag voldoet aan de wettelijke vereisten.

Het bestuur verantwoordt zich daarbij ten minste over het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces, de manier van toetsen en het financieel beheer. De reflectie op de uitkomsten van de evaluatie geeft alle lagen van de organisatie, intern toezicht en de medezeggenschap voldoende inzicht in de effectiviteit van de besturing en uitvoering. Het bestuur analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verantwoording. Vervolgens verwerkt het bestuur deze wanneer nodig in bijstelling van ambities, (verbeter)doelen en beleid of nieuwe ambities zodat de opbrengst van de dialoog bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwijs en de sturing daarop. Het bestuur organiseert ook de dialoog hierover met interne en externe belanghebbenden, waarbij in elk geval leerlingen, personeel, het regionale bedrijfsleven en de interne toezichthouder zijn betrokken. Het bestuur werkt bovendien actief samen met andere partijen aan doelen die het bestuurlijk belang overstijgen en de kernfuncties raken. Zo komt het bestuur de afspraken uit het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband passend onderwijs na en verantwoordt zich hierover.

Aanvullende ambities

Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1, en artikel 3, sub f, RJO, jo. artikel 103, WEC: Het bestuur informeert jaarlijks interne en externe belanghebbenden over het gevoerde en voorgenomen beleid en over de uitkomsten van het gevoerde beleid.

• Artikel 4, vierde lid, RJO, jo. artikel 157, WEC: Het bestuur maakt jaarlijks een jaarverslag waarin naast de resultaten van het financieel beleid ook verantwoording wordt gegeven over toekomstige ontwikkelingen van het onderwijs.

• Artikel 8 WMS: De (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad ((G)MR) ontvangt tijdig alle inlichtingen van het bestuur die redelijkerwijs nodig zijn om zijn taak te kunnen vervullen en ontvangt in elk geval bepaalde in de wet beschreven informatie.

• Artikel 10 WMS: In bepaalde gevallen heeft het bevoegde gezag voorafgaand instemming van de (G)MR nodig voor besluiten die op dat geval betrekking hebben (bijvoorbeeld bij verandering van de onderwijskundige doelstellingen van de school).

• Artikel 11 WMS: Het bestuur moet de (G)MR vooraf in de gelegenheid stellen om te adviseren over besluiten bij bepaalde aangelegenheden (bijvoorbeeld vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de school).

• Artikel 12 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het personeelsdeel van de (G)MR bij besluiten bij bepaalde aangelegenheden (bijvoorbeeld bij de vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie).

• Artikel 14 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het ouder- en leerlingdeel van de (G)MR over bepaalde besluiten (bijvoorbeeld bij de vaststelling van de schoolgids).

• Artikel 19 en artikel 21, vierde lid, WEC: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er regelmatig wordt geëvalueerd of deze doelen worden gehaald.

• Artikel 157, eerste lid, sub a, WEC: Het bestuur dient een code Goed Bestuur te hanteren en verantwoordt zich over eventuele afwijkingen in het jaarverslag.

• Artikel 157, zevende en achtste lid, WEC: Het bestuur maakt het jaarverslag openbaar. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de wijze en het tijdstip waarop openbaarmaking van het jaarverslag plaatsvindt.

• RJO, jo. artikel 157, WEC: De wijze waarop door het bestuur verslag wordt gedaan van het financieel beheer gebeurt overeenkomstig de daarvoor in de RJO gestelde regels.

X Noot
1

Volgens artikel 1, sub c, RJO: het geheel van verslaggevingsdocumenten bestaande uit de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392, titel 9, boek 2, BW.

X Noot
2

Met het amendement (Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 102, nr. 11) is geregeld dat een bekostigingssanctie, alleen kan worden opgelegd aan het bestuur nadat bij AMvB een nadere invulling wordt gegeven aan het begrip ‘evident ondoelmatige besteding’. Zonder deze algemene maatregel van bestuur is handhaving op ‘evident ondoelmatige besteding’ niet mogelijk. Tot de datum van inwerkingtreding van de AMvB richt de inspectie zich op haar stimulerende taak op dit gebied en zal alleen een Onvoldoende worden gegeven als een bestuur niet voldoet aan de op dit moment bij de basiskwaliteit opgenomen elementen.

5. Waarderingskader scholen

5.1 Inleiding

In het vorige hoofdstuk beschreven we het kader voor de beoordeling van de besturing door het bestuur. In dit hoofdstuk beschrijven we het waarderingskader voor het beoordelen van de kwaliteit op scholen. Deze kaders hangen nauw met elkaar samen. Het bestuur geeft de kaders voor kwaliteit en financieel beheer aan waarbinnen schoolleiders hun verantwoordelijkheid voor de sturing van de kwaliteit op school vormgeven. Dit waarderingskader bevat naast standaarden over sturen en kwaliteit ook standaarden over het onderwijsproces, het schoolklimaat en de onderwijsresultaten. De standaarden over sturen, kwaliteitszorg en ambitie op schoolniveau (SKA) hangen samen met die over besturing, kwaliteitszorg en ambitie op bestuursniveau (BKA) en zijn toegespitst op de wettelijke eisen op schoolniveau.

We gebruiken het waarderingskader voor scholen wanneer we onderzoek doen op schoolniveau.

We beschrijven de opbouw van het kader in paragraaf 5.2. In paragraaf 5.3 is vervolgens het waarderingskader op schoolniveau opgenomen. In de laatste paragraaf, 5.4, gaan we in op de overige wettelijke vereisten, die niet aan een standaard zijn gekoppeld.

5.2 Opbouw van het kader

In het waarderingskader op schoolniveau onderscheiden we vier kwaliteitsgebieden: Onderwijsproces, Veiligheid en schoolklimaat, Onderwijsresultaten, en Sturen, kwaliteitszorg en ambitie. Met het waarderingskader krijgen we antwoord op de drie elementaire vragen over het onderwijs voor leerlingen: krijgen ze goed onderwijs (Onderwijsproces), voelen ze zich veilig (Veiligheid en schoolklimaat), en leren ze genoeg (Onderwijsresultaten)? Daarnaast kijken we naar de sturing op en de verbetering van de kwaliteit (Sturen, kwaliteitszorg en ambitie). Dit zijn belangrijke aspecten voor de kwaliteit en ontwikkeling van het onderwijs aan leerlingen. We beoordelen bij de kwaliteit van het onderwijs het geheel van de prestaties van de school op deze vier gebieden. Het financieel beheer beoordeelt de inspectie op het niveau van het bestuur.

Het waarderingskader (voortgezet) speciaal onderwijs heeft de volgende opbouw:36

KWALITEITSGEBIEDEN EN STANDAARDEN SO SCHOOLNIVEAU

OP ONDERWIJSPROCES

OP1

Aanbod

OP2

Zicht op ontwikkeling en begeleiding

OP3

Pedagogisch-didactisch handelen

OP4

Onderwijstijd

OP5

Praktijkvorming/stage

OP6

Afsluiting

VS VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT

VS1

Veiligheid

VS2

Schoolklimaat

OR ONDERWIJSRESULTATEN

OR1

Resultaten

OR2

Sociale en maatschappelijke competenties

SKA STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE

SKA1

Visie, ambities en doelen

SKA2

Uitvoering en kwaliteitscultuur

SKA3

Evaluatie, verantwoording en dialoog

5.3 Kwaliteitsgebieden en standaarden

Het waarderingskader (voortgezet) speciaal onderwijs op schoolniveau telt per gebied een aantal standaarden, in totaal dertien. Bij elke standaard is aangegeven wat we verstaan onder de basiskwaliteit (wat móet de school op orde hebben?).37 Ter onderbouwing van de eisen voor basiskwaliteit geven we per standaard de wettelijke eisen weer die van toepassing zijn. We noemen de wettelijke eisen ook wel deugdelijkheidseisen.

In de praktijk hebben scholen ambities die raken aan basiskwaliteit. Scholen doen echter vaak meer. Naast de ambities binnen de basiskwaliteit hebben scholen ook ambities die daarboven uitstijgen en die scholen met het bestuur hebben geformuleerd. Voor deze eigen ambities vormt het schoolplan de basis. Over het geheel aan ambities gaan we met de scholen in gesprek. We kunnen daaraan een waardering koppelen, namelijk de waardering Goed. Dit is de invulling van de stimulerende functie van ons toezicht. In het waarderingskader komt dit tot uitdrukking in vragen naar de realisatie van aanvullende ambities.

Met het geheel aan ambities, zowel voor de basiskwaliteit als ambities die daarboven uitstijgen, dragen scholen met hun besturen bij aan de kwaliteit van de kernfuncties van het onderwijsstelsel.

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSPROCES (OP)

OP1. Aanbod

Het aanbod bereidt de leerlingen voor op een vervolgbestemming en de samenleving.

Basiskwaliteit

De school bereidt de leerlingen voor op vervolgonderwijs, arbeid of dagbesteding en op de samenleving. Zij biedt een breed en op de kerndoelen1 gebaseerd aanbod dat, voor leerlingen die het niveau aankunnen, ook de referentieniveaus taal en rekenen omvat. Voor het vso-uitstroomprofiel vervolgonderwijs is het aanbod dekkend voor de examenprogramma’s. Wanneer samenwerking met reguliere scholen noodzakelijk is om de examenprogramma’s te realiseren, heeft de school dit georganiseerd. Onder aanbod verstaan we alle lesinhouden, ook die digitaal zijn of online aangeboden worden. Het aanbod van de school is afgestemd op de leerlingenpopulatie en sluit aan bij het (taal)niveau en de onderwijsbehoeften van de leerlingen. Het aanbod wordt waar nodig gedurende de schoolloopbaan verdiept en verbreed, zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. Het aanbod is doelgericht, samenhangend en herkenbaar. Bovendien heeft de school de leerinhouden evenwichtig en in samenhang over de leerjaren verdeeld.

Het aanbod draagt bij aan het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en aan het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die leerlingen in staat stellen deel uit te maken en bij te dragen aan de pluriforme, democratische samenleving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het aanbod en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 11, eerste lid, WEC: Het onderwijs wordt afgestemd op de ontwikkelingsmogelijkheden van de leerlingen. Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerling een ononderbroken ontwikkelingsproces kan doorlopen. Zo mogelijk brengt het kinderen tot het volgen van gewoon onderwijs in basisscholen of scholen voor voortgezet onderwijs.

• Artikel 11, derde en vierde lid, WEC: Het onderwijs is gericht op de emotionele en verstandelijke ontwikkeling, op het ontwikkelen van creativiteit, het verwerven van noodzakelijke kennis en van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden.

• Artikel 11, vierde lid, WEC: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 11, zevende lid, artikel 13, dertiende lid, en artikel 14c, twaalfde lid, WEC: Bij de verzorging van het onderwijs op basis van de kerndoelen voor Nederlandse taal en rekenen en wiskunde neemt de school de referentieniveaus van taal en rekenen (zo veel mogelijk) als uitgangspunt.

• Artikel 13, 14a, 14c en 14f, WEC en Besluit Kerndoelen WEC: Het onderwijsaanbod voldoet aan de kerndoelen en de referentieniveaus en is – waar mogelijk – in samenhang ingericht.

• Artikel 14a, tweede lid, WEC: Het onderwijs in het voortgezet speciaal onderwijs

– uitstroomprofiel vervolgonderwijs – is ingericht op basis van de eindexamenprogramma’s. Die programma’s en het onderwijs in dit profiel verlopen volgens de voorschriften die voortvloeien uit de toepasselijke artikelen in de Wet op het voortgezet onderwijs.

• Artikel 14c en 14f, WEC, en Besluit Kerndoelen WEC: Het onderwijs in de uitstroomprofielen dagbesteding en arbeid besteedt aandacht aan de voorbereiding op dagbesteding en arbeid.

• Artikel 21, tweede lid, sub a, WEC: Het schoolplan bevat de uitwerking van de wettelijke opdrachten voor de uitgangspunten, doelstellingen en inhoud van het onderwijs.

OP2. Zicht op ontwikkeling en begeleiding

De school volgt de ontwikkeling van de leerlingen en biedt waar nodig passende begeleiding en extra ondersteuning.

Basiskwaliteit

De school verzamelt vanaf binnenkomst systematisch informatie over de kennis en vaardigheden van leerlingen op alle voor het onderwijs belangrijke domeinen. De school stelt voor elke leerling op basis van alle leerlinggegevens een passend ontwikkelingsperspectief op dat sturing geeft aan het plannen en volgen van de ontwikkeling van de leerlingen. Het onderwijs is erop gericht dat leerlingen indien mogelijk kunnen doorstromen naar het regulier onderwijs. De school betrekt ouders bij de inhoud, uitvoering en evaluatie van het ontwikkelingsperspectief.

Het verzamelen van (toets)informatie gebeurt systematisch en zorgvuldig en voor de kennisgebieden taal en rekenen/wiskunde met behulp van genormeerde toetsen. Voor het verzamelen en vastleggen van (toets)informatie gebruikt de school een leerling- en onderwijsvolgssysteem. Met deze informatie is het mogelijk om het onderwijs af te stemmen op de onderwijsbehoeften van zowel groepen als individuele leerlingen. Het stelt de school in staat zorg te dragen voor de ontwikkeling en begeleiding van de leerling. De school waarborgt daarmee voor leerlingen de ononderbroken ontwikkeling en voortgang daarin en heeft daarbij oog voor de bevordering van gelijke kansen. De school informeert ouders regelmatig over de ontwikkeling en vorderingen van hun kind.

Wanneer individuele of groepen leerlingen niet genoeg lijken te profiteren van het onderwijs, analyseert de school waar de ontwikkeling stagneert en wat mogelijke verklaringen hiervoor zijn. Vervolgens bepaalt zij wat er nodig is om op eventuele achterstanden of voorsprongen in de ontwikkeling van leerlingen in te spelen. De school biedt de begeleiding op cognitief, sociaal en/of motorisch gebied vervolgens gestructureerd aan. Waar nodig betrekt de school het samenwerkingsverband, de gemeente en zorginstanties bij de begeleiding van de leerlingen.

De leerlingen krijgen daarmee de begeleiding die zij nodig hebben om het onderwijsprogramma beter te kunnen doorlopen. De school besteedt op een structurele en herkenbare manier aandacht aan het bestrijden van (taal)achterstanden.

De school heeft in het schoolondersteuningsprofiel vastgelegd welke voorzieningen de school kan bieden voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. De school voert de geplande ondersteuning uit. De school vervult de zorgplicht passend onderwijs. Wanneer de school de extra ondersteuning voor een leerling niet kan bieden, zoekt de school in samenwerking met ouders en zo nodig het samenwerkingsverband een passende onderwijsplek.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor zicht op ontwikkeling en begeleiding en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1 WEC: In het schoolondersteuningsprofiel is vastgelegd welke voorzieningen zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.

• Artikel 11, eerste lid, WEC: Het onderwijs wordt afgestemd op de ontwikkelingsmogelijkheden van de leerling. De school waarborgt de ononderbroken ontwikkeling van de leerling. Zo nodig treedt het bestuur hiervoor in overleg met het samenwerkingsverband, gemeentes en zorginstanties.

• Artikel 11, tweede lid, WEC: Het bestuur stelt ten minste eenmaal in de 4 jaar een schoolondersteuningsprofiel vast.

• Artikel 11, derde lid, WEC: De school werkt herkenbaar en gestructureerd aan de bestrijding van achterstanden.

• Artikel 11, vierde lid, WEC: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze. Dat omvat onder meer regelmatig monitoren van de ontwikkeling van burgerschapscompetenties, om het onderwijs af te stemmen op de actuele leerbehoefte van leerlingen.

• Artikel 11, zevende lid, WEC: De school volgt de vorderingen van de leerlingen in kennis en vaardigheden door middel van een leerling- en onderwijsvolgsysteem. Bij taal en rekenen/wiskunde gebeurt dit met genormeerde toetsen.

• Artikel 20 WEC: De school houdt de ouders (of de leerlingen als zij meerderjarig en handelingsbekwaam zijn) op de hoogte van de vorderingen van de leerlingen.

• Artikel 21, tweede lid, WEC: De school heeft in het schoolplan beschreven op welke wijze het schoolondersteuningsprofiel wordt betrokken bij het onderwijskundig beleid.

• Artikel 21, vierde lid, sub a, WEC: De school heeft de wijze waarop het onderwijs wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen in het schoolplan beschreven.

• Artikel 40, derde lid, WEC: De school beoordeelt of de leerling extra ondersteuning nodig heeft.

• Artikel 40, vijfde lid en achttiende lid, WEC: De school houdt zich aan de zorgplicht passend onderwijs.

• Artikel 41a, eerste en derde lid, WPO: Het bestuur stelt, na op overeenstemming gericht overleg met de ouders of de leerling, een ontwikkelingsperspectief vast voor een leerling waarvoor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt verzorgd.

• Artikel 41a, tweede lid, WEC: Over het handelingsdeel van het ontwikkelperspectief dient door het bestuur, na advies van de commissie voor de begeleiding of onderzoek, overeenstemming met de ouders te worden bereikt.

• Artikel 41a, vierde lid, WEC: Het bestuur evalueert het ontwikkelingsperspectief minimaal eens per schooljaar met de ouders of leerling.

• Artikel 41a, vijfde lid, WEC: De school kan het ontwikkelingsperspectief bijstellen na advies van de commissie voor de begeleiding en na overleg met de ouders of leerling.

OP3. Pedagogisch-didactisch handelen

Het pedagogisch-didactisch handelen van de leraren stelt leerlingen in staat om te leren en zich te ontwikkelen.

Basiskwaliteit

De pedagogisch-didactische visie van de school is zichtbaar in het dagelijks handelen van de leraren.

De leraren plannen en structureren hun (ortho-)pedagogisch en -didactisch handelen met behulp van informatie die zij over leerlingen hebben. Zij maken pedagogische en didactische keuzes en stemmen daarbij het niveau van hun onderwijs af op het beoogde eindniveau van de leerlingen. De leerstof omvat kennis, vaardigheden en attitudes en wordt in een logische opbouw aangeboden.

De leraren creëren een pedagogisch en didactisch passend en stimulerend leerklimaat, waardoor leerlingen actief en betrokken zijn. Met geschikte opdrachten en heldere uitleg structureren de leraren het onderwijsaanbod zo dat de leerlingen zich het leerstofaanbod eigen kunnen maken. Leraren hebben hoge verwachtingen van leerlingen en geven leerlingen feedback op hun leerproces.

De leraren stemmen de instructies, begeleiding, opdrachten en onderwijstijd doelgericht af op de onderwijsbehoeften van groepen en individuele leerlingen, inclusief op de sociale en maatschappelijke competenties. De afstemming is zowel gericht op (pedagogische) ondersteuning als op uitdaging, afhankelijk van de onderwijsbehoeften van leerlingen.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het pedagogisch-didactisch handelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 11, eerste lid, WEC: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen; leerlingen kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen. Voor deze ‘ononderbroken ontwikkeling’ is het nodig dat het onderwijs aansluit bij het ontwikkelingsniveau van de leerling.

• Artikel 11, vierde lid, WEC: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 21, tweede en derde lid, WEC: De school heeft haar beleid over het pedagogisch-didactisch handelen in het schoolplan geformuleerd. Het beleid over het pedagogisch-didactisch handelen is zichtbaar in het dagelijks handelen van de leraren.

OP4. Onderwijstijd

De leerlingen krijgen voldoende tijd om zich het aanbod eigen te maken.

Basiskwaliteit

De school biedt een programma aan dat voldoet aan de wettelijk verplichte onderwijstijd. De school stelt daartoe, met instemming van de medezeggenschapsraad, vast welke activiteiten onder de onderwijstijd vallen. De school plant de onderwijsactiviteiten weloverwogen over het schooljaar en deze worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van bevoegde leraren.

De school verdeelt de tijd zo over de vakken dat leerlingen in staat zijn het verplichte onderwijsprogramma tot zich te nemen. De school heeft beleid om ongeoorloofd verzuim en voortijdig schoolverlaten van leerlingen tegen te gaan, zodat ook op leerlingniveau gestreefd wordt de onderwijstijd te behalen.

De school maakt, zo nodig, volgens de wettelijke voorschriften gebruik van de mogelijkheden om, in het belang van de individuele leerling, af te wijken van de verplichte onderwijstijd en/of van de mogelijkheid om een leerling een deel van de onderwijstijd door te laten brengen op een andere school.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de onderwijstijd en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 6g, vijfde lid, WVO: De onderwijstijd in het voortgezet speciaal onderwijs- uitstroomprofiel vervolgonderwijs -wordt ingevuld met activiteiten die worden verzorgd in het onderwijsprogramma.

• Artikel 12, eerste lid, WEC, artikel 14a, tweede lid, WEC, jo. artikel 6g en 6g1, WVO, artikel 25, eerste lid, WEC: De school verzorgt minimaal het wettelijk verplichte aantal uren en dagen onderwijs.

• Artikel 12, tweede lid, artikel 14a, tweede lid, sub f, en artikel 25, vijfde lid, WEC, jo. Beleidsregel inzake het instemmen met afwijking oderwijstijd WEC: Voor het afwijken van de onderwijstijd vraagt het bestuur in bepaalde gevallen instemming van de inspectie.

• Artikel 13, tweede lid, en artikel 14, vierde lid, WMS: De medezeggenschapsraad (het ouder-/leerlingendeel) moet, voorafgaand aan instemming met de vaststelling van de schoolgids, instemmen met:

– welke soorten onderwijsactiviteiten binnen de onderwijstijd vallen;

– wat het beleid is voor lesuitval;

– op welke dagen de school geen onderwijs verzorgt.

• Artikel 22, eerste lid, sub i, WEC: De school heeft haar verzuimbeleid opgenomen in de schoolgids.

• Artikel 24 WEC, en artikel 12, eerste en tweede lid, Onderwijskundig besluit WEC: Een school voor (speciaal) basisonderwijs, een school voor voortgezet onderwijs of een instelling voor educatie en beroepsonderwijs kan een deel van een schoolplan uitvoeren voor zover het betrekking heeft op speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs. Hiertoe stellen de besturen een symbiose-overeenkomst op.

• Artikel 24 WEC, artikel 12 en artikel 13, Onderwijskundig besluit: Als een leerling een deel van het onderwijsprogramma onderwijs ontvangt op een andere school en het bestuur voldoet aan de voorwaarden daarvoor, dan telt die tijd mee voor het aantal uren onderwijs dat de leerling ten minste moet ontvangen.

• Artikel 32, vijfde lid, WEC: Leraren die voldoen aan de vereisten van artikel 3, WEC of artikel 56, WVO verzorgen het onderwijs.

OP5. Praktijkvorming/stage

De voorbereiding, uitvoering en begeleiding van de praktijkvorming/stage zijn doeltreffend.

Basiskwaliteit

De stages in het kader van de beroepspraktijkvorming en/of de maatschappelijke stage dragen bij aan de geplande leeractiviteiten. Het doel, de inhoud, de omvang en de organisatie van de stage worden beschreven in het stageplan. De school maakt afspraken met de leerling over welke leeractiviteiten de leerling ontplooit in het kader van het stageplan. De school begeleidt de leerling bij de voorbereiding en bij de keuze van een stageplek, stelt hiervoor samen met de leerling en het stagebedrijf de vereiste stageovereenkomst op en draagt zorg voor de verzekering van leerling en stageleraar. De begeleiding en de wijze van beoordeling verlopen op de afgesproken wijze en de school is op de hoogte van het functioneren van de leerling op de stageplek en stuurt zo nodig bij.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de praktijkvorming/stage en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 7 Onderwijskundig besluit WEC: De school omschrijft doel, inhoud, omvang, opbouw en organisatie van de stage in een stageplan.

• Artikel 9 Onderwijskundig besluit WEC: Het bestuur sluit met de leerling of diens wettelijke vertegenwoordiger en de stagegever een schriftelijke stageovereenkomst waarin onder andere de begeleiding en de wijze van beoordeling aan bod komen.

• Artikel 10 Onderwijskundig besluit WEC: Het bestuur draagt zorg voor een verzekering voor de stageleerling en stagebegeleider op weg van en naar, en op het terrein van de stage.

• Artikel 14a, tweede lid, WEC, jo. artikel 6f, tweede lid WVO: Een onderwijsprogramma in het voortgezet speciaal onderwijs – uitstroomprofiel vervolgonderwijs – kan een maatschappelijke stage omvatten.

• Artikel 17 WEC: Het voortgezet speciaal onderwijs omvat voor leerlingen in het arbeidsmarktgerichte profiel vanaf 14 jaar een of meer stages. Voor leerlingen in de andere uitstroomprofielen kan het onderwijs stages omvatten.

OP6. Afsluiting2

De afsluiting van het onderwijs verloopt zorgvuldig.

Basiskwaliteit

De school zorgt ervoor dat alle leerlingen goed worden voorbereid op de afsluiting van het onderwijs en de overgang naar de vervolgbestemming. Alle leerlingen krijgen hierbij een passend advies van de school, dat zo mogelijk met behulp van genormeerde toetsing tot stand is gekomen.

Alle leerlingen in het speciaal onderwijs (behoudens wettelijke uitzonderingen) maken aan het einde van de schoolperiode een eindtoets. De leraren nemen de toets conform de voorschriften af. De school stelt ouders op de hoogte over de informatie die aan de ontvangende school wordt verstrekt.

Leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs met het uitstroomprofiel vervolgonderwijs kunnen eindexamen doen. [Aangewezen vso-scholen met een examenlicentie hebben een eigen PTA, examenreglement en een onafhankelijke en deskundige examencommissie die de kwaliteit van de toetsing en de examinering borgt.] Vso-scholen waar leerlingen staatsexamen doen, dienen zorg te dragen voor de aanmelding (en afwijkende wijze van examineren) van hun leerlingen. Voor hen geldt een apart examenprogramma, examenreglement en PTA. Met deze documenten maakt de school tijdig aan leerlingen en ouders duidelijk hoe het schoolexamen en het centraal examen georganiseerd zijn, welke regels daarbij gelden en welke maatregelen de school hanteert bij leerlingen die zich niet aan de regels houden. Ook moet duidelijk zijn welke examens leerlingen op welke manier kunnen herkansen, welke stof wanneer wordt geëxamineerd, hoe het examen meeweegt en welke vrijstellingen gelden.

Vso-scholen die samenwerken met een vo-school geldt dat het PTA van de vo-school wordt gehanteerd. De examinering verloopt volgens PTA en examenreglement. Wanneer vso-leerlingen onder verantwoordelijkheid van een reguliere vo-school, mbo-instelling als extranei examen doen of bij een opleidingscentrum voor volwassenenonderwijs (vavo), zijn afspraken over voorbereiding en afname van het examen duidelijk vastgelegd.

Leerlingen in de uitstroomprofielen arbeid en dagbesteding die het onderwijs verlaten, ontvangen een overgangsdocument. Leerlingen die daarvoor in aanmerking komen, ontvangen een schooldiploma vso inclusief een portfolio met de behaalde resultaten. Leerlingen die een deel van het programma hebben voltooid, de vso-school verlaten en die niet in aanmerking komen voor een schooldiploma, ontvangen een verklaring.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de afsluiting en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 20 WEC: De school houdt de ouders (of de leerlingen als zij meerderjarig en handelingsbekwaam zijn) op de hoogte van de vorderingen van de leerlingen.

• Artikel 43, eerste lid, WEC: Voor de ontvangende school stelt de directeur een onderwijskundig rapport op.

• Artikel 43 WEC: De school volgt een zorgvuldige procedure bij het bepalen van het advies voor vervolgonderwijs/voorziening en spant zich in om leerlingen op het bij hen passende niveau geplaatst te krijgen. Het betrekken van leerlingen en ouders hierbij en het evalueren van bestaande procedures kunnen worden beschouwd als nodige waarborgen voor de kwaliteit van de werkzaamheden hieromtrent.

Specifiek voor het so:

• Artikel 18b WEC: De wet schrijft voor dat alle leerlingen in het so in het laatste schooljaar (behoudens uitzonderingen) een eindtoets maken.

• Toetsbesluit PO: De eindtoets wordt conform voorschriften afgenomen.

• Artikel 43, eerste lid, WEC: De eindtoets dient om onderadvisering vanuit het primair onderwijs te voorkomen.

• Artikel 43, tweede lid, WEC: Het bestuur stelt voor iedere leerling in het so in het achtste schooljaar voor 1 maart een schooladvies vast over het volgen van aansluitend onderwijs, en heroverweegt het advies als een leerling hoger scoort op de eindtoets dan het schooladvies. Indien hierbij wordt afgeweken van de uitslag van de toets, wordt dit gemotiveerd aan de ouders.

Specifiek voor vso-scholen met een examenlicentie:

• Artikel 14a, eerste lid, onder b, WEC, artikel 59a, WVO, artikel 2, Eindexamenbesluit WVO: Aangewezen vso-scholen (met een examenlicentie) mogen het eindexamen afnemen, zoals dat ook gebeurt in het reguliere voortgezet onderwijs. Hieronder vallen in ieder geval onderstaande voorschriften:Artikel 3 Eindexamenbesluit VO: De directeur en de examinatoren van de school nemen onder verantwoordelijkheid van het bestuur het (deel)eindexamen af.

• [Artikel 3a, eerste lid, Eindexamenbesluit VO: De directeur van de school wijst een personeelslid aan tot secretaris van het eindexamen; deze is ook secretaris van de deeleindexamens.]

• [Artikel 3a, derde lid, Eindexamenbesluit VO: De examensecretaris ondersteunt de directeur bij het organiseren en afnemen van het eindexamen of deeleindexamen. Ook ondersteunt de examensecretaris de directeur bij de correcte uitvoering van het examenreglement en het programma van toetsing en afsluiting.]

• [Artikel 3a, vierde lid, Eindexamenbesluit VO: De directeur moet een duidelijke taakomschrijving voor de examensecretaris vaststellen.]

• [Artikel 31, eerste lid, Eindexamenbesluit VO: Het bestuur van een school stelt een examenreglement vast, dat in elke geval bevat: a. regels over de organisatie van te eindexamen en de gang van zaken tijdens het eindexamens; b. informatie over de toepassing van de maatregelen als bedoeld van artikel 5; c. herkansingsmaatregelen van het schoolexamen; de samenstelling en adres van de in artikel 5, vierde en vijfde lid, bedoelde commissie van beroep.]

• [Artikel 31, derde lid, Eindexamenbesluit VO: Het bestuur van een school behoeft voor het vaststellen van het examenreglement de instemming van de medezeggenschapsraad van de school.]

• [Artikel 31, vijfde lid, Eindexamenbesluit VO: Het vastgestelde examenreglement dient jaarlijks voor 1 oktober door het bestuur van een school aan alle kandidaten en de inspectie te worden gezonden.]

• [Artikel 31a, eerst lid, Eindexamenbesluit VO: Het bestuur van een school stelt jaarlijks voor 1 oktober een programma van toetsing en afsluiting vast voor het lopende schooljaar].

• [Artikel 31a, tweede lid, Eindexamenbesluit VO: Het programma van toetsing en afsluiting vermeldt in ieder geval: a. welke onderdelen van het schoolexamen in het schoolexamen worden getoetst; b. welke door het bestuur vast te stellen onderdelen in het schoolexamen worden getoetst; c. de inhoud van de toetsen die onder uitmaken van het schoolexamen; d. de wijze waarop en tijdsvakken waarbinnen de toetsen en herkansingen van het schoolexamen plaatsvinden.]

• [Artikel 31a, derde lid, Eindexamenbesluit VO: Het bestuur van een school dient in het programma van toetsing en afsluiting duidelijke aan te geven welke toetsen bijdragen aan de afsluiting van: a) de verplichte onderdelen van het examenprogramma die behoren tot het schoolexamen; b. de onderdelen van het examenprogramma die behoren bij het centraal examen, maar die ook in het schoolexamen worden getoetst; c. de onderdelen die zijn gekozen door het bestuur.]

• [artikel 31a, vierde lid, Eindexamenbesluit VO: Het bestuur van een school wijkt bij de vaststelling van het programma van toetsing en afsluiting af van het ontwerp na overleg met de examencommissie]/

• [Artikel 31a, vijfde lid, Eindexamenbesluit VO: Het bestuur van een school behoeft voor het vaststellen van het programma van toetsing en afsluiting de instemming van de medezeggenschapsraad van de school].

• [Artikel 31a, zevende lid, Eindexamenbesluit VO: Het vastgestelde programma van toetsing en programma dient jaarlijks voor 1 oktober door het bestuur van een school aan alle kandidaten en de inspectie te worden gezonden.]

• [Artikel 31a, achtste lid, Eindexamenbesluit VO: Het bestuur van een school kan het programma van toetsing en afsluiting na 1 oktober slechts wijzigen ter verbetering van een kennelijke onjuistheid en onvolledigheid].

• [Artikel 31a, negende lid, Eindexamenbesluit VO: Het gewijzigde programma van toetsing en afsluiting dient zo spoedig mogelijk door het bestuur van een school aan de kandidaten en inspectie worden gezonden].

• [Artikel 35d, Eindexamenbesluit VO: Het bestuur stelt een of meerdere onafhankelijke en deskundig functionerende examencommissie(s) in ten behoeve van de kwaliteit van de toetsing en examinering op de school, waarbij voldaan wordt aan de specifieke vereisten die dit artikel noemt.]

• [Artikel 35e, Eindexamenbesluit VO: De examencommissie heeft tot doel het borgen van de kwaliteit van de toetsing en examinering en van het afsluitend karakter van het schoolexamen.]

Specifiek voor vso-scholen zonder examenlicentie:

• Artikel 14a, tweede lid, onder a, en artikel 47, WEC: Voor vso-scholen zonder examenlicentie geldt dat leerlingen in het uitstroomprofiel vervolgonderwijs een eindexamen kunnen afleggen aan een school voor regulier onderwijs.

• Artikel 30 WVO: Een vso-leerling die niet op de vo-school staat ingeschreven, kan worden toegelaten tot het eindexamen op een vo-school. De vso-school maakt gebruik van het reglement en het PTA van deze vo-school.

• Artikel 2, eerste lid, onder b, en tweede lid, Staatsexamenbesluit VO: Voor vso-scholen bestaat de mogelijkheid om leerlingen gebruik te laten maken van het staatsexamen.

• Artikel 2, tweede lid, bijlage 1 van de Regeling examenreglement staatsexamens vo 2021: Als de vso-school een leerling staatsexamen laat doen, dan meldt de vso-school de leerling tijdig aan en geeft een eventuele afwijkende wijze van examineren tijdig door.

• Artikel 14b WEC: Vso-scholen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om leerlingen via samenwerking met een instelling voor vavo-examen af te laten leggen en legt afspraken hierover vast in een samenwerkingsovereenkomst.

Specifiek voor vso-scholen met de uitstroomprofielen arbeid en dagbesteding:

• Artikel 14d, eerste lid en artikel 14g, eerste lid, WEC: De directeur reikt een schooldiploma vso uit aan de leerling in het uitstroomprofiel arbeid of dagbesteding die de school verlaat en als de directeur oordeelt dat de leerling daarvoor in aanmerking komt. De directeur baseert zijn oordeel op een, door het bestuur vastgesteld, reglement.

• Artikel 14d, tweede lid en artikel 14g, tweede lid, WEC: Een portfolio waarin de behaalde resultaten zijn opgenomen, maakt deel uit van het schooldiploma.

• Artikel 14d, derde lid, en artikel 14g, derde lid, WEC: Om verschillen te voorkomen tussen door individuele scholen afgegeven schooldiploma’s wordt bij ministeriële regeling een model voor het schooldiploma vastgesteld.

• Artikel 14d, vierde lid, en 14g, vierde lid, WEC: Als de leerling geen schooldiploma vso krijgt uitgereikt terwijl hij een deel van het programma heeft voltooid en de school verlaat, ontvangt hij een verklaring.

• Artikel 14e en 14h, WEC: Voor leerlingen in het uitstroomprofiel arbeid of dagbesteding die het onderwijs verlaten, stelt de school een overgangsdocument op.

X Noot
1

Scholen in Friesland geven het vak Fries, met inachtneming van de daarvoor vastgestelde kerndoelen, tenzij zij hiervoor een ontheffing hebben van gedeputeerde staten.

X Noot
2

Er is regelgeving in voorbereiding (Besluit tot wijziging van het Eindexamenbesluit VO en het Eindexamenbesluit VO BES in verband met versterking van de kwaliteit van de schoolexamenorganisatie in het voortgezet (speciaal) onderwijs en het voortgezet algemeen voiwassenen onderwijs) waarin vso-besturen met een examenlicentie onder andere verplicht worden om een examencommissie in te stellen. De hiermee samenhangende passages worden alleen meegenomen in de beoordeling als bovengenoemde AMvB is aangenomen en in werking is getreden.

KWALITEITSGEBIED VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT (VS)

VS1. Veiligheid

De school zorgt voor een veilige omgeving voor leerlingen.

Basiskwaliteit

De school zorgt voor de sociale, fysieke en psychische veiligheid van de leerlingen op school gedurende de schooldag. Een school is veilig als de sociale, fysieke en psychische veiligheid van leerlingen niet door handelingen van anderen wordt aangetast. Dit blijkt onder andere uit de beleving van de veiligheid en het welbevinden van de leerlingen op school. De school monitort dit ten minste jaarlijks met een gestandaardiseerd instrument.

De school heeft een veiligheidsbeleid beschreven dat bestaat uit een samenhangende set van maatregelen. Het beleid is gericht op het voorkomen, afhandelen, registreren en evalueren van incidenten, en de school voert dat beleid ook uit. Als de uitkomsten van de monitoring daartoe aanleiding geven, treft de school maatregelen om de situatie te verbeteren. De school voorkomt, zoveel als mogelijk, (digitaal)pesten, agressie en geweld in elke vorm en treedt zo nodig snel en adequaat op. Dat geldt ook bij uitingen die strijdig zijn met basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals discriminatie en onverdraagzaamheid. De school heeft een persoon aangesteld die voor ouders en leerlingen het aanspreekpunt is in geval van pesten en die het beleid tegen pesten coördineert.

De school hanteert de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling. Daarnaast komt de school de verplichtingen na rond het melden, overleggen en aangifte doen van zedenmisdrijven.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de veiligheid en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 4a WEC: Het bestuur houdt zich aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van het melden van een mogelijk zedenmisdrijf en het overleggen daarover, en het aangifte doen in het geval van een (redelijk vermoeden van een) zedenmisdrijf. Het bestuur treedt hierbij onverwijld in contact met de vertrouwensinspecteur.

• Artikel 5 WEC: Het bestuur stelt voor het personeel een meldcode vast die aangeeft hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan. Daarnaast moet het bestuur de kennis en het gebruik van de meldcode bevorderen.

• Artikel 5a, eerste lid, sub a, WEC: Het bestuur heeft beleid ten aanzien van de veiligheid van leerlingen en voert dat ook uit.

• Artikel 5a, eerste lid, sub b, WEC: Het bestuur monitort de veiligheid van leerlingen met een instrument dat een representatief en actueel beeld geeft.

• Artikel 5a, eerste lid, sub c, WEC: Het bestuur heeft de volgende taken belegd bij een persoon:

– coördinatie van het beleid in het kader van het tegengaan van pesten op school;

– fungeren als aanspreekpunt in het kader van pesten.

• Artikel 5a, tweede lid, WEC: Onder veiligheid wordt de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen verstaan.

• Artikel 5a, vierde lid, WEC: Het bestuur zendt de resultaten van de monitor, nadat de resultaten beschikbaar zijn, aan de inspectie.

• Artikel 11, vierde lid, WEC: Het onderwijs richt zich op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Dat omvat onder meer dat de school actie onderneemt als er onvoldoende sprake is van een cultuur die in overeenstemming is met basiswaarden.

VS2. Schoolklimaat

De school heeft een schoolklimaat dat bijdraagt aan het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties.

Basiskwaliteit

De school bereidt de leerlingen voor op het leven in de maatschappij. Zij creëert daarvoor een oefenplaats die leerlingen ondersteunt bij het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties. In de school doen leerlingen ervaring op met de omgang met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en de pluriforme samenleving. Het bestuur ziet erop toe dat de school zorg draagt voor een schoolklimaat dat in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en bijdraagt aan de bevordering daarvan.

Het personeel van de school is in zijn gedrag een voorbeeld voor de leerlingen: personeelsleden leven de basiswaarden zichtbaar na.

De school stemt aanpak en aanbod af op de leerlingenpopulatie van de school en de leefwereld van de leerlingen. Ook signaleert en corrigeert de school uitingen van leerlingen die met de basiswaarden in strijd zijn.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het schoolklimaat en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 11, vierde lid, WEC: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze, richt zich onder andere op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden en het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties.

• Artikel 11, lid 4a, WEC: Het bestuur draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en creëert een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met deze waarden.

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSRESULTATEN (OR)

OR1. Resultaten

De school behaalt met haar leerlingen leerresultaten die ten minste in overeenstemming zijn met de streefniveaus behorend bij het beoogde uitstroomperspectief van de leerlingen.

Basiskwaliteit

De school heeft een goed beeld van de kenmerken van haar leerlingenpopulatie en heeft op basis daarvan ambitieuze streefniveaus vastgesteld voor de leerresultaten die de leerlingen kunnen bereiken. Daarbij neemt ze de aansluiting op het vervolgonderwijs, de arbeidsmarkt of de dagbesteding als uitgangspunt.

De mate waarin de school de ontwikkelingsperspectieven realiseert, geeft informatie over de resultaten die de school met haar leerlingen behaalt. De inspectie gaat ervan uit dat minimaal 75 procent van de leerlingen aan het einde van de schoolperiode de door de school beoogde streefniveaus op de kernvakken behaalt. Deze streefniveaus zijn passend bij de uitstroombestemming in het ontwikkelingsperspectief. Voor leerlingen in het speciaal onderwijs die verplicht zijn de eindtoets te maken, onderbouwt de school de resultaten bij de kernvakken met behulp van de resultaten op de eindtoets. Voor leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs met het uitstroomprofiel vervolgonderwijs is de onderbouwing van de leerresultaten gerelateerd aan de examenresultaten.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de onderwijsresultaten en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 11, eerste lid, WEC: Het onderwijs dient te worden afgestemd op de ontwikkelingsmogelijkheden van de leerling, en moet zodanig worden ingericht dat de leerling een ononderbroken ontwikkelingsproces kan doorlopen. Zo mogelijk brengt het kinderen tot het volgen van gewoon onderwijs in basisscholen of scholen voor voortgezet onderwijs.

• Artikel 18b WEC, en Toetsbesluit PO: De wet schrijft voor dat alle leerlingen in het laatste schooljaar (behoudens uitzonderingen) een eindtoets maken en dat deze conform voorschriften wordt afgenomen.

• Artikel 41a WEC, en artikel 4 en 5, Onderwijskundig besluit WEC: De school stelt een ontwikkelingsperspectief vast dat de te verwachten uitstroombestemming van de leerling bevat met een onderbouwing.

OR2. Sociale en maatschappelijke competenties

De leerlingen behalen sociale en maatschappelijke competenties op het niveau dat ten minste in overeenstemming is met het beoogde uitstroomperspectief van de leerlingen.

Basiskwaliteit

De school heeft een goed beeld van de kenmerken van haar leerlingenpopulatie en heeft op basis daarvan ambitieuze streefniveaus vastgesteld voor de sociale en maatschappelijke competenties die de leerlingen kunnen bereiken. Bij de vaststelling van deze streefniveaus neemt ze de aansluiting op het vervolgonderwijs en de maatschappij als uitgangspunt.

De school gaat gedurende de schoolperiode na of de leerlingen de streefniveaus bereiken en stelt vast of de resultaten in overeenstemming zijn met de eigen norm. Daarmee laat de school zien dat zij de leerlingen voldoende toerust voor de vervolgbestemming. De school brengt de resultaten op een betrouwbare en inzichtelijke manier in kaart.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sociale en maatschappelijke competenties en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 11, eerste lid, en artikel 14a, tweede lid, sub c en f, artikel 20 tot en met 22, en artikel 41a, en onderliggende regels, WEC: Het bereikte uitstroomprofiel garandeert dat de leerling in voldoende mate geëquipeerd is om zich met succes te kunnen handhaven in de vervolgbestemming die met het bereikte uitstroomprofiel samenhangt.

• Artikel 11, derde lid, WEC: Het onderwijs richt zich herkenbaar op de emotionele en de verstandelijke ontwikkeling, op het ontwikkelen van creativiteit, het verwerven van kennis en van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden.

• Artikel 11, vierde lid, WEC: Het onderwijs richt zich herkenbaar op het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die de leerling in staat stelt deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving.

KWALITEITSGEBIED STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (SKA)

SKA1. Visie, ambities en doelen

De school heeft een gedragen visie op goed onderwijs, heeft daarvoor ambities en doelen en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

De school heeft, als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg, een gedragen visie, ambities en doelen gericht op goed onderwijs die ervoor zorgen dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. De schoolleiding vertaalt haar visie, ambities en doelen in onderwijskundig beleid en stuurt daarop om de beoogde resultaten te behalen. De schoolleiding beschrijft op welke manier ze zorgt voor het realiseren, borgen en verbeteren van de onderwijskwaliteit en hoe ze de naleving van de wettelijke eisen realiseert.

De schoolleiding sluit met haar visie, ambities en doelen aan op die van haar bestuur en op de kenmerken van de leerlingenpopulatie van de school. Dit doet zij onder meer door aan te geven hoe ze rekening houdt met (taal)achterstanden, de wettelijke opdracht tot bevordering van burgerschap en specifieke leerbehoeften om bij te dragen aan gelijke kansen voor alle leerlingen. Resultaten van eerdere evaluaties, interne en externe dialoog zijn zichtbaar in de doelen voor het onderwijskundig beleid.

De schoolleiding richt de voorwaarden in om de onderwijskundige ambities en doelen te bereiken, waaronder het personeelsbeleid en de organisatie van het onderwijs. Daarbij is de interne verantwoordelijkheidsverdeling duidelijk.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 11, derde lid, WEC: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat daarbij op structurele en herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden, in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal.

• Artikel 11, vierde lid, WEC: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 19 WEC: Het bestuur moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder zorg dragen voor wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wettelijke bepalingen en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er toetsbare doelen zijn geformuleerd.

• Artikel 21, eerste lid, WEC: Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school wordt gevoerd, en omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg.

• Artikel 21, tweede lid, WEC: De beschrijving van het onderwijskundig beleid omvat in elk geval de inhoud van het onderwijs, de eigen opdrachten voor het onderwijs, het pedagogisch-didactisch klimaat en de veiligheid. Daarbij betrekt de school het schoolondersteuningsprofiel.

• Artikel 21, vierde lid, WEC: De school draagt door haar stelsel van kwaliteitszorg zorg voor de ononderbroken ontwikkeling van leerlingen en de afstemming van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen, mede met behulp van het leerling- en onderwijsvolgsysteem. Ook moet worden vastgesteld waar verbetermaatregelen nodig zijn.

• Artikel 31, eerste lid, WEC: Het bestuur stelt een managementstatuut vast waaruit de verantwoordelijkheidsverdeling in de aansturing van de school blijkt.

SKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

De school realiseert de doelen voor goed onderwijs, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

De school realiseert de doelen voor goed onderwijs, die voortkomen uit haar visie en ambities. De schoolleiding zorgt daartoe voor een professionele en veilige leer- en verbetercultuur in de school. Binnen deze kwaliteitscultuur geven schoolleiding en het (bevoegd) onderwijspersoneel samen uitvoering aan het stelsel van kwaliteitszorg, zodat de school als geheel gericht werkt aan het bereiken van de onderwijskundige doelen. Waar nodig stuurt de schoolleiding tussentijds bij.

De schoolleiding zorgt ervoor dat de deskundigheidsbevordering van het personeel binnen de gestelde doelen gestalte krijgt. Leraren(teams) oefenen daarbij de eigen verantwoordelijkheid bij het inrichten van hun onderwijs uit.

De schoolleiding toont in haar sturing onderwijskundig leiderschap en zorgt voor een gerichte inzet van middelen om gestelde doelen te realiseren. De school geeft uitvoering aan het schoolondersteuningsprofiel. Zij werkt samen met andere scholen, het samenwerkingsverband en andere organisaties, zodat geen leerling tussen wal en schip valt, de school een breed aanbod kan bieden en leerlingen zo mogelijk kunnen doorstromen naar een vorm van regulier onderwijs.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 11, eerste lid, WEC: Het bestuur treedt zo nodig in overleg met gemeente,

jeugdgezondheidszorg, een instantie voor maatschappelijke ondersteuning of een zorgaanbieder.

• Artikel 11, tweede lid, WEC: Het bestuur stelt ten minste eenmaal in de vier jaar het

schoolondersteuningsprofiel vast

• Artikel 19 WEC: Het bestuur moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder ‘zorg dragen voor’ wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat het bestuur en de scholen zicht hebben op de kwaliteit van het onderwijs. Daarbij moet het functioneren van de kwaliteitscyclus centraal staan.

• Artikel 21, derde lid, WEC: Het schoolplan bevat een beschrijving van het personeelsbeleid. Dit personeelsbeleid gaat in elk geval over hoe wordt voldaan aan de eisen van bevoegdheid en onderhoud van bekwaamheid, de bijdrage van het personeel aan het onderwijskundig beleid, het pedagogisch-didactisch handelen, de evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding, bedoeld in artikel 30, en de wijze waarop rekening wordt gehouden met de inbreng van leerlingen op het beleid.

• Artikel 28a WEC: Het bestuur is aangesloten bij een samenwerkingsverband.

• Artikel 31a, eerste tot en met derde lid, WEC: De school dient leraren een zelfstandige verantwoordelijkheid te geven bij de beoordeling van de onderwijsprestaties van leerlingen en voldoende zeggenschap te geven waar het gaat om het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de school.

• Artikel 32b en 34a, WEC: Het bestuur beschikt bij elk personeelslid waarvoor bekwaamheidseisen gelden, over geordende gegevens over de bekwaamheid en het onderhouden daarvan.

SKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

De school evalueert en analyseert systematisch of zij de doelen realiseert en verantwoordt zich daarover. Ze stelt, wanneer nodig, het schoolbeleid bij en betrekt interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

De schoolleiding monitort, evalueert, analyseert en beoordeelt als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de doelen en het beleid worden gerealiseerd en informeert het bestuur daarover. Zij haalt intern en extern actief informatie op om zicht te krijgen op de uitvoering, de resultaten van het onderwijs voor de leerlingen en mogelijke kansen en bedreigingen voor de verdere ontwikkeling van het onderwijs.

Voor een goede overdracht en om zicht te houden op het vervolgsucces van haar leerlingen onderhoudt de school contact met de scholen/instellingen waar deze naartoe uitstromen.

De schoolleiding organiseert tegenspraak. Daarvoor gaat zij actief een dialoog aan met in ieder geval ouders, personeel, de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad ((G)MR) en, wanneer van toepassing, leerlingen, gemeenten, samenwerkingsverband, onderwijsinstellingen, (regionale)werkgevers en/of instellingen voor dagbesteding.

De school informeert belanghebbenden minimaal jaarlijks op toegankelijke manier over haar doelen en werkwijze en over de resultaten die zij heeft behaald.

De schoolleiding analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verwerkt deze wanneer nodig in het (verbeter)beleid, zodat dit bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwijs. Daarnaast gebruikt de school de uitkomsten van de evaluatie om de sturing te verbeteren. Zij maakt daarbij duidelijk welk effect de inbreng van belanghebbenden heeft op het borgen en bijstellen van het schoolbeleid.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 8 WMS: De (G)MR ontvangt tijdig alle inlichtingen van het bestuur die redelijkerwijs nodig zijn om zijn taak te kunnen vervullen en ontvangt in elk geval bepaalde in de wet beschreven informatie.

• Artikel 10 WMS: Het bestuur heeft in bepaalde gevallen voorafgaande instemming nodig van de (G)MR voor elk besluit in dat geval (bijvoorbeeld bij verandering van de onderwijskundige

doelstellingen van de school).

• Artikel 11 WMS: Het bestuur moet de (G)MR vooraf in de gelegenheid stellen om te adviseren over besluiten bij bepaalde aangelegenheden, bijvoorbeeld bij vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de school.

• Artikel 11, eerste lid, WEC: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en het afstemmen van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen.

• Artikel 12 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het personeelsdeel van de (G)MR bij besluiten bij bepaalde aangelegenheden, bijvoorbeeld over de vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie.

• Artikel 14 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het ouder- en leerlingdeel van de (G)MR bij bepaalde besluiten (bijvoorbeeld over de vaststelling van de schoolgids).

• Artikel 19 en artikel 21, vierde lid, WEC: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er regelmatig wordt geëvalueerd of deze doelen worden gehaald.

• Artikel 22, eerste lid, sub a, WEC: De school maakt in de schoolgids duidelijk wat de doelen van het onderwijs zijn en welke resultaten met het onderwijsleerproces worden bereikt.

• Artikel 22, eerste lid, sub l, WEC: In de schoolgids dienen ook de gedane bevindingen ten aanzien van het stelsel van kwaliteitszorg te worden opgenomen en de maatregelen die naar aanleiding daarvan zijn getroffen.

5.4 Overige wettelijke vereisten

Niet alle deugdelijkheidseisen zoals die in de onderwijswet- en regelgeving staan vermeld, zijn opgenomen in het onderzoekskader. Dit geldt bijvoorbeeld voor die over de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) en de vrijwillige ouderbijdrage. De deugdelijkheidseisen die niet aan een standaard in het waarderingskader zijn verbonden, vatten we samen onder de noemer ‘overige wettelijke vereisten’. Het schoolplan is voor het schoolbeleid, vaak ook in relatie tot overige wettelijke eisen, een belangrijk verantwoordingsdocument.

In ons jaarwerkplan, dat op de website van de inspectie wordt gepubliceerd, geven we aan welke thema’s we in dat jaar onderzoeken. Ook op grond van meldingen en signalen kunnen we besturen en scholen bevragen op het mogelijk niet-naleven van de overige wettelijke vereisten. Niet-naleving van (een of meer van) de overige wettelijke vereisten kan op schoolniveau in dat geval niet leiden tot een oordeel Onvoldoende of tot het oordeel Zeer zwak. Wel moet de school/het bestuur de tekortkoming binnen een door de inspectie te bepalen termijn herstellen. Om voor de waardering Goed in aanmerking te komen, moet een school, in aanvulling op de wettelijke eisen van de standaarden, ook aan alle overige wettelijke vereisten voldoen.

6. Oordelen en waarderen

6.1 Inleiding

In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we oordelen en waarderen. We doen dat zo transparant mogelijk, aan de hand van het waarderingskader op bestuurs- en schoolniveau en met de beschrijving van de oordeelsvorming, zoals opgenomen in dit hoofdstuk. Onze oordelen gaan altijd over de gerealiseerde kwaliteit van de (be)sturing en over het onderwijs dat leerlingen ontvangen.

We gaan in dit hoofdstuk eerst in op hoe we omgaan met het raamwerk van de kernfuncties op stelselniveau (paragraaf 6.2), zoals opgenomen in hoofdstuk 3. Dat hanteren we uitsluitend vanuit onze stimulerende rol. Daarna leggen we uit hoe we op basis van de waarderingskaders voor besturen en scholen (hoofdstuk 4 en 5) oordelen en waarderen. In het algemeen bepaalt het al dan niet voldoen aan de deugdelijkheidseisen of een standaard Voldoende of Onvoldoende is. De waardering Goed spreken we uit als ambities, rondom basiskwaliteit en/of daarboven uitstijgend, gerealiseerd worden. We beschrijven dit in paragraaf 6.3. In paragraaf 6.4 zijn beslisregels voor de beoordeling van de standaarden voor het bestuur beschreven, gevolgd door de beslisregels voor de beoordeling van onderwijskwaliteit van scholen in paragraaf 6.5.

6.2 Stimuleren op stelselniveau

In hoofdstuk 3 is het stelseltoezicht beschreven. We reflecteren daarop en spreken geen oordelen uit. We gebruiken het raamwerk om de drie kernfuncties van het onderwijs, namelijk kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen en daarnaast de belangrijke voorwaarden daarvoor te beschouwen. We beschrijven jaarlijks in ‘De Staat van het Onderwijs’ (paragraaf 7.2) hoe het met de kernfuncties en voorwaarden van het onderwijsstelsel is gesteld.

We bespreken deze thema’s bij onderzoeken bij besturen en scholen. Uit onze gegevens op stelselniveau kan blijken dat de kwaliteit van (een deel van) de kernfuncties in een bepaalde regio in hoge of juist mindere mate gerealiseerd wordt. Door ambities van besturen rondom kernfuncties in een open dialoog te bespreken en te verkennen, leggen we een verbinding tussen scholen en hun invulling van de kernfuncties.

6.3 Oordelen en waarderen standaarden bestuur en school

Voor het beoordelen en waarderen van de kwaliteit van besturen en scholen gebruiken we de standaarden zoals beschreven in de hoofdstukken 4 en 5. Een standaard bestaat uit een beschrijving van de basiskwaliteit, gebaseerd op de deugdelijkheidseisen. Per standaard besteden we daarnaast aandacht aan de vragen naar aanvullende ambities.

Of een standaard als Voldoende of Onvoldoende wordt beoordeeld, is gebaseerd op de vraag of het bestuur/de school voldoet aan de deugdelijkheidseisen en daarmee basiskwaliteit realiseert. Voor de waardering Goed wordt de realisatie van ambities betrokken. Onderstaande tabel geeft aan hoe het oordeel en de waardering op standaardniveau tot stand komt:

Oordeel/waardering

standaard

Norm voor standaarden

Goed

Het bestuur of de school voldoet aan de deugdelijkheidseisen en realiseert ook ambities die daarboven uitstijgen.

Voldoende

Het bestuur of de school voldoet aan de deugdelijkheidseisen en realiseert daarmee basiskwaliteit.

Onvoldoende

Het bestuur of de school voldoet niet aan de deugdelijkheidseisen.

6.4 Oordelen en waarderen op bestuursniveau

Om basiskwaliteit op de scholen te kunnen waarborgen, gaan we ervan uit dat het bestuur in staat is om de kwaliteitscyclus, zoals uitgedrukt in de wettelijke eisen van de drie standaarden van het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie (zie hoofdstuk 4), uit te voeren. Daar waar dat niet het geval is, leidt dit tot een Onvoldoende op het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie. Als het bestuur aan de deugdelijkheidseisen voldoet en ambities realiseert, waarderen we het kwaliteitsgebied als Goed. Hoe het oordeel of de waardering op bestuursniveau tot stand komt, ziet er als volgt uit:

Oordeel/waardering bestuursniveau

Norm kwaliteitsgebied

Besturing, kwaliteitszorg en ambitie

Goed

Twee standaarden uit het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie zijn Goed en de derde is ten minste Voldoende.

Voldoende

Alle drie de standaarden uit het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie zijn ten minste Voldoende.

Onvoldoende

Een of meer standaarden uit het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie is/zijn Onvoldoende.

Het niet voldoen aan een deugdelijkheidseis van financiële continuïteit of rechtmatigheid leidt in alle gevallen tot een herstelopdracht voor het bestuur. Dit geldt ook als de jaarstukken van het bestuur niet zijn ingediend zoals wettelijk vereist is. De mate waarin het oordeel of waardering van de betreffende standaard binnen het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie wordt aangepast is afhankelijk van de ernst van de tekortkoming.

6.5 Oordelen en waarderen op schoolniveau

Het oordeel of de waardering over de kwaliteit van de school38 (eindoordeel) komt tot stand op basis van de volgende normen.

Eindoordeel/waardering schoolniveau

Norm

Goed

Alle standaarden zijn minimaal Voldoende én de standaard Uitvoering en kwaliteitscultuur (SKA2) is Goed, evenals ten minste twee standaarden uit de andere kwaliteitsgebieden van het waarderingskader voor scholen. Alle onderzochte overige wettelijke vereisten worden nageleefd én de financiële continuïteit op bestuursniveau voldoet aan de wettelijke vereiste.

Voldoende (basiskwaliteit)

De standaarden Resultaten, Zicht op ontwikkeling en begeleiding, Pedagogisch-didactisch handelen en Veiligheid zijn Voldoende, én niet meer dan één andere standaard in de gebieden Onderwijsproces of Veiligheid en schoolklimaat is Onvoldoende.

Onvoldoende

De standaard Resultaten of Zicht op ontwikkeling en begeleiding of Pedagogisch-didactisch handelen of Veiligheid is Onvoldoende, óf twee of meer andere standaarden in de gebieden Onderwijsproces en/of Veiligheid en schoolklimaat zijn Onvoldoende.

Zeer zwak

Twee van de volgende standaarden zijn Onvoldoende: Zicht op ontwikkeling en begeleiding, Pedagogisch-didactisch handelen, Veiligheid en/of Uitvoering en kwaliteitscultuur (SKA2).

De waardering Goed is bedoeld om goede kwaliteit op scholen te waarderen en te stimuleren. We gaan ervan uit dat deze scholen een brede basiskwaliteit hebben. Dat betekent dat er onomwonden een positief antwoord gegeven kan worden op de kernvragen voor goed onderwijs. Deze kernvragen zijn: krijgen leerlingen goed onderwijs (Onderwijsproces), voelen ze zich veilig (Veiligheid en schoolklimaat) en leren ze genoeg (Onderwijsresultaten)? Dit vraagt een expertoordeel over de integrale kwaliteit van de school. Dit betekent dat wij van goede scholen verwachten dat zij aan ons laten zien hoe zij hun visie, ambities en doelen uitvoeren (SKA2) en welke kwaliteit dit in de praktijk oplevert, zoals te zien aan de standaarden voor Onderwijsproces en Veiligheid en schoolklimaat.

6.5.1 Wettelijke norm zeer zwak onderwijs

De norm voor het oordeel Zeer zwak is bij wet bepaald. Artikel 19a, WEC stelt dat de kwaliteit van het onderwijs zeer zwak is als de school tekortschiet in de naleving van twee of meer bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften en de school dientengevolge tekortschiet in het zorg dragen voor de veiligheid op de school, bedoeld in artikel 5a, WEC of het zodanig inrichten van het onderwijs dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelproces kunnen doorlopen dan wel tekortschiet in het afstemmen van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen, bedoeld in artikel 11, eerste lid, WEC.

Het inspectierapport waarin de inspectie tot het oordeel komt dat de kwaliteit van het onderwijs Zeer zwak is, geldt na de vaststelling daarvan als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een bestuur kan tegen het oordeel Zeer zwak bezwaar maken en vervolgens tegen de beslissing op bezwaar beroep aantekenen (artikel 20, zesde lid, WOT).

6.6 Oordeelsvorming

6.6.1 Beoordelen naleving deugdelijkheidseisen

Bij onze oordeelsvorming hanteren we bovengenoemde normering als richtlijn. De mate waarin de onderwijspraktijk de essentie en de bedoeling van met name de deugdelijkheidseisen tentoonspreidt, is bepalend voor ons oordeel. Voor het oordeel Voldoende gaan we er in principe van uit dat aan alle deugdelijkheidseisen die horen bij de standaard is voldaan. We beoordelen de kwaliteit zoals in de standaard is omschreven integraal en niet elke deugdelijkheidseis van de standaard op zichzelf. Het kan zijn dat een bestuur of school op een standaard een positief beeld laat zien, maar op een bepaald element van de standaard (nog) niet. Als dit beperkt van invloed is op de aangetroffen kwaliteit van de school of voor leerlingen én als de tekortkoming eenvoudig en op korte termijn kan worden hersteld, dan geven we het oordeel Voldoende op de standaard. Het bestuur krijgt dan een opdracht tot herstel (herstelopdracht) voor dit bepaalde onderdeel van de standaard en zorgt voor de naleving. Wanneer niet is voldaan aan de deugdelijkheidseisen van financiële continuïteit of rechtmatigheid, kan de betreffende standaard binnen het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambities niet als Voldoende worden beoordeeld of als Goed worden gewaardeerd.

6.6.2 Waarderen van ambities

Zowel besturen als scholen hebben vanuit hun visie ambities. Deze ambities kunnen gaan over de basiskwaliteit en er zijn ambities die daarboven uitstijgen. Naast het voldoen aan de deugdelijkheidseisen, baseren we een waardering Goed op het geheel aan gerealiseerde ambities door het bestuur of door de school bij een betreffende standaard. We onderzoeken of het bestuur (bij een vierjaarlijksonderzoek) of de school (bij een onderzoek op schoolniveau) de voorgenomen ambities uitvoert en realiseert. De visie en de plannen op bestuursniveau en de vertaling daarvan door de schoolleiding op schoolniveau, vastgelegd in het schoolplan, spelen hierbij een belangrijke rol. De waardering Goed op schoolniveau is vier jaar geldig.

6.6.3 Omgeving van bestuur en school

De omgeving en de condities waarin het bestuur en de school opereren, kunnen in positieve of negatieve zin de onderwijskwaliteit en het financieel beheer beïnvloeden. Omgevingsfactoren en condities zijn bijvoorbeeld de kenmerken en de ontwikkeling van de leerlingenpopulatie, de beschikbaarheid van personeel, een fusiegeschiedenis, de huisvesting, de organisatieontwikkeling en de ontwikkeling van het bestuur. We verwachten dat besturen en scholen met hun visie, ambities, doelen en beleid op deze factoren inspelen om de kernfuncties voor het onderwijs voor al hun leerlingen te realiseren. Onze oordelen gaan altijd over de gerealiseerde kwaliteit van de (be)sturing en van het onderwijs dat leerlingen ontvangen. Omgeving en condities spelen hoofdzakelijk een rol bij het bepalen van de invulling van het onderzoek en eventueel bij het vervolgtoezicht.

7. Werkwijze toezicht

7.1 Inleiding

In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we het toezicht uitvoeren. We beschrijven in paragraaf 7.2 eerst onze werkwijze voor het stelseltoezicht. Aan de kernfuncties van het stelsel geven besturen en scholen invulling. Daarnaast waarborgen besturen de uitvoering en kwaliteit van het onderwijs op de scholen onder hun bestuur. In paragraaf 7.3 beschrijven we de werkwijze voor het toezicht op besturen en scholen. In paragraaf 7.4 staat welke activiteiten we hiervoor ondernemen. In de laatste paragraaf van dit hoofdstuk gaan we in op onze werkwijze bij het vervolgtoezicht.

7.2 Stelseltoezicht

7.2.1 Werkwijze van het stelseltoezicht

Via het stelseltoezicht geven we een beeld van de kwaliteit van het Nederlandse onderwijsstelsel. We signaleren waar het goed gaat en waar niet, agenderen thema’s en dragen bij aan het oplossen van knelpunten. Door het stelsel als geheel in ogenschouw te nemen, krijgen we bijvoorbeeld zicht op

onderwijsloopbanen, knelpunten bij overgangen tussen sectoren en (on)gelijkheid van kansen. Zo kunnen we bevorderen dat het onderwijs aan leerlingen steeds beter wordt. In hoofdstuk 3 is hiervoor een raamwerk met een beschrijving van stelselkwaliteit opgenomen.

In het stelseltoezicht zetten we een aantal stappen (zie figuur 7.2.1a):

  • We monitoren trends en ontwikkelingen in het Nederlandse onderwijs.

  • We analyseren waar het goed gaat, maar reflecteren ook op de knelpunten die risico’s vormen voor de kwaliteit van het stelsel.

  • We agenderen welke belangrijke risicovolle knelpunten we zien voor het onderwijsstelsel en rapporteren daarover onder andere jaarlijks in ‘De Staat van het Onderwijs’.

  • We interveniëren wanneer dat vanuit de stimulerende functie van het toezicht passend is. We doen dat via het stelsel-, bestuurs- en schooltoezicht, maar ook door andere activiteiten om het onderwijsveld te stimuleren de kwaliteit te verhogen.

Figuur 7.2.1a Cyclus stelseltoezicht

Figuur 7.2.1a Cyclus stelseltoezicht

In paragraaf 7.2.2 gaan we verder in op hoe we monitoren en analyseren. In paragraaf 7.2.3 beschrijven we hoe we agenderen en interveniëren.

7.2.2 Monitoring en analyse van ontwikkelingen

Aan de hand van het raamwerk van de kwaliteitsbeschrijving van het stelsel (zie hoofdstuk 3) volgen we systematisch de ontwikkelingen in het onderwijsstelsel. We kijken naar hoe het geheel van besturen en scholen samen de drie kernfuncties vervult: kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen. Ook kijken we naar de essentiële voorwaarden om deze te verwezenlijken: de doelmatigheid, zoals te zien aan beschikbaarheid en besteding van financiële middelen, het personeelsbeleid, de kwaliteitszorg en het bestuurlijk handelen.

Voor de monitoring en aansluitende analyse verzamelen we gegevens uit verschillende bronnen. We gebruiken bestaande gegevens, gegevens uit stelsel- en instellingstoezicht, signalen en we verzamelen zelf gegevens door thematisch onderzoek.

Bestaande gegevens, gegevens uit stelsel- en instellingstoezicht en signalen

We gebruiken gegevens uit het toezicht op besturen en scholen, waaronder gegevens die het bestuur zelf beschikbaar heeft. Daarnaast gebruiken we signalen die we over het onderwijs ontvangen. Verder maken we gebruik van gegevens van andere organisaties en van wetenschappelijk onderzoek. We analyseren het grootste gedeelte van de gegevens minimaal jaarlijks, maar het kan ook zijn dat we meerdere keren per jaar analyses maken. We analyseren ook prestaties in brede zin en kijken specifiek naar risico’s voor de kwaliteit van onderwijs.

Themaonderzoek

We monitoren ontwikkelingen door besturen en scholen te onderzoeken of door samen te werken met anderen om gegevens te verzamelen. We noemen dit themaonderzoek. Verschillende doelstellingen voor een themaonderzoek zijn bijvoorbeeld:

  • het krijgen van een beeld van de ontwikkeling van de kwaliteit van een bepaald (stelsel)aspect bij besturen of scholen;

  • het verkrijgen van inzichten en, waar mogelijk, het vinden van verklaringen voor risico’s of stelselknelpunten, zoals bij een regionaal probleem of voor een specifieke doelgroep.

We richten het themaonderzoek in op basis van actuele vraagstukken of gesignaleerde stelselproblemen. Dit doen we soms bij een bestuur of een school. In dat geval combineren we het themaonderzoek eventueel met het vierjaarlijks onderzoek bij het bestuur en scholen, zoals beschreven in paragraaf 7.3. Ook is het mogelijk dat we op een andere manier onderzoek doen, bijvoorbeeld door vragenlijsten uit te zetten, mee te kijken in het onderwijsproces, gesprekken te voeren met meerdere besturen of scholen tegelijk of gesprekken te voeren met bijvoorbeeld wetenschappers en deskundigen.

Met ons thematisch onderzoek willen we in kaart brengen in hoeverre het onderwijsstelsel erin slaagt de eerdergenoemde kernfuncties van het onderwijs te realiseren. Daarbij zoeken we naar verklaringen voor wat niet goed gaat en willen we laten zien wat wel en niet bijdraagt aan het realiseren van de kernfuncties. Hierover gaan we actief de dialoog aan met betrokkenen.

Wat we willen onderzoeken, nemen we op in het Jaarwerkplan. Hierin beschrijven we meerjarige onderzoeksprogramma’s en eenmalige themaonderzoeken die gericht zijn op het in beeld brengen van de kernfuncties of gesignaleerde knelpunten in het stelsel. Urgente thema’s kunnen leiden tot verschuiving of uitbreiding van onze onderzoeksagenda.

7.2.3 Agenderen en interveniëren

Voor het agenderen en interveniëren in het stelseltoezicht onderscheiden we vier soorten activiteiten. Deze beschrijven we hierna. Agenderen en interveniëren liggen soms dicht bij elkaar, omdat agenderen een vorm van interveniëren is.

De Staat van het Onderwijs

Jaarlijks brengen we ‘De Staat van het Onderwijs’ uit. Hierin geven we weer hoe het onderwijsstelsel in Nederland ervoor staat. Wat gaat er goed en waar zijn knelpunten, kansen en risico’s? Ook de informatie over onze verrichte (thema)onderzoeken maakt deel uit van ‘De Staat van het Onderwijs’. Deze rapportagetaak van de inspectie is vastgelegd in de Grondwet (artikel 23, achtste lid) en in de Wet op het onderwijstoezicht (WOT).

Thematisch rapporteren

De uitkomsten van themaonderzoeken brengen we op verschillende manieren onder de aandacht van besturen, scholen en de samenleving. Het doel hiervan is om de stand van zaken over het betreffende thema weer te geven en om risico’s en knelpunten te agenderen. Ook stimuleren we samenwerking zodat (verdere) verbeteringen kunnen plaatsvinden. Dat doen we vaak in de vorm van een onderzoeksrapport, maar ook in de vorm van een symposium, een bezoek van inspecteurs, een podcast of een webinar. We richten ons hierbij zo direct mogelijk op de doelgroep die het meest betrokken is, zoals leraren of bijvoorbeeld op alle partners in een specifieke regio.

Thema’s als onderdeel van het toezicht bij besturen en scholen

Bij de uitvoering van ons toezicht bij besturen en scholen bespreken we soms thema’s, specifieke knelpunten en goede voorbeelden vanuit de regionale of lokale context. Zo hebben we aanknopingspunten om met bestuur en scholen over hun ambities die de kernfuncties raken in gesprek te gaan in aansluiting op hun omgeving, of risico’s.

Interventies op maat

Naast de hiervoor genoemde activiteiten zetten we waar dat passend is ook specifieke interventies in. Uit diverse bronnen komen onderwerpen van het onderwijsstelsel naar voren die we, met het oog op het publiek belang, willen adresseren. Zo kan er een knelpunt zijn waar op lokaal niveau meerdere besturen, een samenwerkingsverband, groepen werkgevers en de gemeente een rol in hebben. En dan loont het om het knelpunt bij deze actoren samen te agenderen. Voorbeelden daarvan zijn regionale gesprekken over de aanpak van het lerarentekort, krimp of zorg voor specifieke groepen leerlingen.

7.3 Toezicht op besturen en scholen

Bij het toezicht op de besturen en scholen staat centraal hoe besturen de (financiële) kwaliteit van het onderwijs waarborgen en bevorderen. Om deze vragen te beantwoorden doen we onderzoek op het niveau van bestuur en scholen. We lichten hieronder eerst onze werkwijze toe en gaan vervolgens in op de toezichtsactiviteiten.

7.3.1 Werkwijze toezicht op besturen en scholen

De eindverantwoordelijkheid voor de onderwijskwaliteit op de scholen ligt bij de besturen. Bij de uitvoering van het toezicht op besturen en scholen gaan we uit van proportionaliteit, maatwerk, transparantie en verantwoording. We lichten in paragraaf 7.3.2 proportionaliteit en maatwerk verder toe.

  • proportionaliteit:we stemmen de intensiteit van het toezicht op het bestuur en de scholen af op de kwaliteit van het bestuur. Dit lichten we in paragraaf 7.3.2 toe;

  • maatwerk:omdat besturen en scholen sterk verschillen in grootte, (regionale en lokale) omstandigheden en ontwikkeling, bepalen we bij elk onderzoek de inrichting en de opzet. We zetten verschillende onderzoeks- en verificatie-activiteiten in;

  • transparantie en verantwoording: bij de start van een onderzoek gaan we in gesprek met het bestuur en onderbouwen we de gekozen onderzoeksopzet. Gedurende het onderzoek informeren we het bestuur over eventuele aanpassingen hierin. We onderbouwen na afloop van het onderzoek de uitkomsten in de rapportage en passen hoor en wederhoor toe. We baseren onze oordelen, voor zover mogelijk, op minimaal drie verschillende bronnen. Dit noemen we triangulatieen daarmee waarborgen we onze onderzoekskwaliteit.

7.3.2 Proportionaliteit en maatwerk

We stemmen de intensiteit van het toezicht af op de kwaliteit van het bestuur. Het toezicht is daarmee proportioneel. Hoe effectiever het bestuur in staat is om te sturen op de kwaliteit van het onderwijs en het financieel beheer, de kwaliteit waarborgt op zijn scholen en zich daarover verantwoordt, hoe minder intensief het toezicht. Het omgekeerde geldt ook: hoe minder goed het bestuur in staat is de (financiële) kwaliteit te waarborgen en zich erover te verantwoorden, hoe intensiever we het toezicht inrichten. Urgente signalen of klachten kunnen in alle gevallen aanleiding zijn voor onderzoek, ook als de eerdere kwaliteitsbeoordeling van het bestuur Voldoende of Goed was. Om te bepalen of dit nodig is, zullen wij, indien mogelijk, het signaal eerst bespreken met het bestuur.

We bepalen de intensiteit van het toezicht op basis van onze gegevens over de kwaliteit van het bestuur. Deze inschatting bouwen we op uit een analyse van de bij ons beschikbare gegevens en aanvullende andere bronnen:

  • We hebben alle besturen in de afgelopen vier jaar onderzocht en beoordeeld. De uitkomsten daarvan en van andere momenten van onderzoek of contact vormen de start van ons beeld van de kwaliteit van het bestuur en van de kwaliteit van de invulling van hun (interne) waarborgfunctie.

  • Dit beeld vullen we aan op basis van gegevens uit de prestatie- en risicoanalyse die we jaarlijks per bestuur en voor alle scholen uitvoeren (zie paragraaf 7.3.3). We analyseren de ontwikkeling van deze gegevens in de tijd en ten opzichte van andere besturen.

  • Signalen die over een bestuur en de scholen bij de inspectie binnenkomen, betrekken we bij de analyse om de kwaliteit van het bestuur in beeld te brengen. Denk hierbij aan actuele ontwikkelingen, zoals mogelijke incidenten of andere berichten.

De analyse van het geheel aan informatie gebruiken we om de intensiteit van het toezicht te bepalen. Het geeft ons zicht op het al dan niet aanwezig zijn van (mogelijke) risico’s voor de onderwijskwaliteit en/of risico’s voor de kwaliteit van het bestuur. Dit is de basis van waaruit we de proportionaliteit van het toezicht bepalen: het toezicht kan intensief zijn, maar ook minder intensief.

Daarna werken we de toezichtsactiviteiten uit die aansluiten op de omstandigheden van het bestuur. Welke onderzoekinstrumenten hebben we nodig om bij het desbetreffende bestuur de kwaliteit te beoordelen? Is er sprake van een eenpitter of vallen er meerdere scholen onder het bestuur? Bij kleine besturen en eenpitters houden we in onze benadering rekening met de gekozen samenhang van de sturing tussen het school- en bestuursniveau. Met wie voeren we gesprekken, waar en hoe kijken we mee in het onderwijs? Dit is het maatwerk in het toezicht.

Hoe dit intensieve en minder intensieve (vervolg)toezicht eruitziet, lichten we toe in paragraaf 7.4 en 7.5.

7.3.3 Jaarlijkse prestatie- en risicoanalyse

De monitoring van de prestaties op het niveau van het bestuur en hun scholen helpt ons om tijdig eventuele risico’s op het spoor te komen en inzicht te krijgen in het functioneren van het bestuur. We doen dit conform artikel 11 van de WOT aan de hand van een aantal indicatoren. Die indicatoren betreffen onder andere financiële gegevens, gegevens over het personeel, over de veiligheid op scholen en de resultaten en doorstroom van leerlingen. Ten minste eenmaal per jaar voeren we een analyse uit op de data die we met de monitor verkrijgen. Als er een vermoeden van risico’s is, voeren we een risicoanalyse uit.

Deze zogeheten expertanalyse bevestigt al dan niet de vermoedens van tekortkomingen ten aanzien van de onderwijskwaliteit en/of het financieel beheer. De analyse wordt uitgevoerd door een expertteam, waarin kennis en deskundigheid op het terrein van data-analyse, onderwijskwaliteit en financieel beheer aanwezig zijn. Zo ontstaat een integraal beeld van de onderwijskwaliteit, de sturingskwaliteit en de financiën.

7.4 Toezichtsactiviteiten bij besturen en scholen

Het toezicht op besturen en scholen omvat meerdere activiteiten. We onderzoeken besturen eens in de vier jaar. Dit onderzoek heet ‘Het vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en scholen’ (hierna: vierjaarlijks onderzoek). Zoals in paragraaf 7.3 is beschreven, doen we dat proportioneel en op maat. Binnen het vierjaarlijks onderzoek kijken we ook naar scholen want op schoolniveau verifiëren we of de besturing door het bestuur effectief is en of het bestuur (be)stuurt op basis van een actueel beeld van de kwaliteit. We beschrijven dit type onderzoek in paragraaf 7.4.1.

Ook tussentijds doen we onderzoek op scholen. Dit doen we als er risico’s zijn, bij aanvragen om de waardering Goed te verkrijgen en bij themaonderzoeken die in relatie staan tot het stelseltoezicht. Onderzoeken kunnen zowel aangekondigd als onaangekondigd plaatsvinden. We beschrijven de onderzoeken op schoolniveau in paragraaf 7.4.2.

Er kunnen zowel binnen het vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en scholen als tussentijds onderzoeken plaatsvinden rondom financieel beheer. Dit beschrijven we in paragraaf 7.4.3. Ten slotte zijn er nog enkele andere onderzoeksactiviteiten; die zijn beschreven in paragraaf 7.4.4.

7.4.1 Vierjaarlijks onderzoek bestuur en scholen

In het vierjaarlijks onderzoek willen we weten of de (be)sturing door het bestuur op de kwaliteit van de scholen op orde is, of er sprake is van deugdelijk financieel beheer en hoe dit bijdraagt aan de kernfuncties van het onderwijs (stelselthema’s). We hanteren daarvoor het waarderingskader voor besturen, zoals beschreven in hoofdstuk 4.

Het vierjaarlijks onderzoek bestaat doorgaans uit de onderdelen die in figuur 7.4.1a zijn beschreven. We bepalen de intensiteit van het toezicht (proportionaliteit) op basis van onze gegevens en we houden in de uitvoering van het onderzoek rekening met de specifieke inrichting en context van het bestuur en de scholen (maatwerk).

Figuur 7.4.1a. Stappen van het vierjaarlijks onderzoek bestuur en scholen

Figuur 7.4.1a. Stappen van het vierjaarlijks onderzoek bestuur en scholen

Een belangrijk onderdeel van onze werkwijze in het vierjaarlijks onderzoek is verificatie. Met verificatie-activiteiten toetsen we bij besturen, scholen en andere betrokkenen in hoeverre het bestuur zicht heeft op de kwaliteit van het onderwijs en het financieel beheer en hoe het bestuur daarop stuurt.

Verificatie-activiteiten

Om te bepalen of het bestuur voldoende stuurt op de kwaliteit van scholen en financiële ontwikkelingen voeren we verificatie-activiteiten uit. We verifiëren het gegeven beeld van de kwaliteit en de sturing van het bestuur. We zetten proportioneel diverse verificatie-activiteiten in en passen maatwerk toe. Deze beschrijven we in het onderzoeksplan. Zo verifiëren we het gegeven kwaliteitsbeeld onder andere door lessen te bezoeken en met leerlingen, ouders of de schoolleiders te spreken. Ook kunnen onderzoeken op schoolniveau (zie paragraaf 7.4.2) bijdragen aan verificatie van het kwaliteitsbeeld. Voor een beeld van financiële of andere ontwikkelingen in relatie tot de ambities, doelstellingen en kwaliteitszorg van het bestuur, kunnen we managementinformatie opvragen. Ook kunnen we hierover gesprekken met het bestuur of bijvoorbeeld de controller voeren.

De verificatie-activiteiten dragen bij aan de doelstellingen van het onderzoek, namelijk om de bestuurlijke kwaliteit vast te stellen op basis van het waarderingskader besturen. Anders dan bij onderzoeken naar risico’s en de waardering Goed geven we bij verificatie-activiteiten geen oordeel op het niveau van de standaarden of de school. De verificatie draagt namelijk bij aan het oordeel op het niveau van het bestuur. Wel delen we onze bevindingen over de mate waarin de bestuurlijke kwaliteit zichtbaar is op de school met de school. Signaleren we bij een school risico’s, dan bespreken we deze met het bestuur. Indien nodig voeren wij een kwaliteitsonderzoek naar risico’s uit.

7.4.2 Onderzoeken op schoolniveau

Op schoolniveau zetten we verschillende typen onderzoeken in, zowel binnen het vierjaarlijks onderzoek (zie paragraaf 7.4.1) als daarbuiten. Wanneer een onderzoek op schoolniveau binnen het vierjaarlijks onderzoek plaatsvindt, worden de activiteiten opgenomen in het onderzoeksplan. Dit plan bevat in elk geval verificatie-activiteiten zoals in de voorgaande paragraaf beschreven.

Onderzoek naar de waardering Goed

Een bestuur kan een school voordragen waarvan het de kwaliteit goed vindt. Het bestuur onderbouwt vooraf waarom de betreffende school de waardering Goed verdient. Wij verifiëren en beoordelen dat aan de hand van het waarderingskader op schoolniveau (zie hoofdstuk 5). Op basis van de kwaliteit van de onderbouwing van de kwaliteit van de school door het bestuur richten we het onderzoek op maat in.

Zo’n verzoek kan gedaan worden bij aanvang van het vierjaarlijks onderzoek. Besturen kunnen een school ook buiten het vierjaarlijks onderzoek aandragen voor een onderzoek naar de waardering Goed. Eventueel kan een school daarna ook voor het excellentietraject aangemeld worden. Om een waardering Goed of het predicaat Excellente School te verkrijgen, moet het financieel beheer door het bestuur op orde zijn.39

Risico-onderzoek

Onderzoeken naar risico’s nemen we mee in het vierjaarlijks onderzoek. Maar ze kunnen ook daarbuiten plaatsvinden, naar aanleiding van de jaarlijkse prestatieanalyse en signalen. We houden hiermee zicht op mogelijke risico’s, maar we verwachten dat besturen die te allen tijde zelf ook in beeld hebben, als onderdeel van de kwaliteitscyclus. Bij een bestuur dat de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit goed invult, verwachten we dat als wij mogelijke risico’s detecteren, het bestuur zelf de oorzaken onderzoekt, passende maatregelen neemt en zich hierover verantwoordt aan de inspectie. Bij een bestuur dat er niet in slaagt de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen, voeren wij (afhankelijk van de aard van de risico’s) zelf het risico-onderzoek geheel of gedeeltelijk uit. We onderzoeken en beoordelen dan een of meerdere standaarden van het waarderingskader op schoolniveau (zie hoofdstuk 5) en maken afspraken over de rapportage en verantwoording van de bevindingen.

Themaonderzoeken

Meer informatie over thematische onderzoeken is te vinden in paragraaf 7.2, maar we nemen ze hier voor de volledigheid op. Vanuit het stelseltoezicht zijn er thema’s die we verder onderzoeken. Hiervoor bezoeken we scholen en/of besturen. Deze themaonderzoeken kunnen samenvallen met het vierjaarlijks onderzoek en ook los plaatsvinden. In de regel geven we geen oordelen bij dit type onderzoek.

7.4.3 Onderzoeken specifiek gericht op financieel beheer

Toezicht op financiële continuïteit

Besturen leveren elk jaar een jaarrekening inclusief een bestuursverslag met daarin een meerjarenbegroting aan bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Op basis daarvan analyseren we jaarlijks de actuele en toekomstgerichte financiële kengetallen van elk bestuur. Bij mogelijke risico’s voor de continuïteit van het onderwijs starten we een onderzoek naar de financiële continuïteit op bestuursniveau. Dit onderzoek kan ook plaatsvinden tijdens een vierjaarlijks onderzoek. Als daar vanuit de monitoring van financiële kengetallen of vanuit signalen aanleiding voor is, kunnen we op elk moment een onderzoek naar de financiële continuïteit starten.

We stellen aangepast financieel toezicht in wanneer blijkt dat de continuïteit van het onderwijs binnen afzienbare termijn in het geding is en onvoldoende wordt voldaan aan de wet- en regelgeving op dit gebied. In het rapport nemen we op welke herstelopdrachten worden gegeven en welke afspraken met het bestuur worden gemaakt, zoals welke informatie het bestuur op welk moment aanlevert. Deze interventie is erop gericht dat de risico’s of tekorten binnen afzienbare termijn zijn opgeheven. Als het bestuur niet in staat blijkt om herstel te realiseren, dan wordt het toezicht geïntensiveerd (zie paragraaf 7.5).

Toezicht op financiële rechtmatigheid

Het bestuur legt verantwoording af over de verwerving en besteding van de rijksbekostiging. Deze verantwoording wordt beoordeeld door een accountant die wordt aangesteld door het interne toezicht. Deze accountant moet opereren volgens de beroepsmaatstaven van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) en volgens het Onderwijsaccountantsprotocol dat door de inspectie in overleg met belanghebbenden40 is opgesteld. Elk jaar controleren wij bij een selectie van accountants of hun controle voldoet aan de regels. Aandachtspunten uit deze toezichtactiviteit worden jaarlijks besproken met de NBA en kunnen aanleiding zijn het Onderwijsaccountantsprotocol aan te passen.

Bij signalen van mogelijk onrechtmatige verkrijging of besteding van middelen voeren we onderzoek uit bij een bestuur. Als we oordelen dat sprake is van onrechtmatige verkrijging of besteding, dan volgen daarna in de regel een wijziging in de bekostiging en een terugvordering van de bekostiging.

De inspectie is, naast het toezicht op onderwijswetgeving in een vierjaarlijks onderzoek, ook belast met het toezicht op en de handhaving van de Wet normering topinkomens (WNT) binnen het onderwijs. De WNT is geen onderwijswet, maar wetgeving die van toepassing is op de gehele publieke en semipublieke sector. Het toezicht op onderwijswetgeving in een vierjaarlijks onderzoek en het toezicht op de WNT worden daarom door de inspectie gescheiden van elkaar uitgevoerd.

7.4.4 Overige toezichtsactiviteiten

Specifiek onderzoek

Ernstige signalen of andere informatie kunnen aanleiding zijn om een onderzoek over een specifiek onderwerp in te stellen bij een bestuur of een school. Dit kan tijdens het vierjaarlijks onderzoek of daarbuiten. Bij urgente signalen en ernstige incidenten interveniëren we vanzelfsprekend meteen op een passende manier.

Wij onderzoeken bij een specifiek onderzoek bepaalde aspecten van het besturen, het financieel beheer of het onderwijs (artikel 15, WOT). Ook hier geldt dat we de intensiteit van het onderzoek afstemmen op de kwaliteit van het bestuur.

Bestuursgesprekken

Besturen en inspectie hebben de mogelijkheid om periodiek een gesprek met elkaar te voeren. Aan elk bestuur is een contactinspecteur gekoppeld die het contact onderhoudt. Dit gaat in ieder geval over onderzoeken en vervolgtoezicht (inclusief herstelopdrachten, zie paragraaf 7.5). Ook heeft de contactinspecteur gesprekken met het bestuur over risico’s, signalen en incidenten. Het bestuur kan de contactinspecteur hierover informeren. Het kan ook zijn dat de contactinspecteur het bestuur bevraagt of (afhankelijk van de kwaliteit van het bestuur) verzoekt om zelf nader onderzoek te doen bij mogelijke risico’s. Daarnaast kan het gesprek gaan over relevante ontwikkelingen binnen of buiten de onderwijsinstelling. We betrekken daarbij ook vraagstukken op het niveau van het onderwijsstelsel als geheel.

Het leggen van het contact is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Het bestuur kan ervoor kiezen de contactinspecteur gedurende het jaar op de hoogte te houden van relevante ontwikkelingen en hem te informeren bij urgente zaken, zoals (ernstige) signalen. Ook kan de contactinspecteur geregeld contact leggen met het bestuur om een vinger aan de pols te houden of urgente zaken te bespreken. De informatie uit deze contacten nemen we mee in de eerdergenoemde monitoring.

7.5 Vervolgtoezicht, intensivering en sancties

Vervolgtoezicht is nodig wanneer er tijdens een vierjaarlijks onderzoek tekortkomingen worden vastgesteld bij het bestuur en de scholen of wanneer andere onderzoeken of toezichtsactiviteiten hiertoe aanleiding geven.

7.5.1 Vervolgtoezicht bij herstelperiode

Natuurlijk is vervolgtoezicht lang niet altijd nodig. Als tijdens een onderzoek tekortkomingen zijn geconstateerd, wordt vervolgtoezicht afgesproken. De intensiteit hiervan is ook hier afhankelijk van de kwaliteit van het bestuur. We kunnen tekortkomingen constateren op bestuursniveau en/of op schoolniveau.

Geen tekortkomingen

Als uit een onderzoek blijkt dat het bestuur voor basiskwaliteit heeft gezorgd en dat het daarmee aan de deugdelijkheidseisen en financiële voorwaarden voor bestuur en school voldoet, is er geen vervolgtoezicht. Het bestuur en de scholen vallen dan onder het reguliere toezicht, waarbij we prestaties en risico’s jaarlijks monitoren en elke vier jaar het bestuur beoordelen. Wanneer nodig of gewenst, is er tussentijds contact.

Tekortkomingen bij het bestuur

Bij tekortkomingen op bestuursniveau, bijvoorbeeld bij onvoldoende (financiële) basiskwaliteit en daardoor niet voldoen aan wet- en regelgeving, spreken we met het bestuur af binnen welke termijn de geconstateerde tekortkomingen hersteld moeten zijn. Afhankelijk van de zwaarte en omvang van de tekortkoming verantwoordt het bestuur zich over het herstel aan de inspectie en gaan wij na of de tekortkoming is hersteld. De intensiteit waarmee we dat doen, bepalen we ook in relatie tot de kwaliteit van het bestuur.

Tekortkomingen op scholen

Bij tekortkomingen in de basiskwaliteit op een school maken we met het bestuur afspraken over de termijn waarbinnen de kwaliteit hersteld moet zijn. Wanneer de zwaarte en omvang van de tekortkomingen hiertoe aanleiding geven, bijvoorbeeld bij het oordeel Zeer zwak, stellen we een toezichtsplan op om het verloop van het herstel te monitoren en voeren we een herstelonderzoek uit. Bij kleinere tekortkomingen en als de kwaliteit van het besturen op orde is, verantwoordt het bestuur zich bij ons over het herstel. We spreken, afhankelijk van de kwaliteit van het bestuur, af hoe we omgaan met het herstelonderzoek.

Proportionaliteit en maatwerk bij herstel

Proportionaliteit en maatwerk beïnvloeden ook hoe we in de herstelperiode ons toezicht inrichten. Zo kunnen we voortgangsgesprekken voeren of een plan op (laten) stellen met afspraken over de stappen waarlangs het herstel op een school zal plaatsvinden.

Bij een bestuur waar de sturing ruimschoots op orde is, leggen we de verantwoordelijkheid voor het waarborgen van de kwaliteit en het herstellen van eventuele tekortkomingen bij een school, neer bij het bestuur. Dit betekent dat wij niet altijd zelf een herstelonderzoek uitvoeren, maar dit aan het bestuur overlaten. We vragen vervolgens het bestuur te verantwoorden hoe en met welk resultaat het herstel op de school plaatsvond.

Bij een bestuur dat er niet in slaagt zijn sturing op (delen van) de kwaliteit van scholen te waarborgen, voeren wij zelf (delen van) herstelonderzoeken uit.

Gevolgen uitkomst herstelonderzoek

Wanneer het herstel of de kwaliteit van de gevraagde verantwoording ontoereikend is, heeft dit gevolgen voor welke toezichtsinterventies we kiezen en hoe we de kwaliteit van het bestuur inschatten. Wanneer we concluderen dat het vermogen van het bestuur om zelf de kwaliteit te waarborgen niet voldoende is, neemt de intensiteit van ons vervolgtoezicht toe. Ook dit is proportioneel.

Bovenstaande geven we in tabel 7.5.1a schematisch weer. De invulling is maatwerk per onderzoek.

Tabel 7.5.1a Inrichting vervolgtoezicht

Uitkomsten onderzoek

Inrichting vervolgtoezicht

Voldoet ten minste aan basiskwaliteit

Geen vervolgtoezicht; regulier toezicht

Tekortkomingen bestuur

Monitoring voortgang herstel door inspectie

en/of

verantwoording herstel door bestuur

en

herstelonderzoek door inspectie

Tekortkomingen school

Monitoring voortgang herstel door inspectie

en/of

verantwoording herstel door bestuur

en/of

herstelonderzoek door inspectie

7.5.2 Escaleren

Escaleren heeft betrekking op interventies om besturen aan te sporen de door ons noodzakelijk geachte verbeteringen door te voeren. Escalatie gaat stapsgewijs, waarbij steeds wordt gekeken welk middel nodig is. Dit zodat de verbeteringen plaatsvinden. Naarmate een bestuur of een school daar minder goed in slaagt, intensiveren we het toezicht. Dit kan verder en verdiepend onderzoek inhouden, bijvoorbeeld een specifiek onderzoek naar het bestuurlijk handelen. In het uiterste geval, wanneer we zien dat verbetering uitblijft, kunnen we verschillende sancties inzetten of maatregelen nemen.

Naarmate verbetering uitblijft en de risico’s op kwaliteitsverlies groter worden, treedt een volgende fase van escalatie in werking. De escalatie sluit aan op de bevoegdheden van de inspectie en vervolgens op die van de minister. Een escalatietraject is bij elke toezichtsituatie anders. De volgorde van interventie- en escalatiestappen wordt per situatie bepaald.

Interventies kunnen variëren van een herstelopdracht om tekortkomingen op te heffen op schoolniveau tot zeer ingrijpende maatregelen op het niveau van bekostiging van scholen en op het niveau van besturen. Vanzelfsprekend wegen we in alle gevallen af wat de ernst en de duur van de risico’s zijn en of het bestuur voldoende perspectief op verbetering van de situatie biedt.

8. Communicatie en rapportage

8.1 Inleiding

Als inspectie hebben we een publieke taak om ouders en de samenleving te informeren over onze bevindingen en oordelen over de kwaliteit van de (be)sturing en het onderwijs. Daarom geven we op verschillende manieren actief inzicht in onze onderzoeksresultaten en oordelen. Zo dragen we bij aan de informatie die over het onderwijsstelsel, de besturen en scholen beschikbaar is. Naast de informatie waarin de inspectie voorziet, leveren besturen, scholen en anderen, elk vanuit hun rol en (publieke) verantwoordelijkheid, een bijdrage aan de informatie die over de scholen en het onderwijs beschikbaar is.

Naast communicatie via het meldpunt van de inspectie, de website en ‘De Staat van het Onderwijs’ zijn er rapportages over themaonderzoeken en onderzoeken bij besturen en scholen beschikbaar. Al onze rapporten zijn in beginsel openbaar.41 We zijn daarmee transparant in onze werkwijze en onze oordelen en waarderingen. Onze website is de centrale plek waar onze rapporten terug te vinden zijn. In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we communiceren en geven we een toelichting op de verschillende rapportagevormen.

8.2 Communicatie

Onze communicatie over de resultaten van onderzoeken kent meerdere vormen. We richten ons ten eerste op de vraag welke doelgroep het meest zou kunnen doen met onze toezichtsinformatie. We bepalen wie mogelijk betrokken is bij het verhogen van de onderwijskwaliteit of bij het oplossen van problemen. Vervolgens stemmen we de vorm van de communicatie daarop af. Naast de verschillende – meer formele – vormen van rapportage die hierna zijn beschreven, maken we gebruik van andere vormen van communicatie. Bijvoorbeeld van infographics of animaties. Ook de inzet van sociale media, bijdragen aan relevante congressen, het geven van lezingen en het zelf organiseren van conferenties of rondetafelgesprekken, maken deel uit van onze communicatie. Een belangrijke communicatievorm daarin is ons jaarlijkse congres, waar we ‘De Staat van het Onderwijs’ presenteren.

We communiceren over de uitkomsten van onze onderzoeken, maar hebben daarnaast ook een informatiefunctie. Via het meldpunt van de inspectie kunnen ouders, besturen en scholen bijvoorbeeld vragen stellen over het onderwijs, ons toezicht in het algemeen of specifieke scholen. Ook kunnen hier zorgen over het onderwijs worden gemeld. Vertrouwenskwesties kunnen worden gemeld bij vertrouwensinspecteurs.

Meldingen over het onderwijs hebben voor ons een signaalfunctie en we nemen we deze mee bij de jaarlijkse prestatieanalyse en de expertanalyse ter voorbereiding van het vierjaarlijks onderzoek. Soms is de signalering zo ernstig van aard dat deze meteen aanleiding voor onderzoek vormt.

8.3 Rapportage

We rapporteren op stelselniveau en op het niveau van besturen en scholen. In beginsel maken we onze rapporten over besturen en scholen in de vijfde week na vaststelling openbaar (artikel 21, eerste lid, WOT).42

8.3.1 Stelselniveau

Onderzoeken op stelselniveau kennen de volgende rapportagevormen.

De Staat van het Onderwijs

Jaarlijks rapporteren we over het onderwijsstelsel als geheel in ‘De Staat van het Onderwijs’. Dit rapport publiceren we elk voorjaar. Hierin beschrijven we hoe het staat met de realisatie van de kernfuncties van het onderwijsstelsel. Ook geven we een beeld van de kwaliteit van de besturen en instellingen, de positieve ontwikkelingen en de mogelijke zorgen. Voor ‘De Staat van het Onderwijs’ gebruiken we onder andere de onderzoeksgegevens uit onze vierjaarlijkse onderzoeken, themaonderzoeken en gegevens uit (internationaal) wetenschappelijk onderzoek. Zo geven we een actueel beeld van de prestaties van het stelsel als geheel (zie hoofdstuk 7).

Jaarlijks rapporteren we ook over de financiële toestand van de instellingen en het onderwijsstelsel. Wij baseren ons daarbij op financiële gegevens van de instellingen zelf en verder op toezichtactiviteiten en onderzoeken die wij uitvoeren rond het financieel beheer van instellingen. Daarbij geven we aan wat goed gaat en wijzen we op risico’s.

Themarapporten

We rapporteren op diverse manieren over onze themaonderzoeken. Zo rapporteren we hierover in ‘De Staat van het Onderwijs’. Vaak brengen we daarnaast een apart themarapport uit.

8.3.2 Bestuursniveau

Over onderzoeken op bestuursniveau rapporteren we in het rapport van het vierjaarlijks onderzoek. Dit rapport is gericht aan het bestuur en geeft een totaalbeeld van de bevindingen en oordelen op bestuursniveau en van de onderzoeksactiviteiten die in dit kader op scholen plaatsvonden. We rapporteren in dit rapport kort over verificatie-activiteiten en – wanneer uitgevoerd – kwaliteitsonderzoeken naar risico’s en/of onderzoeken naar de waardering Goed en/of onderzoeken naar financiële risico’s. Bij verificatie-activiteiten op schoolniveau geven we geen oordelen of waarderingen. De rapportage hierover is daarom beknopt.

In het rapport maken we onderscheid tussen enerzijds de beoordeling van de naleving van de deugdelijkheidseisen (voldoen het bestuur en zijn scholen aan de basiskwaliteit?) en anderzijds onze waardering van de ambities. Tot slot worden in beginsel in het rapport eventuele herstelopdrachten en

-onderzoeken vastgelegd die betrekking hebben op het herstel van niet-naleving van de deugdelijkheidseisen. Dan leggen we ook de termijnen vast waarbinnen de tekortkoming(en) moet(en) zijn hersteld (zie paragraaf 7.5).

De oordelen op bestuursniveau presenteren we samen met het betreffende onderzoeksrapport op onze website. Het doel hiervan is om belanghebbenden over de resultaten van het toezicht te informeren. Als daarna uit herstelonderzoek blijkt dat een bestuur de aangetroffen tekortkomingen heeft hersteld, dan wordt dit nieuwe oordeel ook zichtbaar gemaakt op de website.

Specifieke onderzoeken

Als uit eerder onderzoek blijkt dat een bestuur niet in staat is noodzakelijke verbetermaatregelen te treffen of als uit signalen problemen naar voren komen die direct om onderzoek naar een specifiek knelpunt vragen, voert de inspectie een specifiek onderzoek uit. Deze onderzoeken worden uitgevoerd in het kader van artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT). Over de bevindingen en conclusies wordt een rapport gemaakt dat in beginsel op de website van de inspectie openbaar wordt gemaakt.

Onderzoeken naar financieel beheer

We rapporteren apart op bestuursniveau over de onderzoeken die buiten een vierjaarlijks onderzoek vallen en uitgevoerd worden bij financiële risico’s.

8.3.3 Schoolniveau

We rapporteren over onze bevindingen uit onderzoeken op scholen vaak als onderdeel van andere rapportages over besturen of het stelsel. In themaonderzoeken presenteren we een algemeen beeld, waardoor bevindingen van een individuele school niet herkenbaar zijn in het rapport. Het rapport ‘Vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en scholen’ bevat deelrapportages over onderzoeks- en verificatie-activiteiten die binnen het bestuursonderzoek op scholen plaatsvonden. We rapporteren afzonderlijk over onderzoeken die we op scholen uitvoeren, buiten de thema- en bestuursonderzoeken om. Zo kunnen ouders en andere belangstellenden, naast de informatie die vanuit het bestuur beschikbaar is, van onze toezichtsresultaten kennisnemen. Dat doen we in de volgende gevallen.

Kwaliteitsonderzoek naar risico’s

Als we een kwaliteitsonderzoek naar risico’s hebben uitgevoerd, rapporteren we over de uitkomsten in een rapport gericht aan het bestuur. Bij het oordeel Zeer zwak zenden we het bestuur ook een rapport toe dat bedoeld is voor ouders. Naast een beschrijving van de bevindingen worden de oordelen op de standaarden weergegeven. Ook wordt het eindoordeel toegevoegd. Het rapport van de school plaatsen we op onze website.

Wanneer het bestuur in opdracht van de inspectie zelf een (herstel)onderzoek uitvoert, worden de resultaten na herstel op de inspectiewebsite in principe vermeld via een verwijzing naar de website van het bestuur.

Onderzoeken naar Goed

Ook over onderzoeken naar Goed brengen we een afzonderlijk rapport uit als deze buiten een vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en scholen plaatsvinden. Naast een beschrijving van de bevindingen geven we hierin de waarderingen en oordelen op de standaarden weer. Ook voegen we het eindoordeel toe. Het rapport plaatsen we op onze website.

Specifieke onderzoeken

Net als bij besturen kunnen we ook op schoolniveau een specifiek onderzoek uitvoeren. Dit kan met het onderzoek op bestuursniveau samenhangen, maar ook afzonderlijk worden uitgevoerd. Dergelijke onderzoeken worden uitgevoerd in het kader van artikel 15, WOT. Over de bevindingen en conclusies schrijven we een rapport, dat op de website van de inspectie openbaar wordt gemaakt.

8.4 Openbaarmaking, zienswijze en bezwaar

Zoals in de inleiding van dit hoofdstuk staat, maken we al onze rapporten in beginsel openbaar.43 Nadat we het bestuur gevraagd hebben op basis van het conceptrapport een (beleids)reactie op te stellen, voegen we deze aan het rapport toe en stellen we het rapport definitief vast.

Als met het bestuur geen overeenstemming is bereikt over de door het bestuur gewenste wijzigingen van het conceptrapport, heeft het bestuur een andere zienswijze op de oordelen en waarderingen. Deze zienswijze voegen we als bijlage toe aan het definitieve rapport.

Een bestuur kan bezwaar maken tegen de openbaarmaking van een rapport als het een onderzoek is dat wordt uitgevoerd op basis van artikel 15 van de WOT (specifiek onderzoek, paragraaf 5.3) en daarnaast kan een bestuur bezwaar maken tegen het eindoordeel Zeer zwak.

In bepaalde gevallen is het mogelijk om een klacht in te dienen over een gedraging van de inspectie. Wij verwijzen u voor de klachtenprocedure naar onze website (www.onderwijsinspectie.nl).

9. Specifieke toepassingen van het onderzoekskader

9.1 Inleiding

In dit hoofdstuk beschrijven we enkele specifieke toepassingen van en uitzonderingen op het reguliere onderzoekskader. Het betreffen samenwerkingsverbanden passend onderwijs en onderwijssoorten en

-voorzieningen waarvoor specifieke wet- en regelgeving geldt, zodat aanpassingen van het waarderingskader of de werkwijze nodig zijn.

Er zijn ook onderwijssoorten en -voorzieningen waar we wel toezicht op houden, maar niet op grond van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT), bijvoorbeeld het Nederlands onderwijs in het buitenland (NOB) en niet-bekostigde instellingen (B3-scholen in primair en voortgezet onderwijs). Daarvoor zijn aparte waarderingskaders opgesteld. Hoe het toezicht op deze vormen eruitziet, is te vinden op onze website.44

Ook zijn er onderwijssoorten of -voorzieningen in de vorm van een pilot. In die gevallen is er wel sprake van inspectiebetrokkenheid, maar is de wet- en regelgeving nog niet volledig uitgekristalliseerd. Vanwege het tijdelijke karakter van pilots en experimenten zijn deze niet beschreven in dit onderzoekskader.

Het onderwijsstelsel laat de afgelopen jaren ontwikkelingen zien naar meer variatie in bijvoorbeeld onderwijsroutes, diplomering en samengestelde trajecten. Besturen hebben de verantwoordelijkheid voor al het onderwijs dat zij aanbieden. De beoordeling van de kwaliteit hiervan vindt in beginsel plaats binnen de reikwijdte van het vierjaarlijks onderzoek. Wij baseren ons hierbij op geldende wet- en regelgeving die voor deze routes van toepassing zijn.

We beschrijven hieronder het toezicht op besturen van samenwerkingsverbanden passend onderwijs en orthopedagogisch-didactische centra. In de tekst staat een overzicht van de standaarden uit het waarderingskader (hoofdstuk 4 en/of 5) die al dan niet, of met wijziging, van toepassing zijn op genoemde voorzieningen. De overige wettelijke vereisten (paragraaf 5.4) zijn ook van toepassing op de bijlage. Verder zijn afwijkingen in de normering (hoofdstuk 6) en de werkwijze (hoofdstuk 7) opgenomen.

9.2 Besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs

9.2.1 Inleiding

Schoolbesturen zijn verplicht aangesloten bij een of meer samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Het bestuur van het samenwerkingsverband en de aangesloten schoolbesturen zijn beide en gezamenlijk verantwoordelijk voor de realisatie van passend onderwijs. Het samenwerkingsverband heeft eigen wettelijke taken en deze zijn erop gericht om te zorgen voor een dekkend netwerk van voorzieningen, zodat aangesloten schoolbesturen kunnen voldoen aan de zorgplicht passend onderwijs. Het samenwerkingsverband moet afspraken maken over de manier waarop voor alle leerlingen zo goed mogelijk passend onderwijs wordt georganiseerd. Deze afspraken legt het samenwerkingsverband vast in het ondersteuningsplan. Waar deze afspraken het beleid van schoolbesturen en scholen betreffen, zijn de schoolbesturen verantwoordelijk voor de uitvoering van deze afspraken.

De wet laat veel ruimte voor samenwerkingsverbanden en schoolbesturen om passend onderwijs naar regionale kenmerken en eigen visie te organiseren. Die vrijheid is ook bedoeld om ruimte te creëren voor meer maatwerk en om keuzes te maken die passen bij de extra onderwijsbehoeften van leerlingen in de regio. Dit vraagt om een goede afstemming met gemeentelijke partners en is gericht op de aansluiting van het onderwijs op het jeugdbeleid van de gemeente(n), waaronder de jeugdhulp. Ook hierover legt het samenwerkingsverband afspraken vast in het ondersteuningsplan en voert hierover overleg met de gemeente(n) en andere samenwerkingsverbanden in de regio.

Een andere belangrijke taak van het samenwerkingsverband is de verantwoordelijkheid voor de advisering over extra ondersteuning en toeleiding tot speciale scholen en voorzieningen. Hiermee vervult het samenwerkingsverband een centrale rol in de toewijzing van extra ondersteuning.

Het toezicht moet inzicht geven in de mate waarin samenwerkingsverbanden erin slagen hun taak te vervullen.

Orthopedagogisch-didactische centra

Een samenwerkingsverband kan ervoor kiezen om, met het oog op de doelstelling om te zorgen voor een dekkend netwerk van voorzieningen, een orthopedagogisch-didactisch centrum (opdc) onderdeel te laten zijn van het samenwerkingsverband. Een opdc is een onderwijsvoorziening voor leerlingen voor wie een orthopedagogische en orthodidactische benadering nodig is. Voor hen is het tijdelijk niet mogelijk om onderwijs te volgen op de reguliere school, ook niet met extra ondersteuning. Hiermee biedt de voorziening schoolbesturen de mogelijkheid om voor specifieke leerlingen aan de zorgplicht te kunnen voldoen. Omdat de leerling ingeschreven blijft staan bij de reguliere school en het schoolbestuur daarmee verantwoordelijk blijft voor de resultaten van de leerling, is ook het schoolbestuur gebaat bij een voorziening van voldoende kwaliteit.

De kwaliteit van het onderwijs op een opdc is de verantwoordelijkheid van het bestuur van het samenwerkingsverband waartoe het opdc behoort. In het ondersteuningsplan staat wat de positie en functie zijn van het opdc binnen het dekkend netwerk van het samenwerkingsverband en welke leerlingen in aanmerking kunnen komen voor het volgen van (een deel van) het onderwijsprogramma op een opdc.

Het toezicht richt zich op de beoordeling van de onderwijskwaliteit van het opdc gaat na in hoeverre het bestuur van het samenwerkingsverband zicht heeft op de kwaliteit en stuurt op verbetering. Voor schoolbesturen is het van belang dat het onderwijs van voldoende kwaliteit is, omdat zij verantwoordelijk zijn voor de resultaten van de leerling. De leerling blijft immers ingeschreven op de reguliere school.

9.2.2 Aanpassingen waarderingskader en normering

Waarderingskader en normering besturen samenwerkingsverbanden

Het waarderingskader voor besturen van samenwerkingsverbanden passend onderwijs bestaat uit twee kwaliteitsgebieden, die ieder onderverdeeld zijn in drie standaarden.

Het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie (BKA) is onderverdeeld in drie standaarden die (in)richting, uitvoering en evaluatie omvatten. Deze standaarden zijn met elkaar verbonden en richten zich op het stelsel van kwaliteitszorg en governance. Dit betekent dat we deze standaarden in samenhang onderzoeken. Als een samenwerkingsverband een opdc heeft ingericht, dan nemen we bij de beoordeling van deze standaarden mee of het bestuur voldoet aan de zorgplicht voor de kwaliteit van het onderwijs op het opdc.

Het kwaliteitsgebied Realisatie passend onderwijs (RPO) richt zich op de wettelijke taken die specifiek zijn voorbehouden aan samenwerkingsverbanden passend onderwijs en die zijn gericht op de realisatie van de maatschappelijke opdracht voor passend onderwijs. Deze wettelijke taken zijn gevat in de drie standaarden in het kwaliteitsgebied Realisatie passend onderwijs.

Uit de beoordeling van de standaarden uit de twee kwaliteitsgebieden blijkt of het bestuur in staat is om met zijn (be)sturing de basiskwaliteit van het samenwerkingsverband te realiseren, te waarborgen en verder te ontwikkelen. Met deze kennis over het resultaat en de kwaliteit van de sturing richten we het (vervolg)toezicht proportioneel in (zie hoofdstuk 7).

In onderstaande figuur staat de beoordeling/normering schematisch weergegeven.

Oordeel/waardering bestuursniveau

Norm

Goed

Twee standaarden uit het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie zijn Goed en de derde is ten minste Voldoende én twee standaarden uit het kwaliteitsgebied Realisatie passend onderwijs, waaronder in elk geval de standaard Dekkend netwerk, zijn Goed en de derde is ten minste Voldoende.

Voldoende

Alle drie standaarden uit het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie zijn ten minste Voldoende én uit het kwaliteitsgebied Realisatie passend onderwijs zijn minimaal de standaard Dekkend netwerk én een andere standaard Voldoende.

Onvoldoende

Een of meer standaarden uit het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie is/zijn Onvoldoende. Of de standaard Dekkend netwerk uit het kwaliteitsgebied Realisatie passend onderwijs is Onvoldoende.

Waarderingskader en normering opdc’s

Voor de beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs op het opdc maken we gebruik van de waarderingskaders primair onderwijs (voor opdc’s in het primair onderwijs) en voortgezet onderwijs (voor opdc’s in het voortgezet onderwijs), zoals beschreven in hoofdstuk 5 van de betreffende kaders. Omdat de leerlingen op het opdc ingeschreven staan op een reguliere school, tellen hun (onderwijs)resultaten mee op de school van inschrijving. We geven dus bij het opdc geen oordeel op de standaard OR1 (Resultaten). Voor de beoordeling en waardering van de kwaliteit van het opdc geldt dan ook de beslisregel voor scholen waarvan de resultaten niet te beoordelen zijn (zie paragraaf 6.5.2 van de betreffende kaders).

9.2.3 Werkwijze

Werkwijze toezicht op besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs

De werkwijze voor het toezicht op de besturen van samenwerkingsverbanden komt in grote mate overeen met de werkwijze bij schoolbesturen. Het verschil is dat we bij het toezicht op een samenwerkingsverband tijdens de expertanalyse (paragraaf 7.4.1, onderdeel 1. Analyse) belanghebbenden bij het samenwerkingsverband raadplegen. Dit doen we in de vorm van rondetafelgesprekken. Deze gesprekken zijn medebepalend voor de inrichting van het onderzoek.

Tijdens een onderzoek kunnen we ook gesprekken voeren met regionale partners, zoals de gemeente(n), de jeugdhulp en leerplicht.

Bij het toezicht op het samenwerkingsverband bekijken we ook of aangesloten scholen het beleid van het samenwerkingsverband in de praktijk uitvoeren. Dit beleid staat beschreven in het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband. De uitvoering van het beleid van het samenwerkingsverband en de resultaten die scholen hiermee bereiken, stellen we (ook) vast aan de hand van verificatie-activiteiten.

Een dergelijke activiteit is onderdeel van het onderzoek naar de werking van de kwaliteitszorg van het samenwerkingsverband. We gaan na of scholen de afspraken uit het ondersteuningsplan nakomen. We verwachten van het bestuur van het samenwerkingsverband dat het zicht heeft op deze uitvoering in de praktijk en dat het hierop stuurt. Daarnaast geeft het ons zicht op enkele aspecten van passend onderwijs op de bezochte scholen. De uitkomsten van de verificatie-activiteiten levert geen oordeel op over de scholen, maar een signaal of zij de onderzochte afspraken uit het ondersteuningsplan naleven en over de uitwerking van het beleid van het samenwerkingsverband.

Werkwijze toezicht op opdc’s

Voor de werkwijze voor het toezicht op de kwaliteit van het onderwijs op het opdc gelden de uitgangspunten zoals genoemd in hoofdstuk 7.

Bijlage 1 Waarderingskader besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs

In deze bijlage is het waarderingskader voor het toezicht op besturen van samenwerkingsverbanden passend onderwijs opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.2.

KWALITEITSGEBIED REALISATIE PASSEND ONDERWIJS (RPO)

RPO1. Dekkend netwerk van voorzieningen

Het samenwerkingsverband heeft voor alle leerlingen in het samenwerkingsverband die extra ondersteuning nodig hebben een passende onderwijsplek beschikbaar.

Basiskwaliteit

Het samenwerkingsverband voert de aan hem opgedragen taken uit en realiseert een samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen, zodanig dat alle leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen. Het samenwerkingsverband doet al het mogelijke om passende ondersteuningsvoorzieningen te organiseren voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben en benut hiervoor de mogelijkheden die de wet biedt. Het samenwerkingsverband kan hiervoor onder andere gebruikmaken van de mogelijkheid om een orthopedagogisch-didactisch centrum (opdc) in te richten.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het dekkend netwerk van voorzieningen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 18a, tweede lid, WPO / artikel 17a, tweede lid, WVO: Het samenwerkingsverband stelt zich ten doel een samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen te realiseren en wel zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken en leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats krijgen.

• Artikel 18a, zesde lid, WPO / artikel 17a, zesde lid, WVO: Het samenwerkingsverband heeft onder andere de taak om middelen en voorzieningen te verdelen over en toe te wijzen aan de scholen ten behoeve van het dekkend netwerk.

• Artikel 18a, lid 10a, WPO / artikel 17a, lid 10a, WVO: Het samenwerkingsverband kan met het oog op het dekkend netwerk een opdc inrichten. Hier zijn voorwaarden aan verbonden (artikel 34.10, Besluit bekostiging WPO / artikel 26, Inrichtingsbesluit WVO).

RPO2. Regionale samenwerking

Het samenwerkingsverband werkt samen in de regio en zorgt voor een doorgaande leerlijn en realiseert een aansluiting tussen het onderwijs en de jeugdhulp in de regio.

Basiskwaliteit

Het samenwerkingsverband en de gemeente(n) hebben een gezamenlijke taak in het afstemmen van het jeugdbeleid. Het samenwerkingsverband werkt hiervoor samen met de gemeente(n) en ketenpartners om de ondersteuning af te stemmen op de jeugdhulp1 die door de gemeente wordt gerealiseerd. Dit heeft als doel dat alle leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen en er geen leerlingen thuiszitten.

Het samenwerkingsverband legt de afspraken hierover vast in het ondersteuningsplan. Hierover voert het samenwerkingsverband op overeenstemming gericht overleg (oogo) met het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente of gemeenten.

Met het oog op de doorgaande leerlijn van het primair onderwijs (inclusief het speciaal (basis)onderwijs) naar het voortgezet onderwijs (inclusief het praktijkonderwijs (pro) en voortgezet speciaal onderwijs (vso)) stemt het samenwerkingsverband zijn beleid af met het samenwerkingsverband dat (geheel of gedeeltelijk) samenvalt met de eigen regio. Ook deze afspraken legt het samenwerkingsverband vast in het ondersteuningsplan.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de regionale samenwerking en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 18a, tweede en achtste lid, WPO / artikel 17a, tweede en achtste lid, WVO: Het ondersteuningsplan omvat onder andere de wijze waarop wordt voldaan aan het realiseren van een samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen.

• Artikel 18a, negende lid, WPO / artikel 17a, negende lid, WVO: Na op overeenstemming gericht overleg over het conceptondersteuningsplan met de gemeente(n) en het samenwerkingsverband waarmee de regio samenvalt (en het bestuur van instelling(en) voor middelbaar beroepsonderwijs in dit gebied) stelt het bestuur het ondersteuningsplan vast.

RPO3. Advisering en beoordeling toelaatbaarheid

Het samenwerkingsverband voorziet in een zorgvuldige advisering en besluitvorming bij de beoordeling van aanvragen voor de toelaatbaarheid tot speciale onderwijsvoorzieningen.

Basiskwaliteit

Op verzoek van het bestuur van een school adviseert het samenwerkingsverband over de ondersteuningsbehoefte van een leerling als deze bij de school is aangemeld of ingeschreven.

Voor leerlingen voor wie een speciale vorm van onderwijs (voor het primair onderwijs: speciaal basisonderwijs (sbo) en speciaal onderwijs (so); voor het voortgezet onderwijs: leerwegondersteunend onderwijs (lwoo), praktijkonderwijs (pro) en voortgezet speciaal onderwijs (vso)) de best passende plek is, is een toelaatbaarheidsverklaring van het samenwerkingsverband nodig (voor het lwoo geldt een aanwijzing). Het toelaatbaar verklaren tot deze scholen is een wettelijke taak van het samenwerkingsverband en is aan voorschriften gebonden. Wanneer voor een leerling een toelaatbaarheidsverklaring is aangevraagd, dan handelt het samenwerkingsverband deze aanvraag volgens een zorgvuldige procedure af binnen een redelijke termijn, opdat de leerling een ononderbroken ontwikkeling kan doormaken.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de advisering en beoordeling toelaatbaarheid en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 18a, zesde lid, sub d, WPO / artikel 17a, zesde lid, sub d, WVO: Het samenwerkingsverband heeft onder andere tot taak om te adviseren over de ondersteuningsbehoefte van een leerling op verzoek van het bestuur van een bij het samenwerkingsverband aangesloten school waar de leerling is aangemeld of ingeschreven.

• Artikel 18a, zesde lid, sub c, WPO / artikel 17a, zesde lid, sub c, WVO: Het samenwerkingsverband heeft onder andere tot taak het beoordelen of een leerling toelaatbaar is tot het sbo en het so, respectievelijk het pro en vso, of aangewezen is op het lwoo.

• Artikel 18a, lid 10a, WPO / artikel 17a, lid 10a, WVO: Het samenwerkingsverband kan met het oog op het dekkend netwerk een opdc inrichten. Hier zijn voorwaarden aan verbonden (zie artikel 34.10, Besluit bekostiging WPO / artikel 26, Inrichtingsbesluit WVO).

• Artikel 18a, elfde lid, WPO en artikel 34.8, Besluit bekostiging WPO / artikel 17a, twaalfde lid, WVO en artikel 15a, Inrichtingsbesluit WVO: Het samenwerkingsverband betrekt de adviezen van wettelijk verplichte deskundigen bij de beoordeling of een leerling toelaatbaar is tot het sbo en so, respectievelijk het pro en vso, of aangewezen is op het lwoo.

• Artikel 18a, twaalfde lid, WPO / artikel 17a, dertiende lid, WVO: Het samenwerkingsverband stelt een adviescommissie in die adviseert over bezwaarschriften betreffende besluiten van het samenwerkingsverband over de toelaatbaarheid van leerlingen tot speciale scholen (sbo, v(s)o en pro).

• Artikel 18a, veertiende lid, WPO / artikel 17a, vijftiende lid, WVO: Het samenwerkingsverband verstrekt van elk advies over de ondersteuningsbehoefte van een leerling een afschrift aan de ouders.

X Noot
1

Jeugdhulp en eventuele andere domeinen uit artikel 2.2 van de Jeugdwet zoals beschreven in het jeugdplan van de gemeente.

KWALITEITSGEBIED BESTURING, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (BKA)

BKA1. Visie, ambities en doelen

Het bestuur heeft een visie op kwaliteit, heeft hiervoor ambities en doelen opgesteld en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

Het bestuur heeft een visie op de uitvoering van de wettelijke taken en op de besturing daarvan. De visie is concreet en passend vertaald naar ambities, doelen en daarmee samenhangende beleid. Deze vertaling maakt sturing mogelijk op de kwaliteit en resultaten van beleid van het samenwerkingsverband en de voorwaarden. Daartoe is een stelsel van kwaliteitszorg ingericht dat het bestuur in staat stelt de basiskwaliteit van de taakuitvoering te waarborgen. Wanneer het samenwerkingsverband een opdc in stand houdt, valt hieronder ook het zorg dragen voor de kwaliteit van het onderwijs op het opdc.

De doelen betreffen in elk geval de naleving van de wettelijke eisen, waaronder het zorg dragen voor de dienstverlening aan de aangeslotenen, het realiseren van een samenhangend geheel van voorzieningen en de beoogde kwalitatieve en kwantitatieve resultaten van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning behoeven en de daarmee samenhangende bekostiging. De visie, ambities en doelen omvatten uitwerkingen van eerdere evaluatieresultaten en resultaten van interne en externe dialoog. De doelen, het beleid en de afspraken zijn vastgelegd in het ondersteuningsplan. Het ondersteuningsplan wordt eenmaal in de vier jaar door het bestuur vastgesteld en vormt de basis voor de sturing op de uitvoering van de taken en de verbetering van de kwaliteit.

Het bestuur richt de voorwaarden in om de doelen te bereiken, waaronder de inzet en het beheer van de (financiële) middelen voor het waarborgen van de uitvoering van de wettelijke taken van het samenwerkingsverband en de realisatie van de zorgplicht passend onderwijs door schoolbesturen. Het bestuur heeft daartoe een meerjarenbegroting waarin de relatie met het beleid, de doelen en de gemaakte keuzes voor het verdelen van de middelen duidelijk zijn toegelicht. Er is voor de sturing op (financiële) kwaliteit een functionerende verantwoordelijkheidsverdeling tussen de interne toezichthouder en het bestuur afgesproken, op basis van de geldende wet- en regelgeving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 14a WMS: Het samenwerkingsverband behoeft de voorafgaande instemming van de ondersteuningsplanraad voor elk door het samenwerkingsverband te nemen besluit met betrekking tot vaststelling van het ondersteuningsplan.

• Artikel 17a, eerste en derde lid, WPO, jo. artikel 10 WPO / artikel 24d, eerste en derde lid, WVO, jo. artikel 23a, WVO: Het samenwerkingsverband dient zorg te dragen voor de kwaliteit van de dienstverlening aan de aangeslotenen. Onder ‘zorg dragen voor de kwaliteit van de taken’ valt in elk geval het naleven van de wettelijke bepalingen, waaronder indien van toepassing die voor de kwaliteit van het onderwijs op het opdc en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg.

• Artikel 17a, eerste en derde lid, WPO, jo. artikel 10, WPO, jo. artikel 12, vierde lid, WPO / artikel 24d, eerste en derde lid, WVO, jo. artikel 23a, WVO, jo. artikel 24, vierde lid, WVO: Het stelsel van kwaliteitszorg omvat in elk geval het zorg dragen voor het bewaken dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en het vaststellen welke maatregelen ter verbetering nodig zijn.

• Artikel 17a, eerste en derde lid, WPO / artikel 24d, eerste en derde lid, WVO: Het bestuur draagt zorg voor een goed bestuurd samenwerkingsverband met een scheiding tussen bestuur en toezicht en met een rechtmatig bestuur en beheer.

• Artikel 17b, eerste en derde lid, WPO / artikel 24e, eerste en derde lid, WVO: Er moet sprake zijn van een functionele of organieke scheiding tussen het uitvoerend deel van het bestuur en het intern toezicht.

• Artikel 17c, eerste lid, sub c, en vijfde lid, WPO / artikel 24e1, eerste lid, sub c, en vijfde lid, WVO: De interne toezichthouder ziet erop toe dat het bestuur de middelen rechtmatig verwerft en doelmatig en rechtmatig besteedt en aanwendt.

• Artikel 18a, tweede lid, WPO / artikel 17a, tweede lid, WVO: Het samenwerkingsverband stelt zich ten doel een samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen te realiseren en wel zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken en leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen.

• Artikel 18a, zevende en achtste lid, WPO / artikel 17a, zevende en achtste lid, WVO: Het samenwerkingsverband stelt ten minste eenmaal in de vier jaar een ondersteuningsplan vast. Het ondersteuningsplan omvat bepaalde onderdelen, waaronder de beoogde kwalitatieve en kwantitatieve resultaten van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning behoeven en de daarmee samenhangende bekostiging.

• Artikel 148 WPO / Artikel 99 WVO en artikel 21 Bekostigingsbesluit WVO: Het bestuur moet de rijksbekostiging rechtmatig aanwenden.

• Artikel 171 WPO, jo. artikel 4, vierde lid, RJO / Artikel 103 WVO jo. artikel 18, eerste, tweede en vijfde lid, Bekostigingsbesluit WVO, jo. artikel 4, vierde lid, RJO: Het bestuur maakt jaarlijks een jaarverslag waarin de resultaten van het financieel beleid en de continuïteitsparagraaf staan opgenomen.

BKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

Het bestuur realiseert samen met de aangesloten schoolbesturen de doelen voor kwaliteit, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

Het bestuur geeft als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg met de schoolbesturen uitvoering aan de visie en de doelen voor het realiseren van de wettelijke taken (indien van toepassing: inclusief het zorgdragen voor de kwaliteit van het onderwijs op het opdc).

Aan de transparante, integere kwaliteitscultuur is zichtbaar dat deze bijdraagt aan de gestelde doelen.

Het bestuur bevordert een op samenwerken, leren en verbeteren gerichte kwaliteitscultuur, zodat de doelen en ambities gerealiseerd kunnen worden en de aangesloten schoolbesturen de afspraken in het ondersteuningsplan nakomen. Het bestuur spreekt de schoolbesturen aan op het nakomen van de afspraken voortkomend uit het ondersteuningsplan. Ook aangesloten schoolbesturen kunnen elkaar aanspreken op het nakomen van de afspraken in het ondersteuningsplan.

Binnen de kwaliteitscultuur geeft het bestuur uitvoering aan kwaliteitszorg gericht op de realisatie van de wettelijke taken, de afspraken uit het ondersteuningsplan en de naleving van wettelijke voorschriften. Het bestuur bewaakt en bevordert dat de uitvoering in overeenstemming is met het beleid en de afspraken in het ondersteuningsplan, zodat de doelen worden bereikt. Het bestuur houdt zicht op de uitvoering van het beleid, de afspraken en op de nagestreefde verbeteringen en stuurt daarop, zo nodig, tussentijds bij.

De beschikbare (financiële) middelen worden doelmatig en rechtmatig aangewend conform de gemaakte keuzes in het ondersteuningsplan en dragen bij aan de realisatie van de door het bestuur gestelde doelen. Het bestuur stuurt op effectief financieel beheer, zodat de continuïteit van het samenwerkingsverband en de dienstverlening aan de aangeslotenen gewaarborgd is en bekostiging rechtmatig verkregen wordt.

Het interne toezicht geeft onafhankelijk en deugdelijk invulling aan zijn taak en wordt daarin gefaciliteerd door het bestuur. Het bestuur zorgt ook voor een goede facilitering van de ondersteuningsplanraad, betrekt deze tijdig en legt besluiten voor conform wettelijke vereisten. Het bestuur opereert volgens een code Goed Bestuur of legt in het jaarverslag1 uit als het daar eventueel van afwijkt en waarom dat het geval is.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 4, vierde lid, RJO: Het bestuur zorgt voor een continuïteitsparagraaf in de jaarverslaggeving.

• Artikel 4a WMS: Het samenwerkingsverband stelt een ondersteuningsplanraad in en de inrichting voldoet aan de wettelijke voorschriften.

• Artikel 8 WMS (jo. artikel 9 WMS): De ondersteuningsplanraad en de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad ((G)MR) ontvangt tijdig alle inlichtingen van het samenwerkingsverband die redelijkerwijs nodig zijn om zijn taak te kunnen vervullen en ontvangt in elk geval bepaalde in de wet beschreven informatie.

• Artikel 14a WMS: Het samenwerkingsverband behoeft de voorafgaande instemming van de ondersteuningsplanraad voor elk door het samenwerkingsverband te nemen besluit met betrekking tot vaststelling of wijziging van het ondersteuningsplan.

• Artikel 17a, eerste en derde lid, WPO, jo. artikel 10 WPO, jo. artikel 12, vierde lid, WPO / artikel 24d, eerste en derde lid, WVO, jo. artikel 23a WVO, jo. artikel 24, vierde lid, WVO: Het stelsel van kwaliteitszorg omvat in elk geval het zorg dragen voor het bewaken dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en het vaststellen welke maatregelen ter verbetering nodig zijn.

• Artikel 17a, eerste en derde lid, WPO / artikel 24d, eerste en derde lid, WVO: Het bestuur draagt zorg voor een goed bestuurd samenwerkingsverband met een scheiding tussen bestuur en toezicht en met een rechtmatig bestuur en beheer.

• Artikel 17a, tweede lid, WPO / artikel 24d, tweede lid, WVO: Benoeming van bestuur en intern toezicht geschiedt op vooraf openbaar gemaakte profielen. De ondersteuningsplanraad (en indien van toepassing de medezeggenschap) krijgen een beslissende rol bij het benoemen van leden van de raad van toezicht.

• Artikel 17b, eerste en derde lid, WPO / artikel 24e, eerste en derde lid, WVO: Er moet sprake zijn van een functionele of organieke scheiding tussen het uitvoerend deel van het bestuur en het intern toezicht.

• Artikel 17b, tweede en derde lid, WPO / artikel 24e, tweede en derde lid, WVO: De interne toezichthouder (of lid daarvan) functioneert onafhankelijk van het bestuur.

• Artikel 17c, eerste lid, WPO, jo. artikel 171, eerste lid, WPO / artikel 24e1, eerste lid, WVO, jo. artikel 103, eerste lid, WVO: De interne toezichthouder houdt toezicht op de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden door het bestuur, staat het bestuur met raad terzijde en heeft ten minste bepaalde taken.

• Artikel 17c, tweede, vierde en vijfde lid, WPO / artikel 24e1, tweede, vierde en vijfde lid, WVO: De taken en bevoegdheden van de interne toezichthouder of het intern toezichthoudend orgaan zijn zodanig dat hij een deugdelijk en onafhankelijk intern toezicht kan uitoefenen. Wanneer een samenwerkingsverband werkt met een raad van toezicht, dan is deze belast met het benoemen, schorsen en ontslaan van de leden van het bestuur. De interne toezichthouder of het intern toezichthoudend orgaan van het samenwerkingsverband pleegt ten minste tweemaal per jaar overleg met de ondersteuningsplanraad.

• Artikel 148 WPO / Artikel 99 WVO en artikel 21 Bekostigingsbesluit WVO: Het bestuur zorgt voor een rechtmatige besteding van de rijksbekostiging.

• Artikel 171, eerste lid, WPO / artikel 103, eerste lid, WVO: Het bestuur van het samenwerkingsverband dient een code Goed Bestuur te hanteren en verantwoordt zich over eventuele afwijkingen in het jaarverslag.

BKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

Het bestuur evalueert en analyseert systematisch of het de doelen realiseert en verantwoordt zich hierover. Het stelt wanneer dat nodig is het beleid bij en betrekt daartoe interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

Het bestuur evalueert en beoordeelt als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de ambities, de doelen en het beleid worden gerealiseerd. Op deze manier krijgt het bestuur zicht op de gerealiseerde (financiële) kwaliteit en de bereikte resultaten. Bij de evaluatie en beoordeling van het beleid, de naleving van de afspraken en indien van toepassing de onderwijskwaliteit op het opdc, haalt het bestuur actief externe informatie op en gebruikt deze informatie bij de evaluatie en beoordeling. Op basis van de evaluatie reageert het bestuur tijdig op mogelijke kansen en bedreigingen, stelt wanneer nodig (verbeter)beleid op en treft passende maatregelen om de kwaliteit van de uitvoering van de taken te borgen.

Het bestuur legt verantwoording af door middel van accurate, actuele en openbaar toegankelijke informatie over de gerealiseerde kwaliteit. Het brengt minimaal jaarlijks verslag uit aan zijn in- en externe belanghebbenden over zijn doelen en de realisatie van de wettelijke taken. De verantwoording in het jaarverslag is betrouwbaar en (de inhoud van) het jaarverslag voldoet aan de wettelijke vereisten.

Het bestuur verantwoordt zich daarbij ten minste over het zorg dragen voor de dienstverlening aan de aangeslotenen, het realiseren van een samenhangend geheel van voorzieningen en de bereikte kwantitatieve en kwalitatieve resultaten van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning behoeven en de daarmee samenhangende bekostiging en de gemaakte keuzes voor het verdelen van de middelen. De reflectie op de uitkomsten van de evaluatie geeft alle lagen van de organisatie, het interne toezicht, de ondersteuningsplanraad en de medezeggenschapsraad voldoende inzicht in de effectiviteit van de besturing en de uitvoering. Het bestuur analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verantwoording, onder andere op basis van de verantwoording door de aangesloten schoolbesturen. Vervolgens verwerkt het bestuur deze wanneer nodig in bijstelling van ambities, (verbeter)doelen, afspraken en beleid of in nieuwe ambities zodat de opbrengst van de dialoog bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van de uitvoering van de taken en de sturing daarop.

Het bestuur organiseert ook de dialoog hierover met interne en externe belanghebbenden uit de regionale context. Het samenwerkingsverband voert periodiek een dialoog met de ondersteuningsplanraad en organiseert het overleg tussen het interne toezicht en de ondersteuningsplanraad. Daarbij verantwoordt het bestuur zich ten minste bij de vaststelling van het ondersteuningsplan over de bereikte kwantitatieve en kwalitatieve resultaten van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning behoeven.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1 en artikel 3, sub f, RJO, jo. artikel 171, WPO / artikel 1 en artikel 3, sub f, RJO, jo. artikel 103, WVO: Het samenwerkingsverband informeert jaarlijks interne en externe belanghebbenden over het gevoerde en voorgenomen beleid en de uitkomsten van het gevoerde beleid.

• Artikel 4, vierde lid, RJO, artikel 171, WPO / artikel 103, WVO en artikel 18, vijfde lid, Bekostigingsbesluit WVO: Het bestuur maakt jaarlijks een jaarverslag, waarin naast de resultaten van het financieel beleid ook verantwoording wordt gegeven over toekomstige ontwikkelingen van het samenwerkingsverband.

• Artikel 8 WMS (jo. artikel 9, WMS): De ondersteuningsplanraad en de medezeggenschapraad ontvangen tijdig alle inlichtingen van het samenwerkingsverband die redelijkerwijs nodig zijn om zijn taak te kunnen vervullen en ontvangen in elk geval bepaalde in de wet beschreven informatie.

• Artikel 11a WMS: Het samenwerkingsverband moet de ondersteuningsplanraad vooraf in de gelegenheid stellen om te adviseren over besluiten bij bepaalde aangelegenheden.

• Artikel 14a WMS: Het samenwerkingsverband behoeft de voorafgaande instemming van de ondersteuningsplanraad voor elk door het samenwerkingsverband te nemen besluit met betrekking tot vaststelling en wijziging van het ondersteuningsplan.

• Artikel 17a, eerste en derde lid, WPO, jo. artikel 10, WPO jo. artikel 12, vierde lid, WPO / artikel 24d, eerste en derde lid, WVO, jo. artikel 23a, WVO, jo. artikel 24, vierde lid, WVO: Het stelsel van kwaliteitszorg omvat in elk geval het zorg dragen voor het bewaken dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en het vaststellen welke maatregelen ter verbetering nodig zijn.

• Artikel 17c, vijfde lid, WPO / artikel 24e1, vijfde lid, WVO: Het interne toezicht overlegt minimaal twee keer per jaar met de ondersteuningsplanraad.

• Artikel 18a, tweede lid, WPO / artikel 17a, tweede lid, WVO: Het samenwerkingsverband stelt zich ten doel een samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen te realiseren, en wel zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken en leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen.

• Artikel 18a, zevende en achtste lid, sub e, WPO / artikel 17a, zevende en achtste lid, sub e, WVO: Het samenwerkingsverband stelt ten minste eenmaal in de vier jaar een ondersteuningsplan vast. Het ondersteuningsplan omvat bepaalde onderdelen waaronder de bereikte kwalitatieve en kwantitatieve resultaten van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning behoeven en de daarmee samenhangende bekostiging.

• Artikel 171, eerste lid, WPO / artikel 103, eerste lid, WVO: Het bestuur van het samenwerkingsverband dient een code Goed Bestuur te hanteren en verantwoordt zich over eventuele afwijkingen in het jaarverslag.

• Artikel 171, zevende en achtste lid, WPO / Artikel 103, zevende en achtste lid, WVO: Het bestuur maakt het jaarverslag openbaar. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de wijze en het tijdstip waarop openbaarmaking van het jaarverslag plaatsvindt.

X Noot
1

Volgens artikel 1, sub c, RJO: het geheel van verslaggevingsdocumenten bestaande uit de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392, titel 9, boek 2, BW.

BIJLAGE 3 ONDERZOEKSKADER 2021 VOOR HET TOEZICHT OP HET VOORTGEZET ONDERWIJS

Geldig per 1 augustus 2021

Inhoud

Samenvatting

139

1.

Inleiding

142

1.1

Inleiding

142

1.2

Waar houden we toezicht op?

142

1.3

Begripsbepalingen

143

1.4

Niveaus in het toezicht

143

1.5

Werking en evaluatie

144

2.

Visie en uitgangspunten voor het toezicht

144

2.1

Inleiding

144

2.2

Visie

145

2.3

Uitgangspunten voor het toezicht

145

2.3.1

Verbeteren stelselkwaliteit

146

2.3.2

Verantwoordelijkheid bij besturen

146

2.3.3

Waarborgen

146

2.3.4

Stimuleren

147

2.3.5

Proportionaliteit en maatwerk

147

3.

Stelseltoezicht

148

3.1

Inleiding

148

3.2

Stelselkwaliteit en stelseltoezicht

148

3.2.1

Een stelsel van onderwijsvoorzieningen

148

3.2.2

Stelseltoezicht

148

3.3

Raamwerk voor stelselkwaliteit

149

4

Waarderingskader besturen

152

4.1

Inleiding

152

4.2

Opbouw van het kader

152

4.3

Kwaliteitsgebied en standaarden

153

5

Waarderingskader scholen

156

5.1

Inleiding

156

5.2

Opbouw van het kader

156

5.3

Kwaliteitsgebieden en standaarden

157

5.4

Overige wettelijke vereisten

163

6

Oordelen en waarderen

163

6.1

Inleiding

163

6.2

Stimuleren op stelselniveau

164

6.3

Oordelen en waarderen standaarden bestuur en school

164

6.4

Oordelen en waarderen op bestuursniveau

164

6.5

Oordelen en waarderen op schoolniveau

165

6.5.1

Wettelijke norm zeer zwak onderwijs

165

6.5.2

Normering bij niet te beoordelen resultaten

165

6.5.3

Aanvullende normering voor nieuwe scholen

166

6.6

Oordeelsvorming

166

6.6.1

Beoordelen naleving deugdelijkheidseisen

166

6.6.2

Waarderen van ambities

166

6.6.3

Omgeving van bestuur en school

166

7.

Werkwijze toezicht

167

7.1

Inleiding

167

7.2

Stelseltoezicht

167

7.2.1

Werkwijze van het stelseltoezicht

167

7.2.2

Monitoring en analyse van ontwikkelingen

167

7.2.3

Agenderen en interveniëren

168

7.3

Toezicht op besturen en scholen

169

7.3.1

Werkwijze toezicht op besturen en scholen

169

7.3.2

Proportionaliteit en maatwerk

169

7.3.3

Jaarlijkse prestatie- en risicoanalyse

170

7.4

Toezichtsactiviteiten bij besturen en scholen

170

7.4.1

Vierjaarlijks onderzoek bestuur en scholen

170

7.4.2

Onderzoeken op schoolniveau

172

7.4.3

Onderzoeken specifiek gericht op financieel beheer

172

7.4.4

Overige toezichtsactiviteiten

173

7.5

Vervolgtoezicht, intensivering en sancties

173

7.5.1

Vervolgtoezicht bij herstelperiode

173

7.5.2

Escaleren

174

8.

Communicatie en rapportage

175

8.1

Inleiding

175

8.2

Communicatie

175

8.3

Rapportage

175

8.3.1

Stelselniveau

175

8.3.2

Bestuursniveau

176

8.3.3

Schoolniveau

176

8.4

Openbaarmaking, zienswijze en bezwaar

177

9.

Specifieke toepassingen van het onderzoekskader

177

9.1

Inleiding

177

9.2

Besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs

178

9.2.1

Inleiding

178

9.2.2

Aanpassingen waarderingskader en normering

178

9.2.3

Werkwijze

179

9.3

Praktijkonderwijs

180

9.3.1

Inleiding

180

9.3.2

Aanpassingen waarderingskader en normering

180

9.3.3

Werkwijze

180

9.4

Eerste opvang anderstaligen

180

9.4.1

Inleiding

180

9.4.2

Aanpassingen waarderingskader en normering

181

9.4.3

Werkwijze

181

9.5

Internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs

181

9.5.1

Inleiding

181

9.5.2

Aanpassingen waarderingskader en normering

182

9.5.3

Werkwijze

182

9.6

Toezicht op vavo en particuliere zelfstandige exameninstellingen (B2-scholen)

182

9.6.1

Inleiding

182

9.6.2

Aanpassingen waarderingskader en normering

183

9.6.3

Werkwijze

184

9.6.4

Werkwijze start kwaliteitsonderzoek

184

9.7

Doorlopende leerroutes vmbo-mbo

184

9.7.1

Inleiding

184

9.7.2

Aanpassingen waarderingskader en normering

185

9.7.3

Werkwijze

186

9.8

Onderwijs in Caribisch Nederland

186

9.8.1

Inleiding

186

9.8.2

Aanpassing waarderingskader en normering

186

9.8.3

Werkwijze

187

Bijlage 1

Waarderingskader besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs

188

Bijlage 2

Waarderingskader praktijkonderwijs

191

Bijlage 3

Waarderingskader eerste opvang anderstaligen

200

Bijlage 4

Waarderingskader internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs (igvo)

208

Bijlage 5

Waarderingskader vavo en particuliere zelfstandige exameninstellingen (B2)

216

Bijlage 6

Waarderingskader doorlopende leerroutes vmbo-mbo

223

Bijlage 7

Waarderingskader voortgezet onderwijs Caribisch Nederland

233

Samenvatting

Inleiding

Toezicht vereist actualisatie en continue verbetering om effectief te zijn en te blijven. Op basis van evaluaties, ervaringen en actuele ontwikkelingen heeft de Inspectie van het Onderwijs daarom het Onderzoekskader 2017 aangepast.45 Het vernieuwde toezicht dat toen in werking trad, nam de verantwoordelijkheid van besturen voor de kwaliteit van hun scholen en opleidingen als uitgangspunt. Die ontwikkeling zetten we (hiermee wordt in dit document de inspectie bedoeld) door en wordt met dit aangepaste kader verder verstevigd.

In het onderzoekskader is beschreven hoe het toezicht op het onderwijs is ingericht. Het omvat het waarderingskader op grond waarvan we oordelen en waarderen en omschrijft de werkwijze daarvoor.

Visie

Centraal in het toezicht op het onderwijs staan de belangen van de leerlingen en studenten. Het doel is het stelsel zo te laten functioneren dat het voorziet in de bagage die voor leerlingen en studenten nu en in hun verdere onderwijsloopbaan en leven essentieel is. Iedereen heeft recht op onderwijs van voldoende kwaliteit en moet erop kunnen vertrouwen dat het onderwijs op een school op orde is. Onze missie, ‘Effectief toezicht voor beter onderwijs’, sluit daarop aan. In ons toezicht waarborgen we de kwaliteit van het onderwijs en stimuleren we de verbetering ervan.

Onze missie wordt gedragen door vijf uitgangspunten. De uitgangspunten hangen met elkaar samen en borduren op elkaar voort. Met elk uitgangspunt afzonderlijk, maar vooral in die samenhang beoogt het toezicht bij te dragen aan de verbetering van de kwaliteit van het onderwijsstelsel. Daarnaast sluit het toezicht aan bij de verantwoordelijkheid die besturen hebben voor het onderwijs, bewaakt het in aanvulling daarop de basiskwaliteit (waarborgen) en wil het beter onderwijs bevorderen (stimuleren). We bepalen de intensiteit van het toezicht per bestuur (proportionaliteit) en houden bij de uitvoering rekening met de organisatiekenmerken en omstandigheden van het bestuur (maatwerk).

Toezicht op de kwaliteit van het onderwijs richt zich op drie niveaus, die voortvloeien uit onze wettelijke opdracht(en): op het stelsel, op besturen en op hun scholen. Hierna wordt per niveau toegelicht hoe het toezicht is ingericht.

Toezicht op het onderwijsstelsel

Toezicht op de kwaliteit van het onderwijs richt zich op de context waarbinnen besturen en hun scholen hun werk doen: we spreken dan over het onderwijsstelsel als geheel. Voor de werking en de kwaliteit van het stelsel beschouwen we onderdelen ervan en de verbanden daartussen. We geven daarmee invulling aan de reflectieve functie van het toezicht: vanwege onze wettelijke taak op stelselniveau reflecteren we op de kwaliteit van het stelsel.

Het stelseltoezicht gaat uit van het belang dat de samenleving als geheel heeft bij het onderwijs: het publieke belang. Als onderdeel daarvan geven we in het toezicht aandacht aan specifieke kansen en bedreigingen, specifieke onderdelen van het stelsel of groepen leerlingen. Als toezichthouder moeten we daarom weten hoe het onderwijs zich ontwikkelt en, als er iets niet goed loopt, de samenleving informeren. De kernfuncties van het onderwijs (kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen) nemen we in ons toezicht als uitgangspunt voor de omschrijving van de kwaliteit van het onderwijsstelsel.

Stelseltoezicht was al onderdeel van het toezicht van de inspectie, maar nieuw is dat we de kwaliteit hebben gedefinieerd in een raamwerk. Dat is geen kader waarmee we een individueel bestuur of een individuele school beoordelen of waarderen, het is een raamwerk om het onderwijs als geheel te beschouwen. Het biedt sturing en focus voor het krijgen van zicht op trends en knelpunten in het stelsel. Op basis daarvan agenderen we de risico’s en interveniëren we, op het niveau van het stelsel, wanneer dat vanuit de stimulerende functie van het toezicht passend of nodig is.

We duiden en waarderen jaarlijks in ‘De Staat van het Onderwijs’ hoe het met de kernfuncties en voorwaarden van het onderwijsstelsel is gesteld. Daarnaast maken we vaak aparte themarapporten.

Toezicht op het bestuur en zijn scholen

Besturen zijn ervoor verantwoordelijk dat het onderwijs op hun scholen van voldoende kwaliteit is en dat het financieel beheer op orde is. Door het aangepaste onderzoekskader worden besturen daarnaast nog nadrukkelijker gestimuleerd om na te denken over hun eigen ambities. Elke vier jaar onderzoekt de inspectie in het ‘Vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en scholen’ de mate waarin het bestuur deze verantwoordelijkheid neemt en of de (be)sturing op de kwaliteit van de scholen op orde is.

We beoordelen de kwaliteit van de besturing in het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie. De kern van het kwaliteitsgebied is dat het bestuur zorgt voor besturing van de onderwijskwaliteit op de scholen en voor een goede organisatie en kwaliteitscultuur. Uit het oordeel op dit kwaliteitsgebied blijkt of het bestuur in staat is om met zijn (be)sturing de kwaliteit en het financieel beheer van het onderwijs op de scholen te waarborgen en verder te ontwikkelen. Wat nieuw is, is dat het financieel beheer integraal onderdeel van de standaarden in dit kwaliteitsgebied is.

Om te onderzoeken in hoeverre de besturing door het bestuur op orde is, ondernemen we onderzoeksactiviteiten op bestuurs- en schoolniveau die we vooraf vastleggen in een onderzoeksplan. Met verificatie-activiteiten toetsen we bij besturen en scholen in hoeverre het bestuur zicht heeft op de kwaliteit van zijn onderwijs, het financieel beheer en hoe het bestuur daarop stuurt. Zo spreken we onder andere met de medezeggenschapsraad of studentenraad en het interne toezicht. Daarnaast voeren we activiteiten op scholen uit, zoals het voeren van gesprekken met leerlingen, ouders en schoolleiders of het afleggen van lesbezoeken. Ook kunnen we een risico-onderzoek of een onderzoek naar de waardering Goed uitvoeren. Het onderzoek leidt tot een oordeel of waardering per standaard. Op basis van de beslisregels beoordelen we de besturing ook op het niveau van het gehele kwaliteitsgebied. Dit laatste is voor sommige sectoren nieuw ten opzichte van 2017. De waardering Goed kunnen we zowel op het niveau van de standaard als op het niveau van het kwaliteitsgebied toekennen als het bestuur niet alleen voldoet aan de deugdelijkheidseisen, maar ook ambities realiseert die daarboven uitstijgen. Het rapport van het onderzoek, inclusief de oordelen en waarderingen, maken we openbaar via onze website.

Afhankelijk van de kwaliteit van de besturing en eventuele tekortkomingen bepalen we het vervolgtoezicht. Er kan gekozen worden om het toezicht te intensiveren of juist minder intensief te laten zijn. Dit vervolgtoezicht kan uitgevoerd worden door het bestuur of door de inspectie. Daarnaast is het mogelijk dat er een tussentijds onderzoek plaatsvindt, als dit op basis van bepaalde informatie, zoals signalen of financiële kengetallen, nodig blijkt. Bij een bestuur dat er niet in slaagt zijn besturing op (delen van) de kwaliteit van scholen te waarborgen, voeren wij zelf (delen van) het tussentijds onderzoek uit.

Toezicht op individuele scholen

Het bestuur is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs op zijn scholen, waarbinnen schoolleiders hun verantwoordelijkheid voor de sturing van de kwaliteit op school vormgeven. De waarborgfunctie van de inspectie sluit daarop aan. Deze waarborgfunctie wordt versterkt door meer en beter gebruik te maken van signalen en andere gegevens en informatie, waaronder schooleigen informatie zoals het schoolplan. Het toezicht op individuele scholen is daarmee ook aanvullend op wat het bestuur zelf uitvoert en waarover het bestuur zich verantwoordt. Naast verificatie-activiteiten op scholen waar we onderdelen van de kwaliteit onderzoeken, is het mogelijk dat we op het niveau van een school op (een selectie van) standaarden oordelen geven of een waardering uitspreken. Dit doen we bij een onderzoek naar risico’s en bij een onderzoek naar de waardering Goed. Wanneer wij risico’s signaleren, voeren wij (afhankelijk van de aard van de risico’s) het onderzoek op de school geheel of gedeeltelijk uit. Dit kan zowel binnen als buiten het vierjaarlijks onderzoek plaatsvinden. Op verzoek van het bestuur kunnen we tevens een onderzoek naar de waardering Goed uitvoeren indien het bestuur onderbouwt waarom de betreffende school de waardering Goed verdient.46

Wanneer we een onderzoek naar risico’s of naar de waardering Goed uitvoeren, gebruiken we standaarden uit het waarderingskader voor scholen. We beoordelen standaarden binnen de kwaliteitsgebieden Onderwijsproces, Veiligheid en schoolklimaat, Onderwijsresultaten en Sturen, kwaliteitszorg en ambitie.47 De standaarden krijgen een oordeel of waardering. Daarnaast kan een school, op basis van een beslisregel, het eindoordeel Zeer zwak, Onvoldoende, Voldoende (basiskwaliteit) of de waardering Goed krijgen. De oordelen en/of waarderingen, die vaak onderdeel zijn van het rapport van het vierjaarlijks onderzoek, maken we openbaar via onze website.

Net zoals bij besturen is ook op scholen vervolgtoezicht mogelijk bij tekortkomingen en bij het oordeel Onvoldoende of Zeer zwak. Ook bij scholen is het, zoals hierboven aangegeven, mogelijk dat we tussentijds een onderzoek naar risico’s uitvoeren, bijvoorbeeld bij ernstige signalen. De intensiteit van het vervolgtoezicht hangt net als bij besturen af van de kwaliteit van het bestuur. We gaan er namelijk van uit dat het bestuur er in eerste instantie zelf voor zorgt dat er effectieve maatregelen worden getroffen.

Een laatste type onderzoek waarbij we scholen bezoeken, is het themaonderzoek. De uitkomsten van themaonderzoeken brengen we op verschillende manieren onder de aandacht van besturen, scholen en de samenleving.

Afsluiting

Hierboven is het toezicht op het funderend onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs beschreven. Voor elke sector is een specifiek onderzoekskader gemaakt op basis van de relevante wet- en regelgeving en de ontwikkelingen in de sector. Daarnaast zijn er specifieke toepassingen van en uitzonderingen op het reguliere onderzoekskader, zoals bij de samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs en bij onderwijssoorten en voorzieningen waarvoor specifieke wet- en regelgeving geldt.

In het onderzoekskader is beschreven hoe het toezicht is vormgegeven en wat de inspectie verwacht van het onderwijs. Uiteindelijk begint de verantwoordelijkheid voor beter onderwijs voor alle leerlingen op de school zelf. Het bestuur kan scholen daarin activeren en dit borgen. De inspectie zal hierop toezien, zo nodig ingrijpen en verdere kwaliteitsverbetering stimuleren.

1. Inleiding

1.1 Inleiding

Het onderwijs verandert voortdurend door nieuwe ontwikkelingen in de samenleving. Daarom is het nodig het toezicht op (de kwaliteit van) het onderwijs regelmatig aan te passen. In 2017 is het toezicht vernieuwd. Sinds die tijd is de verantwoordelijkheid van besturen voor de kwaliteit van hun scholen het uitgangspunt voor het toezicht. In het toezicht op het onderwijs in Nederland gaat het om de leerlingen en studenten.

De inspectie heeft inmiddels enkele jaren ervaring opgedaan met het onderzoekskader van 2017. Na evaluatie stellen we het toezicht bij. Dit doen we niet alleen op grond van de opgedane ervaringen, maar ook op basis van actuele ontwikkelingen, verbetersuggesties vanuit het onderwijsveld en aanpassingen in beleid en wet- en regelgeving. In het voorliggende onderzoekskader zijn deze bijstellingen verwerkt. Hierin gaan we uit van de wettelijke taken van de inspectie en de voorschriften in wet- en regelgeving zoals deze voor de desbetreffende sectoren gelden. Daarnaast zijn de uitgangspunten voor het toezicht, zoals al geformuleerd in het Onderzoekskader 2017, verder verankerd in dit herziene onderzoekskader.48

Het door de minister vastgestelde Onderzoekskader 2021 (hierna: onderzoekskader) van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) beschrijft hoe het toezicht op het voortgezet onderwijs is ingericht. Het onderzoekskader omvat het kader, op grond waarvan we oordelen en waarderen, en de werkwijze. Het onderzoekskader is bedoeld om de werkwijze van de inspectie voor anderen inzichtelijk te maken en het toezicht transparant uit te voeren.

In dit eerste hoofdstuk beschrijven we de wettelijke basis van het onderzoekskader en geven we de belangrijke begrippen in het toezicht weer. In hoofdstuk 2 gaan we in op de visie en de uitgangspunten voor ons toezicht. Daarna volgt in hoofdstuk 3 de invulling van het stelseltoezicht en in de hoofdstukken 4 en 5 de waarderingskaders voor het toezicht op bestuurs- en schoolniveau. Vervolgens beschrijven we hoe we tot oordelen en waarderingen komen (hoofdstuk 6), onze werkwijze (hoofdstuk 7) en communicatie (hoofdstuk 8). Tot slot geven we een overzicht van onderwijsvoorzieningen waarvoor specifieke wetgeving geldt en waar het waarderingskader en de werkwijze afwijken (hoofdstuk 9). Deze afwijkende waarderingskaders zijn te vinden in de bijlagen.

1.2 Waar houden we toezicht op?

In de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) staat in artikel 3, eerste lid, onder meer dat de inspectie toeziet op de naleving van de onderwijswet- en regelgeving, de taak heeft om de ontwikkeling van het onderwijs en de kwaliteit daarvan te bevorderen, en de taak heeft om de financiële rechtmatigheid, - doelmatigheid en -continuïteit te beoordelen en bevorderen.

Het onderzoekskader heeft betrekking op alle besturen en scholen die onderwijs verzorgen op basis van de onderwijswetten, zoals in onderstaand tekstkader weergegeven.49 Daarnaast houdt de inspectie toezicht op de besturen van samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Besturen, scholen, opleidingen en besturen van samenwerkingsverbanden zijn onze objecten van toezicht.

Wettelijk kader toezicht op voortgezet onderwijs

De Wet op het onderwijstoezicht vormt de grondslag voor het toezicht. In deze wet is het toezicht op het onderwijs opgedragen aan de inspectie en heeft de inspectie de taak toe te zien op de naleving van wet- en regelgeving, de kwaliteit van het onderwijs te bevorderen en het financieel beheer te beoordelen1 en te bevorderen, zoals bedoeld in de volgende wetten:

• Wet op het voortgezet onderwijs (WVO);

• Wet op de erkende onderwijsinstellingen (WEO);

• Wet op het voortgezet onderwijs BES (WVO BES);

• Leerplichtwet 1969 (LPW 1969);

• Wet medezeggenschap op scholen (WMS);

• Wet overige OCW-subsidies;

• Experimentenwet onderwijs.

X Noot
1

We doelen hier op de taak van de inspectie zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, sub c, WOT.

1.3 Begripsbepalingen

Hieronder definieren we een aantal begrippen die belangrijk zijn voor het toezicht.

Toezicht

De activiteiten van de inspectie, ten aanzien van scholen en samenwerkingsverbanden, die redelijkerwijs voortvloeien uit de taken op grond van artikel 3 van de WOT.

Besturen

Het bevoegd gezag bestaat uit het uitvoerend deel van het bestuur en het interne toezicht. Hoewel deze functies gescheiden zijn, zorgt men er, ieder vanuit zijn eigen rol en verantwoordelijkheid, samen voor dat de kwaliteit van hun scholen gewaarborgd is en er sprake is van deugdelijk financieel beheer. Voor de leesbaarheid spreken we over het bestuur als aanduiding voor het bevoegd gezag als geheel.

Daarnaast kennen we besturen van samenwerkingsverbanden passend onderwijs.

Deugdelijkheidseisen

Deugdelijkheidseisen zijn bij of krachtens de wet geregelde algemene kwaliteitsnormen, gericht aan besturen. Deugdelijkheidseisen hebben betrekking op de onderwijskwaliteit (in ruime zin) en het financieel beheer.

Waarborgen

Vanuit de waarborgfunctie van het toezicht ziet de inspectie erop toe dat de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften (de deugdelijkheidseisen) worden nageleefd. Dit gaat over wat het bestuur en de school moeten. Een school die niet voldoet aan die voorschriften, biedt onderwijs van onvoldoende kwaliteit. Onvoldoende onderwijskwaliteit en/of onvoldoende financieel beheer kan leiden tot vervolgtoezicht en sancties.

Stimuleren

Vanuit de stimuleringsfunctie onderzoekt de inspectie hoe eigen ambities bijdragen aan (de continue en duurzame verbetering van) de onderwijskwaliteit. Hiermee bevorderen we de kwaliteit op het niveau van scholen, besturen en zo ook het stelsel. Eigen ambities hebben betrekking op de ambities en doelen die een bestuur/school zichzelf stelt. De school beschrijft deze in haar schoolplan.

Interventies

Bij alle handelingen die we ondernemen, spreken we van interventies. We onderscheiden:

  • interventies vanuit onze waarborgfunctie: het gaat dan om het naleven van de wet;

  • interventies vanuit onze stimuleringsfunctie: gericht op de eigen ambities;

  • interventies op stelselniveau: het agenderen van stelselproblemen.

Stelseltoezicht

Het beschouwen van de werking van het stelsel noemen we de reflectieve functie van het toezicht, oftewel stelseltoezicht.

1.4 Niveaus in het toezicht

We onderscheiden verschillende niveaus in het toezicht: onderwijsstelsel, besturen en scholen.

Onderwijsstelsel

Omdat de kwaliteit van het onderwijsstelsel als geheel meer is dan de optelsom van de kwaliteit van de besturen en scholen, richten we ons op de werking van het onderwijsstelsel. Vraagstukken overstijgen in toenemende mate de reikwijdte van individuele scholen en besturen en vergen, om deze het hoofd te bieden, bredere samenwerking. We definiëren het onderwijsstelsel als het geheel van scholen, instellingen, besturen, schooltypen en opleidingen. Als inspectie kijken we wat daarin goed gaat en waar zich knelpunten voordoen. Deze knelpunten analyseren en agenderen we op landelijk en regionaal niveau. Het beschouwen van de werking van het stelsel als geheel noemen we de reflectieve functie van het toezicht.50 ‘De Staat van het Onderwijs’ is daarvan een voorbeeld.

Besturen

Besturen zijn ervoor verantwoordelijk dat het onderwijs van hun scholen van voldoende kwaliteit is. En ook dat het financieel beheer op orde is. In het toezicht gaan wij na of besturen hier zicht op hebben en of zij hieraan sturing geven, zodat besturen waarborgen dat de leerlingen op hun scholen onderwijs krijgen van voldoende kwaliteit.

Besturen vormen een belangrijk schakelpunt: door te werken aan de kwaliteit van hun scholen dragen zij bij aan de werking en de kwaliteit van het onderwijsstelsel als geheel. Zo moeten leerlingen, om zelfstandig te kunnen functioneren, in de samenleving in staat worden gesteld om te kunnen slagen in het vervolgonderwijs en op de arbeidsmarkt. Het onderwijs zorgt ervoor dat leerlingen de school voldoende geletterd en gecijferd en met de benodigde kennis en vaardigheden verlaten. Bovendien is het belangrijk dat zij gelijke kansen krijgen op een passend aanbod, waarbij het geen verschil maakt wie hun ouders zijn, waar zij vandaan komen of waar zij onderwijs volgen Ook is het belangrijk dat leerlingen en studenten zich als persoon ontwikkelen; het onderwijs draagt eraan bij dat ze zichzelf en hun omgeving kennen en zelfstandig keuzes kunnen maken. Zo leren zij ook zelf om bij te dragen aan de sociale samenhang in de samenleving.

Scholen

De schoolleider geeft samen met het team het onderwijs op hun school vorm. Samen met het bestuur streven zij kwaliteitsdoelen en ambities voor het onderwijs aan hun leerlingen na. Hoe ze dat doen, beschrijven zij in hun schoolplan. Het schoolplan beschrijft het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg. In ons toezicht sluiten we aan bij deze schooleigen informatie. Kernvragen voor de kwaliteit van het onderwijs zijn: leren leerlingen genoeg, krijgen ze goed les en zijn ze veilig?

1.5 Werking en evaluatie

Dit onderzoekskader is van kracht met ingang van 1 augustus 2021 en is vastgesteld op 24 juni 2021. Het is overeenkomstig artikel 13, derde lid, van de WOT bekendgemaakt in de Staatscourant (28 juli 2021) en is gepubliceerd op de website van de Inspectie van het Onderwijs en op www.wetten.nl.

Het onderzoekskader is vastgesteld op grond van artikel 13 van de WOT en is een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap legt met dit onderzoekskader de werkwijze van de inspectie vast met betrekking tot de uitoefening van haar onderzoekstaken en -bevoegdheden. Ook is het onderzoekskader een wetsinterpreterende beleidsregel. Bij de uitwerking van de deugdelijkheidseisen in het waarderingskader is uitgegaan van een redelijke uitleg van de wet en de daarop gebaseerde lagere regelgeving.51 Over zowel de uitleg van wettelijke voorschriften als de werkwijze is overleg gevoerd met het veld conform artikel 13, tweede lid van de WOT.

Lopende toezichtsinterventies, waaronder die op basis van het Onderzoekskader 2017 of die tot 1 augustus 2021 voortvloeiend uit specifieke onderzoeken zijn gemaakt, blijven van toepassing. Wetsartikelen die op de dag van publicatie van dit kader in de Staatscourant nog niet in werking zijn getreden, zijn tussen blokhaken ([]) geplaatst.

Vóór 1 januari 2025 evalueren we de werking en de effecten van het onderzoekskader. Ervaringen met dit onderzoekskader en ontwikkelingen in de samenleving, in de verschillende sectoren of in politiek en beleid kunnen leiden tot eerdere bijstelling van (delen van) het onderzoekskader. In beginsel is de geldigheidsduur van het Onderzoekskader 2021 vier jaar.

Ieder jaar wordt het onderzoekskader in ieder geval geactualiseerd naar aanleiding van wijzigingen in de wet- en regelgeving. Om zicht te hebben op ervaringen en ontwikkelingen raadpleegt de inspectie periodiek het veld.

2. Visie en uitgangspunten voor het toezicht

2.1 Inleiding

Beter onderwijs voor alle leerlingen, daar staan wij als inspectie voor. We gaan uit van onderwijs in brede zin: het onderwijs óp school en ook op afstand door school. In de wet staat aan welke eisen het onderwijs ten minste moet voldoen. Als inspectie zien we erop toe dat deze basiskwaliteit, via besturen, wordt gewaarborgd: besturen waarborgen de kwaliteit van de scholen, wij waarborgen op onze beurt de kwaliteit van de sturing door besturen (het bestuurlijk handelen). Dit doen we door het beoordelen van hun zicht op kwaliteit en op de sturing op kwaliteit die we van elk bestuur verwachten. Waar nodig intensiveren we het toezicht op de besturen. Daarnaast stimuleren we besturen en scholen om hun ambities waar te maken en om een hogere kwaliteit dan basiskwaliteit te realiseren. Als inspectie willen we laten zien wat er goed gaat bij besturen, scholen en ook in het onderwijsstelsel. We reflecteren dan ook op de werking van het stelsel als geheel. In dit hoofdstuk beschrijven we onze visie op het toezicht (paragraaf 2.2). Daarna beschrijven we de uitgangspunten die we in de uitvoering van het toezicht hanteren (paragraaf 2.3).

2.2 Visie

Onderwijs vervult een belangrijke taak in de samenleving. Het onderwijs begeleidt leerlingen naar vervolgonderwijs of werk, als werknemer of ondernemer. Ook moet het onderwijs ervoor zorgen dat kinderen leren hoe zij als burger volwaardig deel kunnen uitmaken van de samenleving. Om elke leerling daadwerkelijk in staat te stellen te werken en mee te doen, geeft het onderwijs hun de benodigde kennis en vaardigheden mee. Het is immers aan het onderwijs om de talenten van álle leerlingen tot bloei te laten komen. Anders gezegd: het leren (kwalificatie), de vaardigheden aanleren om mee te doen en bij te dragen aan de samenleving (socialisatie), en de weg vrijmaken naar vervolgonderwijs en arbeidsmarkt (allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen), zijn de kernfuncties van het Nederlandse onderwijs.

Visie en missie

Iedereen heeft recht op onderwijs van voldoende kwaliteit. Elke dag zetten leraren, besturen en andere professionals zich met dit doel in voor hun leerlingen en studenten. Al deze inspanningen dragen bij aan de werking en daarmee de kwaliteit van het onderwijsstelsel om zo een goede onderwijsloopbaan voor alle leerlingen te realiseren. Onze missie, 'Effectief toezicht voor beter onderwijs', sluit daarop aan. In ons toezicht waarborgen én stimuleren we de kwaliteit van het onderwijs. We richten ons daarbij op de werking van het stelsel als geheel (stimuleren) en op besturen en hun scholen (waarborgen en stimuleren). Besturen waarborgen de kwaliteit van hun scholen en het onderwijs aan de leerlingen. De intensiteit van het toezicht en het vervolgtoezicht stemmen we af op de mate waarin het bestuur de deugdelijkheidseisen naleeft en de kwaliteit van zijn scholen waarborgt.

Alle besturen en scholen maken deel uit van het onderwijsstelsel en dragen daarmee bij aan de werking ervan. Het beschouwen van de werking van het stelsel noemen we de reflectieve functie van het toezicht, oftewel stelseltoezicht.52 De versterking van de rol van het toezicht hierin is bepleit door de Wettenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en wordt ondersteund door het kabinet.

2.3 Uitgangspunten voor het toezicht

Onze missie, ‘Effectief toezicht voor beter onderwijs’, wordt gedragen door vijf uitgangspunten (zie figuur 2.3a). De uitgangspunten hangen met elkaar samen en borduren op elkaar voort. Met elk uitgangspunt afzonderlijk, maar vooral in die samenhang beoogt het toezicht bij te dragen aan de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs(stelsel). Daarnaast sluit het toezicht aan bij de verantwoordelijkheid die besturen hebben voor het onderwijs, bewaakt het in aanvulling daarop de basiskwaliteit (waarborgen) en wil het beter onderwijs bevorderen (stimuleren). We bepalen de intensiteit van het toezicht per bestuur (proportionaliteit) en houden bij de uitvoering rekening met de organisatiekenmerken en omstandigheden van het bestuur (maatwerk). We lichten de uitgangspunten hierna toe.

Figuur 2.3a Uitgangspunten van het toezicht

Figuur 2.3a Uitgangspunten van het toezicht
2.3.1 Verbeteren stelselkwaliteit

Scholen en besturen maken onderdeel uit van het onderwijsstelsel. Het stelsel vormt ook de context waarbinnen zij hun werk doen. Onder stelselkwaliteit verstaan we de mate waarin alle besturen en scholen er samen met anderen in slagen om voor alle leerlingen bij te dragen aan de realisatie van de kernfuncties van het onderwijs. Zij zorgen er samen voor dat deze kernfuncties van onderwijs (kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen) met succes én in evenwicht gerealiseerd worden.

Stelseltoezicht (stimuleren) en het toezicht op besturen en scholen (stimuleren en waarborgen) hangen met elkaar samen, elk met een eigen plaats in het toezicht. Besturen en scholen zijn afzonderlijke objecten van toezicht. Het stelseltoezicht richt zich vanuit een stimulerende en agenderende invalshoek vooral op de samenhang: zowel de inspanningen van besturen, scholen en samenwerkingsverbanden als andere zaken die meespelen bij de totstandkoming van de kernfuncties van het onderwijs, zijn daarin belangrijk. We gebruiken de kernfuncties van het onderwijsstelsel om inhoud te geven aan het stelseltoezicht. Dat kan leiden tot stimulerende interventies op stelsel-, bestuurs- en schoolniveau.

De werking van het stelsel omvat dus meer dan de optelsom van de resultaten van het toezicht op besturen en scholen. Daarom monitoren we ook de ontwikkelingen op stelselniveau, bijvoorbeeld de mate waarin alle kinderen gelijke kansen krijgen in het onderwijs. We onderzoeken en agenderen positieve voorbeelden en knelpunten en kijken hoe we in afstemming met het onderwijsveld de kwaliteit van het stelsel kunnen verhogen. Jaarlijks rapporteren we over de kwaliteit van het stelsel in ‘De Staat van het Onderwijs’, een taak die ons in de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) is toebedeeld. Ook bespreken we tijdens onderzoeken met besturen, in een open dialoog, hoe zij met de scholen aan de kwaliteit van het stelsel bijdragen, zonder dat dit tot oordelen of een waardering leidt. Op scholen onderzoeken we via themaonderzoeken thema’s die de kernfuncties raken. Dit alles samen noemen we stelseltoezicht.

2.3.2 Verantwoordelijkheid bij besturen

Onder ‘bestuur’ verstaan we het bevoegd gezag van een of meer scholen. Dit omvat ook het interne toezicht. Omdat we besturen aanspreken op hun verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs op hun scholen, noemen we het toezicht bestuursgericht. Besturen waarborgen de kwaliteit van hun scholen en het onderwijs aan de leerlingen. In de uitoefening van hun taken zijn zij ervoor verantwoordelijk dat het onderwijs op hun scholen van voldoende kwaliteit is en dat het financieel beheer deugdelijk is.

Besturen hebben daarnaast een wettelijke verantwoordelijkheid voor passend onderwijs. De kern daarvan is dat voor alle leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte zo passend mogelijk onderwijs wordt gerealiseerd. Schoolbesturen hebben in dat verband een zorgplicht voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. Alle schoolbesturen zijn verplicht aangesloten bij een of meer (regionale) samenwerkingsverbanden passend onderwijs. We houden toezicht op de uitvoering van de afspraken binnen het samenwerkingsverband door de schoolbesturen. Daarnaast houden we toezicht op het bestuur van het samenwerkingsverband. Dit lichten we verder toe in hoofdstuk 9.

Wij zien erop toe dat besturen hun taken (het bewaken en bevorderen van de basiskwaliteit en de continuïteit) voldoende uitvoeren. Gebeurt dat niet of in onvoldoende mate, dan houden we verscherpt toezicht op het bestuur en de scholen. Dat maakt onderdeel uit van onze waarborgfunctie. In aanvulling op dit bestuursgerichte toezicht, onderzoeken en beoordelen we ook scholen als het besturen niet lukt de basiskwaliteit te realiseren. Verder geeft het bestuur met het onderwijs ook invulling aan eigen ambities, waaronder vaak ook ambities die de kernfuncties van het onderwijsstelsel raken. Daarop sluiten we aan vanuit onze stimulerende rol.

2.3.3 Waarborgen

De samenleving moet erop kunnen vertrouwen dat leerlingen onderwijs volgen dat van voldoende kwaliteit is. Temeer omdat er een leerplicht geldt voor leerlingen tot 16 jaar en een kwalificatieplicht tot 23 jaar.53 De norm voor basiskwaliteit is dat besturen en scholen voldoen aan de deugdelijkheidseisen voor de onderwijskwaliteit, de kwaliteitszorg en het financieel beheer. Deze eisen hebben we in het waarderingskader voor besturen en scholen opgenomen (zie hoofdstuk 4 en 5).

Zo spreken we besturen die het onvoldoende lukt om de basiskwaliteit van hun scholen te waarborgen, aan. Waarborgen zij de basiskwaliteit niet of onvoldoende, dan geven wij het bestuur een of meerdere herstelopdrachten. Dat kan betekenen dat we ons dan ook op scholen richten. Bij een of meerdere onvoldoendes op standaarden krijgen scholen, na toepassing van de beslisregels, een eindoordeel Onvoldoende of Zeer zwak. Waar nodig intensiveren we het toezicht.

2.3.4 Stimuleren

Naast ingrijpen waar het niet goed gaat, stimuleren we ook verdere ontwikkeling van het onderwijs en de kwaliteit ervan. We doen dit op meerdere niveaus. Op stelselniveau monitoren we met onderzoek en gegevensverzameling hoe de kernfuncties van het onderwijs zich ontwikkelen. Als we hierin risico’s signaleren, agenderen we deze, passend bij de urgentie ervan. We signaleren en agenderen belangrijke onderwerpen in bijvoorbeeld ‘De Staat van het Onderwijs’ en in themarapportages. Op stelselniveau geven we kansen en mogelijkheden voor verbetering aan, waarmee we het stelsel beogen te stimuleren. We brengen de uitkomsten en analyses van onderzoek op verschillende manieren en bij verschillende betrokkenen onder de aandacht, om zo bij te dragen aan inzicht en oplossingen voor gesignaleerde problemen. Soms is het belangrijk dat betrokkenen rond een thema samen in gesprek gaan. Zo kunnen bijvoorbeeld besturen, gemeenten en samenwerkingsverbanden samen een rol spelen bij jeugdzorg. We brengen de uitkomsten ook onder de aandacht van besturen en scholen door met hen in een open dialoog te bespreken of zij kansen zien om bij te dragen aan het verbeteren van een stelselknelpunt.

Naast stimuleren door aan te geven wat er beter kan, doen we dat ook door goede kwaliteit zichtbaar te maken. We onderzoeken ook de kwaliteit van besturen en scholen die boven basiskwaliteit uitstijgt. We kunnen daarvoor de waardering Goed toekennen. We geven deze waardering op het moment dat een school of bestuur niet alleen voldoet aan de wettelijke vereisten maar ook aanvullende ambities realiseert. Op verzoek van het bestuur onderzoeken we of de onderwijskwaliteit van een school de waardering Goed kan krijgen. Ook de mogelijkheid om het predicaat Excellente School te krijgen (zie excellentescholen.nl) is een voorbeeld van het zichtbaar maken van kwaliteit en het stimuleren van verbetering van de onderwijskwaliteit. Ten slotte nemen we de (realisatie van de) ambities van het bestuur mee in de onderzoeken en streven we ernaar om tijdens het uitvoeren van onze onderzoeken en in de rapportage daarvan stimulerend te werk te gaan: we geven op een positieve manier feedback en benoemen naast wat er beter moet of kan, ook wat er goed gaat.

2.3.5 Proportionaliteit en maatwerk

Besturen en scholen verschillen van elkaar. De kwaliteit die ze realiseren is anders en ook kunnen ze anders georganiseerd zijn. De manier van ontwikkelen en hun omstandigheden kunnen ook verschillend zijn. Wij sluiten daar in ons toezicht op aan: de intensiteit van het toezicht bepalen we proportioneel in relatie tot de kwaliteit van het bestuur. Daarnaast is de uitvoering van het onderzoek op maat, rekening houdend met de kenmerken van het bestuur en de scholen. Zo komen we zo effectief mogelijk tot een deugdelijk oordeel en beperken we de toezichtslast.

De samenleving verwacht dat besturen en scholen voldoen aan de basiskwaliteit. Voor het toezicht is het belangrijk hoe effectief het bestuur is in het zorgen voor basiskwaliteit op zijn scholen. Het gaat dan om de kwaliteit van het onderwijs, de wijze waarop de professionaliteit van de instelling en het bestuur is gewaarborgd, om de mate van naleving van wettelijke voorschriften en de financiële situatie van de instelling.Naarmate een bestuur er beter in slaagt de kwaliteit van de scholen te bewaken en te bevorderen, is het toezicht minder intensief. Dan ligt het accent bijvoorbeeld meer op gesprekken over ambities over hun maatschappelijke opdracht en vragen we het bestuur vanuit zijn zicht op de kwaliteit te rapporteren over kwaliteitsontwikkeling en -verbetering. Indien dit aan de orde is, vragen we het bestuur ook over herstel van tekortkomingen te rapporteren.

Wanneer een bestuur er minder of niet in slaagt de kwaliteit van scholen te realiseren, intensiveren we het toezicht (proportioneel). We kunnen dan bijvoorbeeld in een kort tijdsbestek meerdere onderzoeken naar onderwijskwaliteit uitvoeren of meerdere personen of instanties binnen of rondom het bestuur bij het onderzoek betrekken.

In het kader van onze waarborgfunctie monitoren we jaarlijks de ontwikkeling en de prestaties van een bestuur en de scholen. Op basis van eerder toezicht en kwaliteitsgegevens die we hebben vanuit monitoring, houden we de kwaliteit van bestuur en scholen in beeld. Dit is van belang voor de uitvoering van onze waarborgfunctie.

Bij de uitvoering van het (proportionele) toezicht stemmen we de onderzoeksactiviteiten af op de omstandigheden van het bestuur. Dat is het maatwerk. Hoe we proportionaliteit en maatwerk inzetten, beschrijven we in hoofdstuk 7. Dat hoofdstuk gaat over onze werkwijze.

3. Stelseltoezicht

3.1 Inleiding

Toezicht op de kwaliteit van het onderwijs richt zich ook op de context waarbinnen besturen en hun scholen hun werk doen: we spreken dan over het onderwijsstelsel als geheel. Voor de werking en de kwaliteit van het stelsel beschouwen we onderdelen ervan en de verbanden daartussen. We geven daarmee invulling aan de reflectieve functie van het toezicht: vanwege onze wettelijke taak op stelselniveau, reflecteren we op de kwaliteit van het stelsel. Uitkomsten daarvan gebruiken we voor stimulerende interventies op stelsel-, bestuurs- en schoolniveau. In dit hoofdstuk geven we in een raamwerk weer wat we verstaan onder stelselkwaliteit.54 Dit raamwerk is opgebouwd aan de hand van de kernfuncties van het onderwijs.

In paragraaf 3.2 definiëren we eerst wat we verstaan onder stelselkwaliteit en stelseltoezicht. We geven aan welke wettelijke taken daarbij van belang zijn. Paragraaf 3.3 bevat het raamwerk voor stelselkwaliteit.

3.2 Stelselkwaliteit en stelseltoezicht

3.2.1 Een stelsel van onderwijsvoorzieningen

In Nederland zorgt de overheid voor de inrichting en het functioneren van een stelsel van onderwijsvoorzieningen. We willen als samenleving dat leerlingen kennis en vaardigheden opdoen die bij hun mogelijkheden en talenten passen, zodat zij kunnen bijdragen aan de samenleving en de arbeidsmarkt. Goed onderwijs is essentieel om ervoor te zorgen dat alle kernfuncties van het onderwijs gerealiseerd worden. Dit is nodig voor een pluriforme samenleving. Onderdeel van goed onderwijs is dat álle leerlingen zich maximaal kunnen ontwikkelen en gelijke kansen hebben. Het gaat erom dat ons onderwijsstelsel goed werkt en er voor alle leerlingen en studenten in slaagt de kernfuncties van het onderwijs te realiseren: kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen.

Binnen het stelsel van onderwijsvoorzieningen is er sprake van wederzijdse afhankelijkheid: onderwijssectoren zijn nauw met elkaar en met andere voorzieningen in de samenleving verweven. Belangrijke maatschappelijke problemen raken onderwijsinstellingen en ook knelpunten op instellingsniveau en vragen om een breder stelselperspectief.

Om de werking van het stelsel te kunnen duiden, beschrijven we de kwaliteit van het onderwijs als geheel aan de hand van de kernfuncties van het onderwijs (paragraaf 3.3). Zowel stelselkwaliteit als stelseltoezicht vindt een basis in de stelselverantwoordelijkheid van de overheid (artikel 23, Grondwet en artikel 3, eerste lid, sub d, 4, vierde lid, en artikel 8, eerste lid, WOT). Hierbij gaat het om een stimulerende rol en de reflectieve functie van het toezicht.

We omschrijven stelselkwaliteit als de mate waarin het stelsel van besturen, scholen en andere actoren erin slaagt de kernfuncties van het onderwijs (kwalificatie, socialisatie en allocatie waaronder selectie en gelijke kansen) met succes én in evenwicht te realiseren. Deze kernfuncties nemen we in ons toezicht als uitgangspunt voor de omschrijving van de kwaliteit van het onderwijsstelsel.

3.2.2 Stelseltoezicht

Het toezicht gaat uit van het belang dat de samenleving als geheel heeft bij het onderwijs: het publieke belang. Als onderdeel daarvan geven we in het toezicht aandacht aan specifieke kansen en bedreigingen, specifieke onderdelen van het stelsel of groepen leerlingen. Als toezichthouder moeten we daarom weten hoe het onderwijs zich ontwikkelt, daarop reflecteren en, als er iets niet goed loopt, de samenleving informeren. Wij vatten stelseltoezicht dan ook op als het beschouwen van de werking en de kwaliteit van het stelsel als geheel. Omdat dit het niveau van individuele besturen overstijgt, ondernemen we activiteiten die tot doel hebben de werking en de kwaliteit van het stelsel te stimuleren. We doorlopen een cyclus van waarnemen (monitoren), analyseren, agenderen en stimulerend interveniëren en zien daarmee toe op de kwaliteit van het stelsel. De uitkomsten van het stelseltoezicht zijn van belang voor de samenleving, het parlement en de regering en helpen ons om gericht en slagvaardig toezicht uit te oefenen. Informatie op stelselniveau laat zo zien hoe het totale onderwijsstelsel functioneert en met welke problemen besturen en scholen te maken hebben. Bij besturen en scholen stellen we deze problemen aan de orde en bespreken we hoe zij hiermee omgaan in een open gesprek.

Onderzoeken naar de kwaliteit van het stelsel doen we ook in samenhang met de onderzoeken naar besturen en scholen. De informatie daaruit vormt een bron voor ‘De Staat van het Onderwijs’, voor afzonderlijke publicaties (bijvoorbeeld themarapporten) en voor stimulerende interventies.

Het stelseltoezicht is gebaseerd op de taken van de inspectie zoals beschreven in de WOT. Zo ligt er een taak voor de inspectie in het rapporteren over de ontwikkeling van, in bijzonder van de kwaliteit van, het onderwijs en over de uitoefening van de taken door de instellingen, de samenwerkingsverbanden en de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven, in het bijzonder over de kwaliteit daarvan (artikel 3, eerste lid, sub d, WOT).

Vanuit onze ervaring in de onderwijspraktijk zien wij hierbij het verband met een andere inspectietaak: het bevorderen van de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs aan en het bestuur van instellingen als bedoeld in de onderwijswetten (artikel 3, eerste lid, sub b, WOT).

Ook is de taakuitoefening van de inspectie er mede op gericht betrokkenen te informeren over de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs (artikel 4, vierde lid, WOT). Verder is omschreven dat “[d]e inspectie […] desgevraagd en uit eigen beweging [rapporteert] aan Onze Minister over de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs en doet op grond daarvan voorstellen die zij in het belang van het onderwijs nodig acht” (artikel 8, eerste lid, WOT).

Hoewel stelseltoezicht een grondslag heeft in de WOT, verschilt het van het toezicht op besturen en scholen. In het toezicht op besturen en scholen gaat het om toezicht op de naleving van onderwijswet- en regelgeving. Daarmee kunnen we besturen en scholen,waar nodig, met onze oordelen en herstelopdrachten aanzetten om het onderwijs te verbeteren. In het stelseltoezicht daarentegen kunnen we stelselproblemen signaleren, agenderen en op diverse manieren stimuleren55, maar daarbij geven we geen opdrachten tot herstel. Het gaat hierbij immers niet om toezicht op naleving.

In hoofdstuk 2 gaven we aan dat het stelseltoezicht raakvlakken heeft met het toezicht op besturen en scholen, vooral waar het de ambities van besturen en scholen raakt. Knelpunten op stelselniveau, zoals bijvoorbeeld blijkt uit een themaonderzoek, kunnen in dat geval aan de orde komen in het stimulerende toezicht op besturen en scholen.

3.3 Raamwerk voor stelselkwaliteit

Om de kwaliteit van het stelsel te monitoren, hanteren we een raamwerk. Dit raamwerk beschrijft de werking en de kwaliteit van het stelsel aan de hand van de kernfuncties van het onderwijs. Dit biedt focus voor het krijgen van zicht op de kwaliteit van de werking van het stelsel als geheel en op de trends en knelpunten. Het raamwerk geeft de thema’s aan voor de activiteiten die we ondernemen op het gebied van waarnemen, analyseren en agenderen. Om de kwaliteit van het onderwijsstelsel op niveau te houden en te bevorderen, zijn inspanningen nodig van alle betrokkenen samen. Daarbij helpt het om de aandacht te richten op wat belangrijk is met het oog op de leerlingen en de samenleving, maar ook op wat urgent is, gegeven de actuele ontwikkelingen en trends op de langere termijn. We formuleren daarom focuspunten om andere actoren te stimuleren om samen aan het oplossen van knelpunten te werken. Enkele voorbeelden: ‘Elke leerling (digitaal) geletterd en gecijferd’, ‘Elke leerling krijgt gelijke kansen op een passend aanbod’, ‘Leerlingen zijn toegerust om bij te dragen aan de samenleving’, ‘Leerlingen slagen in het vervolgonderwijs en op de arbeidsmarkt’ en ‘Leerlingen kennen zichzelf en hun omgeving, en kunnen zelfstandig keuzes maken’. Deze vormen ook onderwerp van gesprek met besturen en raken het onderwijs op de scholen.

In het onderstaande Raamwerk voor stelselkwaliteit hebben we de kernfuncties weergegeven. In de beschrijving onderscheiden we drie kernfuncties: kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen. Persoonsvorming maakt daarbij onderdeel uit van de kernfunctie socialisatie. Naast de drie kernfuncties beschrijven we ook de voorwaarden die cruciaal zijn voor realisatie van de kernfuncties. De beschrijving geeft de essentie van de kernfunctie weer. In hoofdstuk 7 (Werkwijze) werken we uit hoe we invulling geven aan het stelseltoezicht.

RAAMWERK VOOR STELSELKWALITEIT

Kernfunctie Kwalificatie

Het onderwijs brengt leerlingen kennis, houdingen en vaardigheden bij die aansluiten bij de behoeften van de samenleving en bij de mogelijkheden en talenten van leerlingen.

Beschrijving

De leerprestaties en het bereikte niveau van alle leerlingen samen hebben een optimaal niveau, voor diverse groepen en voor deelgebieden (vakken). Onderdeel daarvan is dat elke leerling, naar zijn mogelijkheden, geletterd en gecijferd is. De leerprestaties sluiten aan bij de behoefte van de samenleving, zodat elke leerling uiteindelijk goed kan functioneren in de samenleving. In vergelijking met (eerdere) trends, nationaal en internationaal, is er stabiliteit of een ontwikkeling in de richting van de ambities van de samenleving. De kwaliteit van toetsing en examinering leidt tot relevante en betrouwbare uitspraken op stelselniveau over niveau, prestaties en referentieniveaus van leerlingen. De kwaliteit van het onderwijsaanbod omvat kennis, houding en (digitale) vaardigheden en wordt regelmatig getoetst aan de actualiteit en aan (internationale) wetenschappelijke maatstaven.

Kernfunctie Socialisatie

Het onderwijs draagt bij aan de verwerving van de sociale en maatschappelijke competenties die nodig zijn om optimaal te kunnen deelnemen en bijdragen aan de samenleving.

Beschrijving

De kennis, houding en vaardigheden van leerlingen liggen op het niveau dat nodig is om goed te kunnen functioneren in de pluriforme samenleving en de democratische rechtsstaat. Het gaat daarbij om de sociale en maatschappelijke competenties en om de basiswaarden1 van de democratische rechtsstaat die nodig zijn om hieraan succesvol te kunnen deelnemen. Bij de waardering van de bijdrage aan de samenleving zijn eerdere resultaten van het onderwijsstelsel, internationale vergelijking en inhoudelijke eisen leidend, net als de behoeften en ambities van de samenleving. Een vrije en pluriforme samenleving vraagt om burgers die de democratische spelregels in acht nemen, zelfstandig kunnen oordelen, verantwoordelijkheid willen nemen en die toegerust zijn om op een goede manier met diversiteit om te gaan.

1 Uitwerking burgerschap en basiswaarden

De standaarden hebben betrekking op aspecten van kwaliteit, waaronder het onderwijs gericht op bevordering van burgerschap. Hieronder wordt aangegeven in welke standaarden onderdelen van burgerschap aan de orde zijn en geven we met enige nadere uitwerking (A) een overzicht van de inrichting van het toezicht op basiswaarden (B).

Het toezicht op burgerschap is integraal onderdeel van het inspectietoezicht en omvat, al naar gelang de situatie, aandacht voor een of meer onderdelen, en krijgt aandacht als apart thema of in samenhang met andere aspecten van kwaliteit.

A. Bevordering burgerschap

De wettelijke burgerschapsopdracht bepaalt dat onderwijs actief burgerschap en sociale cohesie bevordert. Bij het toezicht hanteert de inspectie geen ‘eigen’ eisen; alleen de wet is uitgangspunt, die bevat minimumeisen. Dat betekent dat zolang scholen aan wettelijke eisen voldoen, invullingen gekozen kunnen worden die passen bij de school. De wettelijke eisen zijn in de standaarden verwerkt en deze zijn hieronder weergegeven.

Standaarden schoolniveau

OP1 Aanbod

OP2 Zicht op ontwikkeling en begeleiding

OP3 Pedagogisch-didactisch handelen

VS1 Veiligheid

VS2 Schoolklimaat

OR2 Sociale en maatschappelijke competenties

SKA1 Visie, ambities en doelen

SKA2 Uitvoering en kwaliteitscultuur

SKA3 Evaluatie, verantwoording en dialoog

Standaarden bestuursniveau

BKA1 Visie, ambities en doelen

BKA2 Uitvoering en kwaliteitscultuur

BKA3 Evaluatie, verantwoording en dialoog

De wet vraagt:

1) Actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze te bevorderen (standaarden OP1, OP2, OR2).

waarbij de volgende elementen op herkenbare wijze terugkomen in het onderwijs:

2) kennis van en het respect voor basiswaarden van de democratische rechtsstaat worden bevorderd (standaarden OP1, VS1, VS2);

3) sociale en maatschappelijke competenties worden ontwikkeld (standaarden OP1, VS2);

4) de schoolcultuur is in overeenstemming met basiswaarden, leerlingen worden gestimuleerd daarmee te oefenen en de school draagt zorg voor een veilige omgeving waarin leerlingen en personeel zich geaccepteerd voelen (standaarden OP3, VS1, VS2).

Toelichting

Ad 1) Standaarden Aanbod, Zicht op ontwikkeling en begeleiding en Sociale en maatschappelijke competenties (OP1, OP2, OR2):

De inspectie stelt vast of het onderwijs doelgericht, samenhangend en herkenbaar is, en de school de leerresultaten op betrouwbare en inzichtelijke manier in kaart brengt. Of het onderwijs doelgericht is, blijkt uit de formulering van geconcretiseerde leerdoelen die de school bereiken wil voor bevordering van basiswaarden en sociale en maatschappelijke competenties. Of het onderwijs samenhangend is, blijkt uit de logische opbouw van de leerstof en aanpak waarmee de school de leerdoelen bereiken wil. Of het onderwijs gericht op bevordering van burgerschap herkenbaar is, blijkt uit de realisering van de geplande leerstof en aanpak. Of de school de leerresultaten op betrouwbare en inzichtelijke wijze in kaart brengt, blijkt uit dat de school over gegevens beschikt die een adequaat beeld van de resultaten geven, zodanig dat beoordeeld kan worden of de school haar leerdoelen realiseert.

Ad 2) en 3) Standaarden Aanbod, Veiligheid, Schoolklimaat (OP1, VS1, VS2):

De inspectie stelt vast of het onderwijs gericht is op bevordering van basiswaarden en sociale en maatschappelijke competenties, en uitgaat van het uitgangspunt van gelijke behandeling van gelijke gevallen. Of het onderwijs gericht is op basiswaarden blijkt uit aandacht voor bevordering van kennis van, respect voor en handelen vanuit basiswaarden (zie B). Of het onderwijs gericht is op ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties blijkt uit aandacht van de school voor de competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische samenleving. De school kan hier eigen keuzes maken. Daarnaast zijn er de kerndoelen op het sociale en maatschappelijke domein. Scholen geven bij de vormgeving van aanbod en aanpak blijk van inzicht in de leerlingenpopulatie en de leefwereld van de leerlingen.

Ad 4) Standaarden Pedagogisch-didactisch handelen, Veiligheid en Schoolklimaat (OP3, VS1, VS2):

De inspectie stelt vast of het bestuur zorg draagt voor een schoolklimaat dat in overeenstemming is met de basiswaarden, waarin leerlingen oefenmogelijkheden wordt geboden en voor een veilig, inclusief schoolklimaat waarin allen zich geaccepteerd voelen. Of wordt gezorgd voor bedoeld schoolklimaat blijkt uit uitvoering van beleid waardoor het bestuur daarin inzicht heeft en zo nodig verbeteringen realiseert. Of het schoolklimaat in overeenstemming is met basiswaarden blijkt uit het voorleven van basiswaarden en de afwezigheid van strijdigheid met basiswaarden. Of het schoolklimaat leerlingen oefenmogelijkheden biedt, blijkt uit situaties waarin leerlingen worden gestimuleerd met basiswaarden te oefenen. Of sprake is van een veilig, inclusief schoolklimaat blijkt uit informatie die inzicht geeft in de mate waarin leerlingen en personeel zich geaccepteerd voelen.

Via de standaarden voor kwaliteitszorg van bestuur en school (standaarden SKA1-3; BKA1-3) beoordeelt de inspectie tenslotte of het onderwijs aan de wettelijke eisen voldoet en het bestuur haar zorgplicht hieromtrent realiseert (standaarden SKA1-3; BKA1-3).

B. Basiswaarden van de democratische rechtsstaat

Bevordering van basiswaarden vormt een belangrijk aspect van de wettelijke burgerschapsopdracht. Basiswaarden van de democratische rechtsstaat (hierna: basiswaarden) weerspiegelen de algemene, breed erkende essentiële waarden waarop onze democratische manier van samenleven is gebaseerd. Ze zijn breed gelegitimeerd, verankerd in de nationale en internationale rechtsorde en neergelegd in onder meer de Nederlandse Grondwet en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Basiswaarden zijn kort gezegd basale, minimale en breed onderschreven waarden die de democratische rechtsstaat schragen.

De basiswaarden waarom het in het onderwijs gaat, zijn vastgelegd en uitgewerkt in het wettelijk kader in de gewijzigde burgerschapsopdracht in de onderwijswetten voor funderend onderwijs (Gewijzigd voorstel van wet, 17 november 2020. Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2020-2021, 35 352 nr. 2; memorie van toelichting en Nota naar aanleiding van het verslag, Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2019–2020, 35 352 nr. 3 en nr. 6). Die uitwerking vormt het (hiertoe begrensde) uitgangspunt voor het inspectietoezicht op basiswaarden. De navolgende uitwerking en formuleringen zijn aan dit wettelijk kader ontleend.

Basiswaarden van de democratische rechtsstaat

Het respect voor de menselijke waardigheid zonder onderscheid des persoons staat aan de basis van de drie basiswaarden van de democratische, pluriforme en Nederlandse rechtsstaat: vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. De basiswaarde vrijheid wordt bevorderd door aandacht voor vrijheid van meningsuiting en autonomie. Gelijkwaardigheid wordt bevorderd in de vorm van het gelijkheidsbeginsel en het afwijzen van discriminatie. Solidariteit wordt bevorderd door verdraagzaamheid, begrip en verantwoordelijkheidsbesef en het afwijzen van onverdraagzaamheid.

Dit betekent dat scholen aandacht besteden aan vrijheid van meningsuiting, het gelijkheidsbeginsel, begrip, verdraagzaamheid, het afwijzen van onverdraagzaamheid en discriminatie, en autonomie en verantwoordelijkheidsbesef. Deze elementen vormen in de onderwijspraktijk de minimale kern waaraan een school moet voldoen bij de bevordering van respect voor en de kennis van basiswaarden.

De burgerschapswet creëert geen nieuwe basiswaarden. Ook onder de eerdere wettelijke opdracht was sprake van bevordering van deze basiswaarden. Wel is het gewicht daarvan groter geworden. In aansluiting bij deze wettelijke kaders en ter bevordering van de continuïteit voor onderwijspraktijk en inspectietoezicht wordt in de op praktijk gerichte operationalisering uitsluitend uitgegaan van de volgende uitwerkingen. Deze uitwerkingen zijn gericht op concrete toepassing in de dagelijkse schoolpraktijk en geformuleerd op voor alle betrokkenen (inclusief leerlingen) toegankelijke wijze:

• Vrijheid van meningsuiting betekent dat je mag zeggen of schrijven wat je denkt of tegen de opvatting van anderen in mag gaan. Iedereen mag dus ook zijn of haar geloof uitdragen, of zijn of haar mening aan anderen voorhouden. Daarbij moet je je wel houden aan de wet.

• Het gelijkheidsbeginsel (ook wel gelijkheid of gelijkwaardigheid genoemd) betekent dat mensen van gelijke waarde zijn. Daarbij maakt het niet uit wat je denkbeelden zijn of wat je gelooft. Je hoeft niet te vinden dat die denkbeelden of gebruiken zelf waardevol zijn, maar wel dat mensen met andere denkbeelden en gebruiken niet minder waard zijn dan jij of dan jouw groep.

• Begrip voor anderen betekent dat je probeert te begrijpen waarom mensen of groepen bepaalde denkbeelden of gebruiken hebben: wat is de achtergrond daarvan en waarom is dat belangrijk voor een ander?

• Verdraagzaamheid (ook wel tolerantie genoemd) betekent dat je de mening of het gedrag van een ander accepteert, ook al ben je het er helemaal niet mee eens. En het betekent ook dat je iedereen de ruimte wilt geven om zo’n mening of zulk gedrag te hebben. Natuurlijk moet iedereen zich daarbij wel houden aan de wet.

• Afwijzen van onverdraagzaamheid: onverdraagzaamheid (ook wel intolerantie genoemd) is het tegenovergestelde van tolerantie. Het betekent dat je vindt dat andere mensen of groepen, dingen waar jij het niet mee eens bent niet zouden mogen denken of doen; en dat je het niet nodig vindt dat ieder de ruimte krijgt om zo’n mening of zulk gedrag te hebben.

• Afwijzen van discriminatie: discriminatie betekent dat mensen of groepen bij anderen achtergesteld worden of dat je vindt dat er voor mensen met andere denkbeelden of gebruiken niet zoveel ruimte hoeft te zijn of dat die denkbeelden of gebruiken misschien zelfs verboden moeten worden.

• Autonomie betekent dat iedereen zelf kan bepalen wie hij/zij wil zijn en hoe hij/zij zijn/haar leven wil leiden. Iedereen is dus bijvoorbeeld vrij om zelf te bepalen welke denkbeelden of welk geloof voor hem/haar belangrijk zijn/is. Daarbij moet je je wel houden aan de wet.

• Verantwoordelijkheidsbesef betekent dat mensen verantwoordelijkheid willen nemen voor wat ze zeggen en doen (en wat ze niet zeggen en doen) en dat ze daarbij rekening willen houden met wat dat voor anderen betekent. Daarbij is vooral belangrijk dat je probeert anderen niet te schaden en dat je de samenleving en de democratie wilt helpen om goed te functioneren. Hoe je dat doet, mag iedereen zelf weten.

Reikwijdte

Actieve bevordering van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat neemt binnen de wettelijke opdracht een centrale plaats in. Van scholen wordt verwacht dat zij werken aan borging en overdracht van de basiswaarden. Ten overvloede zij daarbij opgemerkt dat uit deze opdracht ook volgt dat onderwijs of handelen van de school niet in strijd met basiswaarden kan zijn. Goed burgerschapsonderwijs sluit aan bij de leefwereld van leerlingen en de interesses, problemen en risico’s die hiermee gepaard gaan. Uitgangspunt bij het toezicht is dat scholen blijk geven van inzicht in hun leerlingenpopulatie en hun leefwereld en dit, indien nodig, vertalen naar het onderwijs. Verder is van belang dat basiswaarden structureel onderdeel zijn van de schoolcultuur en dat deze daarmee in overeenstemming is. De inspectie ziet toe op de naleving daarvan via de zorg van het bestuur voor een schoolcultuur waarin alle betrokkenen basiswaarden als centrale spelregels hanteren en voorleven en voor een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met basiswaarden.

Kernfunctie Allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen

Leerlingen volgen een onderwijsloopbaan die past bij hun mogelijkheden en talenten én bij de arbeidsbehoeften van de samenleving.

Beschrijving

Het onderwijs zorgt ervoor dat leerlingen een passende onderwijsloopbaan volgen en een gelijke kans hebben om terecht te komen op het onderwijstype dat bij hen past. Het onderwijs zorgt ervoor dat leerlingen slagen in het (vervolg)onderwijs en een diploma halen waarmee ze een passende plek op de arbeidsmarkt of een passende vervolgbestemming vinden. De advisering, schoolkeuze, overgangen en aansluiting binnen het (passend) onderwijs zijn doelmatig en werpen geen belemmeringen op voor doorstroom. Met andere woorden: het onderwijs is in gelijke mate toegankelijk en beschikbaar voor alle leerlingen die er gezien hun mogelijkheden thuishoren. In vergelijking met (eerdere) trends, nationaal en internationaal, is er stabiliteit of een ontwikkeling in de richting van de ambities van de samenleving.

Voorwaarden voor realisatie van de kernfuncties

Het onderwijs is zodanig toegerust en georganiseerd dat het voor continuïteit kan zorgen en kan bijdragen aan de drie kernfuncties.

Beschrijving

Het onderwijs heeft zich zo georganiseerd dat het in staat is in een gezamenlijke dynamiek en samenwerking de drie kernfuncties van het stelsel te realiseren. Goede sturing en visie op wat bereikt moet worden zijn daarbij van belang. Ook samenwerking tussen instellingen, zoals bijvoorbeeld ten gunste van de realisatie van passend onderwijs, is zodanig dat ze bijdraagt aan de kwaliteit van het onderwijs aan leerlingen. Middelen en mogelijkheden worden voldoende ingezet en benut. Er is voldoende personeel dat is toegerust voor de gevraagde onderwijstaken. Het niveau van middelen, organisatiewijze en personeel ligt op een geaccepteerd niveau in vergelijking met (eerdere) trends, nationaal en internationaal, of ontwikkelt zich in de richting van de ambities van de samenleving.

4. Waarderingskader besturen

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk beschrijven we het kader voor de beoordeling van de besturing door het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag bestaat uit het uitvoerend deel van het bestuur en het interne toezicht. Hoewel de functies gescheiden zijn, zorgt men er, ieder vanuit zijn eigen rol en verantwoordelijkheid, samen voor dat de kwaliteit van hun scholen gewaarborgd is en er sprake is van deugdelijk financieel beheer. Voor de leesbaarheid spreken we over het bestuur als aanduiding voor het bevoegd gezag.

We willen nagaan of het bestuur in staat is de basiskwaliteit van het onderwijs op zijn scholen te borgen, verder te verbeteren en te zorgen voor deugdelijk financieel beheer voor continuïteit in de toekomst. We beoordelen de kwaliteit van de besturing op basis van de geldende wet- en regelgeving (hierna: wettelijke vereisten) die is genoemd in het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie. Ook de invulling van de kernfuncties van het stelsel door het bestuur (zie hoofdstuk 3) heeft hier een plek.

Uit het oordeel op dit kwaliteitsgebied blijkt of het bestuur in staat is om met zijn (be)sturing de kwaliteit van het onderwijs op de scholen te waarborgen en verder te ontwikkelen. Met deze kennis over de kwaliteit van de sturing, richten we het (vervolg)toezicht proportioneel in (zie hoofdstuk 7).

Naast het waarderingskader met standaarden voor besturing, kwaliteitszorg en ambitie op bestuursniveau (BKA), zijn er ook standaarden voor sturen, kwaliteitszorg en ambitie op schoolniveau (SKA). Deze standaarden zijn opgenomen in het waarderingskader voor scholen en beschrijven we in hoofdstuk 5. We maken onderscheid tussen besturen en scholen, omdat de besturing (van een of meerdere scholen) door het bestuur en de sturing (op een school) door schoolleiders van elkaar verschillen. Met dit onderscheid kunnen we het toezicht beter laten aansluiten bij de verantwoordelijkheden en werkwijzen van besturen en scholen. Deze niveaus staan allerminst los van elkaar. Het bestuur geeft de kaders voor kwaliteit en financieel beheer aan waarbinnen de schoolleiders hun verantwoordelijkheid voor de sturing van de kwaliteit op school vormgeven. Het bestuur en de scholen zorgen gezamenlijk voor het behalen van beoogde resultaten rondom onderwijskwaliteit en financiële kwaliteit.

In paragraaf 4.2 lichten we toe hoe het waarderingskader voor besturen is opgebouwd. In aansluiting daarop beschrijven we in paragraaf 4.3 de inhoud van dat waarderingskader.

4.2 Opbouw van het kader

De kern van het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie (BKA) is dat het bestuur zorgt voor besturing van de onderwijskwaliteit op de scholen en voor een goede organisatie en kwaliteitscultuur. Dat maakt dat leerlingen kunnen leren en zich kunnen ontwikkelen in een veilige omgeving. Ook het financieel beheer, waaronder financiële continuïteit, rechtmatigheid en doelmatigheid, is hiervan integraal onderdeel. Wij beschouwen de besturing als een cyclisch proces. De drie standaarden van het waarderingskader samen geven zicht op de kwaliteitscyclus van het bestuur. Als deze cyclus op orde is, is het bestuur in staat de basiskwaliteit te realiseren en te borgen, het onderwijs te verbeteren en te zorgen voor deugdelijk financieel beheer. Hiermee draagt het bestuur bij aan de kernfuncties van het stelsel. Bovendien bestaat er dan een ontwikkelingsgerichte kwaliteitscultuur: beleid wordt opgevolgd en na evaluatie bijgesteld.

Figuur 4.2a Opbouw kwaliteitsgebied

Figuur 4.2a Opbouw kwaliteitsgebied

In de eerste standaard (BKA1) beoordelen we de manier waarop het bestuur de besturing en de randvoorwaarden inricht aan de hand van een visie op onderwijs, uitgewerkt in ambities en doelen. Dit raakt ook de kernfuncties van het stelsel, zoals verwoord in hoofdstuk 3. In de tweede standaard (BKA2) staat de uitvoering centraal: hoe stuurt het bestuur op het realiseren van de visie, ambities en doelen en wat voor kwaliteitscultuur is er? In de derde standaard (BKA3), ten slotte, onderzoeken we hoe het bestuur evalueert en analyseert, verantwoording aflegt aan anderen en de samenleving, reflecteert op de resultaten en erover in gesprek gaat. Dit leidt tot bijstelling en verdere ontwikkeling van de visie, ambities en doelen, zoals bedoeld in de eerste standaard, en maakt de cyclus van (in)richten, uitvoeren en evalueren compleet. De kwaliteitscultuur is van belang voor een effectieve sturing op deze cyclus (de standaarden samen). Daardoor wordt de kwaliteit van het onderwijs gewaarborgd.

4.3 Kwaliteitsgebied en standaarden

Het waarderingskader voor besturen, het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie (BKA), is onderverdeeld in drie standaarden die (in)richting, uitvoering en evaluatie omvatten. Deze standaarden zijn met elkaar verbonden en vertegenwoordigen samen het stelsel van kwaliteitszorg. Dit betekent dat we deze standaarden in samenhang onderzoeken.

Bij elke standaard geven we aan wat we onder basiskwaliteit verstaan en wat de wet van besturen vraagt (wat moet het bestuur?).56 We gaan ervan uit dat besturen (be)sturen vanuit visie en ambitie. Naast de ambities die besturen hebben om de wettelijke verplichtingen na te leven, zijn er ambities die meer omvatten dan de basiskwaliteit. Wij noemen dit de aanvullende ambities. Ook over deze ambities gaan we met besturen in gesprek. We kunnen daaraan een waardering koppelen, namelijk de waardering Goed. Het is de invulling van de stimulerende functie van het toezicht. In het waarderingskader komt dit tot uitdrukking in vragen naar de realisatie van aanvullende ambities van het bestuur. Met het geheel aan ambities dragen besturen bij aan de kernfuncties van het onderwijsstelsel.

KWALITEITSGEBIED BESTURING, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (BKA)

BKA1. Visie, ambities en doelen

Het bestuur heeft een visie op kwaliteit, heeft hiervoor ambities en doelen opgesteld en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

Het bestuur heeft een visie op goed onderwijs en op de besturing daarvan. De visie is concreet en passend vertaald naar ambities, doelen en daarmee samenhangend beleid. Deze vertaling maakt sturing mogelijk op de kwaliteit en resultaten van het onderwijs en de voorwaarden. Daartoe is een stelsel van kwaliteitszorg ingericht dat het bestuur in staat stelt de basiskwaliteit van het onderwijs te waarborgen.

De doelen betreffen in elk geval de naleving van wettelijke eisen, waaronder de wettelijke vereisten voor het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces en de manier van toetsen en examineren. De visie, ambities en doelen omvatten uitwerkingen van eerdere evaluatieresultaten en resultaten van interne en externe dialoog.

Het bestuur zorgt er met betrokkenheid van de scholen voor dat de visie, ambities, doelen en het beleid sturend zijn voor de verbetering van het onderwijs aan leerlingen. Scholen formuleren op hun beurt doelen die aansluiten bij wat leerlingen nodig hebben met het oog op hun doorgaande onderwijsloopbaan.

Het bestuur richt de voorwaarden in om de doelen te bereiken, waaronder de inzet en het beheer van de (financiële) middelen voor het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijsproces, de diplomering, het schoolklimaat en de resultaten. Het bestuur heeft daartoe een meerjarenbegroting waarin de relatie met het beleid en de doelen duidelijk zijn toegelicht. Er is voor de sturing op (financiële) kwaliteit een functionerende verantwoordelijkheidsverdeling tussen de interne toezichthouder, het bestuur en de scholen afgesproken, op basis van de geldende wet- en regelgeving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen.

• Artikel 23a en artikel 24, vierde lid, WVO: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er toetsbare doelen zijn geformuleerd.

• Artikel 24, eerste, tweede en derde lid, WVO: Het bestuur zorgt ervoor dat alle scholen een schoolplan hebben. Het schoolplan omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg. Bij de beschrijving van het onderwijskundig beleid wordt het schoolondersteuningsprofiel betrokken. Dit bevat een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven.

• Artikel 24e, eerste en derde lid, WVO: Er moet sprake zijn van een functionele of organieke scheiding tussen uitvoerend deel van het bestuur en intern toezicht.

• Artikel 24e1, eerste lid, sub c, WVO: De interne toezichthouder ziet erop toe dat het bestuur de middelen doelmatig en rechtmatig besteedt en aanwendt.

• Artikel 32, zevende lid, WVO: Het bestuur stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van de verschillende categorieën personeel van de scholen.

• Artikel 32c WVO: Het bestuur stelt een managementstatuut vast waaruit de verantwoordelijkheidsverdeling in de aansturing van de school blijkt.

• Artikel 99 en 103a3, WVO [jo. AMvB] en artikel 21 Bekostigingsbesluit WVO: Het bestuur moet de rijksbekostiging rechtmatig aanwenden en moet evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen voorkomen.

• Artikel 103 WVO en artikel 18, eerste, tweede en vijfde lid, Bekostigingsbesluit WVO en artikel 4, vierde lid, RJO: Het bestuur maakt jaarlijks een jaarverslag waarin de resultaten van het financieel beleid en de continuïteitsparagraaf staan opgenomen.

• RJO, jo. artikel 103, WVO: De wijze waarop door het bestuur verslag wordt gedaan van het financieel beheer gebeurt overeenkomstig de daarvoor in de RJO gestelde regels.

BKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

Het bestuur realiseert samen met de scholen de doelen voor kwaliteit, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

Het bestuur geeft als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg met de scholen effectief uitvoering aan de visie en de doelen voor onderwijskwaliteit. Aan de transparante, integere kwaliteitscultuur is zichtbaar dat deze bijdraagt aan de gestelde doelen.

Het bestuur bevordert een op samenwerken, leren en verbeteren gerichte kwaliteitscultuur, zodat de doelen en ambities gerealiseerd kunnen worden. Het bestuur zorgt ervoor dat het onderwijskundig leiderschap op alle niveaus herkenbaar verankerd is in de organisatie. Ook bevordert het bestuur dat de schoolleiding en teams gezamenlijk werken aan hun professionaliteit in relatie tot de bekwaamheidseisen en aan een verbetercultuur.

Binnen de kwaliteitscultuur geeft het bestuur uitvoering aan kwaliteitszorg gericht op de kwaliteit van het onderwijs, de afspraken uit het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband passend onderwijs en de naleving van wettelijke voorschriften. Het bestuur bewaakt en bevordert dat de uitvoering in overeenstemming is met het beleid, zodat de doelen worden bereikt. Het bestuur houdt zicht op de uitvoering van het beleid en op de nagestreefde verbeteringen en stuurt daarop, zo nodig, tussentijds bij.

De beschikbare (financiële) middelen dragen bij aan de realisatie van de door het bestuur gestelde doelen en worden doelmatig en rechtmatig aangewend. Als onderdeel van zijn taak ziet de interne toezichthouder daarop toe. Het bestuur voorkomt evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen. Daarnaast stuurt het bestuur op effectief financieel beheer, zodat de continuïteit van het onderwijs gewaarborgd is en bekostiging rechtmatig verkregen wordt.

Het interne toezicht geeft voorts onafhankelijk en deugdelijk invulling aan zijn taak en wordt daarin gefaciliteerd door het uitvoerend deel van het bestuur.1 Het bestuur zorgt voor goed functionerende medezeggenschap en opereert volgens een code Goed Bestuur of legt in het jaarverslag uit als het daar eventueel van afwijkt en waarom dat het geval is. Ook stelt het bestuur de examencommissie in en benoemt de leden. Als laatste zorgt het bestuur voor een doeltreffende verwerking van interne en externe signalen en klachten.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 23a en 24, vierde lid, WVO: Bestuur en schoolleiding zorgen ervoor dat de wet wordt nageleefd en dat er wanneer nodig verbetermaatregelen komen voor de kwaliteit. Dat houdt onder andere in dat het bestuur en de scholen zicht hebben op de kwaliteit van het onderwijs. Daarbij moet het functioneren van de kwaliteitscyclus centraal staan.

• Artikel 24, eerste en derde lid, artikel 33, artikel 37a en artikel 39a1, WVO: Het bestuur zorgt voor bevoegd personeel en maakt het onderhouden en uitbreiden van de bekwaamheid mogelijk.

• Artikel 24a, eerste lid, sub e, jo. artikel 24b en 24g, WVO: Het bestuur communiceert over de klachtenregeling in de schoolgids(en). Voor leerlingen kan worden volstaan met vermelding van de rechten en plichten in het leerlingenstatuut.

• Artikel 24b WVO: Het bestuur heeft een klachtenregeling die leidt tot een deugdelijke klachtbehandeling waarbij voldaan wordt aan de specifieke vereisten die dit artikel noemt.

• Artikel 24d, eerste lid, WVO: Het bestuur draagt zorg voor een goed bestuurde school met een scheiding tussen het uitvoerend deel van het bestuur en het toezicht en met een rechtmatig bestuur en beheer.

• Artikel 24e, tweede lid, WVO: De interne toezichthouder (of lid daarvan) functioneert onafhankelijk van het uitvoerend deel van het bestuur.

• Artikel 24e1, eerste lid, WVO: De interne toezichthouder houdt toezicht op de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden door het uitvoerend deel van het bestuur, staat het uitvoerend deel van het bestuur met raad ter zijde en heeft ten minste bepaalde taken.

• Artikel 24e1, tweede, vierde en vijfde lid, WVO: De taken en bevoegdheden van de interne toezichthouder of het intern toezichthoudend orgaan zijn zodanig dat hij een deugdelijk en onafhankelijk intern toezicht kan uitoefenen.

• Artikel 32e, tweede, derde en vierde lid, WVO: Het bestuur dient leraren een zelfstandige verantwoordelijkheid te geven bij de beoordeling van de onderwijsprestaties van leerlingen en voldoende zeggenschap te geven waar het gaat om het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de school.

• [Artikel 35d Eindexamenbesluit VO: Het bestuur stelt een of meerdere onafhankelijke en deskundig functionerende examencommissie(s) in ten behoeve van de kwaliteit van de toetsing en examinering op de school, waarbij voldaan wordt aan de specifieke vereisten die dit artikel noemt.]

• Artikel 99 en 103a3, WVO [jo. AMvB] en artikel 21 Bekostigingsbesluit WVO: Het bestuur moet de rijksbekostiging rechtmatig aanwenden en moet evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen voorkomen.

• Artikel 99b WVO: Het bestuur beheert de middelen van de school op zodanige wijze dat het voortbestaan van de school is verzekerd.

• Artikel 103, eerste lid, WVO: Het bestuur dient een code Goed Bestuur te hanteren en verantwoordt zich over eventuele afwijkingen in het jaarverslag.

• Artikel 103a3, vierde lid WVO: Als sprake is van evident ondoelmatige aanwending, kunnen daar financiële gevolgen aan worden verbonden, zoals wijziging van de bekostiging en het terugvorderen van het onverschuldigd betaalde deel van de bekostiging.2

• Artikel 103a3, vijfde lid WVO [jo. AMvB]: Bij of krachtens AMvB worden nadere regels gesteld over de wijze waarop wordt vastgesteld dat sprake is van evident ondoelmatige aanwending van de bekostiging.

• Artikel 4, vierde lid, RJO: Het bestuur zorgt voor een continuïteitsparagraaf in de jaarverslaggeving.

BKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

Het bestuur evalueert en analyseert systematisch of het de doelen realiseert en verantwoordt zich hierover. Het stelt wanneer dat nodig is het beleid bij en betrekt daartoe interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

Het bestuur evalueert en beoordeelt als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de ambities, de doelen en het beleid worden gerealiseerd. Op deze manier krijgt het bestuur zicht op de gerealiseerde (financiële) kwaliteit en de resultaten van het onderwijs aan leerlingen. Bij de evaluatie en beoordeling van het beleid en de onderwijskwaliteit haalt het bestuur actief externe informatie op en gebruikt deze informatie bij de evaluatie en beoordeling. Op basis van de evaluatie reageert het bestuur tijdig op mogelijke kansen en bedreigingen, stelt wanneer nodig (verbeter)beleid op en treft passende maatregelen om de kwaliteit van het onderwijs op de scholen te borgen.

Het bestuur legt verantwoording af door middel van accurate, actuele en openbaar toegankelijke informatie over de gerealiseerde kwaliteit. Het brengt minimaal jaarlijks verslag uit aan zijn in- en externe belanghebbenden over zijn doelen en de resultaten van de opleidingen. De verantwoording in het jaarverslag is betrouwbaar en (de inhoud van) het jaarverslag voldoet aan de wettelijke vereisten.

Het bestuur verantwoordt zich daarbij ten minste over het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces, de manier van toetsen en examineren en het financieel beheer. De reflectie op de uitkomsten van de evaluatie geeft alle lagen van de organisatie, intern toezicht en de medezeggenschap voldoende inzicht in de effectiviteit van de besturing en uitvoering. Het bestuur analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verantwoording. Vervolgens verwerkt het bestuur deze wanneer nodig in bijstelling van ambities, (verbeter)doelen en beleid of nieuwe ambities zodat de opbrengst van de dialoog bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwijs en de sturing daarop. Het bestuur organiseert ook de dialoog hierover met interne en externe belanghebbenden, waarbij in elk geval leerlingen, personeel, het regionale bedrijfsleven en de interne toezichthouder zijn betrokken. Het bestuur werkt bovendien actief samen met andere partijen aan doelen die het bestuurlijk belang overstijgen en de kernfuncties raken. Zo komt het bestuur de afspraken uit het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband passend onderwijs na en verantwoordt zich hierover.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1 en artikel 3, sub f, RJO, jo. artikel 103, WVO: Het bestuur informeert jaarlijks interne en externe belanghebbenden over het gevoerde en voorgenomen beleid en over de uitkomsten van het gevoerde beleid.

• Artikel 4, vierde lid, RJO, jo. 103, WVO: Het bestuur maakt jaarlijks een jaarverslag waarin naast de resultaten van het financieel beleid ook verantwoording wordt gegeven over toekomstige ontwikkelingen van het onderwijs.

• Artikel 8 WMS: De (gemeenschappelijke) medezeggenschaspraad ((G)MR) ontvangt tijdig alle inlichtingen van het bestuur die redelijkerwijs nodig zijn om zijn taak te kunnen vervullen en ontvangt in elk geval bepaalde in de wet beschreven informatie.

• Artikel 10 WMS: In bepaalde gevallen heeft het bevoegde gezag voorafgaand instemming van de (G)MR nodig voor besluiten die op dat geval betrekking hebben (bijvoorbeeld bij verandering van de onderwijskundige doelstellingen van de school).

• Artikel 11 WMS: Het bestuur moet de (G)MR vooraf in de gelegenheid stellen om te adviseren over besluiten bij bepaalde aangelegenheden (bijvoorbeeld vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de school).

• Artikel 12 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het personeelsdeel van de (G)MR bij besluiten bij bepaalde aangelegenheden (bijvoorbeeld bij de vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie).

• Artikel 14 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het ouder- en leerlingdeel van de (G)MR over bepaalde besluiten (bijvoorbeeld bij de vaststelling van de schoolgids).

• Artikel 23a en artikel 24, vierde lid, WVO: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er regelmatig wordt geëvalueerd of deze doelen worden gehaald.

• Artikel 103, eerste lid, WVO: Het bestuur dient een code Goed Bestuur te hanteren en verantwoordt zich over eventuele afwijkingen in het jaarverslag.

• Artikel 103, zevende en achtste lid, WVO: Het bestuur maakt het jaarverslag openbaar. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de wijze en het tijdstip waarop openbaarmaking van het jaarverslag plaatsvindt.

• RJO, jo. artikel 103, WVO: De wijze waarop door het bestuur verslag wordt gedaan van het financieel beheer gebeurt overeenkomstig de daarvoor in de RJO gestelde regels.

• Artikel 118a WVO: De bevoegde gezagsorganen van de scholen voeren jaarlijks overleg met elkaar en met de gemeente over het voorkomen van segregatie, het bevorderen van integratie en het bestrijden van achterstanden.

X Noot
1

Volgens artikel 1, sub c, RJO: het geheel van verslaggevingsdocumenten bestaande uit de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392, titel 9, boek 2, BW.

X Noot
2

Met het amendement (Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 102, nr. 11) is geregeld dat een bekostigingssanctie alleen kan worden opgelegd aan het bestuur nadat bij AMvB een nadere invulling wordt gegeven aan het begrip ‘evident ondoelmatige besteding’. Zonder deze algemene maatregel van bestuur is handhaving op ‘evident ondoelmatige besteding’ niet mogelijk. Tot de datum van inwerkingtreding van de AMvB richt de inspectie zich op haar stimulerende taak op dit gebied en zal alleen een Onvoldoende worden gegeven als een bestuur niet voldoet aan de op dit moment bij de basiskwaliteit opgenomen elementen.

5. Waarderingskader scholen

5.1 Inleiding

In het vorige hoofdstuk beschreven we het kader voor de beoordeling van de besturing door het bestuur. In dit hoofdstuk beschrijven we het waarderingskader voor het beoordelen van de kwaliteit op scholen. Deze kaders hangen nauw met elkaar samen. Het bestuur geeft de kaders voor kwaliteit en financieel beheer aan waarbinnen schoolleiders hun verantwoordelijkheid voor de sturing van de kwaliteit op school vormgeven. Dit waarderingskader bevat naast standaarden over sturen en kwaliteit ook standaarden over het onderwijsproces, het schoolklimaat en de onderwijsresultaten. De standaarden over sturen, kwaliteitszorg en ambitie op schoolniveau (SKA) hangen samen met die over besturing, kwaliteitszorg en ambitie op bestuursniveau (BKA) en zijn toegespitst op de wettelijke eisen op schoolniveau.

We gebruiken het waarderingskader voor scholen wanneer we onderzoek doen op schoolniveau.

We beschrijven de opbouw van het kader in paragraaf 5.2. In paragraaf 5.3 is vervolgens het waarderingskader op schoolniveau opgenomen. In de laatste paragraaf, 5.4, gaan we in op de overige wettelijke vereisten, die niet aan een standaard zijn gekoppeld.

5.2 Opbouw van het kader

In het waarderingskader op schoolniveau onderscheiden we vier kwaliteitsgebieden: Onderwijsproces, Veiligheid en schoolklimaat, Onderwijsresultaten, en Sturen, kwaliteitszorg en ambitie. Met het waarderingskader krijgen we antwoord op de drie elementaire vragen over het onderwijs voor leerlingen: krijgen ze goed onderwijs (Onderwijsproces), voelen ze zich veilig (Veiligheid en schoolklimaat), en leren ze genoeg (Onderwijsresultaten)? Daarnaast kijken we naar de sturing op en de verbetering van de kwaliteit (Sturen, kwaliteitszorg en ambitie). Dit zijn belangrijke aspecten voor de kwaliteit en ontwikkeling van het onderwijs aan leerlingen. We beoordelen bij de kwaliteit van het onderwijs het geheel van de prestaties van de school op deze vier gebieden. Het financieel beheer beoordeelt de inspectie op het niveau van het bestuur.

Het waarderingskader voortgezet onderwijs heeft de volgende opbouw:57

KWALITEITSGEBIEDEN EN STANDAARDEN VO SCHOOLNIVEAU

OP ONDERWIJSPROCES

OP1

Aanbod

OP2

Zicht op ontwikkeling en begeleiding

OP3

Pedagogisch-didactisch handelen

OP4

Onderwijstijd

OP6

Afsluiting

VS VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT

VS1

Veiligheid

VS2

Schoolklimaat

OR ONDERWIJSRESULTATEN

OR1

Resultaten

OR2

Sociale en maatschappelijke competenties

SKA STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE

SKA1

Visie, ambities en doelen

SKA2

Uitvoering en kwaliteitscultuur

SKA3

Evaluatie, verantwoording en dialoog

5.3 Kwaliteitsgebieden en standaarden

Het waarderingskader voortgezet onderwijs op schoolniveau telt per gebied een aantal standaarden, in totaal twaalf. Bij elke standaard is aangegeven wat we verstaan onder de basiskwaliteit (wat móet de school op orde hebben?).58 Ter onderbouwing van de eisen voor basiskwaliteit geven we per standaard de wettelijke eisen weer die van toepassing zijn. We noemen de wettelijke eisen ook wel deugdelijkheidseisen.

In de praktijk hebben scholen ambities die raken aan basiskwaliteit. Scholen doen echter vaak meer. Naast de ambities binnen de basiskwaliteit hebben scholen ook ambities die daarboven uitstijgen en die scholen met het bestuur hebben geformuleerd. Voor deze eigen ambities vormt het schoolplan de basis. Over het geheel aan ambities gaan we met de scholen in gesprek. We kunnen daaraan een waardering koppelen, namelijk de waardering Goed. Dit is de invulling van de stimulerende functie van ons toezicht. In het waarderingskader komt dit tot uitdrukking in vragen naar de realisatie van aanvullende ambities.

Met het geheel aan ambities, zowel voor de basiskwaliteit als ambities die daarboven uitstijgen, dragen scholen met hun besturen bij aan de kwaliteit van de kernfuncties van het onderwijsstelsel.

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSPROCES (OP)

OP1. Aanbod

Het aanbod bereidt de leerlingen voor op vervolgonderwijs en de samenleving.

Basiskwaliteit

De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs en de samenleving. Zij biedt een breed en op de kerndoelen1 gebaseerd aanbod dat ook de referentieniveaus taal en rekenen omvat. Het aanbod is dekkend voor examenprogramma’s. Onder aanbod verstaan we alle lesinhouden, ook die digitaal zijn of online aangeboden worden. Het aanbod van de school is afgestemd op de leerlingenpopulatie en sluit aan bij het (taal)niveau en de onderwijsbehoeften van de leerlingen. Het aanbod wordt waar nodig gedurende de schoolloopbaan verdiept en verbreed, zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. Het aanbod is doelgericht, samenhangend en herkenbaar. Bovendien heeft de school de leerinhouden evenwichtig en in samenhang over de leerjaren verdeeld.

Het aanbod draagt bij aan het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en aan het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die leerlingen in staat stellen deel uit te maken en bij te dragen aan de pluriforme, democratische samenleving.

Het aanbod omvat mede activiteiten voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding. Stages kunnen, met name in het vmbo, onderdeel uitmaken van het aanbod. Wanneer een school stages aanbiedt, zorgt ze ervoor dat de inhoud en vormgeving van de stage bijdraagt aan de voorbereiding van de leerling op het vervolgonderwijs en de samenleving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het aanbod en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 2 en 3, Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen, jo. artikel 2, Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen: Het onderwijs neemt de referentieniveaus van taal en rekenen als uitgangspunt.

• Artikel 6f WVO: Het onderwijsprogramma in het voortgezet onderwijs kan een maatschappelijke stage omvatten.

• Artikel 7 tot en met 10, WVO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 11b en 11c, eerste lid, WVO, jo. Besluit kerndoelen onderbouw VO: Het onderwijsaanbod voor de eerste twee leerjaren voldoet aan de kerndoelen en is samenhangend ingericht.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 24, tweede lid, sub a, WVO: Het schoolplan bevat de uitwerking van de wettelijke opdrachten voor de uitgangspunten, doelstellingen en inhoud van het onderwijs.

• Artikel 31 en 32, Inrichtingsbesluit WVO: De school kan in het derde en vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte of gemengde leerweg in het vmbo én voor praktijkonderwijsleerlingen lessen besteden aan stage.

• Artikel 33 Inrichtingsbesluit WVO: De school omschrijft doel, inhoud, omvang, opbouw en organisatie van de stage in een stageplan.

• Artikel 35 Inrichtingsbesluit WVO: Het bestuur sluit met de leerling en de stagegever gezamenlijk een schriftelijke stageovereenkomst waarin onder andere de begeleiding en de wijze van beoordeling aan bod komen.

• Bijlage 3 Regeling examenprogramma’s voortgezet onderwijs: De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen.

OP2. Zicht op ontwikkeling en begeleiding

De school volgt de ontwikkeling van de leerlingen en biedt waar nodig passende begeleiding en extra ondersteuning.

Basiskwaliteit

De school verzamelt vanaf binnenkomst systematisch informatie over de kennis en vaardigheden van leerlingen op alle voor het onderwijs belangrijke domeinen. Het verzamelen van (toets)informatie gebeurt systematisch en zorgvuldig. De school vergelijkt de informatie met de verwachte ontwikkeling van de leerling. Dit maakt het mogelijk om het onderwijs af te stemmen op de onderwijsbehoeften van zowel groepen als individuele leerlingen. Het stelt de school in staat zorg te dragen voor de ontwikkeling en begeleiding van de leerling. De school waarborgt daarmee voor leerlingen de ononderbroken ontwikkeling en voortgang daarin en heeft daarbij oog voor de bevordering van gelijke kansen. De school informeert ouders regelmatig over de ontwikkeling en vorderingen van hun kind.

Wanneer individuele of groepen leerlingen niet genoeg lijken te profiteren van het onderwijs, analyseert de school waar de ontwikkeling stagneert en wat mogelijke verklaringen hiervoor zijn. Vervolgens bepaalt zij wat er nodig is om op eventuele achterstanden of voorsprongen in de ontwikkeling van leerlingen in te spelen. De school biedt de begeleiding vervolgens gestructureerd aan. Waar nodig betrekt de school het samenwerkingsverband, de gemeente en zorginstanties bij de begeleiding van de leerlingen.

De leerlingen krijgen daarmee de begeleiding die zij nodig hebben om het onderwijsprogramma beter te kunnen doorlopen. De school besteedt op een structurele en herkenbare manier aandacht aan het bestrijden van (taal)achterstanden.

De school heeft in het schoolondersteuningsprofiel vastgelegd wat zij onder extra ondersteuning verstaat en welke voorzieningen de school kan bieden. Voor de leerlingen die deze extra ondersteuning nodig hebben, legt de school in het ontwikkelingsperspectief vast hoe zij het onderwijs afstemt op de behoefte van de leerling en registreert het ontwikkelingsperspectief in BRON. De school voert de geplande ondersteuning uit. De inhoud en uitvoering van dit plan wordt minimaal eenmaal per schooljaar met de ouders geëvalueerd. De school vervult de zorgplicht passend onderwijs. Wanneer de school de extra ondersteuning voor een leerling niet kan bieden, zoekt de school in samenwerking met ouders en zo nodig het samenwerkingsverband een passende onderwijsplek.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor zicht op ontwikkeling en begeleiding en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1 WVO: In het schoolondersteuningsprofiel is vastgelegd welke voorzieningen zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 6c WVO: De school werkt herkenbaar en gestructureerd aan de bestrijding van achterstanden.

• Artikel 15c Inrichtingsbesluit WVO: In het ontwikkelingsperspectief is informatie opgenomen over de begeleiding die de leerling wordt geboden, in welke onderwijssoort in het voortgezet onderwijs de leerling naar verwachting het examen zal halen en over de belemmerende en de bevorderende factoren die van invloed zijn op het onderwijs aan de leerling.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze. Dat omvat onder meer regelmatig monitoren van de ontwikkeling van burgerschapscompetenties, om het onderwijs af te stemmen op de actuele leerbehoefte van leerlingen.

• Artikel 17b, eerste lid, WVO: De school biedt individuele begeleiding die is afgestemd op de behoeften van de leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.

• Artikel 17b, tweede lid, WVO: Het bestuur stelt ten minste eenmaal in de vier jaar het schoolondersteuningsprofiel vast.

• Artikel 23b WVO: De school rapporteert over de vorderingen van de leerlingen aan hun ouders, voogden of verzorgers, dan wel aan de leerlingen zelf wanneer zij meerderjarig en handelingsbekwaam zijn.

• Artikel 24, tweede lid, WVO: De school heeft in het schoolplan beschreven op welke wijze het schoolondersteuningsprofiel wordt betrokken bij het onderwijskundig beleid.

• Artikel 24, vierde lid, sub a, WVO: De school heeft de wijze waarop het onderwijs wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen in het schoolplan beschreven.

• Artikel 26, eerste en derde lid, WVO: Het bestuur stelt, na op overeenstemming gericht overleg met de ouders, een ontwikkelingsperspectief vast voor een leerling die extra ondersteuning nodig heeft.

• Artikel 26, tweede lid, WVO: Over het handelingsdeel van het ontwikkelperspectief dient door het bestuur overeenstemming met de ouders te worden bereikt.

• Artikel 26, vierde lid, WVO: Het bestuur evalueert het ontwikkelingsperspectief minimaal eens per schooljaar met de ouders.

• Artikel 26, vijfde lid, WVO: Het bestuur kan het ontwikkelingsperspectief bijstellen.

• Artikel 27, lid 2b, WVO: De school beoordeelt of de leerling extra ondersteuning nodig heeft.

• Artikel 27, lid 2c, WVO: De school houdt zich aan de zorgplicht passend onderwijs.

• Artikel 12 Wet register onderwijsdeelnemers, jo. artikel 8, vijfde lid, Besluit register onderwijsdeelnemers: Het bestuur registreert in het Basisregister Onderwijs (BRON) voor welke periode er voor een leerling een ontwikkelingsperspectief is vastgesteld en, indien van toepassing, welke periode een leerling in een orthopedagogisch didactisch centrum (opdc) is geplaatst.

OP3. Pedagogisch-didactisch handelen

Het pedagogisch-didactisch handelen van de leraren stelt leerlingen in staat om te leren en zich te ontwikkelen.

Basiskwaliteit

De pedagogisch-didactische visie van de school is zichtbaar in het dagelijks handelen van de leraren.

De leraren plannen en structureren hun handelen met behulp van informatie die zij over leerlingen hebben. Zij maken pedagogische en didactische keuzes en stemmen daarbij het niveau van hun onderwijs af op het beoogde eindniveau van de leerlingen. De leerstof omvat kennis, vaardigheden en attitudes en wordt in een logische opbouw aangeboden.

De leraren creëren een pedagogisch en didactisch passend en stimulerend leerklimaat, waardoor leerlingen actief en betrokken zijn. Met geschikte opdrachten en heldere uitleg structureren de leraren het onderwijsaanbod zo dat de leerlingen zich het leerstofaanbod eigen kunnen maken. Leraren hebben hoge verwachtingen van leerlingen en geven leerlingen feedback op hun leerproces.

De leraren stemmen de instructies, begeleiding, opdrachten en onderwijstijd doelgericht af op de onderwijsbehoeften van groepen en individuele leerlingen, inclusief op de sociale en maatschappelijke competenties. De afstemming is zowel gericht op (pedagogische) ondersteuning als op uitdaging, afhankelijk van de onderwijsbehoeften van leerlingen.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het pedagogisch-didactisch handelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen. Voor deze ononderbroken ontwikkeling is het nodig dat het onderwijs aansluit bij het ontwikkelingsniveau van de leerling.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 24, tweede en derde lid, WVO: De school heeft haar beleid over het pedagogisch-didactisch handelen in het schoolplan geformuleerd. Het beleid over het pedagogisch-didactisch handelen is zichtbaar in het dagelijks handelen van de leraren.

OP4. Onderwijstijd

De leerlingen krijgen voldoende tijd om zich het aanbod eigen te maken.

Basiskwaliteit

De school biedt een programma aan dat voldoet aan de wettelijk verplichte onderwijstijd. De school stelt daartoe, met instemming van de medezeggenschapsraad, vast welke activiteiten onder de onderwijstijd vallen. De school plant de onderwijsactiviteiten weloverwogen over het schooljaar en deze worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van bevoegde leraren.

De school verdeelt de tijd zo over de vakken dat leerlingen in staat zijn het verplichte onderwijsprogramma tot zich te nemen. De school heeft beleid om ongeoorloofd verzuim en voortijdig schoolverlaten van leerlingen tegen te gaan, zodat ook op leerlingniveau gestreefd wordt de onderwijstijd te behalen.

De school maakt, zo nodig, volgens de wettelijke voorschriften gebruik van de mogelijkheden om, in het belang van de individuele leerling, af te wijken van de verplichte onderwijstijd en/of van de mogelijkheid om een leerling een deel van de onderwijstijd door te laten brengen op een andere school.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de onderwijstijd en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 6g WVO: De school verzorgt minimaal het wettelijk verplichte aantal uren en dagen onderwijs.

• Artikel 6g, vijfde lid, WVO: De onderwijstijd wordt ingevuld met activiteiten die worden verzorgd in het onderwijsprogramma.

• Artikel 6g, zevende lid, WVO, jo. Beleidsregel inzake het instemmen met afwijking onderwijstijd WVO: Voor het afwijken van de onderwijstijd vraagt het bestuur in bepaalde gevallen instemming van de inspectie.

• Artikel 6h,WVO, jo. artikel 7c Bekostigingsbesluit WVO: Als een leerling voor een deel van het onderwijsprogramma onderwijs ontvangt op een andere school en het bestuur voldoet aan de voorwaarden daarvoor, dan telt die tijd mee voor het aantal uren onderwijs dat de leerling ten minste moet ontvangen.

• Artikel 10f, lid 3a, WVO: De onderwijstijd voor het praktijkonderwijs wordt ingericht conform de voorschriften.

• Artikel 14, vierde lid, WMS: De medezeggenschapsraad (het ouder-/leerlingendeel) moet vooraf instemmen met:

– welke soorten onderwijsactiviteiten binnen de onderwijstijd vallen;

– wat het beleid is voor lesuitval;

– op welke dagen de school geen onderwijs verzorgt.

• Artikel 24a, eerste lid, sub h, WVO: De school heeft haar verzuimbeleid opgenomen in de schoolgids.

• Artikel 33 WVO: Bij onderwijstijd moet het gaan om (onderwijs)activiteiten die worden verzorgd onder verantwoordelijkheid van diegenen die op grond van artikel 33, WVO onderwijs mogen verzorgen.

OP6. Afsluiting2

De afsluiting van het onderwijs verloopt zorgvuldig.

Basiskwaliteit

De school zorgt ervoor dat alle leerlingen goed worden voorbereid op de afsluiting van het onderwijs. [Een onafhankelijke en deskundige examencommissie borgt de kwaliteit van de toetsing en de examinering.] De school heeft een Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA) en een examenreglement, die beide voldoen aan de eisen van de wetgeving. Met deze documenten maakt de school tijdig aan leerlingen en ouders duidelijk hoe het schoolexamen en het centraal examen georganiseerd zijn, welke regels daarbij gelden en welke maatregelen de school hanteert bij leerlingen die zich niet aan de regels houden. Ook moet duidelijk zijn welke examens leerlingen op welke manier kunnen herkansen, welke stof wanneer wordt geëxamineerd, hoe het examen meeweegt en welke vrijstellingen gelden. De examinering verloopt volgens het PTA en het examenreglement.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de afsluiting en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 3 Eindexamenbesluit VO: De directeur en de examinatoren van de school nemen onder verantwoordelijkheid van het bestuur het (deel)eindexamen af.

• [Artikel 3a, eerste lid, Eindexamenbesluit VO: De directeur van de school wijst een personeelslid aan als secretaris van het eindexamen; deze is ook secretaris van de deeleindexamens.]

• Artikel 31, eerste en tweede lid, Eindexamenbesluit VO: Het bestuur stelt een examenreglement en een PTA vast waarin in elk geval de voorgeschreven onderdelen moeten zijn opgenomen.

• Artikel 31, derde lid, Eindexamenbesluit VO: Deze beide documenten moeten voor 1 oktober worden toegezonden aan de inspectie en verstrekt worden aan de examenkandidaten.

• [Artikel 35d Eindexamenbesluit VO: Het bestuur stelt een of meerdere onafhankelijke en deskundig functionerende examencommissie(s) in ten behoeve van de kwaliteit van de toetsing en de examinering op de school, waarbij voldaan wordt aan de specifieke vereisten die dit artikel noemt.]

• [Artikel 35e Eindexamenbesluit VO: De examencommissie heeft tot doel het borgen van de kwaliteit van de toetsing en de examinering en van het afsluitend karakter van het schoolexamen.]

X Noot
1

Scholen in Friesland geven het vak Fries, met inachtneming van de daarvoor vastgestelde kerndoelen, tenzij zij hiervoor een ontheffing hebben van gedeputeerde staten.

X Noot
2

Er is regelgeving in voorbereiding (Besluit tot wijziging van het Eindexamenbesluit VO en het Eindexamenbesluit VO BES in verband met versterking van de kwaliteit van de schoolexamenorganisatie in het voortgezet onderwijs en het voortgezet algemeen voiwassenen onderwijs) waarin besturen in het voortgezet onderwijs onder andere verplicht worden om een examencommissie in te stellen. De hiermee samenhangende passages worden alleen meegenomen in de beoordeling als bovengenoemde AMvB is aangenomen en in werking is getreden.

KWALITEITSGEBIED VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT (VS)

VS1. Veiligheid

De school zorgt voor een veilige omgeving voor leerlingen.

Basiskwaliteit

De school zorgt voor de sociale, fysieke en psychische veiligheid van de leerlingen op school gedurende de schooldag. Een school is veilig als de sociale, fysieke en psychische veiligheid van leerlingen niet door handelingen van anderen wordt aangetast. Dit blijkt onder andere uit de beleving van de veiligheid en het welbevinden van de leerlingen op school. De school monitort dit ten minste jaarlijks met een gestandaardiseerd instrument.

De school heeft een veiligheidsbeleid beschreven dat bestaat uit een samenhangende set van maatregelen. Het beleid is gericht op het voorkomen, afhandelen, registreren en evalueren van incidenten, en de school voert dat beleid ook uit. Als de uitkomsten van de monitoring daartoe aanleiding geven, treft de school maatregelen om de situatie te verbeteren. De school voorkomt, zoveel als mogelijk, (digitaal)pesten, agressie en geweld in elke vorm en treedt zo nodig snel en adequaat op. Dat geldt ook bij uitingen die strijdig zijn met basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals discriminatie en onverdraagzaamheid. De school heeft een persoon aangesteld die voor ouders en leerlingen het aanspreekpunt is in geval van pesten en die het beleid tegen pesten coördineert.

De school hanteert de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling. Daarnaast komt de school de verplichtingen na rond het melden, overleggen en aangifte doen van zedenmisdrijven.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de veiligheid en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 3 WVO: Het bestuur houdt zich aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van het melden van een mogelijk zedenmisdrijf en het overleggen daarover, en het aangifte doen in het geval van een (redelijk vermoeden van een) zedenmisdrijf. Het bestuur treedt hierbij onverwijld in contact met de vertrouwensinspecteur.

• Artikel 3a WVO: Het bestuur stelt voor het personeel een meldcode vast die aangeeft hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan. Daarnaast moet het bestuur de kennis en het gebruik van de meldcode bevorderen.

• Artikel 3b, eerste lid, sub a, WVO: Het bestuur heeft beleid ten aanzien van de veiligheid van leerlingen en voert dat ook uit.

• Artikel 3b, eerste lid, sub b, WVO: Het bestuur monitort de veiligheid van leerlingen met een instrument dat een representatief en actueel beeld geeft.

• Artikel 3b, eerste lid, sub c, WVO: Het bestuur heeft de volgende taken belegd bij een persoon:

– coördinatie van het beleid in het kader van het tegengaan van pesten op school;

– fungeren als aanspreekpunt in het kader van pesten.

• Artikel 3b, tweede lid, WVO: Onder veiligheid, bedoeld in artikel 3b, eerste lid, wordt de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen verstaan.

• Artikel 3b, vierde lid, WVO: Het bestuur zendt de resultaten van de monitor, nadat de resultaten beschikbaar zijn, aan de inspectie.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs richt zich op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Dat omvat onder meer dat de school actie onderneemt als er onvoldoende sprake is van een cultuur die in overeenstemming is met basiswaarden.

VS2. Schoolklimaat

De school heeft een schoolklimaat dat bijdraagt aan het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties.

Basiskwaliteit

De school bereidt de leerlingen voor op het leven in de maatschappij. Zij creëert daarvoor een oefenplaats die leerlingen ondersteunt bij het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties. In de school doen leerlingen ervaring op met de omgang met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en de pluriforme samenleving. Het bestuur ziet erop toe dat de school zorg draagt voor een schoolklimaat dat in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en bijdraagt aan de bevordering daarvan.

Het personeel van de school is in zijn gedrag een voorbeeld voor de leerlingen: personeelsleden leven de basiswaarden zichtbaar na.

De school stemt aanpak en aanbod af op de leerlingenpopulatie van de school en de leefwereld van de leerlingen. Ook signaleert en corrigeert de school uitingen van leerlingen die met de basiswaarden in strijd zijn.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het schoolklimaat en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze, richt zich onder andere op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden en het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties.

• Artikel 17, tweede lid, WVO: Het bestuur draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en creëert een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met deze waarden.

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSRESULTATEN (OR)

OR1. Resultaten

De school behaalt met haar leerlingen leerresultaten die ten minste in overeenstemming zijn met de gestelde norm.

Basiskwaliteit

De leerresultaten liggen op het niveau dat op grond van de kenmerken van de leerlingenpopulatie mag worden verwacht. Dit betekent dat de gemiddelde eindexamenresultaten en de doorstroom in de bovenbouw op of boven de normering liggen die daarvoor geldt. Bovendien behalen leerlingen in de onderbouw minimaal het opleidingsniveau dat overeenkomt met hun basisschooladvies en lopen zij gedurende hun schoolloopbaan weinig vertraging op.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de onderwijsresultaten en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 23a1 WVO en Regeling leerresultaten VO: Er is sprake van voldoende leerresultaten wanneer de gemiddelde eindexamenresultaten en het doorstroomrendement, gemeten over een periode van drie schooljaren, op of boven de normering zoals vastgelegd in de Regeling leerresultaten VO liggen.

OR2. Sociale en maatschappelijke competenties

De leerlingen behalen sociale en maatschappelijke competenties op het niveau dat ten minste in overeenstemming is met de verwachtingen van het vervolgonderwijs en de maatschappij.

Basiskwaliteit

De school heeft een goed beeld van de kenmerken van haar leerlingenpopulatie en heeft ambitieuze verwachtingen over het niveau dat de leerlingen voor de sociale en maatschappelijke competenties kunnen bereiken. Ze neemt de aansluiting op het vervolgonderwijs en de maatschappij als uitgangspunt voor de competenties voor leerlingen.

De school onderbouwt welke resultaten ze op dit gebied wil bereiken. De school brengt de resultaten op een betrouwbare en inzichtelijke manier in kaart. De school spant zich zichtbaar in om ervoor te zorgen dat leerlingen die de school verlaten daaraan voldoen. Daarmee laat de school zien dat zij haar doelstellingen voor deze competenties behaald heeft.

Aanvullende ambities

Zijn er aanvullende ambities voor de sociale en maatschappelijke competenties en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 7 tot en met 10, WVO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs richt zich herkenbaar op het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving.

KWALITEITSGEBIED STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (SKA)

SKA1. Visie, ambities en doelen

De school heeft een gedragen visie op goed onderwijs, heeft daarvoor ambities en doelen en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

De school heeft, als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg, een gedragen visie, ambities en doelen gericht op goed onderwijs die ervoor zorgen dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. De schoolleiding vertaalt haar visie, ambities en doelen in onderwijskundig beleid en stuurt daarop om de beoogde resultaten te behalen. De schoolleiding beschrijft op welke manier ze zorgt voor het realiseren, borgen en verbeteren van de onderwijskwaliteit en hoe ze de naleving van de wettelijke eisen realiseert.

De schoolleiding sluit met haar visie, ambities en doelen aan op die van haar bestuur en op de kenmerken van de leerlingenpopulatie van de school. Dit doet zij onder meer door aan te geven hoe ze rekening houdt met (taal)achterstanden, de wettelijke opdracht tot bevordering van burgerschap en specifieke leerbehoeften om bij te dragen aan gelijke kansen voor alle leerlingen. Resultaten van eerdere evaluaties, interne en externe dialoog zijn zichtbaar in de doelen voor het onderwijskundig beleid.

De schoolleiding richt de voorwaarden in om de onderwijskundige ambities en doelen te bereiken, waaronder het personeelsbeleid en de organisatie van het onderwijs. Daarbij is de interne verantwoordelijkheidsverdeling duidelijk.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 6c WVO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat daarbij op structurele en herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden, in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 23a WVO: Het bestuur moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder zorg dragen voor wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er toetsbare doelen zijn geformuleerd.

• Artikel 24, eerste lid, WVO: Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school wordt gevoerd en omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg.

• Artikel 24, tweede lid, WVO: De beschrijving van het onderwijskundig beleid omvat in elk geval de inhoud van het onderwijs, de eigen opdrachten voor het onderwijs, het pedagogisch-didactisch klimaat en de veiligheid. Daarbij betrekt de school het schoolondersteuningsprofiel.

• Artikel 24, vierde lid, WVO: De school moet door haar stelsel van kwaliteitszorg zorg dragen voor de ononderbroken ontwikkeling van leerlingen en de afstemming van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen. Ook moet worden vastgesteld waar verbetermaatregelen nodig zijn.

• Artikel 32c WVO: Het bestuur stelt een managementstatuut vast waaruit de verantwoordelijkheidsverdeling in de aansturing van de school blijkt.

SKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

De school realiseert de doelen voor goed onderwijs, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

De school realiseert de doelen voor goed onderwijs, die voortkomen uit haar visie en ambities. De schoolleiding zorgt daartoe voor een professionele en veilige leer- en verbetercultuur in de school. Binnen deze kwaliteitscultuur geven schoolleiding en het (bevoegd) onderwijspersoneel samen uitvoering aan het stelsel van kwaliteitszorg, zodat de school als geheel gericht werkt aan het bereiken van de onderwijskundige doelen. Waar nodig stuurt de schoolleiding tussentijds bij.

De schoolleiding zorgt ervoor dat de deskundigheidsbevordering van het personeel binnen de gestelde doelen gestalte krijgt. Leraren(teams) oefenen daarbij de eigen verantwoordelijkheid bij het inrichten van hun onderwijs uit.

De schoolleiding toont in haar sturing onderwijskundig leiderschap en zorgt voor een gerichte inzet van middelen om gestelde doelen te realiseren. De school geeft uitvoering aan het schoolondersteuningsprofiel. Zij werkt samen met andere scholen, het samenwerkingsverband en andere organisaties, zodat geen leerling tussen wal en schip valt.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 17a en 17b, WVO: Voor leerlingen met extra ondersteuning werkt de school samen met het samenwerkingsverband passend onderwijs en partners in de zorg.

• Artikel 17b, tweede lid, WVO: Het bestuur stelt ten minste eenmaal in de vier jaar het schoolondersteuningsprofiel vast.

• Artikel 23a WVO: Het bestuur moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder ‘zorg dragen voor’ wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat het bestuur en de scholen zicht hebben op de kwaliteit van het onderwijs. Daarbij moet het functioneren van de kwaliteitscyclus centraal staan.

• Artikel 24, derde lid, WVO: Het schoolplan bevat een beschrijving van het personeelsbeleid. Dit personeelsbeleid gaat in elk geval over hoe wordt voldaan aan de eisen van bevoegdheid en onderhoud van bekwaamheid, de bijdrage van het personeel aan het onderwijskundig beleid, het pedagogisch-didactisch handelen, de evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding, bedoeld in artikel 32d, en de wijze waarop rekening wordt gehouden met de inbreng van leerlingen op het beleid.

• Artikel 32e, eerste tot en met derde lid, WVO: De school dient leraren een zelfstandige verantwoordelijkheid te geven bij de beoordeling van de onderwijsprestaties van leerlingen en voldoende zeggenschap waar het gaat om het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de school.

• Artikel 33 WVO: Daar waar nog niet bevoegd wordt lesgegeven, moet het bestuur afspraken maken die ertoe leiden dat de leraar de juiste bevoegdheid behaalt.

• Artikel 37a en artikel 39a1, WVO: Het bestuur beschikt bij elk personeelslid waarvoor bekwaamheidseisen gelden over geordende gegevens over de bekwaamheid en het onderhouden daarvan.

SKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

De school evalueert en analyseert systematisch of zij de doelen realiseert en verantwoordt zich daarover. Ze stelt, wanneer nodig, het schoolbeleid bij en betrekt interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

De schoolleiding evalueert, analyseert en beoordeelt als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de doelen en het beleid worden gerealiseerd en informeert het bestuur daarover. Zij haalt intern en extern actief informatie op om zicht te krijgen op de uitvoering, de resultaten van het onderwijs voor de leerlingen en mogelijke kansen en bedreigingen voor de verdere ontwikkeling van het onderwijs.

Voor een goede overdracht en om zicht te houden op het vervolgsucces van haar leerlingen, onderhoudt de school contact met de scholen/instellingen waar deze naartoe uitstromen. De schoolleiding organiseert tegenspraak. Daarvoor gaat zij actief een dialoog aan met in ieder geval ouders, personeel, de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad ((G)MR) en, wanneer van toepassing, leerlingen, gemeenten en/of (regionale)werkgevers.

De school informeert belanghebbenden minimaal jaarlijks op toegankelijke manier over haar doelen en werkwijze, en over de resultaten die zij heeft behaald.

De schoolleiding analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verwerkt deze wanneer nodig in het (verbeter)beleid, zodat dit bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwijs. Daarnaast gebruikt de school de uitkomsten van de evaluatie om de sturing te verbeteren. Zij maakt daarbij duidelijk welk effect de inbreng van belanghebbenden heeft op het borgen en bijstellen van het schoolbeleid.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen.

• Artikel 8 WMS: De (G)MR ontvangt tijdig alle inlichtingen van het bestuur die redelijkerwijs nodig zijn om zijn taak te kunnen vervullen en ontvangt in elk geval bepaalde in de wet beschreven informatie.

• Artikel 10 WMS: Het bestuur heeft in bepaalde gevallen voorafgaande instemming nodig van de (G)MR voor elk besluit dat betrekking heeft op dat geval, bijvoorbeeld bij verandering van de onderwijskundige doelstellingen van de school.

• Artikel 11 WMS: Het bestuur moet de (G)MR vooraf in de gelegenheid stellen om te adviseren over besluiten bij bepaalde aangelegenheden, bijvoorbeeld bij de vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de school.

• Artikel 12 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het personeelsdeel van de (G)MR bij besluiten bij bepaalde aangelegenheden, bijvoorbeeld bij de vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie.

• Artikel 14 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het ouder- en leerlingdeel van de (G)MR over bepaalde besluiten, bijvoorbeeld over de vaststelling van de schoolgids.

• Artikel 23a en 24, vierde lid, WVO: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er regelmatig wordt geëvalueerd of deze doelen worden gehaald.

• Artikel 24a WVO: De school maakt in de schoolgids duidelijk wat de doelen van het onderwijs zijn en welke resultaten met het onderwijsleerproces worden bereikt. Dat geldt ook voor de bevindingen ten aanzien van het stelsel van kwaliteitszorg, evenals de maatregelen die naar aanleiding daarvan zijn getroffen. Ook leerlingen worden betrokken bij de besluitvorming.

5.4 Overige wettelijke vereisten

Niet alle deugdelijkheidseisen zoals die in de onderwijswet- en regelgeving staan vermeld, zijn opgenomen in het onderzoekskader. Dit geldt bijvoorbeeld voor die over de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) en de vrijwillige ouderbijdrage. De deugdelijkheidseisen die niet aan een standaard in het waarderingskader zijn verbonden, vatten we samen onder de noemer ‘overige wettelijke vereisten’. Het schoolplan is voor het schoolbeleid, vaak ook in relatie tot overige wettelijke eisen, een belangrijk verantwoordingsdocument.

In ons jaarwerkplan, dat op de website van de inspectie wordt gepubliceerd, geven we aan welke thema’s we in dat jaar onderzoeken. Ook op grond van meldingen en signalen kunnen we besturen en scholen bevragen op het mogelijk niet-naleven van de overige wettelijke vereisten. Niet-naleving van (een of meer van) de overige wettelijke vereisten kan op schoolniveau in dat geval niet leiden tot een oordeel Onvoldoende of tot het oordeel Zeer zwak. Wel moet de school/het bestuur de tekortkoming binnen een door de inspectie te bepalen termijn herstellen. Om voor de waardering Goed in aanmerking te komen, moet een school, in aanvulling op de wettelijke eisen van de standaarden, ook aan alle overige wettelijke vereisten voldoen.

6. Oordelen en waarderen

6.1 Inleiding

In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we oordelen en waarderen. We doen dat zo transparant mogelijk, aan de hand van het waarderingskader op bestuurs- en schoolniveau en met de beschrijving van de oordeelsvorming, zoals opgenomen in dit hoofdstuk. Onze oordelen gaan altijd over de gerealiseerde kwaliteit van de (be)sturing en over het onderwijs dat leerlingen ontvangen.

We gaan in dit hoofdstuk eerst in op hoe we omgaan met het raamwerk van de kernfuncties op stelselniveau (paragraaf 6.2), zoals opgenomen in hoofdstuk 3. Dat hanteren we uitsluitend vanuit onze stimulerende rol. Daarna leggen we uit hoe we op basis van de waarderingskaders voor besturen en scholen (hoofdstuk 4 en 5) oordelen en waarderen. In het algemeen bepaalt het al dan niet voldoen aan de deugdelijkheidseisen of een standaard Voldoende of Onvoldoende is. De waardering Goed spreken we uit als ambities, rondom basiskwaliteit en/of daarboven uitstijgend, gerealiseerd worden. We beschrijven dit in paragraaf 6.3. In paragraaf 6.4 zijn beslisregels voor de beoordeling van de standaarden voor het bestuur beschreven, gevolgd door de beslisregels voor de beoordeling van onderwijskwaliteit van scholen in paragraaf 6.5.

6.2 Stimuleren op stelselniveau

In hoofdstuk 3 is het stelseltoezicht beschreven. We reflecteren daarop en spreken geen oordelen uit. We gebruiken het raamwerk om de drie kernfuncties van het onderwijs, namelijk kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen en daarnaast de belangrijke voorwaarden daarvoor te beschouwen. We beschrijven jaarlijks in ‘De Staat van het Onderwijs’ (paragraaf 7.2) hoe het met de kernfuncties en voorwaarden van het onderwijsstelsel is gesteld.

We bespreken deze thema’s bij onderzoeken bij besturen en scholen. Uit onze gegevens op stelselniveau kan blijken dat de kwaliteit van (een deel van) de kernfuncties in een bepaalde regio in hoge of juist mindere mate gerealiseerd wordt. Door ambities van besturen rondom kernfuncties in een open dialoog te bespreken en te verkennen, leggen we een verbinding tussen scholen en hun invulling van de kernfuncties.

6.3 Oordelen en waarderen standaarden bestuur en school

Voor het beoordelen en waarderen van de kwaliteit van besturen en scholen gebruiken we de standaarden zoals beschreven in de hoofdstukken 4 en 5. Een standaard bestaat uit een beschrijving van de basiskwaliteit, gebaseerd op de deugdelijkheidseisen. Per standaard besteden we daarnaast aandacht aan de vragen naar aanvullende ambities.

Of een standaard als Voldoende of Onvoldoende wordt beoordeeld, is gebaseerd op de vraag of het bestuur/de school voldoet aan de deugdelijkheidseisen en daarmee basiskwaliteit realiseert. Voor de waardering Goed wordt de realisatie van ambities betrokken. Onderstaande tabel geeft aan hoe het oordeel en de waardering op standaardniveau tot stand komt:

Oordeel/waardering

standaard

Norm voor standaarden

Goed

Het bestuur of de school voldoet aan de deugdelijkheidseisen en realiseert ook ambities die daarboven uitstijgen.

Voldoende

Het bestuur of de school voldoet aan de deugdelijkheidseisen en realiseert daarmee basiskwaliteit.

Onvoldoende

Het bestuur of de school voldoet niet aan de deugdelijkheidseisen.

6.4 Oordelen en waarderen op bestuursniveau

Om basiskwaliteit op de scholen te kunnen waarborgen, gaan we ervan uit dat het bestuur in staat is om de kwaliteitscyclus, zoals uitgedrukt in de wettelijke eisen van de drie standaarden van het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie (zie hoofdstuk 4), uit te voeren. Daar waar dat niet het geval is, leidt dit tot een Onvoldoende op het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie. Als het bestuur aan de deugdelijkheidseisen voldoet en ambities realiseert, waarderen we het kwaliteitsgebied als Goed. Hoe het oordeel of de waardering op bestuursniveau tot stand komt, ziet er als volgt uit:

Oordeel/waardering bestuursniveau

Norm kwaliteitsgebied

Besturing, kwaliteitszorg en ambitie

Goed

Twee standaarden uit het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie zijn Goed en de derde is ten minste Voldoende.

Voldoende

Alle drie de standaarden uit het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie zijn ten minste Voldoende.

Onvoldoende

Een of meer standaarden uit het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie is/zijn Onvoldoende.

Het niet voldoen aan een deugdelijkheidseis van financiële continuïteit of rechtmatigheid leidt in alle gevallen tot een herstelopdracht voor het bestuur. Dit geldt ook als de jaarstukken van het bestuur niet zijn ingediend zoals wettelijk vereist is. De mate waarin het oordeel of waardering van de betreffende standaard binnen het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie wordt aangepast is afhankelijk van de ernst van de tekortkoming.

6.5 Oordelen en waarderen op schoolniveau

Het oordeel of de waardering over de kwaliteit van de school59 (eindoordeel) komt tot stand op basis van de volgende normen.

Eindoordeel/waardering schoolniveau

Norm

Goed

Alle standaarden zijn minimaal Voldoende én de standaard Uitvoering en kwaliteitscultuur (SKA2) is Goed, evenals ten minste twee standaarden uit de andere kwaliteitsgebieden van het waarderingskader voor scholen. Alle onderzochte overige wettelijke vereisten worden nageleefd én de financiële continuïteit op bestuursniveau voldoet aan de wettelijke vereiste.

Voldoende (basiskwaliteit)

De standaarden Resultaten, Zicht op ontwikkeling en begeleiding, Pedagogisch-didactisch handelen en Veiligheid zijn Voldoende, én niet meer dan één andere standaard in de gebieden Onderwijsproces of Veiligheid en schoolklimaat is Onvoldoende.

Onvoldoende1

De standaard Resultaten of Zicht op ontwikkeling en begeleiding of Pedagogisch-didactisch handelen of Veiligheid is Onvoldoende, óf twee of meer andere standaarden in de gebieden Onderwijsproces en/of Veiligheid en schoolklimaat zijn Onvoldoende.

Zeer zwak

De standaard Resultaten is Onvoldoende én een of meer van de volgende standaarden Zicht op ontwikkeling en begeleiding en/óf Pedagogisch-didactisch handelen en/óf Veiligheid is/zijn Onvoldoende.

X Noot
1

In het geval er sprake is van een situatie met alleen onvoldoende leerresultaten (zonder een of meerdere andere onvoldoende(s) op standaarden) zal dat geen aanleiding zijn om over te gaan tot het opleggen van een bekostigingsmaatregel, zoals opschorten of inhouden van de rijksbekostiging.

De waardering Goed is bedoeld om goede kwaliteit op scholen te waarderen en te stimuleren. We gaan ervan uit dat deze scholen een brede basiskwaliteit hebben. Dat betekent dat er onomwonden een positief antwoord gegeven kan worden op de kernvragen voor goed onderwijs. Deze kernvragen zijn: krijgen leerlingen goed onderwijs (Onderwijsproces), voelen ze zich veilig (Veiligheid en schoolklimaat) en leren ze genoeg (Onderwijsresultaten)? Dit vraagt een expertoordeel over de integrale kwaliteit van de school. Dit betekent dat wij van goede scholen verwachten dat zij aan ons laten zien hoe zij hun visie, ambities en doelen uitvoeren (SKA2) en welke kwaliteit dit in de praktijk oplevert, zoals te zien aan de standaarden voor Onderwijsproces en Veiligheid en schoolklimaat.

6.5.1 Wettelijke norm zeer zwak onderwijs

De norm voor het oordeel Zeer zwak is bij wet bepaald. Artikel 23a1, WVO stelt dat het onderwijs zeer zwak is als de resultaten ernstig en langdurig tekortschieten en er in verband met dit tekortschieten ook tekortkomingen zijn in de naleving van een of meer bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften. In de tabel hierboven is aangegeven hoe we deze wettelijke norm in het waarderingskader hebben vertaald. Het inspectierapport waarin de inspectie tot het oordeel komt dat de kwaliteit van het onderwijs Zeer zwak is, geldt na de vaststelling daarvan als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een bestuur kan tegen het oordeel Zeer zwak bezwaar maken en vervolgens tegen de beslissing op bezwaar beroep aantekenen (artikel 20, zesde lid, WOT).

6.5.2 Normering bij niet te beoordelen resultaten

In de wet (artikel 23a1, derde lid, WVO) is bepaald dat wanneer de leerresultaten van de school niet kunnen worden beoordeeld, het volgende geldt: “De kwaliteit van het onderwijs is zeer zwak als de school tekortschiet in de naleving van twee of meer bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften en de school dientengevolge tekortschiet in het zorg dragen voor de veiligheid op de school, bedoeld in artikel 3b WVO, of het zodanig inrichten van het onderwijs dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelproces kunnen doorlopen dan wel het afstemmen van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, WVO.”

In alle gevallen dat de resultaten niet te beoordelen zijn, hanteren we, als voldaan is aan artikel 23a1, derde lid, WVO, de volgende normering voor Zeer zwak.

Normering bij niet te beoordelen resultaten

Onvoldoende

De standaard Zicht op ontwikkeling en begeleiding of Pedagogisch-didactisch handelen of Veiligheid of Visie, ambities en doelen is Onvoldoende, óf twee andere standaarden in de gebieden Onderwijsproces en/of Veiligheid en schoolklimaat zijn Onvoldoende.

Zeer zwak

Twee of meer van de vier volgende standaarden zijn Onvoldoende: Zicht op ontwikkeling en begeleiding, Pedagogisch-didactisch handelen, Veiligheid en Visie, ambities en doelen.

6.5.3 Aanvullende normering voor nieuwe scholen

Nieuwe scholen hebben vaak nog geen representatieve eindresultaten beschikbaar. Deze kunnen net als bij scholen met niet te beoordelen eindresultaten dan ook geen rol spelen in de beoordeling. Aanvullend op de beslisregels ’Normering bij niet te beoordelen eindresultaten’ (paragraaf 6.5.2) gelden voor nieuwe scholen de volgende wettelijke regels. In artikel 109a, WVO is geregeld dat een school die minder dan twee jaar bekostiging ontvangt en die slechte kwaliteit levert, gesloten kan worden of dat de bekostiging kan worden beëindigd. Dit kan alleen als de school al in het eerste jaar én na een verbetertermijn van een jaar nog steeds niet voldoet aan drie of meer belangrijke bij of krachtens de wet gegeven voorschriften (deugdelijkheidseisen). Daardoor draagt de school geen zorg voor de veiligheid, kunnen de leerlingen geen ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen of wordt het onderwijs niet afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen. Dat betekent dat de sluiting van een nieuwe school een uitzonderlijk instrument is, dat alleen gebruikt kan worden als de kwaliteit van een school ver beneden peil is. Daarom moet in dit geval sprake zijn van een extra tekortkoming in de naleving van de deugdelijkheidseisen ten opzichte van de normering Zeer zwak bij andere scholen. Sluiting of beëindiging van bekostiging is dan in het belang van de leerlingen wettelijk mogelijk.

Aanvullende normering voor nieuwe scholen

Zeer zwak

Veiligheid, Zicht op ontwikkeling en begeleiding én Pedagogisch-didactisch handelen zijn Onvoldoende.

Het oordeel Voldoende en de waardering Goed volgen de beslisregels voor de scholen (paragraaf 6.5 en/of paragraaf 6.5.2).

6.6 Oordeelsvorming

6.6.1 Beoordelen naleving deugdelijkheidseisen

Bij onze oordeelsvorming hanteren we bovengenoemde normering als richtlijn. De mate waarin de onderwijspraktijk de essentie en de bedoeling van met name de deugdelijkheidseisen tentoonspreidt, is bepalend voor ons oordeel. Voor het oordeel Voldoende gaan we er in principe van uit dat aan alle deugdelijkheidseisen die horen bij de standaard is voldaan. We beoordelen de kwaliteit zoals in de standaard is omschreven integraal en niet elke deugdelijkheidseis van de standaard op zichzelf. Het kan zijn dat een bestuur of school op een standaard een positief beeld laat zien, maar op een bepaald element van de standaard (nog) niet. Als dit beperkt van invloed is op de aangetroffen kwaliteit van de school of voor leerlingen én als de tekortkoming eenvoudig en op korte termijn kan worden hersteld, dan geven we het oordeel Voldoende op de standaard. Het bestuur krijgt dan een opdracht tot herstel (herstelopdracht) voor dit bepaalde onderdeel van de standaard en zorgt voor de naleving. Wanneer niet is voldaan aan de deugdelijkheidseisen van financiële continuïteit of rechtmatigheid, kan de betreffende standaard binnen het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambities niet als Voldoende worden beoordeeld of als Goed worden gewaardeerd.

6.6.2 Waarderen van ambities

Zowel besturen als scholen hebben vanuit hun visie ambities. Deze ambities kunnen gaan over de basiskwaliteit en er zijn ambities die daarboven uitstijgen. Naast het voldoen aan de deugdelijkheidseisen, baseren we een waardering Goed op het geheel aan gerealiseerde ambities door het bestuur of door de school bij een betreffende standaard. We onderzoeken of het bestuur (bij een vierjaarlijksonderzoek) of de school (bij een onderzoek op schoolniveau) de voorgenomen ambities uitvoert en realiseert. De visie en de plannen op bestuursniveau en de vertaling daarvan door de schoolleiding op schoolniveau, vastgelegd in het schoolplan, spelen hierbij een belangrijke rol. De waardering Goed op schoolniveau is vier jaar geldig.

6.6.3 Omgeving van bestuur en school

De omgeving en de condities waarin het bestuur en de school opereren, kunnen in positieve of negatieve zin de onderwijskwaliteit en het financieel beheer beïnvloeden. Omgevingsfactoren en condities zijn bijvoorbeeld de kenmerken en de ontwikkeling van de leerlingenpopulatie, de beschikbaarheid van personeel, een fusiegeschiedenis, de huisvesting, de organisatieontwikkeling en de ontwikkeling van het bestuur. We verwachten dat besturen en scholen met hun visie, ambities, doelen en beleid op deze factoren inspelen om de kernfuncties voor het onderwijs voor al hun leerlingen te realiseren. Onze oordelen gaan altijd over de gerealiseerde kwaliteit van de (be)sturing en van het onderwijs dat leerlingen ontvangen.

Omgeving en condities spelen hoofdzakelijk een rol bij het bepalen van de invulling van het onderzoek en eventueel bij het vervolgtoezicht.

7. Werkwijze toezicht

7.1 Inleiding

In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we het toezicht uitvoeren. We beschrijven in paragraaf 7.2 eerst onze werkwijze voor het stelseltoezicht. Aan de kernfuncties van het stelsel geven besturen en scholen invulling. Daarnaast waarborgen besturen de uitvoering en kwaliteit van het onderwijs op de scholen onder hun bestuur. In paragraaf 7.3 beschrijven we de werkwijze voor het toezicht op besturen en scholen. In paragraaf 7.4 staat welke activiteiten we hiervoor ondernemen. In de laatste paragraaf van dit hoofdstuk gaan we in op onze werkwijze bij het vervolgtoezicht.

7.2 Stelseltoezicht

7.2.1 Werkwijze van het stelseltoezicht

Via het stelseltoezicht geven we een beeld van de kwaliteit van het Nederlandse onderwijsstelsel. We signaleren waar het goed gaat en waar niet, agenderen thema’s en dragen bij aan het oplossen van knelpunten. Door het stelsel als geheel in ogenschouw te nemen, krijgen we bijvoorbeeld zicht op

onderwijsloopbanen, knelpunten bij overgangen tussen sectoren en (on)gelijkheid van kansen. Zo kunnen we bevorderen dat het onderwijs aan leerlingen steeds beter wordt. In hoofdstuk 3 is hiervoor een raamwerk met een beschrijving van stelselkwaliteit opgenomen.

In het stelseltoezicht zetten we een aantal stappen (zie figuur 7.2.1a):

  • We monitoren trends en ontwikkelingen in het Nederlandse onderwijs.

  • We analyseren waar het goed gaat, maar reflecteren ook op de knelpunten die risico’s vormen voor de kwaliteit van het stelsel.

  • We agenderen welke belangrijke risicovolle knelpunten we zien voor het onderwijsstelsel en rapporteren daarover onder andere jaarlijks in ‘De Staat van het Onderwijs’.

  • We interveniëren wanneer dat vanuit de stimulerende functie van het toezicht passend is. We doen dat via het stelsel-, bestuurs- en schooltoezicht, maar ook door andere activiteiten om het onderwijsveld te stimuleren de kwaliteit te verhogen.

Figuur 7.2.1a Cyclus stelseltoezicht

Figuur 7.2.1a Cyclus stelseltoezicht

In paragraaf 7.2.2 gaan we verder in op hoe we monitoren en analyseren. In paragraaf 7.2.3 beschrijven we hoe we agenderen en interveniëren.

7.2.2 Monitoring en analyse van ontwikkelingen

Aan de hand van het raamwerk van de kwaliteitsbeschrijving van het stelsel (zie hoofdstuk 3) volgen we systematisch de ontwikkelingen in het onderwijsstelsel. We kijken naar hoe het geheel van besturen en scholen samen de drie kernfuncties vervult: kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen. Ook kijken we naar de essentiële voorwaarden om deze te verwezenlijken: de doelmatigheid, zoals te zien aan beschikbaarheid en besteding van financiële middelen, het personeelsbeleid, de kwaliteitszorg en het bestuurlijk handelen.

Voor de monitoring en aansluitende analyse verzamelen we gegevens uit verschillende bronnen. We gebruiken bestaande gegevens, gegevens uit stelsel- en instellingstoezicht, signalen en we verzamelen zelf gegevens door thematisch onderzoek.

Bestaande gegevens, gegevens uit stelsel- en instellingstoezicht en signalen

We gebruiken gegevens uit het toezicht op besturen en scholen, waaronder gegevens die het bestuur zelf beschikbaar heeft. Daarnaast gebruiken we signalen die we over het onderwijs ontvangen. Verder maken we gebruik van gegevens van andere organisaties en van wetenschappelijk onderzoek. We analyseren het grootste gedeelte van de gegevens minimaal jaarlijks, maar het kan ook zijn dat we meerdere keren per jaar analyses maken. We analyseren ook prestaties in brede zin en kijken specifiek naar risico’s voor de kwaliteit van onderwijs.

Themaonderzoek

We monitoren ontwikkelingen door besturen en scholen te onderzoeken of door samen te werken met anderen om gegevens te verzamelen. We noemen dit themaonderzoek. Verschillende doelstellingen voor een themaonderzoek zijn bijvoorbeeld:

  • het krijgen van een beeld van de ontwikkeling van de kwaliteit van een bepaald (stelsel)aspect bij besturen of scholen;

  • het verkrijgen van inzichten en, waar mogelijk, het vinden van verklaringen voor risico’s of stelselknelpunten, zoals bij een regionaal probleem of voor een specifieke doelgroep.

We richten het themaonderzoek in op basis van actuele vraagstukken of gesignaleerde stelselproblemen. Dit doen we soms bij een bestuur of een school. In dat geval combineren we het themaonderzoek eventueel met het vierjaarlijks onderzoek bij het bestuur en scholen, zoals beschreven in paragraaf 7.3. Ook is het mogelijk dat we op een andere manier onderzoek doen, bijvoorbeeld door vragenlijsten uit te zetten, mee te kijken in het onderwijsproces, gesprekken te voeren met meerdere besturen of scholen tegelijk of gesprekken te voeren met bijvoorbeeld wetenschappers en deskundigen.

Met ons thematisch onderzoek willen we in kaart brengen in hoeverre het onderwijsstelsel erin slaagt de eerdergenoemde kernfuncties van het onderwijs te realiseren. Daarbij zoeken we naar verklaringen voor wat niet goed gaat en willen we laten zien wat wel en niet bijdraagt aan het realiseren van de kernfuncties. Hierover gaan we actief de dialoog aan met betrokkenen.

Wat we willen onderzoeken, nemen we op in het Jaarwerkplan. Hierin beschrijven we meerjarige onderzoeksprogramma’s en eenmalige themaonderzoeken die gericht zijn op het in beeld brengen van de kernfuncties of gesignaleerde knelpunten in het stelsel. Urgente thema’s kunnen leiden tot verschuiving of uitbreiding van onze onderzoeksagenda.

7.2.3 Agenderen en interveniëren

Voor het agenderen en interveniëren in het stelseltoezicht onderscheiden we vier soorten activiteiten. Deze beschrijven we hierna. Agenderen en interveniëren liggen soms dicht bij elkaar, omdat agenderen een vorm van interveniëren is.

De Staat van het Onderwijs

Jaarlijks brengen we ‘De Staat van het Onderwijs’ uit. Hierin geven we weer hoe het onderwijsstelsel in Nederland ervoor staat. Wat gaat er goed en waar zijn knelpunten, kansen en risico’s? Ook de informatie over onze verrichte (thema)onderzoeken maakt deel uit van ‘De Staat van het Onderwijs’. Deze rapportagetaak van de inspectie is vastgelegd in de Grondwet (artikel 23, achtste lid) en in de Wet op het onderwijstoezicht (WOT).

Thematisch rapporteren

De uitkomsten van themaonderzoeken brengen we op verschillende manieren onder de aandacht van besturen, scholen en de samenleving. Het doel hiervan is om de stand van zaken over het betreffende thema weer te geven en om risico’s en knelpunten te agenderen. Ook stimuleren we samenwerking zodat (verdere) verbeteringen kunnen plaatsvinden. Dat doen we vaak in de vorm van een onderzoeksrapport, maar ook in de vorm van een symposium, een bezoek van inspecteurs, een podcast of een webinar. We richten ons hierbij zo direct mogelijk op de doelgroep die het meest betrokken is, zoals leraren of bijvoorbeeld op alle partners in een specifieke regio.

Thema’s als onderdeel van het toezicht bij besturen en scholen

Bij de uitvoering van ons toezicht bij besturen en scholen bespreken we soms thema’s, specifieke knelpunten en goede voorbeelden vanuit de regionale of lokale context. Zo hebben we aanknopingspunten om met bestuur en scholen over hun ambities die de kernfuncties raken in gesprek te gaan in aansluiting op hun omgeving, of risico’s.

Interventies op maat

Naast de hiervoor genoemde activiteiten zetten we waar dat passend is ook specifieke interventies in. Uit diverse bronnen komen onderwerpen van het onderwijsstelsel naar voren die we, met het oog op het publiek belang, willen adresseren. Zo kan er een knelpunt zijn waar op lokaal niveau meerdere besturen, een samenwerkingsverband, groepen werkgevers en de gemeente een rol in hebben. En dan loont het om het knelpunt bij deze actoren samen te agenderen. Voorbeelden daarvan zijn regionale gesprekken over de aanpak van het lerarentekort, krimp of zorg voor specifieke groepen leerlingen.

7.3 Toezicht op besturen en scholen

Bij het toezicht op de besturen en scholen staat centraal hoe besturen de (financiële) kwaliteit van het onderwijs waarborgen en bevorderen. Om deze vragen te beantwoorden doen we onderzoek op het niveau van bestuur en scholen. We lichten hieronder eerst onze werkwijze toe en gaan vervolgens in op de toezichtsactiviteiten.

7.3.1 Werkwijze toezicht op besturen en scholen

De eindverantwoordelijkheid voor de onderwijskwaliteit op de scholen ligt bij de besturen. Bij de uitvoering van het toezicht op besturen en scholen gaan we uit van proportionaliteit, maatwerk, transparantie en verantwoording. We lichten in paragraaf 7.3.2 proportionaliteit en maatwerk verder toe.

  • proportionaliteit: we stemmen de intensiteit van het toezicht op het bestuur en de scholen af op de kwaliteit van het bestuur. Dit lichten we in paragraaf 7.3.2 toe;

  • maatwerk: omdat besturen en scholen sterk verschillen in grootte, (regionale en lokale) omstandigheden en ontwikkeling, bepalen we bij elk onderzoek de inrichting en de opzet. We zetten verschillende onderzoeks- en verificatie-activiteiten in;

  • transparantie en verantwoording: bij de start van een onderzoek gaan we in gesprek met het bestuur en onderbouwen we de gekozen onderzoeksopzet. Gedurende het onderzoek informeren we het bestuur over eventuele aanpassingen hierin. We onderbouwen na afloop van het onderzoek de uitkomsten in de rapportage en passen hoor en wederhoor toe. We baseren onze oordelen, voor zover mogelijk, op minimaal drie verschillende bronnen. Dit noemen we triangulatieen daarmee waarborgen we onze onderzoekskwaliteit.

7.3.2 Proportionaliteit en maatwerk

We stemmen de intensiteit van het toezicht af op de kwaliteit van het bestuur. Het toezicht is daarmee proportioneel. Hoe effectiever het bestuur in staat is om te sturen op de kwaliteit van het onderwijs en het financieel beheer, de kwaliteit waarborgt op zijn scholen en zich daarover verantwoordt, hoe minder intensief het toezicht. Het omgekeerde geldt ook: hoe minder goed het bestuur in staat is de (financiële) kwaliteit te waarborgen en zich erover te verantwoorden, hoe intensiever we het toezicht inrichten. Urgente signalen of klachten kunnen in alle gevallen aanleiding zijn voor onderzoek, ook als de eerdere kwaliteitsbeoordeling van het bestuur Voldoende of Goed was. Om te bepalen of dit nodig is, zullen wij, indien mogelijk, het signaal eerst bespreken met het bestuur.

We bepalen de intensiteit van het toezicht op basis van onze gegevens over de kwaliteit van het bestuur. Deze inschatting bouwen we op uit een analyse van de bij ons beschikbare gegevens en aanvullende andere bronnen:

  • We hebben alle besturen in de afgelopen vier jaar onderzocht en beoordeeld. De uitkomsten daarvan en van andere momenten van onderzoek of contact vormen de start van ons beeld van de kwaliteit van het bestuur en van de kwaliteit van de invulling van hun (interne) waarborgfunctie.

  • Dit beeld vullen we aan op basis van gegevens uit de prestatie- en risicoanalyse die we jaarlijks per bestuur en voor alle scholen uitvoeren (zie paragraaf 7.3.3). We analyseren de ontwikkeling van deze gegevens in de tijd en ten opzichte van andere besturen.

  • Signalen die over een bestuur en de scholen bij de inspectie binnenkomen, betrekken we bij de analyse om de kwaliteit van het bestuur in beeld te brengen. Denk hierbij aan actuele ontwikkelingen, zoals mogelijke incidenten of andere berichten.

De analyse van het geheel aan informatie gebruiken we om de intensiteit van het toezicht te bepalen. Het geeft ons zicht op het al dan niet aanwezig zijn van (mogelijke) risico’s voor de onderwijskwaliteit en/of risico’s voor de kwaliteit van het bestuur. Dit is de basis van waaruit we de proportionaliteit van het toezicht bepalen: het toezicht kan intensief zijn, maar ook minder intensief.

Daarna werken we de toezichtsactiviteiten uit die aansluiten op de omstandigheden van het bestuur. Welke onderzoekinstrumenten hebben we nodig om bij het desbetreffende bestuur de kwaliteit te beoordelen? Is er sprake van een eenpitter of vallen er meerdere scholen onder het bestuur? Bij kleine besturen en eenpitters houden we in onze benadering rekening met de gekozen samenhang van de sturing tussen het school- en bestuursniveau. Met wie voeren we gesprekken, waar en hoe kijken we mee in het onderwijs? Dit is het maatwerk in het toezicht.

Hoe dit intensieve en minder intensieve (vervolg)toezicht eruitziet, lichten we toe in paragraaf 7.4 en 7.5.

7.3.3 Jaarlijkse prestatie- en risicoanalyse

De monitoring van de prestaties op het niveau van het bestuur en hun scholen helpt ons om tijdig eventuele risico’s op het spoor te komen en inzicht te krijgen in het functioneren van het bestuur. We doen dit conform artikel 11 van de WOT aan de hand van een aantal indicatoren. Die indicatoren betreffen onder andere financiële gegevens, gegevens over het personeel, over de veiligheid op scholen en de resultaten en doorstroom van leerlingen. Ten minste eenmaal per jaar voeren we een analyse uit op de data die we met de monitor verkrijgen. Als er een vermoeden van risico’s is, voeren we een risicoanalyse uit.

Deze zogeheten expertanalyse bevestigt al dan niet de vermoedens van tekortkomingen ten aanzien van de onderwijskwaliteit en/of het financieel beheer. De analyse wordt uitgevoerd door een expertteam, waarin kennis en deskundigheid op het terrein van data-analyse, onderwijskwaliteit en financieel beheer aanwezig zijn. Zo ontstaat een integraal beeld van de onderwijskwaliteit, de sturingskwaliteit en de financiën.

7.4 Toezichtsactiviteiten bij besturen en scholen

Het toezicht op besturen en scholen omvat meerdere activiteiten. We onderzoeken besturen eens in de vier jaar. Dit onderzoek heet ‘Het vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en scholen’ (hierna: vierjaarlijks onderzoek). Zoals in paragraaf 7.3 is beschreven, doen we dat proportioneel en op maat. Binnen het vierjaarlijks onderzoek kijken we ook naar scholen want op schoolniveau verifiëren we of de besturing door het bestuur effectief is en of het bestuur (be)stuurt op basis van een actueel beeld van de kwaliteit. We beschrijven dit type onderzoek in paragraaf 7.4.1.

Ook tussentijds doen we onderzoek op scholen. Dit doen we als er risico’s zijn, bij aanvragen om de waardering Goed te verkrijgen en bij themaonderzoeken die in relatie staan tot het stelseltoezicht. Onderzoeken kunnen zowel aangekondigd als onaangekondigd plaatsvinden. We beschrijven de onderzoeken op schoolniveau in paragraaf 7.4.2.

Er kunnen zowel binnen het vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en scholen als tussentijds onderzoeken plaatsvinden rondom financieel beheer. Dit beschrijven we in paragraaf 7.4.3. Ten slotte zijn er nog enkele andere onderzoeksactiviteiten; die zijn beschreven in paragraaf 7.4.4.

7.4.1 Vierjaarlijks onderzoek bestuur en scholen

In het vierjaarlijks onderzoek willen we weten of de (be)sturing door het bestuur op de kwaliteit van de scholen op orde is, of er sprake is van deugdelijk financieel beheer en hoe dit bijdraagt aan de kernfuncties van het onderwijs (stelselthema’s). We hanteren daarvoor het waarderingskader voor besturen, zoals beschreven in hoofdstuk 4.

Het vierjaarlijks onderzoek bestaat doorgaans uit de onderdelen die in figuur 7.4.1a zijn beschreven. We bepalen de intensiteit van het toezicht (proportionaliteit) op basis van onze gegevens en we houden in de uitvoering van het onderzoek rekening met de specifieke inrichting en context van het bestuur en de scholen (maatwerk).

Figuur 7.4.1a Stappen van het vierjaarlijks onderzoek bestuur en scholen

Figuur 7.4.1a Stappen van het vierjaarlijks onderzoek bestuur en scholen

Een belangrijk onderdeel van onze werkwijze in het vierjaarlijks onderzoek is verificatie. Met verificatie-activiteiten toetsen we bij besturen, scholen en andere betrokkenen in hoeverre het bestuur zicht heeft op de kwaliteit van het onderwijs en het financieel beheer en hoe het bestuur daarop stuurt.

Verificatie-activiteiten

Om te bepalen of het bestuur voldoende stuurt op de kwaliteit van scholen en financiële ontwikkelingen voeren we verificatie-activiteiten uit. We verifiëren het gegeven beeld van de kwaliteit en de sturing van het bestuur. We zetten proportioneel diverse verificatie-activiteiten in en passen maatwerk toe. Deze beschrijven we in het onderzoeksplan. Zo verifiëren we het gegeven kwaliteitsbeeld onder andere door lessen te bezoeken en met leerlingen, ouders of de schoolleiders te spreken. Ook kunnen onderzoeken op schoolniveau (zie paragraaf 7.4.2) bijdragen aan verificatie van het kwaliteitsbeeld. Voor een beeld van financiële of andere ontwikkelingen in relatie tot de ambities, doelstellingen en kwaliteitszorg van het bestuur, kunnen we managementinformatie opvragen. Ook kunnen we hierover gesprekken met het bestuur of bijvoorbeeld de controller voeren.

De verificatie-activiteiten dragen bij aan de doelstellingen van het onderzoek, namelijk om de bestuurlijke kwaliteit vast te stellen op basis van het waarderingskader besturen. Anders dan bij onderzoeken naar risico’s en de waardering Goed geven we bij verificatie-activiteiten geen oordeel op het niveau van de standaarden of de school. De verificatie draagt namelijk bij aan het oordeel op het niveau van het bestuur. Wel delen we met de school onze bevindingen over de mate waarin de bestuurlijke kwaliteit zichtbaar is op de school. Signaleren we bij een school risico’s, dan bespreken we deze met het bestuur. Wanneer nodig voeren wij een kwaliteitsonderzoek naar risico’s uit.

7.4.2 Onderzoeken op schoolniveau

Op schoolniveau zetten we verschillende typen onderzoeken in, zowel binnen het vierjaarlijks onderzoek (zie paragraaf 7.4.1) als daarbuiten. Wanneer een onderzoek op schoolniveau binnen het vierjaarlijks onderzoek plaatsvindt, worden de activiteiten opgenomen in het onderzoeksplan. Dit plan bevat in elk geval verificatie-activiteiten zoals in de voorgaande paragraaf beschreven.

Onderzoek naar de waardering Goed

Een bestuur kan een school voordragen waarvan het de kwaliteit goed vindt. Het bestuur onderbouwt vooraf waarom de betreffende school de waardering Goed verdient. Wij verifiëren en beoordelen dat aan de hand van het waarderingskader op schoolniveau (zie hoofdstuk 5). Op basis van de kwaliteit van de onderbouwing van de kwaliteit van de school door het bestuur richten we het onderzoek op maat in.

Zo’n verzoek kan gedaan worden bij aanvang van het vierjaarlijks onderzoek. Besturen kunnen een school ook buiten het vierjaarlijks onderzoek aandragen voor een onderzoek naar de waardering Goed. Eventueel kan een school daarna ook voor het excellentietraject aangemeld worden. Om een waardering Goed of het predicaat Excellente School te verkrijgen, moet het financieel beheer door het bestuur op orde zijn.60

Risico-onderzoek

Onderzoeken naar risico’s nemen we mee in het vierjaarlijks onderzoek. Maar ze kunnen ook daarbuiten plaatsvinden, naar aanleiding van de jaarlijkse prestatieanalyse en signalen. We houden hiermee zicht op mogelijke risico’s, maar we verwachten dat besturen die te allen tijde zelf ook in beeld hebben, als onderdeel van de kwaliteitscyclus. Bij een bestuur dat de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit goed invult, verwachten we dat als wij mogelijke risico’s detecteren, het bestuur zelf de oorzaken onderzoekt, passende maatregelen neemt en zich hierover verantwoordt aan de inspectie. Bij een bestuur dat er niet in slaagt de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen, voeren wij (afhankelijk van de aard van de risico’s) zelf het risico-onderzoek geheel of gedeeltelijk uit. We onderzoeken en beoordelen dan een of meerdere standaarden van het waarderingskader op schoolniveau (zie hoofdstuk 5) en maken afspraken over de rapportage en verantwoording van de bevindingen.

Themaonderzoeken

Meer informatie over thematische onderzoeken is te vinden in paragraaf 7.2, maar we nemen ze hier voor de volledigheid op. Vanuit het stelseltoezicht zijn er thema’s die we verder onderzoeken. Hiervoor bezoeken we scholen en/of besturen. Deze themaonderzoeken kunnen samenvallen met het vierjaarlijks onderzoek en ook los plaatsvinden. In de regel geven we geen oordelen bij dit type onderzoek.

7.4.3 Onderzoeken specifiek gericht op financieel beheer

Toezicht op financiële continuïteit

Besturen leveren elk jaar een jaarrekening inclusief een bestuursverslag met daarin een meerjarenbegroting aan bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Op basis daarvan analyseren we de actuele en toekomstgerichte financiële kengetallen jaarlijks van elk bestuur. Bij mogelijke risico’s voor de continuïteit van het onderwijs starten we een onderzoek naar de financiële continuïteit op bestuursniveau. Dit onderzoek kan ook plaatsvinden tijdens een vierjaarlijks onderzoek. Als daar vanuit de monitoring van financiële kengetallen of vanuit signalen aanleiding voor is, kunnen we op elk moment een onderzoek naar de financiële continuïteit starten.

We stellen aangepast financieel toezicht in wanneer blijkt dat de continuïteit van het onderwijs binnen afzienbare termijn in het geding is en onvoldoende wordt voldaan aan de wet- en regelgeving op dit gebied. In het rapport nemen we op welke herstelopdrachten worden gegeven en welke afspraken met het bestuur worden gemaakt, zoals welke informatie het bestuur op welk moment aanlevert. Deze interventie is erop gericht dat de risico’s of tekorten binnen afzienbare termijn zijn opgeheven. Als het bestuur niet in staat blijkt om herstel te realiseren, dan wordt het toezicht geïntensiveerd (zie paragraaf 7.5).

Toezicht op financiële rechtmatigheid

Het bestuur legt verantwoording af over de verwerving en besteding van de rijksbekostiging. Deze verantwoording wordt beoordeeld door een accountant die wordt aangesteld door het interne toezicht. Deze accountant moet opereren volgens de beroepsmaatstaven van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) en volgens het Onderwijsaccountantsprotocol dat door de inspectie in overleg met belanghebbenden61 is opgesteld. Elk jaar controleren wij bij een selectie van accountants of hun controle voldoet aan de regels. Aandachtspunten uit deze toezichtactiviteit worden jaarlijks besproken met de NBA en kunnen aanleiding zijn het Onderwijsaccountantsprotocol aan te passen.

Bij signalen van mogelijk onrechtmatige verkrijging of besteding van middelen voeren we onderzoek uit bij een bestuur. Als we oordelen dat sprake is van onrechtmatige verkrijging of besteding, dan volgen daarna in de regel een wijziging in de bekostiging en een terugvordering van de bekostiging.

De inspectie is, naast het toezicht op onderwijswetgeving in een vierjaarlijks onderzoek, ook belast met het toezicht op en de handhaving van de Wet normering topinkomens (WNT) binnen het onderwijs. De WNT is geen onderwijswet, maar wetgeving die van toepassing is op de gehele publieke en semipublieke sector. Het toezicht op onderwijswetgeving in een vierjaarlijks onderzoek en het toezicht op de WNT worden daarom door de inspectie gescheiden van elkaar uitgevoerd.

7.4.4 Overige toezichtsactiviteiten

Onderzoek bij nieuwe scholen

Bij nieuwe scholen voeren we in het eerste jaar na de start een kwaliteitsonderzoek uit. Hoe we dit onderzoek inrichten, hangt af van de (aard van de aangeleverde) informatie die beschikbaar is over deze school en hoe de adviesprocedure62 voorafgaand aan de start van de nieuwe school verliep. Ook is dit afhankelijk van of de school start onder een bestaand bestuur (en wat de kwaliteit van dat bestuur is), of dat er ook sprake is van een nieuw bestuur.

Specifiek onderzoek

Ernstige signalen of andere informatie kunnen aanleiding zijn om een onderzoek over een specifiek onderwerp in te stellen bij een bestuur of een school. Dit kan tijdens het vierjaarlijks onderzoek of daarbuiten. Bij urgente signalen en ernstige incidenten interveniëren we vanzelfsprekend meteen op een passende manier.

Wij onderzoeken bij een specifiek onderzoek bepaalde aspecten van het besturen, het financieel beheer of het onderwijs (artikel 15, WOT). Ook hier geldt dat we de intensiteit van het onderzoek afstemmen op de kwaliteit van het bestuur.

Bestuursgesprekken

Besturen en inspectie hebben de mogelijkheid om periodiek een gesprek met elkaar te voeren. Aan elk bestuur is een contactinspecteur gekoppeld die het contact onderhoudt. Dit gaat in ieder geval over onderzoeken en vervolgtoezicht (inclusief herstelopdrachten, zie paragraaf 7.5). Ook heeft de contactinspecteur gesprekken met het bestuur over risico’s, signalen en incidenten. Het bestuur kan de contactinspecteur hierover informeren. Het kan ook zijn dat de contactinspecteur het bestuur bevraagt of (afhankelijk van de kwaliteit van het bestuur) verzoekt om zelf nader onderzoek te doen bij mogelijke risico’s. Daarnaast kan het gesprek gaan over relevante ontwikkelingen binnen of buiten de onderwijsinstelling. We betrekken daarbij ook vraagstukken op het niveau van het onderwijsstelsel als geheel.

Het leggen van het contact is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Het bestuur kan ervoor kiezen de contactinspecteur gedurende het jaar op de hoogte te houden van relevante ontwikkelingen en hem te informeren bij urgente zaken, zoals (ernstige) signalen. Ook kan de contactinspecteur geregeld contact leggen met het bestuur om een vinger aan de pols te houden of urgente zaken te bespreken. De informatie uit deze contacten nemen we mee in de eerdergenoemde monitoring.

7.5 Vervolgtoezicht, intensivering en sancties

Vervolgtoezicht is nodig wanneer er tijdens een vierjaarlijks onderzoek tekortkomingen worden vastgesteld bij het bestuur en de scholen, of wanneer andere onderzoeken of toezichtsactiviteiten hiertoe aanleiding geven.

7.5.1 Vervolgtoezicht bij herstelperiode

Natuurlijk is vervolgtoezicht lang niet altijd nodig. Als tijdens een onderzoek tekortkomingen zijn geconstateerd, wordt vervolgtoezicht afgesproken. De intensiteit hiervan is ook hier afhankelijk van de kwaliteit van het bestuur. We kunnen tekortkomingen constateren op bestuursniveau en/of op schoolniveau.

Geen tekortkomingen

Als uit een onderzoek blijkt dat het bestuur voor basiskwaliteit heeft gezorgd en dat het daarmee aan de deugdelijkheidseisen en financiële voorwaarden voor bestuur en school voldoet, is er geen vervolgtoezicht. Het bestuur en de scholen vallen dan onder het reguliere toezicht, waarbij we prestaties en risico’s jaarlijks monitoren en elke vier jaar het bestuur beoordelen. Wanneer nodig of gewenst, is er tussentijds contact.

Tekortkomingen bij het bestuur

Bij tekortkomingen op bestuursniveau, bijvoorbeeld bij onvoldoende (financiële) basiskwaliteit en daardoor niet voldoen aan wet- en regelgeving, spreken we met het bestuur af binnen welke termijn de geconstateerde tekortkomingen hersteld moeten zijn. Afhankelijk van de zwaarte en omvang van de tekortkoming verantwoordt het bestuur zich over het herstel aan de inspectie en gaan wij na of de tekortkoming is hersteld. De intensiteit waarmee we dat doen, bepalen we ook in relatie tot de kwaliteit van het bestuur.

Tekortkomingen op scholen

Bij tekortkomingen in de basiskwaliteit op een school maken we met het bestuur afspraken over de termijn waarbinnen de kwaliteit hersteld moet zijn. Wanneer de zwaarte en omvang van de tekortkomingen hiertoe aanleiding geven, bijvoorbeeld bij het oordeel Zeer zwak, stellen we een toezichtsplan op om het verloop van het herstel te monitoren en voeren we een herstelonderzoek uit. Bij kleinere tekortkomingen en als de kwaliteit van het besturen op orde is, verantwoordt het bestuur zich bij ons over het herstel. We spreken, afhankelijk van de kwaliteit van het bestuur, af hoe we omgaan met het herstelonderzoek.

Proportionaliteit en maatwerk bij herstel

Proportionaliteit en maatwerk beïnvloeden ook hoe we in de herstelperiode ons toezicht inrichten. Zo kunnen we voortgangsgesprekken voeren of een plan op (laten) stellen met afspraken over de stappen waarlangs het herstel op een school zal plaatsvinden.

Bij een bestuur waar de sturing ruimschoots op orde is, leggen we de verantwoordelijkheid voor het waarborgen van de kwaliteit en het herstellen van eventuele tekortkomingen bij een school neer bij het bestuur. Dit betekent dat wij niet altijd zelf een herstelonderzoek uitvoeren, maar dit aan het bestuur overlaten. We vragen vervolgens het bestuur te verantwoorden hoe en met welk resultaat het herstel op de school plaatsvond.

Bij een bestuur dat er niet in slaagt zijn sturing op (delen van) de kwaliteit van scholen te waarborgen, voeren wij zelf (delen van) herstelonderzoeken uit.

Gevolgen uitkomst herstelonderzoek

Wanneer het herstel of de kwaliteit van de gevraagde verantwoording ontoereikend is, heeft dit gevolgen voor welke toezichtsinterventies we kiezen en hoe we de kwaliteit van het bestuur inschatten. Wanneer we concluderen dat het vermogen van het bestuur om zelf de kwaliteit te waarborgen niet voldoende is, neemt de intensiteit van ons vervolgtoezicht toe. Ook dit is proportioneel.

Bovenstaande geven we in tabel 7.5.1a schematisch weer. De invulling is maatwerk per onderzoek.

Tabel 7.5.1a Inrichting vervolgtoezicht

Uitkomsten onderzoek

Inrichting vervolgtoezicht

Voldoet ten minste aan basiskwaliteit

Geen vervolgtoezicht; regulier toezicht

Tekortkomingen bestuur

Monitoring voortgang herstel door inspectie

en/of

verantwoording herstel door bestuur

en

herstelonderzoek door inspectie

Tekortkomingen school

Monitoring voortgang herstel door inspectie

en/of

verantwoording herstel door bestuur

en/of

herstelonderzoek door inspectie

7.5.2 Escaleren

Escaleren heeft betrekking op interventies om besturen aan te sporen de door ons noodzakelijk geachte verbeteringen door te voeren. Escalatie gaat stapsgewijs, waarbij steeds wordt gekeken welk middel nodig is. Dit zodat de verbeteringen plaatsvinden. Naarmate een bestuur of een school daar minder goed in slaagt, intensiveren we het toezicht. Dit kan verder en verdiepend onderzoek inhouden, bijvoorbeeld een specifiek onderzoek naar het bestuurlijk handelen. In het uiterste geval, wanneer we zien dat verbetering uitblijft, kunnen we verschillende sancties inzetten of maatregelen nemen.

Naarmate verbetering uitblijft en de risico’s op kwaliteitsverlies groter worden, treedt een volgende fase van escalatie in werking. De escalatie sluit aan op de bevoegdheden van de inspectie en vervolgens op die van de minister. Een escalatietraject is bij elke toezichtsituatie anders. De volgorde van interventie- en escalatiestappen wordt per situatie bepaald.

Interventies kunnen variëren van een herstelopdracht om tekortkomingen op te heffen op schoolniveau tot zeer ingrijpende maatregelen op het niveau van bekostiging van scholen en op het niveau van besturen. Vanzelfsprekend wegen we in alle gevallen af wat de ernst en de duur van de risico’s zijn en of het bestuur voldoende perspectief op verbetering van de situatie biedt.

8. Communicatie en rapportage

8.1 Inleiding

Als inspectie hebben we een publieke taak om ouders en de samenleving te informeren over onze bevindingen en oordelen over de kwaliteit van de (be)sturing en het onderwijs. Daarom geven we op verschillende manieren actief inzicht in onze onderzoeksresultaten en oordelen. Zo dragen we bij aan de informatie die over het onderwijsstelsel, de besturen en scholen beschikbaar is. Naast de informatie waarin de inspectie voorziet, leveren besturen, scholen en anderen, elk vanuit hun rol en (publieke) verantwoordelijkheid, een bijdrage aan de informatie die over de scholen en het onderwijs beschikbaar is.

Naast communicatie via het meldpunt van de inspectie, de website en ‘De Staat van het Onderwijs’ zijn er rapportages over themaonderzoeken en onderzoeken bij besturen en scholen beschikbaar. Al onze rapporten zijn in beginsel openbaar.63 We zijn daarmee transparant in onze werkwijze en onze oordelen en waarderingen. Onze website is de centrale plek waar onze rapporten terug te vinden zijn. In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we communiceren en geven we een toelichting op de verschillende rapportagevormen.

8.2 Communicatie

Onze communicatie over de resultaten van onderzoeken kent meerdere vormen. We richten ons ten eerste op de vraag welke doelgroep het meest zou kunnen doen met onze toezichtsinformatie. We bepalen wie mogelijk betrokken is bij het verhogen van de onderwijskwaliteit of bij het oplossen van problemen. Vervolgens stemmen we de vorm van de communicatie daarop af. Naast de verschillende – meer formele – vormen van rapportage die hierna zijn beschreven, maken we gebruik van andere vormen van communicatie. Bijvoorbeeld van infographics of animaties. Ook de inzet van sociale media, bijdragen aan relevante congressen, het geven van lezingen en het zelf organiseren van conferenties of rondetafelgesprekken, maken deel uit van onze communicatie. Een belangrijke communicatievorm daarin is ons jaarlijkse congres, waar we ‘De Staat van het Onderwijs’ presenteren.

We communiceren over de uitkomsten van onze onderzoeken, maar hebben daarnaast ook een informatiefunctie. Via het meldpunt van de inspectie kunnen ouders, besturen en scholen bijvoorbeeld vragen stellen over het onderwijs, ons toezicht in het algemeen of specifieke scholen. Ook kunnen hier zorgen over het onderwijs worden gemeld. Vertrouwenskwesties kunnen worden gemeld bij vertrouwensinspecteurs.

Meldingen over het onderwijs hebben voor ons een signaalfunctie en we nemen deze mee bij de jaarlijkse prestatieanalyse en de expertanalyse ter voorbereiding van het vierjaarlijks onderzoek. Soms is de signalering zo ernstig van aard dat deze meteen aanleiding voor onderzoek vormt.

8.3 Rapportage

We rapporteren op stelselniveau en op het niveau van besturen en scholen. In beginsel maken we onze rapporten over besturen en scholen in de vijfde week na vaststelling openbaar (artikel 21, eerste lid, WOT).64

8.3.1 Stelselniveau

Onderzoeken op stelselniveau kennen de volgende rapportagevormen.

De Staat van het Onderwijs

Jaarlijks rapporteren we over het onderwijsstelsel als geheel in ‘De Staat van het Onderwijs’. Dit rapport publiceren we elk voorjaar. Hierin beschrijven we hoe het staat met de realisatie van de kernfuncties van het onderwijsstelsel. Ook geven we een beeld van de kwaliteit van de besturen en instellingen, de positieve ontwikkelingen en de mogelijke zorgen. Voor ‘De Staat van het Onderwijs’ gebruiken we onder andere de onderzoeksgegevens uit onze vierjaarlijkse onderzoeken, themaonderzoeken en gegevens uit (internationaal) wetenschappelijk onderzoek. Zo geven we een actueel beeld van de prestaties van het stelsel als geheel (zie hoofdstuk 7).

Jaarlijks rapporteren we ook over de financiële toestand van de instellingen en het onderwijsstelsel. Wij baseren ons daarbij op financiële gegevens van de instellingen zelf en verder op toezichtactiviteiten en onderzoeken die wij uitvoeren rond het financieel beheer van instellingen. Daarbij geven we aan wat goed gaat en wijzen we op risico’s.

Themarapporten

We rapporteren op diverse manieren over onze themaonderzoeken. Zo rapporteren we hier over in ‘De Staat van het Onderwijs’. Vaak brengen we daarnaast een apart themarapport uit.

8.3.2 Bestuursniveau

Over onderzoeken op bestuursniveau rapporteren we in het rapport van het vierjaarlijks onderzoek. Dit rapport is gericht aan het bestuur en geeft een totaalbeeld van de bevindingen en oordelen op bestuursniveau en van de onderzoeksactiviteiten die in dit kader op scholen plaatsvonden. We rapporteren in dit rapport kort over verificatie-activiteiten en – wanneer uitgevoerd – kwaliteitsonderzoeken naar risico’s en/of onderzoeken naar de waardering Goed en/of onderzoeken naar financiële risico’s. Bij verificatie-activiteiten op schoolniveau geven we geen oordelen of waarderingen. De rapportage hierover is daarom beknopt.

In het rapport maken we onderscheid tussen enerzijds de beoordeling van de naleving van de deugdelijkheidseisen (voldoen het bestuur en zijn scholen aan de basiskwaliteit?) en anderzijds onze waardering van de ambities. Tot slot worden in beginsel in het rapport eventuele herstelopdrachten en

-onderzoeken vastgelegd die betrekking hebben op het herstel van niet-naleving van de deugdelijkheidseisen. Dan leggen we ook de termijnen vast waarbinnen de tekortkoming(en) moet(en) zijn hersteld (zie paragraaf 7.5).

De oordelen op bestuursniveau presenteren we samen met het betreffende onderzoeksrapport op onze website. Het doel hiervan is om belanghebbenden over de resultaten van het toezicht te informeren. Als daarna uit herstelonderzoek blijkt dat een bestuur de aangetroffen tekortkomingen heeft hersteld, dan wordt dit nieuwe oordeel ook zichtbaar gemaakt op de website.

Specifieke onderzoeken

Als uit eerder onderzoek blijkt dat een bestuur niet in staat is noodzakelijke verbetermaatregelen te treffen of als uit signalen problemen naar voren komen die direct om onderzoek naar een specifiek knelpunt vragen, voert de inspectie een specifiek onderzoek uit. Deze onderzoeken worden uitgevoerd in het kader van artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT). Over de bevindingen en conclusies wordt een rapport gemaakt dat in beginsel op de website van de inspectie openbaar wordt gemaakt.

Onderzoeken naar financieel beheer

We rapporteren apart op bestuursniveau over de onderzoeken die buiten een vierjaarlijks onderzoek vallen en uitgevoerd worden bij financiële risico’s.

8.3.3 Schoolniveau

We rapporteren over onze bevindingen uit onderzoeken op scholen vaak als onderdeel van andere rapportages over besturen of het stelsel. In themaonderzoeken presenteren we een algemeen beeld, waardoor bevindingen van een individuele school niet herkenbaar zijn in het rapport. Het rapport ‘Vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en scholen’ bevat deelrapportages over onderzoeks- en verificatie-activiteiten die binnen het bestuursonderzoek op scholen plaatsvonden. We rapporteren afzonderlijk over onderzoeken die we op scholen uitvoeren, buiten de thema- en bestuursonderzoeken om. Zo kunnen ouders en andere belangstellenden, naast de informatie die vanuit het bestuur beschikbaar is, van onze toezichtsresultaten kennisnemen. Dat doen we in de volgende gevallen.

Kwaliteitsonderzoek naar risico’s

Als we een kwaliteitsonderzoek naar risico’s hebben uitgevoerd, rapporteren we over de uitkomsten in een rapport gericht aan het bestuur. Bij het oordeel Zeer zwak zenden we het bestuur ook een rapport toe dat bedoeld is voor ouders. Naast een beschrijving van de bevindingen worden de oordelen op de standaarden weergegeven. Ook wordt het eindoordeel toegevoegd. Het rapport van de school plaatsen we op onze website.

Wanneer het bestuur in opdracht van de inspectie zelf een (herstel)onderzoek uitvoert, worden de resultaten na herstel op de inspectiewebsite in principe vermeld via een verwijzing naar de website van het bestuur.

Onderzoeken naar Goed

Ook over onderzoeken naar Goed brengen we een afzonderlijk rapport uit als deze buiten een vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en scholen plaatsvinden. Naast een beschrijving van de bevindingen geven we hierin de waarderingen en oordelen op de standaarden weer. Ook voegen we het eindoordeel toe. Het rapport plaatsen we op onze website.

Specifieke onderzoeken

Net als bij besturen kunnen we ook op schoolniveau een specifiek onderzoek uitvoeren. Dit kan met het onderzoek op bestuursniveau samenhangen, maar ook afzonderlijk worden uitgevoerd. Dergelijke onderzoeken worden uitgevoerd in het kader van artikel 15, WOT. Over de bevindingen en conclusies schrijven we een rapport, dat op de website van de inspectie openbaar wordt gemaakt.

8.4 Openbaarmaking, zienswijze en bezwaar

Zoals in de inleiding van dit hoofdstuk staat, maken we al onze rapporten in beginsel openbaar.65 Nadat we het bestuur gevraagd hebben op basis van het conceptrapport een (beleids)reactie op te stellen, voegen we deze aan het rapport toe en stellen we het rapport definitief vast.

Als met het bestuur geen overeenstemming is bereikt over de door het bestuur gewenste wijzigingen van het conceptrapport, heeft het bestuur een andere zienswijze op de oordelen en waarderingen. Deze zienswijze voegen we als bijlage toe aan het definitieve rapport.

Een bestuur kan bezwaar maken tegen de openbaarmaking van een rapport als het een onderzoek is dat wordt uitgevoerd op basis van artikel 15 van de WOT (specifiek onderzoek, paragraaf 5.3) en daarnaast kan een bestuur bezwaar maken tegen het eindoordeel Zeer zwak.

In bepaalde gevallen is het mogelijk om een klacht in te dienen over een gedraging van de inspectie. Wij verwijzen u voor de klachtenprocedure naar onze website (www.onderwijsinspectie.nl).

9. Specifieke toepassingen van het onderzoekskader

9.1 Inleiding

In dit hoofdstuk beschrijven we enkele specifieke toepassingen van en uitzonderingen op het reguliere onderzoekskader. Het betreffen samenwerkingsverbanden passend onderwijs en onderwijssoorten en

-voorzieningen waarvoor specifieke wet- en regelgeving geldt, zodat aanpassingen van het waarderingskader of de werkwijze nodig zijn.

Er zijn ook onderwijssoorten en -voorzieningen waar we wel toezicht op houden, maar niet op grond van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT), bijvoorbeeld het Nederlands onderwijs in het buitenland (NOB)) en niet-bekostigde instellingen (B3-scholen in primair en voortgezet onderwijs). Daarvoor zijn aparte waarderingskaders opgesteld. Hoe het toezicht op deze vormen eruitziet, is te vinden op onze website.66

Ook zijn er onderwijssoorten of -voorzieningen in de vorm van een pilot. In die gevallen is er wel sprake van inspectiebetrokkenheid, maar is de wet- en regelgeving nog niet volledig uitgekristalliseerd. Vanwege het tijdelijke karakter van pilots en experimenten zijn deze niet beschreven in dit onderzoekskader.

Het onderwijsstelsel laat de afgelopen jaren ontwikkelingen zien naar meer variatie in bijvoorbeeld onderwijsroutes, diplomering en samengestelde trajecten. Besturen hebben de verantwoordelijkheid voor al het onderwijs dat zij aanbieden. De beoordeling van de kwaliteit hiervan vindt in beginsel plaats binnen de reikwijdte van het vierjaarlijks onderzoek. Wij baseren ons hierbij op geldende wet- en regelgeving die voor deze routes van toepassing zijn.

Achtereenvolgens beschrijven we het toezicht op: besturen van samenwerkingsverbanden passend onderwijs en orthopedagogisch-didactische centra (paragraaf 9.2), praktijkonderwijs (paragraaf 9.3), eerste opvang anderstaligen (paragraaf 9.4), internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs (paragraaf 9.5), particuliere zelfstandige exameninstellingen (paragraaf 9.6), de doorlopende leerroutes vmbo-mbo (paragraaf 9.7) en onderwijs in Caribisch Nederland (paragraaf 9.8).

In de tekst hieronder staat een overzicht van de standaarden uit het waarderingskader (hoofdstuk 4 en/of 5) die al dan niet, of met wijziging, van toepassing zijn op genoemde voorzieningen. De overige wettelijke vereisten (paragraaf 5.4) zijn ook van toepassing op de bijlagen. Verder zijn afwijkingen in de normering (hoofdstuk 6) en de werkwijze (hoofdstuk 7) opgenomen. Voor de leesbaarheid zijn de volledige waarderingskaders per onderwijssoort in de bijlagen opgenomen.

9.2 Besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs

9.2.1 Inleiding

Schoolbesturen zijn verplicht aangesloten bij een of meer samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Het bestuur van het samenwerkingsverband en de aangesloten schoolbesturen zijn beide en gezamenlijk verantwoordelijk voor de realisatie van passend onderwijs. Het samenwerkingsverband heeft eigen wettelijke taken en deze zijn erop gericht om te zorgen voor een dekkend netwerk van voorzieningen, zodat aangesloten schoolbesturen kunnen voldoen aan de zorgplicht passend onderwijs. Het samenwerkingsverband moet afspraken maken over de manier waarop voor alle leerlingen zo goed mogelijk passend onderwijs wordt georganiseerd. Deze afspraken legt het samenwerkingsverband vast in het ondersteuningsplan. Waar deze afspraken het beleid van schoolbesturen en scholen betreffen, zijn de schoolbesturen verantwoordelijk voor de uitvoering van deze afspraken.

De wet laat veel ruimte voor samenwerkingsverbanden en schoolbesturen om passend onderwijs naar regionale kenmerken en eigen visie te organiseren. Die vrijheid is ook bedoeld om ruimte te creëren voor meer maatwerk en om keuzes te maken die passen bij de extra onderwijsbehoeften van leerlingen in de regio. Dit vraagt om een goede afstemming met gemeentelijke partners en is gericht op de aansluiting van het onderwijs op het jeugdbeleid van de gemeente(n), waaronder de jeugdhulp. Ook hierover legt het samenwerkingsverband afspraken vast in het ondersteuningsplan en voert hierover overleg met de gemeente(n) en andere samenwerkingsverbanden in de regio.

Een andere belangrijke taak van het samenwerkingsverband is de verantwoordelijkheid voor de advisering over extra ondersteuning en toeleiding tot speciale scholen en voorzieningen. Hiermee vervult het samenwerkingsverband een centrale rol in de toewijzing van extra ondersteuning.

Het toezicht moet inzicht geven in de mate waarin samenwerkingsverbanden erin slagen hun taak te vervullen.

Orthopedagogisch-didactische centra

Een samenwerkingsverband kan ervoor kiezen om, met het oog op de doelstelling om te zorgen voor een dekkend netwerk van voorzieningen, een orthopedagogisch-didactisch centrum (opdc) onderdeel te laten zijn van het samenwerkingsverband. Een opdc is een onderwijsvoorziening voor leerlingen voor wie een orthopedagogische en orthodidactische benadering nodig is. Voor hen is het tijdelijk niet mogelijk om onderwijs te volgen op de reguliere school, ook niet met extra ondersteuning. Hiermee biedt de voorziening schoolbesturen de mogelijkheid om voor specifieke leerlingen aan de zorgplicht te kunnen voldoen. Omdat de leerling ingeschreven blijft staan bij de reguliere school en het schoolbestuur daarmee verantwoordelijk blijft voor de resultaten van de leerling, is ook het schoolbestuur gebaat bij een voorziening van voldoende kwaliteit.

De kwaliteit van het onderwijs op een opdc is de verantwoordelijkheid van het bestuur van het samenwerkingsverband waartoe het opdc behoort. In het ondersteuningsplan staat wat de positie en functie zijn van het opdc binnen het dekkend netwerk van het samenwerkingsverband en welke leerlingen in aanmerking kunnen komen voor het volgen van (een deel van) het onderwijsprogramma op een opdc.

Het toezicht richt zich op de beoordeling van de onderwijskwaliteit van het opdc en gaat na in hoeverre het bestuur van het samenwerkingsverband zicht heeft op de kwaliteit en stuurt op verbetering. Voor schoolbesturen is het van belang dat het onderwijs van voldoende kwaliteit is, omdat zij verantwoordelijk zijn voor de resultaten van de leerling. De leerling blijft immers ingeschreven op de reguliere school.

9.2.2 Aanpassingen waarderingskader en normering

Waarderingskader en normering besturen samenwerkingsverbanden

Het waarderingskader voor besturen van samenwerkingsverbanden passend onderwijs bestaat uit twee kwaliteitsgebieden die ieder onderverdeeld zijn in drie standaarden.

Het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie (BKA) is onderverdeeld in drie standaarden die (in)richting, uitvoering en evaluatie omvatten. Deze standaarden zijn met elkaar verbonden en richten zich op het stelsel van kwaliteitszorg en governance. Dit betekent dat we deze standaarden in samenhang onderzoeken. Als een samenwerkingsverband een opdc heeft ingericht, dan nemen we bij de beoordeling van deze standaarden mee of het bestuur voldoet aan de zorgplicht voor de kwaliteit van het onderwijs op het opdc.

Het kwaliteitsgebied Realisatie passend onderwijs (RPO) richt zich op de wettelijke taken die specifiek zijn voorbehouden aan samenwerkingsverbanden passend onderwijs en die zijn gericht op de realisatie van de maatschappelijke opdracht voor passend onderwijs. Deze wettelijke taken zijn gevat in de drie standaarden in het kwaliteitsgebied Realisatie passend onderwijs.

Uit de beoordeling van de standaarden uit de twee kwaliteitsgebieden blijkt of het bestuur in staat is om met zijn (be)sturing de basiskwaliteit van het samenwerkingsverband te realiseren, te waarborgen en verder te ontwikkelen. Met deze kennis over het resultaat en de kwaliteit van de sturing richten we het (vervolg)toezicht proportioneel in (zie hoofdstuk 7).

In onderstaande figuur staat de beoordeling/normering schematisch weergegeven.

Oordeel/waardering bestuursniveau

Norm

Goed

Twee standaarden uit het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie zijn Goed en de derde is ten minste Voldoende én twee standaarden uit het kwaliteitsgebied Realisatie passend onderwijs, waaronder in elk geval de standaard Dekkend netwerk, zijn Goed en de derde is ten minste Voldoende.

Voldoende

Alle drie standaarden uit het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie zijn ten minste Voldoende én uit het kwaliteitsgebied Realisatie passend onderwijs zijn minimaal de standaard Dekkend netwerk én een andere standaard Voldoende.

Onvoldoende

Een of meer standaarden uit het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie is/zijn Onvoldoende. Of de standaard Dekkend netwerk uit het kwaliteitsgebied Realisatie passend onderwijs is Onvoldoende.

Waarderingskader en normering opdc’s

Voor de beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs op het opdc maken we gebruik van de waarderingskaders primair onderwijs (voor opdc’s in het primair onderwijs) en voortgezet onderwijs (voor opdc’s in het voortgezet onderwijs), zoals beschreven in hoofdstuk 5 van de betreffende kaders. Omdat de leerlingen op het opdc ingeschreven staan op een reguliere school, tellen hun (onderwijs)resultaten mee op de school van inschrijving. We geven dus bij het opdc geen oordeel op de standaard OR1 (Resultaten). Voor de beoordeling en waardering van de kwaliteit van het opdc geldt dan ook de beslisregel voor scholen waarvan de resultaten niet te beoordelen zijn (zie paragraaf 6.5.2 van de betreffende kaders).

9.2.3 Werkwijze

Werkwijze toezicht op besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs

De werkwijze voor het toezicht op de besturen van samenwerkingsverbanden komt in grote mate overeen met de werkwijze bij schoolbesturen. Het verschil is dat we bij het toezicht op een samenwerkingsverband tijdens de expertanalyse (paragraaf 7.4.1, onderdeel 1. Analyse) belanghebbenden bij het samenwerkingsverband raadplegen. Dit doen we in de vorm van rondetafelgesprekken. Deze gesprekken zijn medebepalend voor de inrichting van het onderzoek.

Tijdens een onderzoek kunnen we ook gesprekken voeren met regionale partners, zoals de gemeente(n), de jeugdhulp en leerplicht.

Bij het toezicht op het samenwerkingsverband bekijken we ook of aangesloten scholen het beleid van het samenwerkingsverband in de praktijk uitvoeren. Dit beleid staat beschreven in het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband. De uitvoering van het beleid van het samenwerkingsverband en de resultaten die scholen hiermee bereiken, stellen we (ook) vast aan de hand van verificatie-activiteiten.

Een dergelijke activiteit is onderdeel van het onderzoek naar de werking van de kwaliteitszorg van het samenwerkingsverband. We gaan na of scholen de afspraken uit het ondersteuningsplan nakomen. We verwachten van het bestuur van het samenwerkingsverband dat het zicht heeft op deze uitvoering in de praktijk en dat het hierop stuurt. Daarnaast geeft het ons zicht op enkele aspecten van passend onderwijs op de bezochte scholen. De uitkomsten van de verificatie-activiteiten levert geen oordeel op over de scholen, maar een signaal of zij de onderzochte afspraken uit het ondersteuningsplan naleven en over de uitwerking van het beleid van het samenwerkingsverband.

Werkwijze toezicht op opdc’s

Voor de werkwijze voor het toezicht op de kwaliteit van het onderwijs op het opdc gelden de uitgangspunten zoals genoemd in hoofdstuk 7.

9.3 Praktijkonderwijs

9.3.1 Inleiding

Het doel van het praktijkonderwijs is leerlingen toe te leiden naar werk of een vervolgopleiding. Maatwerk en gepersonaliseerd leren zijn kenmerkend voor het praktijkonderwijs: elke leerling volgt een eigen leerroute, die aansluit bij wat hij of zij kan en graag wil. Theorie wordt tot leven gebracht en verdiept door middel van praktische vakken en stages. Alle leerlingen in het praktijkonderwijs beschikken over een toelaatbaarheidsverklaring van het samenwerkingsverband voor deze vorm van onderwijs.

Het praktijkonderwijs richt zich vooral op het voorbereiden op thema’s die belangrijk zijn voor de leerlingen: wonen, werken, vrije tijd, burgerschap en leren. Leerlingen leren binnen deze thema’s zo goed en zo zelfstandig mogelijk te functioneren binnen de school en in de maatschappij. Leerlingen die het praktijkonderwijs succesvol hebben doorlopen, ontvangen een diploma van de school.67

9.3.2 Aanpassingen waarderingskader en normering

De aanpassingen in het waarderingskader betreffen de standaarden Aanbod, Zicht op ontwikkeling en begeleiding en Resultaten:

  • De standaard Aanbod is aangepast, omdat de inhoud van het onderwijs afwijkt van het aanbod in het reguliere voortgezet onderwijs.

  • Voor elke leerling maakt de school een ontwikkelingsperspectief waarin beschreven is welk (eind)perspectief wordt nagestreefd en op welke manier het onderwijs wordt aangepast om dit doel te bereiken. De standaard Zicht op ontwikkeling en begeleiding is daarop aangepast.

  • De standaard Pedagogisch-didactisch handelen is aangevuld met de term ‘ortho’ om duidelijk te maken dat het hier gaat om specifiek handelen met het oog op de doelgroep.

  • De standaard Afsluiting is aangepast, omdat de leerlingen geen examen doen maar een schooldiploma of een verklaring ontvangen.

  • De standaard Resultaten is aangepast, omdat er geen normen zijn voor praktijkonderwijs. In plaats daarvan wordt er gekeken naar de eigen streefdoelen.

Alle overige standaarden zijn ongewijzigd van toepassing. De standaard Praktijkvorming/stage is toegevoegd aan het waarderingskader vanwege het belang hiervan voor het praktijkonderwijs.

Normering

Bij een onderzoek op schoolniveau trekken we op basis van onze oordelen op de standaarden een conclusie over de kwaliteit van het onderwijs volgens de beslisregels uit hoofdstuk 6. Omdat voor de resultaten van leerlingen van een praktijkschool geen normen beschikbaar zijn, gelden daarmee de beslisregels voor scholen waarvan de resultaten niet te beoordelen zijn (paragraaf 6.5.2).

Bijlage 2 bevat het volledige waarderingskader voor het praktijkonderwijs.

9.3.3 Werkwijze

De werkwijze van het toezicht is zoals beschreven in hoofdstuk 7.

9.4 Eerste opvang anderstaligen

9.4.1 Inleiding

Kinderen die vanuit het buitenland naar Nederland komen en die het Nederlands nog onvoldoende beheersen om regulier voortgezet onderwijs te volgen, kunnen terecht in de zogeheten eerste opvang anderstaligen (eoa). Het gaat onder andere om asielzoekers, vluchtelingen, kinderen die naar Nederland zijn gekomen in het kader van gezinsherenigingen en arbeidsmigranten (ook wel minderjarige vreemdelingen). De verblijfsduur van leerlingen op de eoa is in principe twee jaar. Daarna stromen zij door naar het regulier voortgezet onderwijs of een vervolgopleiding.

Er zijn eoa’s die een eigen vestigings- of BRIN-nummer hebben, maar de meeste eoa’s zijn gekoppeld aan een onderwijssoort of afdeling van een school voor voortgezet onderwijs.

Het toezicht op de eerste opvang anderstaligen maakt integraal onderdeel uit van het toezicht op scholen voor voortgezet onderwijs. De werkwijze zoals in dit onderzoekskader staat beschreven is dan ook van toepassing.

9.4.2 Aanpassingen waarderingskader en normering

De aanpassingen in het waarderingskader betreffen de volgende standaarden:

  • De standaard Aanbod is aangepast. Leerlingen in een eoa volgen een intensief programma om Nederlands te leren en worden voorbereid op instroom in het reguliere onderwijs.

  • De standaard Zicht op ontwikkeling en begeleiding is aangepast, omdat voor anderstalige leerlingen andere ontwikkeldoelen gelden en afstemming op onderwijsbehoeften anders verloopt dan in het reguliere voortgezet onderwijs.

  • De standaard Pedagogisch-didactisch handelen is aangepast, omdat het hier specifiek

  • (ortho)pedagogisch-didactisch handelen voor nieuwkomers betreft.

  • De standaard Afsluiting is aangepast, omdat bij het onderwijs aan anderstaligen soms sprake is van een overgang naar het regulier voortgezet onderwijs, maar veel vaker van de afsluiting van de voortgezet onderwijsloopbaan en een overgang naar het middelbaar beroepsonderwijs.

  • De standaard Resultaten is aangepast, omdat er geen normen zijn voor anderstaligen. In plaats daarvan wordt gekeken naar de eigen streefdoelen.

De wettelijke vereisten voor het schoolplan, de schoolgids en de medezeggenschap gelden alleen voor de moederschool als de eerste opvang anderstaligen verbonden is aan een afdeling van een school voor voortgezet onderwijs. In de betreffende documenten en regelingen moet de eoa wel geadresseerd worden.

Normering

Bij een onderzoek op eoa’s met een eigen vestigings- of BRIN-nummer trekken we op basis van onze oordelen op de standaarden een conclusie over de kwaliteit van het onderwijs volgens de beslisregels uit hoofdstuk 6. Omdat voor de resultaten van leerlingen in een eoa geen normen beschikbaar zijn, gelden daarmee de beslisregels voor scholen waarvan de resultaten niet te beoordelen zijn (paragraaf 6.5.2).

Voor eoa’s die gekoppeld zijn aan een onderwijssoort of afdeling van een school voor voortgezet onderwijs beoordelen we ook de standaarden zoals vermeld in de bijlage. Het bestuur van de school voor voortgezet onderwijs is verantwoordelijk voor de onderwijskwaliteit op de eoa. Zo nodig geven we herstelopdrachten aan het bestuur.

Bijlage 3 bevat het volledige waarderingskader eoa’s.

9.4.3 Werkwijze

De werkwijze van het toezicht is zoals beschreven in hoofdstuk 7.

9.5 Internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs

9.5.1 Inleiding

Internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs (igvo) is toegankelijk voor leerlingen die:

  • een andere dan de Nederlandse nationaliteit bezitten en van wie ten minste een van de ouders, voogden of verzorgers voor een tijdelijke periode in Nederland of een grensgebied van Nederland werkzaam is;

  • de Nederlandse nationaliteit bezitten en twee jaar of langer in het buitenland onderwijs hebben genoten omdat ten minste een van de ouders, voogden of verzorgers voor een bepaalde tijd in het buitenland werkzaam was;

  • de Nederlandse nationaliteit bezitten, van wie ten minste een van de ouders, voogden of verzorgers blijkens een schriftelijke verklaring van de werkgever binnen twee jaar na het tijdstip van toelating voor ten minste twee jaar in het buitenland werkzaam zal zijn, en die in deze periode bij die ouder, voogd of verzorger zal wonen;

  • een geschikte vooropleiding (havo 5 of vwo 4 succesvol afgerond) hebben doorlopen en voldoende kennis van de Engelse taal hebben.

De inspectie houdt bij het igvo, in alle gevallen een afdeling of nevenvestiging van een reguliere (Nederlandstalige) school, toezicht op de bekostigingseisen en de aanvullende regels voor internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs (Beleidsregel IGVO 2010).

9.5.2 Aanpassingen waarderingskader en normering

In principe gebruiken we bij de beoordeling van het igvo het reguliere waarderingskader voor het voortgezet onderwijs. Gezien de specifieke situatie en het karakter van de internationale afdelingen zijn onderstaande standaarden aangepast:

  • De standaard Aanbod is aangepast, omdat deze scholen met een ander curriculum werken.

  • De standaard Zicht op ontwikkeling en begeleiding is veranderd, omdat door het ontbreken van internationaal georiënteerd praktijkonderwijs en speciaal onderwijs soms aanvullende externe begeleiding nodig is.

  • De standaard Afsluiting kent enkele wijzigingen, omdat de afsluiting van het onderwijs op een andere manier verloopt.

  • De standaard Resultaten is aangepast, omdat de resultaten vanwege het niet-afnemen van de Nederlandse eindexamens en veel tussentijdse in- en uitstroom niet te beoordelen zijn.

Daarnaast gelden er enkele aanpassingen in de overige wettelijke vereisten. De belangrijkste is de ouderbijdrage. Toelating tot de internationale afdeling is namelijk afhankelijk van de voldoening van deze bijdrage. Het bestuur bepaalt de hoogte van deze ouderbijdrage.

Normering

Voor het eindoordeel worden de beslisregels gevolgd, zoals beschreven in hoofdstuk 6. Omdat voor de resultaten van leerlingen in een igvo geen normen beschikbaar zijn, gelden daarmee de beslisregels voor scholen waarvan de resultaten niet te beoordelen zijn (paragraaf 6.5.2).

Bijlage 4 bevat het volledige waarderingskader igvo.

9.5.3 Werkwijze

De werkwijze van het toezicht is zoals beschreven in hoofdstuk 7.

9.6 Toezicht op vavo en particuliere zelfstandige exameninstellingen (B2-scholen)

9.6.1 Inleiding

In deze paragraaf beschrijven wij het toezicht op voortgezet onderwijs dat wordt uitgevoerd door:

  • bekostigde opleidingen voor voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) op roc’s;

  • niet-bekostigde opleidingen vavo;

  • niet-bekostigde/particuliere zelfstandige exameninstellingen.

De twee laatste soorten worden in samenhang verzorgd door particuliere instellingen.

Bekostigde (op grond van artikel 1.3.1, eerste en tweede lid, WEB) en niet-bekostigde vavo-opleidingen (op grond van artikel 1.4a.1, WEB) leiden op tot het behalen van een geheel diploma of een of meer certificaten.

Particuliere zelfstandige exameninstellingen, ook wel B2-scholen genoemd (op grond van artikel 56, WVO), leiden op tot het behalen van een geheel diploma voortgezet onderwijs. Deze opleidingen worden verzorgd door besturen die ook voor niet-bekostigde opleidingen vavo een diploma-erkenning hebben. De leerlingen van B2 en niet-bekostigd vavo zitten vaak in dezelfde klas en volgen hetzelfde onderwijs.

Voor deze typen scholen zijn twee wetten van toepassing: de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) en de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB).

Vavo-opleidingen op roc’s voldoen aan de eisen van de WEB voor zover die betrekking hebben op vavo. Niet-bekostigde (particuliere) opleidingen voldoen aan de WVO (op grond van artikel 56) en de WEB (op grond van artikel 1.4a.1).

Vanwege de grote overeenkomsten tussen deze vormen van onderwijs is één waarderingskader opgesteld. Onder basiskwaliteit wordt ten eerste beschreven aan welke basiskwaliteit beide onderwijsvormen moeten voldoen. Daaronder geven we, voor zover van toepassing, de aanvullende eisen voor de basiskwaliteit voor vavo, dan wel de B2-scholen. Bij vavo kan er onderscheid gemaakt worden tussen de wettelijke eisen voor particuliere vavo-scholen en voor bekostigde vavo-scholen onder een roc-bestuur. Ook is in de wettelijke onderbouwing, waar van toepassing, onderscheid aangegeven.

Op bestuursniveau sluit het waarderingskader grotendeels aan op de kaders voor middelbaar beroepsonderwijs en voortgezet onderwijs; voor B2-instellingen sluit het waarderingskader grotendeels aan bij het waarderingskader voor niet-bekostigde instellingen middelbaar beroepsonderwijs. Dit laatste waarderingskader is opgenomen in bijlage 2 van het Onderzoekskader 2021 voor middelbaar beroepsonderwijs.

9.6.2 Aanpassingen waarderingskader en normering

Vavo-opleidingen op roc’s moeten voldoen aan de eisen van de WEB, voor zover die betrekking hebben op vavo, en niet bekostigde (particuliere) opleidingen moeten voldoen aan de WVO en de WEB.

De aanpassingen in het waarderingskader ten opzichte van het waarderingskader middelbaar beroepsonderwijs en voortgezet onderwijs betreffen alle standaarden. Voor vavo en B2-scholen zijn er geen wettelijke eisen rond burgerschapsvorming, achterstandsbestrijding, deelname aan een samenwerkingsverband passend onderwijs en medezeggenschap.

Enkele standaarden zijn niet in dit waarderingskader opgenomen, te weten Schoolklimaat en Sociale en maatschappelijke competenties. De standaard Stage/praktijkvorming geldt alleen voor B2-instellingen voor zover het de onderwijssoort vmbo-b, -k en -g betreft.

Ook zijn met deze scholen andere afspraken gemaakt over de leerresultaten. Voor de Resultaten (standaard OR1) zijn twee indicatoren vastgesteld, over de vakken die met een voldoende zijn afgesloten en het verschil tussen de cijfers voor het schoolexamen en het centraal examen. Bijlage 5 bevat het volledige waarderingskader.

Daarnaast is een aantal wettelijke bepalingen dat van toepassing is op vavo-opleidingen op roc’s niet van toepassing op niet-bekostigde vavo-opleidingen. Deze artikelen staan in onderstaande tabel.

Tabel 1: Uitgezonderde wettelijke bepalingen (uit de WEB) per standaard voor niet-bekostigd vavo

Standaarden uit het waarderingskader

Uitgezonderde wettelijke bepalingen

OP1 Aanbod

Artikel 1.3.5, sub c

OP2 Ontwikkeling en begeleiding

Artikel 1.3.5, sub a

VS1 Veiligheid

Artikel 1.3.9; artikel 8a.2.2, derde lid, sub k

SKA1 Visie, doelen en ambities

Artikel 4.1a.1, vierde lid; artikel 9.1.7

SKA2 Uitvoering en kwaliteitscultuur

Artikel 1.3.6a; artikel 4.1a.1, lid 1, 3 en 4

Normering

Voor het bepalen van een oordeel over de kwaliteit van het onderwijs gelden de beslisregels uit paragraaf 6.5. B2-scholen en particulier vavo komen niet in aanmerking voor de waardering Goed.

Normering vavo

Eindoordeel/waardering opleiding

Norm

Goed1

Alle standaarden zijn minimaal Voldoende én de standaard Uitvoering en kwaliteitscultuur (SKA2) is Goed, evenals ten minste twee standaarden uit de andere kwaliteitsgebieden van het waarderingskader voor opleidingen. Alle onderzochte overige wettelijke vereisten worden nageleefd

Voldoende (basiskwaliteit)

De standaarden Resultaten, Pedagogisch-didactisch handelen en Veiligheid zijn Voldoende én niet meer dan één andere standaard in het gebied Onderwijsproces of Veiligheid en schoolklimaat is Onvoldoende. Ook is de standaard Borging diplomering als Voldoende beoordeeld.

Onvoldoende

Onvoldoende examenkwaliteit: de standaard Borging diplomering en/of Afsluiting is Onvoldoende.

Onvoldoende

De standaarden Resultaten of Pedagogisch-didactisch handelen of Veiligheid is Onvoldoende, óf twee of meer andere standaarden binnen het gebied Onderwijsproces en/of Veiligheid en schoolklimaat zijn Onvoldoende.

Zeer zwak

De standaard Resultaten is Onvoldoende, én Pedagogisch-didactisch handelen of Veiligheid zijn Onvoldoende.

X Noot
1

De waardering Goed is alleen van toepassing op bekostigd vavo.

Normering vavo als de standaard Resultaten niet wordt beoordeeld

Eindoordeel/waardering opleiding

Norm

Goed1

Alle standaarden zijn minimaal Voldoende én de standaard Uitvoering en kwaliteitscultuur (SKA2) is Goed, evenals ten minste twee standaarden uit de andere kwaliteitsgebieden van het waarderingskader voor opleidingen. Alle onderzochte overige wettelijke vereisten worden nageleefd.

Voldoende (basiskwaliteit)

De standaarden Ontwikkeling en begeleiding, Pedagogisch-didactisch handelen en Veiligheid zijn Voldoende én niet meer dan één andere standaard in de gebieden Onderwijsproces of Veiligheid en schoolklimaat is Onvoldoende. Ook is de standaard Borging diplomering als Voldoende beoordeeld.

Onvoldoende

Onvoldoende examenkwaliteit: de standaard Borging diplomering en/of Afsluiting is Onvoldoende.

Onvoldoende

De standaard Ontwikkeling en begeleiding of Pedagogisch-didactisch handelen of Veiligheid is Onvoldoende, óf meer dan één van de andere standaarden binnen de gebieden Onderwijsproces of Veiligheid en schoolklimaat zijn Onvoldoende.

Zeer zwak

Twee van de volgende standaarden zijn Onvoldoende: Ontwikkeling en begeleiding, Pedagogisch-didactisch handelen, Veiligheid.

X Noot
1

De waardering Goed is alleen van toepassing op bekostigd vavo.

9.6.3 Werkwijze

De werkwijze van het toezicht is zoals beschreven in hoofdstuk 7. De maatregelen in het kader van herstel en verbetering zijn in voorkomende situaties ook van toepassing op deze scholen. Als escalatie van het toezicht noodzakelijk blijkt, kunnen bevoegdheden worden ingetrokken door de minister.

Ten aanzien van bekostigd vavo geldt dat de examenlicentie bij onvoldoende examinering kan worden ingetrokken op basis van artikel 6a.2.1, WEB.

Ten aanzien van onbekostigd vavo geldt dat ook de diploma-erkenning kan worden ontnomen bij onderwijs van onvoldoende kwaliteit op basis van artikel 6a.1.2, WEB.

Daarnaast kan óók de examenlicentie worden ingetrokken bij onvoldoende examenkwaliteit op grond van 6a.2.1, WEB.

Voor onbekostigde scholen met examenlicentie kan de aanwijzing om diploma’s te mogen uitreiken worden ingetrokken (artikel 59, WVO).

9.6.4 Werkwijze start kwaliteitsonderzoek

Bij nieuwe instellingen voeren we een kwaliteitsonderzoek uit op drie of vier kwaliteitsgebieden: het gebied Onderwijsproces, het gebied Veiligheid en schoolklimaat en, indien de instelling reeds deelnemers heeft gediplomeerd, het gebied Diplomering. Tevens onderzoeken we de stand van zaken op het gebied van Besturing, kwaliteitszorg en ambitie. Het toezicht bestaat uit een kwaliteitsonderzoek bij één opleiding. De uitkomst van dit onderzoek bepaalt de planning van het vierjaarlijks onderzoek.

9.7 Doorlopende leerroutes vmbo-mbo

9.7.1 Inleiding

Een doorlopende of geïntegreerde leerroute is een gezamenlijk onderwijsprogramma vanaf het derde leerjaar van het vmbo tot en met een mbo-diploma (op niveau 2, 3 of 4).

Een doorlopende leerroute vmbo-mbo leidt uiteindelijk tot een mbo-diploma op niveau 2, 3 of 4. De leerling behaalt daarnaast ook een vmbo-diploma. De geïntegreerde leerroute die opleidt tot een diploma op niveau 2 kan afgerond worden zonder het behalen van een vmbo-diploma. De examenleerstof moet wel behandeld zijn.

Bij een doorlopende of geïntegreerde leerroute vmbo-mbo is de leerling in de eerste twee jaar van de leerroute (het derde en vierde leerjaar van het vmbo) ingeschreven bij de vmbo-school. Vanaf het derde jaar van de leerroute wordt de leerling ingeschreven bij de mbo-instelling.68

De vmbo-school en de mbo-instelling werken samen op basis van een samenwerkingsovereenkomst en leggen daarin onder meer de inhoud van de leerroute vast en hoe de dagelijkse leiding over de leerroute is vormgegeven. Het onderwijs- en examenprogramma wordt vastgelegd in de gecombineerde PTA/OER.

9.7.2 Aanpassingen waarderingskader en normering

We beschouwen doorlopende leerroutes vmbo-mbo als een afzonderlijk object van toezicht, waarop de wetgeving van toepassing is die ook geldt voor de sectorale kaders voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs (zie hoofdstuk 1 van beide kaders).

Wanneer we een doorlopende leerroute onderzoeken, doen we dat met een speciaal daarvoor ontwikkeld waarderingskader dat kenmerken bevat van zowel het waarderingskader voor voortgezet onderwijs als het waarderingskader voor middelbaar beroepsonderwijs.

Vanwege de verschillen in wetgeving zijn enkele standaarden en kwaliteitsgebieden specifiek aangepast op (wetgeving voor) de doorlopende leerroutes vmbo-mbo. Dit betreffen:

  • Het kwaliteitsgebied Sturen, kwaliteitszorg en ambitie: op de onderliggende standaarden SKA1, SKA2 en SKA3 zijn wettelijke vereisten voor de samenwerkingsovereenkomst doorlopende leerroutes vmbo-mbo van toepassing. Daarom zijn die standaarden vanuit de sectorspecifieke waarderingskaders in het waarderingskader voor de doorlopende leerroutes vmbo-mbo uitgebreid met deze wettelijke vereisten;

  • Zowel de standaard Afsluiting uit het sectorkader voor voortgezet onderwijs en het kwaliteitsgebied Borging en afsluiting uit het sectorkader middelbaar beroepsonderwijs kunnen van toepassing zijn op de doorlopende leerroutes vmbo-mbo. In het waarderingskader zijn deze standaarden aangepast voor de leerroute vmbo-mbo voor wat betreft de gecombineerde PTA/OER. OP6 geldt voor het vmbo; BA1 en BA2 gelden voor het middelbaar beroepsonderwijs;

  • Hetzelfde geldt voor de standaard Resultaten uit het sectorale kader voor het voortgezet onderwijs en Studiesucces uit het sectorale kader middelbaar beroepsonderwijs. Ook hier zijn beide standaarden van toepassing op de doorlopende leerroutes vmbo-mbo. In het waarderingskader is specifiek aangegeven wanneer aan welke vereisten moet zijn voldaan;

  • De doorlopende leerroute vmbo-mbo kent specifieke wettelijke vereisten voor de onderwijstijd. De leerroute kent dan ook een specifieke standaard Onderwijstijd.

De standaarden Aanbod, (Zicht op) Ontwikkeling en begeleiding, Pedagogisch-didactisch handelen, (Beroeps)Praktijkvorming/stage, Veiligheid en Schoolklimaat kennen slechts nuanceverschillen tussen de sectorale kaders vo en mbo. De omschrijving van deze standaarden is – op basis van de sectorale kaders – aangepast aan de specifieke situaties van de doorlopende leerroutes vmbo-mbo.

De standaarden OR2 (Sociale en maatschappelijke competenties) en OR3 (Vervolgsucces) zijn beide opgenomen in het waarderingskader voor de doorlopende leerroutes vmbo-mbo, met dien verstande dat de standaard OR2 alleen van toepassing is in het voortgezet onderwijs en de standaard OR3 alleen in het middelbaar beroepsonderwijs.

Normering

Bij een onderzoek op niveau van de leerroute vmbo-mbo trekken we op basis van onze oordelen op de standaarden een conclusie over de kwaliteit van het onderwijs volgens de volgende beslisregels.

Eindoordeel/waardering opleiding

Norm

Goed

Alle standaarden zijn minimaal Voldoende én de standaard Uitvoering en kwaliteitscultuur (SKA2) is Goed, evenals ten minste twee standaarden uit de andere kwaliteitsgebieden van het waarderingskader voor opleidingen. Alle onderzochte overige wettelijke vereisten worden nageleefd én de financiële continuïteit op bestuursniveau is op orde.

Voldoende (basiskwaliteit)

De standaarden Ontwikkeling en begeleiding, Pedagogisch-didactisch handelen, Beroepspraktijkvorming en Veiligheid zijn Voldoende én niet meer dan één andere standaard in de gebieden Onderwijsproces of Veiligheid en schoolklimaat is Onvoldoende. Ook is de standaard Borging diplomering als Voldoende beoordeeld.

Onvoldoende1

Onvoldoende examenkwaliteit: de standaard Borging diplomering en/of Afsluiting is Onvoldoende.

Onvoldoende

De standaard Zicht op ontwikkeling en begeleiding of Pedagogisch-didactisch handelen of Veiligheid of Visie, ambities en doelen is Onvoldoende, óf twee andere standaarden in de gebieden Onderwijsproces en/of Veiligheid en schoolklimaat zijn Onvoldoende.

X Noot
1

Onvoldoende examenkwaliteit is alleen van toepassing op het mbo-deel.

Het oordeel Zeer zwak kunnen we – op basis van de huidige wetgeving (anno 2020) – niet vellen over de doorlopende leerroutes vmbo-mbo.

Bijlage 6 bevat het volledige waarderingskader voor de leerroutes vmbo-mbo.

9.7.3 Werkwijze

We beschouwen de doorlopende leerroutes als een eigenstandig object van toezicht, vergelijkbaar met een afdeling in het voortgezet onderwijs of een opleiding in het middelbaar beroepsonderwijs. De route wordt onderzocht of beoordeeld volgens het waarderingskader.

We onderzoeken een doorlopende leerroute in het kader van een vierjaarlijks onderzoek dat we bij een voortgezetonderwijs- of middelbaarberoepsonderwijsbestuur uitvoeren of in het kader van stelsel- of risico-onderzoeken of onderzoeken naar goed. We stellen beide besturen vooraf in kennis van het onderzoek van de doorlopende leerroute. We adresseren de oordelen met betrekking tot het onderzoek bij de doorlopende leerroute aan beide besturen, ook al wordt het vierjaarlijks onderzoek bij één van hen uitgevoerd.

De samenwerkingsovereenkomst die ten grondslag ligt aan de doorlopende leerroute en de gecombineerde PTA/OER vormen de basis voor ons toezicht. Hierin zijn de onderlinge afspraken en de verantwoordelijkheidsverdeling vastgelegd. We agenderen eventuele tekortkomingen in de doorlopende leerroute bij beide partijen. Bij concreet aantoonbare tekortkomingen die enkel en alleen onder verantwoordelijkheid van een van de twee partijen voorkomen, behouden we ons het recht voor om met het sectorspecifieke waarderingskader nader onderzoek bij het betreffende deel van de doorlopende leerroute vmbo-mbo uit te voeren.

9.8 Onderwijs in Caribisch Nederland

9.8.1 Inleiding

Sinds 10 oktober 2010 zijn Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (BES) bijzondere gemeenten van Nederland. De eilanden worden samen Caribisch Nederland genoemd. We houden toezicht op het onderwijs in Caribisch Nederland (primair onderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs, hoger onderwijs, sociale kanstrajecten jongeren en expertisecentra onderwijszorg). Ook hebben we de taak van vertrouwensinspecteur voor Caribisch Nederland.

9.8.2 Aanpassing waarderingskader en normering

Het onderwijs in Caribisch Nederland beoordelen wij zoveel mogelijk aan de hand van dezelfde onderzoekskaders als in Europees Nederland (zie hoofdstuk 1 tot en met 8). Er zijn echter enkele verschillen in het waarderingskader, de normering en de werkwijze. Dat is noodzakelijk omdat voor Caribisch Nederland specifieke wet- en regelgeving geldt. Ook kunnen wij met een enigszins aangepaste werkwijze beter aansluiten op de onderwijskundige context in Caribisch Nederland. Zo is voor het overgrote deel van de leerlingen en studenten in Caribisch Nederland het Nederlands een vreemde taal. Ook kent Caribisch Nederland geen scholen voor speciaal onderwijs of samenwerkingsverbanden passend onderwijs.

Waarderingskader

Het waarderingskader voor Caribisch Nederland is gebaseerd op de Wet primair onderwijs BES (WPO BES), de Wet voortgezet onderwijs BES (WVO BES) en de Wet educatie en beroepsonderwijs BES (WEB BES). Deze wetten wijken af van de sectorwetten voor Europees Nederland. Bovendien zijn sommige wetsartikelen weliswaar in de wet opgenomen, maar nog niet van kracht.69 Tot slot is er nog aanvullende regelgeving voor het voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs op Sint Eustatius en Saba als het gaat om het Engelstalige onderwijs op deze eilanden.70 Het volledige waarderingskader is te vinden in bijlage 7. Het bevat dezelfde standaarden als het waarderingskader voor Europees Nederland. Op enkele plaatsen is de beschrijving van de basiskwaliteit aangepast vanwege de afwijkende wet- en regelgeving.

Normering

Wij willen, zodra dat mogelijk, is voor Caribisch Nederland dezelfde normen hanteren in het waarderingskader als voor Europees Nederland. Voor de standaard Onderwijsresultaten kunnen wij echter nog geen oordeel uitspreken, omdat de basis voor deze standaard in de wet- en regelgeving voor Caribisch Nederland nog niet is geregeld: er zijn geen normen vastgesteld. Na herziening van de sectorwet- en regelgeving voor Caribisch Nederland en als het voorgaande daarmee wel is geregeld, zullen wij wel een oordeel uitspreken over de onderwijsresultaten. Dit zal gebeuren zodra de aangepaste wet- en regelgeving op dit punt van kracht is en er in overleg met alle betrokkenen wel eilandelijke normen voor de resultaten zijn afgesproken en in de wet- en regelgeving zijn vastgelegd.

Behalve op standaardniveau geeft de inspectie ook een eindoordeel op schoolniveau. We beperken ons vooralsnog tot het eindoordeel Voldoende of Onvoldoende. Dit oordeel komt tot stand op basis van aangepaste beslisregels, omdat wij de onderwijsresultaten nog niet kunnen beoordelen. In dit verband is ook het eindoordeel Zeer zwak in Caribisch Nederland nog niet wettelijk verankerd. Een dergelijk oordeel laten we achterwege. Zodra die verankering wel het geval is, zal ook het oordeel Zeer zwak door ons afgegeven kunnen worden. Wel geven we in dit waarderingskader de waardering Goed, onder dezelfde voorwaarden als in Europees Nederland. Tekortkomingen op de wettelijke eisen kunnen leiden tot een oordeel Onvoldoende op standaarden en eventueel ook op het eindoordeel over de school/opleiding. Een Onvoldoende op een standaard leidt tot een herstelopdracht, conform het toerzicht in Europees Nederland (paragraaf 7.5).

Praktijkonderwijs

In Caribisch Nederland zijn er enkele scholen en speciale lesplaatsen waar praktijkonderwijs wordt verzorgd. Praktijkonderwijs richt zich vooral op wonen, werken, burgerschap, leren en vrije tijd. Leerlingen leren binnen deze thema’s zo goed mogelijk functioneren binnen de school en in de maatschappij. Dat betekent dat de inhoud van enkele standaarden iets is aangescherpt voor toepassing op het praktijkonderwijs, conform de aanpassingen voor praktijkonderwijs in Europees Nederland (zie voor de bijgestelde standaarden bijlage 2):

  • De standaard Aanbod is aangepast, omdat de inhoud van het onderwijs afwijkt van het aanbod in het reguliere voortgezet onderwijs.

  • Voor elke leerling maakt de school een ontwikkelingsperspectief waarin beschreven is welk (eind)perspectief wordt nagestreefd en op welke manier het onderwijs wordt aangepast om dit doel te bereiken. De standaard Zicht op ontwikkeling en begeleiding is daarop aangepast.

  • De standaard Pedagogisch-didactisch handelen is aangevuld met de term ‘ortho’ om duidelijk te maken dat het hier gaat om specifiek handelen met het oog op de doelgroep.

  • De standaard Afsluiting is aangepast, omdat de leerlingen geen examen doen maar een schooldiploma of een verklaring ontvangen.

  • De standaard Resultaten is aangepast, omdat er geen normen zijn voor praktijkonderwijs. In plaats daarvan wordt er gekeken naar de eigen streefdoelen.

Alle overige standaarden zijn ongewijzigd van toepassing. De standaard Praktijkvorming/stage is toegevoegd aan het waarderingskader vanwege het belang hiervan voor het praktijkonderwijs.

9.8.3 Werkwijze

Het bestuursgerichte toezicht in Caribisch Nederland wijkt enigszins af van de reguliere aanpak. Wij beoordelen wel de kwaliteitszorg en het financieel beheer op het niveau van het bestuur en schrijven ook één rapport over alle onderzoeken die zijn uitgevoerd bij scholen van een bestuur, inclusief het vervolgtoezicht. We hanteren in dit stadium een tweejaarlijkse cyclus voor de kwaliteitsonderzoeken op school- of opleidingsniveau. Een oordeel voor de kwaliteitszorg op het niveau van de instelling, evenals het bestuur, geven we eens per vier jaar. Dit laatste is in overeenstemming met onze aanpak in Europees Nederland. Alle scholen worden elke twee jaar onderzocht om vast te stellen of het onderwijs nog voldoet aan de basiskwaliteit. Tijdens deze onderzoeken geven we dan ook een oordeel over de standaarden die nodig zijn voor het oordeel over basiskwaliteit. Het onderzoek naar deze standaarden kan proportioneel uitgevoerd worden. In het tussenliggende jaar wordt met elk bestuur en de betreffende schoolleiders een voortgangsgesprek/bestuursgesprek gevoerd.

Bijlage 1 Waarderingskader besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs

In deze bijlage is het waarderingskader voor het toezicht op besturen van samenwerkingsverbanden passend onderwijs opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.2.

KWALITEITSGEBIED REALISATIE PASSEND ONDERWIJS (RPO)

RPO1. Dekkend netwerk van voorzieningen

Het samenwerkingsverband heeft voor alle leerlingen in het samenwerkingsverband die extra ondersteuning nodig hebben een passende onderwijsplek beschikbaar.

Basiskwaliteit

Het samenwerkingsverband voert de aan hem opgedragen taken uit en realiseert een samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen, zodanig dat alle leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen. Het samenwerkingsverband doet al het mogelijke om passende ondersteuningsvoorzieningen te organiseren voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben en benut hiervoor de mogelijkheden die de wet biedt. Het samenwerkingsverband kan hiervoor onder andere gebruikmaken van de mogelijkheid om een orthopedagogisch-didactisch centrum (opdc) in te richten.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het dekkend netwerk van voorzieningen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 18a, tweede lid, WPO / artikel 17a, tweede lid, WVO: Het samenwerkingsverband stelt zich ten doel een samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen te realiseren en wel zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken en leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats krijgen.

• Artikel 18a, zesde lid, WPO / artikel 17a, zesde lid, WVO: Het samenwerkingsverband heeft onder andere de taak om middelen en voorzieningen te verdelen over en toe te wijzen aan de scholen ten behoeve van het dekkend netwerk.

• Artikel 18a, lid 10a, WPO / artikel 17a, lid 10a, WVO: Het samenwerkingsverband kan met het oog op het dekkend netwerk een opdc inrichten. Hier zijn voorwaarden aan verbonden (artikel 34.10 Besluit bekostiging WPO / artikel 26 Inrichtingsbesluit WVO).

RPO2. Regionale samenwerking

Het samenwerkingsverband werkt samen in de regio en zorgt voor een doorgaande leerlijn en realiseert een aansluiting tussen het onderwijs en de jeugdhulp in de regio.

Basiskwaliteit

Het samenwerkingsverband en de gemeente(n) hebben een gezamenlijke taak in het afstemmen van het jeugdbeleid. Het samenwerkingsverband werkt hiervoor samen met de gemeente(n) en ketenpartners om de ondersteuning af te stemmen op de jeugdhulp1 die door de gemeente wordt gerealiseerd. Dit heeft als doel dat alle leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen en er geen leerlingen thuiszitten.

Het samenwerkingsverband legt de afspraken hierover vast in het ondersteuningsplan. Hierover voert het samenwerkingsverband op overeenstemming gericht overleg (oogo) met het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente of gemeenten.

Met het oog op de doorgaande leerlijn van het primair onderwijs (inclusief het speciaal (basis)onderwijs) naar het voortgezet onderwijs (inclusief het praktijkonderwijs (pro) en voortgezet speciaal onderwijs (vso)) stemt het samenwerkingsverband zijn beleid af met het samenwerkingsverband dat (geheel of gedeeltelijk) samenvalt met de eigen regio. Ook deze afspraken legt het samenwerkingsverband vast in het ondersteuningsplan.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de regionale samenwerking en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 18a, tweede en achtste lid, WPO / artikel 17a, tweede en achtste lid, WVO: Het ondersteuningsplan omvat onder andere de wijze waarop wordt voldaan aan het realiseren van een samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen.

• Artikel 18a, negende lid, WPO / artikel 17a, negende lid, WVO: Na op overeenstemming gericht overleg over het conceptondersteuningsplan met de gemeente(n) en het samenwerkingsverband waarmee de regio samenvalt (en het bestuur van instelling(en) voor middelbaar beroepsonderwijs in dit gebied), stelt het bestuur het ondersteuningsplan vast.

RPO3. Advisering en beoordeling toelaatbaarheid

Het samenwerkingsverband voorziet in een zorgvuldige advisering en besluitvorming bij de beoordeling van aanvragen voor de toelaatbaarheid tot speciale onderwijsvoorzieningen.

Basiskwaliteit

Op verzoek van het bestuur van een school adviseert het samenwerkingsverband over de ondersteuningsbehoefte van een leerling als deze bij de school is aangemeld of ingeschreven.

Voor leerlingen voor wie een speciale vorm van onderwijs (voor het primair onderwijs: speciaal basisonderwijs (sbo) en speciaal onderwijs (so;, voor het voortgezet onderwijs: leerwegondersteunend onderwijs (lwoo), praktijkonderwijs (pro) en voortgezet speciaal onderwijs (vso)) de best passende plek is, is een toelaatbaarheidsverklaring van het samenwerkingsverband nodig (voor het lwoo geldt een aanwijzing). Het toelaatbaar verklaren tot deze scholen is een wettelijke taak van het samenwerkingsverband en is aan voorschriften gebonden. Wanneer voor een leerling een toelaatbaarheidsverklaring is aangevraagd, dan handelt het samenwerkingsverband deze aanvraag volgens een zorgvuldige procedure af binnen een redelijke termijn, opdat de leerling een ononderbroken ontwikkeling kan doormaken.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de advisering en beoordeling toelaatbaarheid en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 18a, zesde lid, sub c, WPO / artikel 17a, zesde lid, sub c, WVO: Het samenwerkingsverband heeft onder andere tot taak het beoordelen of een leerling toelaatbaar is tot het sbo en het so, respectievelijk het pro en vso, of aangewezen is op het lwoo.

• Artikel 18a, zesde lid, sub d, WPO / artikel 17a, zesde lid, sub d, WVO: Het samenwerkingsverband heeft onder andere tot taak om te adviseren over de ondersteuningsbehoefte van een leerling op verzoek van het bestuur van een bij het samenwerkingsverband aangesloten school waar de leerling is aangemeld of ingeschreven.

• Artikel 18a, lid 10a, WPO / artikel 17a, lid 10a, WVO: Het samenwerkingsverband kan met het oog op het dekkend netwerk een opdc inrichten. Hier zijn voorwaarden aan verbonden (zie artikel 34.10 Besluit bekostiging WPO / artikel 26 Inrichtingsbesluit WVO).

• Artikel 18a, elfde lid, WPO en artikel 34.8 Besluit bekostiging WPO / artikel 17a, twaalfde lid, WVO en artikel 15a Inrichtingsbesluit WVO: Het samenwerkingsverband betrekt de adviezen van wettelijk verplichte deskundigen bij de beoordeling of een leerling toelaatbaar is tot het sbo en so, respectievelijk het pro en vso, of aangewezen is op het lwoo.

• Artikel 18a, twaalfde lid, WPO / artikel 17a, dertiende lid, WVO: Het samenwerkingsverband stelt een adviescommissie in die adviseert over bezwaarschriften betreffende besluiten van het samenwerkingsverband over de toelaatbaarheid van leerlingen tot speciale scholen (sbo, v(s)o en pro).

• Artikel 18a, veertiende lid, WPO / artikel 17a, vijftiende lid, WVO: Het samenwerkingsverband verstrekt van elk advies over de ondersteuningsbehoefte van een leerling een afschrift aan de ouders.

X Noot
1

Jeugdhulp en eventuele andere domeinen uit artikel 2.2 van de Jeugdwet zoals beschreven in het jeugdplan van de gemeente.

KWALITEITSGEBIED BESTURING, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (BKA)

BKA1. Visie, ambities en doelen

Het bestuur heeft een visie op kwaliteit, heeft hiervoor ambities en doelen opgesteld en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

Het bestuur heeft een visie op de uitvoering van de wettelijke taken en op de besturing daarvan. De visie is concreet en passend vertaald naar ambities, doelen en daarmee samenhangende beleid. Deze vertaling maakt sturing mogelijk op de kwaliteit en resultaten van beleid van het samenwerkingsverband en de voorwaarden. Daartoe is een stelsel van kwaliteitszorg ingericht dat het bestuur in staat stelt de basiskwaliteit van de taakuitvoering te waarborgen en bij te dragen aan de maatschappelijke opdracht met betrekking tot passend onderwijs. Wanneer het samenwerkingsverband een opdc in stand houdt, valt hieronder ook het zorg dragen voor de kwaliteit van het onderwijs op het opdc.

De doelen betreffen in elk geval de naleving van de wettelijke eisen, waaronder het zorg dragen voor de dienstverlening aan de aangeslotenen, het realiseren van een samenhangend geheel van voorzieningen en de beoogde kwalitatieve en kwantitatieve resultaten van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning behoeven en de daarmee samenhangende bekostiging. De visie, ambities en doelen omvatten uitwerkingen van eerdere evaluatieresultaten en resultaten van interne en externe dialoog. De doelen, het beleid en de afspraken zijn vastgelegd in het ondersteuningsplan. Het ondersteuningsplan wordt eenmaal in de vier jaar door het bestuur vastgesteld en vormt de basis voor de sturing op de uitvoering van de taken en de verbetering van de kwaliteit.

Het bestuur richt de voorwaarden in om de doelen te bereiken, waaronder de inzet en het beheer van de (financiële) middelen voor het waarborgen van de uitvoering van de wettelijke taken van het samenwerkingsverband en de realisatie van de zorgplicht passend onderwijs door schoolbesturen. Het bestuur heeft daartoe een meerjarenbegroting waarin de relatie met het beleid, de doelen en de gemaakte keuzes voor het verdelen van de middelen duidelijk zijn toegelicht. Er is voor de sturing op (financiële) kwaliteit een functionerende verantwoordelijkheidsverdeling tussen de interne toezichthouder en het bestuur afgesproken, op basis van de geldende wet- en regelgeving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 14a WMS: Het samenwerkingsverband behoeft de voorafgaande instemming van de ondersteuningsplanraad voor elk door het samenwerkingsverband te nemen besluit met betrekking tot vaststelling van het ondersteuningsplan.

• Artikel 17a, eerste en derde lid, WPO, jo. artikel 10, WPO, jo. artikel 12, vierde lid, WPO / artikel 24d, eerste en derde lid, WVO, jo. artikel 23a, WVO, jo. artikel 24, vierde lid, WVO: Het stelsel van kwaliteitszorg omvat in elk geval het zorg dragen voor het bewaken dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en het vaststellen welke maatregelen ter verbetering nodig zijn.

• Artikel 17a, eerste en derde lid, WPO, jo. artikel 10 WPO / artikel 24d, eerste en derde lid, WVO, jo. artikel 23a, WVO: Het samenwerkingsverband dient zorg te dragen voor de kwaliteit van de dienstverlening aan de aangeslotenen. Onder ‘zorg dragen voor de kwaliteit van de taken’ valt in elk geval het naleven van de wettelijke bepalingen, waaronder indien van toepassing die voor de kwaliteit van het onderwijs op het opdc en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg.

• Artikel 17a, eerste en derde lid, WPO / artikel 24d, eerste en derde lid, WVO: Het bestuur draagt zorg voor een goed bestuurd samenwerkingsverband met een scheiding tussen bestuur en toezicht en met een rechtmatig bestuur en beheer.

• Artikel 17b, eerste en derde lid, WPO / artikel 24e, eerste en derde lid, WVO: Er moet sprake zijn van een functionele of organieke scheiding tussen het uitvoerend deel van het bestuur en het intern toezicht.

• Artikel 17c, eerste lid, sub c, en vijfde lid, WPO / artikel 24e1, eerste lid, sub c, en vijfde lid, WVO: De interne toezichthouder ziet erop toe dat het bestuur de middelen rechtmatig verwerft en doelmatig en rechtmatig besteedt en aanwendt.

• Artikel 18a, tweede lid, WPO / artikel 17a, tweede lid, WVO: Het samenwerkingsverband stelt zich ten doel een samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen te realiseren en wel zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken en leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen.

• Artikel 18a, zevende en achtste lid, WPO / artikel 17a, zevende en achtste lid, WVO: Het samenwerkingsverband stelt ten minste eenmaal in de vier jaar een ondersteuningsplan vast. Het ondersteuningsplan omvat bepaalde onderdelen, waaronder de beoogde kwalitatieve en kwantitatieve resultaten van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning behoeven en de daarmee samenhangende bekostiging.

• Artikel 171, WPO, jo. artikel 4, vierde lid, RJO / Artikel 103, WVO jo. artikel 18, eerste, tweede en vijfde lid, Bekostigingsbesluit WVO, jo. artikel 4, vierde lid, RJO: Het bestuur maakt jaarlijks een jaarverslag waarin de resultaten van het financieel beleid en de continuïteitsparagraaf staan opgenomen.

• Artikel 148 WPO / Artikel 99 WVO en artikel 21 Bekostigingsbesluit WVO: Het bestuur moet de rijksbekostiging doelmatig en rechtmatig aanwenden.

BKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

Het bestuur realiseert samen met de aangesloten schoolbesturen de doelen voor kwaliteit, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

Het bestuur geeft als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg met de schoolbesturen uitvoering aan de visie en de doelen voor het realiseren van de wettelijke taken (indien van toepassing: inclusief het zorgdragen voor de kwaliteit van het onderwijs op het opdc).

Aan de transparante, integere kwaliteitscultuur is zichtbaar dat deze bijdraagt aan de gestelde doelen.

Het bestuur bevordert een op samenwerken, leren en verbeteren gerichte kwaliteitscultuur, zodat de doelen en ambities gerealiseerd kunnen worden en de aangesloten schoolbesturen de afspraken in het ondersteuningsplan nakomen. Het bestuur spreekt de schoolbesturen aan op het nakomen van de afspraken voortkomend uit het ondersteuningsplan. Ook aangesloten schoolbesturen kunnen elkaar aanspreken op het nakomen van de afspraken in het ondersteuningsplan.

Binnen de kwaliteitscultuur geeft het bestuur uitvoering aan kwaliteitszorg gericht op de realisatie van de wettelijke taken, de afspraken uit het ondersteuningsplan en de naleving van wettelijke voorschriften. Het bestuur bewaakt en bevordert dat de uitvoering in overeenstemming is met het beleid en de afspraken in het ondersteuningsplan, zodat de doelen worden bereikt. Het bestuur houdt zicht op de uitvoering van het beleid, de afspraken en op de nagestreefde verbeteringen en stuurt daarop, zo nodig, tussentijds bij.

De beschikbare (financiële) middelen worden doelmatig en rechtmatig aangewend conform de gemaakte keuzes in het ondersteuningsplan en dragen bij aan de realisatie van de door het bestuur gestelde doelen. Het bestuur stuurt op effectief financieel beheer, zodat de continuïteit van het samenwerkingsverband en de dienstverlening aan de aangeslotenen gewaarborgd is en bekostiging rechtmatig verkregen wordt.

Het interne toezicht geeft onafhankelijk en deugdelijk invulling aan zijn taak en wordt daarin gefaciliteerd door het bestuur. Het bestuur zorgt ook voor een goede facilitering van de ondersteuningsplanraad, betrekt deze tijdig en legt besluiten voor conform wettelijke vereisten. Het bestuur opereert volgens een code Goed Bestuur of legt in het jaarverslag1 uit als het daar eventueel van afwijkt en waarom dat het geval is.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 4, vierde lid, RJO: Het bestuur zorgt voor een continuïteitsparagraaf in de jaarverslaggeving.

• Artikel 4a WMS: Het samenwerkingsverband stelt een ondersteuningsplanraad in en de inrichting voldoet aan de wettelijke voorschriften.

• Artikel 8 WMS (jo. artikel 9, WMS): De ondersteuningsplanraad en de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad ((G)MR) ontvangt tijdig alle inlichtingen van het samenwerkingsverband die redelijkerwijs nodig zijn om zijn taak te kunnen vervullen en ontvangt in elk geval bepaalde in de wet beschreven informatie.

• Artikel 14a WMS: Het samenwerkingsverband behoeft de voorafgaande instemming van de ondersteuningsplanraad voor elk door het samenwerkingsverband te nemen besluit met betrekking tot vaststelling of wijziging van het ondersteuningsplan.

• Artikel 17a, eerste en derde lid, WPO, jo. artikel 10 WPO, jo. artikel 12, vierde lid, WPO / artikel 24d, eerste en derde lid, WVO, jo. artikel 23a WVO, jo. artikel 24, vierde lid, WVO: Het stelsel van kwaliteitszorg omvat in elk geval het zorg dragen voor het bewaken dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en het vaststellen welke maatregelen ter verbetering nodig zijn.

• Artikel 17a, eerste en derde lid, WPO / artikel 24d, eerste en derde lid, WVO: Het bestuur draagt zorg voor een goed bestuurd samenwerkingsverband met een scheiding tussen bestuur en toezicht en met een rechtmatig bestuur en beheer.

• Artikel 17a, tweede lid, WPO / artikel 24d, tweede lid, WVO: Benoeming van bestuur en intern toezicht geschiedt op vooraf openbaar gemaakte profielen. De ondersteuningsplanraad (en indien van toepassing de medezeggenschap) krijgen een beslissende rol bij het benoemen van leden van de raad van toezicht.

• Artikel 17b, eerste en derde lid, WPO / artikel 24e, eerste en derde lid, WVO: Er moet sprake zijn van een functionele of organieke scheiding tussen uitvoerend deel van het bestuur en intern toezicht.

• Artikel 17b, tweede en derde lid, WPO / artikel 24e, tweede en derde lid, WVO: De interne toezichthouder (of lid daarvan) functioneert onafhankelijk van het bestuur.

• Artikel 17c, eerste lid, WPO, jo. artikel 171, eerste lid, WPO / artikel 24e1, eerste lid, WVO, jo. artikel 103, eerste lid, WVO: De interne toezichthouder houdt toezicht op de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden door het bestuur, staat het bestuur met raad terzijde en heeft ten minste bepaalde taken.

• Artikel 17c, tweede, vierde en vijfde lid, WPO / artikel 24e1, tweede, vierde en vijfde lid, WVO: De taken en bevoegdheden van de interne toezichthouder of het intern toezichthoudend orgaan zijn zodanig dat hij een deugdelijk en onafhankelijk intern toezicht kan uitoefenen. Wanneer een samenwerkingsverband werkt met een raad van toezicht, dan is deze belast met het benoemen, schorsen en ontslaan van de leden van het bestuur. De interne toezichthouder of het intern toezichthoudend orgaan van het samenwerkingsverband pleegt ten minste tweemaal per jaar overleg met de ondersteuningsplanraad.

• Artikel 148 WPO / Artikel 99 WVO en artikel 21 Bekostigingsbesluit WVO: Het bestuur moet de rijksbekostiging doelmatig en rechtmatig aanwenden.

• Artikel 171, eerste lid, WPO / artikel 103, eerste lid, WVO: Het bestuur van het samenwerkingsverband dient een code Goed Bestuur te hanteren en verantwoordt zich over eventuele afwijkingen in het jaarverslag.

BKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

Het bestuur evalueert en analyseert systematisch of het de beoogde doelen realiseert en verantwoordt zich hierover. Het stelt wanneer dat nodig is het beleid bij en betrekt daartoe interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

Het bestuur evalueert en beoordeelt als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de ambities, de doelen en het beleid worden gerealiseerd. Op deze manier krijgt het bestuur zicht op de gerealiseerde (financiële) kwaliteit en de bereikte resultaten. Bij de evaluatie en beoordeling van het beleid, de naleving van de afspraken en indien van toepassing de onderwijskwaliteit op het opdc, haalt het bestuur actief externe informatie op en gebruikt deze informatie bij de evaluatie en beoordeling. Op basis van de evaluatie reageert het bestuur tijdig op mogelijke kansen en bedreigingen, stelt wanneer nodig (verbeter)beleid op en treft passende maatregelen om de kwaliteit van de uitvoering van de taken te borgen.

Het bestuur legt verantwoording af door middel van accurate, actuele en openbaar toegankelijke informatie over de gerealiseerde kwaliteit. Het brengt minimaal jaarlijks verslag uit aan zijn in- en externe belanghebbenden over zijn doelen en de realisatie van de wettelijke taken. De verantwoording in het jaarverslag is betrouwbaar en (de inhoud van) het jaarverslag voldoet aan de wettelijke vereisten.

Het bestuur verantwoordt zich daarbij ten minste over het zorg dragen voor de dienstverlening aan de aangeslotenen, het realiseren van een samenhangend geheel van voorzieningen en de bereikte kwantitatieve en kwalitatieve resultaten van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning behoeven en de daarmee samenhangende bekostiging en de gemaakte keuzes voor het verdelen van de middelen. De reflectie op de uitkomsten van de evaluatie geeft alle lagen van de organisatie, het interne toezicht, de ondersteuningsplanraad en de medezeggenschapsraad voldoende inzicht in de effectiviteit van de besturing en de uitvoering. Het bestuur analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verantwoording, onder andere op basis van de verantwoording door de aangesloten schoolbesturen. Vervolgens verwerkt het bestuur deze wanneer nodig in bijstelling van ambities, (verbeter)doelen, afspraken en beleid of in nieuwe ambities zodat de opbrengst van de dialoog bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van de uitvoering van de taken en de sturing daarop.

Het bestuur organiseert ook de dialoog hierover met interne en externe belanghebbenden uit de regionale context. Het samenwerkingsverband voert periodiek een dialoog met de ondersteuningsplanraad en organiseert het overleg tussen het interne toezicht en de ondersteuningsplanraad. Daarbij verantwoordt het bestuur zich ten minste bij de vaststelling van het ondersteuningsplan over de bereikte kwantitatieve en kwalitatieve resultaten van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning behoeven.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1 en artikel 3, sub f, RJO, jo. artikel 171, WPO / artikel 1 en artikel 3, sub f, RJO, jo. artikel 103, WVO: Het samenwerkingsverband informeert jaarlijks interne en externe belanghebbenden over het gevoerde en voorgenomen beleid en over de uitkomsten van het gevoerde beleid.

• Artikel 4, vierde lid, RJO, artikel 171, WPO / artikel 103 WVO en artikel 18, vijfde lid, Bekostigingsbesluit WVO: Het bestuur maakt jaarlijks een jaarverslag, waarin naast de resultaten van het financieel beleid ook verantwoording wordt gegeven over toekomstige ontwikkelingen van het samenwerkingsverband.

• Artikel 8 WMS (jo. artikel 9 WMS): De ondersteuningsplanraad en de medezeggenschapsraad ontvangen tijdig alle inlichtingen van het samenwerkingsverband die redelijkerwijs nodig zijn om zijn taak te kunnen vervullen en ontvangen in elk geval bepaalde in de wet beschreven informatie.

• Artikel 11a WMS: Het samenwerkingsverband moet de ondersteuningsplanraad vooraf in de gelegenheid stellen om te adviseren over besluiten bij bepaalde aangelegenheden.

• Artikel 14a WMS: Het samenwerkingsverband behoeft de voorafgaande instemming van de ondersteuningsplanraad voor elk door het samenwerkingsverband te nemen besluit met betrekking tot vaststelling en wijziging van het ondersteuningsplan.

• Artikel 17a, eerste en derde lid, WPO, jo. artikel 10, WPO jo. artikel 12, vierde lid, WPO / artikel 24d, eerste en derde lid, WVO, jo. artikel 23a, WVO, jo. artikel 24, vierde lid, WVO: Het stelsel van kwaliteitszorg omvat in elk geval het zorg dragen voor het bewaken dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en het vaststellen welke maatregelen ter verbetering nodig zijn.

• Artikel 17c, vijfde lid, WPO / artikel 24e1, vijfde lid, WVO: Het interne toezicht overlegt minimaal twee keer per jaar met de ondersteuningsplanraad.

• Artikel 18a, tweede lid, WPO / artikel 17a, tweede lid, WVO: Het samenwerkingsverband stelt zich ten doel een samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen te realiseren, en wel zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken en leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen.

• Artikel 18a, zevende en achtste lid, sub e, WPO / artikel 17a, zevende en achtste lid, sub e, WVO: Het samenwerkingsverband stelt ten minste eenmaal in de vier jaar een ondersteuningsplan vast. Het ondersteuningsplan omvat bepaalde onderdelen waaronder de bereikte kwalitatieve en kwantitatieve resultaten van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning behoeven en de daarmee samenhangende bekostiging.

• Artikel 171, eerste lid, WPO / artikel 103, eerste lid, WVO: Het bestuur van het samenwerkingsverband dient een code Goed Bestuur te hanteren en verantwoordt zich over eventuele afwijkingen in het jaarverslag.

• Artikel 171, zevende en achtste lid, WPO / Artikel 103, zevende en achtste lid, WVO: Het bestuur maakt het jaarverslag openbaar. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de wijze en het tijdstip waarop openbaarmaking van het jaarverslag plaatsvindt.

X Noot
1

Volgens artikel 1, sub c, RJO: het geheel van verslaggevingsdocumenten bestaande uit de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392, titel 9, boek 2, BW.

Bijlage 2 Waarderingskader praktijkonderwijs

In deze bijlage is het waarderingskader voor het toezicht op het praktijkonderwijs opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.3.

KWALITEITSGEBIED BESTURING, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (BKA)

BKA1. Visie, ambities en doelen

Het bestuur heeft een visie op kwaliteit, heeft hiervoor ambities en doelen opgesteld en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

Het bestuur heeft een visie op goed onderwijs en op de besturing daarvan. De visie is concreet en passend vertaald naar ambities, doelen en daarmee samenhangend beleid. Deze vertaling maakt sturing mogelijk op de kwaliteit en resultaten van het onderwijs en de voorwaarden. Daartoe is een stelsel van kwaliteitszorg ingericht dat het bestuur in staat stelt de basiskwaliteit van het onderwijs te waarborgen.

De doelen betreffen in elk geval de naleving van wettelijke eisen, waaronder de wettelijke vereisten voor het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces en de manier van toetsen en examineren. De visie, ambities en doelen omvatten uitwerkingen van eerdere evaluatieresultaten en resultaten van interne en externe dialoog.

Het bestuur zorgt er met betrokkenheid van de scholen voor dat de visie, ambities, doelen en het beleid sturend zijn voor de verbetering van het onderwijs aan leerlingen. Scholen formuleren op hun beurt doelen die aansluiten bij wat leerlingen nodig hebben met het oog op hun doorgaande onderwijsloopbaan.

Het bestuur richt de voorwaarden in om de doelen te bereiken, waaronder de inzet en het beheer van de (financiële) middelen voor het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijsproces, de diplomering, het schoolklimaat en de resultaten. Het bestuur heeft daartoe een meerjarenbegroting waarin de relatie met het beleid en de doelen duidelijk zijn toegelicht. Er is voor de sturing op (financiële) kwaliteit een functionerende verantwoordelijkheidsverdeling tussen de interne toezichthouder, het bestuur en de scholen afgesproken, op basis van de geldende wet- en regelgeving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen.

• Artikel 23a en artikel 24, vierde lid, WVO: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er toetsbare doelen zijn geformuleerd.

• Artikel 24, eerste, tweede en derde lid, WVO: Het bestuur zorgt ervoor dat alle scholen een schoolplan hebben. Het schoolplan omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg. Bij de beschrijving van het onderwijskundig beleid wordt het schoolondersteuningsprofiel betrokken. Dit bevat een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven.

• Artikel 24e, eerste en derde lid, WVO: Er moet sprake zijn van een functionele of organieke scheiding tussen uitvoerend deel van het bestuur en intern toezicht.

• Artikel 24e1, eerste lid, sub c, WVO: De interne toezichthouder ziet erop toe dat het bestuur de middelen doelmatig en rechtmatig besteedt en aanwendt.

• Artikel 32, zevende lid, WVO: Het bestuur stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van de verschillende categorieën personeel van de scholen.

• Artikel 32c WVO: Het bestuur stelt een managementstatuut vast waaruit de verantwoordelijkheidsverdeling in de aansturing van de school blijkt.

• Artikel 99 en 103a3, WVO [jo. AMvB] en artikel 21 Bekostigingsbesluit WVO: Het bestuur moet de rijksbekostiging rechtmatig aanwenden en moet evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen voorkomen.

• Artikel 103 WVO en artikel 18, eerste, tweede en vijfde lid, Bekostigingsbesluit WVO en artikel 4, vierde lid, RJO: Het bestuur maakt jaarlijks een jaarverslag waarin de resultaten van het financieel beleid en de continuïteitsparagraaf staan opgenomen.

• RJO, jo. artikel 103 WVO: De wijze waarop door het bestuur verslag wordt gedaan van het financieel beheer gebeurt overeenkomstig de daarvoor in de RJO gestelde regels.

BKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

Het bestuur realiseert samen met de scholen de doelen voor kwaliteit, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

Het bestuur geeft als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg met de scholen effectief uitvoering aan de visie en de doelen voor onderwijskwaliteit. Aan de transparante, integere kwaliteitscultuur is zichtbaar dat deze bijdraagt aan de gestelde doelen.

Het bestuur bevordert een op samenwerken, leren en verbeteren gerichte kwaliteitscultuur, zodat de doelen en ambities gerealiseerd kunnen worden. Het bestuur zorgt ervoor dat het onderwijskundig leiderschap op alle niveaus herkenbaar verankerd is in de organisatie. Ook bevordert het bestuur dat de schoolleiding en teams gezamenlijk werken aan hun professionaliteit in relatie tot de bekwaamheidseisen en aan een verbetercultuur.

Binnen de kwaliteitscultuur geeft het bestuur uitvoering aan kwaliteitszorg gericht op de kwaliteit van het onderwijs, de afspraken uit het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband passend onderwijs en de naleving van wettelijke voorschriften. Het bestuur bewaakt en bevordert dat de uitvoering in overeenstemming is met het beleid, zodat de doelen worden bereikt. Het bestuur houdt zicht op de uitvoering van het beleid en op de nagestreefde verbeteringen en stuurt daarop, zo nodig, tussentijds bij.

De beschikbare (financiële) middelen dragen bij aan de realisatie van de door het bestuur gestelde doelen en worden doelmatig en rechtmatig aangewend. Als onderdeel van zijn taak ziet de interne toezichthouder daarop toe. Het bestuur voorkomt evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen. Daarnaast stuurt het bestuur op effectief financieel beheer, zodat de continuïteit van het onderwijs gewaarborgd is en bekostiging rechtmatig verkregen wordt.

Het interne toezicht geeft voorts onafhankelijk en deugdelijk invulling aan zijn taak en wordt daarin gefaciliteerd door het uitvoerend deel van het bestuur.1 Het bestuur zorgt voor goed functionerende medezeggenschap en opereert volgens een code Goed Bestuur of legt in het jaarverslag uit als het daar eventueel van afwijkt en waarom dat het geval is. Ook stelt het bestuur de examencommissie in en benoemt de leden. Als laatste zorgt het bestuur voor een doeltreffende verwerking van interne en externe signalen en klachten.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 4, vierde lid, RJO: het bestuur zorgt voor een continuïteitsparagraaf in de jaarverslaggeving.

• Artikel 23a en 24, vierde lid, WVO: Bestuur en schoolleiding zorgen ervoor dat de wet wordt nageleefd en dat er wanneer nodig verbetermaatregelen komen voor de kwaliteit. Dat houdt onder andere in dat het bestuur en de scholen zicht hebben op de kwaliteit van het onderwijs. Daarbij moet het functioneren van de kwaliteitscyclus centraal staan.

• Artikel 24, eerste en derde lid, artikel 33, artikel 37a en artikel 39a1, WVO: Het bestuur zorgt voor bevoegd personeel en maakt het onderhouden en uitbreiden van de bekwaamheid mogelijk.

• Artikel 24a, eerste lid, sub e, jo. artikel 24b en 24g, WVO: Het bestuur communiceert over de klachtenregeling in de schoolgids(en). Voor leerlingen kan worden volstaan met vermelding van de rechten en plichten in het leerlingenstatuut.

• Artikel 24b WVO: Het bestuur heeft een klachtenregeling die leidt tot een deugdelijke klachtbehandeling waarbij voldaan wordt aan de specifieke vereisten die dit artikel noemt.

• Artikel 24d, eerste lid, WVO: Het bestuur draagt zorg voor een goed bestuurde school met een scheiding tussen het uitvoerend deel van het bestuur en het toezicht en met een rechtmatig bestuur en beheer.

• Artikel 24e, tweede lid, WVO: De interne toezichthouder (of lid daarvan) functioneert onafhankelijk van het uitvoerend deel van het bestuur.

• Artikel 24e1, eerste lid, WVO: De interne toezichthouder houdt toezicht op de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden door het uitvoerend deel van het bestuur, staat het uitvoerend deel van het bestuur met raad ter zijde en heeft ten minste bepaalde taken.

• Artikel 24e1, tweede, vierde en vijfde lid, WVO: De taken en bevoegdheden van de interne toezichthouder of het intern toezichthoudend orgaan zijn zodanig dat hij een deugdelijk en onafhankelijk intern toezicht kan uitoefenen.

• Artikel 32e, tweede, derde en vierde lid, WVO: Het bestuur dient leraren een zelfstandige verantwoordelijkheid te geven bij de beoordeling van de onderwijsprestaties van leerlingen en voldoende zeggenschap te geven waar het gaat om het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de school.

• [Artikel 35d Eindexamenbesluit VO: Het bestuur stelt een of meerdere onafhankelijke en deskundig functionerende examencommissie(s) in ten behoeve van de kwaliteit van de toetsing en examinering op de school, waarbij voldaan wordt aan de specifieke vereisten die dit artikel noemt.]

• Artikel 99 en 103a3, WVO [jo. AMvB] en artikel 21 Bekostigingsbesluit WVO: Het bestuur moet de rijksbekostiging rechtmatig aanwenden en moet evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen voorkomen.

• Artikel 99b WVO: Het bestuur beheert de middelen van de school op zodanige wijze dat het voortbestaan van de school is verzekerd.

• Artikel 103, eerste lid, WVO: Het bestuur dient een code Goed Bestuur te hanteren en verantwoordt zich over eventuele afwijkingen in het jaarverslag.

• Artikel 103a3, vierde lid WVO: Als sprake is van evident ondoelmatige aanwending, kunnen daar financiële gevolgen aan worden verbonden, zoals wijziging van de bekostiging en het terugvorderen van het onverschuldigd betaalde deel van de bekostiging.2

• Artikel 103a3, vijfde lid WVO [jo. AMvB]: Bij of krachtens AMvB worden nadere regels gesteld over de wijze waarop wordt vastgesteld dat sprake is van evident ondoelmatige aanwending van de bekostiging.

BKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

Het bestuur evalueert en analyseert systematisch of het de doelen realiseert en verantwoordt zich hierover. Het stelt wanneer dat nodig is het beleid bij en betrekt daartoe interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

Het bestuur evalueert en beoordeelt als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de ambities, de doelen en het beleid worden gerealiseerd. Op deze manier krijgt het bestuur zicht op de gerealiseerde (financiële) kwaliteit en de resultaten van het onderwijs aan leerlingen. Bij de evaluatie en beoordeling van het beleid en de onderwijskwaliteit haalt het bestuur actief externe informatie op en gebruikt deze informatie bij de evaluatie en beoordeling. Op basis van de evaluatie reageert het bestuur tijdig op mogelijke kansen en bedreigingen, stelt wanneer nodig (verbeter)beleid op en treft passende maatregelen om de kwaliteit van het onderwijs op de scholen te borgen.

Het bestuur legt verantwoording af door middel van accurate, actuele en openbaar toegankelijke informatie over de gerealiseerde kwaliteit. Het brengt minimaal jaarlijks verslag uit aan zijn in- en externe belanghebbenden over zijn doelen en de resultaten van de opleidingen. De verantwoording in het jaarverslag is betrouwbaar en (de inhoud van) het jaarverslag voldoet aan de wettelijke vereisten.

Het bestuur verantwoordt zich daarbij ten minste over het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces, de manier van toetsen en examineren en het financieel beheer. De reflectie op de uitkomsten van de evaluatie geeft alle lagen van de organisatie, intern toezicht en de medezeggenschap voldoende inzicht in de effectiviteit van de besturing en uitvoering. Het bestuur analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verantwoording. Vervolgens verwerkt het bestuur deze wanneer nodig in bijstelling van ambities, (verbeter)doelen en beleid of nieuwe ambities zodat de opbrengst van de dialoog bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwijs en de sturing daarop. Het bestuur organiseert ook de dialoog hierover met interne en externe belanghebbenden, waarbij in elk geval leerlingen, personeel, het regionale bedrijfsleven en de interne toezichthouder zijn betrokken. Het bestuur werkt bovendien actief samen met andere partijen aan doelen die het bestuurlijk belang overstijgen en de kernfuncties raken. Zo komt het bestuur de afspraken uit het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband passend onderwijs na en verantwoordt zich hierover.

Aanvullende ambities

• Welke onderdelen van de evaluatie, verantwoording en dialoog stijgen uit boven de basiskwaliteit?

• In welke mate zijn deze gerealiseerd en welke effecten neemt het bestuur daarbij waar?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1 en artikel 3, sub f, RJO, jo. artikel 103, WVO: Het bestuur informeert jaarlijks interne en externe belanghebbenden over het gevoerde en voorgenomen beleid en over de uitkomsten van het gevoerde beleid.

• Artikel 4, vierde lid, RJO, jo. 103, WVO: Het bestuur maakt jaarlijks een jaarverslag waarin naast de resultaten van het financieel beleid ook verantwoording wordt gegeven over toekomstige ontwikkelingen van het onderwijs.

• Artikel 8 WMS: De (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad ((G)MR) ontvangt tijdig alle inlichtingen van het bestuur die redelijkerwijs nodig zijn om zijn taak te kunnen vervullen en ontvangt in elk geval bepaalde in de wet beschreven informatie.

• Artikel 10 WMS: In bepaalde gevallen heeft het bevoegde gezag voorafgaand instemming van de (G)MR nodig voor besluiten die op dat geval betrekking hebben (bijvoorbeeld bij verandering van de onderwijskundige doelstellingen van de school).

• Artikel 11 WMS: Het bestuur moet de (G)MR vooraf in de gelegenheid stellen om te adviseren over besluiten bij bepaalde aangelegenheden (bijvoorbeeld vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de school).

• Artikel 12 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het personeelsdeel van de (G)MR bij besluiten bij bepaalde aangelegenheden (bijvoorbeeld bij de vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie).

• Artikel 14 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het ouder- en leerlingdeel van de (G)MR over bepaalde besluiten (bijvoorbeeld bij de vaststelling van de schoolgids).

• Artikel 23a en artikel 24, vierde lid, WVO: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er regelmatig wordt geëvalueerd of deze doelen worden gehaald.

• Artikel 103, eerste lid, WVO: Het bestuur dient een code Goed Bestuur te hanteren en verantwoordt zich over eventuele afwijkingen in het jaarverslag.

• Artikel 103, zevende en achtste lid, WVO: Het bestuur maakt het jaarverslag openbaar. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de wijze en het tijdstip waarop openbaarmaking van het jaarverslag plaatsvindt.

• RJO, jo. artikel 103 WVO: De wijze waarop door het bestuur verslag wordt gedaan van het financieel beheer gebeurt overeenkomstig de daarvoor in de RJO gestelde regels.

• Artikel 118a WVO: De bevoegde gezagsorganen van de scholen voeren jaarlijks overleg met elkaar en met de gemeente over het voorkomen van segregatie, het bevorderen van integratie en het bestrijden van achterstanden.

X Noot
1

Volgens artikel 1, sub c, RJO: het geheel van verslaggevingsdocumenten bestaande uit de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392, titel 9, boek 2, BW.

X Noot
2

Met het amendement (Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 102, nr. 11) is geregeld dat een bekostigingssanctie alleen kan worden opgelegd aan het bestuur nadat bij AMvB een nadere invulling wordt gegeven aan het begrip ‘evident ondoelmatige besteding’. Zonder deze algemene maatregel van bestuur is handhaving op ‘evident ondoelmatige besteding’ niet mogelijk. Tot de datum van inwerkingtreding van de AMvB richt de inspectie zich op haar stimulerende taak op dit gebied en zal alleen een Onvoldoende worden gegeven als een bestuur niet voldoet aan de op dit moment bij de basiskwaliteit opgenomen elementen.

KWALITEITSGEBIEDEN EN STANDAARDEN VO SCHOOLNIVEAU

OP ONDERWIJSPROCES

OP1

Aanbod

OP2

Zicht op ontwikkeling en begeleiding

OP3

Pedagogisch-didactisch handelen

OP4

Onderwijstijd

OP5

Praktijkvorming/Stage

OP6

Afsluiting

VS VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT

VS1

Veiligheid

VS2

Schoolklimaat

OR ONDERWIJSRESULTATEN

OR1

Resultaten

OR2

Sociale en maatschappelijke competenties

SKA STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE

SKA1

Visie, ambities en doelen

SKA2

Uitvoering en kwaliteitscultuur

SKA3

Evaluatie, verantwoording en dialoog

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSPROCES (OP)

OP1. Aanbod

Het aanbod bereidt de leerlingen voor op hun vervolgbestemming en op de samenleving.

Basiskwaliteit

De school bereidt de leerlingen voor op arbeid, dagbesteding of vervolgonderwijs en de samenleving. Zij biedt een breed aanbod op de vier domeinen wonen, werken, vrije tijd en burgerschap, en zo veel mogelijk op de kerndoelen1 gebaseerd. Voor leerlingen die het niveau aankunnen, bevat het aanbod ook de referentieniveaus taal en rekenen. Onder aanbod verstaan we alle lesinhouden, ook die digitaal zijn of online aangeboden worden. Het aanbod van de school is afgestemd op de leerlingenpopulatie en sluit aan bij het (taal)niveau en de onderwijsbehoeften van de leerlingen. Het aanbod wordt waar nodig gedurende de schoolloopbaan verdiept en verbreed, zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. Het aanbod is doelgericht, samenhangend en herkenbaar. Bovendien heeft de school de leerinhouden evenwichtig en in samenhang over de leerjaren verdeeld.

Het aanbod draagt bij aan het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en aan het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die leerlingen in staat stellen deel uit te maken en bij te dragen aan de pluriforme, democratische samenleving.

Het aanbod omvat mede activiteiten voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het aanbod en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 2 en artikel 3, Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen, jo. artikel 2 Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen: Het onderwijs neemt de referentieniveaus van taal en rekenen als uitgangspunt.

• Artikel 7 tot en met 10, WVO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 11b en artikel 11c, eerste lid, WVO, jo. Besluit kerndoelen onderbouw VO: Het onderwijsaanbod voor de eerste twee leerjaren voldoet aan de kerndoelen en is samenhangend ingericht.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor de basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 24, tweede lid, sub a, WVO: Het schoolplan bevat de uitwerking van de wettelijke opdrachten voor de uitgangspunten, doelstellingen en inhoud van het onderwijs.

• Bijlage 3 Regeling examenprogramma’s voortgezet onderwijs: De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen.

OP2. Zicht op ontwikkeling en begeleiding

De school volgt de ontwikkeling van de leerlingen en biedt waar nodig passende begeleiding en extra ondersteuning.

Basiskwaliteit

De school verzamelt vanaf binnenkomst systematisch informatie over de kennis en vaardigheden van leerlingen op alle voor het onderwijs belangrijke domeinen. De school stelt voor elke leerling, op basis van alle leerlinggegevens, een passend ontwikkelingsperspectief op. De school legt in het ontwikkelingsperspectief vast hoe zij het onderwijs afstemt op de behoefte van de leerling. De school voert de geplande ondersteuning uit. De inhoud en uitvoering van dit plan wordt minimaal eenmaal per schooljaar met de ouders geëvalueerd. Het onderwijs is erop gericht dat leerlingen doorstromen naar arbeid, dagbesteding of vervolgonderwijs.

Het verzamelen van (toets)informatie gebeurt systematisch en zorgvuldig. De school vergelijkt de informatie met de verwachte ontwikkeling van de leerling. Dit maakt het mogelijk om het onderwijs af te stemmen op de onderwijsbehoeften van zowel groepen als individuele leerlingen. Het stelt de school in staat zorg te dragen voor de ontwikkeling en begeleiding van de leerling. De school waarborgt daarmee voor leerlingen de ononderbroken ontwikkeling en voortgang daarin en heeft daarbij oog voor de bevordering van gelijke kansen. De school informeert ouders regelmatig over de ontwikkeling en vorderingen van hun kind.

Wanneer individuele of groepen leerlingen niet genoeg lijken te profiteren van het onderwijs, analyseert de school waar de ontwikkeling stagneert en wat mogelijke verklaringen hiervoor zijn. Vervolgens bepaalt zij wat er nodig is om op eventuele achterstanden of voorsprongen in de ontwikkeling van leerlingen in te spelen. De school biedt de begeleiding vervolgens gestructureerd aan. Waar nodig betrekt de school het samenwerkingsverband, de gemeente en zorginstanties bij de begeleiding van leerlingen. De leerlingen krijgen daarmee de begeleiding die zij nodig hebben om het onderwijsprogramma beter te kunnen doorlopen. De school besteedt op een structurele en herkenbare manier aandacht aan het bestrijden van (taal)achterstanden.

De school heeft in het schoolondersteuningsprofiel vastgelegd wat zij onder extra ondersteuning verstaat en welke voorzieningen de school kan bieden. De school vervult de zorgplicht passend onderwijs. Wanneer de school de extra ondersteuning voor de leerlingen niet kan bieden, zoekt de school in samenwerking met ouders en het samenwerkingsverband een passende onderwijsplek.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor zicht op ontwikkeling en begeleiding en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1 WVO: In het schoolondersteuningsprofiel is vastgelegd welke voorzieningen zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 6c WVO: De school werkt herkenbaar en gestructureerd aan de bestrijding van achterstanden.

• Artikel 15c Inrichtingsbesluit WVO: In het ontwikkelingsperspectief is informatie opgenomen over de begeleiding die de leerling wordt geboden, in welke onderwijssoort in het voortgezet onderwijs de leerling naar verwachting het examen zal halen en over de belemmerende en de bevorderende factoren die van invloed zijn op het onderwijs aan de leerling.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze. Dat omvat onder meer regelmatig monitoren van de ontwikkeling van burgerschapscompetenties, om het onderwijs af te stemmen op de actuele leerbehoefte van leerlingen.

• Artikel 17b, eerste lid, WVO: De school biedt individuele begeleiding die is afgestemd op de behoeften van de leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.

• Artikel 17b, tweede lid, WVO: Het bestuur stelt ten minste eenmaal in de vier jaar het schoolondersteuningsprofiel vast.

• Artikel 23b WVO: De school rapporteert over de vorderingen van de leerlingen aan hun ouders, voogden of verzorgers, dan wel aan de leerlingen zelf wanneer zij meerderjarig en handelingsbekwaam zijn.

• Artikel 24, tweede lid, WVO: De school heeft in het schoolplan beschreven op welke wijze het schoolondersteuningsprofiel wordt betrokken bij het onderwijskundig beleid.

• Artikel 24, vierde lid, sub a, WVO: De school heeft de wijze waarop het onderwijs wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen in het schoolplan beschreven.

• Artikel 26, eerste en derde lid, WVO: Het bestuur stelt, na op overeenstemming gericht overleg met de ouders, een ontwikkelingsperspectief vast voor een leerling die extra ondersteuning nodig heeft.

• Artikel 26, tweede lid, WVO: Over het handelingsdeel van het ontwikkelperspectief dient door het bestuur overeenstemming met de ouders te worden bereikt.

• Artikel 26, vierde lid, WVO: Het bestuur evalueert het ontwikkelingsperspectief minimaal eens per schooljaar met de ouders.

• Artikel 26, vijfde lid, WVO: Het bestuur kan het ontwikkelingsperspectief bijstellen.

• Artikel 27, lid 2b, WVO: De school beoordeelt of de leerling extra ondersteuning nodig heeft.

• Artikel 27, lid 2c, WVO: De school houdt zich aan de zorgplicht passend onderwijs.

OP3. Pedagogisch-didactisch handelen

Het pedagogisch-didactisch handelen van de leraren stelt leerlingen in staat om te leren en zich te ontwikkelen.

Basiskwaliteit

De beoogde pedagogisch-didactische visie van de school is zichtbaar in het dagelijks handelen van de leraren.

De leraren plannen en structureren hun (ortho)pedagogisch-didactisch handelen met behulp van informatie die zij over leerlingen hebben. Zij maken pedagogische en didactische keuzes en stemmen daarbij het niveau van hun onderwijs af op het beoogde eindniveau vande leerlingen. De leerstof omvat kennis, vaardigheden en attitudes en wordt in een logische opbouw aangeboden.

De leraren creëren een pedagogisch en didactisch passend en stimulerend leerklimaat, waardoor leerlingen actief en betrokken zijn. Met geschikte opdrachten en heldere uitleg structureren de leraren het onderwijsaanbod zo dat de leerlingen zich het leerstofaanbod eigen kunnen maken. Leraren hebben hoge verwachtingen van leerlingen en geven leerlingen feedback op hun leerproces.

De leraren stemmen de instructies, begeleiding, opdrachten en onderwijstijd doelgericht af op de onderwijsbehoeften van groepen en individuele leerlingen, inclusief op de sociale en maatschappelijke competenties. De afstemming is zowel gericht op (pedagogische) ondersteuning als op uitdaging, afhankelijk van de onderwijsbehoeften van leerlingen.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het pedagogisch-didactisch handelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen. Voor deze ononderbroken ontwikkeling is het nodig dat het onderwijs aansluit bij het ontwikkelingsniveau van de leerling.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 24, tweede en derde lid, WVO: De school heeft haar beleid over het pedagogisch-didactisch handelen in het schoolplan geformuleerd. Het beleid over het pedagogisch-didactisch handelen is zichtbaar in het dagelijks handelen van de leraren.

OP4. Onderwijstijd

De leerlingen krijgen voldoende tijd om zich het aanbod eigen te maken.

Basiskwaliteit

De school biedt een programma aan dat voldoet aan de wettelijk verplichte onderwijstijd. De school stelt daartoe, met instemming van de medezeggenschapsraad, vast welke activiteiten onder de onderwijstijd vallen. De school plant de onderwijsactiviteiten weloverwogen over het schooljaar en deze worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van bevoegde leraren.

De school verdeelt de tijd zo over de vakken dat leerlingen in staat zijn het verplichte onderwijsprogramma tot zich te nemen. De school heeft beleid om ongeoorloofd verzuim en voortijdig schoolverlaten van leerlingen tegen te gaan, zodat ook op leerlingniveau gestreefd wordt de onderwijstijd te behalen.

De school maakt, zo nodig, volgens de wettelijke voorschriften gebruik van de mogelijkheden om, in het belang van de individuele leerling, af te wijken van de verplichte onderwijstijd en/of van de mogelijkheid om een leerling een deel van de onderwijstijd door te laten brengen op een andere school.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de onderwijstijd en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 6g WVO: De school verzorgt minimaal het wettelijk verplichte aantal uren en dagen onderwijs.

• Artikel 6g, vijfde lid, WVO: De onderwijstijd wordt ingevuld met activiteiten die worden verzorgd in het onderwijsprogramma.

• Artikel 6g, zevende lid, WVO, jo. Beleidsregel inzake het instemmen met afwijking onderwijstijd WVO: Voor het afwijken van de onderwijstijd vraagt het bestuur in bepaalde gevallen instemming van de inspectie.

• Artikel 6h WVO, jo. artikel 7c Bekostigingsbesluit WVO: Als een leerling voor een deel van het onderwijsprogramma onderwijs ontvangt op een andere school en het bestuur voldoet aan de voorwaarden daarvoor, dan telt die tijd mee voor het aantal uren onderwijs dat de leerling ten minste moet ontvangen.

• Artikel 10f, lid 3a, WVO: De onderwijstijd voor het praktijkonderwijs wordt ingericht conform de voorschriften.

• Artikel 14, vierde lid, WMS: De medezeggenschapsraad (het ouder-/leerlingendeel) moet vooraf instemmen met:

– welke soorten onderwijsactiviteiten binnen de onderwijstijd vallen;

– wat het beleid is voor lesuitval;

– op welke dagen de school geen onderwijs verzorgt.

• Artikel 24a, eerste lid, sub h, WVO: De school heeft haar verzuimbeleid opgenomen in de schoolgids.

• Artikel 33 WVO: Bij onderwijstijd moet het gaan om (onderwijs)activiteiten die worden verzorgd onder verantwoordelijkheid van diegenen die op grond van artikel 33, WVO onderwijs mogen verzorgen.

OP5. Praktijkvorming/stage

De voorbereiding, uitvoering en begeleiding van de praktijkvorming/stage zijn doeltreffend.

Basiskwaliteit

De stages in het kader van de beroepspraktijkvorming en/of de maatschappelijke stage dragen bij aan de geplande leeractiviteiten. Het doel, de inhoud, de omvang en de organisatie van de stage worden beschreven in het stageplan. De school maakt afspraken met de leerling over welke leeractiviteiten de leerling ontplooit in het kader van het stageplan. De school begeleidt de leerling bij de voorbereiding en bij de keuze van een stageplek, stelt hiervoor samen met de leerling en het stagebedrijf de vereiste stageovereenkomst op en draagt zorg voor voor het regelen in de overeenkomst van de verzekering van de leerling. De begeleiding en de wijze van beoordeling verlopen op de afgesproken manier, en de school is op de hoogte van het functioneren van de leerling op de stageplek en stuurt zo nodig bij.

De school maakt afspraken met de leerling over welke leeractiviteiten de leerling ontplooit in het kader van maatschappelijke en/of beroepsstages en hoe die activiteiten bijdragen aan de voorbereiding op arbeid, dagbesteding of het vervolgonderwijs en op de samenleving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de praktijkvorming/stage en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 6f WVO: Het onderwijsprogramma in het voortgezet onderwijs kan een maatschappelijke stage omvatten.

• Artikel 31 en 32, Inrichtingsbesluit WVO: De school kan in het derde en vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte of gemengde leerweg in het vmbo én voor praktijkonderwijsleerlingen lessen besteden aan stage.

• Artikel 33 Inrichtingsbesluit WVO: De school omschrijft doel, inhoud, omvang, opbouw en organisatie van de stage in een stageplan.

• Artikel 35 Inrichtingsbesluit WVO: Het bestuur sluit met de leerling en de stagegever gezamenlijk een schriftelijke stageovereenkomst, waarin onder andere de begeleiding, de verzekering en de wijze van beoordeling aan bod komen.

OP6. Afsluiting

De afsluiting van het onderwijs verloopt zorgvuldig.

Basiskwaliteit

De school zorgt ervoor dat alle leerlingen goed worden voorbereid op de afsluiting van het onderwijs.

Leerlingen die daarvoor in aanmerking komen, ontvangen een schooldiploma inclusief een portfolio met de behaalde resultaten. Leerlingen die een deel van het programma hebben voltooid, de school voor praktijkonderwijs verlaten en die niet in aanmerking komen voor een schooldiploma, ontvangen een verklaring.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de afsluiting en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 29a, eerste lid, WVO: De directeur reikt een schooldiploma uit aan de leerling die de school verlaat en als de directeur oordeelt dat de leerling daarvoor in aanmerking komt. De directeur baseert zijn oordeel op een, door het bestuur vastgesteld, reglement.

• Artikel 29a, tweede lid, WVO: Een portfolio waarin de behaalde resultaten zijn opgenomen, maakt deel uit van het schooldiploma.

• Artikel 29a, derde lid, WVO: Om verschillen te voorkomen tussen door individuele scholen afgegeven schooldiploma’s wordt bij ministeriële regeling een model voor het schooldiploma vastgesteld.

• Artikel 29a, vierde lid, WVO: Als de leerling geen schooldiploma krijgt uitgereikt terwijl hij een deel van het programma heeft voltooid en de school verlaat, ontvangt hij een verklaring.

X Noot
1

Scholen in Friesland geven het vak Fries, met inachtneming van de daarvoor vastgestelde kerndoelen, tenzij zij hiervoor een ontheffing hebben van gedeputeerde staten.

KWALITEITSGEBIED VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT (VS)

VS1. Veiligheid

De school zorgt voor een veilige omgeving voor leerlingen.

Basiskwaliteit

De school zorgt voor de sociale, fysieke en psychische veiligheid van de leerlingen op school gedurende de schooldag. Een school is veilig als de sociale, fysieke en psychische veiligheid van leerlingen niet door handelingen van anderen wordt aangetast. Dit blijkt onder andere uit de beleving van de veiligheid en het welbevinden van de leerlingen op school. De school monitort dit ten minste jaarlijks met een gestandaardiseerd instrument.

De school heeft een veiligheidsbeleid beschreven dat bestaat uit een samenhangende set van maatregelen. Het beleid is gericht op het voorkomen, afhandelen, registreren en evalueren van incidenten, en de school voert dat beleid ook uit. Als de uitkomsten van de monitoring daartoe aanleiding geven, treft de school maatregelen om de situatie te verbeteren. De school voorkomt, zoveel als mogelijk, (digitaal)pesten, agressie en geweld in elke vorm en treedt zo nodig snel en adequaat op. Dat geldt ook bij uitingen die strijdig zijn met basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals discriminatie en onverdraagzaamheid. De school heeft een persoon aangesteld die voor ouders en leerlingen het aanspreekpunt is in geval van pesten en die het beleid tegen pesten coördineert.

De school hanteert de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling. Daarnaast komt de school de verplichtingen na rond het melden, overleggen en aangifte doen van zedenmisdrijven.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de veiligheid en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 3 WVO: Het bestuur houdt zich aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van het melden van een mogelijk zedenmisdrijf en het overleggen daarover, en het aangifte doen in het geval van een (redelijk vermoeden van een) zedenmisdrijf. Het bestuur treedt hierbij onverwijld in contact met de vertrouwensinspecteur.

• Artikel 3a WVO: Het bestuur stelt voor het personeel een meldcode vast die aangeeft hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan. Daarnaast moet het bestuur de kennis en het gebruik van de meldcode bevorderen.

• Artikel 3b, eerste lid, sub a, WVO: Het bestuur heeft beleid ten aanzien van de veiligheid van leerlingen en voert dat ook uit.

• Artikel 3b, eerste lid, sub b, WVO: Het bestuur monitort de veiligheid van leerlingen met een instrument dat een representatief en actueel beeld geeft.

• Artikel 3b, eerste lid, sub c, WVO: Het bestuur heeft de volgende taken belegd bij een persoon:

– coördinatie van het beleid in het kader van het tegengaan van pesten op school;

– fungeren als aanspreekpunt in het kader van pesten.

• Artikel 3b, tweede lid, WVO: Onder veiligheid, bedoeld in artikel 3b, eerste lid, wordt de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen verstaan.

• Artikel 3b, vierde lid, WVO: Het bestuur zendt de resultaten van de monitor, nadat de resultaten beschikbaar zijn, aan de inspectie.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs richt zich op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Dat omvat onder meer dat de school actie onderneemt als er onvoldoende sprake is van een cultuur die in overeenstemming is met basiswaarden.

VS2. Schoolklimaat

De school heeft een schoolklimaat dat bijdraagt aan het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties.

Basiskwaliteit

De school bereidt de leerlingen voor op het leven in de maatschappij. Zij creëert daarvoor een oefenplaats die leerlingen ondersteunt bij het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties. In de school doen leerlingen ervaring op met de omgang met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en de pluriforme samenleving. Het bestuur ziet erop toe dat de school zorg draagt voor een schoolklimaat dat in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en bijdraagt aan de bevordering daarvan.

Het personeel van de school is in zijn gedrag een voorbeeld voor de leerlingen: personeelsleden leven de basiswaarden zichtbaar na.

De school stemt aanpak en aanbod af op de leerlingenpopulatie van de school en de leefwereld van de leerlingen. Ook signaleert en corrigeert de school uitingen van leerlingen die met de basiswaarden in strijd zijn.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het schoolklimaat en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze, richt zich onder andere op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden en het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties.

• Artikel 17, tweede lid, WVO: Het bestuur draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en creëert een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met deze waarden.

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSRESULTATEN (OR)

OR1. Resultaten1

De school behaalt met haar leerlingen leerresultaten die ten minste in overeenstemming zijn met de gestelde streefniveaus.

Beschrijving

De school heeft een goed beeld van de kenmerken van haar leerlingenpopulatie en heeft op basis daarvan ambitieuze streefniveaus vastgesteld voor de resultaten die de leerlingen kunnen bereiken. Daarbij neemt ze de arbeidsmarkt, de dagbesteding of de aansluiting op het vervolgonderwijs als uitgangspunt. De school toont aan dat deze ambitieuze streefniveaus behaald worden.

Eisen die samenhangen met (aanvullende) ambities

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 2 en 3, Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen: Het onderwijs neemt de referentieniveaus van taal en rekenen als uitgangspunt.

• Artikel 6c WVO: De school werkt herkenbaar en gestructureerd aan de bestrijding van achterstanden.

• Artikelen 7 tot en met 10, WVO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 26, eerste en derde lid, WVO: Het bestuur stelt, na op overeenstemming gericht overleg met de ouders, een ontwikkelingsperspectief vast voor een leerling die extra ondersteuning nodig heeft.

OR2. Sociale en maatschappelijke competenties

De leerlingen behalen sociale en maatschappelijke competenties op het niveau dat ten minste in overeenstemming is met de verwachtingen van het vervolgonderwijs en de maatschappij.

Basiskwaliteit

De school heeft een goed beeld van de kenmerken van haar leerlingenpopulatie en heeft ambitieuze verwachtingen over het niveau dat de leerlingen voor de sociale en maatschappelijke competenties kunnen bereiken. Ze neemt de aansluiting op het vervolgonderwijs en de maatschappij als uitgangspunt voor de competenties voor leerlingen.

De school onderbouwt welke resultaten ze op dit gebied wil bereiken. De school brengt de resultaten op een betrouwbare en inzichtelijke manier in kaart. De school spant zich zichtbaar in om ervoor te zorgen dat leerlingen die de school verlaten daaraan voldoen. Daarmee laat de school zien dat zij haar doelstellingen voor deze competenties behaald heeft.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sociale en maatschappelijke competenties en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 7 tot en met 10, WVO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs richt zich herkenbaar op het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving.

X Noot
1

In de komende periode ontwikkelen wij een manier om te komen tot een beoordeling van de leerresultaten aan het einde van het praktijkonderwijs. Hierover voeren wij overleg met het veld.

KWALITEITSGEBIED STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (SKA)

SKA1. Visie, ambities en doelen

De school heeft een gedragen visie op goed onderwijs, heeft daarvoor ambities en doelen en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

De school heeft, als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg, een gedragen visie, ambities en doelen gericht op goed onderwijs die ervoor zorgen dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. De schoolleiding vertaalt haar visie, ambities en doelen in onderwijskundig beleid en stuurt daarop om de beoogde resultaten te behalen. De schoolleiding beschrijft op welke manier ze zorgt voor het realiseren, borgen en verbeteren van de onderwijskwaliteit en hoe ze de naleving van de wettelijke eisen realiseert.

De schoolleiding sluit met haar visie, ambities en doelen aan op die van haar bestuur en op de kenmerken van de leerlingenpopulatie van de school. Dit doet zij onder meer door aan te geven hoe ze rekening houdt met (taal)achterstanden, de wettelijke opdracht tot bevordering van burgerschap en specifieke leerbehoeften om bij te dragen aan gelijke kansen voor alle leerlingen. Resultaten van eerdere evaluaties, interne en externe dialoog zijn zichtbaar in de doelen voor het onderwijskundig beleid.

De schoolleiding richt de voorwaarden in om de onderwijskundige ambities en doelen te bereiken, waaronder het personeelsbeleid en de organisatie van het onderwijs. Daarbij is de interne verantwoordelijkheidsverdeling duidelijk.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 6c WVO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat daarbij op structurele en herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden, in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 23a WVO: Het bestuur moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder zorg dragen voor wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er toetsbare doelen zijn geformuleerd.

• Artikel 24, eerste lid, WVO: Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school wordt gevoerd en omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg.

• Artikel 24, tweede lid, WVO: De beschrijving van het onderwijskundig beleid omvat in elk geval de inhoud van het onderwijs, de eigen opdrachten voor het onderwijs, het pedagogisch-didactisch klimaat en de veiligheid. Daarbij betrekt de school het schoolondersteuningsprofiel.

• Artikel 24, vierde lid, WVO: De school moet door haar stelsel van kwaliteitszorg zorg dragen voor de ononderbroken ontwikkeling van leerlingen en de afstemming van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen. Ook moet worden vastgesteld waar verbetermaatregelen nodig zijn.

• Artikel 32c WVO: Het bestuur stelt een managementstatuut vast waaruit de verantwoordelijkheidsverdeling in de aansturing van de school blijkt.

SKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

De school realiseert de doelen voor goed onderwijs, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

De school realiseert de doelen voor goed onderwijs, die voortkomen uit haar visie en ambities. De schoolleiding zorgt daartoe voor een professionele en veilige leer- en verbetercultuur in de school. Binnen deze kwaliteitscultuur geven schoolleiding en het (bevoegd) onderwijspersoneel samen uitvoering aan het stelsel van kwaliteitszorg, zodat de school als geheel gericht werkt aan het bereiken van de onderwijskundige doelen. Waar nodig stuurt de schoolleiding tussentijds bij.

De schoolleiding zorgt ervoor dat de deskundigheidsbevordering van het personeel binnen de gestelde doelen gestalte krijgt. Leraren(teams) oefenen daarbij de eigen verantwoordelijkheid bij het inrichten van hun onderwijs uit.

De schoolleiding toont in haar sturing onderwijskundig leiderschap en zorgt voor een gerichte inzet van middelen om gestelde doelen te realiseren. De school geeft uitvoering aan het schoolondersteuningsprofiel. Zij werkt samen met andere scholen, het samenwerkingsverband en andere organisaties, zodat geen leerling tussen wal en schip valt.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 17a en 17b, WVO: Voor leerlingen met extra ondersteuning werkt de school samen met het samenwerkingsverband passend onderwijs en partners in de zorg.

• Artikel 17b, tweede lid, WVO: Het bestuur stelt ten minste eenmaal in de vier jaar het schoolondersteuningsprofiel vast.

• Artikel 23a WVO: Het bestuur moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder ‘zorg dragen voor’ wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat het bestuur en de scholen zicht hebben op de kwaliteit van het onderwijs. Daarbij moet het functioneren van de kwaliteitscyclus centraal staan.

• Artikel 24, derde lid, WVO: Het schoolplan bevat een beschrijving van het personeelsbeleid. Dit personeelsbeleid gaat in elk geval over hoe wordt voldaan aan de eisen van bevoegdheid en onderhoud van bekwaamheid, de bijdrage van het personeel aan het onderwijskundig beleid, het pedagogisch-didactisch handelen, de evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding, bedoeld in artikel 32d, en de wijze waarop rekening wordt gehouden met de inbreng van leerlingen op het beleid.

• Artikel 32e, eerste tot en met derde lid, WVO: De school dient leraren een zelfstandige verantwoordelijkheid te geven bij de beoordeling van de onderwijsprestaties van leerlingen en voldoende zeggenschap waar het gaat om het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de school.

• Artikel 33 WVO: Daar waar nog niet bevoegd wordt lesgegeven, moet het bestuur afspraken maken die ertoe leiden dat de leraar de juiste bevoegdheid behaalt.

• Artikel 37a en artikel 39a1, WVO: Het bestuur beschikt bij elk personeelslid waarvoor bekwaamheidseisen gelden over geordende gegevens over de bekwaamheid en het onderhouden daarvan.

SKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

De school evalueert en analyseert systematisch of zij de doelen realiseert en verantwoordt zich daarover. Ze stelt, wanneer nodig, het schoolbeleid bij en betrekt interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

De schoolleiding evalueert, analyseert en beoordeelt als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de doelen en het beleid worden gerealiseerd en informeert het bestuur daarover. Zij haalt intern en extern actief informatie op om zicht te krijgen op de uitvoering, de resultaten van het onderwijs voor de leerlingen en mogelijke kansen en bedreigingen voor de verdere ontwikkeling van het onderwijs.

Voor een goede overdracht en om zicht te houden op het vervolgsucces van haar leerlingen, onderhoudt de school contact met de scholen/instellingen waar deze naartoe uitstromen. De schoolleiding organiseert tegenspraak. Daarvoor gaat zij actief een dialoog aan met in ieder geval ouders, personeel, de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad ((G)MR) en, wanneer van toepassing, leerlingen, gemeenten en/of (regionale)werkgevers.

De school informeert belanghebbenden minimaal jaarlijks op toegankelijke manier over haar doelen en werkwijze, en over de resultaten die zij heeft behaald.

De schoolleiding analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verwerkt deze wanneer nodig in het (verbeter)beleid, zodat dit bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwijs. Daarnaast gebruikt de school de uitkomsten van de evaluatie om de sturing te verbeteren. Zij maakt daarbij duidelijk welk effect de inbreng van belanghebbenden heeft op het borgen en bijstellen van het schoolbeleid.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen.

• Artikel 8 WMS: De (G)MR ontvangt tijdig alle inlichtingen van het bestuur die redelijkerwijs nodig zijn om zijn taak te kunnen vervullen en ontvangt in elk geval bepaalde in de wet beschreven informatie.

• Artikel 10 WMS: Het bestuur heeft in bepaalde gevallen voorafgaande instemming nodig van de (G)MR voor elk besluit dat betrekking heeft op dat geval, bijvoorbeeld bij verandering van de onderwijskundige doelstellingen van de school.

• Artikel 11 WMS: Het bestuur moet de (G)MR vooraf in de gelegenheid stellen om te adviseren over besluiten bij bepaalde aangelegenheden, bijvoorbeeld bij de vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de school.

• Artikel 12 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het personeelsdeel van de (G)MR bij besluiten bij bepaalde aangelegenheden, bijvoorbeeld bij de vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie.

• Artikel 14 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het ouder- en leerlingdeel van de (G)MR over bepaalde besluiten, bijvoorbeeld over de vaststelling van de schoolgids.

• Artikel 23a en 24, vierde lid, WVO: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er regelmatig wordt geëvalueerd of deze doelen worden gehaald.

• Artikel 24a WVO: De school maakt in de schoolgids duidelijk wat de doelen van het onderwijs zijn en welke resultaten met het onderwijsleerproces worden bereikt. Dat geldt ook voor de bevindingen ten aanzien van het stelsel van kwaliteitszorg, evenals de maatregelen die naar aanleiding daarvan zijn getroffen. Ook leerlingen worden betrokken bij de besluitvorming.

Bijlage 3 Waarderingskader eerste opvang anderstaligen

In deze bijlage is het waarderingskader voor het toezicht op de eerste opvang anderstaligen (eoa) opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.4.

KWALITEITSGEBIED BESTURING, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (BKA)

BKA1. Visie, ambities en doelen

Het bestuur heeft een visie op kwaliteit, heeft hiervoor ambities en doelen opgesteld en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

Het bestuur heeft een visie op goed onderwijs en op de besturing daarvan. De visie is concreet en passend vertaald naar ambities, doelen en daarmee samenhangend beleid. Deze vertaling maakt sturing mogelijk op de kwaliteit en resultaten van het onderwijs en de voorwaarden. Daartoe is een stelsel van kwaliteitszorg ingericht dat het bestuur in staat stelt de basiskwaliteit van het onderwijs te waarborgen.

De doelen betreffen in elk geval de naleving van wettelijke eisen, waaronder de wettelijke vereisten voor het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces en de manier van toetsen en examineren. De visie, ambities en doelen omvatten uitwerkingen van eerdere evaluatieresultaten en resultaten van interne en externe dialoog.

Het bestuur zorgt er met betrokkenheid van de scholen voor dat de visie, ambities, doelen en het beleid sturend zijn voor de verbetering van het onderwijs aan leerlingen. Scholen formuleren op hun beurt doelen die aansluiten bij wat leerlingen nodig hebben met het oog op hun doorgaande onderwijsloopbaan.

Het bestuur richt de voorwaarden in om de doelen te bereiken, waaronder de inzet en het beheer van de (financiële) middelen voor het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijsproces, de diplomering, het schoolklimaat en de resultaten. Het bestuur heeft daartoe een meerjarenbegroting waarin de relatie met het beleid en de doelen duidelijk zijn toegelicht. Er is voor de sturing op (financiële) kwaliteit een functionerende verantwoordelijkheidsverdeling tussen de interne toezichthouder, het bestuur en de scholen afgesproken, op basis van de geldende wet- en regelgeving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen.

• Artikel 23a en artikel 24, vierde lid, WVO: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er toetsbare doelen zijn geformuleerd.

• Artikel 24, eerste, tweede en derde lid, WVO: Het bestuur zorgt ervoor dat alle scholen een schoolplan hebben. Het schoolplan omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg. Bij de beschrijving van het onderwijskundig beleid wordt het schoolondersteuningsprofiel betrokken. Dit bevat een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven.

• Artikel 24e, eerste en derde lid, WVO: Er moet sprake zijn van een functionele of organieke scheiding tussen uitvoerend deel van het bestuur en intern toezicht.

• Artikel 24e1, eerste lid, sub c, WVO: De interne toezichthouder ziet erop toe dat het bestuur de middelen doelmatig en rechtmatig besteedt en aanwendt.

• Artikel 32, zevende lid, WVO: Het bestuur stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van de verschillende categorieën personeel van de scholen.

• Artikel 32c WVO: Het bestuur stelt een managementstatuut vast waaruit de verantwoordelijkheidsverdeling in de aansturing van de school blijkt.

• Artikel 99 en 103a3, WVO [jo. AMvB] en artikel 21 Bekostigingsbesluit WVO: Het bestuur moet de rijksbekostiging rechtmatig aanwenden en moet evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen voorkomen.

• Artikel 103, WVO en artikel 18, eerste, tweede en vijfde lid, Bekostigingsbesluit WVO en artikel 4, vierde lid, RJO: Het bestuur maakt jaarlijks een jaarverslag waarin de resultaten van het financieel beleid en de continuïteitsparagraaf staan opgenomen.

• RJO, jo. artikel 103 WVO: De wijze waarop door het bestuur verslag wordt gedaan van het financieel beheer gebeurt overeenkomstig de daarvoor in de RJO gestelde regels.

BKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

Het bestuur realiseert samen met de scholen de doelen voor kwaliteit, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

Het bestuur geeft als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg met de scholen effectief uitvoering aan de visie en de doelen voor onderwijskwaliteit. Aan de transparante, integere kwaliteitscultuur is zichtbaar dat deze bijdraagt aan de gestelde doelen.

Het bestuur bevordert een op samenwerken, leren en verbeteren gerichte kwaliteitscultuur, zodat de doelen en ambities gerealiseerd kunnen worden. Het bestuur zorgt ervoor dat het onderwijskundig leiderschap op alle niveaus herkenbaar verankerd is in de organisatie. Ook bevordert het bestuur dat de schoolleiding en teams gezamenlijk werken aan hun professionaliteit in relatie tot de bekwaamheidseisen en aan een verbetercultuur.

Binnen de kwaliteitscultuur geeft het bestuur uitvoering aan kwaliteitszorg gericht op de kwaliteit van het onderwijs, de afspraken uit het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband passend onderwijs en de naleving van wettelijke voorschriften. Het bestuur bewaakt en bevordert dat de uitvoering in overeenstemming is met het beleid, zodat de doelen worden bereikt. Het bestuur houdt zicht op de uitvoering van het beleid en op de nagestreefde verbeteringen en stuurt daarop, zo nodig, tussentijds bij.

De beschikbare (financiële) middelen dragen bij aan de realisatie van de door het bestuur gestelde doelen en worden doelmatig en rechtmatig aangewend. Als onderdeel van zijn taak ziet de interne toezichthouder daarop toe. Het bestuur voorkomt evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen. Daarnaast stuurt het bestuur op effectief financieel beheer, zodat de continuïteit van het onderwijs gewaarborgd is en bekostiging rechtmatig verkregen wordt.

Het interne toezicht geeft voorts onafhankelijk en deugdelijk invulling aan zijn taak en wordt daarin gefaciliteerd door het uitvoerend deel van het bestuur.1 Het bestuur zorgt voor goed functionerende medezeggenschap en opereert volgens een code Goed Bestuur of legt in het jaarverslag uit als het daar eventueel van afwijkt en waarom dat het geval is. Ook stelt het bestuur de examencommissie in en benoemt de leden. Als laatste zorgt het bestuur voor een doeltreffende verwerking van interne en externe signalen en klachten.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 4, vierde lid, RJO: het bestuur zorgt voor een continuïteitsparagraaf in de jaarverslaggeving.

• Artikel 23a en 24, vierde lid, WVO: Bestuur en schoolleiding zorgen ervoor dat de wet wordt nageleefd en dat er wanneer nodig verbetermaatregelen komen voor de kwaliteit. Dat houdt onder andere in dat het bestuur en de scholen zicht hebben op de kwaliteit van het onderwijs. Daarbij moet het functioneren van de kwaliteitscyclus centraal staan.

• Artikel 24, eerste en derde lid, artikel 33, artikel 37a en artikel 39a1, WVO: Het bestuur zorgt voor bevoegd personeel en maakt het onderhouden en uitbreiden van de bekwaamheid mogelijk.

• Artikel 24a, eerste lid, sub e, jo. artikel 24b en 24g, WVO: Het bestuur communiceert over de klachtenregeling in de schoolgids(en). Voor leerlingen kan worden volstaan met vermelding van de rechten en plichten in het leerlingenstatuut.

• Artikel 24b WVO: Het bestuur heeft een klachtenregeling die leidt tot een deugdelijke klachtbehandeling waarbij voldaan wordt aan de specifieke vereisten die dit artikel noemt.

• Artikel 24d, eerste lid, WVO: Het bestuur draagt zorg voor een goed bestuurde school met een scheiding tussen het uitvoerend deel van het bestuur en het toezicht en met een rechtmatig bestuur en beheer.

• Artikel 24e, tweede lid, WVO: De interne toezichthouder (of lid daarvan) functioneert onafhankelijk van het uitvoerend deel van het bestuur.

• Artikel 24e1, eerste lid, WVO: De interne toezichthouder houdt toezicht op de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden door het uitvoerend deel van het bestuur, staat het uitvoerend deel van het bestuur met raad ter zijde en heeft ten minste bepaalde taken.

• Artikel 24e1, tweede, vierde en vijfde lid, WVO: De taken en bevoegdheden van de interne toezichthouder of het intern toezichthoudend orgaan zijn zodanig dat hij een deugdelijk en onafhankelijk intern toezicht kan uitoefenen.

• Artikel 32e, tweede, derde en vierde lid, WVO: Het bestuur dient leraren een zelfstandige verantwoordelijkheid te geven bij de beoordeling van de onderwijsprestaties van leerlingen en voldoende zeggenschap te geven waar het gaat om het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de school.

• [Artikel 35d Eindexamenbesluit VO: Het bestuur stelt een of meerdere onafhankelijke en deskundig functionerende examencommissie(s) in ten behoeve van de kwaliteit van de toetsing en examinering op de school, waarbij voldaan wordt aan de specifieke vereisten die dit artikel noemt.]

• Artikel 99 en 103a3, WVO [jo. AMvB] en artikel 21 Bekostigingsbesluit WVO: Het bestuur moet de rijksbekostiging rechtmatig aanwenden en moet evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen voorkomen.

• Artikel 99b WVO: Het bestuur beheert de middelen van de school op zodanige wijze dat het voortbestaan van de school is verzekerd.

• Artikel 103, eerste lid, WVO: Het bestuur dient een code Goed Bestuur te hanteren en verantwoordt zich over eventuele afwijkingen in het jaarverslag.

• Artikel 103a3, vierde lid WVO: Als sprake is van evident ondoelmatige aanwending, kunnen daar financiële gevolgen aan worden verbonden, zoals wijziging van de bekostiging en het terugvorderen van het onverschuldigd betaalde deel van de bekostiging.2

• Artikel 103a3, vijfde lid WVO [jo. AMvB]: Bij of krachtens AMvB worden nadere regels gesteld over de wijze waarop wordt vastgesteld dat sprake is van evident ondoelmatige aanwending van de bekostiging.

BKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

Het bestuur evalueert en analyseert systematisch of het de doelen realiseert en verantwoordt zich hierover. Het stelt wanneer dat nodig is het beleid bij en betrekt daartoe interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

Het bestuur evalueert en beoordeelt als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de ambities, de doelen en het beleid worden gerealiseerd. Op deze manier krijgt het bestuur zicht op de gerealiseerde (financiële) kwaliteit en de resultaten van het onderwijs aan leerlingen. Bij de evaluatie en beoordeling van het beleid en de onderwijskwaliteit haalt het bestuur actief externe informatie op en gebruikt deze informatie bij de evaluatie en beoordeling. Op basis van de evaluatie reageert het bestuur tijdig op mogelijke kansen en bedreigingen, stelt wanneer nodig (verbeter)beleid op en treft passende maatregelen om de kwaliteit van het onderwijs op de scholen te borgen.

Het bestuur legt verantwoording af door middel van accurate, actuele en openbaar toegankelijke informatie over de gerealiseerde kwaliteit. Het brengt minimaal jaarlijks verslag uit aan zijn in- en externe belanghebbenden over zijn doelen en de resultaten van de opleidingen. De verantwoording in het jaarverslag is betrouwbaar en (de inhoud van) het jaarverslag voldoet aan de wettelijke vereisten.

Het bestuur verantwoordt zich daarbij ten minste over het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces, de manier van toetsen en examineren en het financieel beheer. De reflectie op de uitkomsten van de evaluatie geeft alle lagen van de organisatie, intern toezicht en de medezeggenschap voldoende inzicht in de effectiviteit van de besturing en uitvoering. Het bestuur analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verantwoording. Vervolgens verwerkt het bestuur deze wanneer nodig in bijstelling van ambities, (verbeter)doelen en beleid of nieuwe ambities zodat de opbrengst van de dialoog bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwijs en de sturing daarop. Het bestuur organiseert ook de dialoog hierover met interne en externe belanghebbenden, waarbij in elk geval leerlingen, personeel, het regionale bedrijfsleven en de interne toezichthouder zijn betrokken. Het bestuur werkt bovendien actief samen met andere partijen aan doelen die het bestuurlijk belang overstijgen en de kernfuncties raken. Zo komt het bestuur de afspraken uit het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband passend onderwijs na en verantwoordt zich hierover.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1 en artikel 3, sub f, RJO, jo. artikel 103, WVO: Het bestuur informeert jaarlijks interne en externe belanghebbenden over het gevoerde en voorgenomen beleid en over de uitkomsten van het gevoerde beleid.

• Artikel 4, vierde lid, RJO, jo. 103, WVO: Het bestuur maakt jaarlijks een jaarverslag waarin naast de resultaten van het financieel beleid ook verantwoording wordt gegeven over toekomstige ontwikkelingen van het onderwijs.

• Artikel 8 WMS: De (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad ((G)MR) ontvangt tijdig alle inlichtingen van het bestuur die redelijkerwijs nodig zijn om zijn taak te kunnen vervullen en ontvangt in elk geval bepaalde in de wet beschreven informatie.

• Artikel 10 WMS: In bepaalde gevallen heeft het bevoegde gezag voorafgaand instemming van de (G)MR nodig voor besluiten die op dat geval betrekking hebben (bijvoorbeeld bij verandering van de onderwijskundige doelstellingen van de school).

• Artikel 11 WMS: Het bestuur moet de (G)MR vooraf in de gelegenheid stellen om te adviseren over besluiten bij bepaalde aangelegenheden (bijvoorbeeld vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de school).

• Artikel 12 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het personeelsdeel van de (G)MR bij besluiten bij bepaalde aangelegenheden (bijvoorbeeld de bij vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie).

• Artikel 14 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het ouder- en leerlingdeel van de (G)MR over bepaalde besluiten (bijvoorbeeld bij de vaststelling van de schoolgids).

• Artikel 23a en artikel 24, vierde lid, WVO: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er regelmatig wordt geëvalueerd of deze doelen worden gehaald.

• Artikel 103, eerste lid, WVO: Het bestuur dient een code Goed Bestuur te hanteren en verantwoordt zich over eventuele afwijkingen in het jaarverslag.

• Artikel 103, zevende en achtste lid, WVO: Het bestuur maakt het jaarverslag openbaar. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de wijze en het tijdstip waarop openbaarmaking van het jaarverslag plaatsvindt.

• RJO, jo. artikel 103 WVO: De wijze waarop door het bestuur verslag wordt gedaan van het financieel beheer gebeurt overeenkomstig de daarvoor in de RJO gestelde regels.

• Artikel 118a WVO: De bevoegde gezagsorganen van de scholen voeren jaarlijks overleg met elkaar en met de gemeente over het voorkomen van segregatie, het bevorderen van integratie en het bestrijden van achterstanden.

X Noot
1

Volgens artikel 1, sub c, RJO: het geheel van verslaggevingsdocumenten bestaande uit de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392, titel 9, boek 2, BW.

X Noot
2

Met het amendement (Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 102, nr. 11) is geregeld dat een bekostigingssanctie alleen kan worden opgelegd aan het bestuur nadat bij AMvB een nadere invulling wordt gegeven aan het begrip ‘evident ondoelmatige besteding’. Zonder deze algemene maatregel van bestuur is handhaving op ‘evident ondoelmatige besteding’ niet mogelijk. Tot de datum van inwerkingtreding van de AMvB richt de inspectie zich op haar stimulerende taak op dit gebied en zal alleen een Onvoldoende worden gegeven als een bestuur niet voldoet aan de op dit moment bij de basiskwaliteit opgenomen elementen.

KWALITEITSGEBIEDEN EN STANDAARDEN VO SCHOOLNIVEAU

OP ONDERWIJSPROCES

OP1

Aanbod

OP2

Zicht op ontwikkeling en begeleiding

OP3

Pedagogisch-didactisch handelen

OP4

Onderwijstijd

OP6

Afsluiting

VS VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT

VS1

Veiligheid

VS2

Schoolklimaat

OR ONDERWIJSRESULTATEN

OR1

Resultaten

OR2

Sociale en maatschappelijke competenties

SKA STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE

SKA1

Visie, ambities en doelen

SKA2

Uitvoering en kwaliteitscultuur

SKA3

Evaluatie, verantwoording en dialoog

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSPROCES (OP)

OP1. Aanbod

Het aanbod bereidt de leerlingen voor op vervolgonderwijs en de samenleving.

Basiskwaliteit

De eoa bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs en de samenleving. Hij biedt een breed en op de kerndoelen gebaseerd aanbod dat ook de referentieniveaus taal en rekenen omvat. Het aanbod stelt de leerlingen ten minste in staat om zich het Nederlands eigen te maken op een niveau dat vereist is voor een vervolgopleiding die past bij de capaciteiten van de leerling. Onder aanbod verstaan we alle lesinhouden, ook die digitaal zijn of online aangeboden worden. Het aanbod van de eoa is afgestemd op de leerlingenpopulatie en sluit aan bij het (taal)niveau en de onderwijsbehoeften van de leerlingen. Het aanbod wordt, waar nodig, gedurende het verblijf op de eoa verdiept en verbreed, zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen en er sprake is van een goede aansluiting bij het reguliere voortgezet onderwijs op de school of het vervolgonderwijs. Het aanbod is doelgericht, samenhangend en herkenbaar. Bovendien heeft de school de leerinhouden evenwichtig en in samenhang over de leerjaren verdeeld.

Het aanbod draagt bij aan het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en aan het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die leerlingen in staat stellen deel uit te maken en bij te dragen aan de pluriforme, democratische samenleving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het aanbod en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 2 en 3, Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen, jo. artikel 2 Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen: Het onderwijs neemt de referentieniveaus van taal en rekenen als uitgangspunt.

• Artikel 6c WVO: De school werkt herkenbaar en gestructureerd aan de bestrijding van achterstanden.

• Artikel 7 tot en met 10, WVO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 11b en 11c, eerste lid, WVO: Het onderwijsaanbod voor de eerste twee leerjaren voldoet aan de kerndoelen en is samenhangend ingericht.

• Artikel 11d WVO: Het bestuur kan ontheffing verlenen van het onderwijsprogramma in de eerste twee leerjaren. Daarbij bepaalt het bestuur welk onderwijs hiervoor in de plaats komt en dat zal vooral Nederlands zijn.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 24, tweede lid, sub a, WVO: Het schoolplan bevat de uitwerking van de wettelijke opdrachten voor de uitgangspunten, doelstellingen en inhoud van het onderwijs.

OP2. Zicht op ontwikkeling en begeleiding

De eoa volgt de ontwikkeling van de leerlingen en biedt waar nodig passende begeleiding en extra ondersteuning.

Basiskwaliteit

De eoa verzamelt vanaf binnenkomst systematisch informatie over de kennis en vaardigheden van leerlingen op alle voor het onderwijs belangrijke domeinen. Het verzamelen van (toets)informatie gebeurt systematisch en zorgvuldig. De eoa vergelijkt de informatie met de verwachte ontwikkeling van de leerling. Dit maakt het mogelijk om het onderwijs af te stemmen op de onderwijsbehoeften van zowel groepen als individuele leerlingen. Het stelt de school in staat zorg te dragen voor de ontwikkeling en begeleiding van de leerling. De eoa waarborgt daarmee voor leerlingen de ononderbroken ontwikkeling en voortgang daarin en heeft daarbij oog voor de bevordering van gelijke kansen. De school informeert de ouders regelmatig over de ontwikkeling en de vorderingen van hun kind.

Wanneer individuele of groepen leerlingen niet genoeg lijken te profiteren van het onderwijs, analyseert de eoa waar de ontwikkeling stagneert en wat mogelijke verklaringen hiervoor zijn. Vervolgens bepaalt zij wat er nodig is om op eventuele achterstanden of voorsprongen in de ontwikkeling van leerlingen in te spelen. De eoa biedt de begeleiding vervolgens gestructureerd aan. Waar nodig betrekt de school het samenwerkingsverband, de gemeente en zorginstanties bij de begeleiding van de leerlingen.

De leerlingen krijgen daarmee de begeleiding die zij nodig hebben om het onderwijsprogramma beter te kunnen doorlopen. De eoa besteedt op structurele en herkenbare manier aandacht aan het bestrijden van (taal)achterstanden.

De (moeder)school heeft in het schoolondersteuningsprofiel vastgelegd wat zij onder extra ondersteuning verstaat en welke voorzieningen de (moeder)school kan bieden. Voor de leerlingen die deze extra ondersteuning nodig hebben, legt de eoa in het ontwikkelingsperspectief vast hoe zij het onderwijs afstemt op de behoefte van de leerling en registreert het ontwikkelingsperspectief in BRON. De eoa voert de geplande ondersteuning uit. De inhoud en uitvoering van dit plan wordt minimaal eenmaal per schooljaar met de ouders geëvalueerd. De eoa vervult de zorgplicht passend onderwijs. Wanneer de eoa de extra ondersteuning voor een leerling niet kan bieden, zoekt de eoa in samenwerking met ouders en het samenwerkingsverband een passende onderwijsplek.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor zicht op ontwikkeling en begeleiding en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1 WVO: In het schoolondersteuningsprofiel is vastgelegd welke voorzieningen zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 6c WVO: De school werkt herkenbaar en gestructureerd aan de bestrijding van achterstanden.

• Artikel 15c Inrichtingsbesluit WVO: In het ontwikkelingsperspectief is informatie opgenomen over de begeleiding die de leerling wordt geboden, in welke onderwijssoort in het voortgezet onderwijs de leerling naar verwachting het examen zal halen en over de belemmerende en de bevorderende factoren die van invloed zijn op het onderwijs aan de leerling.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze. Dat omvat onder meer regelmatig monitoren van de ontwikkeling van burgerschapscompetenties, om het onderwijs af te stemmen op de actuele leerbehoefte van leerlingen.

• Artikel 17b, eerste lid, WVO: De school biedt individuele begeleiding die is afgestemd op de behoeften van de leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.

• Artikel 17b, tweede lid, WVO: Het bestuur stelt ten minste eenmaal in de vier jaar het schoolondersteuningsprofiel vast.

• Artikel 23b WVO: De school rapporteert over de vorderingen van de leerlingen aan hun ouders, voogden of verzorgers, dan wel aan de leerlingen zelf wanneer zij meerderjarig en handelingsbekwaam zijn.

• Artikel 24, tweede lid, WVO: De school heeft in het schoolplan beschreven op welke wijze het schoolondersteuningsprofiel wordt betrokken bij het onderwijskundig beleid.

• Artikel 24, vierde lid, sub a, WVO: De school heeft de wijze waarop het onderwijs wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen in het schoolplan beschreven.

• Artikel 26, eerste en derde lid, WVO: Het bestuur stelt, na op overeenstemming gericht overleg met de ouders, een ontwikkelingsperspectief vast voor een leerling die extra ondersteuning nodig heeft.

• Artikel 26, tweede lid, WVO: Over het handelingsdeel van het ontwikkelperspectief moet door het bestuur overeenstemming met de ouders worden bereikt.

• Artikel 26, vierde lid, WVO: Het bestuur evalueert het ontwikkelingsperspectief minimaal eens per schooljaar met de ouders.

• Artikel 26, vijfde lid, WVO: Het bestuur kan het ontwikkelingsperspectief bijstellen.

• Artikel 27, lid 2b, WVO: De school beoordeelt of de leerling extra ondersteuning nodig heeft.

• Artikel 27, lid 2c, WVO: De school houdt zich aan de zorgplicht passend onderwijs.

• Artikel 12 van de Wet register onderwijsdeelnemers, jo. artikel 8, vijfde lid, Besluit register onderwijsdeelnemers: Het bestuur registreert in het Basisregister Onderwijs (BRON) voor welke periode er voor een leerling een ontwikkelingsperspectief is vastgesteld en, indien van toepassing, welke periode een leerling in een orthopedagogisch didactisch centrum (opdc) is geplaatst.

OP3. Pedagogisch-didactisch handelen

Het pedagogisch-didactisch handelen van de leraren stelt leerlingen in staat om te leren en zich te ontwikkelen.

Basiskwaliteit

De pedagogisch-didactische visie van de school is zichtbaar in het dagelijks handelen van de leraren.

De leraren plannen en structureren hun (ortho)pedagogisch-didactisch handelen met behulp van informatie die zij over leerlingen hebben. Zij maken pedagogische en didactische keuzes en stemmen daarbij het niveau van hun onderwijs af op het beoogde eindniveau van leerlingen. De leerstof omvat kennis, vaardigheden en attitudes en wordt in een logische opbouw aangeboden.

De leraren creëren een pedagogisch en didactisch passend en stimulerend leerklimaat, waardoor leerlingen actief en betrokken zijn. Met geschikte opdrachten en heldere uitleg structureren de leraren het onderwijsaanbod zodanig dat de leerlingen zich het leerstofaanbod eigen kunnen maken. Leraren hebben hoge verwachtingen van leerlingen en geven leerlingen feedback op hun leerproces.

De leraren stemmen de instructies, begeleiding, opdrachten en onderwijstijd doelgericht af op de onderwijsbehoeften van groepen en individuele leerlingen, inclusief op de sociale en maatschappelijke competenties. De afstemming is zowel gericht op (pedagogische) ondersteuning als op uitdaging, afhankelijk van de onderwijsbehoeften van leerlingen.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het pedagogisch-didactisch handelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeing van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 24, tweede en derde lid, WVO: De school heeft haar beleid over het pedagogisch-didactisch handelen in het schoolplan geformuleerd.

OP4. Onderwijstijd

De leerlingen krijgen voldoende tijd om zich het aanbod eigen te maken.

Basiskwaliteit

De school biedt een programma aan dat voldoet aan de wettelijk verplichte onderwijstijd. De school stelt daartoe, met instemming van de medezeggenschapsraad, vast welke activiteiten onder de onderwijstijd vallen. De school plant de onderwijsactiviteiten weloverwogen over het schooljaar en deze worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van bevoegde leraren.

De school verdeelt de tijd zo over de vakken dat leerlingen in staat zijn het verplichte onderwijsprogramma tot zich te nemen. De school heeft beleid om ongeoorloofd verzuim en voortijdig schoolverlaten van leerlingen tegen te gaan, zodat ook op leerlingniveau gestreefd wordt de onderwijstijd te behalen.

De school maakt, zo nodig, volgens de wettelijke voorschriften gebruik van de mogelijkheden om, in het belang van de individuele leerling, af te wijken van de verplichte onderwijstijd en/of van de mogelijkheid om een leerling een deel van de onderwijstijd door te laten brengen op een andere school.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de onderwijstijd en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 6g WVO: De school verzorgt minimaal het wettelijk verplichte aantal uren en dagen onderwijs.

• Artikel 6g, vijfde lid, WVO: De onderwijstijd wordt ingevuld met activiteiten die worden verzorgd in het onderwijsprogramma.

• Artikel 6g, zevende lid, WVO, jo. Beleidsregel inzake het instemmen met afwijking onderwijstijd WVO: Voor het afwijken van de onderwijstijd vraagt het bestuur in bepaalde gevallen instemming van de inspectie.

• Artikel 6h WVO, jo. artikel 7c Bekostigingsbesluit WVO: Als een leerling voor een deel van het onderwijsprogramma onderwijs ontvangt op een andere school en het bestuur voldoet aan de voorwaarden daarvoor, dan telt die tijd mee voor het aantal uren onderwijs dat de leerling ten minste moet ontvangen.

• Artikel 10f, lid 3a, WVO: De onderwijstijd voor het praktijkonderwijs wordt ingericht conform de voorschriften.

• Artikel 14, vierde lid, WMS: De medezeggenschapsraad (het ouder-/leerlingendeel) moet vooraf instemmen met:

– welke soorten onderwijsactiviteiten binnen de onderwijstijd vallen;

– wat het beleid is voor lesuitval;

– op welke dagen de school geen onderwijs verzorgt.

• Artikel 24a, eerste lid, sub h, WVO: De school heeft haar verzuimbeleid opgenomen in de schoolgids.

• Artikel 33 WVO: Bij onderwijstijd moet het gaan om (onderwijs)activiteiten die worden verzorgd onder verantwoordelijkheid van diegenen die op grond van artikel 33, WVO onderwijs mogen verzorgen.

OP6. Afsluiting

De afsluiting van het onderwijs verloopt zorgvuldig.

Basiskwaliteit

De eoa zorgt ervoor dat alle leerlingen goed worden voorbereid op de overgang naar het reguliere voortgezet onderwijs of het vervolgonderwijs.

Alle leerlingen krijgen een passende plek in het vervolgonderwijs. De eoa hanteert hierbij een zorgvuldige procedure, waaruit blijkt dat zij ernaar streeft leerlingen gelijke kansen en een ononderbroken ontwikkeling te bieden.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de afsluiting en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 6c WVO: De school werkt herkenbaar en gestructureerd aan de bestrijding van achterstanden.

• Artikel 7 tot en met artikel 10, WVO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

KWALITEITSGEBIED VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT (VS)

VS1. Veiligheid

De school zorgt voor een veilige omgeving voor leerlingen.

Basiskwaliteit

De school zorgt voor de sociale, fysieke en psychische veiligheid van de leerlingen op school gedurende de schooldag. Een school is veilig als de sociale, fysieke en psychische veiligheid van leerlingen niet door handelingen van anderen wordt aangetast. Dit blijkt onder andere uit de beleving van de veiligheid en het welbevinden van de leerlingen op school. De school monitort dit ten minste jaarlijks met een gestandaardiseerd instrument.

De school heeft een veiligheidsbeleid beschreven dat bestaat uit een samenhangende set van maatregelen. Het beleid is gericht op het voorkomen, afhandelen, registreren en evalueren van incidenten, en de school voert dat beleid ook uit. Als de uitkomsten van de monitoring daartoe aanleiding geven, treft de school maatregelen om de situatie te verbeteren. De school voorkomt, zoveel als mogelijk, (digitaal)pesten, agressie en geweld in elke vorm en treedt zo nodig snel en adequaat op. Dat geldt ook bij uitingen die strijdig zijn met basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals discriminatie en onverdraagzaamheid. De school heeft een persoon aangesteld die voor ouders en leerlingen het aanspreekpunt is in geval van pesten en die het beleid tegen pesten coördineert.

De school hanteert de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling. Daarnaast komt de school de verplichtingen na rond het melden, overleggen en aangifte doen van zedenmisdrijven.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de veiligheid en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 3 WVO: Het bestuur houdt zich aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van het melden van een mogelijk zedenmisdrijf en het overleggen daarover, en het aangifte doen in het geval van een (redelijk vermoeden van een) zedenmisdrijf. Het bestuur treedt hierbij onverwijld in contact met de vertrouwensinspecteur.

• Artikel 3a WVO: Het bestuur stelt voor het personeel een meldcode vast die aangeeft hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan. Daarnaast moet het bestuur de kennis en het gebruik van de meldcode bevorderen.

• Artikel 3b, eerste lid, sub a, WVO: Het bestuur heeft beleid ten aanzien van de veiligheid van leerlingen en voert dat ook uit.

• Artikel 3b, eerste lid, sub b, WVO: Het bestuur monitort de veiligheid van leerlingen met een instrument dat een representatief en actueel beeld geeft.

• Artikel 3b, eerste lid, sub c, WVO: Het bestuur heeft de volgende taken belegd bij een persoon:

– coördinatie van het beleid in het kader van het tegengaan van pesten op school;

– fungeren als aanspreekpunt in het kader van pesten.

• Artikel 3b, tweede lid, WVO: Onder veiligheid, bedoeld in artikel 3b, eerste lid, wordt de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen verstaan.

• Artikel 3b, vierde lid, WVO: Het bestuur zendt de resultaten van de monitor, nadat de resultaten beschikbaar zijn, aan de inspectie.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs richt zich op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Dat omvat onder meer dat de school actie onderneemt als er onvoldoende sprake is van een cultuur die in overeenstemming is met basiswaarden.

VS2. Schoolklimaat

De school heeft een schoolklimaat dat bijdraagt aan het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties.

Basiskwaliteit

De school bereidt de leerlingen voor op het leven in de maatschappij. Zij creëert daarvoor een oefenplaats die leerlingen ondersteunt bij het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties. In de school doen leerlingen ervaring op met de omgang met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en de pluriforme samenleving. Het bestuur ziet erop toe dat de school zorg draagt voor een schoolklimaat dat in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en bijdraagt aan de bevordering daarvan.

Het personeel van de school is in zijn gedrag een voorbeeld voor de leerlingen: personeelsleden leven de basiswaarden zichtbaar na.

De school stemt aanpak en aanbod af op de leerlingenpopulatie van de school en de leefwereld van de leerlingen. Ook signaleert en corrigeert de school uitingen van leerlingen die met de basiswaarden in strijd zijn.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het schoolklimaat en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze, richt zich onder andere op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden en het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties.

• Artikel 17, tweede lid, WVO: Het bestuur draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en creëert een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met deze waarden.

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSRESULTATEN (OR)

OR1. Resultaten

De eoa behaalt met haar leerlingen leerresultaten die passen bij de kenmerken van de leerlingenpopulatie.

Beschrijving

De leerresultaten liggen op het niveau dat op grond van de kenmerken van de leerlingenpopulatie mag worden verwacht. Dit betekent dat de leerlingen na twee jaar de Nederlandse taal voldoende beheersen om hun schoolloopbaan te vervolgen in het reguliere voortgezet onderwijs of het vervolgonderwijs. De eoa onderbouwt welke doelen ze nastreeft en laat zien in hoeverre ze deze bereikt met de leerlingen.

Eisen die samenhangen met (aanvullende) ambities

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 2 en 3, Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen: Het onderwijs neemt de referentieniveaus van taal en rekenen als uitgangspunt.

• Artikel 6c WVO: De school werkt herkenbaar en gestructureerd aan de bestrijding van achterstanden.

• Artikelen 7 tot en met 10, WVO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

OR2. Sociale en maatschappelijke competenties

De leerlingen behalen sociale en maatschappelijke competenties op het niveau dat ten minste in overeenstemming is met de verwachtingen van het vervolgonderwijs en de maatschappij.

Basiskwaliteit

De school heeft een goed beeld van de kenmerken van haar leerlingenpopulatie en heeft ambitieuze verwachtingen over het niveau dat de leerlingen voor de sociale en maatschappelijke competenties kunnen bereiken. Ze neemt de aansluiting op het vervolgonderwijs en de maatschappij als uitgangspunt voor de competenties voor leerlingen.

De school onderbouwt welke resultaten ze op dit gebied wil bereiken. De school brengt de resultaten op een betrouwbare en inzichtelijke manier in kaart. De school spant zich zichtbaar in om ervoor te zorgen dat leerlingen die de school verlaten daaraan voldoen. Daarmee laat de school zien dat zij haar doelstellingen voor deze competenties behaald heeft.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sociale en maatschappelijke competenties en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 7 tot en met 10, WVO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs richt zich herkenbaar op het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving.

KWALITEITSGEBIED STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (SKA)

SKA1. Visie, ambities en doelen

De school heeft een gedragen visie op goed onderwijs, heeft daarvoor ambities en doelen en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

De school heeft, als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg, een gedragen visie, ambities en doelen gericht op goed onderwijs die ervoor zorgen dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. De schoolleiding vertaalt haar visie, ambities en doelen in onderwijskundig beleid en stuurt daarop om de beoogde resultaten te behalen. De schoolleiding beschrijft op welke manier ze zorgt voor het realiseren, borgen en verbeteren van de onderwijskwaliteit en hoe ze de naleving van de wettelijke eisen realiseert.

De schoolleiding sluit met haar visie, ambities en doelen aan op die van haar bestuur en op de kenmerken van de leerlingenpopulatie van de school. Dit doet zij onder meer door aan te geven hoe ze rekening houdt met (taal)achterstanden, de wettelijke opdracht tot bevordering van burgerschap en specifieke leerbehoeften om bij te dragen aan gelijke kansen voor alle leerlingen. Resultaten van eerdere evaluaties, interne en externe dialoog zijn zichtbaar in de doelen voor het onderwijskundig beleid.

De schoolleiding richt de voorwaarden in om de onderwijskundige ambities en doelen te bereiken, waaronder het personeelsbeleid en de organisatie van het onderwijs. Daarbij is de interne verantwoordelijkheidsverdeling duidelijk.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 6c WVO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat daarbij op structurele en herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden, in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 23a WVO: Het bestuur moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder zorg dragen voor wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er toetsbare doelen zijn geformuleerd.

• Artikel 24, eerste lid, WVO: Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school wordt gevoerd en omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg.

• Artikel 24, tweede lid, WVO: De beschrijving van het onderwijskundig beleid omvat in elk geval de inhoud van het onderwijs, de eigen opdrachten voor het onderwijs, het pedagogisch-didactisch klimaat en de veiligheid. Daarbij betrekt de school het schoolondersteuningsprofiel.

• Artikel 24, vierde lid, WVO: De school moet door haar stelsel van kwaliteitszorg zorg dragen voor de ononderbroken ontwikkeling van leerlingen en de afstemming van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen. Ook moet worden vastgesteld waar verbetermaatregelen nodig zijn.

• Artikel 32c WVO: Het bestuur stelt een managementstatuut vast waaruit de verantwoordelijkheidsverdeling in de aansturing van de school blijkt.

SKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

De school realiseert de doelen voor goed onderwijs, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

De school realiseert de doelen voor goed onderwijs, die voortkomen uit haar visie en ambities. De schoolleiding zorgt daartoe voor een professionele en veilige leer- en verbetercultuur in de school. Binnen deze kwaliteitscultuur geven schoolleiding en het (bevoegd) onderwijspersoneel samen uitvoering aan het stelsel van kwaliteitszorg, zodat de school als geheel gericht werkt aan het bereiken van de onderwijskundige doelen. Waar nodig stuurt de schoolleiding tussentijds bij.

De schoolleiding zorgt ervoor dat de deskundigheidsbevordering van het personeel binnen de gestelde doelen gestalte krijgt. Leraren(teams) oefenen daarbij de eigen verantwoordelijkheid bij het inrichten van hun onderwijs uit.

De schoolleiding toont in haar sturing onderwijskundig leiderschap en zorgt voor een gerichte inzet van middelen om gestelde doelen te realiseren. De school geeft uitvoering aan het schoolondersteuningsprofiel. Zij werkt samen met andere scholen, het samenwerkingsverband en andere organisaties, zodat geen leerling tussen wal en schip valt.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 17a en 17b, WVO: Voor leerlingen met extra ondersteuning werkt de school samen met het samenwerkingsverband passend onderwijs en partners in de zorg.

• Artikel 17b, tweede lid, WVO: Het bestuur stelt ten minste eenmaal in de vier jaar het schoolondersteuningsprofiel vast.

• Artikel 23a WVO: Het bestuur moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder ‘zorg dragen voor’ wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat het bestuur en de scholen zicht hebben op de kwaliteit van het onderwijs. Daarbij moet het functioneren van de kwaliteitscyclus centraal staan.

• Artikel 24, derde lid, WVO: Het schoolplan bevat een beschrijving van het personeelsbeleid. Dit personeelsbeleid gaat in elk geval over hoe wordt voldaan aan de eisen van bevoegdheid en onderhoud van bekwaamheid, de bijdrage van het personeel aan het onderwijskundig beleid, het pedagogisch-didactisch handelen, de evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding, bedoeld in artikel 32d, en de wijze waarop rekening wordt gehouden met de inbreng van leerlingen op het beleid.

• Artikel 32e, eerste tot en met derde lid, WVO: De school dient leraren een zelfstandige verantwoordelijkheid te geven bij de beoordeling van de onderwijsprestaties van leerlingen en voldoende zeggenschap waar het gaat om het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de school.

• Artikel 33 WVO: Daar waar nog niet bevoegd wordt lesgegeven, moet het bestuur afspraken maken die ertoe leiden dat de leraar de juiste bevoegdheid behaalt.

• Artikel 37a en artikel 39a1, WVO: Het bestuur beschikt bij elk personeelslid waarvoor bekwaamheidseisen gelden over geordende gegevens over de bekwaamheid en het onderhouden daarvan.

SKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

De school evalueert en analyseert systematisch of zij de doelen realiseert en verantwoordt zich daarover. Ze stelt, wanneer nodig, het schoolbeleid bij en betrekt interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

De schoolleiding evalueert, analyseert en beoordeelt als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de doelen en het beleid worden gerealiseerd en informeert het bestuur daarover. Zij haalt intern en extern actief informatie op om zicht te krijgen op de uitvoering, de resultaten van het onderwijs voor de leerlingen en mogelijke kansen en bedreigingen voor de verdere ontwikkeling van het onderwijs.

Voor een goede overdracht en om zicht te houden op het vervolgsucces van haar leerlingen, onderhoudt de school contact met de scholen/instellingen waar deze naartoe uitstromen. De schoolleiding organiseert tegenspraak. Daarvoor gaat zij actief een dialoog aan met in ieder geval ouders, personeel, de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad ((G)MR) en, wanneer van toepassing, leerlingen, gemeenten en/of (regionale)werkgevers.

De school informeert belanghebbenden minimaal jaarlijks op toegankelijke manier over haar doelen en werkwijze, en over de resultaten die zij heeft behaald.

De schoolleiding analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verwerkt deze wanneer nodig in het (verbeter)beleid, zodat dit bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwijs. Daarnaast gebruikt de school de uitkomsten van de evaluatie om de sturing te verbeteren. Zij maakt daarbij duidelijk welk effect de inbreng van belanghebbenden heeft op het borgen en bijstellen van het schoolbeleid.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen.

• Artikel 8 WMS: De (G)MR ontvangt tijdig alle inlichtingen van het bestuur die redelijkerwijs nodig zijn om zijn taak te kunnen vervullen en ontvangt in elk geval bepaalde in de wet beschreven informatie.

• Artikel 10 WMS: Het bestuur heeft in bepaalde gevallen voorafgaande instemming nodig van de (G)MR voor elk besluit dat betrekking heeft op dat geval, bijvoorbeeld bij verandering van de onderwijskundige doelstellingen van de school.

• Artikel 11 WMS: Het bestuur moet de (G)MR vooraf in de gelegenheid stellen om te adviseren over besluiten bij bepaalde aangelegenheden, bijvoorbeeld bij de vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de school.

• Artikel 12 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het personeelsdeel van de (G)MR bij besluiten bij bepaalde aangelegenheden, bijvoorbeeld bij de vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie.

• Artikel 14 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het ouder- en leerlingdeel van de (G)MR over bepaalde besluiten, bijvoorbeeld over de vaststelling van de schoolgids.

• Artikel 23a en 24, vierde lid, WVO: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er regelmatig wordt geëvalueerd of deze doelen worden gehaald.

• Artikel 24a WVO: De school maakt in de schoolgids duidelijk wat de doelen van het onderwijs zijn en welke resultaten met het onderwijsleerproces worden bereikt. Dat geldt ook voor de bevindingen ten aanzien van het stelsel van kwaliteitszorg, evenals de maatregelen die naar aanleiding daarvan zijn getroffen. Ook leerlingen worden betrokken bij de besluitvorming.

Bijlage 4 Waarderingskader internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs (igvo)

In deze bijlage is het waarderingskader voor het toezicht op het internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.5.

KWALITEITSGEBIED BESTURING, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (BKA)

BKA1. Visie, ambities en doelen

Het bestuur heeft een visie op kwaliteit, heeft hiervoor ambities en doelen opgesteld en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

Het bestuur heeft een visie op goed onderwijs en op de besturing daarvan. De visie is concreet en passend vertaald naar ambities, doelen en daarmee samenhangend beleid. Deze vertaling maakt sturing mogelijk op de kwaliteit en resultaten van het onderwijs en de voorwaarden. Daartoe is een stelsel van kwaliteitszorg ingericht dat het bestuur in staat stelt de basiskwaliteit van het onderwijs te waarborgen.

De doelen betreffen in elk geval de naleving van wettelijke eisen, waaronder de wettelijke vereisten voor het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces en de manier van toetsen en examineren. De visie, ambities en doelen omvatten uitwerkingen van eerdere evaluatieresultaten en resultaten van interne en externe dialoog.

Het bestuur zorgt er met betrokkenheid van de scholen voor dat de visie, ambities, doelen en het beleid sturend zijn voor de verbetering van het onderwijs aan leerlingen. Scholen formuleren op hun beurt doelen die aansluiten bij wat leerlingen nodig hebben met het oog op hun doorgaande onderwijsloopbaan.

Het bestuur richt de voorwaarden in om de doelen te bereiken, waaronder de inzet en het beheer van de (financiële) middelen voor het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijsproces, de diplomering, het schoolklimaat en de resultaten. Het bestuur heeft daartoe een meerjarenbegroting waarin de relatie met het beleid en de doelen duidelijk zijn toegelicht. Er is voor de sturing op (financiële) kwaliteit een functionerende verantwoordelijkheidsverdeling tussen de interne toezichthouder, het bestuur en de scholen afgesproken, op basis van de geldende wet- en regelgeving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen.

• Artikel 23a en artikel 24, vierde lid, WVO: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er toetsbare doelen zijn geformuleerd.

• Artikel 24, eerste, tweede en derde lid, WVO: Het bestuur zorgt ervoor dat alle scholen een schoolplan hebben. Het schoolplan omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg. Bij de beschrijving van het onderwijskundig beleid wordt het schoolondersteuningsprofiel betrokken. Dit bevat een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven.

• Artikel 24e, eerste en derde lid, WVO: Er moet sprake zijn van een functionele of organieke scheiding tussen uitvoerend deel van het bestuur en intern toezicht.

• Artikel 24e1, eerste lid, sub c, WVO: De interne toezichthouder ziet erop toe dat het bestuur de middelen doelmatig en rechtmatig besteedt en aanwendt.

• Artikel 32, zevende lid, WVO: Het bestuur stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van de verschillende categorieën personeel van de scholen.

• Artikel 32c WVO: Het bestuur stelt een managementstatuut vast waaruit de verantwoordelijkheidsverdeling in de aansturing van de school blijkt.

• Artikel 99 en 103a3, WVO [jo. AMvB] en artikel 21 Bekostigingsbesluit WVO: Het bestuur moet de rijksbekostiging rechtmatig aanwenden en moet evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen voorkomen.

• Artikel 103, WVO en artikel 18, eerste, tweede en vijfde lid, Bekostigingsbesluit WVO en artikel 4, vierde lid, RJO: Het bestuur maakt jaarlijks een jaarverslag waarin de resultaten van het financieel beleid en de continuïteitsparagraaf staan opgenomen.

• RJO, jo. artikel 103 WVO: De wijze waarop door het bestuur verslag wordt gedaan van het financieel beheer gebeurt overeenkomstig de daarvoor in de RJO gestelde regels.

BKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

Het bestuur realiseert samen met de scholen de doelen voor kwaliteit, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

Het bestuur geeft als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg met de scholen effectief uitvoering aan de visie en de doelen voor onderwijskwaliteit. Aan de transparante, integere kwaliteitscultuur is zichtbaar dat deze bijdraagt aan de gestelde doelen.

Het bestuur bevordert een op samenwerken, leren en verbeteren gerichte kwaliteitscultuur, zodat de doelen en ambities gerealiseerd kunnen worden. Het bestuur zorgt ervoor dat het onderwijskundig leiderschap op alle niveaus herkenbaar verankerd is in de organisatie. Ook bevordert het bestuur dat de schoolleiding en teams gezamenlijk werken aan hun professionaliteit in relatie tot de bekwaamheidseisen en aan een verbetercultuur.

Binnen de kwaliteitscultuur geeft het bestuur uitvoering aan kwaliteitszorg gericht op de kwaliteit van het onderwijs, de afspraken uit het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband passend onderwijs en de naleving van wettelijke voorschriften. Het bestuur bewaakt en bevordert dat de uitvoering in overeenstemming is met het beleid, zodat de doelen worden bereikt. Het bestuur houdt zicht op de uitvoering van het beleid en op de nagestreefde verbeteringen en stuurt daarop, zo nodig, tussentijds bij.

De beschikbare (financiële) middelen dragen bij aan de realisatie van de door het bestuur gestelde doelen en worden doelmatig en rechtmatig aangewend. Als onderdeel van zijn taak ziet de interne toezichthouder daarop toe. Het bestuur voorkomt evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen. Daarnaast stuurt het bestuur op effectief financieel beheer, zodat de continuïteit van het onderwijs gewaarborgd is en bekostiging rechtmatig verkregen wordt.

Het interne toezicht geeft voorts onafhankelijk en deugdelijk invulling aan zijn taak en wordt daarin gefaciliteerd door het uitvoerend deel van het bestuur.1 Het bestuur zorgt voor goed functionerende medezeggenschap en opereert volgens een code Goed Bestuur of legt in het jaarverslag uit als het daar eventueel van afwijkt en waarom dat het geval is. Ook stelt het bestuur de examencommissie in en benoemt de leden. Als laatste zorgt het bestuur voor een doeltreffende verwerking van interne en externe signalen en klachten.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 4, vierde lid, RJO: het bestuur zorgt voor een continuïteitsparagraaf in de jaarverslaggeving.

• Artikel 23a en 24, vierde lid, WVO: Bestuur en schoolleiding zorgen ervoor dat de wet wordt nageleefd en dat er wanneer nodig verbetermaatregelen komen voor de kwaliteit. Dat houdt onder andere in dat het bestuur en de scholen zicht hebben op de kwaliteit van het onderwijs. Daarbij moet het functioneren van de kwaliteitscyclus centraal staan.

• Artikel 24, eerste en derde lid, artikel 33, artikel 37a en artikel 39a1, WVO: Het bestuur zorgt voor bevoegd personeel en maakt het onderhouden en uitbreiden van de bekwaamheid mogelijk.

• Artikel 24a, eerste lid, sub e, jo. artikel 24b en 24g, WVO: Het bestuur communiceert over de klachtenregeling in de schoolgids(en). Voor leerlingen kan worden volstaan met vermelding van de rechten en plichten in het leerlingenstatuut.

• Artikel 24b WVO: Het bestuur heeft een klachtenregeling die leidt tot een deugdelijke klachtbehandeling waarbij voldaan wordt aan de specifieke vereisten die dit artikel noemt.

• Artikel 24d, eerste lid, WVO: Het bestuur draagt zorg voor een goed bestuurde school met een scheiding tussen het uitvoerend deel van het bestuur en het toezicht en met een rechtmatig bestuur en beheer.

• Artikel 24e, tweede lid, WVO: De interne toezichthouder (of lid daarvan) functioneert onafhankelijk van het uitvoerend deel van het bestuur.

• Artikel 24e1, eerste lid, WVO: De interne toezichthouder houdt toezicht op de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden door het uitvoerend deel van het bestuur, staat het uitvoerend deel van het bestuur met raad ter zijde en heeft ten minste bepaalde taken.

• Artikel 24e1, tweede, vierde en vijfde lid, WVO: De taken en bevoegdheden van de interne toezichthouder of het intern toezichthoudend orgaan zijn zodanig dat hij een deugdelijk en onafhankelijk intern toezicht kan uitoefenen.

• Artikel 32e, tweede, derde en vierde lid, WVO: Het bestuur dient leraren een zelfstandige verantwoordelijkheid te geven bij de beoordeling van de onderwijsprestaties van leerlingen en voldoende zeggenschap te geven waar het gaat om het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de school.

• [Artikel 35d Eindexamenbesluit VO: Het bestuur stelt een of meerdere onafhankelijke en deskundig functionerende examencommissie(s) in ten behoeve van de kwaliteit van de toetsing en examinering op de school, waarbij voldaan wordt aan de specifieke vereisten die dit artikel noemt.]

• Artikel 99 en 103a3, WVO [jo. AMvB] en artikel 21 Bekostigingsbesluit WVO: Het bestuur moet de rijksbekostiging rechtmatig aanwenden en moet evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen voorkomen.

• Artikel 99b WVO: Het bestuur beheert de middelen van de school op zodanige wijze dat het voortbestaan van de school is verzekerd.

• Artikel 103, eerste lid, WVO: Het bestuur dient een code Goed Bestuur te hanteren en verantwoordt zich over eventuele afwijkingen in het jaarverslag.

• Artikel 103a3, vierde lid WVO: Als sprake is van evident ondoelmatige aanwending, kunnen daar financiële gevolgen aan worden verbonden, zoals wijziging van de bekostiging en het terugvorderen van het onverschuldigd betaalde deel van de bekostiging.2

• Artikel 103a3, vijfde lid WVO [jo. AMvB]: Bij of krachtens AMvB worden nadere regels gesteld over de wijze waarop wordt vastgesteld dat sprake is van evident ondoelmatige aanwending van de bekostiging.

BKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

Het bestuur evalueert en analyseert systematisch of het de doelen realiseert en verantwoordt zich hierover. Het stelt wanneer dat nodig is het beleid bij en betrekt daartoe interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

Het bestuur evalueert en beoordeelt als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de ambities, de doelen en het beleid worden gerealiseerd. Op deze manier krijgt het bestuur zicht op de gerealiseerde (financiële) kwaliteit en de resultaten van het onderwijs aan leerlingen. Bij de evaluatie en beoordeling van het beleid en de onderwijskwaliteit haalt het bestuur actief externe informatie op en gebruikt deze informatie bij de evaluatie en beoordeling. Op basis van de evaluatie reageert het bestuur tijdig op mogelijke kansen en bedreigingen, stelt wanneer nodig (verbeter)beleid op en treft passende maatregelen om de kwaliteit van het onderwijs op de scholen te borgen.

Het bestuur legt verantwoording af door middel van accurate, actuele en openbaar toegankelijke informatie over de gerealiseerde kwaliteit. Het brengt minimaal jaarlijks verslag uit aan zijn in- en externe belanghebbenden over zijn doelen en de resultaten van de opleidingen. De verantwoording in het jaarverslag is betrouwbaar en (de inhoud van) het jaarverslag voldoet aan de wettelijke vereisten.

Het bestuur verantwoordt zich daarbij ten minste over het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces, de manier van toetsen en examineren en het financieel beheer. De reflectie op de uitkomsten van de evaluatie geeft alle lagen van de organisatie, intern toezicht en de medezeggenschap voldoende inzicht in de effectiviteit van de besturing en uitvoering. Het bestuur analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verantwoording. Vervolgens verwerkt het bestuur deze wanneer nodig in bijstelling van ambities, (verbeter)doelen en beleid of nieuwe ambities zodat de opbrengst van de dialoog bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwijs en de sturing daarop. Het bestuur organiseert ook de dialoog hierover met interne en externe belanghebbenden, waarbij in elk geval leerlingen, personeel, het regionale bedrijfsleven en de interne toezichthouder zijn betrokken. Het bestuur werkt bovendien actief samen met andere partijen aan doelen die het bestuurlijk belang overstijgen en de kernfuncties raken. Zo komt het bestuur de afspraken uit het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband passend onderwijs na en verantwoordt zich hierover.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1 en artikel 3, sub f, RJO, jo. artikel 103, WVO: Het bestuur informeert jaarlijks interne en externe belanghebbenden over het gevoerde en voorgenomen beleid en over de uitkomsten van het gevoerde beleid.

• Artikel 4, vierde lid, RJO, jo. 103, WVO: Het bestuur maakt jaarlijks een jaarverslag waarin naast de resultaten van het financieel beleid ook verantwoording wordt gegeven over toekomstige ontwikkelingen van het onderwijs.

• Artikel 8 WMS: De (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad ((G)MR) ontvangt tijdig alle inlichtingen van het bestuur die redelijkerwijs nodig zijn om zijn taak te kunnen vervullen en ontvangt in elk geval bepaalde in de wet beschreven informatie.

• Artikel 10 WMS: In bepaalde gevallen heeft het bevoegde gezag voorafgaand instemming van de (G)MR nodig voor besluiten die op dat geval betrekking hebben (bijvoorbeeld bij verandering van de onderwijskundige doelstellingen van de school).

• Artikel 11 WMS: Het bestuur moet de (G)MR vooraf in de gelegenheid stellen om te adviseren over besluiten bij bepaalde aangelegenheden (bijvoorbeeld vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de school).

• Artikel 12 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het personeelsdeel van de (G)MR bij besluiten bij bepaalde aangelegenheden (bijvoorbeeld bij de vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie).

• Artikel 14 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het ouder- en leerlingdeel van de (G)MR over bepaalde besluiten (bijvoorbeeld bij de vaststelling van de schoolgids).

• Artikel 23a en artikel 24, vierde lid, WVO: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er regelmatig wordt geëvalueerd of deze doelen worden gehaald.

• Artikel 103, eerste lid, WVO: Het bestuur dient een code Goed Bestuur te hanteren en verantwoordt zich over eventuele afwijkingen in het jaarverslag.

• Artikel 103, zevende en achtste lid, WVO: Het bestuur maakt het jaarverslag openbaar. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de wijze en het tijdstip waarop openbaarmaking van het jaarverslag plaatsvindt.

• RJO, jo. artikel 103 WVO: De wijze waarop door het bestuur verslag wordt gedaan van het financieel beheer gebeurt overeenkomstig de daarvoor in de RJO gestelde regels.

• Artikel 118a WVO: De bevoegde gezagsorganen van de scholen voeren jaarlijks overleg met elkaar en met de gemeente over het voorkomen van segregatie, het bevorderen van integratie en het bestrijden van achterstanden.

X Noot
1

Volgens artikel 1, sub c, RJO: het geheel van verslaggevingsdocumenten bestaande uit de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392, titel 9, boek 2, BW.

X Noot
2

Met het amendement (Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 102, nr. 11) is geregeld dat een bekostigingssanctie alleen kan worden opgelegd aan het bestuur nadat bij AMvB een nadere invulling wordt gegeven aan het begrip ‘evident ondoelmatige besteding’. Zonder deze algemene maatregel van bestuur is handhaving op ‘evident ondoelmatige besteding’ niet mogelijk. Tot de datum van inwerkingtreding van de AMvB richt de inspectie zich op haar stimulerende taak op dit gebied en zal alleen een Onvoldoende worden gegeven als een bestuur niet voldoet aan de op dit moment bij de basiskwaliteit opgenomen elementen.

KWALITEITSGEBIEDEN EN STANDAARDEN VO SCHOOLNIVEAU

OP ONDERWIJSPROCES

OP1

Aanbod

OP2

Zicht op ontwikkeling en begeleiding

OP3

Pedagogisch-didactisch handelen

OP4

Onderwijstijd

OP6

Afsluiting

VS VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT

VS1

Veiligheid

VS2

Schoolklimaat

OR ONDERWIJSRESULTATEN

OR1

Resultaten

OR2

Sociale en maatschappelijke competenties

SKA STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE

SKA1

Visie, ambities en doelen

SKA2

Uitvoering en kwaliteitscultuur

SKA3

Evaluatie, verantwoording en dialoog

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSPROCES (OP)

OP1. Aanbod

Het aanbod bereidt de leerlingen voor op vervolgonderwijs en de samenleving.

Basiskwaliteit

De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs en de samenleving. Zij biedt een breed aanbod dat voldoet aan de standaarden van het desbetreffende buitenlandse of internationale curriculum (International Baccalaureate (IB) of European Baccalaureate (EB) diploma program) en dat ook de basisvaardigheden taal en rekenen omvat. Onder aanbod verstaan we alle lesinhouden, ook die digitaal zijn of online aangeboden worden. Het aanbod van de school is afgestemd op de leerlingenpopulatie en sluit aan bij het (taal)niveau en de onderwijsbehoeften van de leerlingen. Het aanbod wordt waar nodig gedurende de schoolloopbaan verdiept en verbreed, zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. Het aanbod is doelgericht, samenhangend en herkenbaar. Bovendien heeft de school de leerinhouden evenwichtig en in samenhang over de leerjaren verdeeld.

Het aanbod draagt bij aan het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en aan het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties die leerlingen in staat stellen deel uit te maken en bij te dragen aan de pluriforme, democratische samenleving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het aanbod en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 2 en 3, Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen, jo. artikel 2, Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen: Het onderwijs neemt de referentieniveaus van taal en rekenen als uitgangspunt.

• Artikel 7 tot en met 10, WVO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 11b en 11c, eerste lid, WVO: Het onderwijsaanbod voor de eerste twee leerjaren voldoet aan de kerndoelen en is samenhangend ingericht.

• Artikel 13 en 14, Beleidsregel IGVO 2010: De inrichting van de cursussen International Baccalaureate Middle Years Program (IB MYP) en International Baccalaureate Diploma Programme (IB DP) voldoen aan de eisen voor toepassing in het igvo.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 24, tweede lid, sub a, WVO: Het schoolplan bevat de uitwerking van de wettelijke opdrachten voor de uitgangspunten, doelstellingen en inhoud van het onderwijs.

OP2. Zicht op ontwikkeling en begeleiding

De school volgt de ontwikkeling van de leerlingen en biedt waar nodig passende begeleiding en extra ondersteuning.

Basiskwaliteit

De school verzamelt vanaf binnenkomst systematisch informatie over de kennis en vaardigheden van leerlingen op alle voor het onderwijs belangrijke domeinen. Het verzamelen van (toets)informatie gebeurt systematisch en zorgvuldig. De school vergelijkt de informatie met de verwachte ontwikkeling van de leerling. Dit maakt het mogelijk om het onderwijs af te stemmen op de onderwijsbehoeften van zowel groepen als individuele leerlingen. Het stelt de school in staat zorg te dragen voor de ontwikkeling en begeleiding van de leerling. De school waarborgt daarmee voor leerlingen de ononderbroken ontwikkeling en voortgang daarin en heeft daarbij oog voor de bevordering van gelijke kansen. De school informeert ouders regelmatig over de ontwikkeling en de vorderingen van hun kind.

Wanneer individuele of groepen leerlingen niet genoeg lijken te profiteren van het onderwijs, analyseert de school waar de ontwikkeling stagneert en wat mogelijke verklaringen hiervoor zijn. Vervolgens bepaalt zij wat er nodig is om op eventuele achterstanden of voorsprongen in de ontwikkeling van leerlingen in te spelen. De school biedt de begeleiding vervolgens gestructureerd aan. Waar nodig betrekt de school het samenwerkingsverband, de gemeente en zorginstanties bij de begeleiding van de leerlingen.

De leerlingen krijgen daarmee de begeleiding die zij nodig hebben om het onderwijsprogramma beter te kunnen doorlopen. De school besteedt op structurele en herkenbare manier aandacht aan het bestrijden van (taal)achterstanden, zowel in de Engelse als in de Nederlandse taal.

De school heeft in het schoolondersteuningsprofiel vastgelegd wat zij onder extra ondersteuning verstaat en welke voorzieningen de school kan bieden. Voor de leerlingen die deze extra ondersteuning nodig hebben, legt de school in het ontwikkelingsperspectief vast hoe zij het onderwijs afstemt op de behoefte van de leerling en registreert het ontwikkelingsperspectief in BRON. De school voert de geplande ondersteuning uit. De inhoud en uitvoering van dit plan wordt minimaal eenmaal per schooljaar met de ouders geëvalueerd. De school vervult de zorgplicht passend onderwijs. Wanneer de school de extra ondersteuning voor de leerlingen niet kan bieden, zoekt de school in samenwerking met ouders en zo nodig het samenwerkingsverband een passende onderwijsplek of passende aanvullende externe begeleiding.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor zicht op ontwikkeling en begeleiding en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1 WVO: In het schoolondersteuningsprofiel is vastgelegd welke voorzieningen zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 6c WVO: De school werkt herkenbaar en gestructureerd aan de bestrijding van achterstanden.

• Artikel 15c Inrichtingsbesluit WVO: In het ontwikkelingsperspectief is informatie opgenomen over de begeleiding die de leerling wordt geboden, in welke onderwijssoort in het voortgezet onderwijs de leerling naar verwachting het examen zal halen en over de belemmerende en de bevorderende factoren die van invloed zijn op het onderwijs aan de leerling.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze. Dat omvat onder meer regelmatig monitoren van de ontwikkeling van burgerschapscompetenties, om het onderwijs af te stemmen op de actuele leerbehoefte van leerlingen.

• Artikel 17b, eerste lid, WVO: De school biedt individuele begeleiding die is afgestemd op de behoeften van de leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.

• Artikel 17b, tweede lid, WVO: Het bestuur stelt ten minste eenmaal in de vier jaar het schoolondersteuningsprofiel vast.

• Artikel 23b WVO: De school rapporteert over de vorderingen van de leerlingen aan hun ouders, voogden of verzorgers, dan wel aan de leerlingen zelf wanneer zij meerderjarig en handelingsbekwaam zijn.

• Artikel 24, tweede lid, WVO: De school heeft in het schoolplan beschreven op welke wijze het schoolondersteuningsprofiel wordt betrokken bij het onderwijskundig beleid.

• Artikel 24, vierde lid, sub a, WVO: De school heeft de wijze waarop het onderwijs wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen in het schoolplan beschreven.

• Artikel 26, eerste en derde lid, WVO: Het bestuur stelt, na op overeenstemming gericht overleg met de ouders, een ontwikkelingsperspectief vast voor een leerling die extra ondersteuning nodig heeft.

• Artikel 26, tweede lid, WVO: Over het handelingsdeel van het ontwikkelperspectief dient door het bestuur overeenstemming met de ouders te worden bereikt.

• Artikel 26, vierde lid, WVO: Het bestuur evalueert het ontwikkelingsperspectief minimaal eens per schooljaar met de ouders.

• Artikel 26, vijfde lid, WVO: Het bestuur kan het ontwikkelingsperspectief bijstellen.

• Artikel 27, lid 2b, WVO: De school beoordeelt of de leerling extra ondersteuning nodig heeft.

• Artikel 27, lid 2c, WVO: De school houdt zich aan de zorgplicht passend onderwijs.

• Artikel 12 Wet register onderwijsdeelnemers, jo. artikel 8, vijfde lid, Besluit register onderwijsdeelnemers: Het bestuur registreert in het Basisregister Onderwijs (BRON) voor welke periode er voor een leerling een ontwikkelingsperspectief is vastgesteld en, indien van toepassing, welke periode een leerling in een orthopedagogisch didactisch centrum (opdc) is geplaatst.

OP3. Pedagogisch-didactisch handelen

Het pedagogisch-didactisch handelen van de leraren stelt leerlingen in staat om te leren en zich te ontwikkelen.

Basiskwaliteit

De pedagogisch-didactische visie van de school is zichtbaar in het dagelijks handelen van de leraren.

De leraren plannen en structureren hun handelen met behulp van informatie die zij over leerlingen hebben. Zij maken pedagogische en didactische keuzes en stemmen daarbij het niveau van hun onderwijs af op het beoogde eindniveau van de leerlingen. De leerstof omvat kennis, vaardigheden en attitudes en wordt in een logische opbouw aangeboden.

De leraren creëren een pedagogisch en didactisch passend en stimulerend leerklimaat, waardoor leerlingen actief en betrokken zijn. Met geschikte opdrachten en heldere uitleg structureren de leraren het onderwijsaanbod zo dat de leerlingen zich het leerstofaanbod eigen kunnen maken. Leraren hebben hoge verwachtingen van leerlingen en geven leerlingen feedback op hun leerproces.

De leraren stemmen de instructies, begeleiding, opdrachten en onderwijstijd doelgericht af op de onderwijsbehoeften van groepen en individuele leerlingen, inclusief op de sociale en maatschappelijke competenties. De afstemming is zowel gericht op (pedagogische) ondersteuning als op uitdaging, afhankelijk van de onderwijsbehoeften van leerlingen.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het pedagogisch-didactisch handelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen. Voor deze ononderbroken ontwikkeling is het nodig dat het onderwijs aansluit bij het ontwikkelingsniveau van de leerling.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 24, tweede en derde lid, WVO: De school heeft haar beleid over het pedagogisch-didactisch handelen in het schoolplan geformuleerd. Het beleid over het pedagogisch-didactisch handelen is zichtbaar in het dagelijks handelen van de leraren.

OP4. Onderwijstijd

De leerlingen krijgen voldoende tijd om zich het aanbod eigen te maken.

Basiskwaliteit

De school biedt een programma aan dat voldoet aan de wettelijk verplichte onderwijstijd. De school stelt daartoe, met instemming van de medezeggenschapsraad, vast welke activiteiten onder de onderwijstijd vallen. De school plant de onderwijsactiviteiten weloverwogen over het schooljaar en deze worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van bevoegde leraren.

De school verdeelt de tijd zo over de vakken dat leerlingen in staat zijn het verplichte onderwijsprogramma tot zich te nemen. De school heeft beleid om ongeoorloofd verzuim en voortijdig schoolverlaten van leerlingen tegen te gaan, zodat ook op leerlingniveau gestreefd wordt de onderwijstijd te behalen.

De school maakt, zo nodig, volgens de wettelijke voorschriften gebruik van de mogelijkheden om, in het belang van de individuele leerling, af te wijken van de verplichte onderwijstijd en/of van de mogelijkheid om een leerling een deel van de onderwijstijd door te laten brengen op een andere school.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de onderwijstijd en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 6g WVO: De school verzorgt minimaal het wettelijk verplichte aantal uren en dagen onderwijs.

• Artikel 6g, vijfde lid, WVO: De onderwijstijd wordt ingevuld met activiteiten die worden verzorgd in het onderwijsprogramma.

• Artikel 6g, zevende lid, WVO, jo. Beleidsregel inzake het instemmen met afwijking onderwijstijd WVO: Voor het afwijken van de onderwijstijd vraagt het bestuur in bepaalde gevallen instemming van de inspectie.

• Artikel 6h, WVO, jo. artikel 7c, Bekostigingsbesluit WVO: Als een voor leerling een deel van het onderwijsprogramma onderwijs ontvangt op een andere school en het bestuur voldoet aan de voorwaarden daarvoor, dan telt die tijd mee voor het aantal uren onderwijs dat de leerling ten minste moet ontvangen.

• Artikel 10f, lid 3a, WVO: De onderwijstijd voor het praktijkonderwijs wordt ingericht conform de voorschriften.

• Artikel 14, vierde lid, WMS: De medezeggenschapsraad (het ouder-/leerlingendeel) moet vooraf instemmen met:

– welke soorten onderwijsactiviteiten binnen de onderwijstijd vallen;

– wat het beleid is voor lesuitval;

– op welke dagen de school geen onderwijs verzorgt.

• Artikel 24a, eerste lid, sub h, WVO: De school heeft haar verzuimbeleid opgenomen in de schoolgids.

• Artikel 33 WVO: Bij onderwijstijd moet het gaan om (onderwijs)activiteiten die worden verzorgd onder verantwoordelijkheid van diegenen die op grond van artikel 33, WVO onderwijs mogen verzorgen.

OP6. Afsluiting

De afsluiting van het onderwijs verloopt zorgvuldig.

Basiskwaliteit

De school zorgt ervoor dat alle leerlingen goed worden voorbereid op de afsluiting van het onderwijs. De school stelt leerlingen in staat om examens en proeven af te leggen en heeft een examenreglement dat voldoet aan de eisen van de wetgeving. De school maakt tijdig aan leerlingen en ouders duidelijk hoe het examen georganiseerd is, welke regels daarbij gelden en welke maatregelen de school hanteert bij leerlingen die zich niet aan de regels houden. Ook moet duidelijk zijn welke examens leerlingen op welke manier kunnen herkansen, welke stof wanneer wordt geëxamineerd, hoe het examen meeweegt en welke vrijstellingen gelden. De examinering verloopt volgens het examenreglement.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de afsluiting en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 15, eerste lid, Beleidsregel IGVO 2010: Het bestuur stelt een examenreglement vast.

• Artikel 15, tweede en derde lid, Beleidsregel IGVO 2010: Het bestuur stelt leerlingen in staat om examens en proeven af te leggen ter afsluiting van hun cursus.

KWALITEITSGEBIED VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT (VS)

VS1. Veiligheid

De school zorgt voor een veilige omgeving voor leerlingen.

Basiskwaliteit

De school zorgt voor de sociale, fysieke en psychische veiligheid van de leerlingen op school gedurende de schooldag. Een school is veilig als de sociale, fysieke en psychische veiligheid van leerlingen niet door handelingen van anderen wordt aangetast. Dit blijkt onder andere uit de beleving van de veiligheid en het welbevinden van de leerlingen op school. De school monitort dit ten minste jaarlijks met een gestandaardiseerd instrument.

De school heeft een veiligheidsbeleid beschreven dat bestaat uit een samenhangende set van maatregelen. Het beleid is gericht op het voorkomen, afhandelen, registreren en evalueren van incidenten, en de school voert dat beleid ook uit. Als de uitkomsten van de monitoring daartoe aanleiding geven, treft de school maatregelen om de situatie te verbeteren. De school voorkomt, zoveel als mogelijk, (digitaal)pesten, agressie en geweld in elke vorm en treedt zo nodig snel en adequaat op. Dat geldt ook bij uitingen die strijdig zijn met basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals discriminatie en onverdraagzaamheid. De school heeft een persoon aangesteld die voor ouders en leerlingen het aanspreekpunt is in geval van pesten en die het beleid tegen pesten coördineert.

De school hanteert de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling. Daarnaast komt de school de verplichtingen na rond het melden, overleggen en aangifte doen van zedenmisdrijven.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de veiligheid en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 3 WVO: Het bestuur houdt zich aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van het melden van een mogelijk zedenmisdrijf en het overleggen daarover, en het aangifte doen in het geval van een (redelijk vermoeden van een) zedenmisdrijf. Het bestuur treedt hierbij onverwijld in contact met de vertrouwensinspecteur.

• Artikel 3a WVO: Het bestuur stelt voor het personeel een meldcode vast die aangeeft hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan. Daarnaast moet het bestuur de kennis en het gebruik van de meldcode bevorderen.

• Artikel 3b, eerste lid, sub a, WVO: Het bestuur heeft beleid ten aanzien van de veiligheid van leerlingen en voert dat ook uit.

• Artikel 3b, eerste lid, sub b, WVO: Het bestuur monitort de veiligheid van leerlingen met een instrument dat een representatief en actueel beeld geeft.

• Artikel 3b, eerste lid, sub c, WVO: Het bestuur heeft de volgende taken belegd bij een persoon:

– coördinatie van het beleid in het kader van het tegengaan van pesten op school;

– fungeren als aanspreekpunt in het kader van pesten.

• Artikel 3b, tweede lid, WVO: Onder veiligheid, bedoeld in artikel 3b, eerste lid, wordt de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen verstaan.

• Artikel 3b, vierde lid, WVO: Het bestuur zendt de resultaten van de monitor, nadat de resultaten beschikbaar zijn, aan de inspectie.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs richt zich op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Dat omvat onder meer dat de school actie onderneemt als er onvoldoende sprake is van een cultuur die in overeenstemming is met basiswaarden.

VS2. Schoolklimaat

De school heeft een schoolklimaat dat bijdraagt aan het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties.

Basiskwaliteit

De school bereidt de leerlingen voor op het leven in de maatschappij. Zij creëert daarvoor een oefenplaats die leerlingen ondersteunt bij het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties. In de school doen leerlingen ervaring op met de omgang met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en de pluriforme samenleving. Het bestuur ziet erop toe dat de school zorg draagt voor een schoolklimaat dat in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en bijdraagt aan de bevordering daarvan.

Het personeel van de school is in zijn gedrag een voorbeeld voor de leerlingen: personeelsleden leven de basiswaarden zichtbaar na.

De school stemt aanpak en aanbod af op de leerlingenpopulatie van de school en de leefwereld van de leerlingen. Ook signaleert en corrigeert de school uitingen van leerlingen die met de basiswaarden in strijd zijn.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het schoolklimaat en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze, richt zich onder andere op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden en het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties.

• Artikel 17, tweede lid, WVO: Het bestuur draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en creëert een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met deze waarden.

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSRESULTATEN (OR)

OR1. Resultaten

De school behaalt met haar leerlingen leerresultaten die ten minste in overeenstemming zijn met de kenmerken van de leerlingenpopulatie.

Beschrijving

De leerresultaten liggen op het niveau dat op grond van de kenmerken van de leerlingenpopulatie mag worden verwacht. Dit betekent dat de school zorgt dat zoveel mogelijk leerlingen zonder vertraging het examen halen op het niveau dat past bij hun competenties.

Eisen die samenhangen met (aanvullende) ambities

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikelen 7 tot en met 10, WVO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

OR2. Sociale en maatschappelijke competenties

De leerlingen behalen sociale en maatschappelijke competenties op het niveau dat ten minste in overeenstemming is met de verwachtingen van het vervolgonderwijs en de maatschappij.

Basiskwaliteit

De school heeft een goed beeld van de kenmerken van haar leerlingenpopulatie en heeft ambitieuze verwachtingen over het niveau dat de leerlingen voor de sociale en maatschappelijke competenties kunnen bereiken. Ze neemt de aansluiting op het vervolgonderwijs en de maatschappij als uitgangspunt voor de competenties voor leerlingen.

De school onderbouwt welke resultaten ze op dit gebied wil bereiken. De school brengt de resultaten op een betrouwbare en inzichtelijke manier in kaart. De school spant zich zichtbaar in om ervoor te zorgen dat leerlingen die de school verlaten daaraan voldoen. Daarmee laat de school zien dat zij haar doelstellingen voor deze competenties behaald heeft.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sociale en maatschappelijke competenties en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 7 tot en met 10, WVO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs richt zich herkenbaar op het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving.

KWALITEITSGEBIED STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (SKA)

SKA1. Visie, ambities en doelen

De school heeft een gedragen visie op goed onderwijs, heeft daarvoor ambities en doelen en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

De school heeft, als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg, een gedragen visie, ambities en doelen gericht op goed onderwijs die ervoor zorgen dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. De schoolleiding vertaalt haar visie, ambities en doelen in onderwijskundig beleid en stuurt daarop om de beoogde resultaten te behalen. De schoolleiding beschrijft op welke manier ze zorgt voor het realiseren, borgen en verbeteren van de onderwijskwaliteit en hoe ze de naleving van de wettelijke eisen realiseert.

De schoolleiding sluit met haar visie, ambities en doelen aan op die van haar bestuur en op de kenmerken van de leerlingenpopulatie van de school. Dit doet zij onder meer door aan te geven hoe ze rekening houdt met (taal)achterstanden, de wettelijke opdracht tot bevordering van burgerschap en specifieke leerbehoeften om bij te dragen aan gelijke kansen voor alle leerlingen. Resultaten van eerdere evaluaties, interne en externe dialoog zijn zichtbaar in de doelen voor het onderwijskundig beleid.

De schoolleiding richt de voorwaarden in om de onderwijskundige ambities en doelen te bereiken, waaronder het personeelsbeleid en de organisatie van het onderwijs. Daarbij is de interne verantwoordelijkheidsverdeling duidelijk.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 6c WVO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat daarbij op structurele en herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden, in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 23a WVO: Het bestuur moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder zorg dragen voor wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er toetsbare doelen zijn geformuleerd.

• Artikel 24, eerste lid, WVO: Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school wordt gevoerd en omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg.

• Artikel 24, tweede lid, WVO: De beschrijving van het onderwijskundig beleid omvat in elk geval de inhoud van het onderwijs, de eigen opdrachten voor het onderwijs, het pedagogisch-didactisch klimaat en de veiligheid. Daarbij betrekt de school het schoolondersteuningsprofiel.

• Artikel 24, vierde lid, WVO: De school moet door haar stelsel van kwaliteitszorg zorg dragen voor de ononderbroken ontwikkeling van leerlingen en de afstemming van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen. Ook moet worden vastgesteld waar verbetermaatregelen nodig zijn.

• Artikel 32c WVO: Het bestuur stelt een managementstatuut vast waaruit de verantwoordelijkheidsverdeling in de aansturing van de school blijkt.

SKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

De school realiseert de doelen voor goed onderwijs, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

De school realiseert de doelen voor goed onderwijs, die voortkomen uit haar visie en ambities. De schoolleiding zorgt daartoe voor een professionele en veilige leer- en verbetercultuur in de school. Binnen deze kwaliteitscultuur geven schoolleiding en het (bevoegd) onderwijspersoneel samen uitvoering aan het stelsel van kwaliteitszorg, zodat de school als geheel gericht werkt aan het bereiken van de onderwijskundige doelen. Waar nodig stuurt de schoolleiding tussentijds bij.

De schoolleiding zorgt ervoor dat de deskundigheidsbevordering van het personeel binnen de gestelde doelen gestalte krijgt. Leraren(teams) oefenen daarbij de eigen verantwoordelijkheid bij het inrichten van hun onderwijs uit.

De schoolleiding toont in haar sturing onderwijskundig leiderschap en zorgt voor een gerichte inzet van middelen om gestelde doelen te realiseren. De school geeft uitvoering aan het schoolondersteuningsprofiel. Zij werkt samen met andere scholen, het samenwerkingsverband en andere organisaties, zodat geen leerling tussen wal en schip valt.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 17a en 17b, WVO: Voor leerlingen met extra ondersteuning werkt de school samen met het samenwerkingsverband passend onderwijs en partners in de zorg.

• Artikel 17b, tweede lid, WVO: Het bestuur stelt ten minste eenmaal in de vier jaar het schoolondersteuningsprofiel vast.

• Artikel 23a WVO: Het bestuur moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder ‘zorg dragen voor’ wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat het bestuur en de scholen zicht hebben op de kwaliteit van het onderwijs. Daarbij moet het functioneren van de kwaliteitscyclus centraal staan.

• Artikel 24, derde lid, WVO: Het schoolplan bevat een beschrijving van het personeelsbeleid. Dit personeelsbeleid gaat in elk geval over hoe wordt voldaan aan de eisen van bevoegdheid en onderhoud van bekwaamheid, de bijdrage van het personeel aan het onderwijskundig beleid, het pedagogisch-didactisch handelen, de evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding, bedoeld in artikel 32d, en de wijze waarop rekening wordt gehouden met de inbreng van leerlingen op het beleid.

• Artikel 32e, eerste tot en met derde lid, WVO: De school dient leraren een zelfstandige verantwoordelijkheid te geven bij de beoordeling van de onderwijsprestaties van leerlingen en voldoende zeggenschap waar het gaat om het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de school.

• Artikel 33 WVO: Daar waar nog niet bevoegd wordt lesgegeven, moet het bestuur afspraken maken die ertoe leiden dat de leraar de juiste bevoegdheid behaalt.

• Artikel 37a en artikel 39a1, WVO: Het bestuur beschikt bij elk personeelslid waarvoor bekwaamheidseisen gelden over geordende gegevens over de bekwaamheid en het onderhouden daarvan.

SKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

De school evalueert en analyseert systematisch of zij de doelen realiseert en verantwoordt zich daarover. Ze stelt, wanneer nodig, het schoolbeleid bij en betrekt interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

De schoolleiding evalueert, analyseert en beoordeelt als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de doelen en het beleid worden gerealiseerd en informeert het bestuur daarover. Zij haalt intern en extern actief informatie op om zicht te krijgen op de uitvoering, de resultaten van het onderwijs voor de leerlingen en mogelijke kansen en bedreigingen voor de verdere ontwikkeling van het onderwijs.

Voor een goede overdracht en om zicht te houden op het vervolgsucces van haar leerlingen, onderhoudt de school contact met de scholen/instellingen waar deze naartoe uitstromen. De schoolleiding organiseert tegenspraak. Daarvoor gaat zij actief een dialoog aan met in ieder geval ouders, personeel, de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad ((G)MR) en, wanneer van toepassing, leerlingen, gemeenten en/of (regionale)werkgevers.

De school informeert belanghebbenden minimaal jaarlijks op toegankelijke manier over haar doelen en werkwijze, en over de resultaten die zij heeft behaald.

De schoolleiding analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verwerkt deze wanneer nodig in het (verbeter)beleid, zodat dit bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwijs. Daarnaast gebruikt de school de uitkomsten van de evaluatie om de sturing te verbeteren. Zij maakt daarbij duidelijk welk effect de inbreng van belanghebbenden heeft op het borgen en bijstellen van het schoolbeleid.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen.

• Artikel 8 WMS: De (G)MR ontvangt tijdig alle inlichtingen van het bestuur die redelijkerwijs nodig zijn om zijn taak te kunnen vervullen en ontvangt in elk geval bepaalde in de wet beschreven informatie.

• Artikel 10 WMS: Het bestuur heeft in bepaalde gevallen voorafgaande instemming nodig van de (G)MR voor elk besluit dat betrekking heeft op dat geval, bijvoorbeeld bij verandering van de onderwijskundige doelstellingen van de school.

• Artikel 11 WMS: Het bestuur moet de (G)MR vooraf in de gelegenheid stellen om te adviseren over besluiten bij bepaalde aangelegenheden, bijvoorbeeld bij de vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de school.

• Artikel 12 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het personeelsdeel van de (G)MR bij besluiten bij bepaalde aangelegenheden, bijvoorbeeld bij de vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie).

• Artikel 14 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het ouder- en leerlingdeel van de (G)MR over bepaalde besluiten, bijvoorbeeld over de vaststelling van de schoolgids.

• Artikel 23a en 24, vierde lid, WVO: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er regelmatig wordt geëvalueerd of deze doelen worden gehaald.

• Artikel 24a WVO: De school maakt in de schoolgids duidelijk wat de doelen van het onderwijs zijn en welke resultaten met het onderwijsleerproces worden bereikt. Dat geldt ook voor de bevindingen ten aanzien van het stelsel van kwaliteitszorg, evenals de maatregelen die naar aanleiding daarvan zijn getroffen. Ook leerlingen worden betrokken bij de besluitvorming.

Bijlage 5 Waarderingskader vavo en particuliere zelfstandige exameninstellingen (B2)

In deze bijlage is het waarderingskader voor voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) en particuliere zelfstandige exameninstellingen (B2) opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.6.

KWALITEITSGEBIED BESTURING, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (BKA)

BKA1. Visie, ambities en doelen

Het bestuur heeft een visie op kwaliteit, heeft hiervoor ambities en doelen opgesteld en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

Het bestuur heeft een visie op goed onderwijs en op de besturing daarvan. De visie is concreet en passend vertaald naar ambities, doelen en daarmee samenhangend beleid en is gericht op de ononderbroken ontwikkeling van leerlingen. Deze vertaling maakt sturing mogelijk op de kwaliteit en resultaten van het onderwijs en de voorwaarden. Daartoe is een stelsel van kwaliteitszorg ingericht dat het bestuur in staat stelt de basiskwaliteit van het onderwijs te waarborgen.

De doelen betreffen in elk geval het zorg dragen voor de kwaliteit van het onderwijs, waaronder de wettelijke vereisten voor het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces en de wijze van afsluiten en diplomeren. De visie, ambities en doelen omvatten uitwerkingen van eerdere evaluatieresultaten en resultaten van interne en externe dialoog.

Het bestuur zorgt er met betrokkenheid van de scholen voor dat de visie, ambities, doelen en het beleid sturend zijn voor de verbetering van het onderwijs aan leerlingen.

Het bestuur richt de voorwaarden in om de doelen te bereiken voor het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijsproces, de diplomering, het schoolklimaat en de resultaten.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg in en verbetert aan de hand daarvan het onderwijs.

• Artikel 1.3.6, tweede lid, WEB: Het bestuur maakt jaarlijks een verslag openbaar waarin in ieder geval de kwaliteit van de examens is opgenomen.

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen.

• Artikel 23a WVO: Het bestuur moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder ‘zorg dragen voor’ wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg.

• Artikel 23a en artikel 24, vierde lid, WVO: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er toetsbare doelen zijn geformuleerd.

• Artikel 24, eerste, tweede en derde lid, WVO: Het bestuur zorgt ervoor dat alle scholen een schoolplan hebben. Het schoolplan omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg. Bij de beschrijving van het onderwijskundig beleid wordt het schoolondersteuningsprofiel betrokken. Dit bevat een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven.

BKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

Het bestuur realiseert samen met de opleidingen de doelen voor kwaliteit, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

Het bestuur geeft als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg met de opleidingen effectief uitvoering aan de visie en de doelen voor onderwijskwaliteit. Aan de transparante, integere kwaliteitscultuur is zichtbaar dat deze bijdraagt aan de gestelde doelen.

Het bestuur bevordert een op samenwerken, leren en verbeteren gerichte kwaliteitscultuur, zodat de doelen en ambities gerealiseerd kunnen worden. Het bestuur zorgt ervoor dat het onderwijskundig leiderschap op alle niveaus herkenbaar verankerd is in de organisatie.

Binnen de kwaliteitscultuur geeft het bestuur uitvoering aan kwaliteitszorg, gericht op de kwaliteit van het onderwijs en de naleving van wettelijke voorschriften. Het bestuur bewaakt en bevordert dat de uitvoering in overeenstemming is met het beleid, zodat de (verbeter)doelen worden bereikt. Het bestuur houdt zicht op en stuurt daarop, zo nodig, tussentijds bij.

Het bestuur zorgt voor een doeltreffende verwerking van interne en externe signalen en klachten.

Ook stelt het bestuur de examencommissie in en benoemt de leden.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: De kwaliteit van het onderwijs wordt regelmatig beoordeeld, er worden maatregelen en instrumenten gebruikt om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt.

• Artikel 7.4.5 WEB: Het bestuur zorgt voor een examencommissie die voldoet aan de inrichtingsvereisten.

• Artikel 7.4.8, vierde lid, WEB: Het bestuur zorgt ervoor dat de instelling beschikt over een studentenstatuut waarin de rechten en plichten van de studenten en studenten zijn opgenomen.

• Artikel 7.4.8a WEB: Het bestuur heeft een klachtenregeling die leidt tot deugdelijke klachtbehandeling

• Artikel 23a en artikel 24, vierde lid, WVO: Bestuur en schoolleiding zorgen ervoor dat de wet wordt nageleefd en dat er wanneer nodig verbetermaatregelen komen voor de kwaliteit. Dat houdt onder andere in dat het bestuur en de scholen zicht hebben op de kwaliteit van het onderwijs. Daarbij moet het functioneren van de kwaliteitscyclus centraal staan.

• Artikel 24, eerste en derde lid, en artikel 33 WVO: Het bestuur zorgt voor bevoegd personeel en maakt het onderhouden en uitbreiden van de bekwaamheid mogelijk.

• [Artikel 35d Eindexamenbesluit VO: Het bestuur stelt een onafhankelijke en deskundige examencommissie in.]

BKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

Het bestuur evalueert en analyseert systematisch of het de doelen realiseert en verantwoordt zich hierover. Het stelt indien nodig het beleid bij en betrekt daartoe interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

Het bestuur evalueert en beoordeelt als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de ambities, de doelen en het beleid worden gerealiseerd. Op deze manier krijgt het bestuur zicht op de gerealiseerde (financiële) kwaliteit en de resultaten van het onderwijs aan leerlingen. Bij de evaluatie en beoordeling van het beleid en de onderwijskwaliteit betrekt het bestuur interne en externe belanghebbenden en deskundigen en gebruikt deze informatie bij de evaluatie en beoordeling. Op basis van de evaluatie reageert het bestuur tijdig op kansen en bedreigingen, stelt wanneer nodig (verbeter)beleid op en treft passende maatregelen om de kwaliteit van het onderwijs op de opleidingen te borgen.

Het bestuur verantwoordt zich in het jaarverslag dat betrouwbaar is en dat voldoet aan de wettelijke vereisten.

Het bestuur verantwoordt zich daarbij ten minste over het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces, de wijze van afsluiten en diplomeren. De reflectie op de uitkomsten van de evaluatie geeft voldoende inzicht in de effectiviteit van de besturing en uitvoering. Het bestuur analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verantwoording. Vervolgens verwerkt het bestuur deze wanneer nodig in bijstelling van ambities, (verbeter)doelen en beleid of nieuwe ambities zodat de opbrengst van de dialoog bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwijs en de sturing daarop.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur betrekt bij de beoordeling van de onderwijskwaliteit ten minste het oordeel van studenten en betrekt daarbij ook onafhankelijke en deskundigen en belanghebbenden.

• Artikel 1.3.6, tweede lid, WEB: Het bestuur maakt regelmatig een openbaar verslag over de beoordeling van de uitkomsten van de beoordeling bedoeld in lid 1, en van het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten.

• Artikel 1.3.6, tweede lid, WEB: Het verslag over de kwaliteit van de examens wordt jaarlijks openbaar gemaakt.

KWALITEITSGEBIEDEN EN STANDAARDEN SCHOOLNIVEAU

OP ONDERWIJSPROCES

OP1

Aanbod

OP2

Ontwikkeling en begeleiding

OP3

Pedagogisch-didactisch handelen

OP4

Onderwijstijd (alleen voor B2)

OP6

Afsluiting (alleen voor B2)

VS VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT

VS1

Veiligheid

BA BORGING EN AFSLUITING

BA1

Borging diplomering (alleen voor vavo)

BA2

Afsluiting (alleen voor vavo)

OR ONDERWIJSRESULTATEN

OR1

Resultaten

SKA STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE

SKA1

Visie, ambities en doelen

SKA2

Uitvoering en kwaliteitscultuur

SKA3

Evaluatie, verantwoording en dialoog

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSPROCES (OP

OP1. Aanbod

Het aanbod bereidt de leerlingen1 voor op vervolgonderwijs en de samenleving.

Basiskwaliteit

De school biedt een onderwijsprogramma dat is toegespitst op de doelgroep en het diploma waartoe de school2 opleidt. Het aanbod is dekkend voor examenprogramma’s. Het aanbod bereidt de leerlingen inhoudelijk goed voor op het vervolgonderwijs en kent een evenwichtige opbouw en samenhang. Het aanbod is zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen.

Onder aanbod verstaan we alle lesinhouden, ook die digitaal zijn of online aangeboden worden. Dit aanbod omvat mede activiteiten op het gebied van loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB).

Het aanbod sluit aan bij het (taal)niveau en de onderwijsbehoeften van de leerlingen.

Het aanbod biedt mogelijkheden voor maatwerk waaronder verdieping en verbreding.

De school legt de lesdoelen en de opbouw van het aanbod vast (in het schoolplan) en de leerlingen en ouders worden daarover tijdig geïnformeerd.

B2-instellingen dienen ook aan het volgende te voldoen voor het voldoen aan basiskwaliteit:

De school biedt een breed en op de kerndoelen gebaseerd aanbod dat ook de referentieniveaus taal en rekenen omvat.

Stages kunnen, met name in het vmbo, onderdeel uitmaken van het aanbod. Wanneer een school stages aanbiedt, zorgt ze ervoor dat de inhoud en vormgeving van de stage bijdragen aan de voorbereiding van de leerling op het vervolgonderwijs en de samenleving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het aanbod en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.5, sub c, WEB: De instelling biedt mogelijkheden voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding.

• Artikel 2 en artikel 3, Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen, jo. artikel 2, Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen: Het onderwijs neemt de referentieniveaus van taal en rekenen als uitgangspunt.

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 6f WVO: Het onderwijsprogramma in het voortgezet onderwijs kan een maatschappelijke stage omvatten.

• Artikel 7.1.2, derde lid, WEB: Een opleiding is een samenhangend geheel van onderwijseenheden gericht op de verwezenlijking van eindtermen of het behalen van een diploma of onderdelen. daarvan. Zie voor de inhoud van de examenprogramma’s de artikelen 7, 11, 12, 13, 22 en 24 EB.

• Artikel 7.3.4, eerste lid, WEB: Opleidingen vavo omvatten het onderwijs dat noodzakelijk is voor het behalen van het diploma atheneum, gymnasium, havo of vmbo-t.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB: Het bestuur dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 9 Eindexamenbesluit VO: Kandidaten die zijn ingeschreven bij het vavo kunnen voor vrijstellingen in aanmerking komen.

• Artikel 11b en artikel 11c, eerste lid, WVO: Het onderwijsaanbod voor de eerste twee leerjaren voldoet aan de kerndoelen en is samenhangend ingericht.

• Artikel 24, tweede lid, 2 sub a, WVO: Het schoolplan bevat de uitwerking van de wettelijke opdrachten voor de uitgangspunten, doelstellingen en inhoud van het onderwijs.

• Bijlage 3 Regeling examenprogramma’s voortgezet onderwijs: De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen.

OP2. Ontwikkeling en begeleiding

De school zorgt voor een passende intake en plaatsing. De opleiding houdt de ontwikkeling en voortgang van de leerlingen in de gaten en biedt waar nodig passende begeleiding en extra ondersteuning.

Basiskwaliteit

Leerlingen worden voorafgaand aan de aanmelding zo voorgelicht dat zij in staat zijn een passende opleiding te kiezen. De opleiding stemt daartoe, indien van toepassing, af met voorafgaand onderwijs. De school verzamelt vanaf binnenkomst informatie over de kennis en vaardigheden van haar leerlingen. Het verzamelen van (toets)informatie gebeurt systematisch en zorgvuldig. De school vergelijkt de informatie met de verwachte ontwikkeling van de leerling. Dit maakt het mogelijk om het onderwijs af te stemmen op de onderwijsbehoefte van zowel groepen als individuele leerlingen, zodat zij een ononderbroken ontwikkeling kunnen doormaken.

Wanneer individuele of groepen leerlingen niet genoeg lijken te profiteren van het onderwijs, analyseert de school waar de ontwikkeling stagneert en wat mogelijke verklaringen hiervoor zijn. Vervolgens bepaalt zij wat er nodig is om op eventuele achterstanden of voorsprongen in de ontwikkeling van leerlingen in te spelen. De school biedt de begeleiding vervolgens gestructureerd aan.

De leerlingen krijgen daarmee de begeleiding die zij nodig hebben om het onderwijsprogramma beter te kunnen doorlopen. Gedurende de schoolloopbaan vindt er gestructureerde en zorgvuldige voortgangsbegeleiding plaats. Daarbij staat de behoefte van de leerling in combinatie met de eindtermen centraal.

De opleiding informeert leerlingen (en indien van toepassing ouders/verzorgers) volledig en tijdig over de mogelijkheden voor extra ondersteuning.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor zicht op ontwikkeling en begeleiding en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.5, sub a, WEB: De instelling zorgt voor toegankelijkheid van het onderwijs in het bijzonder voor kansarme groepen.

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 7.4.8 eerste lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB: Het bestuur dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.4.11 zesde lid jo. artikel 7.1.2 derde lid, jo. artikel 7.3.4 eerste lid WEB: Het bestuur moet zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en examinering en dit programma zo in te richten dat studenten in staat worden gesteld een diploma mavo, havo of vwo (of onderdelen daarvan) te behalen.

• Artikel 7.4.8, tweede lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB: Het bestuur zorgt ervoor dat de studenten tijdig worden geïnformeerd over het onderwijsprogramma, de regels met betrekking tot de examens door middel van de OER, het programma van toetsing en afsluiting en de extra ondersteuningsmogelijkheden.

• Artikel 24, tweede lid WVO: De school heeft in het schoolplan beschreven op welke wijze het schoolondersteuningsprofiel wordt betrokken bij het onderwijskundig beleid.

• Artikel 24, vierde lid, sub a, WVO: De school heeft de wijze waarop het onderwijs wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen in het schoolplan beschreven.

OP3. Pedagogisch-didactisch handelen

Het pedagogisch-didactisch handelen van de leraren3 stelt leerlingen in staat om te leren en zich te ontwikkelen.

Basiskwaliteit

De beoogde pedagogisch-didactische visie van de school is zichtbaar in het dagelijks handelen van de leraren. De leraren plannen en structureren hun handelen met behulp van informatie die zij over leerlingen hebben. Zij maken pedagogische en didactische keuzes en stemmen daarbij het niveau van hun onderwijs af op het beoogde eindniveau van de leerlingen. De leerstof omvat kennis, vaardigheden en attitudes en wordt in een logische opbouw aangeboden.

De leraren creëren een pedagogisch en didactisch passend en stimulerend leerklimaat, waardoor leerlingen actief en betrokken zijn. Met geschikte opdrachten en heldere uitleg structureren de leraren het onderwijsaanbod zo dat de leerlingen zich het leerstofaanbod eigen kunnen maken. Leraren hebben hoge verwachtingen van leerlingen en geven leerlingen feedback op hun leerproces.

De leraren stemmen de instructies, begeleiding, opdrachten en onderwijstijd doelgericht af op de onderwijsbehoeften van groepen en individuele leerlingen, inclusief op de sociale en maatschappelijke competenties. De afstemming is zowel gericht op (pedagogische) ondersteuning als op uitdaging, afhankelijk van de onderwijsbehoeften van leerlingen.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het pedagogisch-didactisch handelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2, tweede lid WVO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 7.1.2, derde lid, WEB: Een opleiding is een samenhangend geheel van onderwijseenheden gericht op de verwezenlijking van eindtermen of het behalen van een diploma of onderdelen daarvan.

• Artikel 7.3.4 eerste lid, WEB: Opleidingen vavo omvatten het onderwijs dat noodzakelijk is voor het behalen van het diploma mavo, havo of vwo.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB: De instelling dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 24, tweede en derde lid, WVO: De school heeft haar beleid over het pedagogisch-didactisch handelen in het schoolplan geformuleerd.

OP4 Onderwijstijd (alleen voor B2)

De leerlingen krijgen voldoende tijd om zich het aanbod eigen te maken.

Basiskwaliteit

De school biedt een programma aan dat voldoet aan de wettelijk verplichte onderwijstijd. De school stelt daartoe vast welke activiteiten onder de onderwijstijd vallen. De school plant de onderwijsactiviteiten weloverwogen over het schooljaar en deze worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van bevoegde leraren.

De school verdeelt de tijd zodanig over de vakken dat leerlingen in staat zijn het verplichte onderwijsprogramma tot zich te nemen. De school heeft beleid om ongeoorloofd verzuim en voortijdig schoolverlaten van leerlingen tegen te gaan, zodat ook op leerling niveau gestreefd wordt om de onderwijstijd te behalen.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de realisatie van onderwijstijd en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 6g WVO: De school verzorgt minimaal het wettelijk verplichte aantal uren en dagen onderwijs.

• Artikel 6g, vijfde lid, WVO: De onderwijstijd wordt ingevuld met activiteiten die worden verzorgd in het onderwijsprogramma.

• Artikel 6g, zevende lid, WVO: Voor het afwijken van de onderwijstijd vraagt het bestuur in bepaalde gevallen instemming van de inspectie.

• Artikel 33 WVO: Bij onderwijstijd moet het gaan om (onderwijs)activiteiten die worden verzorgd onder verantwoordelijkheid van diegenen die op grond van artikel 33 WVO onderwijs mogen verzorgen.

OP6. Afsluiting (alleen voor B2)

De opleiding onderbouwt dat de leerling voldaan heeft aan de voorwaarden voor het diploma of een certificaat.

Basiskwaliteit

De opbouw en inrichting van de afsluiting kent samenhang met het onderwijsprogramma en voldoen aan de voorwaarden voor een betrouwbare diplomering en certificering en sluiten aan op de onderwijsvisie van het team.

De school zorgt ervoor dat alle leerlingen goed worden voorbereid op de afsluiting van het onderwijs.

De school heeft een Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA) en een examenreglement die beide voldoen aan de eisen van de wetgeving. Met deze documenten maakt de school tijdig aan leerlingen en ouders duidelijk hoe het schoolexamen en het centraal examen georganiseerd zijn, welke regels daarbij gelden en welke maatregelen de school hanteert bij leerlingen die zich niet aan de regels houden. Ook moet duidelijk zijn welke examens leerlingen op welke manier kunnen herkansen, welke stof wanneer wordt geëxamineerd, hoe het examen meeweegt en welke vrijstellingen gelden. De examinering verloopt volgens het PTA en het examenreglement.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de afsluiting en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 3 Eindexamenbesluit VO: De directeur en de examinatoren van de school nemen onder verantwoordelijkheid van het bestuur het (deel)eindexamen af. De directeur van de school wijst een personeelslid aan als secretaris van het eindexamen; deze is ook secretaris van de deeleindexamens.

• Artikel 7.4.11 WEB: Het bestuur dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 31, eerste en tweede lid, Eindexamenbesluit VO: Het bestuur stelt een examenreglement en een PTA vast waarin in elk geval de voorgeschreven onderdelen moeten zijn opgenomen.

• Artikel 31, derde lid, Eindexamenbesluit VO: Deze beide documenten moeten voor 1 oktober worden toegezonden aan de inspectie en verstrekt aan de examenkandidaten.

X Noot
1

In plaats van leerlingen kan hier ook studenten worden gelezen.

X Noot
2

In plaats van ‘scholen’ kan ook ‘afdelingen vavo’ gelezen worden.

X Noot
3

In plaats van leraren kan ook docenten worden gelezen.

KWALITEITSGEBIED VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT (VS)

VS1. Veiligheid

De opleiding zorgt voor een veilige omgeving voor leerlingen.

Basiskwaliteit

De school zorgt voor een veilig leer- en werkklimaat. Ze biedt veiligheid bij incidenten en zorgt voor fysieke veiligheid. Van de school mag worden verwacht dat zij inzicht heeft in de fysieke en sociale veiligheids(beleving) van de leerlingen, hier beleid op voert en effectief handelt bij signalen die de sociale en/of fysieke veiligheid bedreigen.

De school hanteert de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling. Daarnaast komt het de verplichtingen na rond het melden, overleggen en aangifte doen van zedenmisdrijven.

B2-instellingen dienen ook aan het volgende te voldoen voor het voldoen aan basiskwaliteit:

De school monitort de veiligheidsbeleving en het welbevinden van de leerlingen ten minste

jaarlijks met een gestandaardiseerd instrument. De school heeft een veiligheidsbeleid beschreven, dat bestaat uit een samenhangende set van maatregelen. Het beleid is gericht op het voorkomen, afhandelen, registreren en evalueren van incidenten, en de school voert dat beleid ook uit. Als de uitkomsten van de monitoring daartoe aanleiding geven, treft de school maatregelen om de situatie te verbeteren. De school voorkomt (digitaal)pesten, agressie en geweld in elke vorm en treedt zo nodig snel en adequaat op. Dat geldt ook bij uitingen die strijdig zijn met basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals discriminatie en onverdraagzaamheid. De school heeft een persoon aangesteld die voor ouders en leerlingen het aanspreekpunt is in geval van pesten en die het beleid tegen pesten coördineert.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de veiligheid en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6 WEB: De instelling dient een stelsel van kwaliteitszorg in te richten en daarbij onder andere het oordeel van de studenten te betrekken.

• Artikel 1.3.9 WEB: Het bestuur stelt voor het personeel een meldcode vast die aangeeft hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan.

• Artikel 3 WVO: Het bestuur houdt zich aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van het melden, overleggen en aangifte doen in het geval van een (redelijk vermoeden van een) zedenmisdrijf. Het bestuur treedt hierbij onverwijld in contact met de vertrouwensinspecteur.

• Artikel 3a WVO: Het bestuur stelt voor het personeel een meldcode vast die aangeeft hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan. Daarnaast moet het bestuur de kennis en het gebruik van de meldcode bevorderen.

• Artikel 3b, eerste lid, sub a, WVO: Het bestuur heeft beleid ten aanzien van de veiligheid van leerlingen en voert dat ook uit.

• Artikel 3b, eerste lid, onder b, WVO: Het bestuur monitort de veiligheid van leerlingen met een instrument dat een representatief en actueel beeld geeft.

• Artikel 3b, eerste lid, sub c, WVO: Het bestuur heeft de volgende taken belegd bij een persoon:

– coördinatie van het beleid in het kader van het tegengaan van pesten op school; – fungeren als aanspreekpunt in het kader van pesten.

• Artikel 3b, tweede lid, WVO: Onder veiligheid, bedoeld in artikel 3b, eerste lid, wordt de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen verstaan.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB: Het bestuur dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 8a.2.2, derde lid, sub k, WEB: De deelnemersraad heeft instemmingsbevoegdheid met betrekking tot voorgenomen beslissingen van het bestuur ten aanzien van regels op het gebied van veiligheid, gezondheid en welzijn voor zover deze de deelnemers betreffen

KWALITEITSGEBIED BORGING EN AFSLUITING

BA1. Borging diplomering (alleen voor vavo)

De examencommissie borgt deugdelijke diplomering.

Basiskwaliteit

Het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie is voldoende gewaarborgd door het bestuur.

De examencommissie stelt op objectieve en deskundige wijze vast of een leerling voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een diploma of een certificaat. Zij bewaakt, monitort en analyseert de kwaliteit van de processen die hieraan ten grondslag liggen. Hierdoor zijnhet niveau, de complexiteit en de inhoud van de door de leerling geleverde prestaties, afgestemd op de examenprogramma’s geborgd.

De examencommissie borgt in alle fasen van de afsluiting en diplomering de deskundigheid van de betrokken personen.

De examencommissie bewaakt op cyclische wijze haar eigen werkwijze en kwaliteit met betrekking tot de borging van de afsluiting en diplomering en certificering voor de opleidingen waarvoor zij verantwoordelijk is. Zij geeft betekenis aan de uitkomsten hiervan en acteert hierop. Hierbij betrekt zij eventueel onafhankelijke deskundigen. In voorkomende gevallen worden verbetermaatregelen genomen en wordt toegezien op de realisatie ervan. Hierover wordt jaarlijks verslag gedaan.

De examencommissie borgt de kwaliteit van het PTA en van het examenreglement. Ook geeft zij vrijstellingen voor examens op deugdelijke gronden.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de borging van de diplomering en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, tweede lid, WEB: Openbaarmaking van een jaarverslag waarin de beoordeling en het voorgenomen beleid op grond van die beoordeling omtrent de kwaliteit van de examinering zijn opgenomen.

• Artikel 3 Eindexamenbesluit VO: De directeur en de examinatoren van de school nemen onder verantwoordelijkheid van het bestuur het (deel)eindexamen af. De directeur van de school wijst een personeelslid aan als secretaris van het eindexamen; deze is ook secretaris van de deeleindexamens.

• Artikel 7 Eindexamenbesluit VO: De minister stelt examenprogramma’s vast waarin de examenstof voor het schoolexamen en het centraal examen is vastgelegd.

• Artikel 7, artikel 9, artikel 11, artikel 12, artikel 13, artikel 22, artikel 24 en artikel 48, Eindexamenbesluit VO: De examencommissie gaat pas over tot het afgeven van vrijstellingen en/of diploma’s of certificaten als de student voldoet aan de vereisten.

• Artikel 7.4.5, derde lid, jo. artikel 7.4.11, tweede lid, WEB: Het bestuur zorgt ervoor dat het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie is geborgd.

• Artikel 7.4.5a WEB: De examencommissie heeft minimaal een aantal taken, waaronder het op een objectieve en deskundige manier vaststellen of een deelnemer voldoet aan de voorwaarden voor een diploma.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB: Het bestuur dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 31, eerste en tweede lid, Eindexamenbesluit VO: Het bestuur stelt een examenreglement en een PTA vast, waarin in elk geval de voorgeschreven onderdelen moeten zijn opgenomen.

• Artikel 31, derde lid, Eindexamenbesluit VO: Deze beide documenten moeten voor 1 oktober worden toegezonden aan de inspectie en verstrekt aan de examenkandidaten.

• Artikel 35c Examenbesluit VO: Het schoolexamen bestaat uit een examendossier. Het examendossier is het geheel van de onderdelen van het schoolexamen zoals gedocumenteerd in een door het bestuur gekozen vorm.

• [Artikel 35d Eindexamenbesluit VO: Het bestuur stelt een onafhankelijke en deskundige examencommissie in.]

• [Artikel 35e Eindexamenbesluit VO: De examencommissie borgt de kwaliteit van de toetsing en examinering.]

BA2. Afsluiting (alleen voor vavo)

De opleiding1 onderbouwt dat de leerling voldaan heeft aan de voorwaarden voor het diploma of een certificaat.

Basiskwaliteit

De opbouw en inrichting van de afsluiting kent samenhang met het onderwijsprogramma en voldoen aan de voorwaarden voor een betrouwbare diplomering, certificering en sluit aan op de onderwijsvisie van het team.

De school zorgt ervoor dat alle leerlingen goed worden voorbereid op de afsluiting van het onderwijs.

De school heeft een Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA) en een examenreglement die beide voldoen aan de eisen van de wetgeving. Met deze documenten maakt de school tijdig aan leerlingen en ouders duidelijk hoe het schoolexamen en het centraal examen georganiseerd zijn, welke regels daarbij gelden en welke maatregelen de school hanteert bij leerlingen die zich niet aan de regels houden. Ook moet duidelijk zijn welke examens leerlingen op welke manier kunnen herkansen, welke stof wanneer wordt geëxamineerd, hoe het examen meeweegt en welke vrijstellingen gelden. De examinering verloopt volgens het PTA en het examenreglement.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de afsluiting en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 3 Eindexamenbesluit VO: De directeur en de examinatoren van de school nemen onder verantwoordelijkheid van het bestuur het (deel)eindexamen af.

• [Artikel 3a, eerste lid, Eindexamenbesluit VO: De directeur van de school wijst een personeelslid aan als secretaris van het eindexamen; deze is ook secretaris van de deeleindexamens.]

• [Artikel 3a, derde lid, Eindexamenbesluit VO: De examensecretaris ondersteunt de directeur bij het organiseren en afnemen van het eindexamen of deeleindexamen. Ook ondersteunt de examensecretaris de directeur bij de correcte uitvoering van het examenreglement en het programma van toetsing en afsluiting.]

• [Artikel 3a, vierde lid, Eindexamenbesluit VO: De directeur moet een duidelijke taakomschrijving voor de examensecretaris vaststellen.]

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur heeft de plicht om te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 7.4.8, tweede lid, WEB: Studenten worden tijdig geïnformeerd over het onderwijsprogramma en de examens.

• Artikel 7.4.11 WEB: Het bestuur dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 31, eerste en tweede lid, Eindexamenbesluit VO: Het bestuur stelt een examenreglement en een PTA vast, waarin in elk geval de voorgeschreven onderdelen moeten zijn opgenomen.

• Artikel 31, derde lid, Eindexamenbesluit VO: Deze beide documenten moeten voor 1 oktober worden toegezonden aan de inspectie en verstrekt aan de examenkandidaten.

X Noot
1

Waar we opleiding schrijven kan ook team worden gelezen.

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSRESULTATEN (OR)

OR1. Resultaten

De school behaalt met haar leerlingen leerresultaten die ten minste in overeenstemming zijn met de gestelde norm1.

Basiskwaliteit

De leerresultaten liggen op het niveau dat op grond van de kenmerken van de leerlingenpopulatie mag worden verwacht. Dit betekent dat de gemiddelde eindexamenresultaten op of boven de normering liggen die daarvoor geldt. Daarbij is het verschil (op opleidingsniveau) tussen het cijfer voor het schoolexamen en het centraal examen op een aanvaardbaar niveau.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de onderwijsresultaten en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6 WEB: Het bestuur richt een stelsel voor kwaliteitszorg in, analyseert in dit kader de oorzaken van achterblijvende resultaten en verantwoordt dit.

• Artikel 7.1.2, derde lid, jo. artikel 7.3.4, eerste lid, WEB: Een vavo-opleiding is een samenhangend geheel van onderwijseenheden en bevat het onderwijs dat noodzakelijk is voor het behalen van een diploma mavo, havo of vwo.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma.

• Artikel 23a1 WVO: Er is sprake van voldoende leerresultaten indien de gemiddelde eindexamenresultaten[…], gemeten over een periode van drie schooljaren, liggen op of boven de normering […].

• Artikel 29, lid 1a, WVO: Ten aanzien van een schoolsoort of leerweg mag het gemiddelde verschil tussen de cijfers van het centraal examen en het schoolexamen over een periode van drie jaar niet meer dan een half punt bedragen.

X Noot
1

Het gemiddelde verschil tussen het centraal examencijfer en het schoolexamencijfer over alle studenten en vakken is maximaal 0,5 punt. Het percentage voldoende vakken is gelijk aan of hoger dan 65%.

KWALITEITSGEBIED STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (SKA)

SKA1. Visie, ambities en doelen

De school heeft een gedragen visie op goed onderwijs, heeft daarvoor ambities en doelen en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

De school heeft, als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg, een gedragen visie, ambities en doelen gericht op goed onderwijs. De schoolleiding stuurt systematisch op de doelen om de beoogde resultaten te behalen.

De schoolleiding sluit met haar visie, ambities en doelen aan op die van het bestuur, op de resultaten van eerdere evaluaties en op bevindingen uit de interne en externe dialoog. De schoolleiding richt voorwaarden in om de onderwijskundige ambities en doelen te bereiken waaronder het personeelsbeleid en de organisatie van het onderwijs. Daarbij is de interne verantwoordelijkheidsverdeling duidelijk.

B2-instellingen dienen ook aan het volgende te voldoen voor het voldoen aan basiskwaliteit:

De doelen zijn gericht op goed onderwijs dat zorgt voor een ononderbroken ontwikkeling van leerlingen. De school vertaalt haar visie, ambities en doelen in onderwijskundig beleid. De schoolleiding beschrijft op welke wijze ze zorgt voor het realiseren, borgen en verbeteren van de onderwijskwaliteit en hoe we ze naleving van de wettelijke eisen realiseert.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg in en verbetert aan de hand daarvan het onderwijs.

• Artikel 4.1a.1, vierde lid, WEB: Het bestuur maakt met de docenten afspraken over de wijze waarop de zeggenschap van docenten wordt georganiseerd, waarbij de professionele standaard van de beroepsgroep in acht wordt genomen.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma.

• Artikel 7.4.8, derde lid, jo. artikel 7.2.7, vijfde lid, WEB: Het bestuur zorgt ervoor dat opleidingen aantoonbaar voldoen aan enkele eisen, waaronder artikel 7.2.7, vijfde lid, waaruit blijkt dat het onderwijsprogramma moet zijn gericht op het bereiken van onderwijs- en vormingsdoelen van de beroepsopleiding.

• Artikel 9.1.7 WEB: Er is een bestuursreglement waarin de verantwoordelijkheidsverdeling wordt beschreven.

SKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

De school realiseert de doelen voor goed onderwijs, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

De school geeft als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg effectief uitvoering aan de onderwijskundige ambities en doelen en schept de daarvoor benodigde voorwaarden.

De school zorgt op basis van de interne verantwoordelijkheidsverdeling voor een op samenwerken, leren en verbeteren gerichte kwaliteitscultuur, waarin doelen en ambities gerealiseerd kunnen worden. Daarbij is onderwijskundig leiderschap herkenbaar. Leraren(teams) oefenen daarbij de eigen verantwoordelijkheid bij het inrichten van hun onderwijs uit.

Binnen deze kwaliteitscultuur geeft de school uitvoering aan het stelsel van kwaliteitszorg, zodat gericht wordt gewerkt aan de kwaliteit van het onderwijs en de naleving van wettelijke voorschriften. Waar nodig stuurt de school tussentijds bij.

De school zorgt ervoor dat de deskundigheidsbevordering van het personeel binnen de gestelde doelen gestalte krijgt.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg in en verbetert aan de hand daarvan het onderwijs.

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: De kwaliteit van het onderwijs wordt regelmatig beoordeeld. Er worden maatregelen en instrumenten gebruikt om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt.

• Artikel 1.3.6a WEB: Het bestuur zorgt voor personeelsbeleid, voor zover het de duurzame borging van de kwaliteit van het onderwijspersoneel betreft.

• Artikel 4.1a.1, eerste lid, WEB: Docenten zijn binnen het onderwijskundig beleid verantwoordelijk voor het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces van de instelling.

• Artikel 4.1a.1, derde lid, WEB: Docenten beschikken over voldoende zeggenschap, waaronder de zeggenschap over de inhoud van de lesstof en de wijze waarop de lesstof wordt aangeboden.

• Artikel 4.1a.1, vierde lid, WEB: Het bestuur maakt met de docenten afspraken over de wijze waarop de zeggenschap van docenten wordt georganiseerd, waarbij de professionele standaard van de beroepsgroep in acht wordt genomen.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 7.4.8, derde lid, jo. artikel 7.2.7, vijfde lid, WEB: Het bestuur zorgt ervoor dat opleidingen aantoonbaar voldoen aan enkele eisen, waaronder artikel 7.2.7, vijfde lid, waaruit blijkt dat het onderwijsprogramma moet zijn gericht op het bereiken van onderwijs- en vormingsdoelen van de beroepsopleiding.

• Artikel 24, derde lid, WVO: Het schoolplan bevat een beschrijving van het personeelsbeleid. Dit personeelsbeleid gaat in elk geval over hoe wordt voldaan aan de eisen van bevoegdheid en onderhoud van bekwaamheid, de bijdrage van het personeel aan het onderwijskundig beleid, het pedagogisch-didactisch handelen, de evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding, bedoeld in artikel 32d, en de wijze waarop rekening wordt gehouden met de inbreng van leerlingen op het beleid.

• Artikel 33 WVO: Daar waar nog niet bevoegd wordt lesgegeven, moet het bestuur afspraken maken die ertoe leiden dat de leraar de juiste bevoegdheid behaalt.

• Artikel 37a WVO: Het bestuur beschikt bij elk personeelslid waarvoor bekwaamheidseisen gelden, over geordende gegevens over de bekwaamheid en het onderhouden daarvan.

SKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

De opleiding evalueert en analyseert systematisch of het de doelen realiseert en verantwoordt zich daarover. Ze stelt, wanneer nodig, het beleid bij en betrekt interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

De opleiding monitort, evalueert, analyseert en beoordeelt als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de doelen en het beleid worden gerealiseerd en informeert het bestuur daarover. Zij haalt intern en extern actief informatie op om zicht te krijgen op de uitvoering, de resultaten van het onderwijs voor de studenten en de kansen en bedreigingen voor de verdere ontwikkeling van het onderwijs.

Bij de beoordeling van de kwaliteit betrekt de opleiding het oordeel van de studenten, onafhankelijk deskundigen en andere hiervoor relevante betrokkenen.

De opleiding analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verwerkt deze indien nodig in het (verbeter)beleid, zodat dit bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwijs. Daarnaast gebruikt de opleiding de uitkomsten van de evaluatie om de sturing te verbeteren.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg in en verbetert aan de hand daarvan het onderwijs.

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: De kwaliteit van het onderwijs wordt regelmatig beoordeeld. De beoordeling geschiedt mede aan de hand van het oordeel van studenten en met betrokkenheid van onafhankelijke deskundigen en belanghebbenden.

• Artikel 1.3.6, tweede lid, WEB: Het bestuur verantwoordt zich over de beoordeling en het voorgenomen beleid in het licht van de beoordeling.

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen.

• Artikel 24a WVO: De school maakt in de schoolgids duidelijk wat de doelen van het onderwijs zijn en welke resultaten met het onderwijsleerproces worden bereikt. Ook de bevindingen ten aanzien van het stelsel van kwaliteitszorg, evenals de maatregelen die naar aanleiding daarvan zijn getroffen. Ook leerlingen worden betrokken bij de besluitvorming.

Bijlage 6 Waarderingskader doorlopende leerroutes vmbo-mbo

In deze bijlage is het waarderingskader voor de leerroutes vmbo-mbo opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.7.

KWALITEITSGEBIEDEN EN STANDAARDEN SCHOOLNIVEAU

OP ONDERWIJSPROCES

OP1

Aanbod

OP2

Ontwikkeling en begeleiding

OP3

Pedagogisch-didactisch handelen

OP4

Onderwijstijd

OP5

Beroepspraktijkvorming

OP6

Afsluiting (van toepassing op afsluiting voortgezet onderwijs)

VS VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT

VS1

Veiligheid

VS2

Schoolklimaat

BA BORGING EN AFSLUITING (van toepassing op diploma, certificaat of verklaring middelbaar beroepsonderwijs)

BA1

Borging diplomering

BA2

Afsluiting

OR ONDERWIJSRESULTATEN

OR1

Resultaten en studiesucces

OR2

Sociale en maatschappelijke competenties

OR3

Vervolgsucces

SKA STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE

SKA1

Visie, ambities en doelen

SKA2

Uitvoering en kwaliteitscultuur

SKA3

Evaluatie, verantwoording en dialoog

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSPROCES (OP)

OP1. Aanbod

Het aangeboden onderwijsprogramma van de leerroute bereidt de leerlingen1 voor op de beroepspraktijk, het vervolgonderwijs en de samenleving.

Basiskwaliteit

De leerroute bereidt de leerlingen voor op de beroepspraktijk, het vervolgonderwijs en de samenleving. Ze biedt een breed en op het kwalificatiedossier gebaseerd programma aan, waarin ook de beroepspraktijkvorming, de keuzedelen, eventuele wettelijke beroepsvereisten en de opleidings- en vormingsdoelen die de opleiding zelf formuleert zijn opgenomen. Het programma is daarnaast gericht op het verwerven van generieke competenties, waaronder die voor loopbaan en burgerschap. Het programma kent samenhang met de toetsing en examinering op basis waarvan de opleiding kwalificeert en diplomeert. Onder het programma verstaan we alle lesinhouden, ook die digitaal zijn of online aangeboden worden. Het aanbod omvat ook de referentieniveaus taal en rekenen.

Het onderwijsprogramma is afgestemd op de leerlingpopulatie, sluit aan bij het (taal)niveau van leerlingen en bij het niveau van het kwalificatiedossier en de onderwijsbehoeften van de leerlingen. Het onderwijsprogramma wordt waar nodig gedurende de schoolloopbaan verdiept en verbreed, zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. Bovendien heeft de leerroute de leerinhouden evenwichtig en in samenhang over de leerjaren verdeeld. De leerlingen worden tijdig geïnformeerd over de opbouw en de doelen van de opleiding.

Het programma draagt bij aan het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en aan het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die leerlingen in staat stellen deel uit te maken en bij te dragen aan de pluriforme, democratische samenleving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het aanbod en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.2.1, tweede lid, WEB: Het beroepsonderwijs bevordert de algemene vorming en de persoonlijke ontplooiing van de studenten en draagt bij aan het maatschappelijk functioneren.

• Artikel 2 en artikel 3, Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen: Het onderwijs neemt de referentieniveaus van taal en rekenen als uitgangspunt.

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 7.1.2, tweede lid, WEB: Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een deelnemer is ingericht overeenkomstig de eisen van hoofdstuk 7, titel 2, en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie in het beroepsonderwijs alsmede een of meer daarbij behorende keuzedelen, ten bewijze waarvan een diploma wordt uitgereikt.

• Artikel 7.2.6, tweede lid, WEB: Als er voor een beroepsopleiding wettelijke beroepsvereisten zijn vastgesteld, worden studenten in de gelegenheid gesteld om hieraan te voldoen.

• Artikel 7.2.7, eerste lid, WEB: Beroepsopleidingen zijn zodanig ingericht dat deelnemers de kwalificatie en daarbij behorende keuzedelen binnen de vastgestelde studieduur kunnen behalen, en dat het onderwijsprogramma evenwichtig is ingedeeld alsmede voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming omvat.

• Artikel 7.2.7, vijfde lid, WEB: Het onderwijsprogramma omvat alle onderwijsactiviteiten, gericht op het bereiken van de onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding, waaraan door de deelnemer wordt deelgenomen onder verantwoordelijkheid en toezicht van het bestuur en bestaat uitsluitend uit voldoende begeleide onderwijsuren en beroepspraktijkvorming.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering van het mbo-diploma.

• Artikel: 7.4.8, tweede lid, jo. artikel 8.5a.9, eerste lid, WEB: Studenten worden tijdig geïnformeerd over het onderwijsprogramma, de examens en het ondersteuningsaanbod voor gehandicapte deelnemers die extra ondersteuning behoeven.

• Artikel 8.5a.8, eerste lid, sub a en b, WEB: Het bestuur van de instelling is verantwoordelijk voor de uitvoering van de delen van het onderwijsprogrammma die behoren tot de beroepsopleiding, waaronder ook de beroepspraktijkvorming en de examinering.

• Artikel 8.5a.10, eerste lid, WEB: De studieduur van een doorlopende leerroute vmbo-mbo bedraagt vanaf het derde (school)jaar, afhankelijk van het niveau van de opleiding, minimaal twee jaar en maximaal zes jaar.

• Artikel 9 tot en met artikel 10d, WVO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 10b13, tweede lid, WVO en artikel 8.5a.9, eerste lid, WEB: Het bestuur van de school en het bestuur van de instelling voor beroepsonderwijs beschrijven voor de gehele doorlopende leerroute vmbo-mbo het onderwijsprogramma en de examinering per leerjaar. Daarbij wordt vermeld welke delen van het onderwijsprogramma en van het examen (a) voortgezet onderwijs betreffen en welk deel daarbinnen vakoverstijgend is; (b) beroepsonderwijs betreffen; (c) een combinatie van voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs betreffen en welk deel daarbinnen voortgezet onderwijs onderscheidenlijk beroepsonderwijs betreft.

• Artikel 10b15, eerste lid, sub a en b, WVO: Het bestuur van de school draagt zorgt voor het onderwijsprogramma en de examinering van die onderdelen van de doorlopende leerroute die tot het voortgezet onderwijs behoren.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Bijlage 3 Regeling examenprogramma’s voortgezet onderwijs: De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen.

OP2. Ontwikkeling en begeleiding

In de leerroute wordt gezorgd voor een passende intake en plaatsing. Tijdens de leerroute wordt de ontwikkeling van de leerlingen gevolgd en worden waar nodig passende begeleiding en extra ondersteuning geboden.

Basiskwaliteit

Vanaf binnenkomst van de leerlingen in de leerroute wordt informatie verzameld over de kennis en vaardigheden van leerlingen op alle voor het onderwijs belangrijke domeinen. Het verzamelen van (toets)informatie gebeurt systematisch en zorgvuldig. De informatie wordt vergeleken met de verwachte ontwikkeling van de leerling. Daarbij staat de behoefte van de leerling in combinatie met de vereiste competentieontwikkeling centraal. Dit maakt het mogelijk om het onderwijs af te stemmen op de onderwijsbehoeften van zowel groepen als individuele leerlingen. Het stelt de school en de instelling in staat zorg te dragen voor de ontwikkeling en begeleiding van de leerling tijdens de leerroute. De school en de instelling waarborgen daarmee tijdens de leerroute voor leerlingen de ononderbroken ontwikkeling en voortgang daarin en hebben daarbij oog voor de bevordering van gelijke kansen.

Wanneer individuele of groepen leerlingen niet genoeg lijken te profiteren van het onderwijs, wordt binnen de leerroute geanalyseerd waar de ontwikkeling stagneert en wat mogelijke verklaringen hiervoor zijn. Vervolgens bepalen de school en de instelling wat er nodig is om in te spelen op eventuele achterstanden of voorsprongen in de ontwikkeling van leerlingen. De school en de instelling bieden de begeleiding vervolgens gestructureerd aan tijdens de leerrroute. De leerlingen krijgen daarmee de begeleiding die zij nodig hebben om het onderwijsprogramma beter te kunnen doorlopen. In de leerroute wordt op structurele en herkenbare manier aandacht besteed aan het bestrijden van (taal)achterstanden.

Er is een aanvullend ondersteuningsaanbod voor leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften en leerlingen (en ouders) zijn volledig en tijdig geïnformeerd over de mogelijkheden voor extra ondersteuning. Voor de leerlingen die deze extra ondersteuning nodig hebben in de eerste twee jaar, legt de leerroute in het ontwikkelingsperspectief vast hoe zij het onderwijs afstemt op de behoefte van de leerling. De geplande ondersteuning wordt binnen de leerroute uitgevoerd. De inhoud en uitvoering van dit plan wordt minimaal eenmaal per schooljaar met de ouders geëvalueerd. De leerroute vervult de zorgplicht passend onderwijs. Wanneer binnen de leerroute de extra ondersteuning voor de leerlingen niet kan worden geboden, zoeken de school en de instelling in samenwerking met de ouders en het samenwerkingsverband een passende onderwijsplek.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor zicht op ontwikkeling en begeleiding en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1 WVO: In het schoolondersteuningsprofiel is vastgelegd welke voorzieningen zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.

• Artikel 1.3.5, sub a, WEB: Instellingen dragen mede zorg voor de toegankelijkheid van het onderwijs, met name voor kansarme groepen.

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 6c WVO: De school werkt herkenbaar en gestructureerd aan de bestrijding van achterstanden.

• Artikel 6.1.3a, eerste lid, WEB: Het bestuur verstrekt aan aspirant-studenten zodanige informatie dat zij in staat zijn een passende opleiding te kiezen.

• Artikel 7.1.2, tweede lid, WEB: Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een student is ingericht en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie en een of meer keuzedelen.

• [Artikel 7.1.5 WEB: Het bestuur rapporteert over de vorderingen van de studenten aan hun ouders, voogden of verzorgers, dan wel aan de studenten zelf wanneer zij meerderjarig en handelingsbekwaam zijn.]

• Artikel 7.2.7, eerste lid en artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en dient dit programma zodanig in te richten dat leerlingen de kwalificatie en de daarbij behorende keuzedelen binnen de vastgestelde studieduur kunnen behalen.

• Artikel 7.4.8, tweede lid, WEB: Het bestuur legt de beschrijving van het onderwijsprogramma, met vermelding van het aantal begeleide onderwijsuren (als bedoeld in artikel 7.2.7, WEB) per programmaonderdeel per studiejaar en het aantal klokuren beroepspraktijkvorming per studiejaar, en de regels met betrekking tot het examen tijdig voor aanvang van de opleiding vast in de onderwijs- en examenregeling van de instelling, en zorgt ervoor dat studenten volledig en tijdig worden geïnformeerd over het onderwijsprogramma, de examens en het ondersteuningsaanbod voor gehandicapte studenten die extra ondersteuning behoeven.

• Artikel 8.1.3, sub g, jo. artikel 1.3.5, sub a, jo. artikel 8.5a.6, WEB: Het bestuur maakt schriftelijke afspraken met een student over extra ondersteuning in verband met handicap of chronische ziekte. Deze afspraken worden jaarlijks geëvalueerd.

• Artikel 8.1.3, tweede lid, sub g, jo. artikel 8.5a.6, WEB: Bij plaatsing van een gehandicapte student wordt de ondersteuning opgenomen in de onderwijsovereenkomst.

• Artikel 10b11, tweede lid, sub f, jo. artikel 10b20, WVO en artikel 8.5a.3, tweede lid, jo. artikel 8.5a.15, WEB: In de samenwerkingsovereenkomst moet worden vastgelegd hoe inhoud wordt gegeven aan de overstapoptie.

• Artikel 10b19, zesde lid, WVO: Wanneer een deelnemer aan een doorlopende leerroute niet wordt bevorderd naar het volgende leerjaar, maar wel het centraal examen voor een aantal vakken heeft afgerond, treedt de overstapoptie in werking.

• Artikel 15c Inrichtingsbesluit WVO: In het ontwikkelingsperspectief is informatie opgenomen over de begeleiding die de leerling wordt geboden, in welke onderwijssoort in het voortgezet onderwijs de leerling naar verwachting het examen zal halen en over de belemmerende en de bevorderende factoren die van invloed zijn op het onderwijs aan de leerling.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze. Dat omvat onder meer regelmatig monitoren van de ontwikkeling van burgerschapscompetenties, om het onderwijs af te stemmen op de actuele leerbehoefte van leerlingen.

• Artikel 17b, eerste lid, WVO: De school biedt individuele begeleiding die is afgestemd op de behoeften van de leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.

• Artikel 24, vierde lid, sub a, WVO: De school heeft de wijze waarop het onderwijs wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen in het schoolplan beschreven.

• Artikel 26, eerste en derde lid, WVO: Het bestuur stelt, na op overeenstemming gericht overleg met de ouders, een ontwikkelingsperspectief vast voor een leerling die extra ondersteuning nodig heeft.

• Artikel 26, tweede lid, WVO: Over het handelingsdeel van het ontwikkelperspectief dient door het bestuur overeenstemming met de ouders te worden bereikt.

• Artikel 26, vierde lid, WVO: Het bestuur evalueert het ontwikkelingsperspectief minimaal eens per schooljaar met de ouders.

• Artikel 26, vijfde lid, WVO: Het bestuur kan het ontwikkelingsperspectief bijstellen.

• Artikel 27, lid 2b, WVO: De school beoordeelt of de leerling extra ondersteuning nodig heeft. Artikel 27, lid 2c, WVO: De school houdt zich aan de zorgplicht passend onderwijs.

OP3. Pedagogisch-didactisch handelen

Het pedagogisch-didactisch handelen van het onderwijsteam stelt leerlingen in staat om te leren en zich te ontwikkelen.

Basiskwaliteit

De pedagogisch-didactische visie die van toepassing is voor de leerroute is zichtbaar in het dagelijks handelen van het onderwijsteam.

Het onderwijsteam zorgt voor effectieve leersituaties. Het team plant en structureert zijn handelen met behulp van informatie die het over leerlingen heeft. Het team maakt didactische keuzes waarbij het niveau en de complexiteit van het onderwijs in lijn zijn met het onderliggende kwalificatiedossier. De leerstof omvat kennis, vaardigheden en attitudes en wordt in een logische opbouw aangeboden. Het team realiseert bovendien een evenwichtige verbinding tussen het leren in de beroepspraktijkvorming en het leren op de school of instelling.

Het team creëert een pedagogisch en didactisch passend en stimulerend leerklimaat, waardoor leerlingen actief en betrokken zijn. Met geschikte opdrachten en heldere uitleg structureert het team het onderwijsaanbod zo dat de leerlingen zich het leerstofaanbod eigen kunnen maken. Het team heeft hoge verwachtingen van leerlingen en geeft hun gerichte feedback op hun leerproces.

Het team stemt de instructies, begeleiding, opdrachten en onderwijstijd doelgericht af op de onderwijsbehoeften van groepen en individuele leerlingen. De afstemming is zowel gericht op (pedagogische) ondersteuning als op uitdaging, afhankelijk van de onderwijsbehoeften van groepen en individuele leerlingen.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het pedagogisch-didactisch handelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 7.1.2, tweede lid, WEB: Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een student is ingericht en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie en een of meer keuzedelen.

• Artikel 7.2.7, eerste lid, jo. 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en zorgt ervoor dat dit onderwijsprogramma evenwichtig is ingedeeld, zodat de studenten de kwalificatie binnen de vastgestelde studieduur kunnen behalen.

• Artikel 7.2.7, vijfde lid, WEB: Het onderwijsprogramma omvat alle onderwijsactiviteiten gericht op het bereiken van de onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding. De student neemt deel aan het onderwijsprogramma onder verantwoordelijkheid en toezicht van het bestuur. Dit onderwijsprogramma bestaat uitsluitend uit begeleide onderwijsuren en beroepspraktijk.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 10b10, derde lid, WVO en 8a.5a.2, derde lid, Eindexamenbesluit VO: Als een doorlopende leerroute wordt aangeboden, moet die uiteindelijk leiden tot een diploma waarbij de in de wet opgesomde onderdelen tot één onderwijsprogramma worden geïntegreerd.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 24, tweede en derde lid, WVO: De school heeft haar beleid over het pedagogisch-didactisch handelen in het schoolplan geformuleerd.

OP4. Onderwijstijd

De leerlingen krijgen voldoende tijd om zich het aanbod eigen te maken, zowel op de school of instelling als in de praktijk.

Basiskwaliteit

De leerroute biedt een programma aan dat voldoet aan de wettelijk verplichte onderwijstijd.

Voor de leerroute is vastgesteld welke activiteiten onder de onderwijstijd vallen, met instemming van de medezeggenschaps- en de studentenraad. Binnen de leerroute zijn de onderwijsactiviteiten weloverwogen gepland over het schooljaar en deze worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een bevoegd onderwijsteam.

In de leerroute is de tijd zo verdeeld over theorie en praktijkvorming dat leerlingen in staat zijn het verplichte onderwijsprogramma tot zich te nemen. Er is in de leerroute (vooral in de eerste twee jaar) beleid om ongeoorloofd verzuim en voortijdig schoolverlaten van leerlingen tegen te gaan, zodat ook op leerlingniveau gestreefd wordt om de onderwijstijd te behalen.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de onderwijstijd en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 10b17, eerste lid, WVO en artikel 8.5a.11, eerste lid, WEB: Er is een wettelijk vastgestelde onderwijstijd voor de onderwijstijd van de doorlopende leerroute vmbo-mbo (beroepsopleidende leerweg (BOL).

• Artikel 10b17, tweede lid WVO en artikel 8.5a.11, tweede lid, WEB: Het bestuur van de instelling en het bestuur van de school kunnen gezamenlijk een onderwijsprogramma (BOL) verzorgen dat minder uren omvat, mits de opleiding aantoonbaar van voldoende kwaliteit is en verantwoording wordt afgelegd in het bestuursverslag, dan wel in het schoolplan/de schoolgids.

• Artikel 10b18, eerste lid, WVO en artikel 8.5a.12, eerste lid, WEB: Er is een wettelijk vastgestelde onderwijstijd voor de doorlopende leerroute vmbo-mbo (beroepsbegeleidende leerweg (BBL)).

• Artikel 10b18, tweede lid, WVO en artikel 8.5a.12, tweede lid, WEB: Het bestuur van de instelling en het bestuur van de school kunnen gezamenlijk een onderwijsprogramma (BBL) verzorgen dat minder uren omvat, mits de opleiding aantoonbaar van voldoende kwaliteit is en verantwoording wordt afgelegd in het bestuursverslag, dan wel in het schoolplan/de schoolgids.

OP5. Beroepspraktijkvorming

De voorbereiding, uitvoering en begeleiding van de beroepspraktijkvorming zijn doeltreffend.

Basiskwaliteit

In de leerroute zijn afspraken gemaakt met de leerling over welke leeractiviteiten de leerling ontplooit in het kader van de beroepspraktijkvorming en hoe deze bijdragen aan de ontwikkeling van de benodigde competenties en vaardigheden van de leerling.

Binnen de leerroute krijgt de leerlingbegeleiding bij de voorbereiding en bij de keuze van een beroepspraktijkplaats en stelt hiervoor samen met de leerling en het leerbedrijf de vereiste stage- en praktijkovereenkomst op.

Tijdens de leerroute wordt ervoor gezorgd dat het leerbedrijf de leerling op de afgesproken manier begeleidt. De school en de instelling zijn op de hoogte van het functioneren van de leerling op de beroepspraktijkplaats en sturen zo nodig bij. Ook wordt beoordeeld of de leerling de beroepspraktijkvorming met een positieve beoordeling heeft afgerond.

De school en de instelling dragen zorg voor erkende en adequate stageplekken/praktijkplaatsen.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de praktijkvorming/stage en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 7.1.2, tweede lid, jo. artikel 7.2.8, tweede lid, sub c, WEB: Een deel van de opleiding vindt plaats in de beroepspraktijk.

• Artikel 7.2.7, eerste lid, jo. artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma, en zorgt ervoor dat het programma evenwichtig is ingedeeld, zodat studenten de kwalificatie binnen de vastgestelde studieduur kunnen behalen.

• Artikel 7.2.8, tweede lid, WEB: De beroepspraktijkvorming wordt verzorgd op grondslag van een overeenkomst, gesloten door de student, de instelling en het leerbedrijf, waarin de rechten en verplichtingen van partijen worden geregeld, en bevat ten minste de wettelijk voorgeschreven onderwerpen.

• Artikel 7.2.8, derde lid, WEB: Het bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt, draagt zorg voor de begeleiding van de studenten binnen het bedrijf. Het bestuur beoordeelt of de studenten de beroepspraktijkvorming met een positieve beoordeling hebben voltooid.

• Artikel 7.2.9, eerste lid, WEB: Het bestuur van de instelling draagt zorg voor de beschikbaarheid van de praktijkplaats en de totstandkoming van de in artikel 7.2.8 bedoelde overeenkomst.

• Artikel 7.2.9, tweede lid, WEB: Het bestuur bevordert in overleg met de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) een toereikende vervangende voorziening, als er omstandigheden zijn waardoor de beroepspraktijkvorming (bpv) niet naar behoren zal kunnen plaatsvinden.

• Artikel 7.4.8, tweede lid, WEB: Het bestuur dient de student te informeren over de inrichting van de beroepspraktijkvorming.

• Artikel 8.5a.8, eerste lid, sub a, WEB: Het bestuur van de instelling is verantwoordelijk voor de beroepspraktijkvorming.

• Artikel 10b10, tweede en derde lid, WVO en artikel 8a.5a.2, derde lid, WEB: Als een doorlopende leerroute wordt aangeboden, moet die uiteindelijk leiden tot een diploma waarbij de in de wet opgesomde onderdelen tot één onderwijsprogramma worden geïntegreerd.

• Artikel 31 en artikel 32 Inrichtingsbesluit WVO: De school kan in het derde en vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte of gemengde leerweg in het vmbo én voor praktijkonderwijsleerlingen lessen besteden aan stage.

• Artikel 33 Inrichtingsbesluit WVO: De school omschrijft doel, inhoud, omvang, opbouw en organisatie van de stage in een stageplan.

• Artikel 35 Inrichtingsbesluit WVO: Het bestuur sluit met de leerling en de stagegever gezamenlijk een schriftelijke stageovereenkomst waarin onder andere de begeleiding en de wijze van beoordeling aan bod komen.

OP6. Afsluiting2

De afsluiting van het voortgezet onderwijs verloopt, indien van toepassing, zorgvuldig.

Basiskwaliteit

Binnen de leerroute worden alle leerlingen goed voorbereid op de afsluiting van het onderwijs. De examinering van de leerroute is duidelijk. Hierbij wordt vermeld welke delen de afsluiting van het voortgezet onderwijs betreffen, welke delen de afsluiting van het beroepsonderwijs en welke delen een gecombineerde afsluiting.

Afsluiting voortgezet onderwijs

De leerroute zorgt ervoor dat alle leerlingen goed worden voorbereid op de afsluiting van het onderwijs. De leerroute heeft een gecombineerd Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA) en Onderwijs- en Examenregeling (OER) dat voldoet aan de eisen van de wetgeving. Dit document maakt leerlingen en ouders tijdig duidelijk hoe het schoolexamen, het centraal examen en het examen van de beroepsopleiding georganiseerd zijn, welke regels daarbij gelden en welke maatregelen de school hanteert bij leerlingen die zich niet aan de regels houden. Ook moet duidelijk zijn welke examens leerlingen op welke manier kunnen herkansen, welke stof wanneer wordt geëxamineerd, hoe het examen meeweegt en welke vrijstellingen gelden. De examinering verloopt volgens het gecombineerde PTA/OER. [Een onafhankelijke en deskundige examencommissie borgt de kwaliteit van de toetsing en de examinering.]

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de afsluiting en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 3 Eindexamenbesluit VO: De directeur en de examinatoren van de school nemen onder verantwoordelijkheid van het bestuur het (deel)eindexamen af.

• [Artikel 3a, eerste lid, Eindexamenbesluit VO: De directeur van de school wijst een personeelslid aan als secretaris van het eindexamen; deze is ook secretaris van de deeleindexamens.]Artikel 6c, WVO: De school werkt herkenbaar en gestructureerd aan de bestrijding van achterstanden.

• Artikel 7.4.8, tweede lid, WEB: Het bestuur legt regels met betrekking tot het examen tijdig voor aanvang van de opleiding vast in de onderwijs- en examenregeling van de instelling en zorgt ervoor dat deelnemers volledig en tijdig worden geïnformeerd.

• Artikel 10b13, tweede lid, WVO: De beschrijving van het onderwijsprogramma en de examinering van het voortgezet onderwijsdeel en het mbo-deel van de doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt niet in afzonderlijke documenten opgenomen, maar in één document.

• Artikel 10b15, eerste lid, sub b, WVO en 8.5a.8, eerste lid, sub b, WEB: Het bestuur van de school draagt zorgt voor het onderwijsprogramma en de examinering van die onderdelen van de doorlopende leerroute die tot het voortgezet onderwijs behoren. Het bestuur van de instelling zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering van die delen die tot het mbo-onderwijs behoren.

• Artikel 31, eerste en tweede lid, Eindexamenbesluit VO: Het bestuur stelt een examenreglement en een PTA vast waarin in elk geval de voorgeschreven onderdelen moeten zijn opgenomen.

• Artikel 31, derde lid, Eindexamenbesluit VO: Deze beide documenten moeten voor 1 oktober worden toegezonden aan de inspectie en worden verstrekt aan de examenkandidaten.

• [Artikel 35d Eindexamenbesluit VO: Het bestuur stelt een of meerdere onafhankelijke en deskundig functionerende examencommissie(s) in ten behoeve van de kwaliteit van de toetsing en de examinering op de school, waarbij voldaan wordt aan de specifieke vereisten die dit artikel noemt.]

• [Artikel 35e Eindexamenbesluit VO: De examencommissie heeft tot doel het borgen van de kwaliteit van de toetsing en de examinering en van het afsluitend karakter van het schoolexamen.]

X Noot
1

In plaats van leerlingen kan hier ook studenten worden gelezen.

X Noot
2

Er is regelgeving in voorbereiding (Besluit tot wijziging van het Eindexamenbesluit VO en het Eindexamenbesluit VO BES in verband met versterking van de kwaliteit van de schoolexamenorganisatie in het voortgezet onderwijs en het voortgezet algemeen voiwassenenonderwijs) waarin besturen in het voortgezet onderwijs onder andere verplicht worden om een examencommissie in te stellen. De hiermee samenhangende passages worden alleen meegenomen in de beoordeling als bovengenoemde AMvB is aangenomen en in werking is getreden.

KWALITEITSGEBIED VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT (VS)

VS1. Veiligheid

Binnen de leerroute is sprake van een veilige omgeving voor leerlingen.

Basiskwaliteit

Er is een veilig leer- en werkklimaat binnen de leerroute. Een leerroute is veilig als de psychische, sociale en fysieke veiligheid van leerlingen niet door handelingen van anderen wordt aangetast.

Van de leerroute mag worden verwacht dat er inzicht is in de fysieke en sociale veiligheids(beleving) van de leerlingen, hier beleid op voert en effectief handelt bij signalen die de sociale en/of fysieke veiligheid bedreigen, zodat de leerlingen kunnen profiteren van het geboden onderwijs. In de eerste twee jaar wordt ten minste jaarlijks met een gestandaardiseerd instrument gemonitord wat de beleving van de veiligheid en het welbevinden van de leerlingen is.

Voor de leerroute is (in elk geval voor de eerste twee jaar) een veiligheidsbeleid beschreven, dat bestaat uit een samenhangende set van maatregelen. Het beleid is gericht op het voorkomen, afhandelen, registreren en evalueren van incidenten, en de leerroute voert dat beleid ook uit. Binnen de leerroute worden (digitaal) pesten, agressie en geweld in elke vorm voorkomen en wordt zo nodig snel en adequaat opgetreden. Binnen de leerroute is voor de eerste twee jaar een persoon aangesteld die voor ouders en leerlingen het aanspreekpunt is in geval van pesten en die het beleid tegen pesten coördineert.

Tijdens de leerroute wordt de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling gehanteerd. Daarnaast worden de verplichtingen nagekomen rond het melden, overleggen en aangifte doen van zedenmisdrijven.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de veiligheid en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6 WEB: De instelling dient een stelsel van kwaliteitszorg in te richten en te beoordelen en daarbij onder andere het oordeel van de studenten te betrekken.

• Artikel 1.3.8 WEB: Het bestuur houdt zich aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van het melden, overleggen en aangifte doen in het geval van een (redelijk vermoeden van een) zedenmisdrijf.

• Artikel 1.3.9 WEB: Het bestuur stelt voor het personeel een meldcode vast die aangeeft hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan. Daarnaast moet het bestuur de kennis en het gebruik van de meldcode bevorderen.

• Artikel 3 WVO: Het bestuur houdt zich aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van het melden, overleggen en aangifte doen in het geval van een (redelijk vermoeden van een) zedenmisdrijf. Het bestuur treedt hierbij onverwijld in contact met de vertrouwensinspecteur.

• Artikel 3a WVO: Het bestuur stelt voor het personeel een meldcode vast die aangeeft hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan. Daarnaast moet het bestuur de kennis en het gebruik van de meldcode bevorderen.

• Artikel 3b, eerste lid, sub a, WVO: Het bestuur heeft beleid ten aanzien van de veiligheid van leerlingen en voert dat ook uit.

• Artikel 3b, eerste lid, sub b, WVO: Het bestuur monitort de veiligheid van leerlingen met een instrument dat een representatief en actueel beeld geeft.

• Artikel 3b, eerste lid sub c, WVO: Het bestuur heeft de volgende taken belegd bij een persoon:

° coördinatie van het beleid in het kader van het tegengaan van pesten op school;

° fungeren als aanspreekpunt in het kader van pesten.

• Artikel 3b, tweede lid, WVO: Onder veiligheid, bedoeld in artikel 3b, eerste lid, wordt de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen verstaan.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.2.7, vijfde en zesde lid, WEB: Het bestuur is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijsprogramma. De begeleide onderwijstijd vindt plaats onder verantwoordelijkheid en met actieve betrokkenheid van het onderwijspersoneel.

• Artikel 8a.2.2, derde lid, sub k, WEB: De studentenraad heeft instemmingsrecht met betrekking tot voorgenomen beslissingen van het bestuur ten aanzien van de regels op het gebied van veiligheid, gezondheid en welzijn van studenten.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs richt zich op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Dat omvat onder meer dat de school actie onderneemt als er onvoldoende sprake is van een cultuur die in overeenstemming is met basiswaarden.

VS2. Schoolklimaat

Binnen de leerroute is er een schoolklimaat dat bijdraagt aan het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties. Het schoolklimaat geeft in denken en doen uiting aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.

Basiskwaliteit

De leerroute bereidt de leerlingen voor op het leven in de maatschappij. De leerroute is daarbij een oefenplaats die leerlingen ondersteunt bij het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties. Tijdens de leerroute doen leerlingen ervaring op met de omgang met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.

Het personeel van de school is in zijn gedrag een voorbeeld voor de leerlingen: personeelsleden leven de basiswaarden zichtbaar na. De leerroute signaleert en corrigeert uitingen van leerlingen die met de basiswaarden in strijd zijn.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het schoolklimaat en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 7.1.2, tweede lid, WEB: Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een student is ingericht en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie en een of meer keuzedelen, waaronder ook de generieke eisen met betrekking tot burgerschap.

• Artikel 7.2.7, vijfde en zesde lid, WEB: Het onderwijsprogramma omvat uitsluitend begeleide onderwijsuren en beroepspraktijkvorming onder verantwoordelijkheid en toezicht van het bestuur, en met actieve betrokkenheid van het onderwijspersoneel.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur van de instelling zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering van het mbo-diploma.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze, richt zich onder andere op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden en het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties.

• Artikel 17, tweede lid, WVO: Het bestuur draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en creëert een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met deze waarden.

KWALITEITSGEBIED BORGING EN AFSLUITING (BA) (van toepassing op diploma, certificaat of verklaring middelbaar beroepsonderwijs)

BA1. Borging diplomering

De examencommissie borgt deugdelijke diplomering.

Basiskwaliteit

Het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie is voldoende gewaarborgd door het bestuur.

De examencommissie stelt op objectieve en deskundige wijze vast of een student voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een diploma of een certificaat. Zij bewaakt, monitort en analyseert de kwaliteit van de processen die hieraan ten grondslag liggen. Hierdoor zijn het niveau, de complexiteit en de inhoud van de door de leerling geleverde prestaties, afgestemd op de kwalificatievereisten of het certificaat, geborgd.

De examencommissie borgt in alle fasen van de examinering en diplomering de deskundigheid van de betrokken personen.

De examencommissie bewaakt op een cyclische manier haar eigen werkwijze en kwaliteit met betrekking tot de borging van de examinering, diplomering en certificering voor de opleidingen waarvoor zij verantwoordelijk is. Zij geeft betekenis aan de uitkomsten hiervan en acteert hierop. Hierbij betrekt zij eventueel onafhankelijke deskundigen. In voorkomende gevallen worden verbetermaatregelen genomen en wordt toegezien op de realisatie ervan. Hierover wordt jaarlijks verslag gedaan.

De examencommissie geeft op deugdelijke gronden mbo-verklaringen af. Tevens geeft zij vrijstellingen voor examenonderdelen op deugdelijke gronden.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de borging van de diplomering en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• De twee standaarden op het gebied van borging en afsluiting en de bijbehorende normering in dit waarderingskader komen overeen met de standaarden en normering in de Regeling standaarden examenkwaliteit mbo 2021.

BA2. Afsluiting

De leerroute onderbouwt dat de leerling1 voldaan heeft aan de voorwaarden voor het diploma, een certificaat of een verklaring middelbaar beroepsonderwijs.

Basiskwaliteit

De leerroute heeft een gecombineerd Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA) en Onderwijs- en Examenregeling (OER) dat voldoet aan de eisen van de wetgeving.

Binnen de leerroute worden alle leerlingen goed voorbereid op de afsluiting van het onderwijs. De examinering van de leerroute is duidelijk. Hierbij wordt vermeld welke delen de afsluiting van het voortgezet onderwijs betreffen, welke de afsluiting van het beroepsonderwijs en welke delen een gecombineerde afsluiting betreffen.

Voor de afsluiting van het mbo-deel geldt het volgende:

De opbouw en inrichting van de afsluiting voldoen aan de eigen vastgestelde kwaliteitseisen voor een betrouwbare diplomering en certificering. Dit sluit aan op de visie op het onderwijs van het team. De examinering is afgestemd op de kwalificatie-eisen wanneer het gaat om diplomering. Dit is inclusief de keuzedelen en de eisen ten aanzien van generieke examenonderdelen.

De examinering is valide en betrouwbaar en zorgt ervoor dat de student voldoet aan de voorwaarden tot diplomering of certificering. De afnamecondities en de beoordelingen zijn voor studenten gelijkwaardig. De leerroute betrekt de beroepspraktijk bij de examinering. De leerroute beoordeelt de bewijzen ten behoeve van de examinering onafhankelijk en deskundig. Deze bewijzen laten in samenhang een passende balans zien tussen vereiste kennis, houding en vaardigheden, waarbij onderdelen van de examinering in de reële beroepspraktijk plaatsvinden. Op basis van de bewijzen stelt de leerroute vast of een student de kwalificatie-eisen in voldoende mate beheerst.

De student is volledig en tijdig geïnformeerd over de kwalificatie-eisen en de eisen die de leerroute stelt aan de examinering en diplomering. Deze informatie is voor alle betrokkenen transparant en eenduidig.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de afsluiting en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• De twee standaarden op het gebied van Borging en afsluiting en de bijbehorende normering in dit waarderingskader komen overeen met de standaarden en normering in de Regeling standaarden examenkwaliteit mbo 2021.

X Noot
1

Waar leerling staat kan ook student worden gelezen.

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSRESULTATEN (OR)

OR1. Resultaten en studiesucces1

De leerlingen behalen in deze leerroute leerresultaten die ten minste in overeenstemming zijn met de gestelde norm.2

Basiskwaliteit

De resultaten liggen op het niveau dat op grond van de kenmerken van de leerlingenpopulatie mag worden verwacht.

Dit betekent dat de doorstroom in de eerste twee jaren van de leerroute (vergelijkbaar met de bovenbouw in een regulier vmbo) en, indien van toepassing, de gemiddelde eindexamenresultaten op of boven de normering liggen die daarvoor geldt.

Daarnaast laten de onderwijsresultaten over de afgelopen drie jaar zien dat de leerroute leerlingen voldoende in staat stelt een diploma op het gewenste niveau te behalen. De leerroute zorgt ervoor dat leerlingen de leerroute binnen de vastgestelde studieduur doorlopen. De resultaten laten ook zien dat er doorstroom is naar hogere opleidingsniveaus.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de onderwijsresultaten en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, jo. artikel 1.3.5, sub b, WEB: Instellingen dienen voorts zorg te dragen voor het aanbieden van doelmatige leerwegen, onder andere door ervoor te zorgen dat de opleiding aansluit op het voorafgaand onderwijs en vervolgonderwijs.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.2.7, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt ervoor dat beroepsopleidingen zo zijn ingericht dat studenten de kwalificatie en de daarbij behorende keuzedelen binnen de vastgestelde studieduur kunnen behalen en zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma.

• Artikel 23a1 WVO en de Regeling leerresultaten VO: Er is sprake van voldoende leerresultaten wanneer de gemiddelde eindexamenresultaten en het doorstroomrendement, gemeten over een periode van drie schooljaren, op of boven de normering zoals vastgelegd in de Regeling leerresultaten VO liggen.

OR2. Sociale en maatschappelijke competenties

De leerlingen behalen sociale en maatschappelijke competenties op het niveau dat ten minste in overeenstemming is met de verwachtingen van het vervolgonderwijs en de maatschappij.

Basiskwaliteit

Tijdens de leerroute is er een goed beeld van de kenmerken van de leerlingenpopulatie en zijn er ambitieuze verwachtingen over het niveau dat de leerlingen voor de sociale en maatschappelijke competenties kunnen bereiken. De aansluiting op het vervolgonderwijs en de maatschappij is het uitgangspunt voor de competenties voor leerlingen.

Binnen de leerroute wordt onderbouwd welke resultaten de school op dit gebied wil bereiken. De school spant zich zichtbaar in om ervoor te zorgen dat leerlingen die de leerroute verlaten daaraan voldoen. Daarmee laat de school zien dat zij haar doelstellingen voor deze competenties binnen deze leerroute behaald heeft.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sociale en maatschappelijke competenties en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 7 tot en met artikel 10, WVO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs richt zich herkenbaar op het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving.

OR3. Vervolgsucces

De bestemming van de leerlingen na het (gediplomeerd) verlaten van de leerroute is bekend en voldoet ten minste aan de verwachtingen van de opleiding.

Basiskwaliteit

De instelling betrekt de ontwikkelingen op de (regionale) arbeidsmarkt bij het beleid en de uitvoering daarvan. Zij beschikt over gegevens over het vervolg van de loopbaan van leerlingen die de opleiding (voortijdig of) met een diploma hebben verlaten. Daarbij kan het gaan om de overstap naar vervolgonderwijs (mbo of hbo), een plek op de arbeidsmarkt, dan wel een passend vervolg voor leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte.

Gezien de relatie tussen vervolgsucces en de onderwijskwaliteit mag in het kader van de kwaliteitszorg verder van de instelling worden verwacht dat zij hier inzicht in heeft en beleid op voert.

Het vervolgsucces voldoet ten minste aan de verwachtingen van de leerroute in relatie tot de gemiddelde landelijke resultaten van vergelijkbare leerroutes en de situatie op de regionale arbeidsmarkt.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor vervolgsucces en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.5, sub c, jo. artikel 6.1.3a, eerste lid, sub c, jo. artikel 7.1.2, tweede lid, WEB: Kennis van de (regionale) arbeidsmarkt is noodzakelijk om aspirant-studenten over het arbeidsmarktperspectief van de opleiding te kunnen informeren en loopbaanoriëntatie en

-begeleiding te kunnen bieden.

• Artikel 1.3.6 WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg voor de instelling in en draagt er in dat verband zorg voor dat zo veel mogelijk in samenwerking met andere instellingen wordt voorzien in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs.

• Artikel 6.1.3, eerste lid, jo. artikel 1.3.5, sub b, WEB: Het bestuur zorgt voor doelmatige leerwegen en zorgt dat een beroepsopleiding alleen wordt aangeboden als er na beëindiging van de opleiding voldoende arbeidsmarktperspectief is voor de deelnemers. Onder arbeidsmarktperspectief wordt in ieder geval verstaan het perspectief voor gediplomeerde schoolverlaters op het binnen een redelijke termijn vinden van werk op het niveau van de gevolgde opleiding.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

X Noot
1

Voorlopig beoordelen we deze standaard niet. De komende tijd gebruiken we om expertise op te bouwen over de resultaten van de doorlopende leerroutes vmbo-mbo en het veld te consulteren over welke normen en beslisregels we in de toekomst zouden willen hanteren.

X Noot
2

De norm voor studiesucces wordt voor vier jaar vastgesteld, zoals uitgewerkt in bijlage 1 van het onderzoekskader voor het middelbaar beroepsonderwijs. We beoordelen het studiesucces aan de hand van deze norm op het niveau van het kwalificatiedossier.

KWALITEITSGEBIED STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (SKA)

SKA1. Visie, ambities en doelen

De voor de leerroute verantwoordelijke school en instelling hebben een visie op goed onderwijs in de leerroute, hebben daarvoor ambities en doelen opgesteld en sturen op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

De school en de instelling hebben afspraken over de organisatie en de vormgeving van de leerroute vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst.

De school en de instelling laten zien dat hun visie, ambities en doelen voor de leerroute aansluiten op die van hun bestuur en op de kenmerken van de leerlingenpopulatie. Dit doen zij onder meer door aan te geven hoe ze rekening houden met (taal)achterstanden en specifieke leerbehoeften om bij te dragen aan gelijke kansen voor alle leerlingen. Resultaten van eerdere evaluaties en interne en externe dialoog zijn zichtbaar in de doelen voor het onderwijskundig beleid.

De opleiding richt voorwaarden in om de onderwijskundige ambities en doelen te bereiken. Daarbij is de interne verantwoordelijkheidsverdeling duidelijk.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg in en verbetert aan de hand daarvan het onderwijs.

• Artikel 4.1a.1, vierde lid, WEB: Het bestuur maakt met de docenten afspraken over de wijze waarop de zeggenschap van docenten wordt georganiseerd, waarbij de professionele standaard van de beroepsgroep in acht wordt genomen.

• Artikel 6c WVO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat daarbij op structurele en herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden, in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 7.4.8, derde lid, jo. artikel 7.2.7, vijfde lid, WEB: Het bestuur zorgt ervoor dat opleidingen aantoonbaar voldoen aan enkele eisen, waaronder artikel 7.2.7, vijfde lid, waaruit blijkt dat het onderwijsprogramma moet zijn gericht op het bereiken van onderwijs- en vormingsdoelen van de beroepsopleiding.

• Artikel 9.1.7 WEB: Er is een bestuursreglement waarin de verantwoordelijkheidsverdeling wordt beschreven.

• Artikel 10b12, eerste lid, WVO: Het bestuur van een school en het bestuur van een instelling voor beroepsonderwijs melden gezamenlijk dat zij een doorlopende route vmbo-mbo aanbieden.

• Artikel 10b11, tweede lid, WVO: In de samenwerkingsovereenkomst is een aantal afspraken opgenomen.

• Artikel 23a WVO: Het bestuur moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder ‘zorg dragen voor’ wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg.

• Artikel 24, eerste lid, WVO: Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school wordt gevoerd en omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg.

• Artikel 24, tweede lid, WVO: De beschrijving van het onderwijskundig beleid omvat in elk geval de inhoud van het onderwijs, de eigen opdrachten voor het onderwijs, het pedagogisch-didactisch klimaat en de veiligheid. Daarbij betrekt de school het schoolondersteuningsprofiel.

• Artikel 24, vierde lid, WVO: De school moet door haar stelsel van kwaliteitszorg zorg dragen voor de ononderbroken ontwikkeling van leerlingen en de afstemming van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen. Ook moet worden vastgesteld waar verbetermaatregelen nodig zijn.

• Artikel 32c WVO: Het bestuur stelt een managementstatuut vast waaruit de verantwoordelijkheidsverdeling in de aansturing van de school blijkt.

SKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

De school en de instelling realiseren binnen de leerroute de doelen voor goed onderwijs, bevorderen randvoorwaarden en sturen, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

De school en de instelling geven uitvoering aan de afspraken in de samenwerkingsovereenkomst over de organisatie en de vormgeving van de leerroute.

De school en de instelling realiseren de doelen voor goed onderwijs, die voortkomen uit hun visie en ambities, binnen de leerroute. De school en instelling zorgen daartoe voor een professionele en veilige leer- en verbetercultuur in de leerroute. Binnen deze kwaliteitscultuur geven de leiding en het onderwijsteam samen uitvoering aan het stelsel van kwaliteitszorg, zodat binnen de leerroute als geheel gericht wordt gewerkt aan het bereiken van de onderwijskundige doelen. Waar nodig sturen de school en de instelling tussentijds bij.

De school en de instelling zorgen ervoor dat de deskundigheidsbevordering van het onderwijsteam van de leerroute binnen de gestelde doelen gestalte krijgt. Het onderwijsteam oefent daarbij zijn eigen verantwoordelijkheid bij het inrichten van het onderwijs in de leerroute uit.

De school en de instelling tonen in hun sturing onderwijskundig leiderschap en zorgen voor een doelmatige inzet van middelen om gestelde doelen in de leerroute te realiseren.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg in en verbetert aan de hand daarvan het onderwijs.

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: De kwaliteit van het onderwijs wordt regelmatig beoordeeld, er worden maatregelen en instrumenten gebruikt om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt.

• Artikel 1.3.6a WEB: Het bestuur zorgt voor personeelsbeleid voor zover het de duurzame borging van de kwaliteit van het onderwijspersoneel betreft.

• Artikel 4.1.a1, eerste lid, WEB: Docenten zijn binnen het onderwijskundig beleid verantwoordelijk voor het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces van de instelling.

• Artikel 4.1.a1, derde lid, WEB: Docenten beschikken over voldoende zeggenschap, waaronder de zeggenschap over de inhoud van de lesstof en de wijze waarop de lesstof wordt aangeboden.

• Artikel 4.1a.1, vierde lid, WEB: Het bestuur maakt met de docenten afspraken over de wijze waarop de zeggenschap van docenten wordt georganiseerd, waarbij de professionele standaard van de beroepsgroep in acht wordt genomen.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 7.4.8, derde lid, jo. artikel 7.2.7, vijfde lid, WEB: Het bestuur zorgt ervoor dat opleidingen aantoonbaar voldoen aan enkele eisen, waaronder artikel 7.2.7, vijfde lid, waaruit blijkt dat het onderwijsprogramma moet zijn gericht op het bereiken van onderwijs- en vormingsdoelen van de beroepsopleiding.

• Artikel 7.13a eerste tot en met vierde lid, WVO (Werken in teams bij vak- en sectoroverstijgende programmaonderdelen in doorlopende leerroutes vmbo-mbo): Indien in het onderwijsprogramma van een doorlopende leerroute vmbo-mbo, als bedoeld in artikel 2.107a, of de geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding, als bedoeld in artikel 2.107l sprake is van vak- en sectoroverstijgende programmaonderdelen, als bedoeld in artikel 2.107d, tweede lid, onderdeel a, respectievelijk c, kan worden gewerkt met teams die verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van het onderwijsprogramma voor die vak- en sectoroverstijgende programmaonderdelen.

• Artikel 10b11, tweede lid, WVO: In de samenwerkingsovereenkomst zijn afspraken opgenomen over de verantwoordelijkheidsverdeling tussen school en instelling over de vormgeving en uitvoering van de doorlopende leerroute.

• Artikel 17a en artikel 17b, WVO: Voor leerlingen met extra ondersteuning werkt de school samen met het samenwerkingsverband passend onderwijs en partners in de zorg.

• Artikel 17b, tweede lid, WVO: Het bestuur stelt ten minste eenmaal in de vier jaar het schoolondersteuningsprofiel vast.

• Artikel 23a WVO: Het bestuur moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder ‘zorg dragen voor’ wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg.

• Artikel 24, derde lid, WVO: Het schoolplan bevat een beschrijving van het personeelsbeleid. Dit personeelsbeleid gaat in elk geval over hoe wordt voldaan aan de eisen van bevoegdheid en onderhoud van bekwaamheid, de bijdrage van het personeel aan het onderwijskundig beleid, het pedagogisch-didactisch handelen, de evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding, als bedoeld in artikel 32d, en de wijze waarop rekening wordt gehouden met de inbreng van leerlingen op het beleid.

• Artikel 32e, eerste tot en met derde lid, WVO: De school dient leraren een zelfstandige verantwoordelijkheid te geven bij de beoordeling van de onderwijsprestaties van leerlingen en voldoende zeggenschap waar het gaat om het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de school.

• Artikel 33 WVO: Daar waar nog niet bevoegd wordt lesgegeven, moet het bestuur afspraken maken die ertoe leiden dat de leraar de juiste bevoegdheid behaalt.

• Artikel 37a WVO: Het bestuur beschikt bij elk personeelslid waarvoor bekwaamheidseisen gelden over geordende gegevens over de bekwaamheid en het onderhouden daarvan.

SKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

De school en de instelling evalueren en analyseren systematisch of zij de beoogde doelen realiseren en verantwoorden zich daarover. Zij stellen, wanneer nodig, het beleid bij en betrekken interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

De leerroute is door de school en de instelling gemeld bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO).

De school en de instelling evalueren, analyseren en beoordelen als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de doelen en het beleid in de leerroute worden gerealiseerd en informeren het bestuur (of de besturen) daarover. Zij halen daarvoor intern en extern actief informatie op om zicht te krijgen op de uitvoering, de resultaten van het onderwijs in de leerroute voor de leerlingen en kansen en bedreigingen voor de verdere ontwikkeling van het onderwijs.

De school en de instelling organiseren tegenspraak over de leerroute. Daarvoor gaan zij actief een dialoog aan met in ieder geval ouders, personeel, de betreffende medezeggenschapsorganen en, wanneer van toepassing, leerlingen, gemeenten en (regionale)werkgevers. De school en de instelling informeren belanghebbenden minimaal jaarlijks op een toegankelijke manier over doelen en werkwijze en over de resultaten die zij behaald hebben met de leerroute.

De school en de instelling analyseren en beoordelen de uitkomsten van de evaluatie en verwerken deze wanneer nodig in het (verbeter)beleid, zodat dit bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwijs. Zij maken daarbij duidelijk welk effect de inbreng van belanghebbenden heeft op het borgen en bijstellen van het beleid.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg in en verbetert aan de hand daarvan het onderwijs.

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: De kwaliteit van het onderwijs wordt regelmatig beoordeeld. De beoordeling vindt ook plaats aan de hand van het oordeel van studenten en met betrokkenheid van onafhankelijke deskundigen en belanghebbenden.

• Artikel 1.3.6, tweede lid, WEB: Het bestuur verantwoordt zich over de beoordeling en het voorgenomen beleid in het licht van de beoordeling.

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen.

• Artikel 8 WMS: De (gemeenschappeleijke) medezeggenschapsraad (G)MR ontvangt tijdig alle inlichtingen van het bestuur die redelijkerwijs nodig zijn om zijn taak te kunnen vervullen en ontvangt in elk geval bepaalde in de wet beschreven informatie.

• Artikel 10 WMS: Het bestuur heeft in bepaalde gevallen voorafgaande instemming nodig van de (G)MR voor elk besluit in dat geval, bijvoorbeeld bij verandering van de onderwijskundige doelstellingen van de school.

• Artikel 10b11, tweede lid, WVO: In de samenwerkingsovereenkomst zijn afspraken opgenomen over de verantwoordelijkheidsverdeling tussen school en instelling over de vormgeving en uitvoering van de doorlopende leerroute.

• Artikel 11 WMS: Het bestuur moet de (G)MR vooraf in de gelegenheid stellen om te adviseren over besluiten bij bepaalde aangelegenheden, bijvoorbeeld bij de vaststelling of wijziging van het lesrooster in het voortgezet onderwijs.

• Artikel12 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het personeelsdeel van de (G)MR bij besluiten bij bepaalde aangelegenheden, bijvoorbeeld bij de vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie.

• Artikel 14 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het ouder- en leerlingdeel van de (G)MR over bepaalde besluiten, bijvoorbeeld bij de vaststelling van de schoolgids.

• Artikel 24a WVO: De school maakt in de schoolgids duidelijk wat de doelen van het onderwijs zijn en welke resultaten met het onderwijsleerproces worden bereikt. Ook de bevindingen ten aanzien van het stelsel van kwaliteitszorg, evenals de maatregelen die naar aanleiding daarvan zijn getroffen, worden hierin opgenomen. Ook leerlingen worden betrokken bij de besluitvorming.

• Artikel 118a WVO: De besturen van de scholen voeren jaarlijks overleg met elkaar en met de gemeente over het voorkomen van segregatie, het bevorderen van integratie en het bestrijden van achterstanden.

Bijlage 7 Waarderingskader voortgezet onderwijs Caribisch Nederland

In deze bijlage is het waarderingskader voor het voortgezet onderwijs op Caribisch Nederland opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.8.

KWALITEITSGEBIED BESTURING, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (BKA)

BKA1. Visie, ambities en doelen

Het bestuur heeft een visie op kwaliteit, heeft hiervoor ambities en doelen opgesteld en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

Het bestuur heeft een visie op goed onderwijs en op de besturing daarvan. De visie is concreet en passend vertaald naar ambities, doelen en daarmee samenhangend beleid. Deze vertaling maakt sturing mogelijk op de kwaliteit en resultaten van het onderwijs en de voorwaarden. Daartoe is een stelsel van kwaliteitszorg ingericht dat het bestuur in staat stelt de basiskwaliteit van het onderwijs te waarborgen.

De doelen betreffen in elk geval de naleving van wettelijke eisen, waaronder wettelijke vereisten voor het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces en de manier van toetsen en examineren. De visie, ambities en doelen omvatten uitwerkingen van eerdere evaluatieresultaten en resultaten van interne en externe dialoog.

Het bestuur zorgt er met betrokkenheid van de scholen voor dat de visie, ambities, doelen en het beleid sturend zijn voor de verbetering van het onderwijs aan leerlingen. Scholen formuleren op hun beurt doelen die aansluiten bij wat leerlingen nodig hebben met het oog op hun doorgaande onderwijsloopbaan.

Het bestuur richt de voorwaarden in om de doelen te bereiken, waaronder de inzet en het beheer van de (financiële) middelen voor het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijsproces, de diplomering, het schoolklimaat en de resultaten. Het bestuur heeft daartoe een meerjarenbegroting waarin de relatie met het beleid en de doelen duidelijk zijn toegelicht. Er is voor de sturing op (financiële) kwaliteit een functionerende verantwoordelijkheidsverdeling tussen de interne toezichthouder, het bestuur en de scholen afgesproken, op basis van de geldende wet- en regelgeving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2, tweede lid, WVO BES: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen.

• Artikel 3, achtste lid, RJO BES: Het bestuur zorgt voor een continuïteitsparagraaf in de jaarverslaggeving.

• Artikel 47 en artikel 50, vierde lid, WVO BES: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg.

• Artikel 50, eerste, tweede en derde lid, WVO BES: Het bestuur zorgt ervoor dat alle scholen een schoolplan hebben. Het schoolplan omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg. Bij de beschrijving van het onderwijskundig beleid wordt het schoolondersteuningsprofiel betrokken. Dit bevat een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven.

• Artikel 56, eerste lid sub c, WVO BES: De interne toezichthouder ziet erop toe dat het bestuur de middelen rechtmatig verwerft en doelmatig en rechtmatig bestemt en aanwendt.

• Artikel 77, zesde lid, WVO BES: Het bestuur stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van de verschillende categorieën personeel van de scholen.

• Artikel 79 WVO BES: Het bestuur stelt een managementstatuut vast waaruit de verantwoordelijkheidsverdeling in de aansturing van de school blijkt.

• Artikel 172 en 178a, WVO BES [jo. AMvB], en artikel 20 Bekostigingsbesluit WVO BES: Het bestuur moet de rijksbekostiging rechtmatig aanwenden en moet evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen voorkomen.

• Artikel 175, eerste lid, WVO BES en artikel 3, achtste lid, RJO BES: Het bestuur maakt jaarlijks een jaarverslag waarin de resultaten van het financieel beleid staan.

• RJO BES, jo. artikel 175, WVO BES: De wijze waarop door het bestuur verslag wordt gedaan van het financieel beheer gebeurt overeenkomstig de daarvoor in de RJO BES gestelde regels.

BKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

Het bestuur realiseert samen met de scholen de doelen voor kwaliteit, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

Het bestuur geeft als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg met de scholen effectief uitvoering aan de visie en de doelen voor onderwijskwaliteit. Aan de transparante, integere kwaliteitscultuur is zichtbaar dat deze bijdraagt aan de gestelde doelen.

Het bestuur bevordert een op samenwerken, leren en verbeteren gerichte kwaliteitscultuur, zodat doelen en ambities gerealiseerd kunnen worden. Het bestuur zorgt ervoor dat het onderwijskundig leiderschap op alle niveaus herkenbaar verankerd is in de organisatie. Ook bevordert het bestuur dat de schoolleiding en teams gezamenlijk werken aan hun professionaliteit in relatie tot de bekwaamheidseisen en aan een verbetercultuur.

Binnen de kwaliteitscultuur geeft het bestuur uitvoering aan kwaliteitszorg gericht op de kwaliteit van het onderwijs, de afspraken uit het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband passend onderwijs en de naleving van de wettelijke voorschriften. Het bestuur bewaakt en bevordert dat de uitvoering in overeenstemming is met het beleid, zodat de doelen worden bereikt. Het bestuur houdt zicht op de uitvoering van het beleid en op de nagestreefde verbeteringen en stuurt daarop, zo nodig, tussentijds bij.

De beschikbare (financiële) middelen dragen bij aan de realisatie van de door het bestuur gestelde doelen en worden doelmatig en rechtmatig aangewend. Als onderdeel van zijn taak ziet de interne toezichthouder daarop toe. Het bestuur voorkomt evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen. Daarnaast stuurt het bestuur op effectief financieel beheer, zodat de continuïteit van het onderwijs gewaarborgd is en bekostiging rechtmatig verkregen wordt.

Het interne toezicht geeft voorts onafhankelijk en deugdelijk invulling aan zijn taak en wordt daarin gefaciliteerd door het uitvoerend deel van het bestuur.1 Het bestuur zorgt voor goed functionerende medezeggenschap en opereert volgens een code Goed Bestuur of legt in het jaarverslag uit als het daar eventueel van afwijkt en waarom dat het geval is. Ook stelt het bestuur de examencommissie in en benoemt de leden. Als laatste zorgt het bestuur voor een doeltreffende verwerking van interne en externe signalen en klachten.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 3, achtste lid, RJO BES: Het bestuur zorgt voor een continuïteitsparagraaf in de jaarverslaggeving.

• [Artikel 23a Eindxamenbesluit VO BES: Het bestuur stelt een of meer onafhankelijke en deskundig functionerende examencommissie(s) in ten behoeve van de kwaliteit van de toetsing en examinering op de school, waarbij voldaan wordt aan de specifieke vereisten die dit artikel noemt.]

• Artikel 47 en 50, vierde lid, WVO BES: Het bestuur en schoolleiding zorgen ervoor dat de wet wordt nageleefd en dat er indien nodig verbetermaatregelen komen Dat houdt onder andere in dat het bestuur en de scholen zicht hebben op de kwaliteit van het onderwijs. Daarbij moet het functioneren van de kwaliteitscyclus centraal staan.

• Artikel 50, eerste en derde lid, en artikel 88 WVO BES: Het bestuur zorgt voor bevoegd personeel en maakt het onderhouden en uitbreiden van de bekwaamheid mogelijk.

• Artikel 51, eerste lid, onder e jo. artikel 5260 WVO BES: Het bestuur communiceert daarover in de schoolgids(en).

• Artikel 52 WVO BES: Het bestuur heeft een klachtenregeling die leidt tot een deugdelijke klachtbehandeling waarbij voldaan wordt aan de specifieke vereisten die dit artikel noemt.

• Artikel 54 WVO BES: Het bestuur draagt zorg voor een goed bestuurde school met een scheiding tussen uitvoerend deel van het bestuur en toezicht en met een rechtmatig bestuur en beheer.

• Artikel 55, tweede lid, WVO BES: De interne toezichthouder (of lid daarvan) functioneert onafhankelijk van het uitvoerend deel van het bestuur.

• Artikel 56, eerste lid, en artikel 175, eerste lid, WVO BES: De interne toezichthouder houdt toezicht op de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden door het uitvoerend deel van het bestuur, staat het uitvoerend deel van het bestuur met raad terzijde en heeft ten minste bepaalde taken.

• Artikel 172 en 178a, WVO BES [jo. AMvB], en artikel 20 Bekostigingsbesluit WVO BES: Het bestuur moet de rijksbekostiging rechtmatig aanwenden en moet evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen voorkomen.

• Artikel 172a WVO BES: Het bestuur beheert de middelen van de school op zodanige wijze dat het voortbestaan van de school is verzekerd.

• Artikel 175, eerste lid, WVO BES: Het bestuur dient een code Goed Bestuur te hanteren en verantwoordt zich over eventuele afwijkingen in het jaarverslag.

• Artikel 178a, vierde lid WVO BES: Als sprake is van evident ondoelmatige aanwending, kunnen daar financiële gevolgen aan worden verbonden, zoals wijziging van de bekostiging en het terugvorderen van het onverschuldigd betaalde deel van de bekostiging.2

• Artikel 178a, vijfde lid WVO BES [jo. AMvB]: Bij of krachtens AMvB worden nadere regels gesteld over de wijze waarop wordt vastgesteld dat sprake is van evident ondoelmatige aanwending van de bekostiging.

BKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

Het bestuur evalueert en analyseert systematisch of het de beoogde doelen realiseert en verantwoordt zich hierover. Het stelt wanneer nodig het beleid bij en betrekt daartoe interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

Het bestuur evalueert en beoordeelt als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de ambities, de doelen en het beleid worden gerealiseerd. Op deze manier krijgt het bestuur zicht op de gerealiseerde (financiële) kwaliteit en de resultaten van het onderwijs aan de leerlingen. Bij de evaluatie en beoordeling van het beleid en de onderwijskwalietit haalt het bestuur actief externe informatie op en gebruikt deze informatie bij de evaluatie en beoordeling. Op basis van de evaluatie reageert het bestuur tijdig op mogelijke kansen en bedreigingen, stelt wanneer nodig (verbeter)beleid op en treft passende maatregelen om de kwaliteit van het onderwijs op de scholen te borgen.

Het bestuur legt verantwoording af door middel van accurate, actuele en openbaar toegankelijke informatie over de gerealiseerde kwaliteit. Het brengt minimaal jaarlijks verslag uit aan zijn in- en externe belanghebbenden over zijn doelen en de resultaten van zijn scholen. De verantwoording in het jaarverslag is betrouwbaar en (de inhoud van) het jaarverslag voldoet aan de wettelijke vereisten.

Het bestuur verantwoordt zich daarbij ten minste over het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces, de manier van toetsen en examineren en het financieel beheer. De reflectie op de uitkomsten van de evaluatie geeft alle lagen van de organisatie, intern toezicht en de medezeggenschap voldoende inzicht in de effectiviteit van de besturing en uitvoering. Vervolgens verwerkt het bestuur deze wanneer nodig in bijstelling van ambities, (verbeter)doelen en beleid of nieuwe ambities zodat de opbrengst van de dialoog bijdraaagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwjis en de sturing daarop. Het bestuur organiseert ook de dialoog hierover met interne en externe belanghebbenden, waarbij in elk geval leerlingen, ouders, personeel en interne toezichthouder zijn betrokken. Het bestuur werkt bovendien actief samen met andere partijen aan doelen die het bestuurlijk belang overstijgen en de kernfuncties raken. Zo komt het bestuur de afspraken uit het eilandelijk zorgplan over passend onderwijs na en verantwoordt zich hierover.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 3, achtste lid, RJO BES jo. artikel 175 WVO BES: Het bestuur maakt jaarlijks een jaarverslag waarin naast de resultaten van het financieel beleid ook verantwoording wordt gegeven over toekomstige ontwikkelingen van het onderwijs.

• Artikel 47 en artikel 50, vierde lid, WVO BES: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er regelmatig wordt geëvalueerd of deze doelen worden gehaald.

• Artikel 51, eerste lid, onder j, WVO BES: De schoolgids bevat voor ouders en leerlingen informatie over de werkwijze van de school en bevat in elk geval ook informatie over de maatregelen die in het kader van de kwaliteitszorg getroffen zijn

• Artikel 57 en artikel 58, WVO BES: Aan de school is een (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad verbonden. Het bestuur stelt de medezeggenschapsraad ten minste tweemaal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de school met hem te bespreken. Verder komen zij bijeen als daarom gemotiveerd door het bestuur, de vertegenwoordigers van ouders, de vertegenwoordigers van leerlingen of de vertegenwoordigers van personeel wordt verzocht.

• Artikel 175, eerste lid, WVO BES: Het bestuur dient een code Goed Bestuur te hanteren en verantwoordt zich over eventuele afwijkingen in het jaarverslag.

• Artikel 175 WVO BES, en artikel 1 RJO BES: Het bestuur informeert jaarlijks interne en externe belanghebbenden over het gevoerde en voorgenomen beleid en de uitkomsten van het gevoerde beleid.

• RJO BES, jo. artikel 175 WVO BES: De wijze waarop door het bestuur verslag wordt gedaan van het financieel beheer gebeurt overeenkomstig de daarvoor in de RJO BES gestelde regels.

• Artikel 175, zevende en achtste lid, WVO BES: Het bestuur maakt het jaarverslag openbaar. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de wijze en het tijdstip waarop openbaarmaking van het jaarverslag plaatsvindt.

X Noot
1

Volgens artikel 1, sub c, RJO: het geheel van verslaggevingsdocumenten bestaande uit de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392, titel 9, boek 2, BW.

X Noot
2

Met het amendement (Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 102, nr. 11) is geregeld dat een bekostigingssanctie alleen kan worden opgelegd aan het bestuur nadat bij AMvB een nadere invulling wordt gegeven aan het begrip ‘evident ondoelmatige besteding’. Zonder deze algemene maatregel van bestuur is handhaving op ‘evident ondoelmatige besteding’ niet mogelijk. Tot de datum van inwerkingtreding van de AMvB richt de inspectie zich op haar stimulerende taak op dit gebied en zal alleen een Onvoldoende worden gegeven als een bestuur niet voldoet aan de op dit moment bij de basiskwaliteit opgenomen elementen.

KWALITEITSGEBIEDEN EN STANDAARDEN VO SCHOOLNIVEAU

OP ONDERWIJSPROCES

OP1

Aanbod

OP2

Zicht op ontwikkeling en begeleiding

OP3

Pedagogisch-didactisch handelen

OP4

Onderwijstijd

OP6

Afsluiting

VS VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT

VS1

Veiligheid

VS2

Schoolklimaat

OR ONDERWIJSRESULTATEN

OR1

Resultaten

OR2

Sociale en maatschappelijke competenties

SKA STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE

SKA1

Visie, ambities en doelen

SKA2

Uitvoering en kwaliteitscultuur

SKA3

Evaluatie, verantwoording en dialoog

ONDERWIJSPROCES (OP)

OP1. Aanbod

Het aanbod bereidt de leerlingen voor op vervolgonderwijs en de samenleving.

Basiskwaliteit

De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs en de samenleving. Zij biedt een breed en op de kerndoelen gebaseerd aanbod dat ook de referentieniveaus taal en rekenen omvat. Het aanbod is dekkend voor examenprogramma’s. Onder aanbod verstaan we alle lesinhouden, ook die digitaal zijn of online aangeboden worden. Het aanbod van de school is afgestemd op de leerlingenpopulatie en sluit aan bij het (taal)niveau en de onderwijsbehoeften van de leerlingen. Het aanbod wordt waar nodig gedurende de schoolloopbaan verdiept en verbreed, zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. Het aanbod is doelgericht, samenhangend en herkenbaar. Bovendien heeft de school de leerinhouden evenwichtig en in samenhang over de leerjaren verdeeld.

Het aanbod draagt bij aan het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en aan het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die leerlingen in staat stellen deel uit te maken en bij te dragen aan de pluriforme, democratische samenleving.

Het aanbod omvat mede activiteiten voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding. Stages kunnen, met name in het vmbo, onderdeel uitmaken van het aanbod. Wanneer een school stages aanbiedt, zorgt ze ervoor dat de inhoud en vormgeving van de stage bijdraagt aan de voorbereiding van de leerling op het vervolgonderwijs en de samenleving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het aanbod en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereistenvereisten

• Artikel 2, tweede lid, WVO BES: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 13 tot en met 16, WVO BES: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 30 en artikel 31, Inrichtingsbesluit WVO BES: De school kan in het derde en vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte of gemengde leerweg in het vmbo én voor praktijkonderwijsleerlingen lessen besteden aan stage.

• Artikel 31, derde lid, WVO BES: Praktijkonderwijs wordt zo veel mogelijk op basis van de kerndoelen verzorgd en is erop gericht dat leerlingen zo veel mogelijk de referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen bereiken die voor het praktijkonderwijs zijn vastgesteld op grond van artikel 47a.

• Artikel 32 Inrichtingsbesluit WVO BES: De school omschrijft doel, inhoud, omvang, opbouw en organisatie van de stage in een stageplan.

• Artikel 34 Inrichtingsbesluit WVO: Het bestuur sluit met de leerling en de stagegever gezamenlijk een schriftelijke stageovereenkomst waarin onder andere de begeleiding en de wijze van beoordeling aan bod komen.

• Artikel 34 en 35, eerste lid, WVO BES, jo. Besluit kerndoelen onderbouw VO BES: Het onderwijsaanbod voor de eerste twee leerjaren voldoet aan de kerndoelen en is samenhangend ingericht.

• Artikel 42, eerste lid, WVO BES: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 50, tweede lid, sub a, WVO BES: Het schoolplan bevat de uitwerking van de wettelijke opdrachten voor de uitgangspunten, doelstellingen en inhoud van het onderwijs.

OP2. Zicht op ontwikkeling en begeleiding

De school volgt de ontwikkeling van de leerlingen en biedt waar nodig passende begeleiding en extra ondersteuning.

Basiskwaliteit

De school verzamelt vanaf binnenkomst systematisch informatie over de kennis en vaardigheden van leerlingen op alle voor het onderwijs belangrijke domeinen. Het verzamelen van (toets)informatie gebeurt systematisch en zorgvuldig. De school vergelijkt de informatie met de verwachte ontwikkeling van de leerling. Dit maakt het mogelijk om het onderwijs af te stemmen op de onderwijsbehoeften van zowel groepen als individuele leerlingen. Het stelt de school in staat zorg te dragen voor de ontwikkeling en begeleiding van de leerling. De school waarborgt daarmee voor leerlingen de ononderbroken ontwikkeling en voortgang daarin en heeft daarbij oog voor de bevordering van gelijke kansen. De school informeert ouders regelmatig over de ontwikkeling en vorderingen van hun kind.

Wanneer individuele of groepen leerlingen niet genoeg lijken te profiteren van het onderwijs, analyseert de school waar de ontwikkeling stagneert en wat mogelijke verklaringen hiervoor zijn. Vervolgens bepaalt zij wat er nodig is om op eventuele achterstanden of voorsprongen in de ontwikkeling van leerlingen in te spelen. De school biedt de begeleiding vervolgens gestructureerd aan.

De leerlingen krijgen daarmee de begeleiding die zij nodig hebben om het onderwijsprogramma beter te kunnen doorlopen. De school besteedt op structurele en herkenbare wijze aandacht aan het bestrijden van (taal)achterstanden.

Indien de school de extra ondersteuning voor de leerlingen niet kan bieden, zoekt de school in samenwerking met ouders en het Expertisecentrum Onderwijszorg voor passende extra ondersteuning en zo nodig een meer passende onderwijsplek.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor zicht op ontwikkeling en begeleiding en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2, tweede lid, WVO BES: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 10, tweede lid, WVO BES: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat daarbij op structurele en herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal.

• Artikel 32, derde lid, jo. artikel 31, derde lid, WVO BES: Het bestuur van de school voor praktijkonderwijs waaraan de leerling wordt toegelaten, stelt, na overleg met de ouders, voor de leerling een handelingsplan op. Het handelingsplan bevat een omschrijving van de wijze waarop voor de desbetreffende leerling het praktijkonderwijs wordt verzorgd.

• Artikel 42, eerste lid, WVO BES: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze. Dat omvat onder meer regelmatig monitoren van de ontwikkeling van burgerschapscompetenties, om het onderwijs af te stemmen op de actuele leerbehoefte van leerlingen.

• Artikel 50, tweede lid, WVO BES: Bij de beschrijving van het onderwijskundig beleid worden ook de voorzieningen betrokken die zijn getroffen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften.

• Artikel 50, vierde lid, sub a, WVO BES: De school heeft de wijze waarop het onderwijs wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen in het schoolplan beschreven.

• Artikel 51, eerste lid, WVO BES: De school vermeldt in de schoolgids de wijze waarop de zorg voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften wordt vormgegeven,

• Artikel 63, eerste lid WVO BES: Het bestuur telt voor leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte, in overeenstemming met de ouders, voor elk schooljaar een handelingsplan op.

• Artikel 12 Wet register onderwijsdeelnemers, jo. artikel 8, vijfde lid Besluit register onderwijsdeelnemers: Er is een expertisecentrum Onderwijszorg aangewezen dat onder andere onderwijsondersteunende activiteiten en ambulante begeleiding verzorgt. Het bestuur van de school blijft verantwoordelijk voor de leerling tijdens het verblijf binnen het expertisecentrum onderwijszorg.

OP3. Pedagogisch-didactisch handelen

Het pedagogisch-didactisch handelen van de leraren stelt leerlingen in staat om te leren en zich te ontwikkelen.

Basiskwaliteit

De pedagogisch-didactische visie van de school is zichtbaar in het dagelijks handelen van de leraren.

De leraren plannen en structureren hun handelen met behulp van informatie die zij over leerlingen hebben. Zij maken didactische keuzes en stemmen daarbij het niveau van hun onderwijs af op het beoogde eindniveau van leerlingen. De leerstof omvat kennis, vaardigheden en attitudes en wordt in een logische opbouw aangeboden.

De leraren creëren een pedagogisch en didactisch passend en stimulerend leerklimaat, waardoor leerlingen actief en betrokken zijn. Met geschikte opdrachten en heldere uitleg structureren de leraren het onderwijsaanbod zodanig dat de leerlingen zich het leerstofaanbod eigen kunnen maken. Leraren hebben hoge verwachtingen van leerlingen en geven leerlingen feedback op hun leerproces.

De leraren stemmen de instructies, begeleiding, opdrachten en onderwijstijd doelgericht af op de onderwijsbehoeften van groepen en individuele leerlingen, inclusief op de sociale en maatschappelijke competenties. De afstemming is zowel gericht op (pedagogische) ondersteuning als op uitdaging, afhankelijk van de onderwijsbehoeften van leerlingen.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het pedagogisch-didactisch handelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2, tweede lid, WVO BES: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen. Voor deze ‘ononderbroken ontwikkeling’ is het nodig dat het onderwijs aansluit bij het ontwikkelingsniveau van de leerling.

• Artikel 42, eerste lid, WVO BES: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 50, tweede en derde lid, WVO BES: De school heeft haar beleid over het pedagogisch-didactisch handelen in het schoolplan geformuleerd. Het beleid over het pedagogisch-didactisch handelen is zichtbaar in het dagelijks handelen van de leraren.

OP4. Onderwijstijd

De leerlingen krijgen voldoende tijd om zich het aanbod eigen te maken.

Basiskwaliteit

De school biedt een programma aan dat voldoet aan de wettelijk verplichte onderwijstijd. De school stelt daartoe, met instemming van de medezeggenschapsraad, vast welke activiteiten onder de onderwijstijd vallen. De school plant de onderwijsactiviteiten weloverwogen over het schooljaar en deze worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van bevoegde leraren.

De school verdeelt de tijd zodanig over de vakken dat leerlingen in staat zijn het verplichte onderwijsprogramma tot zich te nemen. De school heeft beleid om ongeoorloofd verzuim en voortijdig schoolverlaten van leerlingen tegen te gaan, zodat ook op leerlingniveau gestreefd wordt om de onderwijstijd te behalen.

De school maakt, zo nodig, volgens de wettelijke voorschriften gebruik van de mogelijkheden om, in het belang van de individuele leerling, af te wijken van de verplichte onderwijstijd en/of van de mogelijkheid om een leerling een deel van de onderwijstijd door te laten brengen op een andere school.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de onderwijstijd en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 12a en artikel 12b, WVO BES: De school verzorgt minimaal het wettelijk verplichte aantal uren en dagen onderwijs.

• Artikel 12a, vijfde lid, WVO BES: De onderwijstijd wordt ingevuld met activiteiten die worden verzorgd in het onderwijsprogramma.

• Artikel 31, vierde lid, WVO BES: Praktijkonderwijs wordt zo veel mogelijk op basis van de kerndoelen verzorgd en is erop gericht dat leerlingen zo veel mogelijk de referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen bereiken die voor het praktijkonderwijs zijn vastgesteld op grond van artikel 47a.

• Artikel 36 WVO BES: Het bestuur kan na overleg met de ouders een leerling ontheffing verlenen of afwijken van een of meer programmaonderdelen.

• Artikel 51, eerste lid onder i, WVO BES: De school heeft haar verzuimbeleid opgenomen in de schoolgids.

OP6. Afsluiting1

De afsluiting van het onderwijs verloopt zorgvuldig.

Basiskwaliteit

De school zorgt ervoor dat alle leerlingen goed worden voorbereid op de afsluiting van het onderwijs.

Een onafhankelijke en deskundige examencommissie borgt de kwaliteit van de toetsing en de examinering. De school heeft een Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA) en een examenreglement, die beiden voldoen aan de eisen van de wetgeving. Met deze documenten maakt de school tijdig aan leerlingen en ouders duidelijk hoe het schoolexamen en het centraal examen georganiseerd zijn, welke regels daarbij gelden en welke maatregelen de school hanteert bij leerlingen die zich niet aan de regels houden. Ook moet duidelijk zijn welke examens leerlingen op welke manier kunnen herkansen, welke stof wanneer wordt geëxamineerd, hoe het examen meeweegt en welke vrijstellingen gelden. De examinering verloopt volgens PTA en het examenreglement.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de afsluiting en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 3 Eindexamenbesluit VO BES: De directeur en de examinatoren van de school nemen onder verantwoordelijkheid van het bestuur het eindexamen af.

• [Artikel 3a, eerste lid, Eindexamenbesluit VO BES: De directeur van de school wijst een personeelslid aan als secretaris van het eindexamen.]

• Artikel 10, tweede lid, WVO BES: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat daarbij op structurele en herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal.

• Artikel 18, eerste en tweede lid, Eindexamenbesluit VO BES: Het bestuur stelt een examenreglement en een PTA vast, waarin in elk geval de voorgeschreven onderdelen moeten zijn opgenomen.

• Artikel 18, derde lid, Eindexamenbesluit VO BES: Deze beide documenten moeten voor 1 oktober worden toegezonden aan de inspectie en verstrekt aan de examenkandidaten.

• [Artikel 23a Eindexamenbesluit VO BES: Het bestuur stelt een of meerdere onafhankelijke en deskundig functionerende examencommissie(s) in ten behoeve van de kwaliteit van de toetsing en de examinering op de school, waarbij voldaan wordt aan de specifieke vereisten die dit artikel noemt.]

• [Artikel 23b Eindexamenbesluit VO BES: De examencommissie heeft tot doel het borgen van de kwaliteit van de toetsing en de examinering en van het afsluitend karakter van het schoolexamen.]

X Noot
1

Er is regelgeving in voorbereiding (Besluit tot wijziging van het Eindexamenbesluit VO en het Eindexamenbesluit VO BES in verband met versterking van de kwaliteit van de schoolexamenorganisatie in het voortgezet onderwijs en het voortgezet algemeen voiwassenen onderwijs) waarin besturen in het voortgezet onderwijs onder andere verplicht worden om een examencommissie in te stellen. De hiermee samenhangende passages worden alleen meegenomen in de beoordeling als bovengenoemde AmvB is aangenomen en in werking is getreden.

KWALITEITSGEBIED VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT (VS)

VS1. Veiligheid

De school zorgt voor een veilige omgeving voor leerlingen.

Basiskwaliteit

De school zorgt voor de sociale, fysieke en psychische veiligheid van de leerlingen op school gedurende de schooldag. Een school is veilig als de psychische, sociale en fysieke veiligheid van leerlingen niet door handelingen van anderen wordt aangetast. Dit blijkt onder andere uit de beleving van de veiligheid en het welbevinden van de leerlingen op school. De school monitort dit ten minste jaarlijks met een gestandaardiseerd instrument.

De school heeft een veiligheidsbeleid beschreven, dat bestaat uit een samenhangende set van maatregelen. Het beleid is gericht op het voorkomen, afhandelen, registreren en evalueren van incidenten, en de school voert dat beleid ook uit. Als de uitkomsten van de monitoring daartoe aanleiding geven, treft de school maatregelen om de situatie te verbeteren. De school voorkomt, zoveel als mogelijk, (digitaal)pesten, agressie en geweld in elke vorm en treedt zo nodig snel en adequaat op. Dat geldt ook bij uitingen die strijdig zijn met basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals discriminatie en onverdraagzaamheid. De school heeft een persoon aangesteld die voor ouders en leerlingen het aanspreekpunt is in geval van pesten en die het beleid tegen pesten coördineert.

Daarnaast komt het de verplichtingen na rond het melden, overleggen en aangifte doen van zedenmisdrijven.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de veiligheid en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 4 WVO BES: Het bestuur houdt zich aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van het melden, overleggen en aangifte doen in het geval van een (redelijk vermoeden van een) zedenmisdrijf. Het bestuur treedt hierbij onverwijld in contact met de vertrouwensinspecteur.

• Artikel 4a, eerste lid onder a WVO BES: Het bestuur heeft beleid ten aanzien van de veiligheid van leerlingen en voert dat ook uit.

• Artikel 4a, eerste lid, onder b, WVO BES: Het bestuur monitort de veiligheid van leerlingen met een instrument dat een representatief en actueel beeld geeft.

• Artikel 4a, eerste lid onder c WVO BES: Het bestuur heeft de volgende taken belegd bij een persoon:

– coördinatie van het beleid in het kader van het tegengaan van pesten op school;

– fungeren als aanspreekpunt in het kader van pesten.

• Artikel 4a, tweede lid, WVO BES: Onder veiligheid, bedoeld in het eerste lid, wordt = de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen verstaan.

• Artikel 4a, vierde lid, WVO BES: Het bestuur zendt de resultaten van de monitor, nadat de resultaten beschikbaar zijn, aan de inspectie.

• Artikel 42, eerste lid, WVO BES: Het onderwijs richt zich op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Dat omvat onder meer dat de school actie onderneemt als er onvoldoende sprake is van een cultuur die in overeenstemming is met basiswaarden.

VS2. Schoolklimaat

De school heeft een schoolklimaat dat bijdraagt aan het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties.

Basiskwaliteit

De school bereidt de leerlingen voor op het leven in de maatschappij. Zij creëert daarvoor een oefenplaats die leerlingen ondersteunt bij het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties. In de school doen leerlingen ervaring op met de omgang met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en de pluriforme samenleving. Het bestuur ziet erop toe dat de school zorg draagt voor een schoolklimaat dat in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en bijdraagt aan de bevordering daarvan.

Het personeel van de school is in zijn gedrag een voorbeeld voor de leerlingen: personeelsleden leven de basiswaarden zichtbaar na.

De school stemt aanpak en aanbod af op de leerlingenpopulatie van de school en de leefwereld van de leerlingen. Ook signaleert en corrigeert de school uitingen van leerlingen die met de basiswaarden in strijd zijn.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het schoolklimaat en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 42, eerste lid, WVO BES: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangeden wijze, richt zich onder andere op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden en het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties.

• Artikel 42, tweede lid, WVO BES: Het bestuur draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en creëert een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met deze waarden.

ONDERWIJSRESULTATEN (OR)

OR1. Resultaten

De school behaalt met haar leerlingen leerresultaten die ten minste in overeenstemming zijn met de streefniveaus behorend bij het beoogde vervolgonderwijs van de leerlingen.

Beschrijving

De school heeft een goed beeld van de kenmerken van haar leerlingenpopulatie en heeft op basis daarvan ambitieuze streefniveaus vastgesteld voor de resultaten die de leerlingen kunnen bereiken. Daarbij neemt ze de aansluiting op het vervolgonderwijs als uitgangspunt. De school toont aan dat deze ambitieuze streefniveaus behaald worden.

Eisen die samenhangen met (aanvullende) ambities

• Artikel 2, tweede lid, WVO BES: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 10, tweede lid, WVO BES: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat daarbij op structurele en herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal (Engelse taal).

• Artikel 13 tot en met 16, WVO BES: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

OR2. Sociale en maatschappelijke competenties

De leerlingen behalen sociale en maatschappelijke competenties op het niveau dat ten minste in overeenstemming is met de verwachtingen van het vervolgonderwijs en de maatschappij.

Basiskwaliteit

De school heeft een goed beeld van de kenmerken van haar leerlingenpopulatie en heeft ambitieuze verwachtingen over het niveau dat de leerlingen voor de sociale en maatschappelijke competenties kunnen bereiken. Ze neemt de aansluiting op het vervolgonderwijs en de maatschappij als uitgangspunt voor de competenties voor leerlingen.

De school onderbouwt welke resultaten ze op dit gebied wil bereiken. De school brengt de resultaten op een betrouwbare en inzichtelijke manier in kaart. De school spant zich zichtbaar in om ervoor te zorgen dat leerlingen die de school verlaten daaraan voldoen. Daarmee laat de school zien dat zij haar doelstellingen voor deze competenties behaald heeft.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sociale en maatschappelijke competenties en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 13 tot en met 16, WVO BES: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 42, eerste lid, WVO BES: Het onderwijs richt zich herkenbaar op het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving.

KWALITEITSGEBIED STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (SKA)

SKA1. Visie, ambities en doelen

De school heeft een door alle geledingen gedragen visie op goed onderwijs, heeft daarvoor ambities en doelen opgesteld en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

De school heeft, als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg, een gedragen visie, ambities en doelen gericht op goed onderwijs die ervoor zorgen dat leerlingen een ononderbroken kunnen doorlopen. De schoolleiding vertaalt haar visie, ambities en doelen in onderwijskundig beleid en stuurt daarop om de beoogde resultaten te behalen. De schoolleiding beschrijft op welke wijze ze zorgt voor het realiseren, borgen en verbeteren van de onderwijskwaliteit en hoe ze de naleving van de wettelijke eisen realiseert.

De schoolleiding sluit met haar visie, ambities en doelen aan op die van haar bestuur en op de kenmerken van de leerlingenpopulatie van de school. Dit doet zij onder meer door aan te geven hoe ze rekening houdt met (taal)achterstanden, de wettelijke opdracht tot bevordering van burgerschap en specifieke leerbehoeften om bij te dragen aan gelijke kansen voor alle leerlingen. Resultaten van eerdere evaluaties, interne en externe dialoog zijn zichtbaar in de doelen voor het onderwijskundig beleid.

De schoolleiding richt de voorwaarden in om de onderwijskundige ambities en doelen te bereiken, waaronder het personeelsbeleid en de organisatie van het onderwijs. Daarbij is de interne verantwoordelijkheidsverdeling duidelijk.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 10, tweede lid, WVO BES: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat daarbij op structurele en herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal.

• Artikel 42, eerste lid, WVO BES: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 47 WVO BES: Het bestuur moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder zorg dragen voor wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er toetsbare doelen zijn geformuleerd.

• Artikel 50, eerste lid, WVO BES: Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school wordt gevoerd, en omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg.

• Artikel 50, tweede lid, WVO BES: De beschrijving van het onderwijskundig beleid omvat in elk geval: de inhoud van het onderwijs, de eigen opdrachten voor het onderwijs, het pedagogisch-didactisch klimaat en de veiligheid.

• Artikel 50, vierde lid, WVO BES: De school moet door haar stelsel van kwaliteitszorg zorgdragen voor de ononderbroken ontwikkeling van leerlingen en de afstemming van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen. Ook moet worden vastgesteld waar verbetermaatregelen nodig zijn.

• Artikel 68, WVO BES: Het bestuur is verantwoordelijk voor vaststellen van het eilandelijk zorgplan.

• Artikel 79 WVO BES: Het bestuur stelt een managementstatuut vast waaruit de verantwoordelijkheidsverdeling in de aansturing van de school blijkt.

SKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

De school realiseert de doelen voor goed onderwijs, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

De school realiseert de doelen voor goed onderwijs, die voortkomen uit haar visie en ambities. De schoolleiding zorgt daartoe voor een professionele en veilige leer- en verbetercultuur in de school. Binnen deze kwaliteitscultuur geven schoolleiding en het (bevoegd) onderwijspersoneel samen uitvoering aan het stelsel van kwaliteitszorg, zodat de school als geheel gericht werkt aan het bereiken van de onderwijskundige doelen. Waar nodig stuurt de schoolleiding tussentijds bij.

De schoolleiding zorgt ervoor dat de deskundigheidsbevordering van het personeel binnen de gestelde doelen gestalte krijgt. Leraren(teams) oefenen daarbij de eigen verantwoordelijkheid bij het inrichten van hun onderwijs uit.

De schoolleiding toont in haar sturing onderwijskundig leiderschap en zorgt voor een gerichte inzet van middelen om gestelde doelen te realiseren. Zij werkt samen met het expertisecentrum Onderwijszorg en met andere scholen en organisaties, zodat geen leerling tussen wal en schip valt.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 47 WVO BES: Het bestuur moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder ‘zorg dragen voor’ wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat het bestuur en de scholen zicht hebben op de kwaliteit van het onderwijs. Daarbij moet het functioneren van de kwaliteitscyclus centraal staan.

• Artikel 50, derde lid, WVO BES: Het schoolplan bevat een beschrijving van het personeelsbeleid. Dit personeelsbeleid gaat in elk geval over hoe wordt voldaan aan de eisen van bevoegdheid en onderhoud van bekwaamheid, de bijdragen van het personeel aan het onderwijskundig beleid, het pedagogisch-didactisch handelen en de wijze waarop rekening wordt gehouden met de inbreng van leerlingen op het beleid.

• Artikel 67 en artikel 69, WVO BES: Het bestuur is voor elk van zijn scholen aangesloten bij een samenwerkingsverband. Dat verband kan bestaan uit een expertisecentrum onderwijszorg om de leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte deskundige ondersteuning te bieden.

• Artikel 69 WVO BES, jo. artikel 1 WVO BES: Er is een expertisecentrum Onderwijszorg aangewezen dat onder andere onderwijsondersteunende activiteiten en ambulante begeleiding verzorgt. Het bestuur van de school blijft verantwoordelijk voor de leerling tijdens het verblijf binnen het expertisecentrum onderwijszorg.

• Artikel 88 WVO BES: Het bestuur beschikt bij elk personeelslid waarvoor bekwaamheidseisen gelden, over geordende gegevens over de bekwaamheid en het onderhouden daarvan.

SKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

De school evalueert en analyseert systematisch of zij de doelen realiseert en verantwoordt zich daarover. Ze stelt, wanneer nodig, het schoolbeleid bij en betrekt interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

De schoolleiding evalueert, analyseert en beoordeelt als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de doelen en het beleid worden gerealiseerd en informeert het bestuur daarover. Zij haalt daarvoor intern en extern actief informatie op, om zicht te krijgen op de uitvoering, de resultaten van het onderwijs voor de leerlingen en de mogelijke kansen en bedreigingen voor de verdere ontwikkeling van het onderwijs.

Voor een goede overdracht en om zicht te houden op het vervolgsucces van haar leerlingen onderhoudt de school contact met de scholen/instellingen waar deze naartoe uitstromen. De schoolleiding organiseert tegenspraak. Daarvoor gaat zij actief een dialoog aan met in ieder geval ouders, personeel, de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad ((G)MR) en, wanneer van toepassing, gemeenten en/of (regionale)werkgevers. De school informeert belanghebbenden minimaal jaarlijks op toegankelijke wijze over haar doelen en werkwijze, en over de resultaten die zij heeft behaald.

De schoolleiding analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verwerkt deze wanneer nodig in het (verbeter)beleid, zodat dit bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwijs. Daarnaast gebruikt de school de uitkomsten van de evaluatie om de sturing te verbeteren. Zij maakt daarbij duidelijk welk effect de inbreng van belanghebbenden heeft op het borgen en bijstellen van het schoolbeleid.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2, tweede lid, WVO BES: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen.

• Artikel 47 en artikel 50, vierde lid, WVO BES: het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er regelmatig wordt geëvalueerd of deze doelen worden gehaald.

• Artikel 51 WVO BES: De school maakt in de schoolgids duidelijk wat de doelen van het onderwijs zijn en welke resultaten met het onderwijsleerproces worden bereikt. Ook de bevindingen ten aanzien van het stelsel van kwaliteitszorg, evenals de maatregelen die naar aanleiding daarvan zijn getroffen. Ook leerlingen worden betrokken bij de besluitvorming.

• Artikel 57 en artikel 58, WVO BES: Aan de school is een (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad verbonden. Het bestuur stelt de medezeggenschapsraad ten minste tweemaal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de school met hem te bespreken. Verder komen zij bijeen als daarom gemotiveerd door het bestuur, de vertegenwoordigers van ouders, de vertegenwoordigers van leerlingen of de vertegenwoordigers van personeel wordt verzocht.

BIJLAGE 4 ONDERZOEKSKADER 2021 VOOR HET TOEZICHT OP HET MIDDELBAAR BEROEPSONDERWIJS

Geldig per 1 augustus 2021

Inhoud

Samenvatting

243

1.

Inleiding

246

1.1

Inleiding

246

1.2

Waar houden we toezicht op?

246

1.3

Begripsbepalingen

247

1.4

Niveaus in het toezicht

247

1.5

Werking en evaluatie

248

2.

Visie en uitgangspunten voor het toezicht

248

2.1

Inleiding

248

2.2

Visie

249

2.3

Uitgangspunten voor het toezicht

249

2.3.1

Verbeteren stelselkwaliteit

250

2.3.2

Verantwoordelijkheid bij besturen

250

2.3.3

Waarborgen

250

2.3.4

Stimuleren

251

2.3.5

Proportionaliteit en maatwerk

251

3.

Stelseltoezicht

251

3.1

Inleiding

251

3.2

Stelselkwaliteit en stelseltoezicht

252

3.2.1

Een stelsel van onderwijsvoorzieningen

252

3.2.2

Stelseltoezicht

252

3.3

Raamwerk voor stelselkwaliteit

253

4.

Waarderingskader besturen

255

4.1

Inleiding

255

4.2

Opbouw van het kader

255

4.3

Kwaliteitsgebied en standaarden

256

5.

Waarderingskader opleidingen

258

5.1

Inleiding

258

5.2

Opbouw van het kader

259

5.3

Kwaliteitsgebieden en standaarden

259

5.4

Overige wettelijke vereisten

264

6.

Oordelen en waarderen

265

6.1.

Inleiding

265

6.2.

Stimuleren op stelselniveau

265

6.3

Oordelen en waarderen standaarden bestuur en opleidingen

265

6.4

Oordelen en waarderen op bestuursniveau

265

6.5

Oordelen en waarderen op opleidingsniveau

266

6.5.1

Wettelijke norm Zeer zwak onderwijs

266

6.5.2

Normering bij niet te beoordelen resultaten

266

6.6

Oordeelsvorming

267

6.6.1

Beoordelen naleving deugdelijkheidseisen

267

6.6.2

Waarderen van ambities

267

6.6.3

Omgeving van bestuur en opleiding

267

7.

Werkwijze toezicht

267

7.1

Inleiding

267

7.2

Stelseltoezicht

268

7.2.1

Werkwijze van het stelseltoezicht

268

7.2.2

Monitoring en analyse van ontwikkelingen

268

7.2.3

Agenderen en interveniëren

269

7.3

Toezicht op besturen en opleidingen

270

7.3.1

Werkwijze toezicht op besturen en opleidingen

270

7.3.2

Proportionaliteit en maatwerk

270

7.3.3

Jaarlijkse prestatie- en risicoanalyse

270

7.4

Toezichtsactiviteiten bij besturen en opleidingen

271

7.4.1

Vierjaarlijks onderzoek bestuur en opleidingen

271

7.4.2

Onderzoeken op opleidingsniveau

273

7.4.3

Onderzoeken specifiek gericht op financieel beheer

273

7.4.4

Overige toezichtsactiviteiten

274

7.5

Vervolgtoezicht, intensivering en sancties

274

7.5.1

Vervolgtoezicht bij herstelperiode

274

7.5.2

Escaleren

275

8.

Communicatie en rapportage

276

8.1.

Inleiding

276

8.2.

Communicatie

276

8.3.

Rapportage

276

8.3.1.

Stelselniveau

277

8.3.2.

Bestuursniveau

277

8.3.3.

Opleidingsniveau

277

8.4.

Openbaarmaking, zienswijze en bezwaar

278

9.

Specifieke toepassingen van het onderzoekskader

278

9.1

Inleiding

278

9.2

Niet-bekostigd mbo

279

9.2.1

Inleiding

279

9.2.2

Aanpassingen waarderingskader en normering

279

9.2.3

Werkwijze

280

9.3

Toezicht op vavo en particuliere zelfstandige exameninstellingen (B2-scholen)

280

9.3.1

Inleiding

280

9.3.2

Aanpassingen waarderingskader en normering

281

9.3.3

Werkwijze

282

9.3.4

Werkwijze start kwaliteitsonderzoek

282

9.4

Overige educatie

283

9.4.1

Inleiding

283

9.4.2

Aanpassingen waarderingskader en normering

283

9.4.3

Werkwijze start kwaliteitsonderzoek

284

9.5

Doorlopende leerroutes vmbo-mbo

284

9.5.1

Inleiding

284

9.5.2

Aanpassingen waarderingskader en normering

284

9.5.3

Werkwijze

285

9.6

Onderwijs in Caribisch Nederland

286

9.6.1

Inleiding

286

9.6.2

Aanpassing waarderingskader en normering

286

9.6.3

Werkwijze

287

9.7

Het samenwerkingscollege

287

9.7.1

Inleiding

287

9.7.2

Aanpassing waarderingskader en normering

287

9.7.3

Werkwijze

287

9.8

Zelfstandige exameninstellingen

288

9.8.1

Aanpassing waarderingskader en normering

288

9.8.2

Werkwijze

288

Bijlage 1

Normering en beoordeling onderwijsresultaten

288

Bijlage 2

Waarderingskader niet-bekostigd mbo

291

Bijlage 3

Waarderingskader vavo en particuliere zelfstandige exameninstellingen (B2)

297

Bijlage 4

Waarderingskader overige educatie

304

Bijlage 5

Waarderingskader doorlopende leerroutes vmbo-mbo

308

Bijlage 6

Waarderingskader middelbaar beroepsonderwijs Caribisch Nederland

319

Samenvatting

Inleiding

Toezicht vereist actualisatie en continue verbetering om effectief te zijn en te blijven. Op basis van evaluaties, ervaringen en actuele ontwikkelingen heeft de Inspectie van het Onderwijs daarom het Onderzoekskader 2017 aangepast.71 Het vernieuwde toezicht dat toen in werking trad, nam de verantwoordelijkheid van besturen voor de kwaliteit van hun scholen en opleidingen als uitgangspunt. Die ontwikkeling zetten we (hiermee wordt in dit document de inspectie bedoeld) door en wordt met dit aangepaste kader verder verstevigd.

In het onderzoekskader is beschreven hoe het toezicht op het onderwijs is ingericht. Het omvat het waarderingskader op grond waarvan we oordelen en waarderen en omschrijft de werkwijze daarvoor.

Visie

Centraal in het toezicht op het onderwijs staan de belangen van de leerlingen en studenten. Het doel is het stelsel zo te laten functioneren dat het voorziet in de bagage die voor leerlingen en studenten nu en in hun verdere onderwijsloopbaan en leven essentieel is. Iedereen heeft recht op onderwijs van voldoende kwaliteit en moet erop kunnen vertrouwen dat het onderwijs op een school of opleiding op orde is. Onze missie, ‘Effectief toezicht voor beter onderwijs’, sluit daarop aan. In ons toezicht waarborgen we de kwaliteit van het onderwijs en stimuleren we de verbetering ervan.

Onze missie wordt gedragen door vijf uitgangspunten. De uitgangspunten hangen met elkaar samen en borduren op elkaar voort. Met elk uitgangspunt afzonderlijk, maar vooral in die samenhang beoogt het toezicht bij te dragen aan de verbetering van de kwaliteit van het onderwijsstelsel. Daarnaast sluit het toezicht aan bij de verantwoordelijkheid die besturen hebben voor het onderwijs, bewaakt het in aanvulling daarop de basiskwaliteit (waarborgen) en wil het beter onderwijs bevorderen (stimuleren). We bepalen de intensiteit van het toezicht per bestuur (proportionaliteit) en houden bij de uitvoering rekening met de organisatiekenmerken en omstandigheden van het bestuur (maatwerk).

Toezicht op de kwaliteit van het onderwijs richt zich op drie niveaus, die voortvloeien uit onze wettelijke opdracht(en): op het stelsel, op besturen en op hun scholen. Hierna wordt per niveau toegelicht hoe het toezicht is ingericht.

Toezicht op het onderwijsstelsel

Toezicht op de kwaliteit van het onderwijs richt zich op de context waarbinnen besturen en hun scholen hun werk doen: we spreken dan over het onderwijsstelsel als geheel. Voor de werking en de kwaliteit van het stelsel beschouwen we onderdelen ervan en de verbanden daartussen. We geven daarmee invulling aan de reflectieve functie van het toezicht: vanwege onze wettelijke taak op stelselniveau reflecteren we op de kwaliteit van het stelsel.

Het stelseltoezicht gaat uit van het belang dat de samenleving als geheel heeft bij het onderwijs: het publieke belang. Als onderdeel daarvan geven we in het toezicht aandacht aan specifieke kansen en bedreigingen, specifieke onderdelen van het stelsel of groepen leerlingen. Als toezichthouder moeten we daarom weten hoe het onderwijs zich ontwikkelt en, als er iets niet goed loopt, de samenleving informeren. De kernfuncties van het onderwijs (kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen) nemen we in ons toezicht als uitgangspunt voor de omschrijving van de kwaliteit van het onderwijsstelsel.

Stelseltoezicht was al onderdeel van het toezicht van de inspectie, maar nieuw is dat we de kwaliteit hebben gedefinieerd in een raamwerk. Dat is geen kader waarmee we een individueel bestuur of een individuele school of opleiding beoordelen of waarderen, het is een raamwerk om het onderwijs als geheel te beschouwen. Het biedt sturing en focus voor het krijgen van zicht op trends en knelpunten in het stelsel. Op basis daarvan agenderen we de risico’s en interveniëren we, op het niveau van het stelsel, wanneer dat vanuit de stimulerende functie van het toezicht passend of nodig is.

We duiden en waarderen jaarlijks in ‘De Staat van het Onderwijs’ hoe het met de kernfuncties en voorwaarden van het onderwijsstelsel is gesteld. Daarnaast maken we vaak aparte themarapporten.

Toezicht op het bestuur en zijn opleidingen

Besturen zijn ervoor verantwoordelijk dat het onderwijs op hun scholen van voldoende kwaliteit is en dat het financieel beheer op orde is. Door het aangepaste onderzoekskader worden besturen daarnaast nog nadrukkelijker gestimuleerd om na te denken over hun eigen ambitie. Elke vier jaar onderzoekt de inspectie in het ‘Vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en opleidingen’ de mate waarin het bestuur deze verantwoordelijkheid neemt en of de (be)sturing op de kwaliteit van de scholen op orde is.

We beoordelen de kwaliteit van de besturing in het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie. De kern van het kwaliteitsgebied is dat het bestuur zorgt voor besturing van de onderwijskwaliteit op de scholen en voor een goede organisatie en kwaliteitscultuur. Uit het oordeel op dit kwaliteitsgebied blijkt of het bestuur in staat is om met zijn (be)sturing de kwaliteit en het financieel beheer van het onderwijs op de scholen te waarborgen en verder te ontwikkelen. Wat nieuw is, is dat het financieel beheer integraal onderdeel van de standaarden in dit kwaliteitsgebied is.

Om te onderzoeken in hoeverre de besturing door het bestuur op orde is, ondernemen we onderzoeksactiviteiten op bestuurs- en school/opleidingsniveau die we vooraf vastleggen in een onderzoeksplan. Met verificatie-activiteiten toetsen we bij besturen en scholen in hoeverre het bestuur zicht heeft op de kwaliteit van zijn onderwijs, het financieel beheer en hoe het bestuur daarop stuurt. Zo spreken we onder andere met de medezeggenschapsraad of studentenraad en het interne toezicht. Daarnaast voeren we activiteiten op scholen uit, zoals het voeren van gesprekken met leerlingen of studenten, ouders en schoolleiders of management van de opleiding, of het afleggen van lesbezoeken. Ook kunnen we een risico-onderzoek of een onderzoek naar de waardering Goed uitvoeren. Het onderzoek leidt tot een oordeel of waardering per standaard. Op basis van de beslisregels beoordelen we de besturing ook op het niveau van het gehele kwaliteitsgebied. Dit laatste is voor sommige sectoren nieuw ten opzichte van 2017. De waardering Goed kunnen we zowel op het niveau van de standaard als op het niveau van het kwaliteitsgebied toekennen als het bestuur niet alleen voldoet aan de deugdelijkheidseisen, maar ook ambities realiseert die daarboven uitstijgen. Het rapport van het onderzoek, inclusief de oordelen en waarderingen, maken we openbaar via onze website.

Afhankelijk van de kwaliteit van de besturing en eventuele tekortkomingen bepalen we het vervolgtoezicht. Er kan gekozen worden om het toezicht te intensiveren of juist minder intensief te laten zijn. Dit vervolgtoezicht kan uitgevoerd worden door het bestuur of door de inspectie. Daarnaast is het mogelijk dat er een tussentijds onderzoek plaatsvindt, als dit op basis van bepaalde informatie, zoals signalen of financiële kengetallen, nodig blijkt. Bij een bestuur dat er niet in slaagt zijn besturing op (delen van) de kwaliteit van scholen te waarborgen, voeren wij zelf (delen van) het tussentijds onderzoek uit.

Toezicht op individuele opleidingen

Het bestuur is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs op zijn scholen of opleidingen, waarbinnen schoolleiders of het management van opleidingen hun verantwoordelijkheid voor de sturing van de kwaliteit op school of opleiding vormgeven. De waarborgfunctie van de inspectie sluit daarop aan. Deze waarborgfunctie wordt versterkt door meer en beter gebruik te maken van signalen en andere gegevens en informatie, waaronder opleidingseigen informatie. Het toezicht op individuele opleidingen is daarmee ook aanvullend op wat het bestuur zelf uitvoert en waarover het bestuur zich verantwoordt. Naast verificatie-activiteiten op opleidingen waar we onderdelen van de kwaliteit onderzoeken, is het mogelijk dat we op het niveau van een opleiding op (een selectie van) standaarden oordelen geven of een waardering uitspreken. Dit doen we bij een onderzoek naar risico’s en bij een onderzoek naar de waardering Goed. Wanneer wij risico’s signaleren, voeren wij (afhankelijk van de aard van de risico’s) het onderzoek op de opleiding geheel of gedeeltelijk uit. Dit kan zowel binnen als buiten het vierjaarlijks onderzoek plaatsvinden. Op verzoek van het bestuur kunnen we tevens een onderzoek naar de waardering Goed uitvoeren indien het bestuur onderbouwt waarom de betreffende opleiding de waardering Goed verdient.72

Wanneer we een onderzoek naar risico’s of naar de waardering Goed uitvoeren, gebruiken we standaarden uit het waarderingskader voor opleidingen. We beoordelen standaarden binnen de kwaliteitsgebieden Onderwijsproces, Veiligheid en schoolklimaat, Onderwijsresultaten en Sturen, kwaliteitszorg en ambitie.73 De standaarden krijgen een oordeel of waardering. Daarnaast kan een opleiding, op basis van een beslisregel, het eindoordeel Zeer zwak, Onvoldoende, Voldoende (basiskwaliteit) of de waardering Goed krijgen. De oordelen en/of waarderingen, die vaak onderdeel zijn van het rapport van het vierjaarlijks onderzoek, maken we openbaar via onze website.

Net zoals bij besturen is ook op opleidingen vervolgtoezicht mogelijk bij tekortkomingen en bij het oordeel Onvoldoende of Zeer zwak. Ook bij scholen is het, zoals hierboven aangegeven, mogelijk dat we tussentijds een onderzoek naar risico’s uitvoeren, bijvoorbeeld bij ernstige signalen. De intensiteit van het vervolgtoezicht hangt net als bij besturen af van de kwaliteit van het bestuur. We gaan er namelijk van uit dat het bestuur er in eerste instantie zelf voor zorgt dat er effectieve maatregelen worden getroffen. Een laatste type onderzoek waarbij we scholen bezoeken, is het themaonderzoek. De uitkomsten van themaonderzoeken brengen we op verschillende manieren onder de aandacht van besturen, scholen en de samenleving.

Afsluiting

Hierboven is het toezicht op het funderend onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs beschreven. Voor elke sector is een specifiek onderzoekskader gemaakt op basis van de relevante wet- en regelgeving en de ontwikkelingen in de sector. Daarnaast zijn er specifieke toepassingen van en uitzonderingen op het reguliere onderzoekskader, zoals bij de samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs en bij onderwijssoorten en voorzieningen waarvoor specifieke wet- en regelgeving geldt.

In het onderzoekskader is beschreven hoe het toezicht is vormgegeven en wat de inspectie verwacht van het onderwijs. Uiteindelijk begint de verantwoordelijkheid voor beter onderwijs voor alle leerlingen en studenten op de school en opleiding zelf. Het bestuur kan scholen en opleidingen daarin activeren en dit borgen. De inspectie zal hierop toezien, zo nodig ingrijpen en verdere kwaliteitsverbetering stimuleren.

1. Inleiding

1.1 Inleiding

Het onderwijs verandert voortdurend door nieuwe ontwikkelingen in de samenleving. Daarom is het nodig het toezicht op (de kwaliteit van) het onderwijs regelmatig aan te passen. In 2017 is het toezicht vernieuwd. Sinds die tijd is de verantwoordelijkheid van besturen voor de kwaliteit van hun opleidingen het uitgangspunt voor het toezicht. In het toezicht op het onderwijs in Nederland gaat het om de leerlingen en studenten74.

De inspectie heeft inmiddels enkele jaren ervaring opgedaan met het onderzoekskader van 2017. Na evaluatie stellen we het toezicht bij. Dit doen we niet alleen op grond van de opgedane ervaringen, maar ook op basis van actuele ontwikkelingen, verbetersuggesties vanuit het onderwijsveld en aanpassingen in beleid en wet- en regelgeving. In het voorliggende onderzoekskader zijn deze bijstellingen verwerkt. Hierin gaan we uit van de wettelijke taken van de inspectie en de voorschriften in wet- en regelgeving zoals deze voor de desbetreffende sectoren gelden. Daarnaast zijn de uitgangspunten voor het toezicht, zoals al geformuleerd in het Onderzoekskader 2017, verder verankerd in dit herziene onderzoekskader.75

Het door de minister vastgestelde Onderzoekskader 2021 (hierna: onderzoekskader) van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) beschrijft hoe het toezicht op het middelbaar beroepsonderwijs is ingericht. Het onderzoekskader omvat het kader, op grond waarvan we oordelen en waarderen, en de werkwijze. Het onderzoekskader is bedoeld om de werkwijze van de inspectie voor anderen inzichtelijk te maken en het toezicht transparant uit te voeren.

In dit eerste hoofdstuk beschrijven we de wettelijke basis van het onderzoekskader en geven we de belangrijke begrippen in het toezicht weer. In hoofdstuk 2 gaan we in op de visie en de uitgangspunten voor ons toezicht. Daarna volgt in hoofdstuk 3 de invulling van het stelseltoezicht en in de hoofdstukken 4 en 5 de waarderingskaders voor het toezicht op bestuurs- en opleidingsniveau. Vervolgens beschrijven we hoe we tot oordelen en waarderingen komen (hoofdstuk 6), onze werkwijze (hoofdstuk 7) en communicatie (hoofdstuk 8). Tot slot geven we een overzicht van onderwijsvoorzieningen waarvoor specifieke wetgeving geldt en waar het waarderingskader en de werkwijze afwijken (hoofdstuk 9). Deze afwijkende waarderingskaders zijn te vinden in de bijlagen.

1.2 Waar houden we toezicht op?

In de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) staat in artikel 3, eerste lid, onder meer dat de inspectie toeziet op de naleving van de onderwijswet- en regelgeving, de taak heeft om de ontwikkeling van het onderwijs en de kwaliteit daarvan te bevorderen, en de taak heeft om de financiële rechtmatigheid, doelmatigheid en continuïteit te beoordelen en bevorderen.

Het onderzoekskader heeft betrekking op alle besturen en opleidingen die onderwijs verzorgen op basis van de onderwijswetten, zoals in onderstaand tekstkader weergegeven.76 Daarnaast houdt de inspectie toezicht op de besturen van samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Besturen, scholen, opleidingen en besturen van samenwerkingsverbanden zijn onze objecten van toezicht.

Wettelijk kader toezicht op middelbaar beroepsonderwijs

De Wet op het onderwijstoezicht vormt de grondslag voor het toezicht. In deze wet is het toezicht op het onderwijs opgedragen aan de inspectie en heeft de inspectie de taak toe te zien op de naleving van wet- en regelgeving, de kwaliteit van het onderwijs te bevorderen en het financieel beheer te beoordelen1 en te bevorderen zoals bedoeld in de volgende wetten:

• Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB);

• Wet educatie en beroepsonderwijs BES (WEB BES);

• Leerplichtwet 1969 (LPW 1969);

• Wet overige OCW-subsidies.

X Noot
1

We doelen hier op de taak van de inspectie zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, sub c, WOT.

1.3 Begripsbepalingen

Hieronder definieren we een aantal begrippen die belangrijk zijn voor het toezicht.

Toezicht

De activiteiten van de inspectie, ten aanzien van scholen en samenwerkingsverbanden, die redelijkerwijs voortvloeien uit de taken op grond van artikel 3 van de WOT.

Besturen

Het bevoegd gezag bestaat uit het uitvoerend deel van het bestuur en het interne toezicht. Hoewel deze functies gescheiden zijn, zorgt men er, ieder vanuit zijn eigen rol en verantwoordelijkheid, samen voor dat de kwaliteit van hun scholen gewaarborgd is en er sprake is van deugdelijk financieel beheer. Voor de leesbaarheid spreken we over het bestuur als aanduiding voor het bevoegd gezag als geheel.

Deugdelijkheidseisen

Deugdelijkheidseisen zijn bij of krachtens de wet geregelde algemene kwaliteitsnormen, gericht aan besturen. Deugdelijkheidseisen hebben betrekking op de onderwijskwaliteit (in ruime zin) en het financieel beheer.

Waarborgen

Vanuit de waarborgfunctie van het toezicht ziet de inspectie erop toe dat de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften (de deugdelijkheidseisen) worden nageleefd. Dit gaat over wat het bestuur en de opleiding moeten. Een opleiding die niet voldoet aan die voorschriften, biedt onderwijs van onvoldoende kwaliteit. Onvoldoende onderwijskwaliteit en/of onvoldoende financieel beheer kan leiden tot vervolgtoezicht en sancties.

Stimuleren

Vanuit de stimuleringsfunctie onderzoekt de inspectie hoe eigen ambities bijdragen aan (de continue en duurzame verbetering van) de onderwijskwaliteit. Hiermee bevorderen we de kwaliteit op het niveau van opleidingen, besturen en zo ook het stelsel. Eigen ambities hebben betrekking op de ambities en doelen die een bestuur/opleiding zichzelf stelt.

Interventies

Bij alle handelingen die we ondernemen, spreken we van interventies. We onderscheiden:

  • interventies vanuit onze waarborgfunctie: het gaat dan om het naleven van de wet;

  • interventies vanuit onze stimuleringsfunctie: gericht op de eigen ambities;

  • interventies op stelselniveau: het agenderen van stelselproblemen.

Stelseltoezicht

Het beschouwen van de werking van het stelsel noemen we de reflectieve functie van het toezicht, oftewel stelseltoezicht.

1.4 Niveaus in het toezicht

We onderscheiden verschillende niveaus in het toezicht: onderwijsstelsel, besturen en opleidingen.

Onderwijsstelsel

Omdat de kwaliteit van het onderwijsstelsel als geheel meer is dan de optelsom van de kwaliteit van de besturen en opleidingen, richten we ons op de werking van het onderwijsstelsel. Vraagstukken overstijgen in toenemende mate de reikwijdte van individuele scholen, opleidingen en besturen en vergen, om deze het hoofd te bieden, bredere samenwerking. We definiëren het onderwijsstelsel als het geheel van scholen, instellingen, besturen, schooltypen en opleidingen. Als inspectie kijken we wat daarin goed gaat en waar zich knelpunten voordoen. Deze knelpunten analyseren en agenderen we op landelijk en regionaal niveau. Het beschouwen van de werking van het stelsel als geheel noemen we de reflectieve functie van het toezicht.77 De Staat van het Onderwijs is daarvan een voorbeeld.

Besturen

Besturen zijn ervoor verantwoordelijk dat het onderwijs van hun opleidingen van voldoende kwaliteit is. En ook dat het financieel beheer op orde is. In het toezicht gaan wij na of besturen hier zicht op hebben en of zij hieraan sturing geven, zodat besturen waarborgen dat de studenten op hun opleidingen onderwijs krijgen van voldoende kwaliteit.

Besturen vormen een belangrijk schakelpunt: door te werken aan de kwaliteit van hun opleidingen dragen zij bij aan de werking en de kwaliteit van het onderwijsstelsel als geheel. Zo moeten studenten, om zelfstandig te kunnen functioneren in de samenleving, in staat worden gesteld om te kunnen slagen in het vervolgonderwijs en op de arbeidsmarkt. Het onderwijs zorgt ervoor dat studenten de school voldoende geletterd en gecijferd en met de benodigde kennis en vaardigheden verlaten. Bovendien is het belangrijk dat zij gelijke kansen krijgen op een passend aanbod, waarbij het geen verschil maakt wie hun ouders zijn, waar zij vandaan komen of waar zij onderwijs volgen. Ook is het belangrijk dat leerlingen en studenten zich als persoon ontwikkelen; het onderwijs draagt eraan bij dat ze zichzelf en hun omgeving kennen en zelfstandig keuzes kunnen maken. Zo leren zij ook zelf om bij te dragen aan de sociale samenhang in de samenleving.

Opleidingen

Samen met het bestuur streven opleidingen kwaliteitsdoelen en ambities voor het onderwijs aan hun studenten na. In ons toezicht sluiten we aan bij de opleidings-eigen informatie daarover. Kernvragen voor de kwaliteit van het onderwijs zijn: leren studenten genoeg, krijgen ze goed les en zijn ze veilig?

1.5 Werking en evaluatie

Dit onderzoekskader is van kracht met ingang van 1 augustus 2021 en is vastgesteld op 24 juni 2021. Het is overeenkomstig artikel 13, derde lid, van de WOT bekendgemaakt in de Staatscourant (28 juli 2021) en is gepubliceerd op de website van de Inspectie van het Onderwijs en op www.wetten.nl.

Het onderzoekskader is vastgesteld op grond van artikel 13 van de WOT en is een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap legt met dit onderzoekskader de werkwijze van de inspectie vast met betrekking tot de uitoefening van haar onderzoekstaken en -bevoegdheden. Ook is het onderzoekskader een wetsinterpreterende beleidsregel. Bij de uitwerking van de deugdelijkheidseisen in het waarderingskader is uitgegaan van een redelijke uitleg van de wet en de daarop gebaseerde lagere regelgeving.78 Over zowel de uitleg van wettelijke voorschriften als de werkwijze is overleg gevoerd met het veld conform artikel 13, tweede lid van de WOT.

Lopende toezichtsinterventies, waaronder die op basis van het Onderzoekskader 2017 of die tot 1 augustus 2021 voortvloeiend uit specifieke onderzoeken zijn gemaakt, blijven van toepassing. Wetsartikelen die op de dag van publicatie van dit kader in de Staatscourant nog niet in werking zijn getreden, zijn tussen blokhaken ([]) geplaatst.

Vóór 1 januari 2025 evalueren we de werking en de effecten van het onderzoekskader. Ervaringen met dit onderzoekskader en ontwikkelingen in de samenleving, in de verschillende sectoren of in politiek en beleid kunnen leiden tot eerdere bijstelling van (delen van) het onderzoekskader. In beginsel is de geldigheidsduur van het Onderzoekskader 2021 vier jaar.

Ieder jaar wordt het onderzoekskader in ieder geval geactualiseerd naar aanleiding van wijzigingen in de wet- en regelgeving. Om zicht te hebben op ervaringen en ontwikkelingen raadpleegt de inspectie periodiek het veld.

2. Visie en uitgangspunten voor het toezicht

2.1 Inleiding

Beter onderwijs voor alle studenten, daar staan wij als inspectie voor. We gaan uit van onderwijs in brede zin: het onderwijs óp school en ook op afstand door school. In de wet staat aan welke eisen het onderwijs ten minste moet voldoen. Als inspectie zien we erop toe dat deze basiskwaliteit, via besturen, wordt gewaarborgd: besturen waarborgen de kwaliteit van de opleidingen, wij waarborgen op onze beurt de kwaliteit van de sturing door besturen (het bestuurlijk handelen). Dit doen we door het beoordelen van hun zicht op kwaliteit en op de sturing op kwaliteit die we van elk bestuur verwachten. Waar nodig intensiveren we het toezicht op de besturen. Daarnaast stimuleren we besturen en opleidingen om hun ambities waar te maken en om een hogere kwaliteit dan basiskwaliteit te realiseren. Als inspectie willen we laten zien wat er goed gaat bij besturen, opleidingen en ook in het onderwijsstelsel. We reflecteren dan ook op de werking van het stelsel als geheel. In dit hoofdstuk beschrijven we onze visie op het toezicht (paragraaf 2.2). Daarna beschrijven we de uitgangspunten die we in de uitvoering van het toezicht hanteren (paragraaf 2.3).

2.2 Visie

Onderwijs vervult een belangrijke taak in de samenleving. Het onderwijs begeleidt leerlingen en studenten naar vervolgonderwijs of werk, als werknemer of ondernemer. Ook moet het onderwijs ervoor zorgen dat kinderen leren hoe zij als burger volwaardig deel kunnen uitmaken van de samenleving. Om elke student daadwerkelijk in staat te stellen te werken en mee te doen, geeft het onderwijs hun de benodigde kennis en vaardigheden mee. Het is immers aan het onderwijs om de talenten van álle studenten tot bloei te laten komen. Anders gezegd: het leren (kwalificatie), de vaardigheden aanleren om mee te doen en bij te dragen aan de samenleving (socialisatie), en de weg vrijmaken naar vervolgonderwijs en arbeidsmarkt (allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen), zijn de kernfuncties van het Nederlandse onderwijs.

Visie en missie

Iedereen heeft recht op onderwijs van voldoende kwaliteit. Elke dag zetten leraren, besturen en andere professionals zich met dit doel in voor hun leerlingen en studenten. Al deze inspanningen dragen bij aan de werking en daarmee de kwaliteit van het onderwijsstelsel om zo een goede onderwijsloopbaan voor alle leerlingen en studenten te realiseren. Onze missie, 'Effectief toezicht voor beter onderwijs', sluit daarop aan. In ons toezicht waarborgen én stimuleren we de kwaliteit van het onderwijs. We richten ons daarbij op de werking van het stelsel als geheel (stimuleren) en op besturen en hun scholen en opleidingen waarborgen en stimuleren). Besturen waarborgen de kwaliteit van hun opleidingen en het onderwijs aan de studenten. De intensiteit van het toezicht en het vervolgtoezicht stemmen we af op de mate waarin het bestuur de deugdelijkheidseisen naleeft en de kwaliteit van zijn opleidingen waarborgt.

Alle besturen, scholen en opleidingen maken deel uit van het onderwijsstelsel en dragen daarmee bij aan de werking ervan. Het beschouwen van de werking van het stelsel noemen we de reflectieve functie van het toezicht, oftewel stelseltoezicht.79 De versterking van de rol van het toezicht hierin is bepleit door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en wordt ondersteund door het kabinet.

2.3 Uitgangspunten voor het toezicht

Onze missie, ‘Effectief toezicht voor beter onderwijs’, wordt gedragen door vijf uitgangspunten (zie figuur 2.3a). De uitgangspunten hangen met elkaar samen en borduren op elkaar voort. Met elk uitgangspunt afzonderlijk, maar vooral in die samenhang beoogt het toezicht bij te dragen aan de verbetering van de kwaliteit van het onderwijsstelsel. Daarnaast sluit het toezicht aan bij de verantwoordelijkheid die besturen hebben voor het onderwijs, bewaakt het in aanvulling daarop de basiskwaliteit (waarborgen) en wil het beter onderwijs bevorderen (stimuleren). We bepalen de intensiteit van het toezicht per bestuur (proportionaliteit) en houden bij de uitvoering rekening met de organisatiekenmerken en omstandigheden van het bestuur (maatwerk). We lichten de uitgangspunten hierna toe.

Figuur 2.3a Uitgangspunten van het toezicht

Figuur 2.3a Uitgangspunten van het toezicht
2.3.1 Verbeteren stelselkwaliteit

Opleidingen en besturen maken onderdeel uit van het onderwijsstelsel. Het stelsel vormt ook de context waarbinnen zij hun werk doen. Onder stelselkwaliteit verstaan we de mate waarin alle besturen, scholen en opleidingen er samen met anderen in slagen om voor alle leerlingen en studenten bij te dragen aan de realisatie van de kernfuncties van het onderwijs. Zij zorgen er samen voor dat deze kernfuncties van onderwijs (kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen) met succes én in evenwicht gerealiseerd worden.

Stelseltoezicht (stimuleren) en het toezicht op besturen en opleidingen (stimuleren en waarborgen) hangen met elkaar samen, elk met een eigen plaats in het toezicht. Besturen en opleidingen zijn afzonderlijke objecten van toezicht. Het stelseltoezicht richt zich vanuit een stimulerende en agenderende invalshoek vooral op de samenhang: zowel de inspanningen van besturen, scholen, opleidingen en samenwerkingsverbanden als andere zaken die meespelen bij de totstandkoming van de kernfuncties van het onderwijs, zijn daarin belangrijk. We gebruiken de kernfuncties van het onderwijsstelsel om inhoud te geven aan het stelseltoezicht. Dat kan leiden tot stimulerende interventies op stelsel-, bestuurs- en opleidingsniveau.

De werking van het stelsel omvat dus meer dan de optelsom van de resultaten van het toezicht op besturen en scholen en opleidingen. Daarom monitoren we ook de ontwikkelingen op stelselniveau, bijvoorbeeld de mate waarin alle kinderen gelijke kansen krijgen in het onderwijs. We onderzoeken en agenderen positieve voorbeelden en knelpunten en kijken hoe we in afstemming met het onderwijsveld de kwaliteit van het stelsel kunnen verhogen. Jaarlijks rapporteren we over de kwaliteit van het stelsel in ‘De Staat van het Onderwijs’, een taak die ons in de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) is toebedeeld. Ook bespreken we tijdens onderzoeken, in een open dialoog, met besturen hoe zij met de opleidingen aan de kwaliteit van het stelsel bijdragen, zonder dat dit tot oordelen of een waardering leidt. Bij opleidingen onderzoeken we via themaonderzoeken ook thema’s die de kernfuncties raken. Dit alles samen noemen we stelseltoezicht.

2.3.2 Verantwoordelijkheid bij besturen

Onder ‘bestuur’ verstaan we het bevoegd gezag van een of meer opleidingen. Dit omvat ook het interne toezicht. Omdat we besturen aanspreken op hun verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs op hun opleidingen, noemen we het toezicht bestuursgericht. Besturen waarborgen de kwaliteit van hun opleidingen en het onderwijs aan de studenten. In de uitoefening van hun taken zijn zij ervoor verantwoordelijk dat het onderwijs op hun opleidingen van voldoende kwaliteit is en dat het financieel beheer deugdelijk is.

Besturen hebben daarnaast een wettelijke verantwoordelijkheid voor passend onderwijs. De kern daarvan is dat voor alle studenten met een specifieke onderwijsbehoefte zo passend mogelijk onderwijs wordt gerealiseerd.

Wij zien erop toe dat besturen hun taken (het bewaken en bevorderen van de basiskwaliteit en de continuïteit) voldoende uitvoeren. Gebeurt dat niet of in onvoldoende mate, dan houden we verscherpt toezicht op het bestuur en de opleidingen. Dat maakt onderdeel uit van onze waarborgfunctie. In aanvulling op dit bestuursgerichte toezicht, onderzoeken en beoordelen we ook opleidingen als het besturen niet lukt de basiskwaliteit te realiseren. Verder geeft het bestuur met het onderwijs ook invulling aan eigen ambities, waaronder vaak ook ambities die de kernfuncties van het onderwijsstelsel raken. Daarop sluiten we aan vanuit onze stimulerende rol.

2.3.3 Waarborgen

De samenleving moet erop kunnen vertrouwen dat leerlingen en studenten onderwijs volgen dat van voldoende kwaliteit is. Temeer omdat er een leerplicht geldt voor leerlingen tot 16 jaar en een kwalificatieplicht tot 23 jaar.80 De norm voor basiskwaliteit is dat besturen en opleidingen voldoen aan de deugdelijkheidseisen voor de onderwijskwaliteit, de kwaliteitszorg en het financieel beheer. Deze eisen hebben we in het waarderingskader voor besturen en opleidingen opgenomen (zie hoofdstuk 4 en 5).

Zo spreken we besturen die het onvoldoende lukt om de basiskwaliteit van hun opleidingen te waarborgen, aan. Waarborgen zij de basiskwaliteit niet of onvoldoende, dan geven wij het bestuur een of meerdere herstelopdrachten. Dat kan betekenen dat we ons dan ook op opleidingen richten. Bij een of meerdere onvoldoendes op standaarden krijgen opleidingen, na toepassing van de beslisregels, een eindoordeel Onvoldoende of Zeer zwak. Waar nodig intensiveren we het toezicht.

2.3.4 Stimuleren

Naast ingrijpen waar het niet goed gaat, stimuleren we ook verdere ontwikkeling van het onderwijs en de kwaliteit ervan. We doen dit op meerdere niveaus. Op stelselniveau monitoren we met onderzoek en gegevensverzameling hoe de kernfuncties van het onderwijs zich ontwikkelen. Als we hierin risico’s signaleren, agenderen we deze, passend bij de urgentie ervan. We signaleren en agenderen belangrijke onderwerpen in bijvoorbeeld ‘De Staat van het Onderwijs’ en in themarapportages. Op stelselniveau geven we kansen en mogelijkheden voor verbetering aan, waarmee we het stelsel beogen te stimuleren. We brengen de uitkomsten en analyses van onderzoek op verschillende manieren en bij verschillende betrokkenen onder de aandacht, om zo bij te dragen aan inzicht en oplossingen voor gesignaleerde problemen. Soms is het belangrijk dat betrokkenen rond een thema samen in gesprek gaan. We brengen de uitkomsten ook onder de aandacht van besturen en opleidingen door met hen in een open dialoog te bespreken of zij kansen zien om bij te dragen aan het verbeteren van een stelselknelpunt.

Naast stimuleren door aan te geven wat er beter kan, doen we dat ook door goede kwaliteit zichtbaar te maken. We onderzoeken ook de kwaliteit van besturen en opleidingen die boven basiskwaliteit uitstijgt. We kunnen daarvoor de waardering Goed toekennen. We geven deze waardering op het moment dat een opleiding of bestuur niet alleen voldoet aan de wettelijke vereisten maar ook aanvullende ambities realiseert. Op verzoek van het bestuur onderzoeken we of de onderwijskwaliteit van een opleiding de waardering Goed kan krijgen. Ten slotte nemen we de (realisatie van de) ambities van het bestuur mee in de onderzoeken en streven we ernaar om tijdens het uitvoeren van onze onderzoeken en in de rapportage daarvan stimulerend te werk te gaan: we geven op een positieve manier feedback en benoemen naast wat er beter moet of kan, ook wat er goed gaat.

2.3.5 Proportionaliteit en maatwerk

Besturen en opleidingen verschillen van elkaar. De kwaliteit die ze realiseren is anders en ook kunnen ze anders georganiseerd zijn. De manier van ontwikkelen en hun omstandigheden kunnen ook verschillend zijn. Wij sluiten daar in ons toezicht op aan: de intensiteit van het toezicht bepalen we proportioneel in relatie tot de kwaliteit van het bestuur. Daarnaast is de uitvoering van het onderzoek op maat, rekening houdend met de kenmerken van het bestuur en de opleidingen. Zo komen we zo effectief mogelijk tot een deugdelijk oordeel en beperken we de toezichtslast.

De samenleving verwacht dat besturen en opleidingen voldoen aan de basiskwaliteit. Voor het toezicht is het belangrijk hoe effectief het bestuur is in het zorgen voor basiskwaliteit op zijn opleidingen. Het gaat dan om de kwaliteit van het onderwijs, de wijze waarop de professionaliteit van de instelling en het bestuur is gewaarborgd, om de mate van naleving van wettelijke voorschriften en de financiële situatie van de instelling.Naarmate een bestuur er beter in slaagt de kwaliteit van de opleidingen te bewaken en te bevorderen, is het toezicht minder intensief. Dan ligt het accent bijvoorbeeld meer op gesprekken over ambities over hun maatschappelijke opdracht en vragen we het bestuur vanuit zijn zicht op de kwaliteit te rapporteren over kwaliteitsontwikkeling en -verbetering. Indien dit aan de orde is, vragen we het bestuur ook over herstel van tekortkomingen te rapporteren.

Wanneer een bestuur er minder of niet in slaagt de kwaliteit van opleidingen te realiseren, intensiveren we het toezicht (proportioneel). We kunnen dan bijvoorbeeld in een kort tijdsbestek meerdere onderzoeken naar onderwijskwaliteit uitvoeren of meerdere personen of instanties binnen of rondom het bestuur bij het onderzoek betrekken.

In het kader van onze waarborgfunctie monitoren we jaarlijks de ontwikkeling en de prestaties van een bestuur en de opleidingen. Op basis van eerder toezicht en kwaliteitsgegevens die we hebben vanuit monitoring, houden we de kwaliteit van bestuur en opleidingen in beeld. Dit is van belang voor de uitvoering van onze waarborgfunctie.

Bij de uitvoering van het (proportionele) toezicht stemmen we de onderzoeksactiviteiten af op de omstandigheden van het bestuur. Dat is het maatwerk. Hoe we proportionaliteit en maatwerk inzetten, beschrijven we in hoofdstuk 7. Dat hoofdstuk gaat over onze werkwijze.

3. Stelseltoezicht

3.1 Inleiding

Toezicht op de kwaliteit van het onderwijs richt zich ook op de context waarbinnen besturen en hun opleidingen hun werk doen: we spreken dan over het onderwijsstelsel als geheel. Voor de werking en de kwaliteit van het stelsel beschouwen we onderdelen ervan en de verbanden daartussen. We geven daarmee invulling aan de reflectieve functie van het toezicht: vanwege onze wettelijke taak op stelselniveau, reflecteren we op de kwaliteit van het stelsel. Uitkomsten daarvan gebruiken we voor stimulerende interventies op stelsel-, bestuurs- en opleidingsniveau. In dit hoofdstuk geven we in een raamwerk weer wat we verstaan onder stelselkwaliteit. Dit raamwerk is opgebouwd aan de hand van de kernfuncties van het onderwijs.

In paragraaf 3.2 definiëren we eerst wat we verstaan onder stelselkwaliteit en stelseltoezicht. We geven aan welke wettelijke taken daarbij van belang zijn. Paragraaf 3.3 bevat het raamwerk voor stelselkwaliteit.

3.2 Stelselkwaliteit en stelseltoezicht

3.2.1 Een stelsel van onderwijsvoorzieningen

In Nederland zorgt de overheid voor de inrichting en het functioneren van een stelsel van onderwijsvoorzieningen. We willen als samenleving dat studenten kennis en vaardigheden opdoen die bij hun mogelijkheden en talenten passen, zodat zij kunnen bijdragen aan de samenleving en de arbeidsmarkt. Goed onderwijs is essentieel om ervoor te zorgen dat alle kernfuncties van het onderwijs gerealiseerd worden. Dit is nodig voor een pluriforme samenleving. Onderdeel van goed onderwijs is dat álle studenten zich maximaal kunnen ontwikkelen en gelijke kansen hebben. Het gaat erom dat ons onderwijsstelsel goed werkt en er voor alle leerlingen en studenten in slaagt de kernfuncties van het onderwijs te realiseren: kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen.

Binnen het stelsel van onderwijsvoorzieningen is er sprake van wederzijdse afhankelijkheid: onderwijssectoren zijn nauw met elkaar en met andere voorzieningen in de samenleving verweven. Belangrijke maatschappelijke problemen raken onderwijsinstellingen en ook knelpunten op instellingsniveau en vragen om een breder stelselperspectief.

Om de werking van het stelsel te kunnen duiden, beschrijven we de kwaliteit van het onderwijs als geheel aan de hand van de kernfuncties van het onderwijs (paragraaf 3.3). Zowel stelselkwaliteit als stelseltoezicht vindt een basis in de stelselverantwoordelijkheid van de overheid (artikel 23, Grondwet en artikel 3, eerste lid, sub d, artikel 4, vierde lid, en artikel 8, eerste lid, WOT). Hierbij gaat het om een stimulerende rol en de reflectieve functie van het toezicht.

We omschrijven stelselkwaliteit als de mate waarin het stelsel van besturen, opleidingen en andere actoren erin slaagt de kernfuncties van het onderwijs (kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen) met succes én in evenwicht te realiseren. Deze kernfuncties nemen we in ons toezicht als uitgangspunt voor de omschrijving van de kwaliteit van het onderwijsstelsel.

3.2.2 Stelseltoezicht

Het toezicht gaat uit van het belang dat de samenleving als geheel heeft bij het onderwijs: het publieke belang. Als onderdeel daarvan geven we in het toezicht aandacht aan specifieke kansen en bedreigingen, specifieke onderdelen van het stelsel of groepen studenten. Als toezichthouder moeten we daarom weten hoe het onderwijs zich ontwikkelt, daarop reflecteren en, als er iets niet goed loopt, de samenleving informeren. Wij vatten stelseltoezicht dan ook op als het beschouwen van de werking en de kwaliteit van het stelsel als geheel. Omdat dit het niveau van individuele besturen overstijgt, ondernemen we activiteiten die tot doel hebben de werking en de kwaliteit van het stelsel te stimuleren. We doorlopen een cyclus van waarnemen (monitoren), analyseren, agenderen en stimulerend interveniëren en zien daarmee toe op de kwaliteit van het stelsel. De uitkomsten van het stelseltoezicht zijn van belang voor de samenleving, het parlement en de regering en helpen ons om gericht en slagvaardig toezicht uit te oefenen. Informatie op stelselniveau laat zo zien hoe het totale onderwijsstelsel functioneert en met welke problemen besturen en opleidingen te maken hebben. Bij besturen en opleidingen stellen we deze problemen aan de orde en bespreken we hoe zij hiermee omgaan in een open gesprek.

Onderzoeken naar de kwaliteit van het stelsel doen we ook in samenhang met de onderzoeken naar besturen en opleidingen. De informatie daaruit vormt een bron voor ‘De Staat van het Onderwijs’, voor afzonderlijke publicaties (bijvoorbeeld themarapporten) en voor stimulerende interventies.

Het stelseltoezicht is gebaseerd op de taken van de inspectie zoals beschreven in de WOT. Zo ligt er een taak voor de inspectie in het rapporteren over de ontwikkeling van, in bijzonder van de kwaliteit van, het onderwijs en over de uitoefening van de taken door de instellingen, de samenwerkingsverbanden en de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven, in het bijzonder over de kwaliteit daarvan (artikel 3, eerste lid, sub d, WOT).

Vanuit onze ervaring in de onderwijspraktijk zien wij hierbij het verband met een andere inspectietaak: het bevorderen van de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs aan en het bestuur van instellingen als bedoeld in de onderwijswetten (artikel 3, eerste lid, sub b, WOT).

Ook is de taakuitoefening van de inspectie er mede op gericht betrokkenen te informeren over de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs (artikel 4, vierde lid, WOT). Verder is omschreven dat “[d]e inspectie […] desgevraagd en uit eigen beweging [rapporteert] aan Onze Minister over de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs en doet op grond daarvan voorstellen die zij in het belang van het onderwijs nodig acht” (artikel 8, eerste lid, WOT).

Hoewel stelseltoezicht een grondslag heeft in de WOT, verschilt het van het toezicht op besturen en opleidingen. In het toezicht op besturen en opleidingen gaat het om toezicht op de naleving van onderwijswet- en regelgeving. Daarmee kunnen we besturen en opleidingen, waar nodig, met onze oordelen en herstelopdrachten aanzetten om het onderwijs te verbeteren. In het stelseltoezicht daarentegen kunnen we stelselproblemen signaleren, agenderen en op diverse manieren stimuleren81, maar daarbij geven we geen opdrachten tot herstel. Het gaat hierbij immers niet om toezicht op naleving.

In hoofdstuk 2 gaven we aan dat het stelseltoezicht raakvlakken heeft met het toezicht op besturen en opleidingen, vooral waar het de ambities van besturen en opleidingen raakt. Knelpunten op stelselniveau, zoals bijvoorbeeld blijkt uit een themaonderzoek, kunnen in dat geval aan de orde komen in het stimulerende toezicht op besturen en opleidingen.

3.3 Raamwerk voor stelselkwaliteit

Om de kwaliteit van het stelsel te monitoren, hanteren we een raamwerk. Dit raamwerk beschrijft de werking en de kwaliteit van het stelsel aan de hand van de kernfuncties van het onderwijs. Dit biedt focus voor het krijgen van zicht op de kwaliteit van de werking van het stelsel als geheel en op de trends en knelpunten. Het raamwerk geeft de thema’s aan voor de activiteiten die we ondernemen op het gebied van waarnemen, analyseren en agenderen. Om de kwaliteit van het onderwijsstelsel op niveau te houden en te bevorderen, zijn inspanningen nodig van alle betrokkenen samen. Daarbij helpt het om de aandacht te richten op wat belangrijk is met het oog op de studenten en de samenleving, maar ook op wat urgent is, gegeven de actuele ontwikkelingen en trends op de langere termijn. We formuleren daarom focuspunten om andere actoren te stimuleren om samen aan het oplossen van knelpunten te werken. Enkele voorbeelden: ‘Elke student (digitaal) geletterd en gecijferd’, ‘Elke student krijgt gelijke kansen op een passend aanbod’, ‘Studenten zijn toegerust om bij te dragen aan de samenleving’, ‘Studenten slagen in het vervolgonderwijs en op de arbeidsmarkt’ en ‘Studenten kennen zichzelf en hun omgeving, en kunnen zelfstandig keuzes maken’. Deze vormen ook onderwerp van gesprek met besturen en raken het onderwijs op de opleidingen.

In het onderstaande Raamwerk voor stelselkwaliteit hebben we de kernfuncties weergegeven. In de beschrijving onderscheiden we drie kernfuncties: kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen. Persoonsvorming maakt daarbij onderdeel uit van de kernfunctie socialisatie. Naast de drie kernfuncties beschrijven we ook de voorwaarden die cruciaal zijn voor realisatie van de kernfuncties. De beschrijving geeft de essentie van de kernfunctie weer. In hoofdstuk 7 (Werkwijze) werken we uit hoe we invulling geven aan het stelseltoezicht.

RAAMWERK VOOR STELSELKWALITEIT

Kernfunctie Kwalificatie

Het onderwijs brengt studenten kennis, houdingen en vaardigheden bij die aansluiten bij de behoeften van de arbeidsmarkt en de samenleving en bij de mogelijkheden en talenten van studenten.

Beschrijving

De leerprestaties en het bereikte niveau van alle studenten samen hebben een optimaal niveau, voor diverse groepen en voor sectoren. Onderdeel daarvan is dat elke student zo veel mogelijk over een startkwalificatie beschikt. De leerprestaties sluiten aan bij de behoefte van de samenleving, zodat elke student uiteindelijk goed kan functioneren in de samenleving. In vergelijking met (eerdere) trends, nationaal en internationaal, is er stabiliteit of een ontwikkeling in de richting van de ambities van de samenleving. De kwaliteit van afsluiting en examinering leidt tot relevante en betrouwbare uitspraken op stelselniveau over niveau en prestaties van studenten. De kwaliteit van het onderwijsaanbod omvat kennis, houding en (digitale) vaardigheden en wordt regelmatig getoetst aan de actualiteit en aan (internationale) wetenschappelijke maatstaven.

Kernfunctie Socialisatie

Het onderwijs draagt bij aan de verwerving van de sociale en maatschappelijke competenties die nodig zijn om optimaal te kunnen deelnemen en bijdragen aan de samenleving.

Beschrijving

De kennis, houding en vaardigheden van studenten liggen op het niveau dat nodig is om goed te kunnen functioneren in de pluriforme samenleving en de democratische rechtsstaat. Het gaat daarbij om de sociale en maatschappelijke competenties en om de basiswaarden1 van de democratische rechtsstaat die nodig zijn om hieraan succesvol te kunnen deelnemen. Bij de waardering van de bijdrage aan de samenleving zijn eerdere resultaten van het onderwijsstelsel, internationale vergelijking en inhoudelijke eisen leidend, net als de behoeften en ambities van de samenleving. Een vrije en pluriforme samenleving vraagt om burgers die de democratische spelregels in acht nemen, zelfstandig kunnen oordelen, verantwoordelijkheid willen nemen en die toegerust zijn om op een goede manier met diversiteit om te gaan. Voor jongere studenten in het mbo heeft socialisatie deels een andere, bredere, inhoud dan voor reeds volwassen studenten.

1 Basiswaarden van de democratische rechtsstaat

Bevordering van basiswaarden vormt een belangrijk aspect van de wettelijke burgerschapsopdracht. Basiswaarden van de democratische rechtsstaat (hierna: basiswaarden) weerspiegelen de algemene, breed erkende essentiële waarden waarop onze democratische manier van samenleven is gebaseerd. Ze zijn breed gelegitimeerd, verankerd in de nationale en internationale rechtsorde en neergelegd in onder meer de Nederlandse Grondwet en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Basiswaarden zijn kort gezegd basale, minimale en breed onderschreven waarden die de democratische rechtsstaat schragen.

Basiswaarden van de democratische rechtsstaat

Het respect voor de menselijke waardigheid zonder onderscheid des persoons staat aan de basis van de drie basiswaarden van de democratische, pluriforme en Nederlandse rechtsstaat: vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. De basiswaarde vrijheid wordt bevorderd door aandacht voor vrijheid van meningsuiting en autonomie. Gelijkwaardigheid wordt bevorderd in de vorm van het gelijkheidsbeginsel en het afwijzen van discriminatie. Solidariteit wordt bevorderd door verdraagzaamheid, begrip en verantwoordelijkheidsbesef en het afwijzen van onverdraagzaamheid.

Dit betekent dat opleidingen aandacht besteden aan vrijheid van meningsuiting, het gelijkheidsbeginsel, begrip, verdraagzaamheid, het afwijzen van onverdraagzaamheid en discriminatie, en autonomie en verantwoordelijkheidsbesef.

In het inspectietoezicht wordt in de op de praktijk gerichte operationalisering uitgegaan van de volgende uitwerkingen. Deze uitwerkingen zijn gericht op concrete toepassing in de dagelijkse praktijk en geformuleerd op voor alle betrokkenen toegankelijke wijze:

• Vrijheid van meningsuiting betekent dat je mag zeggen of schrijven wat je denkt of tegen de opvatting van anderen in mag gaan. Iedereen mag dus ook zijn of haar geloof uitdragen, of zijn of haar mening aan anderen voorhouden. Daarbij moet je je wel houden aan de wet.

• Het gelijkheidsbeginsel (ook wel gelijkheid of gelijkwaardigheid genoemd) betekent dat mensen van gelijke waarde zijn. Daarbij maakt het niet uit wat je denkbeelden zijn of wat je gelooft. Je hoeft niet te vinden dat die denkbeelden of gebruiken zelf waardevol zijn, maar wel dat mensen met andere denkbeelden en gebruiken niet minder waard zijn dan jij of dan jouw groep.

• Begrip voor anderen betekent dat je probeert te begrijpen waarom mensen of groepen bepaalde denkbeelden of gebruiken hebben: wat is de achtergrond daarvan en waarom is dat belangrijk voor een ander?

• Verdraagzaamheid (ook wel tolerantie genoemd) betekent dat je de mening of het gedrag van een ander accepteert, ook al ben je het er helemaal niet mee eens. En het betekent ook dat je iedereen de ruimte wilt geven om zo’n mening of zulk gedrag te hebben. Natuurlijk moet iedereen zich daarbij wel houden aan de wet.

• Afwijzen van onverdraagzaamheid: onverdraagzaamheid (ook wel intolerantie genoemd) is het tegenovergestelde van tolerantie. Het betekent dat je vindt dat andere mensen of groepen, dingen waar jij het niet mee eens bent niet zouden mogen denken of doen; en dat je het niet nodig vindt dat ieder de ruimte krijgt om zo’n mening of zulk gedrag te hebben.

• Afwijzen van discriminatie: discriminatie betekent dat mensen of groepen bij anderen achtergesteld worden of dat je vindt dat er voor mensen met andere denkbeelden of gebruiken niet zoveel ruimte hoeft te zijn of dat die denkbeelden of gebruiken misschien zelfs verboden moeten worden.

• Autonomie betekent dat iedereen zelf kan bepalen wie hij/zij wil zijn en hoe hij/zij zijn/haar leven wil leiden. Iedereen is dus bijvoorbeeld vrij om zelf te bepalen welke denkbeelden of welk geloof voor hem/haar belangrijk zijn/is. Daarbij moet je je wel houden aan de wet.

• Verantwoordelijkheidsbesef betekent dat mensen verantwoordelijkheid willen nemen voor wat ze zeggen en doen (en wat ze niet zeggen en doen) en dat ze daarbij rekening willen houden met wat dat voor anderen betekent. Daarbij is vooral belangrijk dat je probeert anderen niet te schaden en dat je de samenleving en de democratie wilt helpen om goed te functioneren. Hoe je dat doet, mag iedereen zelf weten.

Reikwijdte

Actieve bevordering van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat neemt binnen de wettelijke opdracht een centrale plaats in. Van opleidingen wordt verwacht dat zij werken aan borging en overdracht van de basiswaarden. Ten overvloede zij daarbij opgemerkt dat uit deze opdracht ook volgt dat onderwijs of handelen van de opleiding niet in strijd met basiswaarden kan zijn. Goed burgerschapsonderwijs sluit aan bij de leefwereld van studenten en de interesses, problemen en risico’s die hiermee gepaard gaan. Uitgangspunt bij het toezicht is dat opleidingen blijk geven van inzicht in hun studentenpopulatie en hun leefwereld en dit, indien nodig, vertalen naar het onderwijs. Verder is van belang dat basiswaarden structureel onderdeel zijn van de schoolcultuur en dat deze daarmee in overeenstemming is. De inspectie ziet toe op de naleving daarvan via de zorg van het bestuur voor een schoolcultuur waarin alle betrokkenen basiswaarden als centrale spelregels hanteren en voorleven en voor een omgeving waarin studenten worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met basiswaarden.

Kernfunctie Allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen

Studenten volgen een onderwijsloopbaan die past bij hun mogelijkheden en talenten én bij de arbeidsbehoeften van de samenleving.

Beschrijving

Het onderwijs zorgt ervoor dat studenten een passende onderwijsloopbaan volgen en een gelijke kans hebben om terecht te komen op het onderwijsniveau en de opleidingsrichting die bij hen past en bij de vraag vanuit het (regionale) bedrijfsleven. Het onderwijs zorgt ervoor dat studenten slagen in het (vervolg)onderwijs en een diploma halen waarmee ze een passende plek op de arbeidsmarkt of een passende vervolgbestemming vinden. De advisering, opleidingskeuze, overgangen en aansluiting binnen het (passend) onderwijs zijn doelmatig en werpen geen belemmeringen op voor doorstroom. Met andere woorden: het onderwijs is in gelijke mate toegankelijk en beschikbaar voor alle studenten die er gezien hun mogelijkheden thuishoren. In vergelijking met (eerdere) trends, nationaal en internationaal, is er stabiliteit of een ontwikkeling in de richting van de ambities van de samenleving.

Voorwaarden voor realisatie van de kernfuncties

Het onderwijs is zodanig toegerust en georganiseerd dat het voor continuïteit kan zorgen en kan bijdragen aan de drie kernfuncties.

Beschrijving

Het onderwijs heeft zich zo georganiseerd dat het in staat is in een gezamenlijke dynamiek en samenwerking de drie kernfuncties van het stelsel te realiseren. Goede sturing en visie op wat bereikt moet worden zijn daarbij van belang. Ook samenwerking tussen instellingen, zoals bijvoorbeeld ten gunste van de realisatie van passend onderwijs, is zodanig dat ze bijdraagt aan de kwaliteit van het onderwijs aan studenten. Middelen en mogelijkheden worden voldoende ingezet en benut. Er is voldoende personeel dat is toegerust voor de gevraagde onderwijstaken. Het niveau van middelen, organisatiewijze en personeel ligt op een geaccepteerd niveau in vergelijking met (eerdere) trends, nationaal en internationaal, of ontwikkelt zich in de richting van de ambities van de samenleving.

4. Waarderingskader besturen

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk beschrijven we het kader voor de beoordeling van de besturing door het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag bestaat uit het uitvoerend deel van het bestuur (hiermee wordt in het middelbaar beroepsonderwijs het college van bestuur bedoeld) en het interne toezicht. Hoewel de functies gescheiden zijn, zorgt men er, ieder vanuit zijn eigen rol en verantwoordelijkheid, samen voor dat de kwaliteit van hun opleidingen gewaarborgd is en er sprake is van deugdelijk financieel beheer. Voor de leesbaarheid spreken we over het bestuur als aanduiding voor het bevoegd gezag.

We willen nagaan of het bestuur in staat is de basiskwaliteit van het onderwijs op zijn opleidingen te borgen, verder te verbeteren en te zorgen voor deugdelijk financieel beheer voor continuïteit in de toekomst. We beoordelen de kwaliteit van de besturing op basis van de geldende wet- en regelgeving (hierna: wettelijke vereisten) die is genoemd in het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie. Ook de invulling van de kernfuncties van het stelsel door het bestuur (zie hoofdstuk 3) heeft hier een plek. Uit het oordeel op dit kwaliteitsgebied blijkt of het bestuur in staat is om met zijn (be)sturing de kwaliteit van het onderwijs op de opleidingen te waarborgen en verder te ontwikkelen. Met deze kennis over de kwaliteit van de sturing, richten we het (vervolg)toezicht proportioneel in (zie hoofdstuk 7).

Naast het waarderingskader met standaarden voor besturing, kwaliteitszorg en ambitie op bestuursniveau (BKA) zijn er ook standaarden voor sturen, kwaliteitszorg en ambitie op school- en opleidingsniveau (SKA). Deze standaarden zijn opgenomen in het waarderingskader voor opleidingen en beschrijven we in hoofdstuk 5. We maken onderscheid tussen besturen en opleidingen, omdat de besturing (van een of meerdere opleidingen) door het bestuur en de sturing (op een opleiding) van elkaar verschillen. Met dit onderscheid kunnen we het toezicht beter laten aansluiten bij de verantwoordelijkheden en werkwijzen van besturen en opleidingen. Deze niveaus staan allerminst los van elkaar. Het bestuur geeft de kaders voor kwaliteit en financieel beheer aan waarbinnen de opleidingen hun verantwoordelijkheid voor de sturing van de kwaliteit op opleidingsniveau vormgeven. Het bestuur en de opleidingen zorgen gezamenlijk voor het behalen van beoogde resultaten rondom onderwijskwaliteit en financiële kwaliteit.

In paragraaf 4.2 lichten we toe hoe het waarderingskader voor besturen is opgebouwd. In aansluiting daarop beschrijven we in paragraaf 4.3 de inhoud van dat waarderingskader.

4.2 Opbouw van het kader

De kern van het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie (BKA) is dat het bestuur zorgt voor besturing van de onderwijskwaliteit op de opleidingen en voor een goede organisatie en kwaliteitscultuur. Dat maakt dat studenten kunnen leren en zich kunnen ontwikkelen in een veilige omgeving. Ook het financieel beheer, waaronder financiële continuïteit, rechtmatigheid en doelmatigheid, is hiervan integraal onderdeel. Wij beschouwen de besturing als een cyclisch proces. De drie standaarden van het waarderingskader samen geven zicht op de kwaliteitscyclus van het bestuur. Als deze cyclus op orde is, is het bestuur in staat de basiskwaliteit te realiseren en te borgen, het onderwijs te verbeteren en te zorgen voor deugdelijk financieel beheer. Hiermee draagt het bestuur bij aan de kernfuncties van het stelsel. Bovendien bestaat er dan een ontwikkelingsgerichte kwaliteitscultuur: beleid wordt opgevolgd en na evaluatie bijgesteld.

In de eerste standaard (BKA1) beoordelen we de manier waarop het bestuur de besturing en de randvoorwaarden inricht aan de hand van een visie op onderwijs, uitgewerkt in ambities en doelen. Dit raakt ook de kernfuncties van het stelsel, zoals verwoord in hoofdstuk 3. In de tweede standaard (BKA2) staat de uitvoering centraal: hoe stuurt het bestuur op het realiseren van de visie, ambities en doelen en wat voor kwaliteitscultuur is er? In de derde standaard (BKA3), ten slotte, onderzoeken we hoe het bestuur evalueert en analyseert, verantwoording aflegt aan anderen en de samenleving, reflecteert op de resultaten en erover in gesprek gaat. Dit leidt tot bijstelling en verdere ontwikkeling van de visie, ambities en doelen, zoals bedoeld in de eerste standaard, en maakt de cyclus van (in)richten, uitvoeren en evalueren compleet. De kwaliteitscultuur is van belang voor een effectieve sturing op deze cyclus (de standaarden samen). Daardoor wordt de kwaliteit van het onderwijs gewaarborgd.

4.3 Kwaliteitsgebied en standaarden

Het waarderingskader voor besturen, het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie (BKA), is onderverdeeld in drie standaarden die (in)richting, uitvoering en evaluatie omvatten. Deze standaarden zijn met elkaar verbonden en vertegenwoordigen samen het stelsel van kwaliteitszorg. Dit betekent dat we deze standaarden in samenhang onderzoeken.

Bij elke standaard geven we aan wat we onder basiskwaliteit verstaan en wat de wet van besturen vraagt (wat moet het bestuur?). We gaan ervan uit dat besturen (be)sturen vanuit visie en ambitie. Naast de ambities die besturen hebben om de wettelijke verplichtingen na te leven, zijn er ambities die meer omvatten dan de basiskwaliteit. Wij noemen dit de aanvullende ambities. Ook over deze ambities gaan we met besturen in gesprek. We kunnen daaraan een waardering koppelen, namelijk de waardering Goed. Het is de invulling van de stimulerende functie van het toezicht. In het waarderingskader komt dit tot uitdrukking in vragen naar de realisatie van aanvullende ambities van het bestuur. Met het geheel aan ambities dragen besturen bij aan de kernfuncties van het onderwijsstelsel.

KWALITEITSGEBIED BESTURING, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (BKA)

BKA1. Visie, ambities en doelen

Het bestuur heeft een visie op kwaliteit, heeft hiervoor ambities en doelen opgesteld en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

Het bestuur heeft een visie op goed onderwijs en op de besturing daarvan. De visie is concreet en passend vertaald naar ambities, doelen en daarmee samenhangend beleid. Deze vertaling maakt sturing mogelijk op de kwaliteit en resultaten van het onderwijs en de voorwaarden. Daartoe is een stelsel van kwaliteitszorg ingericht dat het bestuur in staat stelt de basiskwaliteit van het onderwijs te waarborgen.

De doelen betreffen in elk geval de naleving van wettelijke eisen, waaronder de wettelijke vereisten voor het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces en de manier van afsluiten en diplomeren. De visie, ambities en doelen omvatten uitwerkingen van eerdere evaluatieresultaten en resultaten van interne en externe dialoog.

Het bestuur zorgt er met betrokkenheid van de opleidingen voor dat de visie, ambities, doelen en het beleid sturend zijn voor de verbetering van het onderwijs aan studenten. Opleidingen formuleren op hun beurt doelen die aansluiten bij wat studenten nodig hebben met het oog op hun doorgaande onderwijsloopbaan.

Het bestuur richt de voorwaarden in om de doelen te bereiken, waaronder de inzet en het beheer van de (financiële) middelen voor het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijsproces, de diplomering, het schoolklimaat en de resultaten. Het bestuur heeft daartoe een meerjarenbegroting waarin de relatie met het beleid en de doelen duidelijk zijn toegelicht. Er is voor de sturing op (financiële) kwaliteit een functionerende verantwoordelijkheidsverdeling tussen de interne toezichthouder, het bestuur en de opleidingen afgesproken, op basis van de geldende wet- en regelgeving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg in en beoordeelt aan de hand daarvan het onderwijs, waaronder maatregelen en instrumenten om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt.

• Artikel 2.2.1, derde en vierde lid, WEB: Het bestuur besteedt de rijksbijdrage aan exploitatiekosten en huisvestingskosten rechtmatig.

• Artikel 2.5.3 WEB: Het bestuur stelt jaarlijks een jaarrekening op. Uit de jaarrekening dient te blijken dat sprake is van een rechtmatige en doelmatige aanwending van de rijksbijdrage.

• Artikel 2.5.4 WEB en artikel 4, vierde lid, RJO: Het bestuur maakt jaarlijks een bestuursverslag waarin de resultaten van het financieel beleid en de continuïteitsparagraaf staan opgenomen.

• Artikel 9.1.4, derde lid, sub e, WEB: De interne toezichthouder ziet erop toe dat het bestuur de middelen doelmatig en rechtmatig besteedt en aanwendt.

• Artikel 9.1.7 WEB: Er is een bestuursreglement waarin ten minste de interne organisatie en bevoegdheidsverdeling is vastgelegd.

• RJO, jo. artikel 2.5.3, WEB: De wijze waarop door het bestuur verslag wordt gedaan van het financieel beheer gebeurt overeenkomstig de daarvoor in de RJO gestelde regels.

BKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

Het bestuur realiseert samen met de opleidingen de doelen voor kwaliteit, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

Het bestuur geeft als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg met de opleidingen effectief uitvoering aan de visie en de doelen voor onderwijskwaliteit. Aan de transparante, integere kwaliteitscultuur is zichtbaar dat deze bijdraagt aan de gestelde doelen.

Het bestuur bevordert een op samenwerken, leren en verbeteren gerichte kwaliteitscultuur, zodat de doelen en ambities gerealiseerd kunnen worden. Het bestuur zorgt ervoor dat het onderwijskundig leiderschap op alle niveaus herkenbaar verankerd is in de organisatie. Ook bevordert het bestuur dat de directie en teams gezamenlijk werken aan hun professionaliteit in relatie tot de bekwaamheidseisen en aan een verbetercultuur.

Binnen de kwaliteitscultuur geeft het bestuur uitvoering aan kwaliteitszorg gericht op de kwaliteit van het onderwijs en de naleving van wettelijke voorschriften. Het bestuur bewaakt en bevordert dat de uitvoering in overeenstemming is met het beleid, zodat de doelen worden bereikt. Het bestuur houdt zicht op de uitvoering van het beleid en op de nagestreefde verbeteringen en stuurt daarop, zo nodig, tussentijds bij.

De beschikbare (financiële) middelen dragen bij aan de realisatie van de door het bestuur gestelde doelen en worden doelmatig en rechtmatig aangewend. Als onderdeel van zijn taak ziet de interne toezichthouder daarop toe. Het bestuur stuurt op effectief financieel beheer, zodat de continuïteit van het onderwijs gewaarborgd is en bekostiging rechtmatig verkregen wordt.

Het interne toezicht geeft onafhankelijk en deugdelijk invulling aan zijn taak en wordt daarin gefaciliteerd door het uitvoerend deel van het bestuur. Het bestuur zorgt voor goed functionerende medezeggenschap en opereert volgens de Branchecode goed bestuur in het mbo of legt in het jaarverslag1 verantwoording af over hoe het met deze code omgaat. Ook stelt het bestuur de examencommissie in en benoemt de leden. Als laatste zorgt het bestuur voor een doeltreffende verwerking van interne en externe signalen en klachten.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6 WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg in en beoordeelt aan de hand daarvan het onderwijs, en maakt regelmatig beleid openbaar in het licht van de beoordeling van de onderwijskwaliteit.

• Artikel 1.3.6, eerste lid, jo. artikel 4.2.1, WEB: Het bestuur zorgt voor bevoegd personeel en maakt het onderhouden van de bekwaamheid mogelijk.

• Artikel 1.3.6a WEB: Het bestuur zorgt voor personeelsbeleid, voor zover het de duurzame borging van de kwaliteit van het onderwijspersoneel betreft.

• Artikel 2.2.1, derde en vierde lid, WEB: Het bestuur besteedt de rijksbijdrage aan exploitatiekosten en huisvestingskosten rechtmatig.

• Artikel 2.5.3, tweede lid, WEB: Uit de jaarrekening moet blijken dat de bekostiging doelmatig en rechtmatig is aangewend.

• Artikel 2.5.4, eerste lid, WEB: Het bestuur handelt volgens de branchecode voor goed bestuur en verantwoordt in het bestuursverslag over de omgang met deze branchecode.

• Artikel 2.8.3 WEB: Het bestuur beheert de middelen van de instelling op zodanige wijze dat een behoorlijke exploitatie en het voortbestaan van de instelling zijn verzekerd.

• Artikel 4, vierde lid, RJO: Het bestuur zorgt voor een continuïteitsparagraaf in de jaarverslaggeving.

• Artikel 4.1.3 WEB: Het bestuur stelt een professioneel statuut op ter verbetering van de professionaliteit van het personeel, in overeenstemming met vakorganisaties.

• Artikel 4.1a.1, vierde lid, WEB: Het bestuur maakt met de docenten afspraken over de wijze waarop de zeggenschap van docenten wordt georganiseerd, waarbij de professionele standaard van de beroepsgroep in acht wordt genomen.

• Artikel 7.4.5 WEB: Het bestuur zorgt voor een examencommissie die voldoet aan de inrichtingsvereisten.

• Artikel 7.4.5, derde lid, WEB: Het bestuur waarborgt dat de examencommissie deugdelijk en onafhankelijk kan functioneren.

• Artikel 7.4.8a WEB: Het bestuur heeft een openbare klachtenregeling die leidt tot behoorlijke klachtbehandeling.

• Artikel 9.1.4, eerste lid en artikel 9.1.8, WEB: Er is een (functionele) scheiding tussen het uitvoerend deel van het bestuur en het toezicht.

• Artikel 9.1.4, tweede lid, WEB: Er mag geen belangenverstrengeling zijn binnen de raad van toezicht en het uitvoerend deel van het bestuur.

• Artikel 9.1.4, derde lid, WEB: De raad van toezicht houdt toezicht op de uitvoering van de taken en bevoegdheden van het uitvoerend deel van het bestuur, staat het uitvoerend deel van het bestuur met raad terzijde en heeft ten minste deze bij wet bepaalde taken.

• Artikel 9.1.4, vierde lid, WEB: Het uitvoerend deel van het bestuur voorziet de raad van toezicht van onafhankelijke administratieve ondersteuning.

• Artikel 9.1.4, vijfde lid, WEB: De raad van toezicht moet op basis van zijn taken, samenstelling en bevoegdheden deugdelijk en onafhankelijk toezicht kunnen houden.

• Artikel 9.1.7 WEB: Er is een bestuursreglement waarin ten minste de interne organisatie en bevoegdheidsverdeling is vastgelegd.

• Artikel 8a.1.4, WEB: Het bestuur zorgt ervoor dat binnen de instelling een volwaardige, goed functionerende en effectieve medezeggenschap plaats kan vinden waarbij ten minste wordt voldaan aan de bij wet bepaalde eisen.

BKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

Het bestuur evalueert en analyseert systematisch of het de doelen realiseert en verantwoordt zich hierover. Het stelt wanneer dat nodig is het beleid bij en betrekt daartoe interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

Het bestuur evalueert en beoordeelt als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de ambities, de doelen en het beleid worden gerealiseerd. Op deze manier krijgt het bestuur zicht op de gerealiseerde (financiële) kwaliteit en de resultaten van het onderwijs aan studenten. Bij de evaluatie en beoordeling van het beleid en de onderwijskwaliteit betrekt het bestuur interne en onafhankelijke deskundigen en belanghebbenden en gebruikt deze informatie bij de evaluatie en beoordeling. Op basis van de evaluatie reageert het bestuur tijdig op mogelijke kansen en bedreigingen, stelt wanneer nodig (verbeter)beleid op en treft passende maatregelen om de kwaliteit van het onderwijs op de opleidingen te borgen.

Het bestuur legt verantwoording af door middel van accurate, actuele en openbaar toegankelijke informatie over de gerealiseerde kwaliteit. Het brengt minimaal jaarlijks verslag uit aan zijn in- en externe belanghebbenden over zijn doelen en de resultaten van de opleidingen. De verantwoording in het jaarverslag is betrouwbaar en (de inhoud van) het jaarverslag voldoet aan de wettelijke vereisten.

Het bestuur verantwoordt zich daarbij ten minste over het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces, de manier van afsluiten en diplomeren en het financieel beheer. De reflectie op de uitkomsten van de evaluatie geeft alle lagen van de organisatie, intern toezicht en de medezeggenschap voldoende inzicht in de effectiviteit van de besturing en uitvoering. Het bestuur analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verantwoording. Vervolgens verwerkt het bestuur deze wanneer nodig in bijstelling van ambities, (verbeter)doelen en beleid of nieuwe ambities zodat de opbrengst van de dialoog bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwijs en de sturing daarop. Het bestuur organiseert ook de dialoog hierover met interne en externe belanghebbenden, waarbij in elk geval studenten, personeel, het regionale bedrijfsleven en de interne toezichthouder zijn betrokken. Het bestuur werkt bovendien actief samen met andere partijen aan doelen die het bestuurlijk belang overstijgen en de kernfuncties raken.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur betrekt bij de beoordeling van de onderwijskwaliteit ten minste het oordeel van studenten en betrekt daarbij ook onafhankelijke en deskundigen en belanghebbenden.

• Artikel 1.3.6, tweede lid, WEB: Het bestuur maakt regelmatig een openbaar verslag over de beoordeling van de uitkomsten van de beoordeling bedoeld in het eerste lid, en van het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten.

• Artikel 1.3.6, tweede lid, WEB: Het verslag over de kwaliteit van de examens wordt jaarlijks openbaar gemaakt.

• Artikel 2.5.3 WEB: Het bestuur stelt jaarlijks een jaarrekening op.

• Artikel 2.5.3, vijfde lid, WEB: Het bestuur maakt het jaarverslag openbaar. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de wijze en het tijdstip waarop openbaarmaking van het jaarverslag plaatsvindt.

• Artikel 2.5.4, eerste lid, WEB: Het bestuur verantwoordt in het bestuursverslag als er van de branchecode voor goed bestuur wordt afgeweken.

• Artikel 2.5.4 WEB en artikel 1 en artikel 3, sub f, RJO: Het bestuur informeert jaarlijks interne en externe belanghebbenden over het gevoerde en voorgenomen beleid en de uitkomsten van het gevoerde beleid.

• Artikel 2.5.4 WEB en artikel 4, vierde lid, RJO: Het bestuur maakt jaarlijks een bestuursverslag waarin naast de resultaten van het financieel beleid ook verantwoording wordt gegeven over toekomstige ontwikkelingen van het onderwijs.

• Artikel 8a.2.1, derde lid, WEB: De studentenraad ontvangt tijdig alle inlichtingen van het bestuur om zijn taak te kunnen vervullen.

• Artikel 8a.2.2, derde lid, WEB: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van de studentenraad bij bepaalde aangelegenheden.

• Artikel 8a.2.2, vierde lid, WEB: Het bestuur moet de studentenraad vooraf in de gelegenheid stellen om te adviseren over besluiten bij bepaalde aangelegenheden.

• Artikel 9.1.4, achtste lid, WEB: De raad van toezicht overlegt minimaal tweemaal per jaar met de studentenraad en de ondernemingsraad.

• RJO, jo. artikel 2.5.3, WEB: De wijze waarop door het bestuur verslag wordt gedaan van het financieel beheer gebeurt overeenkomstig de daarvoor in de RJO gestelde regels.

X Noot
1

Volgens artikel 1, sub c, RJO: het geheel van verslaggevingsdocumenten bestaande uit de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392, titel 9, boek 2, BW.

5. Waarderingskader opleidingen

5.1 Inleiding

In het vorige hoofdstuk beschreven we het kader voor de beoordeling van de besturing door het bestuur. In dit hoofdstuk beschrijven we het waarderingskader voor het beoordelen van de kwaliteit op opleidingen. Deze kaders hangen nauw met elkaar samen. Het bestuur geeft de kaders voor kwaliteit en financieel beheer aan waarbinnen opleidingen hun verantwoordelijkheid voor de sturing van de kwaliteit vormgeven. Dit waarderingskader bevat naast standaarden over sturen en kwaliteit ook standaarden over het onderwijsproces, het schoolklimaat en de onderwijsresultaten. De standaarden over sturen, kwaliteitszorg en ambitie op opleidingsniveau (SKA) hangen samen met die over besturing, kwaliteitszorg en ambitie op bestuursniveau (BKA) en zijn toegespitst op de wettelijke eisen op opleidingsniveau.

We gebruiken het waarderingskader voor opleidingen wanneer we onderzoek doen op opleidingsniveau.

We beschrijven de opbouw van het kader in paragraaf 5.2. In paragraaf 5.3 is vervolgens het waarderingskader op opleidingsniveau opgenomen. In de laatste paragraaf, 5.4, gaan we in op de overige wettelijke vereisten, die niet aan een standaard zijn gekoppeld.

5.2 Opbouw van het kader

In het waarderingskader middelbaar beroepsonderwijs op opleidingsniveau onderscheiden we vijf kwaliteitsgebieden: Onderwijsproces, Veiligheid en schoolklimaat, Borging en afsluiting, Onderwijsresultaten, en Sturen, kwaliteitszorg en ambitie. Met het waarderingskader krijgen we antwoord op de drie elementaire vragen over het onderwijs voor studenten: krijgen ze goed onderwijs (Onderwijsproces), voelen ze zich veilig (Veiligheid en schoolklimaat), en leren ze genoeg (Onderwijsresultaten)? Daarnaast kijken we naar de borging van de diplomering (Borging en afsluiting) en de sturing op en de verbetering van de kwaliteit (Sturen, kwaliteitszorg en ambitie). Dit zijn belangrijke aspecten voor de kwaliteit en ontwikkeling van het onderwijs aan studenten. We beoordelen bij de kwaliteit van het onderwijs het geheel van de prestaties van de opleiding op deze vijf gebieden. Het financieel beheer beoordeelt de inspectie op het niveau van het bestuur.

Het waarderingskader middelbaar beroepsonderwijs heeft de volgende opbouw:*

KWALITEITSGEBIEDEN EN STANDAARDEN MBO OPLEIDINGSNIVEAU

OP ONDERWIJSPROCES

OP1

Aanbod

OP2

Ontwikkeling en begeleiding

OP3

Pedagogisch-didactisch handelen

OP5

Beroepspraktijkvorming

VS VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT

VS1

Veiligheid

VS2

Schoolklimaat

BA BORGING EN AFSLUITING

BA1

Borging diplomering

BA2

Afsluiting

OR ONDERWIJSRESULTATEN

OR1

Studiesucces

OR3

Vervolgsucces

SKA STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE

SKA1

Visie, ambities en doelen

SKA2

Uitvoering en kwaliteitscultuur

SKA3

Evaluatie, verantwoording en dialoog

5.3 Kwaliteitsgebieden en standaarden

Het waarderingskader op opleidingsniveau telt per gebied een aantal standaarden, in totaal dertien. Bij elke standaard is aangegeven wat we verstaan onder de basiskwaliteit (wat móet de opleiding op orde hebben?).82 Ter onderbouwing van de eisen voor basiskwaliteit geven we per standaard de wettelijke eisen weer die van toepassing zijn. We noemen de wettelijke eisen ook wel deugdelijkheidseisen.

In de praktijk hebben opleidingen ambities die raken aan basiskwaliteit. Opleidingen doen echter vaak meer. Naast de ambities binnen de basiskwaliteit hebben opleidingen ook ambities die daarboven uitstijgen en die opleidingen met het bestuur hebben geformuleerd. Over het geheel aan ambities gaan we met de opleidingen in gesprek. We kunnen daaraan een waardering koppelen, namelijk de waardering Goed. Dit is de invulling van de stimulerende functie van ons toezicht. In het waarderingskader komt dit tot uitdrukking in vragen naar de realisatie van aanvullende ambities.

Met het geheel aan ambities, zowel voor de basiskwaliteit als ambities die daarboven uitstijgen, dragen opleidingen met hun besturen bij aan de kwaliteit van de kernfuncties van het onderwijsstelsel.

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSPROCES (OP)

OP1. Aanbod

Het aangeboden onderwijsprogramma bereidt de studenten voor op de beroepspraktijk, het vervolgonderwijs en de samenleving.

Basiskwaliteit

De opleiding bereidt studenten voor op de beroepspraktijk, het vervolgonderwijs en de democratische samenleving. Het biedt een breed en op het kwalificatiedossier gebaseerd programma aan, waarin ook de beroepspraktijkvorming, de keuzedelen en eventuele wettelijke beroepsvereisten zijn opgenomen en de opleidings- en vormingsdoelen die de opleiding zelf formuleert. Het programma is daarnaast gericht op het verwerven van generieke competenties, waaronder die voor loopbaan en burgerschap. Het programma kent samenhang met de toetsing en examinering op basis waarvan de opleiding kwalificeert en diplomeert. Onder het programma verstaan we alle lesinhouden, ook die digitaal zijn of online aangeboden worden.

Het onderwijsprogramma is afgestemd op de studentenpopulatie en sluit aan bij het niveau van het kwalificatiedossier en de onderwijsbehoeften van de studenten. Bovendien heeft de opleiding de leerinhouden evenwichtig en in samenhang over de leerjaren verdeeld.

De studenten worden tijdig geïnformeerd over de opbouw en de doelen van de opleiding.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het aanbod en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.2.1, tweede lid, WEB: Het beroepsonderwijs bevordert de algemene vorming en de persoonlijke ontplooiing van de studenten en draagt bij tot het maatschappelijk functioneren.

• Artikel 7.1.2, tweede lid, WEB: Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een student is ingericht overeenkomstig de eisen van hoofdstuk 7, titel 2, en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie in het beroepsonderwijs alsmede een of meer daarbij behorende keuzedelen, ten bewijze waarvan een diploma wordt uitgereikt.

• Artikel 7.2.4a WEB: Het bestuur stelt de studieduur van de opleiding vast met inachtneming van de gestelde regels.

• Artikel 7.2.6, tweede lid, WEB: Als er voor een beroepsopleiding wettelijke beroepsvereisten zijn vastgesteld, worden studenten in de gelegenheid gesteld om hieraan te voldoen.

• Artikel 7.2.7, vijfde lid, WEB: Het onderwijsprogramma omvat alle onderwijsactiviteiten gericht op het bereiken van de onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding, waaraan door de student wordt deelgenomen onder verantwoordelijkheid en toezicht van het bestuur en bestaat uitsluitend uit voldoende begeleide onderwijsuren en beroepspraktijkvorming.

• Artikel 7.2.7, eerste lid, WEB: Beroepsopleidingen zijn zodanig ingericht dat studenten de kwalificatie en daarbij behorende keuzedelen binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken en dat het onderwijsprogramma evenwichtig is ingedeeld, alsmede voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming omvat.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 7.4.8, tweede lid, WEB: Studenten worden tijdig geïnformeerd over het onderwijsprogramma, de examens en het ondersteuningsaanbod voor gehandicapte studenten die extra ondersteuning behoeven.

OP2. Ontwikkeling en begeleiding

De opleiding zorgt voor een passende intake en plaatsing. De opleiding houdt de ontwikkeling en voortgang van de studenten in de gaten en biedt waar nodig passende begeleiding en extra ondersteuning.

Basiskwaliteit

Studenten worden voorafgaand aan de aanmelding zo voorgelicht dat zij in staat zijn een passende opleiding te kiezen. Het bestuur stelt verdere regels vast voor de intake.

Wanneer zij zich tijdig hebben aangemeld, hebben studenten recht op een studiekeuzeadvies. De opleiding stemt daartoe, indien van toepassing, af met voorafgaand onderwijs.

Gedurende de schoolloopbaan vindt er gestructureerde en zorgvuldige voortgangsbegeleiding plaats. Daarbij staat de behoefte van de student in combinatie met de vereiste competentieontwikkeling centraal. De opleiding toont daarbij oog te hebben voor de bevordering van gelijke kansen.

Er is een ondersteuningsaanbod voor studenten met extra ondersteuningsbehoeften en de opleiding informeert studenten (en ouders) volledig en tijdig over de mogelijkheden voor extra ondersteuning.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor zicht op ontwikkeling en begeleiding en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.5, sub a, WEB: Instellingen dragen mede zorg voor de toegankelijkheid van het onderwijs, met name voor kansarme groepen.

• Artikel 1.3.5, sub b, WEB: Instellingen dragen zorg voor het aanbieden van doelmatige leerwegen en stemmen daartoe in het bijzonder af tussen vavo-opleidingen en beroepsopleidingen.

• Artikel 6.1.3a, eerste lid, WEB: Het bestuur verstrekt aan aspirant-studenten zodanige informatie dat zij in staat zijn een passende opleiding te kiezen.

• Artikel 7.1.2, tweede lid, WEB: Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een student is ingericht, en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie en een of meer keuzedelen.

• [Artikel 7.1.5 WEB: Het bestuur rapporteert over de vorderingen van de studenten aan hun ouders, voogden of verzorgers, dan wel aan de studenten zelf indien zij meerderjarig en handelingsbekwaam zijn.]

• Artikel 7.2.7, eerste lid, WEB: Het bestuur draagt er zorg voor dat beroepsopleidingen zodanig zijn ingericht dat studenten de kwalificatie en daarbij behorende keuzedelen binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 7.4.8, tweede lid, WEB: De instelling heeft een informatieplicht ten aanzien van het ondersteuningsaanbod voor gehandicapte studenten en studenten die extra ondersteuning behoeven.

• Artikel 8.0.4 WEB: Als de student zich uiterlijk op 1 april aanmeldt en deelneemt aan de intake-activiteiten, dan heeft hij recht op een studiekeuzeadvies.

• Artikel 8.0.4, vijfde lid, WEB: Het bestuur stelt nadere regels vast met betrekking tot de intake-activiteiten die door de instelling worden georganiseerd.

• Artikel 8.1.3 WEB: Het bestuur maakt schriftelijke afspraken met een student over extra ondersteuning in verband met zijn/haar handicap of chronische ziekte. Deze afspraken worden jaarlijks geëvalueerd.

• Artikel 8.1.3, sub g, WEB, jo. artikel 1.3.5, sub a, WEB: Er is een ondersteuningsaanbod indien sprake is van een gehandicapte student of vavo-student.

• Artikel 8.1.3, tweede lid, sub g, WEB: Bij plaatsing van een gehandicapte student wordt de ondersteuning opgenomen in de onderwijsovereenkomst.

• Artikel 8.1.7a, vierde lid, WEB: Het bestuur stelt beleid op met betrekking tot het bindend studieadvies, met inachtneming van het eerste, tweede en derde lid.

OP3. Pedagogisch-didactisch handelen

Het pedagogisch-didactisch handelen van het onderwijsteam stelt studenten in staat om te leren en zich te ontwikkelen.

Basiskwaliteit

Uit het pedagogisch en didactisch handelen van het team blijkt dat er sprake is van een gedeelde visie, dan wel uitgangspunten.

Het onderwijsteam zorgt voor effectieve leersituaties.Het team stemt de instructies, begeleiding, opdrachten en onderwijstijd doelgericht af op de onderwijsbehoeften van groepen en individuele studenten. De afstemming is zowel gericht op (pedagogische) ondersteuning als op uitdaging, afhankelijk van de onderwijsbehoeften van groepen en individuele studenten.

Het team plant en structureert zijn handelen met behulp van informatie die het over studenten heeft. Het maakt didactische keuzes waarbij het niveau en de complexiteit van het onderwijs in lijn is met het onderliggende kwalificatiedossier. Het team realiseert bovendien een evenwichtige verbinding tussen leren in de beroepspraktijkvorming en het leren binnen de instelling. Het team creëert een pedagogisch en didactisch passend en stimulerend leerklimaat, waardoor studenten actief en betrokken zijn. Met geschikte opdrachten en heldere uitleg structureert het team het onderwijsaanbod zo, dat studenten zich het leerstofaanbod eigen kunnen maken. Het team heeft positieve verwachtingen van studenten en geeft hun gerichte feedback op hun leerproces.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het pedagogisch-didactisch handelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 7.1.2, tweede lid, WEB: Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een student is ingericht en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie en een of meer keuzedelen.

• Artikel 7.2.7, eerste lid, jo. artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en dit onderwijsprogramma evenwichtig in te delen, zodat de studenten de kwalificatie binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken.

• Artikel 7.2.7, vijfde lid, WEB: Het onderwijsprogramma omvat alle onderwijsactiviteiten gericht op het bereiken van de onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding. De student neemt deel aan het onderwijsprogramma onder verantwoordelijkheid en toezicht van het bestuur. Dit onderwijsprogramma bestaat uitsluitend uit begeleide onderwijsuren en beroepspraktijk.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

OP5. Beroepspraktijkvorming

De voorbereiding, uitvoering en begeleiding van de beroepspraktijkvorming zijn doeltreffend.

Basiskwaliteit

De opleiding maakt afspraken met de student over welke leeractiviteiten de student ontplooit in het kader van de beroepspraktijkvorming en hoe deze bijdragen aan de ontwikkeling van de benodigde competenties en vaardigheden van de student.

De opleiding begeleidt de student bij de voorbereiding en bij de keuze van een beroepspraktijkplaats en stelt hiervoor samen met de student en het leerbedrijf de vereiste praktijkovereenkomst op. De inhoud, de omvang, de periode en de organisatie van de beroepspraktijkvorming worden beschreven in de praktijkovereenkomst.

De opleiding zorgt dat het leerbedrijf de student op de afgesproken wijze begeleidt. De opleiding is op de hoogte van het functioneren van de student op de beroepspraktijkplaats en stuurt zo nodig bij.

Ook beoordeelt de opleiding of de student de beroepspraktijkvorming met een positieve beoordeling heeft afgerond.

De instelling draagt zorg voor erkende en adequate stageplekken/praktijkplaatsen.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de beroepspraktijkvorming en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 7.1.2, tweede lid, jo. artikel 7.2.8, tweede lid, sub c, WEB: Een deel van de opleiding vindt plaats in de beroepspraktijk.

• Artikel 7.2.7, eerste lid, jo. artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma, en het programma evenwichtig in te delen zodat studenten de kwalificatie binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken.

• Artikel 7.2.8, tweede lid, WEB: De beroepspraktijkvorming wordt verzorgd op grondslag van een overeenkomst, gesloten door de student, de instelling en het leerbedrijf, waarin de rechten en verplichtingen van partijen worden geregeld, en bevat ten minste de wettelijk voorgeschreven onderwerpen.

• Artikel 7.2.8, derde lid, WEB: Het bedrijf dat, of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt, draagt zorg voor de begeleiding van de studenten binnen het bedrijf. Het bestuur beoordeelt of de studenten de beroepspraktijkvorming met een positieve beoordeling heeft voltooid.

• Artikel 7.2.9, eerste lid, WEB: Het bestuur van de instelling draagt zorg voor de beschikbaarheid van de praktijkplaats en de totstandkoming van de in artikel 7.2.8 bedoelde overeenkomst.

• Artikel 7.2.9, tweede lid, WEB: Het bestuur bevordert in overleg met de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) een toereikende vervangende voorziening als er omstandigheden zijn waardoor de beroepspraktijkvorming (bpv) niet naar behoren zal kunnen plaatsvinden.

• Artikel 7.2.10 WEB: Het bestuur zorgt ervoor dat stageplekken/praktijkplaatsen voldoen aan de erkenning voor het leerbedrijf voor de betreffende opleiding afgegeven door de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB).

KWALITEITSGEBIED VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT (VS)

VS1. Veiligheid

De opleiding zorgt voor een veilige omgeving voor studenten.

Basiskwaliteit

De opleiding zorgt voor een veilig leer- en werkklimaat. Er is aandacht voor burgerschapsvorming en vitaal burgerschap in het onderwijsproces. Het biedt veiligheid bij incidenten en zorgt voor fysieke veiligheid. Van de opleiding mag worden verwacht dat het inzicht heeft in de fysieke en sociale veiligheid(sbeleving) van de studenten, hier beleid op voert en effectief handelt bij signalen die de sociale en/of fysieke veiligheid bedreigen, zodat de studenten kunnen profiteren van het geboden onderwijs.

De opleiding hanteert de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling. Daarnaast komt het de verplichtingen na rond het melden, overleggen en aangifte doen van zedenmisdrijven.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de veiligheid en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6 WEB: De instelling dient een stelsel van kwaliteitszorg in te richten en te beoordelen en daarbij onder andere het oordeel van de studenten te betrekken.

• Artikel 1.3.8 WEB: Het bestuur houdt zich aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van het melden, overleggen en aangifte doen in het geval van een (redelijk vermoeden van een) zedenmisdrijf. Het bestuur treedt hierbij onverwijld in contact met de vertrouwensinspecteur.

• Artikel 1.3.9 WEB: Het bestuur stelt voor het personeel een meldcode vast die aangeeft hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan. Daarnaast moet het bestuur de kennis en het gebruik van de meldcode bevorderen.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.2.7, vijfde en zesde lid, WEB: Het bestuur is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijsprogramma. De begeleide onderwijstijd vindt plaats onder verantwoordelijkheid en met actieve betrokkenheid van het onderwijspersoneel.

• Artikel 8a.2.2, derde lid, sub k, WEB: De studentenraad heeft instemmingsrecht met betrekking tot voorgenomen beslissingen van het bestuur ten aanzien van de regels op het gebied van veiligheid, gezondheid en welzijn van studenten.

VS2. Schoolklimaat

De opleiding geeft in denken en doen uiting aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.

Basiskwaliteit

Het personeel geeft in denken en doen uiting aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.

Het personeel van de opleiding is in zijn gedrag een voorbeeld voor de studenten: personeelsleden leven de basiswaarden zichtbaar na. Ook signaleert en corrigeert het personeel van de opleiding uitingen van studenten die met de basiswaarden in strijd zijn.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het schoolklimaat en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 7.1.2, tweede lid, WEB: Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een student is ingericht en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie en een of meer keuzedelen, waaronder ook de generieke eisen met betrekking tot burgerschap.

• Artikel 7.2.7, vijfde en zesde lid, WEB: Het onderwijsprogramma omvat uitsluitend begeleide onderwijsuren en beroepspraktijkvorming onder verantwoordelijkheid en toezicht van het bestuur, en met actieve betrokkenheid van het onderwijspersoneel.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

KWALITEITSGEBIED BORGING EN AFSLUTING (BA)

BA1. Borging diplomering

De examencommissie borgt deugdelijke diplomering.

Basiskwaliteit

Het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie is voldoende gewaarborgd door het bestuur.

De examencommissie stelt op objectieve en deskundige wijze vast of een student voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een diploma of een certificaat. Zij bewaakt, monitort en analyseert de kwaliteit van de processen die hieraan ten grondslag liggen. Hierdoor zijn het niveau, de complexiteit en de inhoud van de door de student geleverde prestaties, afgestemd op de kwalificatievereisten of het certificaat, geborgd.

De examencommissie borgt in alle fasen van de examinering en diplomering de deskundigheid van de betrokken personen.

De examencommissie bewaakt op een cyclische manier haar eigen werkwijze en eigen kwaliteit met betrekking tot de borging van de examinering, diplomering en certificering voor de opleidingen waarvoor zij verantwoordelijk is. Zij geeft betekenis aan de uitkomsten hiervan en acteert hierop. Hierbij betrekt zij eventueel onafhankelijke deskundigen. In voorkomende gevallen worden verbetermaatregelen genomen en wordt toegezien op de realisatie ervan. Hierover wordt jaarlijks verslag gedaan.

De examencommissie geeft op deugdelijke gronden instellingsverklaringen af. Tevens geeft zij vrijstellingen voor examenonderdelen op deugdelijke gronden.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de borging van de diplomering en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

De twee standaarden op het gebied van diplomering en afsluiting en de bijbehorende normering in dit waarderingskader komen overeen met de standaarden en normering in de Regeling standaarden examenkwaliteit mbo 2021.1

BA2. Afsluiting

De opleiding2onderbouwt dat de student voldaan heeft aan de voorwaarden voor het diploma, een certificaat of een instellingsverklaring.

Basiskwaliteit

De opbouw en inrichting van de afsluiting voldoen aan de eigen vastgestelde kwaliteitseisen voor een betrouwbare diplomering en certificering. Dit sluit aan op de visie op het onderwijs van het team. De examinering is afgestemd op de kwalificatie-eisen wanneer het gaat om diplomering. Dit is inclusief de keuzedelen en de eisen ten aanzien van generieke examenonderdelen.

De examinering is valide en betrouwbaar en zorgt ervoor dat de student voldoet aan de voorwaarden tot diplomering of certificering. De afnamecondities en de beoordelingen zijn voor studenten gelijkwaardig. De opleiding betrekt de beroepspraktijk bij de examinering. De opleiding beoordeelt de bewijzen ten behoeve van de examinering onafhankelijk en deskundig. Deze bewijzen laten in samenhang een passende balans zien tussen vereiste kennis, houding en vaardigheden, waarbij onderdelen van de examinering in de reële beroepspraktijk plaatsvinden. Op basis van de bewijzen stelt de opleiding vast of een student de kwalificatie-eisen in voldoende mate beheerst.

De student is volledig en tijdig geïnformeerd over de kwalificatie-eisen en de eisen die de opleiding stelt aan de examinering en diplomering. Deze informatie is voor alle betrokkenen transparant en eenduidig.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de borging van de diplomering en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

De twee standaarden op het gebied van diplomering en afsluiting en de bijbehorende normering in dit waarderingskader komen overeen met de standaarden en normering in de Regeling standaarden examenkwaliteit mbo 2021.

X Noot
1

Deze regeling wordt per 1 augustus 2021 van kracht.

X Noot
2

Waar we opleiding schrijven, kan ook team worden gelezen.

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSRESULTATEN (OR)

OR1. Studiesucces

De instelling behaalt met haar studenten leerresultaten die ten minste in overeenstemming zijn met de gestelde norm.1

Basiskwaliteit

De onderwijsresultaten over de afgelopen drie jaar laten zien dat de opleiding studenten voldoende in staat stelt een diploma op het gewenste niveau te behalen. De opleiding zorgt ervoor dat studenten een succesvolle start maken en de studie binnen de vastgestelde studieduur doorlopen. De resultaten laten ook zien dat er doorstroom is naar hogere opleidingsniveaus.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de onderwijsresultaten en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, jo. artikel 1.3.5, sub b, WEB: Instellingen dienen voorts zorg te dragen voor het aanbieden van doelmatige leerwegen, onder andere door ervoor te zorgen dat de opleiding aansluit op het voorafgaand onderwijs en vervolgonderwijs.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB, jo. artikel 7.2.7, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt ervoor dat beroepsopleidingen zo zijn ingericht dat studenten de kwalificatie en de daarbij behorende keuzedelen binnen de vastgestelde studieduur kunnen behalen. Daarnaast zorgt het bestuur voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma.

OR3. Vervolgsucces2

De bestemming van de studenten na het (gediplomeerd) verlaten van de opleiding is bekend en voldoet ten minste aan de verwachtingen van de opleiding.

Basiskwaliteit

De opleiding betrekt de ontwikkelingen op de (regionale) arbeidsmarkt bij het beleid en de uitvoering daarvan. Het beschikt over gegevens over het vervolg van de loopbaan van studenten die de opleiding (voortijdig of) met een diploma hebben verlaten. Daarbij kan het gaan om de overstap naar vervolgonderwijs (mbo of hbo), een plek op de arbeidsmarkt dan wel een passend vervolg voor studenten met een specifieke onderwijsbehoefte.

Gezien de relatie tussen vervolgsucces en de onderwijskwaliteit mag in het kader van de kwaliteitszorg verder van de opleiding worden verwacht dat het hier inzicht in heeft en beleid op voert.

Het vervolgsucces voldoet ten minste aan de verwachtingen van de opleiding in relatie tot de gemiddelde landelijke resultaten van vergelijkbare opleidingen en de situatie op de regionale arbeidsmarkt.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het vervolgsucces en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.5, sub c, jo. artikel 6.1.3a, eerste lid, sub c, jo. artikel 7.1.2, tweede lid, WEB: Kennis van de (regionale) arbeidsmarkt is noodzakelijk om aspirant-studenten over het arbeidsmarktperspectief van de opleiding te kunnen informeren en loopbaanoriëntatie en

• -begeleiding te kunnen bieden.

• Artikel 1.3.6 WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg voor de instelling in en draagt er in dat verband zorg voor dat (zo veel mogelijk in samenwerking met andere instellingen) wordt voorzien in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs.

• Artikel 6.1.3, eerste lid, jo. artikel 1.3.5, sub b, WEB: Het bestuur zorgt voor doelmatige leerwegen en zorgt ervoor dat een beroepsopleiding alleen wordt aangeboden als er na beëindiging van de opleiding voldoende arbeidsmarktperspectief is voor de studenten. Onder arbeidsmarktperspectief wordt in ieder geval verstaan het perspectief voor gediplomeerde schoolverlaters op het binnen een redelijke termijn vinden van werk op het niveau van de gevolgde opleiding.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

X Noot
1

De norm voor studiesucces wordt voor vier jaar vastgesteld, zoals uitgewerkt in bijlage 1 van dit onderzoekskader. We beoordelen het studiesucces aan de hand van deze norm op het niveau van het kwalificatiedossier.

X Noot
2

Deze standaard is nieuw; we doen er in 2021 tot 2025 ervaring mee op. Tijdens deze periode zullen we niet oordelen op deze standaard. Bij de doorontwikkeling van deze standaard en het gebruik van data zullen we aansluiten bij de ontwikkelingen in de sector.

KWALITEITSGEBIED STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE OPLEIDINGEN (SKA)

SKA1. Visie, ambities en doelen

De opleiding heeft een gedragen visie op goed onderwijs, heeft daarvoor ambities en doelen en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

De opleiding heeft, als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg, een gedragen visie, ambities en doelen gericht op goed onderwijs. De opleiding stuurt systematisch op de doelen om de beoogde resultaten te behalen.

De opleiding sluit met haar visie, ambities en doelen aan op die van het bestuur, op de resultaten van eerdere evaluaties en op bevindingen uit de interne en externe dialoog. De opleiding richt de voorwaarden in om de onderwijskundige ambities en doelen te bereiken. Daarbij is de interne verantwoordelijkheidsverdeling duidelijk.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg in en verbetert aan de hand daarvan het onderwijs.

• Artikel 4.1a.1, vierde lid, WEB: Het bestuur maakt met de docenten afspraken over de wijze waarop de zeggenschap van docenten wordt georganiseerd, waarbij de professionele standaard van de beroepsgroep in acht wordt genomen.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 7.4.8, derde lid, jo. artikel 7.2.7, vijfde lid, WEB: Het bestuur zorgt ervoor dat opleidingen aantoonbaar voldoen aan enkele eisen, waaronder artikel 7.2.7, vijfde lid, waaruit blijkt dat het onderwijsprogramma moet zijn gericht op het bereiken van onderwijs- en vormingsdoelen van de beroepsopleiding.

• Artikel 9.1.7 WEB: Er is een bestuursreglement waarin de verantwoordelijkheidsverdeling wordt beschreven.

SKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

De opleiding realiseert de doelen voor goed onderwijs, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

De opleiding geeft, als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg, effectief uitvoering aan de onderwijskundige ambities en doelen en schept de daarvoor benodigde voorwaarden.

De opleiding zorgt op basis van de interne verantwoordelijkheidsverdeling voor een op samenwerken, leren en verbeteren gerichte kwaliteitscultuur, waarin doelen en ambities gerealiseerd kunnen worden. Daarbij is onderwijskundig leiderschap herkenbaar.

Docenten(teams) oefenen daarbij de eigen verantwoordelijkheid bij het inrichten van hun onderwijs uit.

Binnen deze kwaliteitscultuur geeft de opleiding uitvoering aan het stelsel van kwaliteitszorg, zodat gericht wordt gewerkt aan de kwaliteit van het onderwijs en de naleving van wettelijke voorschriften. De opleiding stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

De opleiding zorgt ervoor dat de deskundigheidsbevordering van het personeel binnen de gestelde doelen gestalte krijgt.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg in en verbetert aan de hand daarvan het onderwijs.

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: De kwaliteit van het onderwijs wordt regelmatig beoordeeld, er worden maatregelen en instrumenten gebruikt om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt.

• Artikel 1.3.6a WEB: Het bestuur zorgt voor personeelsbeleid, voor zover het de duurzame borging van de kwaliteit van het onderwijspersoneel betreft.

• Artikel 4.1.a1, eerste lid, WEB: Docenten zijn binnen het onderwijskundig beleid verantwoordelijk voor het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces van de instelling.

• Artikel 4.1.a1, derde lid, WEB: Docenten beschikken over voldoende zeggenschap, waaronder de zeggenschap over de inhoud van de lesstof en de wijze waarop de lesstof wordt aangeboden.

• Artikel 4.1a.1, vierde lid, WEB: Het bestuur maakt met de docenten afspraken over de wijze waarop de zeggenschap van docenten wordt georganiseerd, waarbij de professionele standaard van de beroepsgroep in acht wordt genomen.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 7.4.8, derde lid, jo. artikel 7.2.7, vijfde lid, WEB: Het bestuur zorgt ervoor dat opleidingen aantoonbaar voldoen aan enkele eisen, waaronder artikel 7.2.7, vijfde lid, waaruit blijkt dat het onderwijsprogramma moet zijn gericht op het bereiken van onderwijs- en vormingsdoelen van de beroepsopleiding.

SKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

De opleiding evalueert en analyseert systematisch of het de doelen realiseert en verantwoordt zich daarover. Ze stelt, wanneer nodig, het beleid bij en betrekt interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

De opleiding monitort, evalueert, analyseert en beoordeelt als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de doelen en het beleid worden gerealiseerd en informeert het bestuur daarover. Het haalt intern en extern actief informatie op om zicht te krijgen op de uitvoering, de resultaten van het onderwijs voor de studenten en de kansen en bedreigingen voor de verdere ontwikkeling van het onderwijs.

Bij de beoordeling van de kwaliteit betrekt de opleiding het oordeel van de studenten, onafhankelijke deskundigen en andere hiervoor relevante betrokkenen.

De opleiding analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verwerkt deze wanneer nodig in het (verbeter)beleid, zodat dit bijdraagt aan de ontwikkeling en verbetering van het onderwijs. Daarnaast gebruikt de opleiding de uitkomsten van de evaluatie om de sturing te verbeteren.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg in en verbetert aan de hand daarvan het onderwijs.

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: De kwaliteit van het onderwijs wordt regelmatig beoordeeld. De beoordeling vindt ook plaats aan de hand van het oordeel van studenten en door betrokkenheid van onafhankelijke deskundigen en belanghebbenden.

• Artikel 1.3.6, tweede lid, WEB: Het bestuur verantwoordt zich over de beoordeling en het voorgenomen beleid in het licht van de beoordeling.

5.4 Overige wettelijke vereisten

Niet alle deugdelijkheidseisen zoals die in de onderwijswet- en regelgeving staan vermeld, zijn opgenomen in het onderzoekskader. Dit geldt bijvoorbeeld voor die over de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) en de vrijwillige ouderbijdrage. De deugdelijkheidseisen die niet aan een standaard in het waarderingskader zijn verbonden, vatten we samen onder de noemer ‘overige wettelijke vereisten’.

In ons jaarwerkplan, dat op de website van de inspectie wordt gepubliceerd, geven we aan welke thema’s we in dat jaar onderzoeken. Ook op grond van meldingen en signalen kunnen we besturen en opleidingen bevragen op het mogelijk niet-naleven van de overige wettelijke vereisten. Niet-naleving van (een of meer van) de overige wettelijke vereisten kan op opleidingsniveau in dat geval niet leiden tot een oordeel Onvoldoende of tot het oordeel Zeer Zwak. Wel moet de opleiding/het bestuur de tekortkoming binnen een door de inspectie te bepalen termijn herstellen. Om voor de waardering Goed in aanmerking te komen, moet een opleiding, in aanvulling op de wettelijke eisen van de standaarden, ook aan alle overige wettelijke vereisten voldoen.

6. Oordelen en waarderen

6.1 Inleiding

In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we oordelen en waarderen. We doen dat zo transparant mogelijk, aan de hand van het waarderingskader op bestuurs- en opleidingsniveau en met de beschrijving van de oordeelsvorming, zoals opgenomen in dit hoofdstuk. Onze oordelen gaan altijd over de gerealiseerde kwaliteit van de (be)sturing en over het onderwijs dat studenten ontvangen.

We gaan in dit hoofdstuk eerst in op hoe we omgaan met het raamwerk van de kernfuncties op stelselniveau (paragraaf 6.2), zoals opgenomen in hoofdstuk 3. Dat hanteren we uitsluitend vanuit onze stimulerende rol. Daarna leggen we uit hoe we op basis van de waarderingskaders voor besturen en opleidingen (hoofdstuk 4 en 5) oordelen en waarderen. In het algemeen bepaalt het al dan niet voldoen aan de deugdelijkheidseisen of een standaard Voldoende of Onvoldoende is. De waardering Goed spreken we uit als ambities, rondom basiskwaliteit en/of daarboven uitstijgend, gerealiseerd worden. We beschrijven dit in paragraaf 6.3. In paragraaf 6.4 zijn beslisregels voor de beoordeling van de standaarden voor het bestuur beschreven, gevolgd door de beslisregels voor de beoordeling van onderwijskwaliteit van opleidingen in paragraaf 6.5.

6.2 Stimuleren op stelselniveau

In hoofdstuk 3 is het stelseltoezicht beschreven. We reflecteren daarop en spreken geen oordelen uit. We gebruiken het raamwerk om de drie kernfuncties van het onderwijs, namelijk kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen en daarnaast de belangrijke voorwaarden daarvoor te beschouwen. We beschrijven jaarlijks in ‘De Staat van het Onderwijs’ (paragraaf 7.2) hoe het met de kernfuncties en voorwaarden van het onderwijsstelsel is gesteld.

We bespreken deze thema’s bij onderzoeken bij besturen en opleidingen. Uit onze gegevens op stelselniveau kan blijken dat de kwaliteit van (een deel van) de kernfuncties in een bepaalde regio in hoge of juist mindere mate gerealiseerd wordt. Door ambities van besturen rondom kernfuncties in een open dialoog te bespreken en te verkennen, leggen we een verbinding tussen opleidingen en hun invulling van de kernfuncties.

6.3 Oordelen en waarderen standaarden bestuur en opleidingen

Voor het beoordelen en waarderen van de kwaliteit van besturen en opleidingen gebruiken we de standaarden zoals beschreven in de hoofdstukken 4 en 5. Een standaard bestaat uit een beschrijving van de basiskwaliteit, gebaseerd op de deugdelijkheidseisen. Per standaard besteden we daarnaast aandacht aan de vragen naar aanvullende ambities.

Of een standaard als Voldoende of Onvoldoende wordt beoordeeld, is gebaseerd op de vraag of het bestuur/de opleiding voldoet aan de deugdelijkheidseisen en daarmee basiskwaliteit realiseert. Voor de waardering Goed wordt de realisatie van ambities betrokken. Onderstaande tabel geeft aan hoe het oordeel en de waardering op standaardniveau tot stand komt:

Oordeel/waardering

standaard

Norm voor standaarden

Goed

Het bestuur of de opleiding voldoet aan de deugdelijkheidseisen en realiseert ook ambities die daarboven uitstijgen.

Voldoende

Het bestuur of de opleiding voldoet aan de deugdelijkheidseisen en realiseert daarmee basiskwaliteit.

Onvoldoende

Het bestuur of de opleiding voldoet niet aan de deugdelijkheidseisen.

6.4 Oordelen en waarderen op bestuursniveau

Om basiskwaliteit op de opleidingen te kunnen waarborgen, gaan we ervan uit dat het bestuur in staat is om de kwaliteitscyclus, zoals uitgedrukt in de wettelijke eisen van de drie standaarden van het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie (zie hoofdstuk 4), uit te voeren. Daar waar dat niet het geval is, leidt dit tot een Onvoldoende op het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie. Als het bestuur aan de deugdelijkheidseisen voldoet en ambities realiseert, waarderen we het kwaliteitsgebied als Goed. Hoe het oordeel of de waardering op bestuursniveau tot stand komt, ziet er als volgt uit:

Oordeel/waardering bestuursniveau

Norm kwaliteitsgebied

Besturing, kwaliteitszorg en ambitie

Goed

Twee standaarden uit het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie zijn Goed en de derde is ten minste Voldoende.

Voldoende

Alle drie de standaarden uit het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie zijn ten minste Voldoende.

Onvoldoende

Een of meer standaarden uit het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie is/zijn Onvoldoende.

Het niet voldoen aan een deugdelijkheidseis van financiële continuïteit of rechtmatigheid leidt in alle gevallen tot een herstelopdracht voor het bestuur. Dit geldt ook als de jaarstukken van het bestuur niet zijn ingediend zoals wettelijk vereist is. De mate waarin het oordeel of waardering van de betreffende standaard binnen het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie wordt aangepast is afhankelijk van de ernst van de tekortkoming.

6.5 Oordelen en waarderen op opleidingsniveau

Het oordeel of de waardering over de kwaliteit van de opleiding (eindoordeel) komt tot stand op basis van de volgende normen.

Eindoordeel/waardering opleiding

Norm

Goed

Alle standaarden zijn minimaal Voldoende én de standaard Uitvoering en kwaliteitscultuur (SKA2) is Goed, evenals ten minste twee standaarden uit de andere kwaliteitsgebieden van het waarderingskader voor opleidingen. Alle onderzochte overige wettelijke vereisten worden nageleefd én de financiële continuïteit op bestuursniveau voldoet aan de wettelijke vereiste.

Voldoende (basiskwaliteit)

De standaarden Studiesucces, Pedagogisch-didactisch handelen, Beroepspraktijkvorming en Veiligheid zijn Voldoende én niet meer dan één andere standaard in de gebieden Onderwijsproces of Veiligheid en schoolklimaat is Onvoldoende. Ook is de standaard Borging diplomering als Voldoende beoordeeld.

Onvoldoende

Onvoldoende examenkwaliteit: de standaard Borging diplomering en/of Afsluiting is Onvoldoende.

Onvoldoende

De standaard Studiesucces of Pedagogisch-didactisch handelen of Beroepspraktijkvorming of Veiligheid is Onvoldoende, óf meer dan één van de andere standaarden in de gebieden Onderwijsproces of Veiligheid en schoolklimaat zijn Onvoldoende.

Zeer zwak

De standaard Studiesucces is Onvoldoende, én een of meer van de volgende standaarden is Onvoldoende: Pedagogisch-didactisch handelen, en/of Beroepspraktijkvorming en/óf Veiligheid.

De waardering Goed is bedoeld om goede kwaliteit op opleidingen te waarderen en te stimuleren. We gaan ervan uit dat deze opleidingen een brede basiskwaliteit hebben. Dat betekent dat er onomwonden een positief antwoord gegeven kan worden op de kernvragen voor goed onderwijs. Deze kernvragen zijn: krijgen studenten goed onderwijs (Onderwijsproces), voelen ze zich veilig (Veiligheid en schoolklimaat) en leren ze genoeg (Onderwijsresultaten)? Dit vraagt een expertoordeel over de integrale kwaliteit van de opleiding. Dit betekent dat wij van goede opleidingen verwachten dat zij aan ons laten zien hoe zij hun visie, ambities en doelen uitvoeren (SKA2) en welke kwaliteit dit in de praktijk oplevert, zoals te zien aan de standaarden voor Onderwijsproces en Veiligheid en schoolklimaat.

6.5.1 Wettelijke norm Zeer zwak onderwijs83

Zeer zwak onderwijs wordt beschouwd als onderwijs van onvoldoende kwaliteit in de zin van artikel 6.1.4 en 6.2.2, WEB (zie verder hoofdstuk 9). Een bestuur kan bezwaar en beroep aantekenen tegen de uit het oordeel Zeer zwak voortvloeiende waarschuwing (artikel 6.1.5 en artikel 6.2.3, WEB).

6.5.2 Normering bij niet te beoordelen resultaten

Als de onderwijsresultaten niet worden beoordeeld of niet kunnen worden beoordeeld, dan baseren we ons oordeel op opleidingsniveau niet op de standaard Studiesucces.

Eindoordeel/waardering opleiding

Norm

Goed

Alle standaarden zijn minimaal Voldoende én de standaard Uitvoering en kwaliteitscultuur (SKA2) is Goed, evenals ten minste twee standaarden uit de andere kwaliteitsgebieden van het waarderingskader voor opleidingen. Alle onderzochte overige wettelijke vereisten worden nageleefd én de financiële continuïteit op bestuursniveau is op orde.

Voldoende (basiskwaliteit)

De standaarden Ontwikkeling en begeleiding, Pedagogisch-didactisch handelen, Beroepspraktijkvorming en Veiligheid zijn Voldoende én niet meer dan één andere standaard in de gebieden Onderwijsproces of Veiligheid en schoolklimaat is Onvoldoende. Ook is de standaard Borging diplomering als Voldoende beoordeeld.

Onvoldoende

Onvoldoende examenkwaliteit: de standaard Borging diplomering en/of Afsluiting is Onvoldoende.

Onvoldoende

De standaard Ontwikkeling en begeleiding of Pedagogisch-didactisch handelen of Beroepspraktijkvorming of Veiligheid is Onvoldoende, óf meer dan één van de andere standaarden binnen de gebieden Onderwijsproces of Veiligheid en schoolklimaat zijn Onvoldoende.

Zeer zwak

Twee van de volgende standaarden zijn Onvoldoende: Ontwikkeling en begeleiding, Pedagogisch-didactisch handelen, Beroepspraktijkvorming, Veiligheid.

6.6 Oordeelsvorming

6.6.1 Beoordelen naleving deugdelijkheidseisen

Bij onze oordeelsvorming hanteren we bovengenoemde normering als richtlijn. De mate waarin de onderwijspraktijk de essentie en de bedoeling van met name de deugdelijkheidseisen tentoonspreidt, is bepalend voor ons oordeel. Voor het oordeel Voldoende gaan we er in principe van uit dat aan alle deugdelijkheidseisen die horen bij de standaard is voldaan. We beoordelen de kwaliteit zoals in de standaard is omschreven integraal en niet elke deugdelijkheidseis van de standaard op zichzelf. Het kan zijn dat een bestuur of opleidingen op een standaard een positief beeld laat zien, maar op een bepaald element van de standaard (nog) niet. Als dit beperkt van invloed is op de aangetroffen kwaliteit van de opleidingen of voor studenten én als de tekortkoming eenvoudig en op korte termijn kan worden hersteld, dan geven we het oordeel Voldoende op de standaard. Het bestuur krijgt dan een opdracht tot herstel (herstelopdracht) voor dit bepaalde onderdeel van de standaard en zorgt voor de naleving. Wanneer niet is voldaan aan de deugdelijkheidseisen van financiële continuïteit of rechtmatigheid, kan de betreffende standaard binnen het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambities niet als Voldoende worden beoordeeld of als Goed worden gewaardeerd.

6.6.2 Waarderen van ambities

Zowel besturen als opleidingen hebben vanuit hun visie ambities. Deze ambities kunnen gaan over de basiskwaliteit en er zijn ambities die daarboven uitstijgen. Naast het voldoen aan de deugdelijkheidseisen, baseren we een waardering Goed op het geheel aan gerealiseerde ambities door het bestuur of door de opleiding bij een betreffende standaard. We onderzoeken of het bestuur (bij een vierjaarlijksonderzoek) of de opleiding (bij een onderzoek op opleidingsniveau) de voorgenomen ambities uitvoert en realiseert. De waardering Goed op opleidingsniveau is vier jaar geldig.

6.6.3 Omgeving van bestuur en opleiding

De omgeving en de condities waarin het bestuur en de opleiding opereren, kunnen in positieve of negatieve zin de onderwijskwaliteit en het financieel beheer beïnvloeden. Omgevingsfactoren en condities zijn bijvoorbeeld de kenmerken en de ontwikkeling van de studentenpopulatie, de beschikbaarheid van personeel, een fusiegeschiedenis, de huisvesting, de organisatieontwikkeling en de ontwikkeling van het bestuur. We verwachten dat besturen en opleidingen met hun visie, ambities, doelen en beleid op deze factoren inspelen om de kernfuncties voor het onderwijs voor al hun studenten te realiseren. Onze oordelen gaan altijd over de gerealiseerde kwaliteit van de (be)sturing en van het onderwijs dat studenten ontvangen. Omgeving en condities spelen hoofdzakelijk een rol bij het bepalen van de invulling van het onderzoek en eventueel bij het vervolgtoezicht.

7. Werkwijze toezicht

7.1 Inleiding

In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we het toezicht uitvoeren. We beschrijven in paragraaf 7.2 eerst onze werkwijze voor het stelseltoezicht. Aan de kernfuncties van het stelsel geven besturen en opleidingen invulling. Daarnaast waarborgen besturen de uitvoering en kwaliteit van het onderwijs op de opleidingen onder hun bestuur. In paragraaf 7.3 beschrijven we de werkwijze voor het toezicht op besturen en opleidingen. In paragraaf 7.4 staat welke activiteiten we hiervoor ondernemen. In de laatste paragraaf van dit hoofdstuk gaan we in op onze werkwijze bij het vervolgtoezicht.

7.2 Stelseltoezicht

7.2.1 Werkwijze van het stelseltoezicht

Via het stelseltoezicht geven we een beeld van de kwaliteit van het Nederlandse onderwijsstelsel. We

signaleren waar het goed gaat en waar niet, agenderen thema’s en dragen bij aan het oplossen van knelpunten. Door het stelsel als geheel in ogenschouw te nemen, krijgen we bijvoorbeeld zicht op

onderwijsloopbanen, knelpunten bij overgangen tussen sectoren en (on)gelijkheid van kansen. Zo kunnen we bevorderen dat het onderwijs aan studenten steeds beter wordt. In hoofdstuk 3 is hiervoor een raamwerk met een beschrijving van stelselkwaliteit opgenomen.

In het stelseltoezicht zetten we een aantal stappen (zie figuur 7.2.1a):

  • We monitoren trends en ontwikkelingen in het Nederlandse onderwijs.

  • We analyseren waar het goed gaat, maar reflecteren ook op de knelpunten die risico’s vormen voor de kwaliteit van het stelsel.

  • We agenderen welke belangrijke risicovolle knelpunten we zien voor het onderwijsstelsel en rapporteren daarover onder andere jaarlijks in ‘De Staat van het Onderwijs’.

  • We interveniëren wanneer dat vanuit de stimulerende functie van het toezicht passend is. We doen dat via het stelsel-, bestuurs- en opleidingstoezicht, maar ook door andere activiteiten om het onderwijsveld te stimuleren de kwaliteit te verhogen.

Figuur 7.2.1a Cyclus stelseltoezicht

Figuur 7.2.1a Cyclus stelseltoezicht

In paragraaf 7.2.2 gaan we verder in op hoe we monitoren en analyseren. In paragraaf 7.2.3 beschrijven we hoe we agenderen en interveniëren.

7.2.2 Monitoring en analyse van ontwikkelingen

Aan de hand van het raamwerk van de kwaliteitsbeschrijving van het stelsel (zie hoofdstuk 3) volgen we systematisch de ontwikkelingen in het onderwijsstelsel. We kijken naar hoe het geheel van besturen en opleidingen samen de drie kernfuncties vervult: kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen. Ook kijken we naar de essentiële voorwaarden om deze te verwezenlijken: de doelmatigheid, zoals te zien aan beschikbaarheid en besteding van financiële middelen, het personeelsbeleid, de kwaliteitszorg en het bestuurlijk handelen.

Voor de monitoring en aansluitende analyse verzamelen we gegevens uit verschillende bronnen. We gebruiken bestaande gegevens, gegevens uit stelsel- en instellingstoezicht, signalen en we verzamelen zelf gegevens door thematisch onderzoek.

Bestaande gegevens, gegevens uit stelsel- en instellingstoezicht en signalen

We gebruiken gegevens uit het toezicht op besturen en opleidingen, waaronder gegevens die het bestuur zelf beschikbaar heeft. Daarnaast gebruiken we signalen die we over het onderwijs ontvangen. Verder maken we gebruik van gegevens van andere organisaties en van wetenschappelijk onderzoek. We analyseren het grootste gedeelte van de gegevens minimaal jaarlijks, maar het kan ook zijn dat we meerdere keren per jaar analyses maken. We analyseren ook prestaties in brede zin en kijken specifiek naar risico’s voor de kwaliteit van onderwijs.

Themaonderzoek

We monitoren ontwikkelingen door besturen en opleidingen te onderzoeken of door samen te werken met anderen om gegevens te verzamelen. We noemen dit themaonderzoek. Verschillende doelstellingen voor een themaonderzoek zijn bijvoorbeeld:

  • het krijgen van een beeld van de ontwikkeling van de kwaliteit van een bepaald (stelsel)aspect bij besturen of opleidingen;

  • het verkrijgen van inzichten en, waar mogelijk, het vinden van verklaringen voor risico’s of stelselknelpunten, zoals bij een regionaal probleem of voor een specifieke doelgroep.

We richten het themaonderzoek in op basis van actuele vraagstukken of gesignaleerde stelselproblemen. Dit doen we soms bij een bestuur of een opleiding. In dat geval combineren we het themaonderzoek eventueel met het vierjaarlijks onderzoek bij het bestuur en opeidingen, zoals beschreven in paragraaf 7.3. Ook is het mogelijk dat we op een andere manier onderzoek doen, bijvoorbeeld door vragenlijsten uit te zetten, mee te kijken in het onderwijsproces, gesprekken te voeren met meerdere besturen of opleidingen tegelijk of gesprekken te voeren met bijvoorbeeld wetenschappers en deskundigen.

Met ons thematisch onderzoek willen we in kaart brengen in hoeverre het onderwijsstelsel erin slaagt de eerdergenoemde kernfuncties van het onderwijs te realiseren. Daarbij zoeken we naar verklaringen voor wat niet goed gaat en willen we laten zien wat wel en niet bijdraagt aan het realiseren van de kernfuncties. Hierover gaan we actief de dialoog aan met betrokkenen.

Wat we willen onderzoeken, nemen we op in het Jaarwerkplan. Hierin beschrijven we meerjarige onderzoeksprogramma’s en eenmalige themaonderzoeken die gericht zijn op het in beeld brengen van de kernfuncties of gesignaleerde knelpunten in het stelsel. Urgente thema’s kunnen leiden tot verschuiving of uitbreiding van onze onderzoeksagenda.

7.2.3 Agenderen en interveniëren

Voor het agenderen en interveniëren in het stelseltoezicht onderscheiden we vier soorten activiteiten. Deze beschrijven we hierna. Agenderen en interveniëren liggen soms dicht bij elkaar, omdat agenderen een vorm van interveniëren is.

De Staat van het Onderwijs

Jaarlijks brengen we ‘De Staat van het Onderwijs’ uit. Hierin geven we weer hoe het onderwijsstelsel in Nederland ervoor staat. Wat gaat er goed en waar zijn knelpunten, kansen en risico’s? Ook de informatie over onze verrichte (thema)onderzoeken maakt deel uit van ‘De Staat van het Onderwijs’. Deze rapportagetaak van de inspectie is vastgelegd in de Grondwet (artikel 23, achtste lid) en in de Wet op het onderwijstoezicht (WOT).

Thematisch rapporteren

De uitkomsten van themaonderzoeken brengen we op verschillende manieren onder de aandacht van besturen, opleidingen en de samenleving. Het doel hiervan is om de stand van zaken over het betreffende thema weer te geven en om risico’s en knelpunten te agenderen. Ook stimuleren we samenwerking zodat (verdere) verbeteringen kunnen plaatsvinden. Dat doen we vaak in de vorm van een onderzoeksrapport, maar ook in de vorm van een symposium, een bezoek van inspecteurs, een podcast of een webinar. We richten ons hierbij zo direct mogelijk op de doelgroep die het meest betrokken is, zoals leraren of bijvoorbeeld op alle partners in een specifieke regio.

Thema’s als onderdeel van het toezicht bij besturen en opleidingen

Bij de uitvoering van ons toezicht bij besturen en opleidingen bespreken we soms thema’s, specifieke knelpunten en goede voorbeelden vanuit de regionale of lokale context. Zo hebben we aanknopingspunten om met bestuur en opleidingen over hun ambities die de kernfuncties raken in gesprek te gaan in aansluiting op hun omgeving, of risico’s.

Interventies op maat

Naast de hiervoor genoemde activiteiten zetten we waar dat passend is ook specifieke interventies in. Uit diverse bronnen komen onderwerpen van het onderwijsstelsel naar voren die we, met het oog op het publiek belang, willen adresseren. Zo kan er een knelpunt zijn waar op lokaal niveau meerdere besturen, een samenwerkingsverband, groepen werkgevers en de gemeente een rol in hebben. En dan loont het om het knelpunt bij deze actoren samen te agenderen. Voorbeelden daarvan zijn regionale gesprekken over de aanpak van het lerarentekort, krimp of zorg voor specifieke groepen studenten.

7.3 Toezicht op besturen en opleidingen

Bij het toezicht op de besturen en opleidingen staat centraal hoe besturen de (financiële) kwaliteit van het onderwijs waarborgen en bevorderen. Om deze vragen te beantwoorden doen we onderzoek op het niveau van bestuur en opleidingen. We lichten hieronder eerst onze werkwijze toe en gaan vervolgens in op de toezichtsactiviteiten.

7.3.1 Werkwijze toezicht op besturen en opleidingen

De eindverantwoordelijkheid voor de onderwijskwaliteit op de opleidingen ligt bij de besturen. Bij de uitvoering van het toezicht op besturen en opleidingen gaan we uit van proportionaliteit, maatwerk, transparantie en verantwoording. We lichten in paragraaf 7.3.2 proportionaliteit en maatwerk verder toe.

  • proportionaliteit:we stemmen de intensiteit van het toezicht op het bestuur en de opleidingen af op de kwaliteit van het bestuur. Dit lichten we in paragraaf 7.3.2 toe;

  • maatwerk: omdat besturen en opleidingen sterk verschillen in grootte, (regionale en lokale) omstandigheden en ontwikkeling, bepalen we bij elk onderzoek de inrichting en de opzet. We zetten verschillende onderzoeks- en verificatie-activiteiten in;

  • transparantie en verantwoording: bij de start van een onderzoek gaan we in gesprek met het bestuur en onderbouwen we de gekozen onderzoeksopzet. Gedurende het onderzoek informeren we het bestuur over eventuele aanpassingen hierin. We onderbouwen na afloop van het onderzoek de uitkomsten in de rapportage en passen hoor en wederhoor toe. We baseren onze oordelen, voor zover mogelijk, op minimaal drie verschillende bronnen. Dit noemen we triangulatie en daarmee waarborgen we onze onderzoekskwaliteit.

7.3.2 Proportionaliteit en maatwerk

We stemmen de intensiteit van het toezicht af op de kwaliteit van het bestuur. Het toezicht is daarmee proportioneel. Hoe effectiever het bestuur in staat is om te sturen op de kwaliteit van het onderwijs en het financieel beheer, de kwaliteit waarborgt op zijn opleidingen en zich daarover verantwoordt, hoe minder intensief het toezicht. Het omgekeerde geldt ook: hoe minder goed het bestuur in staat is de (financiële) kwaliteit te waarborgen en zich erover te verantwoorden, hoe intensiever we het toezicht inrichten. Urgente signalen of klachten kunnen in alle gevallen aanleiding zijn voor onderzoek, ook als de eerdere kwaliteitsbeoordeling van het bestuur Voldoende of Goed was. Om te bepalen of dit nodig is, zullen wij, indien mogelijk, het signaal eerst bespreken met het bestuur.

We bepalen de intensiteit van het toezicht op basis van onze gegevens over de kwaliteit van het bestuur. Deze inschatting bouwen we op uit een analyse van de bij ons beschikbare gegevens en aanvullende andere bronnen:

  • We hebben alle besturen in de afgelopen vier jaar onderzocht en beoordeeld. De uitkomsten daarvan en van andere momenten van onderzoek of contact vormen de start van ons beeld van de kwaliteit van het bestuur en van de kwaliteit van de invulling van hun (interne) waarborgfunctie.

  • Dit beeld vullen we aan op basis van gegevens uit de prestatie- en risicoanalyse die we jaarlijks per bestuur en voor alle opleidingen uitvoeren (zie paragraaf 7.3.3). We analyseren de ontwikkeling van deze gegevens in de tijd en ten opzichte van andere besturen.

  • Signalen die over een bestuur en de opleidingen bij de inspectie binnenkomen, betrekken we bij de analyse om de kwaliteit van het bestuur in beeld te brengen. Denk hierbij aan actuele ontwikkelingen, zoals mogelijke incidenten of andere berichten.

De analyse van het geheel aan informatie gebruiken we om de intensiteit van het toezicht te bepalen. Het geeft ons zicht op het al dan niet aanwezig zijn van (mogelijke) risico’s voor de onderwijskwaliteit en/of risico’s voor de kwaliteit van het bestuur. Dit is de basis van waaruit we de proportionaliteit van het toezicht bepalen: het toezicht kan intensief zijn, maar ook minder intensief.

Daarna werken we de toezichtsactiviteiten uit die aansluiten op de omstandigheden van het bestuur. Welke onderzoekinstrumenten hebben we nodig om bij het desbetreffende bestuur de kwaliteit te beoordelen? Is er sprake van een eenpitter of vallen er meerdere opleidingen onder het bestuur? Bij kleine besturen en eenpitters houden we in onze benadering rekening met de gekozen samenhang van de sturing tussen het opleidings- en bestuursniveau. Met wie voeren we gesprekken, waar en hoe kijken we mee in het onderwijs? Dit is het maatwerk in het toezicht. Hoe dit intensieve en minder intensieve (vervolg)toezicht eruitziet, lichten we toe in paragraaf 7.4 en 7.5.

7.3.3 Jaarlijkse prestatie- en risicoanalyse

De monitoring van de prestaties op het niveau van het bestuur en hun opleidingen helpt ons om tijdig eventuele risico’s op het spoor te komen en inzicht te krijgen in het functioneren van het bestuur. We doen dit conform artikel 11 van de WOT aan de hand van een aantal indicatoren. Die indicatoren betreffen onder andere financiële gegevens, gegevens over het personeel, over de veiligheid op opleidingen en de resultaten en doorstroom van studenten. Ten minste eenmaal per jaar voeren we een analyse uit op de data die we met de monitor verkrijgen. Als er een vermoeden van risico’s is, voeren we een risicoanalyse uit.

Deze zogeheten expertanalyse bevestigt al dan niet de vermoedens van tekortkomingen ten aanzien van de onderwijskwaliteit en/of het financieel beheer. De analyse wordt uitgevoerd door een expertteam, waarin kennis en deskundigheid op het terrein van data-analyse, onderwijskwaliteit en financieel beheer aanwezig zijn. Zo ontstaat een integraal beeld van de onderwijskwaliteit, de sturingskwaliteit en de financiën.

7.4 Toezichtsactiviteiten bij besturen en opleidingen

Het toezicht op besturen en opleidingen omvat meerdere activiteiten. We onderzoeken besturen eens in de vier jaar. Dit onderzoek heet ‘Het vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en opleidingen’ (hierna: vierjaarlijks onderzoek). Zoals in paragraaf 7.3 is beschreven, doen we dat proportioneel en op maat. Binnen het vierjaarlijks onderzoek kijken we ook naar opleidingen want op opleidingsniveau verifiëren we of de besturing door het bestuur effectief is en of het bestuur (be)stuurt op basis van een actueel beeld van de kwaliteit. We beschrijven dit type onderzoek in paragraaf 7.4.1.

Ook tussentijds doen we onderzoek op opleidingen. Dit doen we als er risico’s zijn, bij aanvragen om de waardering Goed te verkrijgen en bij themaonderzoeken die in relatie staan tot het stelseltoezicht. Onderzoeken kunnen zowel aangekondigd als onaangekondigd plaatsvinden. We beschrijven de onderzoeken op opleidingsniveau in paragraaf 7.4.2.

Er kunnen zowel binnen het vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en opleidingen als tussentijds onderzoeken plaatsvinden rondom financieel beheer. Dit beschrijven we in paragraaf 7.4.3. Ten slotte zijn er nog enkele andere onderzoeksactiviteiten; die zijn beschreven in paragraaf 7.4.4.

7.4.1 Vierjaarlijks onderzoek bestuur en opleidingen

In het vierjaarlijks onderzoek willen we weten of de (be)sturing door het bestuur op de kwaliteit van de opleidingen op orde is, of er sprake is van deugdelijk financieel beheer en hoe dit bijdraagt aan de kernfuncties van het onderwijs (stelselthema’s). We hanteren daarvoor het waarderingskader voor besturen, zoals beschreven in hoofdstuk 4.

Het vierjaarlijks onderzoek bestaat doorgaans uit de onderdelen die in figuur 7.4.1a zijn beschreven. We bepalen de intensiteit van het toezicht (proportionaliteit) op basis van onze gegevens en we houden in de uitvoering van het onderzoek rekening met de specifieke inrichting en context van het bestuur en de opleidingen (maatwerk).

Figuur 7.4.1a Stappen van het vierjaarlijks onderzoek bestuur en opleidingen

Figuur 7.4.1a Stappen van het vierjaarlijks onderzoek bestuur en opleidingen

Een belangrijk onderdeel van onze werkwijze in het vierjaarlijks onderzoek is verificatie. Met verificatie-activiteiten toetsen we bij besturen, opleidingen en andere betrokkenen in hoeverre het bestuur zicht heeft op de kwaliteit van het onderwijs en het financieel beheer en hoe het bestuur daarop stuurt.

Verificatie-activiteiten

Om te bepalen of het bestuur voldoende stuurt op de kwaliteit van opleidingen en financiële ontwikkelingen voeren we verificatie-activiteiten uit. We verifiëren het gegeven beeld van de kwaliteit en de sturing van het bestuur. We zetten proportioneel diverse verificatie-activiteiten in en passen maatwerk toe. Deze beschrijven we in het onderzoeksplan. Zo verifiëren we het gegeven kwaliteitsbeeld onder andere door lessen te bezoeken en met studenten, docenten of het opleidingsmanagement te spreken. Ook kunnen onderzoeken op opleidingsniveau (zie paragraaf 7.4.2) bijdragen aan de verificatie van het kwaliteitsbeeld. Voor een beeld van financiële of andere ontwikkelingen in relatie tot de ambities, doelstellingen en kwaliteitszorg van het bestuur kunnen we managementinformatie opvragen. Ook kunnen we hierover gesprekken met het bestuur of bijvoorbeeld de controller voeren.

De verificatie-activiteiten dragen bij aan de doelstellingen van het onderzoek, namelijk om de bestuurlijke kwaliteit vast te stellen op basis van het waarderingskader besturen. Anders dan bij onderzoeken naar risico’s en de waardering Goed geven we bij verificatie-activiteiten geen oordeel op het niveau van de standaarden of de opleiding. De verificatie draagt namelijk bij aan het oordeel op het niveau van het bestuur. Wel delen we onze bevindingen over de mate waarin de bestuurlijke kwaliteit zichtbaar is bij de opleiding met de opleiding. Signaleren we bij een opleiding risico’s, dan bespreken we deze met het bestuur. Wanneer nodig voeren wij een kwaliteitsonderzoek naar risico’s uit.

7.4.2 Onderzoeken op opleidingsniveau

Op opleidingsniveau zetten we verschillende typen onderzoeken in, zowel binnen het vierjaarlijks onderzoek (zie paragraaf 7.4.1) als daarbuiten. Wanneer een onderzoek op opleidingsniveau binnen het vierjaarlijks onderzoek plaatsvindt, worden de activiteiten opgenomen in het onderzoeksplan. Dit plan bevat in elk geval verificatie-activiteiten zoals in de voorgaande paragraaf zijn beschreven.

Onderzoek naar de waardering Goed

Een bestuur kan een opleiding voordragen waarvan het de kwaliteit goed vindt. Het bestuur onderbouwt vooraf waarom de betreffende opleiding de waardering Goed verdient. Wij verifiëren en beoordelen dat aan de hand van het waarderingskader op opleidingsniveau (zie hoofdstuk 5). Op basis van de kwaliteit van de onderbouwing van de kwaliteit van de opleiding door het bestuur richten we het onderzoek op maat in.

Zo’n verzoek kan gedaan worden bij aanvang van het vierjaarlijks onderzoek. Om een waardering Goed te verkrijgen, moet het financieel beheer door het bestuur op orde zijn.

Risico-onderzoek

Onderzoeken naar risico’s nemen we mee in het vierjaarlijks onderzoek. Maar ze kunnen ook daarbuiten plaatsvinden, naar aanleiding van de jaarlijkse prestatieanalyse en signalen. We houden hiermee zicht op mogelijke risico’s, maar we verwachten dat besturen die te allen tijde zelf ook in beeld hebben, als onderdeel van de kwaliteitscyclus. Bij een bestuur dat de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit goed invult, verwachten we dat als wij mogelijke risico’s detecteren, het bestuur zelf de oorzaken onderzoekt, passende maatregelen neemt en zich hierover verantwoordt aan de inspectie. Bij een bestuur dat er niet in slaagt de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen, voeren wij (afhankelijk van de aard van de risico’s) zelf het risico-onderzoek geheel of gedeeltelijk uit. We onderzoeken en beoordelen dan een of meerdere standaarden van het waarderingskader op opleidingsniveau (zie hoofdstuk 5) en maken afspraken over de rapportage en verantwoording van de bevindingen.

Themaonderzoeken

Meer informatie over thematische onderzoeken is te vinden in paragraaf 7.2, maar we nemen ze hier voor de volledigheid op. Vanuit het stelseltoezicht zijn er thema’s die we verder onderzoeken. Hiervoor bezoeken we opleidingen en/of besturen. Deze themaonderzoeken kunnen samenvallen met het vierjaarlijks onderzoek en ook los plaatsvinden. In de regel geven we geen oordelen bij dit type onderzoek.

7.4.3 Onderzoeken specifiek gericht op financieel beheer

Toezicht op financiële continuïteit

Besturen leveren elk jaar een jaarrekening inclusief een bestuursverslag met daarin een meerjarenbegroting aan bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Op basis daarvan analyseren we jaarlijks de actuele en toekomstgerichte financiële kengetallen van elk bestuur. Bij mogelijke risico’s voor de continuïteit van het onderwijs starten we een onderzoek naar de financiële continuïteit op bestuursniveau. Dit onderzoek kan ook plaatsvinden tijdens een vierjaarlijks onderzoek. Als daar vanuit de monitoring van financiële kengetallen of vanuit signalen aanleiding voor is, kunnen we op elk moment een onderzoek naar de financiële continuïteit starten.

We stellen aangepast financieel toezicht in wanneer blijkt dat de continuïteit van het onderwijs binnen afzienbare termijn in het geding is en onvoldoende wordt voldaan aan de wet- en regelgeving op dit gebied. In het rapport nemen we op welke herstelopdrachten worden gegeven en welke afspraken met het bestuur worden gemaakt, zoals welke informatie het bestuur op welk moment aanlevert. Deze interventie is erop gericht dat de risico’s of tekorten binnen afzienbare termijn zijn opgeheven. Als het bestuur niet in staat blijkt om herstel te realiseren, dan wordt het toezicht geïntensiveerd (zie paragraaf 7.5).

Toezicht op financiële rechtmatigheid

Het bestuur legt verantwoording af over de verwerving en besteding van de rijksbekostiging. Deze verantwoording wordt beoordeeld door een accountant die wordt aangesteld door het interne toezicht. Deze accountant moet opereren volgens de beroepsmaatstaven van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) en volgens het Onderwijsaccountantsprotocol dat door de inspectie in overleg met belanghebbenden84 is opgesteld. Elk jaar controleren wij bij een selectie van accountants of hun controle voldoet aan de regels. Aandachtspunten uit deze toezichtactiviteit worden jaarlijks besproken met de NBA en kunnen aanleiding zijn het Onderwijsaccountantsprotocol aan te passen.

Bij signalen van mogelijk onrechtmatige verkrijging of besteding van middelen voeren we onderzoek uit bij een bestuur. Als we oordelen dat sprake is van onrechtmatige verkrijging of besteding, dan volgen daarna in de regel een wijziging in de bekostiging en een terugvordering van de bekostiging.

De inspectie is, naast het toezicht op onderwijswetgeving in een vierjaarlijks onderzoek, ook belast met het toezicht op en de handhaving van de Wet normering topinkomens (WNT) binnen het onderwijs. De WNT is geen onderwijswet, maar wetgeving die van toepassing is op de gehele publieke en semipublieke sector. Het toezicht op onderwijswetgeving in een vierjaarlijks onderzoek en het toezicht op de WNT worden daarom door de inspectie gescheiden van elkaar uitgevoerd.

7.4.4 Overige toezichtsactiviteiten

Specifiek onderzoek

Ernstige signalen of andere informatie kunnen aanleiding zijn om een onderzoek over een specifiek onderwerp in te stellen bij een bestuur of een opleiding. Dit kan tijdens het vierjaarlijks onderzoek of daarbuiten. Bij urgente signalen en ernstige incidenten interveniëren we vanzelfsprekend meteen op een passende manier.

Wij onderzoeken bij een specifiek onderzoek bepaalde aspecten van het besturen, het financieel beheer of het onderwijs (artikel 15, WOT). Ook hier geldt dat we de intensiteit van het onderzoek afstemmen op de kwaliteit van het bestuur.

Bestuursgesprekken

Besturen en inspectie hebben de mogelijkheid om periodiek een gesprek met elkaar te voeren. Aan elk bestuur is een contactinspecteur gekoppeld die het contact onderhoudt. Dit gaat in ieder geval over onderzoeken en vervolgtoezicht (inclusief herstelopdrachten, zie paragraaf 7.5). Ook heeft de contactinspecteur gesprekken met het bestuur over risico’s, signalen en incidenten. Het bestuur kan de contactinspecteur hierover informeren. Het kan ook zijn dat de contactinspecteur het bestuur bevraagt of (afhankelijk van de kwaliteit van het bestuur) verzoekt om zelf nader onderzoek te doen bij mogelijke risico’s. Daarnaast kan het gesprek gaan over relevante ontwikkelingen binnen of buiten de onderwijsinstelling. We betrekken daarbij ook vraagstukken op het niveau van het onderwijsstelsel als geheel.

Het leggen van het contact is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Het bestuur kan ervoor kiezen de contactinspecteur gedurende het jaar op de hoogte te houden van relevante ontwikkelingen en hem te informeren bij urgente zaken, zoals (ernstige) signalen. Ook kan de contactinspecteur geregeld contact leggen met het bestuur om een vinger aan de pols te houden of urgente zaken te bespreken. De informatie uit deze contacten nemen we mee in de eerdergenoemde monitoring.

7.5 Vervolgtoezicht, intensivering en sancties

Vervolgtoezicht is nodig wanneer er tijdens een vierjaarlijks onderzoek tekortkomingen worden vastgesteld bij het bestuur en de opleidingen of wanneer andere onderzoeken of toezichtsactiviteiten hiertoe aanleiding geven.

7.5.1 Vervolgtoezicht bij herstelperiode

Natuurlijk is vervolgtoezicht lang niet altijd nodig. Als tijdens een onderzoek tekortkomingen zijn geconstateerd, wordt vervolgtoezicht afgesproken. De intensiteit hiervan is ook hier afhankelijk van de kwaliteit van het bestuur. We kunnen tekortkomingen constateren op bestuursniveau en/of op opleidingsniveau.

Geen tekortkomingen

Als uit een onderzoek blijkt dat het bestuur voor basiskwaliteit heeft gezorgd en dat het daarmee aan de deugdelijkheidseisen en financiële voorwaarden voor bestuur en opleiding voldoet, is er geen vervolgtoezicht. Het bestuur en de opleidingen vallen dan onder het reguliere toezicht, waarbij we prestaties en risico’s jaarlijks monitoren en elke vier jaar het bestuur beoordelen. Wanneer nodig of gewenst, is er tussentijds contact.

Tekortkomingen bij het bestuur

Bij tekortkomingen op bestuursniveau, bijvoorbeeld bij onvoldoende (financiële) basiskwaliteit en daardoor niet voldoen aan wet- en regelgeving, spreken we met het bestuur af binnen welke termijn de geconstateerde tekortkomingen hersteld moeten zijn. Afhankelijk van de zwaarte en omvang van de tekortkoming verantwoordt het bestuur zich over het herstel aan de inspectie en gaan wij na of de tekortkoming is hersteld. De intensiteit waarmee we dat doen, bepalen we ook in relatie tot de kwaliteit van het bestuur.

Tekortkomingen op opleidingen

Bij tekortkomingen in de basiskwaliteit op een opleiding maken we met het bestuur afspraken over de termijn waarbinnen de kwaliteit hersteld moet zijn. Wanneer de zwaarte en omvang van de tekortkomingen hiertoe aanleiding geven, bijvoorbeeld bij het oordeel Zeer zwak, kunnen we een toezichtsplan opstellen of door het bestuur laten opstellen om het verloop van het herstel te monitoren en voeren we mogelijk zelf een herstelonderzoek uit. Bij kleinere tekortkomingen en als de kwaliteit van het besturen op orde is, verantwoordt het bestuur zich bij ons over het herstel. We spreken, afhankelijk van de kwaliteit van het bestuur, af hoe we omgaan met het herstelonderzoek.

Proportionaliteit en maatwerk bij herstel

Proportionaliteit en maatwerk beïnvloeden ook hoe we in de herstelperiode ons toezicht inrichten. Zo kunnen we voortgangsgesprekken voeren of een plan op (laten) stellen met afspraken over de stappen waarlangs het herstel bij een opleiding zal plaatsvinden.

Bij een bestuur waar de sturing ruimschoots op orde is, leggen we de verantwoordelijkheid voor het waarborgen van de kwaliteit en het herstellen van eventuele tekortkomingen neer bij het bestuur. Dit betekent dat wij niet altijd zelf een herstelonderzoek uitvoeren, maar dit aan het bestuur overlaten. We vragen vervolgens het bestuur te verantwoorden hoe en met welk resultaat het herstel op de opleiding plaatsvond.

Bij een bestuur dat er niet in slaagt zijn sturing op (delen van) de kwaliteit van opleidingen te waarborgen, voeren wij zelf (delen van) herstelonderzoeken uit.

Gevolgen uitkomst herstelonderzoek

Wanneer het herstel of de kwaliteit van de gevraagde verantwoording ontoereikend is, heeft dit gevolgen voor welke toezichtsinterventies we kiezen en hoe we de kwaliteit van het bestuur inschatten. Wanneer we concluderen dat het vermogen van het bestuur om zelf de kwaliteit te waarborgen niet voldoende is, neemt de intensiteit van ons vervolgtoezicht toe. Ook dit is proportioneel.

Bovenstaande geven we in tabel 7.5.1a schematisch weer. De invulling is maatwerk per onderzoek.

Tabel 7.5.1a Inrichting vervolgtoezicht

Uitkomsten onderzoek

Inrichting vervolgtoezicht

Voldoet ten minste aan basiskwaliteit

Geen vervolgtoezicht; regulier toezicht

Tekortkomingen bestuur

Monitoring voortgang herstel door inspectie

en/of

verantwoording herstel door bestuur

en

herstelonderzoek door inspectie

Tekortkomingen opleiding

Monitoring voortgang herstel door inspectie

en/of

verantwoording herstel door bestuur

en/of

herstelonderzoek door inspectie

7.5.2 Escaleren

Escaleren heeft betrekking op interventies om besturen aan te sporen de door ons noodzakelijk geachte verbeteringen door te voeren. Escalatie gaat stapsgewijs, waarbij steeds wordt gekeken welk middel nodig is. Dit zodat de verbeteringen plaatsvinden. Naarmate een bestuur of een opleiding daar minder goed in slaagt, intensiveren we het toezicht. Dit kan verder en verdiepend onderzoek inhouden, bijvoorbeeld een specifiek onderzoek naar het bestuurlijk handelen. In het uiterste geval, wanneer we zien dat verbetering uitblijft, kunnen we verschillende sancties inzetten of maatregelen nemen.

Naarmate verbetering uitblijft en de risico’s op kwaliteitsverlies groter worden, treedt een volgende fase van escalatie in werking. De escalatie sluit aan op de bevoegdheden van de inspectie en vervolgens op die van de minister. Een escalatietraject is bij elke toezichtsituatie anders. De volgorde van interventie- en escalatiestappen wordt per situatie bepaald.

Interventies kunnen verschillen van een herstelopdracht om tekortkomingen op te heffen op opleidingsniveau tot zeer ingrijpende maatregelen op het niveau van bekostiging van instellingen en op het niveau van besturen. Vanzelfsprekend wegen we in alle gevallen af wat de ernst en de langdurigheid van de risico’s zijn en of het bestuur voldoende perspectief op verbetering van de situatie biedt.

8. Communicatie en rapportage

8.1 Inleiding

Als inspectie hebben we een publieke taak om ouders en de samenleving te informeren over onze bevindingen en oordelen over de kwaliteit van de (be)sturing en het onderwijs. Daarom geven we op verschillende manieren actief inzicht in onze onderzoeksresultaten en oordelen. Zo dragen we bij aan de informatie die over het onderwijsstelsel, de besturen en opleidingen beschikbaar is. Naast de informatie waarin de inspectie voorziet, leveren besturen, opleidingen en anderen, elk vanuit hun rol en (publieke) verantwoordelijkheid, een bijdrage aan de informatie die over de opleidingen en het onderwijs beschikbaar is.

Naast communicatie via het meldpunt van de inspectie, de website en ‘De Staat van het Onderwijs’ zijn er rapportages over themaonderzoeken en onderzoeken bij besturen en opleidingen beschikbaar. Al onze rapporten zijn in beginsel openbaar.85 We zijn daarmee transparant in onze werkwijze en onze oordelen en waarderingen. Onze website is de centrale plek waar onze rapporten terug te vinden zijn. In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we communiceren en geven we een toelichting op de verschillende rapportagevormen.

8.2 Communicatie

Onze communicatie over de resultaten van onderzoeken kent meerdere vormen. We richten ons ten eerste op de vraag welke doelgroep het meest zou kunnen doen met onze toezichtsinformatie. We bepalen wie mogelijk betrokken is bij het verhogen van de onderwijskwaliteit of bij het oplossen van problemen. Vervolgens stemmen we de vorm van de communicatie daarop af. Naast de verschillende – meer formele – vormen van rapportage die hierna zijn beschreven, maken we gebruik van andere vormen van communicatie. Bijvoorbeeld van infographics of animaties. Ook de inzet van sociale media, bijdragen aan relevante congressen, het geven van lezingen en het zelf organiseren van conferenties of rondetafelgesprekken, maken deel uit van onze communicatie. Een belangrijke communicatievorm daarin is ons jaarlijkse congres, waar we ‘De Staat van het Onderwijs’ presenteren.

We communiceren over de uitkomsten van onze onderzoeken, maar hebben daarnaast ook een informatiefunctie. Via het meldpunt van de inspectie kunnen ouders, besturen en opleidingen bijvoorbeeld vragen stellen over het onderwijs, ons toezicht in het algemeen of specifieke opleidingen. Ook kunnen hier zorgen over het onderwijs worden gemeld. Vertrouwenskwesties kunnen worden gemeld bij vertrouwensinspecteurs.

Meldingen over het onderwijs hebben voor ons een signaalfunctie en we nemen deze mee bij de jaarlijkse prestatieanalyse en de expertanalyse ter voorbereiding van het vierjaarlijks onderzoek. Soms is de signalering zo ernstig van aard dat deze meteen aanleiding voor onderzoek vormt.

8.3 Rapportage

We rapporteren op stelselniveau en op het niveau van besturen en opleidingen. In beginsel maken we onze rapporten over besturen en opleidingen in de vijfde week na vaststelling openbaar (artikel 21, eerste lid, WOT).86

8.3.1 Stelselniveau

Onderzoeken op stelselniveau kennen de volgende rapportagevormen.

De Staat van het Onderwijs

Jaarlijks rapporteren we over het onderwijsstelsel als geheel in ‘De Staat van het Onderwijs’. Dit rapport publiceren we elk voorjaar. Hierin beschrijven we hoe het staat met de realisatie van de kernfuncties van het onderwijsstelsel. Ook geven we een beeld van de kwaliteit van de besturen en instellingen, de positieve ontwikkelingen en de mogelijke zorgen. Voor ‘De Staat van het Onderwijs’ gebruiken we onder andere de onderzoeksgegevens uit onze vierjaarlijkse onderzoeken, themaonderzoeken en gegevens uit (internationaal) wetenschappelijk onderzoek. Zo geven we een actueel beeld van de prestaties van het stelsel als geheel (zie hoofdstuk 7).

Jaarlijks rapporteren we ook over de financiële toestand van de instellingen en het onderwijsstelsel. Wij baseren ons daarbij op financiële gegevens van de instellingen zelf en verder op toezichtactiviteiten en onderzoeken die wij uitvoeren rond het financieel beheer van instellingen. Daarbij geven we aan wat goed gaat en wijzen we op risico’s.

Themarapporten

We rapporteren op diverse manieren over onze themaonderzoeken. Zo rapporteren we hierover in ‘De Staat van het Onderwijs’. Vaak brengen we daarnaast een apart themarapport uit.

8.3.2 Bestuursniveau

Over onderzoeken op bestuursniveau rapporteren we in het rapport van het vierjaarlijks onderzoek. Dit rapport is gericht aan het bestuur en geeft een totaalbeeld van de bevindingen en oordelen op bestuursniveau en van de onderzoeksactiviteiten die in dit kader op opleidingen plaatsvonden. We rapporteren in dit rapport kort over verificatie-activiteiten en – wanneer uitgevoerd – kwaliteitsonderzoeken naar risico’s en/of onderzoeken naar de waardering Goed en/of onderzoeken naar financiële risico’s. Bij verificatie-activiteiten op opleidingsniveau geven we geen oordelen of waarderingen. De rapportage hierover is daarom beknopt.

In het rapport maken we onderscheid tussen enerzijds de beoordeling van de naleving van de deugdelijkheidseisen (voldoen het bestuur en zijn opleidingen aan de basiskwaliteit?) en anderzijds onze waardering van de ambities. Tot slot worden in beginsel in het rapport eventuele herstelopdrachten en

-onderzoeken vastgelegd die betrekking hebben op het herstel van niet-naleving van de deugdelijkheidseisen. Dan leggen we ook de termijnen vast waarbinnen de tekortkoming(en) moet(en) zijn hersteld (zie paragraaf 7.5).

De oordelen op bestuursniveau presenteren we samen met het betreffende onderzoeksrapport op onze website. Het doel hiervan is om belanghebbenden over de resultaten van het toezicht te informeren. Als daarna uit herstelonderzoek blijkt dat een bestuur de aangetroffen tekortkomingen heeft hersteld, dan wordt dit nieuwe oordeel ook zichtbaar gemaakt op de website.

Specifieke onderzoeken

Als uit eerder onderzoek blijkt dat een bestuur niet in staat is noodzakelijke verbetermaatregelen te treffen of als uit signalen problemen naar voren komen die direct om onderzoek naar een specifiek knelpunt vragen, voert de inspectie een specifiek onderzoek uit. Deze onderzoeken worden uitgevoerd in het kader van artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT). Over de bevindingen en conclusies wordt een rapport gemaakt dat in beginsel op de website van de inspectie openbaar wordt gemaakt.

Onderzoeken naar financieel beheer

We rapporteren apart op bestuursniveau over de onderzoeken die buiten een vierjaarlijks onderzoek vallen en uitgevoerd worden bij financiële risico’s.

8.3.3 Opleidingsniveau

We rapporteren over onze bevindingen uit onderzoeken op opleidingen vaak als onderdeel van andere rapportages over besturen of het stelsel. In themaonderzoeken presenteren we een algemeen beeld, waardoor bevindingen van een individuele opleiding niet herkenbaar zijn in het rapport. Het rapport ‘Vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en opleidingen’ bevat deelrapportages over onderzoeks- en verificatie-activiteiten die binnen het bestuursonderzoek op opleidingen plaatsvonden. We rapporteren afzonderlijk over onderzoeken die we op opleidingen uitvoeren, buiten de thema- en bestuursonderzoeken om. Zo kunnen ouders en andere belangstellenden, naast de informatie die vanuit het bestuur beschikbaar is, van onze toezichtsresultaten kennisnemen. Dat doen we in de volgende gevallen.

Kwaliteitsonderzoek naar risico’s

Als we een kwaliteitsonderzoek naar risico’s hebben uitgevoerd, rapporteren we over de uitkomsten in een rapport gericht aan het bestuur. Bij het oordeel Zeer zwak zenden we het bestuur ook een rapport toe dat bedoeld is voor ouders. Naast een beschrijving van de bevindingen worden de oordelen op de standaarden weergegeven. Ook wordt het eindoordeel toegevoegd. Het rapport van de opleiding plaatsen we op onze website.

Wanneer het bestuur in opdracht van de inspectie zelf een (herstel)onderzoek uitvoert, worden de resultaten na herstel op de inspectiewebsite in principe vermeld via een verwijzing naar de website van het bestuur.

Onderzoeken naar Goed

Ook over onderzoeken naar Goed brengen we een afzonderlijk rapport uit als deze buiten een vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en opleidingen plaatsvinden. Naast een beschrijving van de bevindingen geven we hierin de waarderingen en oordelen op de standaarden weer. Ook voegen we het eindoordeel toe. Het rapport plaatsen we op onze website.

Specifieke onderzoeken

Net als bij besturen kunnen we ook op opleidingsniveau een specifiek onderzoek uitvoeren. Dit kan met het onderzoek op bestuursniveau samenhangen, maar ook afzonderlijk worden uitgevoerd. Dergelijke onderzoeken worden uitgevoerd in het kader van artikel 15, WOT. Over de bevindingen en conclusies schrijven we een rapport, dat op de website van de inspectie openbaar wordt gemaakt.

8.4 Openbaarmaking, zienswijze en bezwaar

Zoals in de inleiding van dit hoofdstuk staat, maken we al onze rapporten in beginsel openbaar.87 Nadat we het bestuur gevraagd hebben op basis van het conceptrapport een (beleids)reactie op te stellen, voegen we deze aan het rapport toe en stellen we het rapport definitief vast.

Als met het bestuur geen overeenstemming is bereikt over de door het bestuur gewenste wijzigingen van het conceptrapport, heeft het bestuur een andere zienswijze op de oordelen en waarderingen. Deze zienswijze voegen we als bijlage toe aan het definitieve rapport.

Een bestuur kan bezwaar maken tegen de openbaarmaking van een rapport als het een onderzoek is dat wordt uitgevoerd op basis van artikel 15 van de WOT (specifiek onderzoek, paragraaf 5.3) en daarnaast kan een bestuur bezwaar maken tegen het eindoordeel Zeer zwak.

In bepaalde gevallen is het mogelijk om een klacht in te dienen over een gedraging van de inspectie. Wij verwijzen u voor de klachtenprocedure naar onze website (www.onderwijsinspectie.nl).

9. Specifieke toepassingen van het onderzoekskader

9.1 Inleiding

In dit hoofdstuk beschrijven we enkele specifieke toepassingen van en uitzonderingen op het reguliere onderzoekskader. Het betreft onderwijssoorten en -voorzieningen waarvoor specifieke wet- en regelgeving geldt, zodat aanpassingen van het waarderingskader of de werkwijze nodig zijn.

Er zijn ook onderwijssoorten en -voorzieningen waar we wel toezicht op houden, maar niet op grond van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT),bijvoorbeeld het Nederlands onderwijs in het buitenland (NOB) en niet-bekostigde instellingen (B3-scholen in primair en voortgezet onderwijs). Daarvoor zijn aparte waarderingskaders opgesteld. Hoe het toezicht op deze vormen eruitziet, is te vinden op onze website.88

Ook zijn er onderwijssoorten of -voorzieningen in de vorm van een pilot. In die gevallen is er wel sprake van inspectiebetrokkenheid, maar is de wet- en regelgeving nog niet volledig uitgekristalliseerd. Vanwege het tijdelijke karakter van pilots en experimenten zijn deze niet beschreven in dit onderzoekskader.

Het onderwijsstelsel laat de afgelopen jaren ontwikkelingen zien naar meer variatie in bijvoorbeeld onderwijsroutes, diplomering en samengestelde trajecten. Besturen hebben de verantwoordelijkheid voor al het onderwijs dat zij aanbieden. De beoordeling van de kwaliteit hiervan vindt in beginsel plaats binnen de reikwijdte van het vierjaarlijks onderzoek. Wij baseren ons hierbij op geldende wet- en regelgeving die voor deze routes van toepassing zijn.

Achtereenvolgens beschrijven we het toezicht op niet-bekostigde instellingen (paragraaf 9.2.), voortgezet algemeen volwassenonderwijs (vavo) en particuliere zelfstandige exameninstellingen (paragraaf 9.3), overige educatie (paragraaf 9.4), de leerroute vmbo-mbo (paragraaf 9.5), het toezicht op het middelbaar beroepsonderwijs in Caribisch Nederland (paragraaf 9.6), het samenwerkingscollege (paragraaf 9.7) en zelfstandige exameninstellingen (paragraaf 9.8).

In de tekst hieronder staat een overzicht van de standaarden uit het waarderingskader (hoofdstuk 4 en/of 5) die al dan niet, of met wijziging, van toepassing zijn op genoemde voorzieningen. De overige wettelijke vereisten (paragraaf 5.4) zijn ook van toepassing op de bijlagen. Verder zijn afwijkingen in de normering (hoofdstuk 6) en de werkwijze (hoofdstuk 7) opgenomen. Voor de leesbaarheid zijn de volledige waarderingskaders per onderwijssoort in de bijlagen opgenomen.

9.2 Niet-bekostigd mbo

9.2.1 Inleiding

Naast bekostigde instellingen kunnen ook niet-bekostigde instellingen mbo-opleidingen met een erkend diploma aanbieden. Om in aanmerking te (blijven) komen voor het recht op diploma-erkenning moeten opleidingen van niet-bekostigde instellingen aan de eisen genoemd in artikel 1.4.1 WEB voldoen.89 De diploma-erkenning kan de beroepsopleidende leerweg (bol), beroepsbegeleidende leerweg (bbl), of de derde leerweg betreffen (overig onderwijs, ovo).

9.2.2 Aanpassingen waarderingskader en normering

Voor niet-bekostigde instellingen gelden enkele uitzonderingen op en afwijkingen van het waarderingskader mbo 2021 en de totstandkoming van het eindoordeel/waardering. Hieronder geven we voor niet-bekostigde instellingen uitgezonderde wettelijke bepalingen in een overzicht weer. Vervolgens geven we de afwijkingen aan voor de beoordeling van het kwaliteitsgebied Onderwijsresultaten. De aanpassingen in de standaarden zijn gemaakt op basis van deze wettelijke bepalingen.

De volgende wettelijke bepalingen uit de verantwoording van de standaarden zijn niet van toepassing op niet-bekostigde instellingen.

Tabel 1: Uitgezonderde wettelijke bepalingen (uit de WEB) per standaard voor nbi

Standaarden uit het waarderingskader

Uitgezonderde wettelijke bepalingen

OP1 Onderwijsprogramma

Artikel 7.2.4a, derde lid, (voor derde leerweg: ook artikel 7.2.7, eerste en vijfde lid)

OP2 Ontwikkeling en begeleiding

Artikel 1.3.5, sub a, artikel 8.0.4, artikel 8.1.7a, vierde lid

OP3 Didactisch handelen

Artikel 7.2.7, vijfde lid, voor de derde leerweg

OR1 Studiesucces

Artikel 1.3.5 (voor derde leerweg ook artikel 7.2.7, vijfde en zesde lid)

SKA1 Visie, ambities en doelen

Artikel 4.1a.1, vierde lid, artikel 9.1.7, (voor derde leerweg ook artikel 7.2.7, vijfde lid)

SKA2 Uitvoering en kwaliteitscultuur

Artikel 1.3,6a, artikel 4.1a.1, (voor derde leerweg ook artikel 7.2.7, vijfde lid)

BKA1 Visie, ambities en doelen

Artikel 9.1.4, lid 3, sub e, artikel 9.1.7, artikel 2.5.3, artikel 2.2.1, derde en vierde lid, artikel 2.5.4, artikel 4, vierde lid, RJO

BKA2 Uitvoering en kwaliteitscultuur

Artikel 1.3.6a, artikel 4.1.3, artikel 4.1a.1, vierde lid, artikel 2.5.3, lid 2, artikel 9.1.4, artikel 9.1.8, artikel 9.1.7, artikel 8a.1.4, artikel 2.5.4, artikel 7.4.8a, artikel 2.2.1 RJO

BKA3 Evaluatie, verantwoording en dialoog

Artikel 2.5.4, artikel 2.5.3, artikel 8a.2.1, derde lid, artikel 8a.2.2, derde en vierde lid, artikel 9.1.4, achtste lid, RJO

Binnen het kwaliteitsgebied Onderwijsresultaten is de standaard Studiesucces voor niet-bekostigde mbo-instellingen dezelfde als die voor bekostigde mbo-instellingen, maar wordt deze beoordeeld aan de hand van een andere indicator, namelijk Cohortrendement. Cohortrendement wordt op basis van een norm beoordeeld. Zie voor de uitwerking bijlage 1. De standaard Vervolgsucces (OR3) is niet van toepassing voor niet-bekostigd mbo en is om die reden geschrapt. Het volledige waarderingskader niet-bekostigd mbo is opgenomen in bijlage 2.

Normering

De normering voor het niet-bekostigd mbo is deels vergelijkbaar met de normering voor het bekostigd mbo voor wat betreft de normering voor standaarden en voor het bestuursniveau. Bij niet-bekostigd onderwijs zien wij niet toe op het financieel beheer, dit is dus geen voorwaarde voor de waardering Goed.

Eindoordeel/waardering opleiding

Norm

Goed

Alle standaarden zijn minimaal Voldoende én de standaard Uitvoering en kwaliteitscultuur (SKA2) is Goed, evenals ten minste twee standaarden uit het totaal van de andere kwaliteitsgebieden van het waarderingskader voor opleidingen. Alle onderzochte overige wettelijke vereisten worden nageleefd.

Voldoende (basiskwaliteit)

De standaarden Studiesucces, Pedagogisch-didactisch handelen, Beroepspraktijkvorming en Veiligheid zijn Voldoende én niet meer dan één andere standaard binnen het totaal van de gebieden Onderwijsproces en Veiligheid en schoolklimaat is Onvoldoende. Ook is de standaard Borging diplomering als Voldoende beoordeeld.

Onvoldoende

Onvoldoende examenkwaliteit: de standaard Borging diplomering en/of Afsluiting is Onvoldoende.

Onvoldoende

De standaarden Studiesucces of Pedagogisch-didactisch handelen of Beroepspraktijkvorming of Veiligheid is Onvoldoende, óf meer dan één andere standaard binnen het totaal van de gebieden Onderwijsproces en Veiligheid en Schoolklimaat zijn Onvoldoende.

Zeer zwak

De standaard Studiesucces is Onvoldoende, én een of meer van de volgende standaarden zijn onvoldoende: Pedagogisch-didactisch handelen, Beroepspraktijkvorming, Veiligheid.

Normering als Studiesucces niet wordt beoordeeld

Eindoordeel/waardering opleiding

Norm

Goed

Alle standaarden zijn minimaal Voldoende én de standaard Uitvoering en kwaliteitscultuur (SKA2) is Goed, evenals ten minste twee standaarden uit het totaal van de andere kwaliteitsgebieden van het waarderingskader voor opleidingen. Alle onderzochte overige wettelijke vereisten worden nageleefd.

Voldoende (basiskwaliteit)

De standaarden Ontwikkeling en begeleiding, Pedagogisch-didactisch handelen, Beroepspraktijkvorming en Veiligheid zijn Voldoende én niet meer dan één andere standaard binnen het totaal van de gebieden Onderwijsproces en Veiligheid en schoolklimaat is Onvoldoende. Ook is de standaard Borging diplomering als Voldoende beoordeeld.

Onvoldoende

Onvoldoende examenkwaliteit: de standaard Borging diplomering en/of Afsluiting is Onvoldoende.

Onvoldoende

De standaard Ontwikkeling en begeleiding of Pedagogisch-didactisch handelen of Beroepspraktijkvorming of Veiligheid is Onvoldoende, óf meer dan één andere standaard binnen het totaal van de gebieden Onderwijsproces en Veiligheid en Schoolklimaat zijn Onvoldoende.

Zeer zwak

Twee of meer van de volgende standaarden zijn Onvoldoende: Ontwikkeling en begeleiding, Pedagogisch-didactisch handelen, Beroepspraktijkvorming, Veiligheid.

9.2.3 Werkwijze

De werkwijze van het toezicht is zoals beschreven in hoofdstuk 7. Bij nieuwe instellingen voeren we een Start kwaliteitsonderzoek uit.

Start kwaliteitsonderzoek

Bij nieuwe instellingen voeren we een kwaliteitsonderzoek uit op drie of vier kwaliteitsgebieden. Dit is het gebied Onderwijsproces, het gebied Veiligheid en, wanneer de instelling al studenten heeft gediplomeerd, het gebied Borging Diplomering. Ook onderzoeken we de stand van zaken op het gebied van Besturing, kwaliteitszorg en ambitie, maar geven geen oordeel. Het toezicht bestaat uit een kwaliteitsonderzoek bij één opleiding. De uitkomst van dit onderzoek bepaalt of de beschikking tot het verlenen van de voorlopige diploma-erkenning automatisch (van rechtswege) verlengd wordt in een beschikking voor onbepaalde tijd.

9.3 Toezicht op vavo en particuliere zelfstandige exameninstellingen (B2-scholen)

9.3.1 Inleiding

In deze paragraaf beschrijven wij het toezicht op voortgezet onderwijs dat wordt uitgevoerd door:

  • bekostigde opleidingen voor voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) op roc’s;

  • niet-bekostigde opleidingen vavo;

  • niet-bekostigde/particuliere zelfstandige exameninstellingen.

De twee laatste soorten worden in samenhang verzorgd door particuliere instellingen.

Bekostigde (op grond van artikel 1.3.1, eerste en tweede lid, WEB) en niet-bekostigde vavo-opleidingen (op grond van artikel 1.4a.1, WEB) leiden op tot het behalen van een geheel diploma of een of meer certificaten.

Particuliere zelfstandige exameninstellingen, ook wel B2-scholen genoemd (op grond van artikel 56, WVO), leiden op tot het behalen van een geheel diploma voortgezet onderwijs. Deze opleidingen worden verzorgd door besturen die ook voor niet-bekostigde opleidingen vavo een diploma-erkenning hebben. De leerlingen van B2 en niet-bekostigd vavo zitten vaak in dezelfde klas en volgen hetzelfde onderwijs.

Voor deze typen scholen zijn twee wetten van toepassing: de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) en de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB).

Vavo-opleidingen op roc’s voldoen aan de eisen van de WEB voor zover die betrekking hebben op vavo. Niet-bekostigde (particuliere) opleidingen voldoen aan de WVO (op grond van artikel 56) en de WEB (op grond van artikel 1.4a.1).

Vanwege de grote overeenkomsten tussen deze vormen van onderwijs is één waarderingskader opgesteld. Onder basiskwaliteit wordt ten eerste beschreven aan welke basiskwaliteit beide onderwijsvormen moeten voldoen. Daaronder geven we, voor zover van toepassing, de aanvullende eisen voor de basiskwaliteit voor vavo dan wel de B2-scholen. Bij vavo kan er onderscheid gemaakt worden tussen de wettelijke eisen voor particuliere vavo-scholen en voor bekostigde vavo-scholen onder een roc-bestuur. Ook is in de wettelijke onderbouwing, waar van toepassing, onderscheid aangegeven.

Op bestuursniveau sluit het waarderingskader grotendeels aan op de kaders voor middelbaar beroepsonderwijs en voortgezet onderwijs; voor B2-instellingen sluit het waarderingskader grotendeels aan bij het waarderingskader voor niet-bekostigde instellingen in het middelbaar beroepsonderwijs. Dit laatste waarderingskader is opgenomen in bijlage 2.

9.3.2 Aanpassingen waarderingskader en normering

Vavo-opleidingen op roc’s moeten voldoen aan de eisen van de WEB, voor zover die betrekking hebben op vavo, en niet bekostigde (particuliere) opleidingen moeten voldoen aan de WVO en de WEB.

De aanpassingen in het waarderingskader ten opzichte van het waarderingskader middelbaar beroepsonderwijs en voortgezet onderwijs betreffen alle standaarden. Voor vavo en B2-scholen zijn er geen wettelijke eisen rond burgerschapsvorming, achterstandsbestrijding, deelname aan een samenwerkingsverband passend onderwijs en medezeggenschap.

Enkele standaarden zijn niet in dit waarderingskader opgenomen, te weten Schoolklimaat en Sociale en maatschappelijke competenties. De standaard Stage/praktijkvorming geldt alleen voor B2-instellingen voor zover het de onderwijssoort vmbo-b, -k en -g betreft.

Ook zijn met deze scholen andere afspraken gemaakt over de leerresultaten. Voor de Resultaten (standaard OR1) zijn twee indicatoren vastgesteld, over de vakken die met een voldoende zijn afgesloten en het verschil tussen de cijfers voor het schoolexamen en het centraal examen. Bijlage 3 bevat het volledige waarderingskader.

Daarnaast is een aantal wettelijke bepalingen dat van toepassing is op vavo-opleidingen op roc’s niet van toepassing op niet-bekostigde vavo-opleidingen. Deze artikelen staan in onderstaande tabel.

Tabel 2: Uitgezonderde wettelijke bepalingen (uit de WEB) per standaard voor niet-bekostigd vavo

Standaarden uit het waarderingskader

Uitgezonderde wettelijke bepalingen

OP1 Aanbod

Artikel 1.3.5, sub c

OP2 Ontwikkeling en begeleiding

Artikel 1.3.5, sub a

VS1 Veiligheid

Artikel 1.3.9; artikel 8a.2.2, derde lid, sub k

SKA1 Visie, doelen en ambities

Artikel 4.1a.1, vierde lid; artikel 9.1.7

SKA2 Uitvoering en kwaliteitscultuur

Artikel 1.3.6a; artikel 4.1a.1, lid 1, 3 en 4

Normering

Voor het bepalen van een oordeel over de kwaliteit van het onderwijs gelden de beslisregels uit paragraaf 6.5. B2-scholen en particulier vavo komen niet in aanmerking voor de waardering Goed.

Normering vavo

Eindoordeel/waardering opleiding

Norm

Goed

Alle standaarden zijn minimaal Voldoende én de standaard Uitvoering en kwaliteitscultuur (SKA2) is Goed, evenals ten minste twee standaarden uit de andere kwaliteitsgebieden van het waarderingskader voor opleidingen. Alle onderzochte overige wettelijke vereisten worden nageleefd.

Voldoende (basiskwaliteit)

De standaarden Resultaten, Pedagogisch-didactisch handelen en Veiligheid zijn Voldoende én niet meer dan één andere standaard in het gebied Onderwijsproces of Veiligheid en schoolklimaat is Onvoldoende. Ook is de standaard Borging diplomering als Voldoende beoordeeld.

Onvoldoende

Onvoldoende examenkwaliteit: de standaard Borging diplomering en/of Afsluiting is Onvoldoende.

Onvoldoende

De standaarden Resultaten of Pedagogisch-didactisch handelen of Veiligheid is Onvoldoende, óf twee of meer andere standaarden binnen het gebied Onderwijsproces en/of Veiligheid en schoolklimaat zijn Onvoldoende.

Zeer zwak

De standaard Resultaten is Onvoldoende, én Pedagogisch-didactisch handelen of Veiligheid zijn Onvoldoende.

Normering vavo, als de standaard Resultaten niet wordt beoordeeld

Eindoordeel/waardering opleiding

Norm

Goed

Alle standaarden zijn minimaal Voldoende én de standaard Uitvoering en kwaliteitscultuur (SKA2) is Goed, evenals ten minste twee standaarden uit de andere kwaliteitsgebieden van het waarderingskader voor opleidingen. Alle onderzochte overige wettelijke vereisten worden nageleefd.

Voldoende (basiskwaliteit)

De standaarden Ontwikkeling en begeleiding, Pedagogisch-didactisch handelen en Veiligheid zijn Voldoende én niet meer dan één andere standaard in de gebieden Onderwijsproces of Veiligheid en schoolklimaat is Onvoldoende. Ook is de standaard Borging diplomering als Voldoende beoordeeld.

Onvoldoende

Onvoldoende examenkwaliteit: de standaard Borging diplomering en/of Afsluiting is Onvoldoende.

Onvoldoende

De standaard Ontwikkeling en begeleiding of Pedagogisch-didactisch handelen of Veiligheid is Onvoldoende óf meer dan één van de andere standaarden binnen de gebieden Onderwijsproces of Veiligheid en schoolklimaat zijn Onvoldoende.

Zeer zwak

Twee van de volgende standaarden zijn Onvoldoende: Ontwikkeling en begeleiding, Pedagogisch-didactisch handelen, Veiligheid.

9.3.3 Werkwijze

De werkwijze van het toezicht is zoals beschreven in hoofdstuk 7. De maatregelen in het kader van herstel en verbetering zijn in voorkomende situaties ook van toepassing op deze scholen. Als escalatie van het toezicht noodzakelijk blijkt, kunnen bevoegdheden worden ingetrokken door de minister.

Ten aanzien van bekostigd vavo geldt dat de examenlicentie bij onvoldoende examinering kan worden ingetrokken op basis van artikel 6a.2.1, WEB.

Ten aanzien van onbekostigd vavo geldt dat ook de diploma-erkenning kan worden ontnomen bij onderwijs van onvoldoende kwaliteit op basis van artikel 6a.1.2, WEB.

Daarnaast kan óók de examenlicentie worden ingetrokken bij onvoldoende examenkwaliteit op grond van 6a.2.1, WEB.

Voor onbekostigde scholen met examenlicentie kan de aanwijzing om diploma’s te mogen uitreiken worden ingetrokken (artikel 59, WVO).

9.3.4 Werkwijze start kwaliteitsonderzoek

Bij nieuwe instellingen voeren we een kwaliteitsonderzoek uit op drie of vier kwaliteitsgebieden: het gebied Onderwijsproces, het gebied Veiligheid en schoolklimaat en, indien de instelling reeds deelnemers heeft gediplomeerd, het gebied Diplomering. Tevens onderzoeken we de stand van zaken op het gebied van Besturing, kwaliteitszorg en ambitie. Het toezicht bestaat uit een kwaliteitsonderzoek bij één opleiding. De uitkomst van dit onderzoek bepaalt de planning van het vierjaarlijks onderzoek.

9.4 Overige educatie

9.4.1 Inleiding

Het waarderingskader overige educatie dat in het Onderzoekskader 2021 is opgenomen heeft een tijdelijk karakter, maar sluit wel aan bij de waarderingskaders voor de sector.

Alle vormen van overige educatie richten zich op de doelgroep van laaggeletterde volwassenen en anderstaligen zonder inburgeringsplicht en jonge anderstaligen met inburgeringsplicht. De inhoud van het onderwijs richt zich op taal (Nederlands), rekenen, digitale vaardigheden en aanbod op andere gebieden met als doel instroom in een mbo- of hbo-opleiding. Voor alle opleidingen zijn eindtermen vastgesteld. Het doel is divers, het kan deelnemers (beter) in staat stellen deel te nemen aan onderwijs, werk en samenleving.

Momenteel zijn er twee routes, diplomagericht (formeel) en niet-diploma gericht (non-formeel). Inhoudelijk zijn er geen verschillen, maar uitvoering en toezicht lopen uiteen. Daarnaast krijgt de inburgering een nieuwe vorm en inhoud met als een van de doelen dat een deel van de inburgering als een opleiding educatie benoemd zal worden.

Om op deze verschillende vormen passend toezicht te houden ontwikkelen betrokken instanties (ministeries en toezichthouders) een vorm van toezicht waardoor instellingen die één of meer van dergelijke opleidingen aanbieden met een meer integrale vorm van toezicht te maken gaan krijgen. Op een later moment zal die integrale vorm duidelijk zijn. Reden waarom het waarderingskader overige educatie op een later moment gewijzigd kan worden.

9.4.2 Aanpassingen waarderingskader en normering

Waarderingskader

Voor overige educatie gelden uitzonderingen op en afwijkingen van het waarderingskader niet-bekostigd mbo 2021 en de totstandkoming van het eindoordeel/waardering. Hieronder geven we voor overige educatie in een tabel uitgezonderde wettelijke bepalingen ten opzichte van het waarderingskader niet-bekostigd mbo 2021 weer. De aanpassingen in deze standaarden zijn gemaakt op basis van deze wettelijke bepalingen.

Een deel van de wettelijke bepalingen die van toepassing zijn op overige educatie zijn anders dan voor beroepsopleidingen, omdat de inhoud van de opleidingen anders is. Het betreft bepalingen over de inrichting en examinering voor andere instellingen die een opleiding educatie verzorgen. Die wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage waarderingskader overige educatie.

De volgende wettelijke bepalingen uit de verantwoording van de standaarden zijn niet van toepassing op overige educatie.

Tabel 2: Uitgezonderde wettelijke bepalingen per standaard

Standaard uit het waarderingskader

Uitgezonderde wettelijke bepalingen

OP1 Onderwijsprogramma

Artikel 7.2.7, eerste en vijfde lid

OP3 Didactisch handelen

Artikel 7.2.7, vijfde lid

VS1 Veiligheid

Artikel 1.3.8

SKA1 Visie, ambities en doelen

Artikel 7.2.7, vijfde lid

SKA2 Uitvoering en kwaliteitscultuur

Artikel 7.2.7, vijfde lid

BKA1 Visie, ambities en doelen

Artikel 2.2.1 derde en vierde lid; Artikel 2.5.3; Artikel 2.5.4 en artikel 4, vierde lid, RJO; Artikel 9.1.4, derde lid; Artikel 9.1.7; RJO, jo. artikel 2.5.3

BKA2 Uitvoering en kwaliteitscultuur

Artikel 1.3.6a; Artikel 1.3.6, eerste lid, jo. artikel 4.2.1; Artikel 2.2.1 derde en vierde lid; Artikel 2.5.3, tweede lid; Artikel 2.5.4, eerste lid; Artikel 4.1.3; Artikel 4.1a.1, vierde lid;

Artikel 9.1.4, eerste tot en met vijfde lid; Artikel 9.1.7; Artikel 8a.1.4

BKA3 Evaluatie, verantwoording en dialoog

Artikel 2.5.3; Artikel 2.5.4, eerste lid; Artikel 2.5.4 en artikel 4, vierde lid, RJO; Artikel 8a.2.1, derde lid; Artikel 8a.2.2, vierde lid; Artikel 9.1.4, achtste lid; RJO, jo. artikel 2.5.3

Het volledige waarderingskader overige educatie is opgenomen in bijlage 4.

Normering

De normering voor overige educatie is deels vergelijkbaar met de normering voor het niet-bekostigd mbo voor wat betreft de normering voor standaarden en voor het bestuursniveau. Bij overige educatie zien wij niet toe op het financieel beheer, dit is dus geen voorwaarde voor de waardering Goed.

Eindoordeel/waardering opleiding

Norm

Goed

Alle standaarden zijn minimaal Voldoende én de standaard Uitvoering en kwaliteitscultuur (SKA2) is Goed, evenals ten minste twee standaarden binnen het totaal van de andere kwaliteitsgebieden van het waarderingskader voor opleidingen. Alle onderzochte overige wettelijke vereisten worden nageleefd.

Voldoende (basiskwaliteit)

De standaarden Ontwikkeling en begeleiding, Pedagogisch-didactisch handelen en Veiligheid zijn Voldoende én niet meer dan één andere standaard binnen het totaal van de gebieden Onderwijsproces en Veiligheid en schoolklimaat is Onvoldoende. Ook is de standaard Borging diplomering als Voldoende beoordeeld.

Onvoldoende

Onvoldoende examenkwaliteit: de standaard Borging diplomering en/of Afsluiting is Onvoldoende.

Onvoldoende

De standaard Ontwikkeling en begeleiding of Pedagogisch-didactisch of Veiligheid is Onvoldoende, óf meer dan één andere standaard binnen het totaal van de gebieden Onderwijsproces en Veiligheid en Schoolklimaat zijn Onvoldoende.

Zeer zwak

Twee of meer van de volgende standaarden zijn Onvoldoende: Ontwikkeling en begeleiding, Pedagogisch-didactisch handelen, Veiligheid.

De werkwijze van het toezicht is zoals beschreven in hoofdstuk 7. Bij nieuwe instellingen voeren we een Start kwaliteitsonderzoek uit.

9.4.3 Werkwijze start kwaliteitsonderzoek

Bij nieuwe instellingen voeren we een kwaliteitsonderzoek uit op drie of vier kwaliteitsgebieden. Dit is het gebied Onderwijsproces, het gebied Veiligheid en schoolklimaat en, indien de instelling reeds deelnemers heeft gediplomeerd, het gebied Diplomering. Tevens onderzoeken we de stand van zaken op het gebied van Besturing, kwaliteitszorg en ambitie. Het toezicht bestaat uit een kwaliteitsonderzoek bij één opleiding. De uitkomst van dit onderzoek bepaalt de planning van het vierjaarlijks onderzoek.

9.5 Doorlopende leerroutes vmbo-mbo

9.5.1 Inleiding

Een doorlopende of geïntegreerde leerroute is een gezamenlijk onderwijsprogramma vanaf het derde leerjaar van het vmbo tot en met een mbo-diploma (op niveau 2, 3 of 4).

Een doorlopende leerroute vmbo-mbo leidt uiteindelijk tot een mbo-diploma op niveau 2, 3 of 4. De leerling behaalt daarnaast ook een vmbo-diploma. De geïntegreerde leerroute die opleidt tot een diploma op niveau 2 kan afgerond worden zonder het behalen van een vmbo-diploma. De examenleerstof moet wel behandeld zijn.

Bij een doorlopende of geïntegreerde leerroute vmbo-mbo is de leerling in de eerste twee jaar van de leerroute (het derde en vierde leerjaar van het vmbo) ingeschreven bij de vmbo-school. Vanaf het derde jaar van de leerroute wordt de leerling ingeschreven bij de mbo-instelling.90

De vmbo-school en de mbo-instelling werken samen op basis van een samenwerkingsovereenkomst en leggen daarin onder meer de inhoud van de leerroute vast en hoe de dagelijkse leiding over de leerroute is vormgegeven. Het onderwijs- en examenprogramma wordt vastgelegd in de gecombineerde PTA/OER.

9.5.2 Aanpassingen waarderingskader en normering

We beschouwen doorlopende leerroutes vmbo-mbo als een afzonderlijk object van toezicht, waarop de wetgeving van toepassing is die ook geldt voor de sectorale kaders voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs (zie hoofdstuk 1 van beide kaders).

Wanneer we een doorlopende leerroute onderzoeken, doen we dat met een speciaal daarvoor ontwikkeld waarderingskader dat kenmerken bevat van zowel het waarderingskader voor het voortgezet onderwijs als het waarderingskader voor het middelbaar beroepsonderwijs.

Vanwege de verschillen in wetgeving zijn enkele standaarden en kwaliteitsgebieden specifiek aangepast op (wetgeving voor) de doorlopende leerroutes vmbo-mbo. Dit betreffen:

  • Het kwaliteitsgebied Sturen, kwaliteitszorg en ambitie: op de onderliggende standaarden SKA1, SKA2 en SKA3 zijn wettelijke vereisten voor de samenwerkingsovereenkomst doorlopende leerroutes vmbo-mbo van toepassing. Daarom zijn die standaarden vanuit de sectorspecifieke waarderingskaders in het waarderingskader voor de doorlopende leerroutes vmbo-mbo uitgebreid met deze wettelijke vereisten.

  • Zowel de standaard Afsluiting uit het sectorkader voor voortgezet onderwijs als het kwaliteitsgebied Borging en afsluiting uit het sectorkader voor het middelbaar beroepsonderwijs kunnen van toepassing zijn op de doorlopende leerroutes vmbo-mbo. In het waarderingskader zijn deze standaarden aangepast voor de leerroute vmbo-mbo voor wat betreft de gecombineerde PTA/OER. OP6 geldt voor het vmbo; BA1 en BA2 gelden voor het middelbaar beroepsonderwijs;

  • Hetzelfde geldt voor de standaard Resultaten uit het sectorale kader voor voortgezet onderwijs en Studiesucces uit het sectorale kader voor middelbaar beroepsonderwijs. Ook hier zijn beide standaarden van toepassing op de doorlopende leerroutes vmbo-mbo. In het waarderingskader is specifiek aangegeven wanneer aan welke vereisten moet zijn voldaan.

  • De doorlopende leerroute vmbo-mbo kent specifieke wettelijke vereisten voor de onderwijstijd. De leerroute kent dan ook een specifieke standaard Onderwijstijd.

De standaarden Aanbod, (Zicht op) Ontwikkeling en begeleiding, Pedagogisch-didactisch handelen, (Beroeps)Praktijkvorming, Veiligheid en Schoolklimaat kennen slechts nuanceverschillen tussen de sectorale kaders vo en mbo. De omschrijving van deze standaarden is – op basis van de sectorale kaders – aangepast aan de specifieke situaties van de doorlopende leerroutes vmbo-mbo.

De standaarden OR2 (Sociale en maatschappelijke competenties) en OR3 (Vervolgsucces) zijn beide opgenomen in het waarderingskader voor de doorlopende leerroutes vmbo-mbo, met dien verstande dat de standaard OR2 alleen van toepassing is in het voortgezet onderwijs en de standaard OR3 alleen in het middelbaar beroepsonderwijs.

Normering

Bij een onderzoek op niveau van de leerroute vmbo-mbo trekken we op basis van onze oordelen op de standaarden een conclusie over de kwaliteit van het onderwijs volgens de volgende beslisregels.

Eindoordeel/waardering opleiding

Norm

Goed

Alle standaarden zijn minimaal Voldoende én de standaard Uitvoering en kwaliteitscultuur (SKA2) is Goed, evenals ten minste twee standaarden uit de andere kwaliteitsgebieden van het waarderingskader voor opleidingen. Alle onderzochte overige wettelijke vereisten worden nageleefd én de financiële continuïteit op bestuursniveau is op orde.

Voldoende (basiskwaliteit)

De standaarden Ontwikkeling en begeleiding, Pedagogisch-didactisch handelen, Beroepspraktijkvorming en Veiligheid zijn Voldoende én niet meer dan één andere standaard in de gebieden Onderwijsproces of Veiligheid en schoolklimaat is Onvoldoende. Ook is de standaard Borging diplomering als Voldoende beoordeeld.

Onvoldoende1

Onvoldoende examenkwaliteit: de standaard Borging diplomering en/of Afsluiting is Onvoldoende.

Onvoldoende

De standaard Zicht op ontwikkeling en begeleiding of Pedagogisch-didactisch handelen of Veiligheid of Visie, ambities en doelen is Onvoldoende, óf twee andere standaarden in de gebieden Onderwijsproces en/of Veiligheid en schoolklimaat zijn Onvoldoende.

X Noot
1

Onvoldoende examenkwaliteit is alleen van toepassing op het mbo-deel.

Het oordeel Zeer zwak kunnen we – op basis van de huidige wetgeving (anno 2020) – niet vellen over de doorlopende leerroutes vmbo-mbo.

Bijlage 5 bevat het volledige waarderingskader voor de leerroutes vmbo-mbo.

9.5.3 Werkwijze

We beschouwen de doorlopende leerroutes als een eigenstandig object van toezicht, vergelijkbaar met een afdeling in het voortgezet onderwijs of een opleiding in het middelbaar beroepsonderwijs. De route wordt onderzocht of beoordeeld volgens het waarderingskader.

We onderzoeken een doorlopende leerroute in het kader van een vierjaarlijks onderzoek dat we bij een voortgezet onderwijs- of middelbaar beroepsonderwijsbestuur uitvoeren of in het kader van stelsel- of risico-onderzoeken of onderzoeken naar goed. We stellen beide besturen vooraf in kennis van het onderzoek van de doorlopende leerroute. We adresseren de oordelen met betrekking tot het onderzoek bij de doorlopende leerroute aan beide besturen, ook al wordt het vierjaarlijks onderzoek bij één van hen uitgevoerd.

De samenwerkingsovereenkomst die ten grondslag ligt aan de doorlopende leerroute en de gecombineerde PTA/OER vormen de basis voor ons toezicht. Hierin zijn de onderlinge afspraken en de verantwoordelijkheidsverdeling vastgelegd. We agenderen eventuele tekortkomingen in de doorlopende leerroute bij beide partijen. Bij concreet aantoonbare tekortkomingen die enkel en alleen onder verantwoordelijkheid van een van de twee partijen voorkomen, behouden we ons het recht voor om met het sectorspecifieke waarderingskader nader onderzoek bij het betreffende deel van de doorlopende leerroute vmbo-mbo uit te voeren.

9.6 Onderwijs in Caribisch Nederland

9.6.1 Inleiding

Sinds 10 oktober 2010 zijn Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES) bijzondere gemeenten van Nederland. De eilanden worden samen Caribisch Nederland genoemd. We houden toezicht op het onderwijs in Caribisch Nederland (primair onderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs, hoger onderwijs, sociale kanstrajecten jongeren en expertisecentra onderwijszorg). Ook hebben we de taak van vertrouwensinspecteur voor Caribisch Nederland.

9.6.2 Aanpassing waarderingskader en normering

Het onderwijs in Caribisch Nederland beoordelen wij zoveel mogelijk aan de hand van dezelfde onderzoekskaders als in Europees Nederland (zie hoofdstuk 1 tot en met 8). Er zijn echter enkele verschillen in het waarderingskader, de normering en de werkwijze. Dat is noodzakelijk, omdat voor Caribisch Nederland specifieke wet- en regelgeving geldt. Ook kunnen wij met een enigszins aangepaste werkwijze beter aansluiten op de onderwijskundige context in Caribisch Nederland. Zo is voor het overgrote deel van de leerlingen en studenten in Caribisch Nederland het Nederlands een vreemde taal.

Waarderingskader

Het waarderingskader voor Caribisch Nederland is gebaseerd op de Wet educatie en beroepsonderwijs BES. Deze wet wijkt af van de sectorwetten voor Europees Nederland. Bovendien zijn sommige wetsartikelen weliswaar in de wet opgenomen, maar nog niet van kracht.91 Tot slot is er nog aanvullende regelgeving voor het voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs op Sint Eustatius en Saba als het gaat om het Engelstalige onderwijs op deze eilanden.92 Het volledige waarderingskader is te vinden in bijlage 6. Het bevat dezelfde standaarden als het waarderingskader voor Europees Nederland. Op enkele plaatsen is de beschrijving van de basiskwaliteit aangepast vanwege de afwijkende wet- en regelgeving.

Normering

Wij willen, zodra dat mogelijk is, voor Caribisch Nederland dezelfde normen hanteren in het waarderingskader als voor Europees Nederland. Voor de standaard Onderwijsresultaten kunnen wij echter nog geen oordeel uitspreken, omdat de basis voor deze standaard in de wet- en regelgeving voor Caribisch Nederland nog niet is geregeld: er zijn geen normen vastgesteld. Na herziening van de sectorwet- en regelgeving voor Caribisch Nederland en als het voorgaande daarmee wel is geregeld, zullen wij wel een oordeel uitspreken over de onderwijsresultaten. Dit zal gebeuren zodra de aangepaste wet- en regelgeving op dit punt van kracht is en er in overleg met alle betrokkenen wel eilandelijke normen voor de resultaten zijn afgesproken en in de wet- en regelgeving zijn vastgelegd.

Behalve op standaardniveau geeft de inspectie ook een eindoordeel op schoolniveau. We beperken ons vooralsnog tot het eindoordeel Voldoende of Onvoldoende. Dit oordeel komt tot stand op basis van aangepaste beslisregels, omdat wij de onderwijsresultaten nog niet kunnen beoordelen. In dit verband is ook het eindoordeel Zeer zwak in Caribisch Nederland nog niet wettelijk verankerd. Een dergelijk oordeel laten we achterwege. Zodra die verankering wel het geval is, zal ook het oordeel Zeer zwak door ons afgegeven kunnen worden. Wel geven we in dit waarderingskader de waardering Goed, onder dezelfde voorwaarden als in Europees Nederland. Tekortkomingen op de wettelijke eisen kunnen leiden tot een oordeel Onvoldoende op standaarden en eventueel ook op het eindoordeel over de school/opleiding. Een Onvoldoende op een standaard leidt tot een herstelopdracht, conform het toerzicht in Europees Nederland (paragraaf 7.5).

9.6.3 Werkwijze

Het bestuursgerichte toezicht in Caribisch Nederland wijkt enigszins af van de reguliere aanpak. Wij beoordelen wel de kwaliteitszorg en het financieel beheer op het niveau van het bestuur en schrijven ook één rapport over alle onderzoeken die zijn uitgevoerd bij scholen van een bestuur, inclusief het vervolgtoezicht. We hanteren in dit stadium een tweejaarlijkse cyclus voor de kwaliteitsonderzoeken op school- of opleidingsniveau. Een oordeel voor de kwaliteitszorg op het niveau van de instelling, evenals het bestuur, geven we eens per vier jaar. Dit laatste is in overeenstemming met onze aanpak in Europees Nederland. Alle opleidingen worden elke twee jaar onderzocht om vast te stellen of het onderwijs nog voldoet aan de basiskwaliteit. Tijdens deze onderzoeken geven we dan ook een oordeel over de standaarden die nodig zijn voor het oordeel over basiskwaliteit. Het onderzoek naar deze standaarden kan proportioneel uitgevoerd worden. In het tussenliggende jaar wordt met elk bestuur en de betreffende schoolleiders of het management van de opleiding(en) een voortgangsgesprek/bestuursgesprek gevoerd.

9.7 Het samenwerkingscollege

9.7.1 Inleiding

Sinds 1 augustus 2018 kunnen instellingen onder gezamenlijke verantwoordelijkheid één of meer opleidingen verzorgen binnen een samenwerkingscollege. De eisen waaraan zo’n samenwerking moet voldoen, zijn opgenomen in de WEB. Zo moeten de deelnemende instellingen een samenwerkingsovereenkomst sluiten en daarin onder andere afspraken maken over de leiding van het samenwerkingscollege (artikel 8.6.1, WEB). Verder moet in BRON geregistreerd worden welke studenten van de deelnemende instellingen onderwijs volgen aan het samenwerkingscollege (artikel 2.3.6a, tweede lid, onder n, en 2.5.5a, tweede lid, onder t, WEB).93 Ook moet het feit dat een student onderwijs volgt binnen het samenwerkingscollege in de onderwijsovereenkomst tot uitdrukking komen (artikel 8.1.3, derde lid, onder b, WEB).

9.7.2 Aanpassing waarderingskader en normering

Waarderingskader

De opleidingen binnen een samenwerkingscollege moeten aan dezelfde eisen voldoen als alle andere opleidingen. De standaarden op opleidingsniveau worden dus ongewijzigd gehanteerd, maar de berekening van de onderwijsresultaten kan op een andere wijze plaatsvinden.94 Ook spreken we een oordeel uit over de standaarden uit het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie (BKA). Dan lezen wij bij de standaarden van het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie in plaats van ‘het bestuur’ ‘het samenwerkingscollege’. Indien nodig bespreken we de bevindingen met het college van bestuur van de deelnemende instellingen. De uitkomst van het onderzoek kan worden neergelegd in een zelfstandig rapport dat wordt geadresseerd aan alle deelnemende besturen. Indien de uitkomst van het onderzoek naar het samenwerkingscollege daartoe aanleiding geeft, kan er een (specifiek) onderzoek worden gedaan bij de deelnemende instellingen.

Normering

De normering is gelijk aan de normering in hoofdstuk 6.5.

9.7.3 Werkwijze

Voor het toezicht op de samenwerkingscolleges kan een eigen toezichtcyclus worden gestart die los staat van het toezicht op de deelnemende instellingen.

9.8 Zelfstandige exameninstellingen

Voor exameninstellingen geldt dat zij moeten voldoen aan de eisen genoemd in artikel 1.6.1, WEB. De prestaties van de exameninstellingen maken deel uit van de jaarlijkse analyse van de inspectie en ten minste eens in de vier jaar vindt een onderzoek plaats. Het onderzoek heeft in navolging van artikel 1.6.1, WEB betrekking op de kwaliteit van de kwaliteitszorg van de examinering en op het verbeteren daarvan. Daarbij betrekken wij de standaarden Borging diplomering en Afsluiting. Daarnaast passen we een deel van standaarden op het niveau van het bestuur toe.

9.8.1 Aanpassing waarderingskader en normering

Waarderingskader

Het waarderingskader voor de exameninstellingen omvat de twee standaarden van het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie. Dit betreft de standaarden BKA1, Visie ambities en doelen en BKA3, Evaluatie, verantwoording en dialoog. Onderstaande wettelijke bepalingen zijn niet van toepassing op exameninstellingen.

Tabel 2: Uitgezonderde wettelijke bepalingen (uit de WEB) per standaard

Standaarden uit het waarderingskader

Uitgezonderde wettelijke bepalingen

BKA1 Visie, ambities en doelen

Artikel 2.2.1, derde en vierde lid; Artikel 2.5.3; Artikel 2.5.4, WEB en artikel 4, vierde lid, RJO; Artikel 9.1.4, derde lid, sub e; Artikel 9.1.7; RJO, jo. artikel 2.5.3.

BKA3 Evaluatie, verantwoording en dialoog

Artikel 2.5.3; Artikel 2.5.4, eerste lid; Artikel 2.5.4; en artikel 1 en artikel 3, sub f, RJO; Artikel 2.5.4 en artikel 4, vierde lid, RJO; Artikel 8a.2.1, derde lid; Artikel 8a.2.2, derde lid; Artikel 8a.2.2, vierde lid; Artikel 9.1.4, achtste lid; RJO, jo. artikel 2.5.3.

Daarnaast omvat het toezicht de standaarden Borging diplomering (BA1) en Afsluiting BA2. Deze twee standaarden zijn ongewijzigd van toepassing op exameninstellingen en zijn beschreven in hoofdstuk 5 van dit document.

Normering

Indien een standaard als voldoende is beoordeeld, dan voldoet deze aan de basiskwaliteit. Indien een standaard als onvoldoende wordt beoordeeld, dan vindt vervolgtoezicht plaats.

9.8.2 Werkwijze

De werkwijze is zoals beschreven in hoofdstuk 7.

Bijlage 1 Normering en beoordeling onderwijsresultaten

Het kwaliteitsgebied Onderwijsresultaten bestaat voor het bekostigd beroepsonderwijs uit twee standaarden: Studiesucces en Vervolgsucces. In deze bijlage beschrijven we de normering, de oordeelsvorming en de specifieke uitzonderingen en/of toepassingen daarvan.

  • 1. Standaard Studiesucces in bekostigd onderwijs

    Bij opleidingen op niveau 2, 3 en 4 beoordelen we de standaard Studiesucces aan de hand van drie indicatoren: Jaarresultaat (JR), Diplomaresultaat (DR) en Startersresultaat (SR). We beschrijven verder de standaard aan de hand van de indicatoren Passende plaatsing, Passend diploma en Opstroom.

    Voor de eerste drie indicatoren geldt een absolute norm, waarvan de hoogte na overleg met het onderwijsveld is vastgesteld. Voor deze indicatoren zijn er absolute normen voor de waardering Hoog.

    De resultaten leiden tot een waardering Goed of een oordeel Voldoende of Onvoldoende op standaardniveau.

    Voor de drie overige indicatoren wordt geen norm vastgesteld. De resultaten op deze indicatoren geven een beeld van de prestaties van de instelling ten opzichte van haar eigen doelen en ambities en ten opzichte van het landelijk gemiddelde. De resultaten leggen de relatie met het primaire onderwijsproces en vormen daarmee een aanleiding voor het gesprek met de onderwijsteams en de instelling.

    Studiesucces niveau 2, 3 en 4: indicatoren, definities, norm en benchmark95

    Indicator

    Definitie

    Niveau

    Norm Voldoende

    Norm Hoog

    Jaarresultaat

    Het aantal gediplomeerden in een bepaald jaar (instellingsverlaters met diploma plus gediplomeerde doorstromers binnen de instelling), als percentage van hetzelfde aantal gediplomeerden plus de ongediplomeerde instellingsverlaters in hetzelfde jaar.

    2

    67

    82

    3

    68

    85

    4

    68

    85

    Diplomaresultaat

    Het aantal gediplomeerde instellingsverlaters in een jaar als percentage van alle instellingsverlaters in hetzelfde jaar.

    2

    61

    79

    3

    70

    89

    4

    70

    89

    Startersresultaat

    Het aandeel van nieuwe instromers in de instelling in een bepaald jaar dat in het eerste jaar gediplomeerd is uitgestroomd, of het volgend jaar nog binnen de instelling studeert.

    2

    79

    79

    3

    82

    82

    4

    82

    82

    Indicator

    Definitie

    Benchmark1

         

    Passende plaatsing

    De mate waarin de instelling nieuwe instromers plaatst op een opleidingsniveau dat op basis van hun vooropleiding mag worden verwacht.

    Landelijk gemiddelde

    Passend diploma

    Het aandeel uitgestroomde studenten dat een diploma haalt op of boven een opleidingsniveau dat past bij de vooropleiding als percentage van het totaal aantal uitgestroomde studenten.

    Landelijk gemiddelde

    Opstroom

    Het aandeel van de ingeschreven studenten in een bepaald jaar op niveau 2 en 3 dat het volgende jaar binnen de eigen instelling ingeschreven is op een hoger niveau, als percentage van de studenten die doorstromen in dat jaar.

    Landelijk gemiddelde

    X Noot
    1

    Het betreft de benchmark van het landelijk gemiddelde van het specifieke domein, de specifieke subgroep of de specifieke opleiding. Bij beroepsbegeleidende leerweg (bbl)-opleidingen kan de beroepscontext een rol spelen in de plaatsing.

  • 2. Standaard Vervolgsucces in bekostigd onderwijs

    Met de standaard Vervolgsucces beschouwen we het vervolg op het middelbaar beroepsonderwijs. Het vraagt van de instellingen om over gegevens te beschikken over het vervolg van de loopbaan van studenten die de opleiding voortijdig of met een diploma hebben verlaten, en om die gegevens voor zover mogelijk te relateren aan hun eigen doelstellingen of ambities op dat punt.

    We willen de komende jaren met het veld evalueren in hoeverre deze informatie kan bijdragen aan de kwaliteit van het onderwijs en aan de sturing door het bestuur. In deze cyclus van vier jaar wordt deze indicator niet in de beoordeling betrokken. Na afloop van deze cyclus zal worden bepaald of en in hoeverre dat wel het geval zal zijn. In eerste instantie zullen we uitgaan van informatie die Duo aanlevert, Duo combineert gegevens van het CBS met haar eigen bestanden. Doel is echter om ons steeds meer te baseren op data die instellingen zelf verzamelen.

    Vervolgsucces niveau 2, 3 en 4

    Indicator1

    Definitie

    Doorstroom hbo

    De ontwikkeling over drie jaar in het aandeel studenten dat de overstap maakt naar het hbo van de groep die in hetzelfde jaar een mbo-diploma heeft behaald.

    Doorstroom mbo

    De ontwikkeling over drie jaar in het aandeel studenten dat de overstap maakt naar een andere opleiding in het mbo van de groep die in hetzelfde jaar een mbo-diploma heeft behaald

    Doorstroom naar de arbeidsmarkt

    De ontwikkeling over drie jaar in het aandeel studenten dat de overstap maakt naar de arbeidsmarkt van de groep die in hetzelfde jaar een mbo-diploma heeft behaald

    Doorstroom onbekend

    De ontwikkeling over drie jaar in het aandeel studenten waarvan de bestemming niet tot bovenstaande drie categorieën behoort of onbekend is van de groep die in hetzelfde jaar een mbo-diploma heeft behaald

    X Noot
    1

    De indicatoren voor Vervolgsucces worden berekend over alle studenten die een mbo-diploma hebben behaald. Deze groep wordt hieronder aangeduid als 'de populatie'. De percentages van de vier indicatoren tellen samen op tot 100.

  • 3. Entreeopleidingen

    We onderzoeken Studiesucces en Vervolgsucces van entreeopleidingen aan de hand van drie indicatoren: Onderwijsresultaat, Uitstroom naar werk en Bindend studieadvies. Voor Onderwijsresultaat en Uitstroom naar werk wordt de komende vier jaar geen norm vastgesteld. De resultaten op deze indicatoren geven een beeld van de prestaties van de instelling ten opzichte van hun eigen doelen en ambities en geven een vergelijking met het landelijk gemiddelde. Het aandeel studenten met een negatief bindend studieadvies zal onderwerp zijn van gesprek en zal kwalitatief en in samenhang met de andere indicatoren worden geduid.

    Samen met de instellingen en het veld wil de inspectie de komende jaren hiermee verder kennis over de onderwijsresultaten van de entreeopleidingen opbouwen, om langs die weg te komen tot een goede en faire beschrijving van het niveau van de onderwijsresultaten van entreeopleidingen.

    Studie- en vervolgsucces entreeopleiding: indicatoren, definities en benchmark

    Indicator

    Definitie

    Benchmark

    Onderwijsresultaat

    Het aantal ingeschreven studenten in jaar T dat een jaar later een diploma heeft gehaald of doorstroomt, als percentage van het totaal aantal inschreven studenten in jaar T.

    Landelijk gemiddelde

    Uitstroom naar werk

    Het aandeel ingeschreven studenten in jaar T dat een jaar later is uitgestroomd naar werk zonder diploma.

    Landelijk gemiddelde1

    X Noot
    1

    Informatie van uitstroom naar werk voor entree zullen instellingen zelf moeten bijhouden.

  • 4. Studiesucces: oordeelsvorming en werkwijze

    De onderwijsresultaten zijn indien mogelijk gebaseerd op driejaarsgemiddelden, of ten minste op de resultaten van het meest recente onderwijsresultatenjaar en een ander jaar. Indien er te weinig informatie aanwezig is om indicatoren te berekenen, is het mogelijk dat het oordeel niet te bepalen is.

    Alle indicatoren worden op verschillende aggregatieniveaus berekend (bijv. branche of domein). Op basis hiervan gaan we met de instelling in gesprek over de ontwikkeling en het niveau van de onderwijsresultaten. De inspectie spreekt een oordeel uit op het aggregatieniveau ‘opleiding’ (i.e. bc-code x opleidingsniveau), op basis van de drie genormeerde indicatoren. Dit leidt tot een van de volgende oordelen en waardering:

    Beoordeling standaard Studiesucces niveau 2, 3 en 4

    Studiesucces

    Norm

    Goed

    De opleiding voldoet aan de norm van alle drie de indicatoren én voor het niveau van jaarresultaat of diplomaresultaat geldt dat het hoog is.

    Voldoende

    De opleiding voldoet aan de norm als ten minste twee van de drie indicatoren voldoen.

    Onvoldoende

    De opleiding voldoet niet als minder dan twee van de drie indicatoren aan de norm voldoen.

    Bij de beschrijving van de onderwijsresultaten betrekken we de overige indicatoren Passende plaatsing, Passend diploma en Opstroom.

  • 5. Beschrijving resultaten niet-genormeerde indicatoren

    De resultaten op de niet-genormeerde indicatoren kunnen in samenhang een beeld geven van de inspanningen die de opleiding en instelling leveren. Dit kan input voor het gesprek over de doelen en ambities van de opleiding en instelling zijn.

  • 6. Studiesucces bij niet-bekostigde instellingen

    De standaard Studiesucces wordt voor niet-bekostigde instellingen aan de hand van de indicator Cohortrendement berekend. Voor de indicator Cohortrendement hanteren we een indeling per doelgroep:

    • Opleidingen die overwegend studenten jonger dan 23 jaar hebben (tot en met 22 jaar).

    • Opleidingen die overwegend studenten ouder dan 22 jaar (23 jaar en ouder) hebben.

    • Opleidingen van de derde leerweg (overig onderwijs, ovo).

    De hoogte van de genormeerde indicator is voor een periode van twee jaar na overleg met het onderwijsveld vastgesteld.96 De norm dient fair te zijn. De norm zal voor de opleidingen met overwegend studenten jonger dan 23 jaar beoordelend zijn. Voor de andere groepen hanteren we de norm alleen beschrijvend.

    Indicator studiesucces

    Indicator

    Definitie

    Norm

    Cohortrendement

    (opleidingsniveau)

    Het aandeel geslaagde studenten van startjaar Y van het totaal aantal gestarte studenten in startjaar Y.

    Percentiel 30

    De normen voor de drie verschillende doelgroepen

     

    < 23 jaar

    > 23 jaar

    Derde leerweg

    Toe te passen norm (Percentiel 30)

    63%

    Geen opbrengstenbeoordeling

    Geen opbrengstenbeoordeling

    Benchmark (Percentiel 30)

    Geen benchmark

    47%

    11%

    Om het instellingsbeeld over de onderwijsresultaten te bepalen zullen we op instellingsniveau het jaarrendement per jaar bepalen. We zullen met de instellingen over de ontwikkeling van dit rendement tijdens het vierjaarlijks onderzoek het gesprek aangaan.

    Studiesucces: oordeelsvorming en werkwijze

    We berekenen het cohortrendement als volgt: het aandeel geslaagde studenten van startjaar Y van het totaal aantal gestarte studenten in startjaar Y. Dit aandeel moet ten minste aan de norm voldoen. Deze norm betreft ingeschreven studenten die in het startjaar nog geen 23 jaar zijn.

    Beoordeling Studiesucces voor opleidingen met overwegend studenten jonger dan 23 jaar

    Studiesucces

    Norm

    Voldoende

    De opleiding voldoet als het cohortrendement op of boven de norm ligt.

    Onvoldoende

    De opleiding voldoet niet als het cohortrendement onder de norm ligt.

  • 7. Vavo en B2-scholen

    Indicator1

    Definitie

    Norm

    Verschil

    CE-SE-cijfer

    Het gemiddelde verschil tussen het centraal examencijfer en het schoolexamencijfer over alle studenten en vakken mag niet te groot zijn. Het schoolexamencijfer mag gemiddeld niet te hoog zijn ten opzichte van het centraal examencijfer.

    Maximaal 0,5 punt

    Percentage voldoende vakken

    Het percentage voldoende vakken is gelijk aan of hoger dan de norm.

    65%

    X Noot
    1

    De indicatoren bestaan uit een gemiddelde over drie jaar.

Bijlage 2 Waarderingskader niet-bekostigd mbo

In deze bijlage is het waarderingskader voor het niet-bekostigd mbo opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.2.

KWALITEITSGEBIED BESTURING, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (BKA)

BKA1. Visie, ambities en doelen

Het bestuur heeft een visie op kwaliteit, heeft hiervoor ambities en doelen opgesteld en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

Het bestuur heeft een visie op goed onderwijs en op de besturing daarvan. De visie is concreet en passend vertaald naar ambities, doelen en daarmee samenhangend beleid. Deze vertaling maakt sturing mogelijk op de kwaliteit en resultaten van het onderwijs en de voorwaarden. Daartoe is een stelsel van kwaliteitszorg ingericht dat het bestuur in staat stelt de basiskwaliteit van het onderwijs te waarborgen.

De doelen betreffen in elk geval het zorg dragen voor de kwaliteit van het onderwijs, waaronder de wettelijke vereisten voor het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces en de wijze van afsluiten en diplomeren. De visie, ambities en doelen omvatten uitwerkingen van eerdere evaluatieresultaten en resultaten van interne en externe dialoog.

Het bestuur zorgt er met betrokkenheid van de opleidingen voor dat de visie, ambities, doelen en het beleid sturend zijn voor de verbetering van het onderwijs aan studenten.

Het bestuur richt de voorwaarden in om de doelen te bereiken, waaronder het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijsproces, de diplomering, het schoolklimaat en de resultaten.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg in en beoordeelt aan de hand daarvan het onderwijs.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

BKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

Het bestuur realiseert samen met de opleidingen de doelen voor kwaliteit, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

Het bestuur geeft als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg met de opleidingen effectief uitvoering aan de visie en de doelen voor onderwijskwaliteit. Aan de transparante, integere kwaliteitscultuur is zichtbaar dat deze bijdraagt aan de gestelde doelen.

Het bestuur bevordert een op samenwerken, leren en verbeteren gerichte kwaliteitscultuur, zodat de doelen en ambities gerealiseerd kunnen worden. Het bestuur zorgt ervoor dat het onderwijskundig leiderschap op alle niveaus herkenbaar verankerd is in de organisatie. Ook bevordert het bestuur dat directie en teams gezamenlijk werken aan hun professionaliteit en aan een verbetercultuur.

Binnen de kwaliteitscultuur geeft het bestuur uitvoering aan kwaliteitszorg, gericht op de kwaliteit van het onderwijs en de naleving van wettelijke voorschriften. Het bestuur bewaakt en bevordert dat de uitvoering in overeenstemming is met het beleid, zodat de (verbeter)doelen worden bereikt. Het bestuur houdt zicht op de uitvoering van het beleid en op de nagestreefde verbeteringen en stuurt daarop, zo nodig, tussentijds bij. Ook stelt het bestuur de examencommissie in en benoemt de leden.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6 WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg in en beoordeelt aan de hand daarvan het onderwijs, en maakt regelmatig beleid openbaar in het licht van de beoordeling van de onderwijskwaliteit.

• Artikel 7.4.5 WEB: Het bestuur zorgt voor een examencommissie die voldoet aan de inrichtingsvereisten.

• Artikel 7.4.5, derde lid, WEB: Het bestuur waarborgt dat de examencommissie deugdelijk en onafhankelijk kan functioneren.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

BKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

Het bestuur evalueert en analyseert systematisch of het de doelen realiseert en verantwoordt zich hierover. Het stelt wanneer dat nodig is het beleid bij en betrekt daartoe interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

Het bestuur evalueert en beoordeelt als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de ambities, de doelen en het beleid worden gerealiseerd. Op deze manier krijgt het bestuur zicht op de gerealiseerde kwaliteit en de resultaten van het onderwijs aan studenten. Bij de evaluatie en beoordeling van het beleid en de onderwijskwaliteit betrekt het bestuur interne en onafhankelijke deskundigen en belanghebbenden en gebruikt deze informatie bij de evaluatie en beoordeling. Op basis van de evaluatie reageert het bestuur tijdig op kansen en bedreigingen, stelt wanneer nodig (verbeter)beleid op en treft passende maatregelen om de kwaliteit van het onderwijs op de opleidingen te borgen.

Het bestuur legt verantwoording af door middel van accurate, actuele en openbaar toegankelijke informatie over de gerealiseerde kwaliteit. Het brengt minimaal jaarlijks verslag (verslag van werkzaamheden) uit aan de minister over de werkzaamheden wat betreft de beroepsopleidingen. Daarnaast brengt het bestuur regelmatig (en voor zover het de examenkwaliteit betreft jaarlijks) verslag uit over zijn doelen en de resultaten van de opleidingen. Dit verslag is openbaar. De reflectie op de uitkomsten van de evaluatie geeft voldoende inzicht in de effectiviteit van de besturing en uitvoering. Het bestuur analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verantwoording. Vervolgens verwerkt het bestuur deze wanneer nodig voor bijstelling van ambities, (verbeter)doelen en beleid of nieuwe ambities, zodat de opbrengst van de dialoog bijdraagt aan de ontwikkeling en verbetering van het onderwijs en de sturing daarop.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur betrekt bij de beoordeling van de onderwijskwaliteit ten minste het oordeel van studenten en betrekt daarbij ook onafhankelijke en deskundigen en belanghebbenden.

• Artikel 1.3.6, tweede lid, WEB: Het bestuur maakt regelmatig een openbaar verslag over de beoordeling van de uitkomsten van de beoordeling bedoeld in het eerste lid, en van het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten.

• Artikel 1.3.6, tweede lid, WEB: Het verslag over de kwaliteit van de examens wordt jaarlijks openbaar gemaakt.

• Artikel 1.4.1, zevende lid, WEB: Het bestuur maakt jaarlijks een verslag omtrent de werkzaamheden van de instelling t.a.v. de beroepsopleidingen.

KWALITEITSGEBIEDEN EN STANDAARDEN OPLEIDINGSNIVEAU

OP ONDERWIJSPROCES

OP1

Aanbod

OP2

Ontwikkeling en begeleiding

OP3

Pedagogisch-didactisch handelen

OP5

Beroepspraktijkvorming

VS VEILIGHEID & SCHOOLKLIMAAT

VS1

Veiligheid

VS2

Schoolklimaat

BA BORGING EN AFSLUITING

BA1

Borging diplomering

BA2

Afsluiting

OR ONDERWIJSRESULTATEN

OR1

Studiesucces

SKA STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE

SKA1

Visie, ambities en doelen

SKA2

Uitvoering en kwaliteitscultuur

SKA3

Evaluatie, verantwoording en dialoog

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSPROCES (OP)1

OP1. Aanbod

Het aangeboden onderwijsprogramma bereidt de studenten voor op de beroepspraktijk, het vervolgonderwijs en de samenleving.

Basiskwaliteit

De opleiding bereidt studenten voor op de beroepspraktijk, het vervolgonderwijs en de democratische samenleving. Het biedt een op het kwalificatiedossier gebaseerd programma aan, waarin ook de beroepspraktijkvorming, de keuzedelen en eventuele wettelijke beroepsvereisten zijn opgenomen en de opleidings- en vormingsdoelen die de opleiding zelf formuleert. Het programma is daarnaast gericht op het verwerven van generieke competenties, waaronder die voor loopbaan en burgerschap. Het programma kent samenhang met de toetsing en examinering op basis waarvan de opleiding kwalificeert en diplomeert. Onder het programma verstaan we alle lesinhouden, ook die digitaal zijn of online aangeboden worden.

Het onderwijsprogramma is afgestemd op de studentenpopulatie en sluit aan bij het niveau van het kwalificatiedossier en de onderwijsbehoeften van de studenten. Bovendien heeft de opleiding de leerinhouden evenwichtig en in samenhang over de leerjaren verdeeld. De studenten worden tijdig geïnformeerd over de opbouw en de doelen van de opleiding.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het aanbod en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 7.1.2, tweede lid, WEB: Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een student is ingericht overeenkomstig de eisen van hoofdstuk 7, titel 2, onverminderd artikel 1.4.1, lid 1a, WEB en is gericht op het behalen van een kwalificatie in het beroepsonderwijs alsmede een of meer daarbij behorende keuzedelen, ten bewijze waarvan een diploma wordt uitgereikt.

• Artikel 7.2.6, tweede lid, WEB: Als er voor een beroepsopleiding wettelijke beroepsvereisten zijn vereist, worden studenten in de gelegenheid gesteld om hieraan te voldoen.

• Artikel 7.2.7, eerste lid, WEB: Het bestuur draagt er zorg voor dat beroepsopleidingen zodanig zijn ingericht dat studenten, ongeacht of zij eerst worden ingeschreven voor een opleidingsdomein of voor een kwalificatiedossier, de kwalificatie en daarbij behorende keuzedelen binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken en dat het onderwijsprogramma evenwichtig is ingedeeld, alsmede voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming omvat. (Deze bepaling geldt niet voor de derde leerweg.

• Artikel 7.2.7, vijfde lid, WEB: Het onderwijsprogramma, bedoeld in het derde en vierde lid, omvat alle onderwijsactiviteiten gericht op het bereiken van de onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding, waaraan door de student wordt deelgenomen onder verantwoordelijkheid en toezicht van het bestuur en bestaat uitsluitend uit begeleide onderwijsuren en beroepspraktijkvorming. (Deze bepaling geldt slechts ten dele voor de derde leerweg.)

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 7.4.8, tweede lid, WEB: Studenten worden tijdig geïnformeerd over het onderwijsprogramma, de examens en het ondersteuningsaanbod voor gehandicapte studenten die extra ondersteuning behoeven.

OP2. Ontwikkeling en begeleiding

De opleiding zorgt voor een passende intake en plaatsing. De opleiding houdt de ontwikkeling en voortgang van de studenten in de gaten en biedt waar nodig passende begeleiding en extra ondersteuning.

Basiskwaliteit

Studenten worden voorafgaand aan de aanmelding zo voorgelicht dat zij in staat zijn een passende opleiding te kiezen. De opleiding stemt daartoe, wanneer van toepassing, af met voorafgaand onderwijs en/of de werkgever.

Gedurende de schoolloopbaan vindt er gestructureerde en zorgvuldige voortgangsbegeleiding plaats. Daarbij staat de behoefte van de student in combinatie met de vereiste competentieontwikkeling centraal.

Er is een ondersteuningsaanbod voor studenten met extra ondersteuningsbehoeften en de opleiding informeert studenten (en wanneer van toepassing ouders) volledig en tijdig over de mogelijkheden voor extra ondersteuning.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor zicht op ontwikkeling en begeleiding en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.4.1, negende lid, WEB: De opleiding hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Daarnaast komt het de verplichtingen na rond het melden, overleggen en aangifte doen van zedenmisdrijven.

• Artikel 6.1.3a, eerste lid, WEB: Het bestuur verstrekt aan aspirant-studenten zodanige informatie dat zij in staat zijn een passende opleiding te kiezen.

• Artikel 7.1.2, tweede lid, WEB: Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een student is ingericht en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie en een of meer keuzedelen.

• Artikel 7.2.7, eerste lid, WEB: Het bestuur draagt er zorg voor dat beroepsopleidingen zodanig zijn ingericht dat studenten de kwalificatie en daarbij behorende keuzedelen binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 8.1.3, tweede lid, sub g, WEB: Bij plaatsing van een gehandicapte student wordt de ondersteuning opgenomen in de onderwijsovereenkomst.

• Artikel 8.1.3 WEB: Het bestuur maakt schriftelijke afspraken met een student over extra ondersteuning in verband met zijn/haar handicap of chronische ziekte. Deze afspraken worden jaarlijks geëvalueerd.

OP3. Pedagogisch-didactisch handelen

Het pedagogisch-didactisch handelen van het onderwijsteam stelt studenten in staat om te leren en zich te ontwikkelen.

Basiskwaliteit

Het onderwijsteam zorgt voor effectieve leersituaties. Het team stemt de instructies, begeleiding, opdrachten en onderwijstijd doelgericht af op de onderwijsbehoeften van groepen en individuele studenten. De afstemming is zowel gericht op (pedagogische) ondersteuning als op uitdaging, afhankelijk van de onderwijsbehoeften van groepen en individuele studenten.

Het team plant en structureert zijn handelen met behulp van informatie die het over studenten heeft. Het maakt didactische keuzes waarbij het niveau en de complexiteit van het onderwijs in lijn is met het onderliggende kwalificatiedossier. Het team realiseert bovendien een evenwichtige verbinding tussen leren in de beroepspraktijkvorming en het leren binnen de instelling.

Het team creëert een pedagogisch en didactisch passend en stimulerend leerklimaat waardoor studenten actief en betrokken zijn. Met geschikte opdrachten en heldere uitleg structureert het team het onderwijsaanbod zo dat studenten zich het leerstofaanbod eigen kunnen maken. Het team heeft positieve verwachtingen van studenten en geeft hun gerichte feedback op hun leerproces.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het pedagogisch-didactisch handelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 7.1.2, tweede lid, WEB: Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een student is ingericht en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie en een of meer keuzedelen.

• Artikel 7.2.7, eerste lid, jo. artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en dit onderwijsprogramma evenwichtig in te delen, zodat de studenten de kwalificatie binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken.

• Artikel 7.2.7, vijfde lid, WEB: Het onderwijsprogramma omvat alle onderwijsactiviteiten, gericht op het bereiken van de onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding. De student neemt deel aan het onderwijsprogramma onder verantwoordelijkheid en toezicht van het bestuur en bestaat uitsluitend uit begeleide onderwijsuren en beroepspraktijk.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

OP5. Beroepspraktijkvorming

De voorbereiding, uitvoering en begeleiding van de beroepspraktijkvorming zijn doeltreffend.

Basiskwaliteit

De opleiding maakt afspraken met de student over welke leeractiviteiten de student ontplooit in het kader van de beroepspraktijkvorming en hoe deze bijdragen aan de ontwikkeling van de benodigde competenties en vaardigheden van de student.

De opleiding begeleidt de student bij de voorbereiding en bij de keuze van een beroepspraktijkplaats en stelt hiervoor samen met de student en het leerbedrijf de vereiste praktijkovereenkomst op. De inhoud, de omvang, de periode en de organisatie van de beroepspraktijkvorming worden beschreven in de praktijkovereenkomst.

De opleiding zorgt dat het leerbedrijf de student op de afgesproken manier begeleidt. De opleiding is op de hoogte van het functioneren van de student op de beroepspraktijkplaats en stuurt zo nodig bij.

Ook beoordeelt de opleiding of de student de beroepspraktijkvorming met een positieve beoordeling heeft afgerond.

De instelling draagt zorg voor erkende en adequate beroepspraktijkplaatsen.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de beroepspraktijkvorming en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 7.2.8, tweede lid, WEB: De beroepspraktijkvorming wordt verzorgd op grondslag van een overeenkomst, gesloten door student, de instelling en het leerbedrijf, waarin de rechten en verplichtingen van partijen worden geregeld en bevatten tenminste bepalingen over de wettelijk voorgeschreven onderwerpen.

• Artikel 7.2.8, derde lid, WEB: Het bedrijf dat, of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt, draagt zorg voor de begeleiding van de studenten binnen het bedrijf. Het bestuur beoordeelt of de student de beroepspraktijkvorming met een positieve beoordeling heeft voltooid.

• Artikel 7.2.9, eerste lid, WEB: Het bestuur van de instelling draagt zorg voor de beschikbaarheid van de praktijkplaats en de totstandkoming van de in artikel 7.2.8 bedoelde overeenkomst.

• Artikel 7.2.9, tweede lid, WEB: Indien het bestuur en de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven na het sluiten van de in artikel 7.2.8 bedoelde overeenkomst vaststellen dat de praktijkplaats niet of niet volledig beschikbaar is, de begeleiding tekortschiet of ontbreekt, het bedrijf of de organisatie niet langer beschikt over een gunstige beoordeling als bedoeld in artikel 7.2.10, of sprake is van andere omstandigheden die maken dat de beroepspraktijkvorming niet naar behoren zal kunnen plaatsvinden, bevordert het bestuur, na overleg met het bestuur van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, dat een toereikende vervangende voorziening beschikbaar wordt gesteld.

• Artikel 7.2.10, tweede lid, WEB: Het bestuur van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven erkent een bedrijf of organisatie als leerbedrijf voor de beroepspraktijkvorming, of handhaaft de erkenning bij een gunstige beoordeling op grond van het eerste lid.

• Artikel 7.2.10, zevende lid, WEB: Tot het verzorgen van beroepspraktijkvorming voor een opleiding of groep van opleidingen zijn uitsluitend de bedrijven en organisaties met een erkenning op grond van het tweede lid, eerste volzin bevoegd.

X Noot
1

Artikel 7.2.7, eerste lid, WEB geldt niet voor de derde leerweg voor wat betreft de eisen met betrekking tot voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming, maar wel voor wat betreft de eis dat het onderwijsprogramma evenwichtig en zodanig moet zijn ingericht dat de studenten de kwalificatie en de daarbij behorende keuzedelen binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken. Artikel 7.2.7, tweede tot en met achtste lid, WEB geldt niet voor de derde leerweg.

KWALITEITSGEBIED VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT (VS)1

VS1. Veiligheid

De opleiding zorgt voor een veilige omgeving voor studenten.

Basiskwaliteit

De opleiding zorgt voor een veilig leer- en werkklimaat. Er is aandacht voor burgerschapsvorming en vitaal burgerschap in het aanbod en het onderwijsproces. Het biedt veiligheid bij incidenten en zorgt voor fysieke veiligheid. Van de opleiding mag worden verwacht dat zij inzicht heeft in de fysieke en sociale veiligheids(beleving) van de studenten, hier beleid op voert en effectief handelt bij signalen die de sociale en/of fysieke veiligheid bedreigen, zodat de studenten kunnen profiteren van het geboden onderwijs.

De opleiding hanteert de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling. Daarnaast komt het de verplichtingen na rond het melden, overleggen en aangifte doen van zedenmisdrijven.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de veiligheid en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6 WEB: De instelling dient een stelsel van kwaliteitszorg in te richten en daarbij onder andere het oordeel van de studenten te betrekken.

• Artikel 1.3.8 WEB: Het bestuur houdt zich aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van het melden, overleggen en aangifte doen in het geval van een (redelijk vermoeden van een) zedenmisdrijf. Het bestuur treedt hierbij onverwijld in contact met de vertrouwensinspecteur.

• Artikel 1.3.9 WEB: Het bestuur stelt voor het personeel een meldcode vast die aangeeft hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan. Daarnaast moet het bestuur de kennis en het gebruik van de meldcode bevorderen.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.2.7, vijfde en zesde lid, WEB: Het bestuur is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijsprogramma. De begeleide onderwijstijd vindt plaats onder verantwoordelijkheid en met actieve betrokkenheid van het onderwijspersoneel.

VS2. Schoolklimaat

De opleiding geeft in denken en doen uiting aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.

Basiskwaliteit

Het personeel geeft in denken en doen uiting aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.

Het personeel van de opleiding is in zijn gedrag een voorbeeld voor de studenten: personeelsleden leven de basiswaarden zichtbaar na. Ook signaleert en corrigeert het personeel van de opleiding uitingen van studenten die met de basiswaarden in strijd zijn.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het schoolklimaat en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 7.1.2, tweede lid, WEB: Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een student is ingericht en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie en een of meer keuzedelen, waaronder ook de generieke eisen met betrekking tot burgerschap.

X Noot
1

Artikel 7.2.7, vijfde en zesde lid, WEB gelden in zijn geheel niet voor de derde leerweg.

KWALITEITSGEBIED BORGING EN AFSLUTING (BA)

BA1. Borging diplomering

De examencommissie borgt deugdelijke diplomering.

Basiskwaliteit

Het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie is voldoende gewaarborgd door het bestuur.

De examencommissie stelt op objectieve en deskundige wijze vast of een student voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een diploma of een certificaat. Zij bewaakt, monitort en analyseert de kwaliteit van de processen die hieraan ten grondslag liggen. Hierdoor zijn het niveau, de complexiteit en de inhoud van de door de student geleverde prestaties, afgestemd op de kwalificatievereisten of het certificaat, geborgd.

De examencommissie borgt in alle fasen van de examinering en diplomering de deskundigheid van de betrokken personen.

De examencommissie bewaakt op een cyclische manier haar eigen werkwijze en eigen kwaliteit met betrekking tot de borging van de examinering en diplomering en certificering voor de opleidingen waarvoor zij verantwoordelijk is. Zij geeft betekenis aan de uitkomsten hiervan en acteert hierop. Hierbij betrekt zij eventueel onafhankelijke deskundigen. In voorkomende gevallen worden verbetermaatregelen genomen en wordt toegezien op de realisatie ervan. Hierover wordt jaarlijks verslag gedaan.

De examencommissie geeft op deugdelijke gronden instellingsverklaringen af. Tevens geeft zij vrijstellingen voor examenonderdelen op deugdelijke gronden.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de borging van de diplomering en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• De twee standaarden op het gebied van diplomering en afsluiting en de bijbehorende normering in dit waarderingskader komen overeen met de standaarden en normering in de Regeling standaarden examenkwaliteit mbo 2021.1

BA2. Afsluiting

De opleiding2onderbouwt dat de student voldaan heeft aan de voorwaarden voor het diploma, een certificaat of een instellingsverklaring.

Basiskwaliteit

De opbouw en inrichting van de afsluiting voldoen aan de eigen vastgestelde kwaliteitseisen voor een betrouwbare diplomering en certificering. Dit sluit aan op de visie op het onderwijs van het team. De examinering is afgestemd op de kwalificatie-eisen wanneer het gaat om diplomering. Dit is inclusief de keuzedelen en de eisen ten aanzien van generieke examenonderdelen.

De examinering is valide en betrouwbaar en zorgt ervoor dat de student voldoet aan de voorwaarden tot diplomering of certificering. De afnamecondities en beoordelingen zijn voor studenten gelijkwaardig. De opleiding betrekt de beroepspraktijk bij de examinering. De opleiding beoordeelt de bewijzen ten behoeve van de examinering onafhankelijk en deskundig. Deze bewijzen laten in samenhang een passende balans zien tussen vereiste kennis, houding en vaardigheden, waarbij onderdelen van de examinering in de reële beroepspraktijk plaatsvinden. Op basis van de bewijzen stelt de opleiding vast of een student de kwalificatie-eisen in voldoende mate beheerst.

De student is volledig en tijdig geïnformeerd over de kwalificatie-eisen en eisen die de opleiding stelt aan de examinering en diplomering. Deze informatie is voor alle betrokkenen transparant en eenduidig.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de borging van de diplomering en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• De twee standaarden op het gebied van diplomering en afsluiting en de bijbehorende normering in dit waarderingskader komen overeen met de standaarden en normering in de Regeling standaarden examenkwaliteit mbo 2021.

X Noot
1

Deze regeling wordt per 1 augustus 2021 van kracht

X Noot
2

Waar we opleiding schrijven, kan ook team worden gelezen.

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSRESULTATEN (OR)

OR1. Studiesucces

De instelling behaalt met haar studenten leerresultaten die ten minste in overeenstemming zijn met de gestelde norm.1

Basiskwaliteit

De onderwijsresultaten laten zien dat de opleiding studenten voldoende in staat stelt een diploma op het gewenste niveau te behalen. De opleiding zorgt ervoor dat studenten een succesvolle start maken en de studie binnen de door de instelling vastgestelde studieduur doorlopen. De resultaten laten ook zien dat er doorstroom is naar hogere opleidingsniveaus.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de onderwijsresultaten en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6 WEB: Gezien de relatie tussen studiesucces en de onderwijskwaliteit mag in het kader van de kwaliteitszorg van de instelling worden verwacht dat zij hier inzicht in heeft en beleid op voert. Ook dient de instelling in het kader van de kwaliteitszorg oorzaken van achterblijvende resultaten te analyseren en zich hierover te verantwoorden.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB, jo. Artikel 7.2.7, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt ervoor dat beroepsopleidingen zo zodanig zijn ingericht dat studenten de kwalificatie en de daarbij behorende keuzedelen binnen de (door de instelling) vastgestelde studieduur kunnen behalen. Daarnaast zorgt het bestuur voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma.

X Noot
1

De norm voor studiesucces wordt voor vier jaar vastgesteld, zoals uitgewerkt in bijlage 1 van dit onderzoekskader. We beoordelen het studiesucces aan de hand van deze norm op het niveau van het kwalificatiedossier.

KWALITEITSGEBIED STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE OPLEIDINGEN (SKA)1

SKA1. Visie, ambities en doelen

De opleiding heeft een gedragen visie op goed onderwijs, heeft daarvoor ambities en doelen en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

De opleiding heeft, als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg, een gedragen visie, ambities en doelen gericht op goed onderwijs. De opleiding stuurt systematisch op de doelen om de beoogde resultaten te behalen.

De opleiding sluit haar visie, ambities en doelen aan op die van het bestuur, op de resultaten van eerdere evaluaties en op bevindingen uit de interne en externe dialoog. De opleiding richt voorwaarden in om de onderwijskundige ambities en doelen te bereiken. Daarbij is de interne verantwoordelijkheidsverdeling duidelijk.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg in en verbetert aan de hand daarvan het onderwijs.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 7.4.8, derde lid, jo. artikel 7.2.7, vijfde lid, WEB: Het bestuur zorgt ervoor dat opleidingen aantoonbaar voldoen aan enkele eisen, waaronder artikel 7.2.7, vijfde lid, waaruit blijkt dat het onderwijsprogramma moet zijn gericht op het bereiken van onderwijs- en vormingsdoelen van de beroepsopleiding.

SKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

De opleiding realiseert de doelen voor goed onderwijs, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

De opleiding geeft als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg effectief uitvoering aan de onderwijskundige ambities en doelen en schept de daarvoor benodigde voorwaarden.

De opleiding zorgt op basis van de interne verantwoordelijkheidsverdeling voor een op samenwerken, leren en verbeteren gerichte kwaliteitscultuur, waarin doelen en ambities gerealiseerd kunnen worden. Daarbij is onderwijskundig leiderschap herkenbaar.

Binnen deze kwaliteitscultuur geeft de opleiding uitvoering aan het stelsel van kwaliteitszorg, zodat gericht wordt gewerkt aan de kwaliteit van het onderwijs en de naleving van wettelijke voorschriften. De opleiding stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg in en verbetert aan de hand daarvan het onderwijs. De kwaliteit van het onderwijs wordt regelmatig beoordeeld, er worden maatregelen en instrumenten gebruikt om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 7.4.8, derde lid, jo. artikel 7.2.7, vijfde lid (deze bepaling geldt niet voor de derde leerweg), WEB: Het bestuur zorgt ervoor dat opleidingen aantoonbaar voldoen aan enkele eisen, waaronder artikel 7.2.7, vijfde lid, waaruit blijkt dat het onderwijsprogramma moet zijn gericht op het bereiken van onderwijs- en vormingsdoelen van de beroepsopleiding.

SKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

De opleiding evalueert en analyseert systematisch of het de doelen realiseert en verantwoordt zich daarover. Ze stelt, wanneer nodig, het beleid bij en betrekt interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

De opleiding monitort, evalueert, analyseert en beoordeelt als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de doelen en het beleid worden gerealiseerd en informeert het bestuur daarover. Het haalt intern en extern actief informatie op om zicht te krijgen op de uitvoering, de resultaten van het onderwijs voor de studenten en de kansen en bedreigingen voor de verdere ontwikkeling van het onderwijs. Bij de beoordeling van de kwaliteit betrekt de opleiding het oordeel van de studenten, onafhankelijke deskundigen en andere hiervoor relevante betrokkenen.

De opleiding analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verwerkt deze wanneer nodig in het (verbeter)beleid, zodat dit bijdraagt aan de ontwikkeling en verbetering van het onderwijs. Daarnaast gebruikt de opleiding de uitkomsten van de evaluatie om de sturing te verbeteren.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg in en verbetert aan de hand daarvan het onderwijs. De kwaliteit van het onderwijs wordt regelmatig beoordeeld. De beoordeling geschiedt mede aan de hand van het oordeel van studenten en met betrokkenheid van onafhankelijke deskundigen en belanghebbenden.

• Artikel 1.3.6, tweede lid, WEB: Het bestuur verantwoordt zich over de beoordeling en het voorgenomen beleid in het licht van de beoordeling.

X Noot
1

Artikel 7.2.7, vijfde lid, WEB geldt in zijn geheel niet voor de derde leerweg.

Bijlage 3 Waarderingskader vavo en particuliere zelfstandige exameninstellingen (B2)

In deze bijlage is het waarderingskader voor voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) en particuliere zelfstandige exameninstellingen (B2) opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.3.

KWALITEITSGEBIED BESTURING, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (BKA)

BKA1. Visie, ambities en doelen

Het bestuur heeft een visie op kwaliteit, heeft hiervoor ambities en doelen opgesteld en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

Het bestuur heeft een visie op goed onderwijs en op de besturing daarvan. De visie is concreet en passend vertaald naar ambities, doelen en daarmee samenhangend beleid en is gericht op de ononderbroken ontwikkeling van leerlingen. Deze vertaling maakt sturing mogelijk op de kwaliteit en resultaten van het onderwijs en de voorwaarden. Daartoe is een stelsel van kwaliteitszorg ingericht dat het bestuur in staat stelt de basiskwaliteit van het onderwijs te waarborgen.

De doelen betreffen in elk geval het zorg dragen voor de kwaliteit van het onderwijs, waaronder de wettelijke vereisten voor het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces en de wijze van afsluiten en diplomeren. De visie, ambities en doelen omvatten uitwerkingen van eerdere evaluatieresultaten en resultaten van interne en externe dialoog.

Het bestuur zorgt er met betrokkenheid van de scholen voor dat de visie, ambities, doelen en het beleid sturend zijn voor de verbetering van het onderwijs aan leerlingen.

Het bestuur richt de voorwaarden in om de doelen te bereiken voor het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijsproces, de diplomering, het schoolklimaat en de resultaten.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg in en verbetert aan de hand daarvan het onderwijs.

• Artikel 1.3.6, tweede lid, WEB: Het bestuur maakt jaarlijks een verslag openbaar waarin in ieder geval de kwaliteit van de examens is opgenomen.

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen.

• Artikel 23a WVO: Het bestuur moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder ‘zorg dragen voor’ wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg.

• Artikel 23a en artikel 24, vierde lid, WVO: Het bestuur zorgt voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen via een stelsel van kwaliteitszorg. Dat houdt onder andere in dat er toetsbare doelen zijn geformuleerd.

• Artikel 24, eerste, tweede en derde lid, WVO: Het bestuur zorgt ervoor dat alle scholen een schoolplan hebben. Het schoolplan omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg. Bij de beschrijving van het onderwijskundig beleid wordt het schoolondersteuningsprofiel betrokken. Dit bevat een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven.

BKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

Het bestuur realiseert samen met de opleidingen de doelen voor kwaliteit, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

Het bestuur geeft als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg met de opleidingen effectief uitvoering aan de visie en de doelen voor onderwijskwaliteit. Aan de transparante, integere kwaliteitscultuur is zichtbaar dat deze bijdraagt aan de gestelde doelen.

Het bestuur bevordert een op samenwerken, leren en verbeteren gerichte kwaliteitscultuur, zodat de doelen en ambities gerealiseerd kunnen worden. Het bestuur zorgt ervoor dat het onderwijskundig leiderschap op alle niveaus herkenbaar verankerd is in de organisatie.

Binnen de kwaliteitscultuur geeft het bestuur uitvoering aan kwaliteitszorg, gericht op de kwaliteit van het onderwijs en de naleving van wettelijke voorschriften. Het bestuur bewaakt en bevordert dat de uitvoering in overeenstemming is met het beleid, zodat de (verbeter)doelen worden bereikt. Het bestuur houdt zicht op en stuurt daarop, zo nodig, tussentijds bij.

Het bestuur zorgt voor een doeltreffende verwerking van interne en externe signalen en klachten.

Ook stelt het bestuur de examencommissie in en benoemt de leden.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: De kwaliteit van het onderwijs wordt regelmatig beoordeeld, er worden maatregelen en instrumenten gebruikt om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt.

• Artikel 7.4.5 WEB: Het bestuur zorgt voor een examencommissie die voldoet aan de inrichtingsvereisten.

• Artikel 7.4.8, vierde lid, WEB: Het bestuur zorgt ervoor dat de instelling beschikt over een studentenstatuut waarin de rechten en plichten van de studenten en studenten zijn opgenomen.

• Artikel 7.4.8a WEB: Het bestuur heeft een klachtenregeling die leidt tot deugdelijke klachtbehandeling

• Artikel 23a en artikel 24, vierde lid, WVO: Bestuur en schoolleiding zorgen ervoor dat de wet wordt nageleefd en dat er wanneer nodig verbetermaatregelen komen voor de kwaliteit. Dat houdt onder andere in dat het bestuur en de scholen zicht hebben op de kwaliteit van het onderwijs. Daarbij moet het functioneren van de kwaliteitscyclus centraal staan.

• Artikel 24, eerste en derde lid, en artikel 33 WVO: Het bestuur zorgt voor bevoegd personeel en maakt het onderhouden en uitbreiden van de bekwaamheid mogelijk.

• [Artikel 35d Eindexamenbesluit VO: Het bestuur stelt een onafhankelijke en deskundige examencommissie in.]

BKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

Het bestuur evalueert en analyseert systematisch of het de doelen realiseert en verantwoordt zich hierover. Het stelt indien nodig het beleid bij en betrekt daartoe interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

Het bestuur evalueert en beoordeelt als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de ambities, de doelen en het beleid worden gerealiseerd. Op deze manier krijgt het bestuur zicht op de gerealiseerde (financiële) kwaliteit en de resultaten van het onderwijs aan leerlingen. Bij de evaluatie en beoordeling van het beleid en de onderwijskwaliteit betrekt het bestuur interne en externe belanghebbenden en deskundigen en gebruikt deze informatie bij de evaluatie en beoordeling. Op basis van de evaluatie reageert het bestuur tijdig op kansen en bedreigingen, stelt wanneer nodig (verbeter)beleid op en treft passende maatregelen om de kwaliteit van het onderwijs op de opleidingen te borgen.

Het bestuur verantwoordt zich in het jaarverslag dat betrouwbaar is en dat voldoet aan de wettelijke vereisten.

Het bestuur verantwoordt zich daarbij ten minste over het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces, de wijze van afsluiten en diplomeren. De reflectie op de uitkomsten van de evaluatie geeft voldoende inzicht in de effectiviteit van de besturing en uitvoering. Het bestuur analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verantwoording. Vervolgens verwerkt het bestuur deze wanneer nodig in bijstelling van ambities, (verbeter)doelen en beleid of nieuwe ambities zodat de opbrengst van de dialoog bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwijs en de sturing daarop.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur betrekt bij de beoordeling van de onderwijskwaliteit ten minste het oordeel van studenten en betrekt daarbij ook onafhankelijke en deskundigen en belanghebbenden.

• Artikel 1.3.6, tweede lid, WEB: Het bestuur maakt regelmatig een openbaar verslag over de beoordeling van de uitkomsten van de beoordeling bedoeld in lid 1, en van het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten.

• Artikel 1.3.6, tweede lid, WEB: Het verslag over de kwaliteit van de examens wordt jaarlijks openbaar gemaakt.

KWALITEITSGEBIEDEN EN STANDAARDEN SCHOOLNIVEAU

OP ONDERWIJSPROCES

OP1

Aanbod

OP2

Ontwikkeling en begeleiding

OP3

Pedagogisch-didactisch handelen

OP4

Onderwijstijd (alleen voor B2)

OP6

Afsluiting (alleen voor B2)

VS VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT

VS1

Veiligheid

BA BORGING EN AFSLUITING

BA1

Borging diplomering (alleen voor vavo)

BA2

Afsluiting (alleen voor vavo)

OR ONDERWIJSRESULTATEN

OR1

Resultaten

SKA STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE

SKA1

Visie, ambities en doelen

SKA2

Uitvoering en kwaliteitscultuur

SKA3

Evaluatie, verantwoording en dialoog

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSPROCES (OP)

OP1. Aanbod

Het aanbod bereidt de leerlingen1 voor op vervolgonderwijs en de samenleving.

Basiskwaliteit

De school biedt een onderwijsprogramma dat is toegespitst op de doelgroep en het diploma waartoe de school2 opleidt. Het aanbod is dekkend voor examenprogramma’s. Het aanbod bereidt de leerlingen inhoudelijk goed voor op het vervolgonderwijs en kent een evenwichtige opbouw en samenhang. Het aanbod is zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen.

Onder aanbod verstaan we alle lesinhouden, ook die digitaal zijn of online aangeboden worden. Dit aanbod omvat mede activiteiten op het gebied van loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB).

Het aanbod sluit aan bij het (taal)niveau en de onderwijsbehoeften van de leerlingen.

Het aanbod biedt mogelijkheden voor maatwerk waaronder verdieping en verbreding.

De school legt de lesdoelen en de opbouw van het aanbod vast (in het schoolplan) en de leerlingen en ouders worden daarover tijdig geïnformeerd.

B2-instellingen dienen ook aan het volgende te voldoen voor het voldoen aan basiskwaliteit:

De school biedt een breed en op de kerndoelen gebaseerd aanbod dat ook de referentieniveaus taal en rekenen omvat.

Stages kunnen, met name in het vmbo, onderdeel uitmaken van het aanbod. Wanneer een school stages aanbiedt, zorgt ze ervoor dat de inhoud en vormgeving van de stage bijdragen aan de voorbereiding van de leerling op het vervolgonderwijs en de samenleving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het aanbod en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.5, sub c, WEB: De instelling biedt mogelijkheden voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding.

• Artikel 2 en artikel 3, Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen: Het onderwijs neemt de referentieniveaus van taal en rekenen als uitgangspunt.

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 6f WVO: Het onderwijsprogramma in het voortgezet onderwijs kan een maatschappelijke stage omvatten.

• Artikel 7.1.2, derde lid, WEB: Een opleiding is een samenhangend geheel van onderwijseenheden gericht op de verwezenlijking van eindtermen of het behalen van een diploma of onderdelen daarvan. Zie voor de inhoud van de examenprogramma’s artikel 7, 11, 12, 13, 22 en 24.

• Artikel 7.3.4, eerste lid, WEB: Opleidingen vavo omvatten het onderwijs dat noodzakelijk is voor het behalen van het diploma atheneum, gymnasium, havo of vmbo-t.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB: Het bestuur dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 9 Eindexamenbesluit VO: Kandidaten die zijn ingeschreven bij het vavo kunnen voor vrijstellingen in aanmerking komen.

• Artikel 11b en artikel 11c, eerste lid, WVO: Het onderwijsaanbod voor de eerste twee leerjaren voldoet aan de kerndoelen en is samenhangend ingericht.

• Artikel 24, tweede lid, 2 sub a, WVO: Het schoolplan bevat de uitwerking van de wettelijke opdrachten voor de uitgangspunten, doelstellingen en inhoud van het onderwijs.

• Bijlage 3, Regeling examenprogramma’s voortgezet onderwijs: De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen.

OP2. Ontwikkeling en begeleiding

De school zorgt voor een passende intake en plaatsing. De opleiding houdt de ontwikkeling en voortgang van de leerlingen in de gaten en biedt waar nodig passende begeleiding en extra ondersteuning.

Basiskwaliteit

Leerlingen worden voorafgaand aan de aanmelding zo voorgelicht dat zij in staat zijn een passende opleiding te kiezen. De opleiding stemt daartoe, indien van toepassing, af met voorafgaand onderwijs. De school verzamelt vanaf binnenkomst informatie over de kennis en vaardigheden van haar leerlingen. Het verzamelen van (toets)informatie gebeurt systematisch en zorgvuldig. De school vergelijkt de informatie met de verwachte ontwikkeling van de leerling. Dit maakt het mogelijk om het onderwijs af te stemmen op de onderwijsbehoefte van zowel groepen als individuele leerlingen, zodat zij een ononderbroken ontwikkeling kunnen doormaken.

Wanneer individuele of groepen leerlingen niet genoeg lijken te profiteren van het onderwijs, analyseert de school waar de ontwikkeling stagneert en wat mogelijke verklaringen hiervoor zijn. Vervolgens bepaalt zij wat er nodig is om op eventuele achterstanden of voorsprongen in de ontwikkeling van leerlingen in te spelen. De school biedt de begeleiding vervolgens gestructureerd aan.

De leerlingen krijgen daarmee de begeleiding die zij nodig hebben om het onderwijsprogramma beter te kunnen doorlopen. Gedurende de schoolloopbaan vindt er gestructureerde en zorgvuldige voortgangsbegeleiding plaats. Daarbij staat de behoefte van de leerling in combinatie met de eindtermen centraal.

De opleiding informeert leerlingen (en indien van toepassing ouders/verzorgers) volledig en tijdig over de mogelijkheden voor extra ondersteuning.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor zicht op ontwikkeling en begeleiding en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.5, sub a, WEB: De instelling zorgt voor toegankelijkheid van het onderwijs in het bijzonder voor kansarme groepen.

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 7.4.8 eerste lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB: Het bestuur dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.4.11 zesde lid jo. artikel 7.1.2 derde lid, jo. artikel 7.3.4 eerste lid WEB: Het bestuur moet zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en examinering en dit programma zo in te richten dat studenten in staat worden gesteld een diploma mavo, havo of vwo (of onderdelen daarvan) te behalen.

• Artikel 7.4.8, tweede lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB: Het bestuur zorgt ervoor dat de studenten tijdig worden geïnformeerd over het onderwijsprogramma, de regels met betrekking tot de examens door middel van de OER, het programma van toetsing en afsluiting en de extra ondersteuningsmogelijkheden.

• Artikel 24, tweede lid WVO: De school heeft in het schoolplan beschreven op welke wijze het schoolondersteuningsprofiel wordt betrokken bij het onderwijskundig beleid.

• Artikel 24, vierde lid, sub a, WVO: De school heeft de wijze waarop het onderwijs wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen in het schoolplan beschreven.

OP3. Pedagogisch-didactisch handelen

Het pedagogisch-didactisch handelen van de leraren3 stelt leerlingen in staat om te leren en zich te ontwikkelen.

Basiskwaliteit

De beoogde pedagogisch-didactische visie van de school is zichtbaar in het dagelijks handelen van de leraren. De leraren plannen en structureren hun handelen met behulp van informatie die zij over leerlingen hebben. Zij maken pedagogische en didactische keuzes en stemmen daarbij het niveau van hun onderwijs af op het beoogde eindniveau van de leerlingen. De leerstof omvat kennis, vaardigheden en attitudes en wordt in een logische opbouw aangeboden.

De leraren creëren een pedagogisch en didactisch passend en stimulerend leerklimaat, waardoor leerlingen actief en betrokken zijn. Met geschikte opdrachten en heldere uitleg structureren de leraren het onderwijsaanbod zo dat leerlingen zich het leerstofaanbod eigen kunnen maken. Leraren hebben hoge verwachtingen van leerlingen en geven leerlingen feedback op hun leerproces.

De leraren stemmen de instructies, begeleiding, opdrachten en onderwijstijd doelgericht af op de onderwijsbehoeften van groepen en individuele leerlingen, inclusief op de sociale en maatschappelijke competenties. De afstemming is zowel gericht op (pedagogische) ondersteuning als op uitdaging, afhankelijk van de onderwijsbehoeften van leerlingen.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het pedagogisch-didactisch handelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2, tweede lid WVO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 7.1.2, derde lid, WEB: Een opleiding is een samenhangend geheel van onderwijseenheden gericht op de verwezenlijking van eindtermen of het behalen van een diploma of onderdelen daarvan.

• Artikel 7.3.4 eerste lid, WEB: Opleidingen vavo omvatten het onderwijs dat noodzakelijk is voor het behalen van het diploma mavo, havo of vwo.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB: De instelling dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 24, tweede en derde lid, WVO: De school heeft haar beleid over het pedagogisch-didactisch handelen in het schoolplan geformuleerd.

OP4 Onderwijstijd (alleen voor B2)

De leerlingen krijgen voldoende tijd om zich het aanbod eigen te maken.

Basiskwaliteit

De school biedt een programma aan dat voldoet aan de wettelijk verplichte onderwijstijd. De school stelt daartoe vast welke activiteiten onder de onderwijstijd vallen. De school plant de onderwijsactiviteiten weloverwogen over het schooljaar en deze worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van bevoegde leraren.

De school verdeelt de tijd zodanig over de vakken dat leerlingen in staat zijn het verplichte onderwijsprogramma tot zich te nemen. De school heeft beleid om ongeoorloofd verzuim en voortijdig schoolverlaten van leerlingen tegen te gaan, zodat ook op leerling niveau gestreefd wordt om de onderwijstijd te behalen.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de realisatie van onderwijstijd en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 6g WVO: De school verzorgt minimaal het wettelijk verplichte aantal uren en dagen onderwijs.

• Artikel 6g, vijfde lid, WVO: De onderwijstijd wordt ingevuld met activiteiten die worden verzorgd in het onderwijsprogramma.

• Artikel 6g, zevende lid, WVO: Voor het afwijken van de onderwijstijd vraagt het bestuur in bepaalde gevallen instemming van de inspectie.

• Artikel 33 WVO: Bij onderwijstijd moet het gaan om (onderwijs)activiteiten die worden verzorgd onder verantwoordelijkheid van diegenen die op grond van artikel 33 WVO onderwijs mogen verzorgen.

OP6. Afsluiting (alleen voor B2)

De opleiding onderbouwt dat de leerling voldaan heeft aan de voorwaarden voor het diploma of een certificaat.

Basiskwaliteit

De opbouw en inrichting van de afsluiting kent samenhang met het onderwijsprogramma en voldoen aan de voorwaarden voor een betrouwbare diplomering en certificering en sluiten aan op de onderwijsvisie van het team.

De school zorgt ervoor dat alle leerlingen goed worden voorbereid op de afsluiting van het onderwijs.

De school heeft een Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA) en een examenreglement, die beide voldoen aan de eisen van de wetgeving. Met deze documenten maakt de school tijdig aan leerlingen en ouders duidelijk hoe het schoolexamen en het centraal examen georganiseerd zijn, welke regels daarbij gelden en welke maatregelen de school hanteert bij leerlingen die zich niet aan de regels houden. Ook moet duidelijk zijn welke examens leerlingen op welke manier kunnen herkansen, welke stof wanneer wordt geëxamineerd, hoe het examen meeweegt en welke vrijstellingen gelden. De examinering verloopt volgens het PTA en het examenreglement.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de afsluiting en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 3, Eindexamenbesluit VO: De directeur en de examinatoren van de school nemen onder verantwoordelijkheid van het bestuur het (deel)eindexamen af. De directeur van de school wijst een personeelslid aan als secretaris van het eindexamen; deze is ook secretaris van de deeleindexamens.

• Artikel 7.4.11, WEB: Het bestuur dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 31, eerste en tweede lid, Eindexamenbesluit VO: Het bestuur stelt een examenreglement en een PTA vast waarin in elk geval de voorgeschreven onderdelen moeten zijn opgenomen.

• Artikel 31, derde lid, Eindexamenbesluit VO: Deze beide documenten moeten voor 1 oktober worden toegezonden aan de inspectie en verstrekt aan de examenkandidaten.

X Noot
1

In plaats van leerlingen kan hier ook studenten worden gelezen.

X Noot
2

In plaats van ‘scholen’ kan ook ‘afdelingen vavo’ gelezen worden.

X Noot
3

In plaats van leraren kan ook docenten worden gelezen.

KWALITEITSGEBIED VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT (VS)

VS1. Veiligheid

De opleiding zorgt voor een veilige omgeving voor leerlingen.

Basiskwaliteit

De school zorgt voor een veilig leer- en werkklimaat. Ze biedt veiligheid bij incidenten en zorgt voor fysieke veiligheid. Van de school mag worden verwacht dat zij inzicht heeft in de fysieke en sociale veiligheids(beleving) van de leerlingen, hier beleid op voert en effectief handelt bij signalen die de sociale en/of fysieke veiligheid bedreigen.

De school hanteert de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling. Daarnaast komt het de verplichtingen na rond het melden, overleggen en aangifte doen van zedenmisdrijven.

B2-instellingen dienen ook aan het volgende te voldoen voor het voldoen aan basiskwaliteit:

De school monitort de veiligheidsbeleving en het welbevinden van de leerlingen ten minste jaarlijks met een gestandaardiseerd instrument. De school heeft een veiligheidsbeleid beschreven, dat bestaat uit een samenhangende set van maatregelen. Het beleid is gericht op het voorkomen, afhandelen, registreren en evalueren van incidenten, en de school voert dat beleid ook uit. Als de uitkomsten van de monitoring daartoe aanleiding geven, treft de school maatregelen om de situatie te verbeteren. De school voorkomt (digitaal)pesten, agressie en geweld in elke vorm en treedt zo nodig snel en adequaat op. Dat geldt ook bij uitingen die strijdig zijn met basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals discriminatie en onverdraagzaamheid. De school heeft een persoon aangesteld die voor ouders en leerlingen het aanspreekpunt is in geval van pesten en die het beleid tegen pesten coördineert.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de veiligheid en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6 WEB: De instelling dient een stelsel van kwaliteitszorg in te richten en daarbij onder andere het oordeel van de studenten te betrekken.

• Artikel 1.3.9 WEB: Het bestuur stelt voor het personeel een meldcode vast die aangeeft hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan.

• Artikel 3 WVO: Het bestuur houdt zich aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van het melden, overleggen en aangifte doen in het geval van een (redelijk vermoeden van een) zedenmisdrijf. Het bestuur treedt hierbij onverwijld in contact met de vertrouwensinspecteur.

• Artikel 3a WVO: Het bestuur stelt voor het personeel een meldcode vast die aangeeft hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan. Daarnaast moet het bestuur de kennis en het gebruik van de meldcode bevorderen.

• Artikel 3b, eerste lid, sub a, WVO: Het bestuur heeft beleid ten aanzien van de veiligheid van leerlingen en voert dat ook uit.

• Artikel 3b, eerste lid, sub b, WVO: Het bestuur monitort de veiligheid van leerlingen met een instrument dat een representatief en actueel beeld geeft.

• Artikel 3b, eerste lid, onder c, WVO: Het bestuur heeft de volgende taken belegd bij een persoon: – coördinatie van het beleid in het kader van het tegengaan van pesten op school;

– fungeren als aanspreekpunt in het kader van pesten.

• Artikel 3b, tweede lid, WVO: Onder veiligheid, bedoeld in artikel 3b, eerste lid, wordt verstaan de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB: Het bestuur dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 8a.2.2, derde lid, sub k, WEB: De deelnemersraad heeft instemmingsbevoegdheid met betrekking tot voorgenomen beslissingen van het bestuur ten aanzien van regels op het gebied van veiligheid, gezondheid en welzijn voor zover deze de deelnemers betreffen.

KWALITEITSGEBIED BORGING EN AFSLUITING (BA)

BA1. Borging diplomering (alleen voor vavo)

De examencommissie borgt deugdelijke diplomering.

Basiskwaliteit

Het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie is voldoende gewaarborgd door het bestuur.

De examencommissie stelt op objectieve en deskundige wijze vast of een leerling voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een diploma of een certificaat. Zij bewaakt, monitort en analyseert de kwaliteit van de processen die hieraan ten grondslag liggen. Hierdoor zijn het niveau, de complexiteit en de inhoud van de door de leerling geleverde prestaties, afgestemd op de examenprogramma’s geborgd.

De examencommissie borgt in alle fasen van de afsluiting en diplomering de deskundigheid van de betrokken personen.

De examencommissie bewaakt op cyclische wijze haar eigen werkwijze en kwaliteit met betrekking tot de borging van de afsluiting en diplomering en certificering voor de opleidingen waarvoor zij verantwoordelijk is. Zij geeft betekenis aan de uitkomsten hiervan en acteert hierop. Hierbij betrekt zij eventueel onafhankelijke deskundigen. In voorkomende gevallen worden verbetermaatregelen genomen en wordt toegezien op de realisatie ervan. Hierover wordt jaarlijks verslag gedaan.

De examencommissie borgt de kwaliteit van het PTA en van het examenreglement. Ook geeft zij vrijstellingen voor examens op deugdelijke gronden.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de borging van de diplomering en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, tweede lid, WEB: Openbaarmaking van een jaarverslag waarin de beoordeling en het voorgenomen beleid op grond van die beoordeling omtrent de kwaliteit van de examinering zijn opgenomen.

• Artikel 3 Eindexamenbesluit VO: De directeur en de examinatoren van de school nemen onder verantwoordelijkheid van het bestuur het (deel)eindexamen af. De directeur van de school wijst een personeelslid aan als secretaris van het eindexamen; deze is ook secretaris van de deeleindexamens.

• Artikel 7 Eindexamenbesluit VO: De minister stelt examenprogramma’s vast waarin de examenstof voor het schoolexamen en het centraal examen is vastgelegd.

• Artikel 7, artikel 9, artikel 11, artikel 12, artikel 13, artikel 22, artikel 24 en artikel 48, Eindexamenbesluit VO: De examencommissie gaat pas over tot het afgeven van vrijstellingen en/of diploma’s of certificaten, als de student voldoet aan de vereisten.

• Artikel 7.4.5, derde lid, jo. artikel 7.4.11, tweede lid, WEB: Het bestuur zorgt ervoor dat het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie is geborgd.

• Artikel 7.4.5a WEB: De examencommissie heeft minimaal een aantal taken, waaronder het op een objectieve en deskundige manier vaststellen of een deelnemer voldoet aan de voorwaarden voor een diploma.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB: Het bestuur dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 31, eerste en tweede lid, Eindexamenbesluit VO: Het bestuur stelt een examenreglement en een PTA vast, waarin in elk geval de voorgeschreven onderdelen moeten zijn opgenomen.

• Artikel 31, derde lid, Eindexamenbesluit VO: Deze beide documenten moeten voor 1 oktober worden toegezonden aan de inspectie en verstrekt aan de examenkandidaten.

• Artikel 35c Examenbesluit VO: Het schoolexamen bestaat uit een examendossier. Het examendossier is het geheel van de onderdelen van het schoolexamen zoals gedocumenteerd in een door het bestuur gekozen vorm.

• [Artikel 35d Eindexamenbesluit VO: Het bestuur stelt een onafhankelijke en deskundige examencommissie in.]

• [Artikel 35e Eindexamenbesluit VO: De examencommissie borgt de kwaliteit van de toetsing en examinering.]

BA2. Afsluiting (alleen voor vavo)

De opleiding1 onderbouwt dat de leerling voldaan heeft aan de voorwaarden voor het diploma of een certificaat.

Basiskwaliteit

De opbouw en inrichting van de afsluiting kent samenhang met het onderwijsprogramma en voldoet aan de voorwaarden voor een betrouwbare diplomering, certificering en sluit aan op de onderwijsvisie van het team.

De school zorgt ervoor dat alle leerlingen goed worden voorbereid op de afsluiting van het onderwijs.

De school heeft een Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA) en een examenreglement die beide voldoen aan de eisen van de wetgeving. Met deze documenten maakt de school tijdig aan leerlingen en ouders duidelijk hoe het schoolexamen en het centraal examen georganiseerd zijn, welke regels daarbij gelden en welke maatregelen de school hanteert bij leerlingen die zich niet aan de regels houden. Ook moet duidelijk zijn welke examens leerlingen op welke manier kunnen herkansen, welke stof wanneer wordt geëxamineerd, hoe het examen meeweegt en welke vrijstellingen gelden. De examinering verloopt volgens het PTA en het examenreglement.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de afsluiting en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 3 Eindexamenbesluit VO: De directeur en de examinatoren van de school nemen onder verantwoordelijkheid van het bestuur het (deel)eindexamen af.

• [Artikel 3a, eerste lid, Eindexamenbesluit VO: De directeur van de school wijst een personeelslid aan als secretaris van het eindexamen; deze is ook secretaris van de deeleindexamens.]

• [Artikel 3a, derde lid, Eindexamenbesluit VO: De examensecretaris ondersteunt de directeur bij het organiseren en afnemen van het eindexamen of deeleindexamen. Ook ondersteunt de examensecretaris de directeur bij de correcte uitvoering van het examenreglement en het programma van toetsing en afsluiting.]

• [Artikel 3a, vierde lid, Eindexamenbesluit VO: De directeur moet een duidelijke taakomschrijving voor de examensecretaris vaststellen.]

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur heeft de plicht om te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 7.4.8, tweede lid, WEB: Studenten worden tijdig geïnformeerd over het onderwijsprogramma en de examens.

• Artikel 7.4.11 WEB: Het bestuur dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 31, eerste en tweede lid, Eindexamenbesluit VO: Het bestuur stelt een examenreglement en een PTA vast, waarin in elk geval de voorgeschreven onderdelen moeten zijn opgenomen.

• Artikel 31, derde lid, Eindexamenbesluit VO: Deze beide documenten moeten voor 1 oktober worden toegezonden aan de inspectie en verstrekt aan de examenkandidaten.

X Noot
1

Waar we opleiding schrijven, kan ook team worden gelezen.

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSRESULTATEN (OR)

OR1. Resultaten

De school behaalt met haar leerlingen leerresultaten die ten minste in overeenstemming zijn met de gestelde norm.1

Basiskwaliteit

De leerresultaten liggen op het niveau dat op grond van de kenmerken van de leerlingenpopulatie mag worden verwacht. Dit betekent dat de gemiddelde eindexamenresultaten op of boven de normering liggen die daarvoor geldt. Daarbij is het verschil (op opleidingsniveau) tussen het cijfer voor het schoolexamen en het centraal examen op een aanvaardbaar niveau.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de onderwijsresultaten en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6 WEB: Het bestuur richt een stelsel voor kwaliteitszorg in, analyseert in dit kader de oorzaken van achterblijvende resultaten en verantwoordt dit.

• Artikel 7.1.2, derde lid, jo. artikel 7.3.4, eerste lid, WEB: Een vavo-opleiding is een samenhangend geheel van onderwijseenheden en bevat het onderwijs dat noodzakelijk is voor het behalen van een diploma mavo, havo of vwo.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma.

• Artikel 23a1 WVO: Er is sprake van voldoende leerresultaten indien de gemiddelde eindexamenresultaten[…], gemeten over een periode van drie schooljaren, liggen op of boven de normering […].

• Artikel 29, lid 1a, WVO: Ten aanzien van een schoolsoort of leerweg mag het gemiddelde verschil tussen de cijfers van het centraal examen en het schoolexamen over een periode van drie jaar niet meer dan een half punt bedragen.

X Noot
1

De norm voor Resultaten is uitgewerkt in bijlage 1 van dit onderzoekskader.

KWALITEITSGEBIED STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (SKA)

SKA1. Visie, ambities en doelen

De school heeft een gedragen visie op goed onderwijs, heeft daarvoor ambities en doelen en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

De school heeft, als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg, een gedragen visie, ambities en doelen gericht op goed onderwijs. De school stuurt systematisch op de doelen om de beoogde resultaten te behalen.

De school sluit haar visie, ambities en doelen aan op die van het bestuur, op de resultaten van eerdere evaluaties en op bevindingen uit de interne en externe dialoog. De school richt voorwaarden in om de onderwijskundige ambities en doelen te bereiken waaronder het personeelsbeleid en de organisatie van het onderwijs. Daarbij is de interne verantwoordelijkheidsverdeling duidelijk.

B2-instellingen dienen ook aan het volgende te voldoen voor het voldoen aan basiskwaliteit:

De doelen zijn gericht op goed onderwijs dat zorgt voor een ononderbroken ontwikkeling van leerlingen. De school vertaalt haar visie, ambities en doelen in onderwijskundig beleid. De school beschrijft op welke wijze ze zorgt voor het realiseren, borgen en verbeteren van de onderwijskwaliteit en hoe we ze naleving van de wettelijke eisen realiseert.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg in en verbetert aan de hand daarvan het onderwijs.

• Artikel 4.1a.1, vierde lid, WEB: Het bestuur maakt met de docenten afspraken over de wijze waarop de zeggenschap van docenten wordt georganiseerd, waarbij de professionele standaard van de beroepsgroep in acht wordt genomen.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma.

• Artikel 7.4.8, derde lid, jo. artikel 7.2.7, vijfde lid, WEB: Het bestuur zorgt ervoor dat opleidingen aantoonbaar voldoen aan enkele eisen, waaronder artikel 7.2.7, vijfde lid, waaruit blijkt dat het onderwijsprogramma moet zijn gericht op het bereiken van onderwijs- en vormingsdoelen van de beroepsopleiding.

• Artikel 9.1.7 WEB: Er is een bestuursreglement waarin de verantwoordelijkheidsverdeling wordt beschreven.

SKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

De school realiseert de doelen voor goed onderwijs, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

De school geeft als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg effectief uitvoering aan de onderwijskundige ambities en doelen en schept de daarvoor benodigde voorwaarden.

De school zorgt op basis van de interne verantwoordelijkheidsverdeling voor een op samenwerken, leren en verbeteren gerichte kwaliteitscultuur, waarin doelen en ambities gerealiseerd kunnen worden. Daarbij is onderwijskundig leiderschap herkenbaar. Leraren(teams) oefenen daarbij de eigen verantwoordelijkheid bij het inrichten van hun onderwijs uit.

Binnen deze kwaliteitscultuur geeft de school uitvoering aan het stelsel van kwaliteitszorg, zodat gericht wordt gewerkt aan de kwaliteit van het onderwijs en de naleving van wettelijke voorschriften. Waar nodig stuurt de school tussentijds bij.

De school zorgt ervoor dat de deskundigheidsbevordering van het personeel binnen de gestelde doelen gestalte krijgt.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg in en verbetert aan de hand daarvan het onderwijs.

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: De kwaliteit van het onderwijs wordt regelmatig beoordeeld. Er worden maatregelen en instrumenten gebruikt om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt.

• Artikel 1.3.6a WEB: Het bestuur zorgt voor personeelsbeleid, voor zover het de duurzame borging van de kwaliteit van het onderwijspersoneel betreft.

• Artikel 4.1a.1, eerste lid, WEB: Docenten zijn binnen het onderwijskundig beleid verantwoordelijk voor het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces van de instelling.

• Artikel 4.1a.1, derde lid, WEB: Docenten beschikken over voldoende zeggenschap, waaronder de zeggenschap over de inhoud van de lesstof en de wijze waarop de lesstof wordt aangeboden.

• Artikel 4.1a.1, vierde lid, WEB: Het bestuur maakt met de docenten afspraken over de wijze waarop de zeggenschap van docenten wordt georganiseerd, waarbij de professionele standaard van de beroepsgroep in acht wordt genomen.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 7.4.8, derde lid, jo. artikel 7.2.7, vijfde lid, WEB: Het bestuur zorgt ervoor dat opleidingen aantoonbaar voldoen aan enkele eisen, waaronder artikel 7.2.7, vijfde lid, waaruit blijkt dat het onderwijsprogramma moet zijn gericht op het bereiken van onderwijs- en vormingsdoelen van de beroepsopleiding.

• Artikel 24, derde lid, WVO: Het schoolplan bevat een beschrijving van het personeelsbeleid. Dit personeelsbeleid gaat in elk geval over hoe wordt voldaan aan de eisen van bevoegdheid en onderhoud van bekwaamheid, de bijdrage van het personeel aan het onderwijskundig beleid, het pedagogisch-didactisch handelen, de evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding, bedoeld in artikel 32d, en de wijze waarop rekening wordt gehouden met de inbreng van leerlingen op het beleid.

• Artikel 33 WVO: Daar waar nog niet bevoegd wordt lesgegeven, moet het bestuur afspraken maken die ertoe leiden dat de leraar de juiste bevoegdheid behaalt.

• Artikel 37a, WVO: Het bestuur beschikt bij elk personeelslid waarvoor bekwaamheidseisen gelden, over geordende gegevens over de bekwaamheid en het onderhouden daarvan.

SKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

De opleiding evalueert en analyseert systematisch of het de doelen realiseert en verantwoordt zich daarover. Ze stelt, wanneer nodig, het beleid bij en betrekt interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

De opleiding monitort, evalueert, analyseert en beoordeelt als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de doelen en het beleid worden gerealiseerd en informeert het bestuur daarover. Zij haalt intern en extern actief informatie op om zicht te krijgen op de uitvoering, de resultaten van het onderwijs voor de studenten en de kansen en bedreigingen voor de verdere ontwikkeling van het onderwijs.

Bij de beoordeling van de kwaliteit betrekt de opleiding het oordeel van de studenten, onafhankelijk deskundigen en andere hiervoor relevante betrokkenen.

De opleiding analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verwerkt deze indien nodig in het (verbeter)beleid, zodat dit bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwijs. Daarnaast gebruikt de opleiding de uitkomsten van de evaluatie om de sturing te verbeteren.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg in en verbetert aan de hand daarvan het onderwijs.

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: De kwaliteit van het onderwijs wordt regelmatig beoordeeld. De beoordeling geschiedt mede aan de hand van het oordeel van studenten en met betrokkenheid van onafhankelijke deskundigen en belanghebbenden.

• Artikel 1.3.6, tweede lid, WEB: Het bestuur verantwoordt zich over de beoordeling en het voorgenomen beleid in het licht van de beoordeling.

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen.

• Artikel 24a WVO: De school maakt in de schoolgids duidelijk wat de doelen van het onderwijs zijn en welke resultaten met het onderwijsleerproces worden bereikt. Ook de bevindingen ten aanzien van het stelsel van kwaliteitszorg, evenals de maatregelen die naar aanleiding daarvan zijn getroffen. Ook leerlingen worden betrokken bij de besluitvorming.

Bijlage 4 Waarderingskader overige educatie

In deze bijlage is het waarderingskader voor overige educatie opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.4.

KWALITEITSGEBIED BESTURING, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (BKA)

BKA1. Visie, ambities en doelen

Het bestuur heeft een visie op kwaliteit, heeft hiervoor ambities en doelen opgesteld en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

Het bestuur heeft een visie op goed onderwijs en op de besturing daarvan. De visie is concreet en passend vertaald naar ambities, doelen en daarmee samenhangend beleid. Deze vertaling maakt sturing mogelijk op de kwaliteit en resultaten van het onderwijs en de voorwaarden. Daartoe is een stelsel van kwaliteitszorg ingericht dat het bestuur in staat stelt de basiskwaliteit van het onderwijs te waarborgen.

De doelen betreffen in elk geval de naleving van wettelijke eisen, waaronder de wettelijke vereisten voor het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces, de manier van afsluiten en diplomeren en de beoogde resultaten van de deelnemers. De visie, ambities en doelen omvatten uitwerkingen van eerdere evaluatieresultaten en resultaten van interne en externe dialoog.

Het bestuur zorgt er met betrokkenheid van de opleidingen voor dat de visie, ambities, doelen en het beleid sturend zijn voor de verbetering van het onderwijs aan studenten.

Het bestuur richt de voorwaarden in om de doelen te bereiken, waaronder het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijsproces, de diplomering, het schoolklimaat en de resultaten. Er is voor de sturing op kwaliteit een functionerende verantwoordelijkheidsverdeling tussen het bestuur en de opleidingen afgesproken, op basis van de geldende wet- en regelgeving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg in en verbetert aan de hand daarvan het onderwijs.

• Artikel 7.4.5 WEB: Het bestuur zorgt voor een examencommissie die voldoet aan de inrichtingsvereisten.

• Artikel 7.4.5, derde lid, WEB: Het bestuur waarborgt dat de examencommissie deugdelijk en onafhankelijk kan functioneren.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

BKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

Het bestuur realiseert samen met de opleidingen de doelen voor kwaliteit, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

Het bestuur geeft als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg met de opleidingen effectief uitvoering aan de visie en de doelen voor onderwijskwaliteit. Aan de transparante, integere kwaliteitscultuur is zichtbaar dat deze bijdraagt aan de gestelde doelen.

Het bestuur bevordert een op samenwerken, leren en verbeteren gerichte kwaliteitscultuur, zodat de doelen en ambities gerealiseerd kunnen worden. Het bestuur zorgt ervoor dat het onderwijskundig leiderschap op alle niveaus herkenbaar verankerd is in de organisatie. Ook bevordert het bestuur dat directie en teams gezamenlijk werken aan hun professionaliteit en aan een verbetercultuur.

Binnen de kwaliteitscultuur geeft het bestuur uitvoering aan kwaliteitszorg gericht op de kwaliteit van het onderwijs en de naleving van wettelijke voorschriften. Het bestuur bewaakt en bevordert dat de uitvoering in overeenstemming is met het beleid, zodat de (verbeter)doelen worden bereikt. Het bestuur houdt zicht op de uitvoering en stuurt daarop, zo nodig, tussentijds bij. Ook stelt het bestuur de examencommissie in en benoemt de leden.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: De kwaliteit van het onderwijs wordt regelmatig beoordeeld, er worden maatregelen en instrumenten gebruikt om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 7.4.5 WEB: Het bestuur zorgt voor een examencommissie die voldoet aan de inrichtingsvereisten.

BKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

Het bestuur evalueert en analyseert systematisch of het de beoogde doelen realiseert en verantwoordt zich hierover. Het stelt wanneer dat nodig is het beleid bij en betrekt daartoe interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

Het bestuur evalueert en beoordeelt als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de ambities, de doelen en het beleid worden gerealiseerd. Op deze manier krijgt het bestuur zicht op de gerealiseerde kwaliteit en de resultaten van het onderwijs aan studenten. Bij de evaluatie en beoordeling van het beleid en de onderwijskwaliteit betrekt het bestuur interne en externe belanghebbenden en deskundigen en gebruikt deze informatie bij de evaluatie en beoordeling. Op basis van de evaluatie reageert het bestuur tijdig op kansen en bedreigingen, stelt wanneer nodig (verbeter)beleid op en treft passende maatregelen om de kwaliteit van het onderwijs op de opleidingen te borgen.

Het bestuur legt verantwoording af door middel van accurate, actuele en openbaar toegankelijke informatie over de gerealiseerde kwaliteit. Het verstrekt jaarlijks een opgave van aangeboden opleidingen aan de minister. Daarnaast brengt het bestuur regelmatig (en voor zover het de examenkwaliteit betreft jaarlijks) verslag uit over zijn doelen en de resultaten van de opleidingen. De reflectie op de uitkomsten van de evaluatie geeft voldoende inzicht in de effectiviteit van de besturing en uitvoering. Het bestuur analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verantwoording. Vervolgens verwerkt het bestuur deze wanneer nodig in bijstelling van ambities, (verbeter)doelen en beleid of nieuwe ambities, zodat de opbrengst van de dialoog bijdraagt aan de ontwikkeling en verbetering van het onderwijs en de sturing daarop.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur betrekt bij de beoordeling van de onderwijskwaliteit ten minste het oordeel van studenten en betrekt daarbij ook onafhankelijke en deskundigen en belanghebbenden.

• Artikel 1.3.6, tweede lid, WEB: Het bestuur maakt regelmatig een openbaar verslag over de beoordeling van de uitkomsten van de beoordeling bedoeld in het eerste lid, en van het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten.

• Artikel 1.3.6, tweede lid, WEB: Het verslag over de kwaliteit van de examens wordt jaarlijks openbaar gemaakt.

• Artikel 1.4a.1, zesde lid, WEB: Het bestuur verstrekt jaarlijks een opgave van de opleidingen educatie in het lopende en voorgaande studiejaar.

• Artikel 7.1.2, derde lid, WEB: Een opleiding educatie is een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van eindtermen of het behalen van een diploma.

KWALITEITSGEBIEDEN EN STANDAARDEN OPLEIDINGSNIVEAU

OP ONDERWIJSPROCES

OP1

Aanbod

OP2

Ontwikkeling en begeleiding

OP3

Pedagogisch-didactisch handelen

VS VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT

VS1

Veiligheid

BA BORGING EN AFSLUITING

BA1

Borging diplomering

BA2

Afsluiting

SKA STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE

SKA1

Visie, ambities en doelen

SKA2

Uitvoering en kwaliteitscultuur

SKA3

Evaluatie, verantwoording en dialoog

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSPROCES (OP)

OP1. Aanbod

Het aanbod bereidt de studenten voor op vervolgonderwijs en de samenleving.

Basiskwaliteit

De opleiding biedt een onderwijsprogramma dat is toegespitst op de doelgroep. Het programma is afgestemd op de eindtermen, kent een duidelijke opbouw en samenhang, is passend bij de opleidingsduur, en er zijn voldoende begeleide onderwijsuren. Onder programma verstaan we alle lesinhouden, ook die digitaal zijn of online aangeboden worden. Het aanbod sluit aan bij het (taal)niveau en de leervragen van de studenten.

Het aanbod biedt mogelijkheden voor maatwerk. De studenten worden tijdig geïnformeerd over de opbouw en de doelen van het aanbod.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het aanbod en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 7.1.2, derde lid, WEB: Opleidingen educatie kunnen worden afgesloten met een examen.

• Artikel 7.1.2, vierde lid, WEB: Opleidingen educatie zijn gericht op verwezenlijking van de eindtermen of op het behalen van een diploma.

• Artikel 7.1.2, vierde lid, WEB: Opleidingen educatie kunnen worden afgesloten met een examen.

• Artikel 7.4.8, eerste en tweede lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering en legt beschrijving van onderwijsprogramma en onderwijsuren vast in de onderwijs- en examenregeling.

OP2. Ontwikkeling en begeleiding

De opleiding zorgt voor een passende intake en plaatsing. De opleiding houdt de ontwikkeling en voortgang van de studenten in de gaten en biedt waar nodig passende begeleiding en extra ondersteuning.

Basiskwaliteit

Studenten worden na aanmelding passend geplaatst en begeleid. De voortgangsbegeleiding is gestructureerd en zorgvuldig en is afgestemd op de behoeften van de student en het beoogde doel. De opleiding stelt de student in staat de opleiding op het gewenste niveau en zo mogelijk binnen de geprogrammeerde tijd te behalen. Docenten gaan regelmatig na in welke mate de studenten profiteren van het geboden onderwijs en hoe hun ontwikkeling verloopt. Zij analyseren de oorzaken bij afwijkende prestaties. Er is een ondersteuningsaanbod voor studenten met extra ondersteuningsbehoeften en de opleiding informeert studenten volledig en tijdig over de mogelijkheden voor extra ondersteuning.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor zicht op ontwikkeling en begeleiding en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 7.1.2, derde lid, WEB: Een opleiding educatie is een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van eindtermen of het behalen van een diploma.

• Artikel 7.4.8, eerste en tweede lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering en studenten worden tijdig geïnformeerd over het onderwijsprogramma, de examens en het ondersteuningsaanbod voor gehandicapte deelnemers die extra ondersteuning behoeven.

OP3. Pedagogisch-didactisch handelen

Het pedagogisch-didactisch handelen van het docententeam stelt studenten in staat tot leren en

ontwikkeling.

Basiskwaliteit

Het onderwijsteam zorgt voor effectieve leersituaties.Het team stemt de instructies, begeleiding, opdrachten en onderwijstijd doelgericht af op de onderwijsbehoeften en leervragen van groepen en individuele studenten. De afstemming is zowel gericht op (pedagogische) ondersteuning als op uitdaging, afhankelijk van de onderwijsbehoeften van groepen en individuele studenten.

Het team plant en structureert zijn handelen met behulp van informatie die het over studenten heeft. Het maakt didactische keuzes waarbij het niveau en de complexiteit van het onderwijs in lijn is met de eindtermen. Het team creëert een pedagogisch en didactisch passend en stimulerend leerklimaat waardoor studenten actief en betrokken zijn. Leerdoelen en gestructureerde leeractiviteiten zijn gericht op de ontwikkeling van de studenten. Het team heeft positieve verwachtingen van studenten en geeft hun gerichte feedback op hun leerproces.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het pedagogisch-didactisch handelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 7.1.2, eerste en derde lid, WEB: De instelling biedt het onderwijs aan in de vorm van opleidingen educatie; een opleiding is een samenhangend geheel van onderwijseenheden gericht op de verwezenlijking van eindtermen of het behalen van een diploma, of onderdelen daarvan.

• Artikel 7.3.1, lid 1b tot en met f, tweede lid, WEB: Opleidingen overige educatie zijn gericht op het beheersen van het eindniveau en op het maatschappelijk functioneren van de student.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB: Het bestuur heeft de plicht om te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

KWALITEITSGEBIED VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT (VS)

VS1. Veiligheid

De opleiding zorgt voor een veilige omgeving voor studenten.

Basiskwaliteit

De opleiding zorgt voor een veilig leer- en werkklimaat. Ze biedt veiligheid bij incidenten en zorgt voor fysieke veiligheid. Van de opleiding mag worden verwacht dat zij inzicht heeft in de fysieke en sociale veiligheids(beleving) van de studenten, hier beleid op voert en effectief handelt bij signalen die de sociale en/of fysieke veiligheid bedreigen, zodat de studenten kunnen profiteren van het geboden onderwijs.

De opleiding hanteert de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de veiligheid en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6 WEB: De instelling dient een stelsel van kwaliteitszorg in te richten en daarbij onder andere het oordeel van de studenten te betrekken. Van de instelling mag worden verwacht dat zij inzicht heeft in de fysieke en sociale veiligheid(beleving) van de studenten, hier beleid op voert en effectief handelt bij signalen die de sociale en/of fysieke veiligheid bedreigen.

• Artikel 1.3.9 WEB: Het bestuur stelt een meldcode vast waarin wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en dat er snel en adequaat hulp kan worden geboden.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijsprogramma.

KWALITEITSGEBIED BORGING EN AFSLUITING (BA)

BA1. Borging diplomering

De examencommissie borgt deugdelijke diplomering.

Basiskwaliteit

Het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie is voldoende gewaarborgd door het bestuur.

De examencommissie stelt op objectieve en deskundige wijze vast of een deelnemer voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een diploma of certificaat. Zij bewaakt, monitort en analyseert de kwaliteit van de processen die hieraan ten grondslag liggen. Hierdoor zijn het niveau, de complexiteit en de inhoud van de door de deelnemer geleverde prestaties, afgestemd op de eindtermen, geborgd.

De examencommissie borgt in alle fasen van de examinering en diplomering de deskundigheid van de betrokken personen.

De examencommissie bewaakt op cyclische wijze haar eigen werkwijze en kwaliteit met betrekking tot de borging van de afsluiting en diplomering voor de opleidingen waarvoor zij verantwoordelijk is. Zij geeft betekenis aan de uitkomsten hiervan en acteert hierop. Hierbij betrekt zij eventueel onafhankelijke deskundigen. In voorkomende gevallen worden verbetermaatregelen genomen en wordt toegezien op de realisatie ervan. Hierover wordt jaarlijks verslag gedaan.

De examencommissie borgt de kwaliteit van het examenreglement. De examencommissie geeft op deugdelijke gronden instellingsverklaringen af. Tevens geeft zij vrijstellingen voor examenonderdelen op deugdelijke gronden.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de borging van de diplomering en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke onderbouwing

• Artikel 1.3.6, tweede lid, WEB: Het bestuur maakt het jaarverslag, waarin de beoordeling en voorgenomen beleid op grond van die beoordeling omtrent de kwaliteit van de examinering is opgenomen, openbaar.

• Artikel 7.4.5, derde lid, WEB: Het bestuur zorgt ervoor dat het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie is geborgd.

• Artikel 7.4.5a WEB: De examencommissie heeft minimaal een aantal taken, waaronder het op een objectieve en deskundige manier vaststellen of een deelnemer voldoet aan de voorwaarden voor een diploma.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering

BA2. Afsluiting

De opleiding1 onderbouwt dat de deelnemer voldaan heeft aan de voorwaarden voor het diploma of een certificaat.

Basiskwaliteit

De opbouw en inrichting van de afsluiting kent samenhang met het onderwijsprogramma en voldoen aan de voorwaarden voor een betrouwbare diplomering, certificering en sluit aan op de onderwijsvisie van het team. De examinering is afgestemd op de eindtermen.

De examinering is valide en betrouwbaar en zorgt ervoor dat de deelnemer voldoet aan de voorwaarden tot diplomering of certificering. De afnamecondities en beoordelingen zijn voor deelnemers gelijkwaardig. De opleiding beoordeelt de bewijzen ten behoeve van de examinering onafhankelijk en deskundig. Deze bewijzen laten in samenhang een passende balans zien tussen vereiste kennis, inzicht en vaardigheden. Op basis van de bewijzen besluit de opleiding of een deelnemer de eindtermen in voldoende mate beheerst, zodat het onderwijsproces afgesloten kan worden.

De deelnemer is volledig en tijdig geïnformeerd over de eindtermen en eisen die de opleiding stelt aan de examinering en diplomering. Deze informatie is voor alle betrokkenen transparant en eenduidig.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de afsluiting en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke onderbouwing

• Artikel 7.1.2, derde lid, WEB: Een opleiding educatie is gericht op eindtermen, of het behalen van een diploma of delen daarvan.

• Artikel 7.3.3 WEB, Regeling eindtermen 2013 en de Regeling digitale vaardigheden educatie 2018: Een opleiding houdt zich aan de inhoud van de eindtermen.

• Artikel 7.4.6a WEB: Er kan een instellingsverklaring worden uitgereikt.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur heeft de plicht om te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 7.4.8, tweede lid, WEB: Deelnemers worden tijdig geïnformeerd over het onderwijsprogramma en de examens.

• Artikel 7.4.11 WEB: Het bestuur dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

X Noot
1

Waar we opleiding schrijven, kan ook team worden gelezen.

KWALITEITSGEBIED STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (SKA)

SKA1. Visie, ambities en doelen

De opleiding heeft een gedragen visie op goed onderwijs, heeft daarvoor ambities en doelen en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

De opleiding heeft, als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg, een gedragen visie, ambities en doelen gericht op goed onderwijs. De doelen betreffen in elk geval de naleving van wettelijke eisen, waaronder de wettelijke vereisten voor het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces, de wijze van toetsen en examineren en de beoogde resultaten van studenten. De opleiding stuurt systematisch op de doelen om de beoogde resultaten te behalen.

De opleiding sluit haar visie, ambities en doelen aan op die van het bestuur, op de resultaten van eerdere evaluaties en op bevindingen uit de interne en externe dialoog. De opleiding richt voorwaarden in om de onderwijskundige ambities en doelen te bereiken. Daarbij is de interne verantwoordelijkheidsverdeling duidelijk.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg in en verbetert aan de hand daarvan het onderwijs.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

SKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

De opleiding realiseert de doelen voor goed onderwijs, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

De opleiding geeft als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg effectief uitvoering aan de onderwijskundige ambities en doelen en schept de daarvoor benodigde voorwaarden.

Binnen deze kwaliteitscultuur geeft de opleiding uitvoering aan het stelsel van kwaliteitszorg, zodat gericht wordt gewerkt aan de kwaliteit van het onderwijs en de naleving van wettelijke voorschriften. De opleiding stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: De kwaliteit van het onderwijs wordt regelmatig beoordeeld, er worden maatregelen en instrumenten gebruikt om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

SKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

De opleiding evalueert en analyseert systematisch of zij de doelen realiseert en verantwoordt zich daarover. Ze stelt, wanneer nodig, het beleid bij en betrekt interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

De opleiding monitort, evalueert, analyseert en beoordeelt als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de doelen en het beleid worden gerealiseerd en informeert het bestuur daarover. Zij haalt intern en extern actief informatie op om zicht te krijgen op de uitvoering, de resultaten van het onderwijs voor de studenten en de kansen en bedreigingen voor de verdere ontwikkeling van het onderwijs.

Bij de beoordeling van de kwaliteit betrekt de opleiding het oordeel van de studenten, onafhankelijke deskundigen en andere hiervoor relevante betrokkenen.

De opleiding analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verwerkt deze wanneer nodig in het (verbeter)beleid, zodat dit bijdraagt aan de ontwikkeling en verbetering van het onderwijs. Daarnaast gebruikt de opleiding de uitkomsten van de evaluatie om de sturing te verbeteren.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: De kwaliteit van het onderwijs wordt regelmatig beoordeeld. De beoordeling geschiedt mede aan de hand van het oordeel van studenten en met betrokkenheid van onafhankelijke deskundigen en belanghebbenden.

• Artikel 1.3.6, tweede lid, WEB: Het bestuur verantwoordt zich over de beoordeling en het voorgenomen beleid in het licht van de beoordeling.

Bijlage 5 Waarderingskader doorlopende leerroutes vmbo-mbo

In deze bijlage is het waarderingskader voor de leerroutes vmbo-mbo opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.5.

KWALITEITSGEBIEDEN EN STANDAARDEN SCHOOLNIVEAU

OP ONDERWIJSPROCES

OP1

Aanbod

OP2

Ontwikkeling en begeleiding

OP3

Pedagogisch-didactisch handelen

OP4

Onderwijstijd

OP5

Beroepspraktijkvorming

OP6

Afsluiting (van toepassing op afsluiting voortgezet onderwijs)

VS VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT

VS1

Veiligheid

VS2

Schoolklimaat

BA BORGING EN AFSLUITING (van toepassing op diploma, certificaat of verklaring middelbaar beroepsonderwijs)

BA1

Borging diplomering

BA2

Afsluiting

OR ONDERWIJSRESULTATEN

OR1

Resultaten en studiesucces

OR2

Sociale en maatschappelijke competenties

OR3

Vervolgsucces

SKA STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE

SKA1

Visie, ambities en doelen

SKA2

Uitvoering en kwaliteitscultuur

SKA3

Evaluatie, verantwoording en dialoog

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSPROCES (OP)

OP1. Aanbod

Het aangeboden onderwijsprogramma van de leerroute bereidt de leerlingen1 voor op de beroepspraktijk, het vervolgonderwijs en de samenleving.

Basiskwaliteit

De leerroute bereidt de leerlingen voor op de beroepspraktijk, het vervolgonderwijs en de samenleving. Ze biedt een breed en op het kwalificatiedossier gebaseerd programma aan, waarin ook de beroepspraktijkvorming, de keuzedelen, eventuele wettelijke beroepsvereisten en de opleidings- en vormingsdoelen die de opleiding zelf formuleert zijn opgenomen. Het programma is daarnaast gericht op het verwerven van generieke competenties, waaronder die voor loopbaan en burgerschap. Het programma kent samenhang met de toetsing en examinering op basis waarvan de opleiding kwalificeert en diplomeert. Onder het programma verstaan we alle lesinhouden, ook die digitaal zijn of online aangeboden worden. Het aanbod omvat ook de referentieniveaus taal en rekenen.

Het onderwijsprogramma is afgestemd op de leerlingpopulatie, sluit aan bij het (taal)niveau van leerlingen en bij het niveau van het kwalificatiedossier en de onderwijsbehoeften van de leerlingen. Het onderwijsprogramma wordt waar nodig gedurende de schoolloopbaan verdiept en verbreed, zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. Bovendien heeft de leerroute de leerinhouden evenwichtig en in samenhang over de leerjaren verdeeld. De leerlingen worden tijdig geïnformeerd over de opbouw en de doelen van de opleiding.

Het programma draagt bij aan het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en aan het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die leerlingen in staat stellen deel uit te maken en bij te dragen aan de pluriforme, democratische samenleving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het aanbod en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.2.1, tweede lid, WEB: Het beroepsonderwijs bevordert de algemene vorming en de persoonlijke ontplooiing van de studenten en draagt bij aan het maatschappelijk functioneren.

• Artikel 2 en artikel 3, Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen: Het onderwijs neemt de referentieniveaus van taal en rekenen als uitgangspunt.

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 7.1.2, tweede lid, WEB: Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een deelnemer is ingericht overeenkomstig de eisen van hoofdstuk 7, titel 2, en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie in het beroepsonderwijs alsmede een of meer daarbij behorende keuzedelen, ten bewijze waarvan een diploma wordt uitgereikt.

• Artikel 7.2.6, tweede lid, WEB: Als er voor een beroepsopleiding wettelijke beroepsvereisten zijn vastgesteld, worden studenten in de gelegenheid gesteld om hieraan te voldoen.

• Artikel 7.2.7, eerste lid, WEB: Beroepsopleidingen zijn zodanig ingericht dat deelnemers de kwalificatie en daarbij behorende keuzedelen binnen de vastgestelde studieduur kunnen behalen, en dat het onderwijsprogramma evenwichtig is ingedeeld alsmede voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming omvat.

• Artikel 7.2.7, vijfde lid, WEB: Het onderwijsprogramma omvat alle onderwijsactiviteiten, gericht op het bereiken van de onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding, waaraan door de deelnemer wordt deelgenomen onder verantwoordelijkheid en toezicht van het bestuur en bestaat uitsluitend uit voldoende begeleide onderwijsuren en beroepspraktijkvorming.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering van het mbo-diploma.

• Artikel: 7.4.8, tweede lid, jo. artikel 8.5a.9, eerste lid, WEB: Studenten worden tijdig geïnformeerd over het onderwijsprogramma, de examens en het ondersteuningsaanbod voor gehandicapte deelnemers die extra ondersteuning behoeven.

• Artikel 8.5a.8, eerste lid, sub a en b, WEB: Het bestuur van de instelling is verantwoordelijk voor de uitvoering van de delen van het onderwijsprogramma die behoren tot de beroepsopleiding, waaronder ook de beroepspraktijkvorming en de examinering.

• Artikel 8.5a.10, eerste lid, WEB: De studieduur van een doorlopende leerroute vmbo-mbo bedraagt vanaf het derde (school)jaar, afhankelijk van het niveau van de opleiding, minimaal twee jaar en maximaal zes jaar.

• Artikel 9 tot en met artikel 10d, WVO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 10b13, tweede lid, WVO en artikel 8.5a.9, eerste lid, WEB: Het bestuur van de school en het bestuur van de instelling voor beroepsonderwijs beschrijven voor de gehele doorlopende leerroute vmbo-mbo het onderwijsprogramma en de examinering per leerjaar. Daarbij wordt vermeld welke delen van het onderwijsprogramma en van het examen (a) voortgezet onderwijs betreffen en welk deel daarbinnen vakoverstijgend is; (b) beroepsonderwijs betreffen; (c) een combinatie van voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs betreffen en welk deel daarbinnen voortgezet onderwijs onderscheidenlijk beroepsonderwijs betreft.

• Artikel 10b15, eerste lid, sub a en b, WVO: Het bestuur van de school draagt zorgt voor het onderwijsprogramma en de examinering van die onderdelen van de doorlopende leerroute die tot het voortgezet onderwijs behoren.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Bijlage 3 Regeling examenprogramma’s VO: De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen.

OP2. Ontwikkeling en begeleiding

In de leerroute wordt gezorgd voor een passende intake en plaatsing. Tijdens de leerroute wordt de ontwikkeling van de leerlingen gevolgd en worden waar nodig passende begeleiding en extra ondersteuning geboden.

Basiskwaliteit

Vanaf binnenkomst van de leerlingen in de leerroute wordt informatie verzameld over de kennis en vaardigheden van leerlingen op alle voor het onderwijs belangrijke domeinen. Het verzamelen van (toets)informatie gebeurt systematisch en zorgvuldig. De informatie wordt vergeleken met de verwachte ontwikkeling van de leerling. Daarbij staat de behoefte van de leerling in combinatie met de vereiste competentieontwikkeling centraal. Dit maakt het mogelijk om het onderwijs af te stemmen op de onderwijsbehoeften van zowel groepen als individuele leerlingen. Het stelt de school en de instelling in staat zorg te dragen voor de ontwikkeling en begeleiding van de leerling tijdens de leerroute. De school en de instelling waarborgen daarmee tijdens de leerroute voor leerlingen de ononderbroken ontwikkeling en voortgang daarin en hebben daarbij oog voor de bevordering van gelijke kansen.

Wanneer individuele of groepen leerlingen niet genoeg lijken te profiteren van het onderwijs, wordt binnen de leerroute geanalyseerd waar de ontwikkeling stagneert en wat mogelijke verklaringen hiervoor zijn. Vervolgens bepalen de school en de instelling wat er nodig is om in te spelen op eventuele achterstanden of voorsprongen in de ontwikkeling van leerlingen. De school en de instelling bieden de begeleiding vervolgens gestructureerd aan tijdens de leerroute. De leerlingen krijgen daarmee de begeleiding die zij nodig hebben om het onderwijsprogramma beter te kunnen doorlopen. In de leerroute wordt op structurele en herkenbare manier aandacht besteed aan het bestrijden van (taal)achterstanden.

Er is een aanvullend ondersteuningsaanbod voor leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften en leerlingen (en ouders) zijn volledig en tijdig geïnformeerd over de mogelijkheden voor extra ondersteuning. Voor de leerlingen die deze extra ondersteuning nodig hebben in de eerste twee jaar, legt de leerroute in het ontwikkelingsperspectief vast hoe zij het onderwijs afstemt op de behoefte van de leerling. De geplande ondersteuning wordt binnen de leerroute uitgevoerd. De inhoud en uitvoering van dit plan wordt minimaal eenmaal per schooljaar met de ouders geëvalueerd. De leerroute vervult de zorgplicht passend onderwijs. Wanneer binnen de leerroute de extra ondersteuning voor de leerlingen niet kan worden geboden, zoeken de school en de instelling in samenwerking met de ouders en het samenwerkingsverband een passende onderwijsplek.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor zicht op ontwikkeling en begeleiding en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1 WVO: In het schoolondersteuningsprofiel is vastgelegd welke voorzieningen zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.

• Artikel 1.3.5, sub a, WEB: Instellingen dragen mede zorg voor de toegankelijkheid van het onderwijs, met name voor kansarme groepen.

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 6c WVO: De school werkt herkenbaar en gestructureerd aan de bestrijding van achterstanden.

• Artikel 6.1.3a, eerste lid, WEB: Het bestuur verstrekt aan aspirant-studenten zodanige informatie dat zij in staat zijn een passende opleiding te kiezen.

• Artikel 7.1.2, tweede lid, WEB: Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een student is ingericht en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie en een of meer keuzedelen.

• [Artikel 7.1.5 WEB: Het bestuur rapporteert over de vorderingen van de studenten aan hun ouders, voogden of verzorgers, dan wel aan de studenten zelf wanneer zij meerderjarig en handelingsbekwaam zijn.]

• Artikel 7.2.7, eerste lid en artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en dient dit programma zodanig in te richten dat leerlingen de kwalificatie en de daarbij behorende keuzedelen binnen de vastgestelde studieduur kunnen behalen.

• Artikel 7.4.8, tweede lid, WEB: Het bestuur legt de beschrijving van het onderwijsprogramma, met vermelding van het aantal begeleide onderwijsuren (als bedoeld in artikel 7.2.7, WEB) per programmaonderdeel per studiejaar en het aantal klokuren beroepspraktijkvorming per studiejaar, en de regels met betrekking tot het examen tijdig voor aanvang van de opleiding vast in de onderwijs- en examenregeling van de instelling, en zorgt ervoor dat studenten volledig en tijdig worden geïnformeerd over het onderwijsprogramma, de examens en het ondersteuningsaanbod voor gehandicapte studenten die extra ondersteuning behoeven.

• Artikel 8.0.1, eerste lid, WEB: Leerlingen melden zich uiterlijk op 1 april aan, maar de aanmelding kan na 1 april nog gewijzigd worden.

• Artikel 8.0.4, eerste lid, WEB: Als de leerling zich uiterlijk op 1 april aanmeldt en deelneemt aan de intake-activiteiten, dan heeft hij recht op een studiekeuzeadvies. Dit advies is niet bindend.

• Artikel 8.1.3, sub g, jo. artikel 1.3.5, sub a, jo. artikel 8.5a.6, WEB: Het bestuur maakt schriftelijke afspraken met een student over extra ondersteuning in verband met handicap of chronische ziekte. Deze afspraken worden jaarlijks geëvalueerd.

• Artikel 8.1.3, tweede lid, sub g, jo. artikel 8.5a.6, WEB: Bij plaatsing van een gehandicapte student wordt de ondersteuning opgenomen in de onderwijsovereenkomst.

• Artikel 10b11, tweede lid, sub f, jo. artikel 10b20, WVO en artikel 8.5a.3, tweede lid, jo. artikel 8.5a.15, WEB: In de samenwerkingsovereenkomst moet worden vastgelegd hoe inhoud wordt gegeven aan de overstapoptie.

• Artikel 10b19, zesde lid, WVO: Wanneer een deelnemer aan een doorlopende leerroute niet wordt bevorderd naar het volgende leerjaar, maar wel het centraal examen voor een aantal vakken heeft afgerond, treedt de overstapoptie in werking.

• Artikel 15c Inrichtingsbesluit WVO: In het ontwikkelingsperspectief is informatie opgenomen over de begeleiding die de leerling wordt geboden, in welke onderwijssoort in het voortgezet onderwijs de leerling naar verwachting het examen zal halen en over de belemmerende en de bevorderende factoren die van invloed zijn op het onderwijs aan de leerling.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze. Dat omvat onder meer regelmatig monitoren van de ontwikkeling van burgerschapscompetenties, om het onderwijs af te stemmen op de actuele leerbehoefte van leerlingen.

• Artikel 17b, eerste lid, WVO: De school biedt individuele begeleiding die is afgestemd op de behoeften van de leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.

• Artikel 24, vierde lid, sub a, WVO: De school heeft de wijze waarop het onderwijs wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen in het schoolplan beschreven.

• Artikel 26, eerste en derde lid, WVO: Het bestuur stelt, na op overeenstemming gericht overleg met de ouders, een ontwikkelingsperspectief vast voor een leerling die extra ondersteuning nodig heeft.

• Artikel 26, tweede lid, WVO: Over het handelingsdeel van het ontwikkelperspectief dient door het bestuur overeenstemming met de ouders te worden bereikt.

• Artikel 26, vierde lid, WVO: Het bestuur evalueert het ontwikkelingsperspectief minimaal eens per schooljaar met de ouders.

• Artikel 26, vijfde lid, WVO: Het bestuur kan het ontwikkelingsperspectief bijstellen.

• Artikel 27, lid 2c, WVO: De school houdt zich aan de zorgplicht passend onderwijs.

• Artikel 27, lid 2b, WVO: De school beoordeelt of de leerling extra ondersteuning nodig heeft.

OP3. Pedagogisch-didactisch handelen

Het pedagogisch-didactisch handelen van het onderwijsteam stelt leerlingen in staat om te leren en zich te ontwikkelen.

Basiskwaliteit

De pedagogisch-didactische visie die van toepassing is voor de leerroute is zichtbaar in het dagelijks handelen van het onderwijsteam.

Het onderwijsteam zorgt voor effectieve leersituaties. Het team plant en structureert zijn handelen met behulp van informatie die het over leerlingen heeft. Het team maakt didactische keuzes waarbij het niveau en de complexiteit van het onderwijs in lijn zijn met het onderliggende kwalificatiedossier. De leerstof omvat kennis, vaardigheden en attitudes en wordt in een logische opbouw aangeboden. Het team realiseert bovendien een evenwichtige verbinding tussen het leren in de beroepspraktijkvorming en het leren op de school of instelling.

Het team creëert een pedagogisch en didactisch passend en stimulerend leerklimaat, waardoor leerlingen actief en betrokken zijn. Met geschikte opdrachten en heldere uitleg structureert het team het onderwijsaanbod zo dat leerlingen zich het leerstofaanbod eigen kunnen maken. Het team heeft hoge verwachtingen van leerlingen en geeft hun gerichte feedback op hun leerproces.

Het team stemt de instructies, begeleiding, opdrachten en onderwijstijd doelgericht af op de onderwijsbehoeften van groepen en individuele leerlingen. De afstemming is zowel gericht op (pedagogische) ondersteuning als op uitdaging, afhankelijk van de onderwijsbehoeften van groepen en individuele leerlingen.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het pedagogisch-didactisch handelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen en zij kunnen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen.

• Artikel 7.1.2, tweede lid, WEB: Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een student is ingericht en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie en een of meer keuzedelen.

• Artikel 7.2.7, eerste lid, jo. 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en zorgt ervoor dat dit onderwijsprogramma evenwichtig is ingedeeld, zodat de studenten de kwalificatie binnen de vastgestelde studieduur kunnen behalen.

• Artikel 7.2.7, vijfde lid, WEB: Het onderwijsprogramma omvat alle onderwijsactiviteiten gericht op het bereiken van de onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding. De student neemt deel aan het onderwijsprogramma onder verantwoordelijkheid en toezicht van het bestuur. Dit onderwijsprogramma bestaat uitsluitend uit begeleide onderwijsuren en beroepspraktijk.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 10b10, derde lid, WVO en 8a.5a.2, derde lid, Eindexamenbesluit VO: Als een doorlopende leerroute wordt aangeboden, moet die uiteindelijk leiden tot een diploma waarbij de in de wet opgesomde onderdelen tot één onderwijsprogramma worden geïntegreerd.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie (kennis van en respect voor basiswaarden en de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties).

• Artikel 24, tweede en derde lid, WVO: De school heeft haar beleid over het pedagogisch-didactisch handelen in het schoolplan geformuleerd.

OP4. Onderwijstijd

De leerlingen krijgen voldoende tijd om zich het aanbod eigen te maken, zowel op de school of instelling als in de praktijk.

Basiskwaliteit

De leerroute biedt een programma aan dat voldoet aan de wettelijk verplichte onderwijstijd.

Voor de leerroute is vastgesteld welke activiteiten onder de onderwijstijd vallen, met instemming van de medezeggenschaps- en de studentenraad. Binnen de leerroute zijn de onderwijsactiviteiten weloverwogen gepland over het schooljaar en deze worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een bevoegd onderwijsteam.

In de leerroute is de tijd zo verdeeld over theorie en praktijkvorming dat leerlingen in staat zijn het verplichte onderwijsprogramma tot zich te nemen. Er is in de leerroute (vooral in de eerste twee jaar) beleid om ongeoorloofd verzuim en voortijdig schoolverlaten van leerlingen tegen te gaan, zodat ook op leerlingniveau gestreefd wordt om de onderwijstijd te behalen.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de onderwijstijd en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 10b17, eerste lid, WVO en artikel 8.5a.11, eerste lid, WEB: Er is een wettelijk vastgestelde onderwijstijd voor de onderwijstijd van de doorlopende leerroute vmbo-mbo (beroepsopleidende leerweg (BOL).

• Artikel 10b17, tweede lid, WVO en artikel 8.5a.11, tweede lid, WEB: Het bestuur van de instelling en het bestuur van de school kunnen gezamenlijk een onderwijsprogramma (BOL) verzorgen dat minder uren omvat, mits de opleiding aantoonbaar van voldoende kwaliteit is en verantwoording wordt afgelegd in het bestuursverslag, dan wel in het schoolplan/de schoolgids.

• Artikel 10b18, eerste lid, WVO en artikel 8.5a.12, eerste lid, WEB: Er is een wettelijk vastgestelde onderwijstijd voor de doorlopende leerroute vmbo-mbo (beroepsbegeleidende leerweg (BBL)).

• Artikel 10b18, tweede lid, WVO en artikel 8.5a.12, tweede lid, WEB: Het bestuur van de instelling en het bestuur van de school kunnen gezamenlijk een onderwijsprogramma (BBL) verzorgen dat minder uren omvat, mits de opleiding aantoonbaar van voldoende kwaliteit is en verantwoording wordt afgelegd in het bestuursverslag, dan wel in het schoolplan/de schoolgids.

OP5. Beroepspraktijkvorming

De voorbereiding, uitvoering en begeleiding van de beroepspraktijkvorming zijn doeltreffend.

Basiskwaliteit

In de leerroute zijn afspraken gemaakt met de leerling over welke leeractiviteiten de leerling ontplooit in het kader van de beroepspraktijkvorming en hoe deze bijdragen aan de ontwikkeling van de benodigde competenties en vaardigheden van de leerling.

Binnen de leerroute krijgt de leerlingbegeleiding bij de voorbereiding en bij de keuze van een beroepspraktijkplaats en stelt hiervoor samen met de leerling en het leerbedrijf de vereiste stage- en praktijkovereenkomst op.

Tijdens de leerroute wordt ervoor gezorgd dat het leerbedrijf de leerling op de afgesproken manier begeleidt. De school en de instelling zijn op de hoogte van het functioneren van de leerling op de beroepspraktijkplaats en sturen zo nodig bij. Ook wordt beoordeeld of de leerling de beroepspraktijkvorming met een positieve beoordeling heeft afgerond.

De school en de instelling dragen zorg voor erkende en adequate stageplekken/praktijkplaatsen.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de praktijkvorming en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 7.1.2, tweede lid, jo. artikel 7.2.8, tweede lid, sub c, WEB: Een deel van de opleiding vindt plaats in de beroepspraktijk.

• Artikel 7.2.7, eerste lid, jo. artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma, en zorgt ervoor dat het programma evenwichtig is ingedeeld, zodat studenten de kwalificatie binnen de vastgestelde studieduur kunnen behalen.

• Artikel 7.2.8, tweede lid, WEB: De beroepspraktijkvorming wordt verzorgd op grondslag van een overeenkomst, gesloten door de student, de instelling en het leerbedrijf, waarin de rechten en verplichtingen van partijen worden geregeld, en bevat ten minste de wettelijk voorgeschreven onderwerpen.

• Artikel 7.2.8, derde lid, WEB: Het bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt, draagt zorg voor de begeleiding van de studenten binnen het bedrijf. Het bestuur beoordeelt of de studenten de beroepspraktijkvorming met een positieve beoordeling hebben voltooid.

• Artikel 7.2.9, eerste lid, WEB: Het bestuur van de instelling draagt zorg voor de beschikbaarheid van de praktijkplaats en de totstandkoming van de in artikel 7.2.8 bedoelde overeenkomst.

• Artikel 7.4.8, tweede lid, WEB: Het bestuur dient de student te informeren over de inrichting van de beroepspraktijkvorming.

• Artikel 7.2.9, tweede lid, WEB: Het bestuur bevordert in overleg met de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) een toereikende vervangende voorziening, als er omstandigheden zijn waardoor de beroepspraktijkvorming (bpv) niet naar behoren zal kunnen plaatsvinden.

• Artikel 8.5a.8, eerste lid, sub a, WEB: Het bestuur van de instelling is verantwoordelijk voor de beroepspraktijkvorming.

• Artikel 10b10, tweede en derde lid, WVO en artikel 8a.5a.2, derde lid, WEB: Als een doorlopende leerroute wordt aangeboden, moet die uiteindelijk leiden tot een diploma waarbij de in de wet opgesomde onderdelen tot één onderwijsprogramma worden geïntegreerd.

• Artikel 31 en artikel 32, Inrichtingsbesluit WVO: De school kan in het derde en vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte of gemengde leerweg in het vmbo én voor praktijkonderwijsleerlingen lessen besteden aan stage.

• Artikel 33 Inrichtingsbesluit WVO: De school omschrijft doel, inhoud, omvang, opbouw en organisatie van de stage in een stageplan.

• Artikel 35 Inrichtingsbesluit WVO: Het bestuur sluit met de leerling en de stagegever gezamenlijk een schriftelijke stageovereenkomst waarin onder andere de begeleiding en de wijze van beoordeling aan bod komen.

OP6. Afsluiting2 (van toepassing op afsluiting voortgezet onderwijs)

De afsluiting van het voortgezet onderwijs verloopt, indien van toepassing, zorgvuldig.

Basiskwaliteit

Binnen de leerroute worden alle leerlingen goed voorbereid op de afsluiting van het onderwijs. De examinering van de leerroute is duidelijk. Hierbij wordt vermeld welke delen de afsluiting van het voortgezet onderwijs betreffen, welke delen de afsluiting van het beroepsonderwijs en welke delen een gecombineerde afsluiting.

Afsluiting voortgezet onderwijs

De leerroute zorgt ervoor dat alle leerlingen goed worden voorbereid op de afsluiting van het onderwijs. De leerroute heeft een gecombineerd Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA) en Onderwijs- en Examenregeling (OER), die beide voldoen aan de eisen van de wetgeving. Dit document maakt leerlingen en ouders tijdig duidelijk hoe het schoolexamen, het centraal examen en het examen van de beroepsopleiding georganiseerd zijn, welke regels daarbij gelden en welke maatregelen de school hanteert bij leerlingen die zich niet aan de regels houden. Ook moet duidelijk zijn welke examens leerlingen op welke manier kunnen herkansen, welke stof wanneer wordt geëxamineerd, hoe het examen meeweegt en welke vrijstellingen gelden. De examinering verloopt volgens het gecombineerde PTA/OER. [Een onafhankelijke en deskundige examencommissie borgt de kwaliteit van de toetsing en de examinering.]

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de afsluiting en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 3 Eindexamenbesluit VO: De directeur en de examinatoren van de school nemen onder verantwoordelijkheid van het bestuur het (deel)eindexamen af.

• [Artikel 3a, eerste lid, Eindexamenbesluit VO: De directeur van de school wijst een personeelslid aan als secretaris van het eindexamen; deze is ook secretaris van de deeleindexamens.]Artikel 6c, WVO: De school werkt herkenbaar en gestructureerd aan de bestrijding van achterstanden.

• Artikel 7.4.8, tweede lid, WEB: Het bestuur legt regels met betrekking tot het examen tijdig voor aanvang van de opleiding vast in de onderwijs- en examenregeling van de instelling en zorgt ervoor dat deelnemers volledig en tijdig worden geïnformeerd.

• Artikel 10b13, tweede lid, WVO: De beschrijving van het onderwijsprogramma en de examinering van het voortgezet onderwijsdeel en het mbo-deel van de doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt niet in afzonderlijke documenten opgenomen, maar in één document.

• Artikel 10b15, eerste lid, sub b, WVO en 8.5a.8, eerste lid, sub b, WEB: Het bestuur van de school draagt zorgt voor het onderwijsprogramma en de examinering van die onderdelen van de doorlopende leerroute die tot het voortgezet onderwijs behoren. Het bestuur van de instelling zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering van het mbo-diploma.

• Artikel 31, eerste en tweede lid, Eindexamenbesluit VO: Het bestuur stelt een examenreglement en een PTA vast, waarin in elk geval de voorgeschreven onderdelen moeten zijn opgenomen.

• Artikel 31, derde lid, Eindexamenbesluit VO: Deze beide documenten moeten voor 1 oktober worden toegezonden aan de inspectie en worden verstrekt aan de examenkandidaten.

• [Artikel 35d Eindexamenbesluit VO: Het bestuur stelt een of meerdere onafhankelijke en deskundig functionerende examencommissie(s) in ten behoeve van de kwaliteit van de toetsing en de examinering op de school, waarbij voldaan wordt aan de specifieke vereisten die dit artikel noemt.]

• [Artikel 35e Eindexamenbesluit VO: De examencommissie heeft tot doel het borgen van de kwaliteit van de toetsing en de examinering en van het afsluitend karakter van het schoolexamen.]

X Noot
1

In plaats van leerlingen kan hier ook studenten worden gelezen.

X Noot
2

Er is regelgeving in voorbereiding (Besluit tot wijziging van het Eindexamenbesluit VO en het Eindexamenbesluit VO BES in verband met versterking van de kwaliteit van de schoolexamenorganisatie in het voortgezet onderwijs en het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs) waarin besturen in het voortgezet onderwijs onder andere verplicht worden om een examencommissie in te stellen. De hiermee samenhangende passages worden alleen meegenomen in de beoordeling als bovengenoemd wetsvoorstel is aangenomen en in werking is getreden.

KWALITEITSGEBIED VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT (VS)

VS1. Veiligheid

Binnen de leerroute is sprake van een veilige omgeving voor leerlingen.

Basiskwaliteit

Er is een veilig leer- en werkklimaat binnen de leerroute. Een leerroute is veilig als de psychische, sociale en fysieke veiligheid van leerlingen niet door handelingen van anderen wordt aangetast.

Van de leerroute mag worden verwacht dat er inzicht is in de fysieke en sociale veiligheids(beleving) van de leerlingen, hier beleid op voert en effectief handelt bij signalen die de sociale en/of fysieke veiligheid bedreigen, zodat de leerlingen kunnen profiteren van het geboden onderwijs. In de eerste twee jaar wordt ten minste jaarlijks met een gestandaardiseerd instrument gemonitord wat de beleving van de veiligheid en het welbevinden van de leerlingen is.

Voor de leerroute is (in elk geval voor de eerste twee jaar) een veiligheidsbeleid beschreven, dat bestaat uit een samenhangende set van maatregelen. Het beleid is gericht op het voorkomen, afhandelen, registreren en evalueren van incidenten, en de leerroute voert dat beleid ook uit. Binnen de leerroute worden (digitaal) pesten, agressie en geweld in elke vorm voorkomen en wordt zo nodig snel en adequaat opgetreden. Binnen de leerroute is voor de eerste twee jaar een persoon aangesteld die voor ouders en leerlingen het aanspreekpunt is in geval van pesten en die het beleid tegen pesten coördineert.

Tijdens de leerroute wordt de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling gehanteerd. Daarnaast worden de verplichtingen nagekomen rond het melden, overleggen en aangifte doen van zedenmisdrijven.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de veiligheid en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6 WEB: De instelling dient een stelsel van kwaliteitszorg in te richten en te beoordelen en daarbij onder andere het oordeel van de studenten te betrekken.

• Artikel 1.3.8 WEB: Het bestuur houdt zich aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van het melden, overleggen en aangifte doen in het geval van een (redelijk vermoeden van een) zedenmisdrijf. Het bestuur treedt hierbij onverwijld in contact met de vertrouwensinspecteur.

• Artikel 3 WVO: Het bestuur houdt zich aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van het melden, overleggen en aangifte doen in het geval van een (redelijk vermoeden van een) zedenmisdrijf.

• Artikel 3a WVO: Het bestuur stelt voor het personeel een meldcode vast die aangeeft hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan. Daarnaast moet het bestuur de kennis en het gebruik van de meldcode bevorderen.

• Artikel 3b, eerste lid, sub a, WVO: Het bestuur heeft beleid ten aanzien van de veiligheid van leerlingen en voert dat ook uit.

• Artikel 3b, eerste lid, sub b, WVO: Het bestuur monitort de veiligheid van leerlingen met een instrument dat een representatief en actueel beeld geeft.

• Artikel 3b, eerste lid sub c, WVO: Het bestuur heeft de volgende taken belegd bij een persoon:

– coördinatie van het beleid in het kader van het tegengaan van pesten op school;

– fungeren als aanspreekpunt in het kader van pesten.

• Artikel 3b, tweede lid, WVO: Onder veiligheid, bedoeld in artikel 3b, eerste lid, wordt de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen verstaan.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.2.7, vijfde en zesde lid, WEB: Het bestuur is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijsprogramma. De begeleide onderwijstijd vindt plaats onder verantwoordelijkheid en met actieve betrokkenheid van het onderwijspersoneel.

• Artikel 8a.2.2, derde lid, sub k, WEB: De studentenraad heeft instemmingsrecht met betrekking tot voorgenomen beslissingen van het bestuur ten aanzien van de regels op het gebied van veiligheid, gezondheid en welzijn van studenten.

• Artikel 1.3.9, WEB: Het bestuur stelt voor het personeel een meldcode vast die aangeeft hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan. Daarnaast moet het bestuur de kennis en het gebruik van de meldcode bevorderen.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs richt zich op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Dat omvat onder meer dat de school actie onderneemt als er onvoldoende sprake is van een cultuur die in overeenstemming is met basiswaarden.

VS2. Schoolklimaat

Binnen de leerroute is er een schoolklimaat dat bijdraagt aan het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties. Het schoolklimaat geeft in denken en doen uiting aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.

Basiskwaliteit

De leerroute bereidt de leerlingen voor op het leven in de maatschappij. De leerroute is daarbij een oefenplaats die leerlingen ondersteunt bij het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties. Tijdens de leerroute doen leerlingen ervaring op met de omgang met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.

Het personeel van de school is in zijn gedrag een voorbeeld voor de leerlingen: personeelsleden leven de basiswaarden zichtbaar na. De leerroute signaleert en corrigeert uitingen van leerlingen die met de basiswaarden in strijd zijn.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het schoolklimaat en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 7.1.2, tweede lid, WEB: Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een student is ingericht en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie en een of meer keuzedelen, waaronder ook de generieke eisen met betrekking tot burgerschap.

• Artikel 7.2.7, vijfde en zesde lid, WEB: Het onderwijsprogramma omvat uitsluitend begeleide onderwijsuren en beroepspraktijkvorming onder verantwoordelijkheid en toezicht van het bestuur, en met actieve betrokkenheid van het onderwijspersoneel.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur van de instelling zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering van het mbo-diploma.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze, richt zich onder andere op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden (zie hieronder) en het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties.

• Artikel 17, tweede lid, WVO: Het bestuur draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en creëert een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met deze waarden.

KWALITEITSGEBIED BORGING EN AFLSUITING (BA) (van toepassing op diploma, certificaat of verklaring middelbaar beroepsonderwijs)

BA1. Borging diplomering

De examencommissie borgt deugdelijke diplomering.

Basiskwaliteit

Het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie is voldoende gewaarborgd door het bestuur.

De examencommissie stelt op objectieve en deskundige wijze vast of een student voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een diploma of een certificaat. Zij bewaakt, monitort en analyseert de kwaliteit van de processen die hieraan ten grondslag liggen. Hierdoor zijn het niveau, de complexiteit en de inhoud van de door de student geleverde prestaties, afgestemd op de kwalificatievereisten of het certificaat, geborgd.

De examencommissie borgt in alle fasen van de examinering en diplomering de deskundigheid van de betrokken personen.

De examencommissie bewaakt op een cyclische manier haar eigen werkwijze en eigen kwaliteit met betrekking tot de borging van de examinering en diplomering, certificering voor de opleidingen waarvoor zij verantwoordelijk is. Zij geeft betekenis aan de uitkomsten hiervan en acteert hierop. Hierbij betrekt zij eventueel onafhankelijke deskundigen. In voorkomende gevallen worden verbetermaatregelen genomen en wordt toegezien op de realisatie ervan. Hierover wordt jaarlijks verslag gedaan.

De examencommissie geeft op deugdelijke gronden mbo-verklaringen af. Tevens geeft zij vrijstellingen voor examenonderdelen op deugdelijke gronden.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de borging van de diplomering en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• De twee standaarden op het gebied van diplomering en afsluiting en de bijbehorende normering in dit waarderingskader komen overeen met de standaarden en normering in de Regeling standaarden examenkwaliteit mbo 2021.

BA2. Afsluiting

De leerroute onderbouwt dat de leerling1 voldaan heeft aan de voorwaarden voor het diploma, een certificaat of een verklaring middelbaar beroepsonderwijs.

Basiskwaliteit

De leerroute heeft een gecombineerd Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA) en Onderwijs- en Examenregeling (OER) dat voldoet aan de eisen van de wetgeving.

Binnen de leerroute worden alle leerlingen goed voorbereid op de afsluiting van het onderwijs. De examinering van de leerroute is duidelijk. Hierbij wordt vermeld welke delen de afsluiting van het voortgezet onderwijs betreffen, welke de afsluiting van het beroepsonderwijs en welke delen een gecombineerde afsluiting betreffen.

Voor de afsluiting van het mbo-deel geldt het volgende:

De opbouw en inrichting van de afsluiting voldoen aan de eigen vastgestelde kwaliteitseisen voor een betrouwbare diplomering en certificering. Dit sluit aan op de visie op het onderwijs van het team. De examinering is afgestemd op de kwalificatie-eisen wanneer het gaat om diplomering. Dit is inclusief de keuzedelen en de eisen ten aanzien van generieke examenonderdelen.

De examinering is valide en betrouwbaar en zorgt ervoor dat de student voldoet aan de voorwaarden tot diplomering of certificering. De afnamecondities en de beoordelingen zijn voor studenten gelijkwaardig. De opleiding betrekt de beroepspraktijk bij de examinering. De opleiding beoordeelt de bewijzen ten behoeve van de examinering onafhankelijk en deskundig. Deze bewijzen laten in samenhang een passende balans zien tussen vereiste kennis, houding en vaardigheden, waarbij onderdelen van de examinering in de reële beroepspraktijk plaatsvinden. Op basis van de bewijzen stelt de opleiding vast of een student de kwalificatie-eisen in voldoende mate behaald beheerst.

De student is volledig en tijdig geïnformeerd over de kwalificatie-eisen en de eisen die de opleiding stelt aan de examinering en diplomering. Deze informatie is voor alle betrokkenen transparant en eenduidig.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de afsluiting en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• De twee standaarden op het gebied van borging en afsluiting en de bijbehorende normering in dit waarderingskader komen overeen met de standaarden en normering in de Regeling standaarden examenkwaliteit mbo 2021.

X Noot
1

Waar leerling staat, kan ook student worden gelezen.

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSRESULTATEN (OR)

OR1. Resultaten en studiesucces1

De leerlingen behalen in deze leerroute leerresultaten die ten minste in overeenstemming zijn met de gestelde norm.2

Basiskwaliteit

De resultaten liggen op het niveau dat op grond van de kenmerken van de leerlingenpopulatie mag worden verwacht.

Dit betekent dat de doorstroom in de eerste twee jaren van de leerroute (vergelijkbaar met de bovenbouw in een regulier vmbo) en, indien van toepassing, de gemiddelde eindexamenresultaten op of boven de normering liggen die daarvoor geldt.

Daarnaast laten de onderwijsresultaten over de afgelopen drie jaar zien dat de leerroute leerlingen voldoende in staat stelt een diploma op het gewenste niveau te behalen. De leerroute zorgt ervoor dat leerlingen de leerroute binnen de vastgestelde studieduur doorlopen. De resultaten laten ook zien dat er doorstroom is naar hogere opleidingsniveaus.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de onderwijsresultaten en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, jo. artikel 1.3.5, sub b, WEB: Instellingen dienen voorts zorg te dragen voor het aanbieden van doelmatige leerwegen, onder andere door ervoor te zorgen dat de opleiding aansluit op het voorafgaand onderwijs en vervolgonderwijs.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.2.7, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt ervoor dat beroepsopleidingen zo zijn ingericht dat studenten de kwalificatie en de daarbij behorende keuzedelen binnen de vastgestelde studieduur kunnen behalen en zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma.

• Artikel 23a1 WVO en Regeling leerresultaten VO: Er is sprake van voldoende leerresultaten wanneer de gemiddelde eindexamenresultaten en het doorstroomrendement, gemeten over een periode van drie schooljaren, op of boven de normering zoals vastgelegd in de Regeling leerresultaten VO liggen.

OR2. Sociale en maatschappelijke competenties

De leerlingen behalen sociale en maatschappelijke competenties op het niveau dat ten minste in overeenstemming is met de verwachtingen van het vervolgonderwijs en de maatschappij.

Basiskwaliteit

Tijdens de leerroute is er een goed beeld van de kenmerken van de leerlingenpopulatie en zijn er ambitieuze verwachtingen over het niveau dat de leerlingen voor de sociale en maatschappelijke competenties kunnen bereiken. De aansluiting op het vervolgonderwijs en de maatschappij is het uitgangspunt voor de competenties voor leerlingen.

Binnen de leerroute wordt onderbouwd welke resultaten de school op dit gebied wil bereiken. De school spant zich zichtbaar in om ervoor te zorgen dat leerlingen die de leerroute verlaten daaraan voldoen. Daarmee laat de school zien dat zij haar doelstellingen voor deze competenties binnen deze leerroute behaald heeft.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sociale en maatschappelijke competenties en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 7 tot en met artikel 10, WVO: De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs.

• Artikel 17, eerste lid, WVO: Het onderwijs richt zich herkenbaar op het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving.

OR3. Vervolgsucces3

De bestemming van de leerlingen na het (gediplomeerd) verlaten van de opleiding is bekend en voldoet ten minste aan de verwachtingen van de opleiding.

Basiskwaliteit

De instelling betrekt de ontwikkelingen op de (regionale) arbeidsmarkt bij het beleid en de uitvoering daarvan. Zij beschikt over gegevens over het vervolg van de loopbaan van leerlingen die de opleiding (voortijdig of) met een diploma hebben verlaten. Daarbij kan het gaan om de overstap naar vervolgonderwijs (mbo of hbo), een plek op de arbeidsmarkt, dan wel een passend vervolg voor leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte.

Gezien de relatie tussen vervolgsucces en de onderwijskwaliteit mag in het kader van de kwaliteitszorg verder van de instelling worden verwacht dat zij hier inzicht in heeft en beleid op voert.

Het vervolgsucces voldoet ten minste aan de verwachtingen van de leerroute in relatie tot de gemiddelde landelijke resultaten van vergelijkbare leerroutes en de situatie op de regionale arbeidsmarkt.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor vervolgsucces en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.5, sub c, jo. artikel 6.1.3a, eerste lid, sub c, jo. artikel 7.1.2, tweede lid, WEB: Kennis van de (regionale) arbeidsmarkt is noodzakelijk om aspirant-studenten over het arbeidsmarktperspectief van de opleiding te kunnen informeren en loopbaanoriëntatie en

• -begeleiding te kunnen bieden.

• Artikel 1.3.6 WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg voor de instelling in en draagt er in dat verband zorg voor dat zo veel mogelijk in samenwerking met andere instellingen wordt voorzien in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs.

• Artikel 6.1.3, eerste lid, jo. artikel 1.3.5, sub b, WEB: Het bestuur zorgt voor doelmatige leerwegen en zorgt dat een beroepsopleiding alleen wordt aangeboden als er na beëindiging van de opleiding voldoende arbeidsmarktperspectief is voor de deelnemers. Onder arbeidsmarktperspectief wordt in ieder geval verstaan het perspectief voor gediplomeerde schoolverlaters op het binnen een redelijke termijn vinden van werk op het niveau van de gevolgde opleiding.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

X Noot
1

Voorlopig beoordelen we deze standaard niet. De komende tijd gebruiken we om expertise op te bouwen over de resultaten van de doorlopende leerroutes vmbo-mbo en het veld te consulteren over welke normen en beslisregels we in de toekomst zouden willen hanteren.

X Noot
2

De norm voor studiesucces wordt voor vier jaar vastgesteld, zoals uitgewerkt in bijlage 1 van het onderzoekskader voor het middelbaar beroepsonderwijs. We beoordelen het studiesucces aan de hand van deze norm op het niveau van het kwalificatiedossier.

X Noot
3

Deze standaard is nieuw; we doen er van 2021 tot 2025 ervaring mee op. Tijdens deze periode zullen we niet oordelen op deze standaard. Bij de doorontwikkeling van deze standaard en het gebruik van de data zullen we aansluiten bij de ontwikkelingen in de sector.

KWALITEITSGEBIED STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (SKA)

SKA1. Visie, ambities en doelen

De voor de leerroute verantwoordelijke school en instelling hebben een visie op goed onderwijs in de leerroute, hebben daarvoor ambities en doelen opgesteld en sturen op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

De school en de instelling hebben afspraken over de organisatie en de vormgeving van de leerroute vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst.

De school en de instelling laten zien dat hun visie, ambities en doelen voor de leerroute aansluiten op die van hun bestuur en op de kenmerken van de leerlingenpopulatie. Dit doen zij onder meer door aan te geven hoe ze rekening houden met (taal)achterstanden en specifieke leerbehoeften om bij te dragen aan gelijke kansen voor alle leerlingen. Resultaten van eerdere evaluaties en interne en externe dialoog zijn zichtbaar in de doelen voor het onderwijskundig beleid.

De opleiding richt voorwaarden in om de onderwijskundige ambities en doelen te bereiken. Daarbij is de interne verantwoordelijkheidsverdeling duidelijk.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg in en verbetert aan de hand daarvan het onderwijs.

• Artikel 4.1a.1, vierde lid, WEB: Het bestuur maakt met de docenten afspraken over de wijze waarop de zeggenschap van docenten wordt georganiseerd, waarbij de professionele standaard van de beroepsgroep in acht wordt genomen.

• Artikel 6c WVO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat daarbij op structurele en herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden, in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 7.4.8, derde lid, jo. artikel 7.2.7, vijfde lid, WEB: Het bestuur zorgt ervoor dat opleidingen aantoonbaar voldoen aan enkele eisen, waaronder artikel 7.2.7, vijfde lid, waaruit blijkt dat het onderwijsprogramma moet zijn gericht op het bereiken van onderwijs- en vormingsdoelen van de beroepsopleiding.

• Artikel 9.1.7 WEB: Er is een bestuursreglement waarin de verantwoordelijkheidsverdeling wordt beschreven.

• Artikel 10b12, eerste lid, WVO: Het bestuur van een school en het bestuur van een instelling voor beroepsonderwijs melden gezamenlijk dat zij een doorlopende route vmbo-mbo aanbieden.

• Artikel 10b11, tweede lid, WVO: In de samenwerkingsovereenkomst is een aantal afspraken opgenomen.

• Artikel 23a WVO: Het bestuur moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder ‘zorg dragen voor’ wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg.

• Artikel 24, eerste lid, WVO: Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school wordt gevoerd en omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg.

• Artikel 24, tweede lid, WVO: De beschrijving van het onderwijskundig beleid omvat in elk geval de inhoud van het onderwijs, de eigen opdrachten voor het onderwijs, het pedagogisch-didactisch klimaat en de veiligheid. Daarbij betrekt de school het schoolondersteuningsprofiel.

• Artikel 24, vierde lid, WVO: De school moet door haar stelsel van kwaliteitszorg zorg dragen voor de ononderbroken ontwikkeling van leerlingen en de afstemming van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen. Ook moet worden vastgesteld waar verbetermaatregelen nodig zijn.

• Artikel 32c WVO: De verantwoordelijkheidsverdeling wordt beschreven in het managementstatuut.

SKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

De school en de instelling realiseren binnen de leerroute de doelen voor goed onderwijs, bevorderen randvoorwaarden en sturen, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

De school en de instelling geven uitvoering aan de afspraken in de samenwerkingsovereenkomst over de organisatie en de vormgeving van de leerroute.

De school en de instelling realiseren de doelen voor goed onderwijs, die voortkomen uit hun visie en ambities, binnen de leerroute. De school en instelling zorgen daartoe voor een professionele en veilige leer- en verbetercultuur in de leerroute. Binnen deze kwaliteitscultuur geven de leiding en het onderwijsteam samen uitvoering aan het stelsel van kwaliteitszorg, zodat binnen de leerroute als geheel gericht wordt gewerkt aan het bereiken van de onderwijskundige doelen. Waar nodig sturen de school en de instelling tussentijds bij.

De school en de instelling zorgen ervoor dat de deskundigheidsbevordering van het onderwijsteam van de leerroute binnen de gestelde doelen gestalte krijgt. Het onderwijsteam oefent daarbij zijn eigen verantwoordelijkheid bij het inrichten van het onderwijs in de leerroute uit.

De school en de instelling tonen in hun sturing onderwijskundig leiderschap en zorgen voor een doelmatige inzet van middelen om gestelde doelen in de leerroute te realiseren.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg in en verbetert aan de hand daarvan het onderwijs.

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: De kwaliteit van het onderwijs wordt regelmatig beoordeeld, er worden maatregelen en instrumenten gebruikt om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt.

• Artikel 1.3.6a WEB: Het bestuur zorgt voor personeelsbeleid voor zover het de duurzame borging van de kwaliteit van het onderwijspersoneel betreft.

• Artikel 4.1.a1, eerste lid, WEB: Docenten zijn binnen het onderwijskundig beleid verantwoordelijk voor het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces van de instelling.

• Artikel 4.1.a1, derde lid, WEB: Docenten beschikken over voldoende zeggenschap, waaronder de zeggenschap over de inhoud van de lesstof en de wijze waarop de lesstof wordt aangeboden.

• Artikel 4.1a.1, vierde lid, WEB: Het bestuur maakt met de docenten afspraken over de wijze waarop de zeggenschap van docenten wordt georganiseerd, waarbij de professionele standaard van de beroepsgroep in acht wordt genomen.

• Artikel 7.4.8, eerste lid, WEB: Het bestuur zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.

• Artikel 7.4.8, derde lid, jo. artikel 7.2.7, vijfde lid, WEB: Het bestuur zorgt ervoor dat opleidingen aantoonbaar voldoen aan enkele eisen, waaronder artikel 7.2.7, vijfde lid, waaruit blijkt dat het onderwijsprogramma moet zijn gericht op het bereiken van onderwijs- en vormingsdoelen van de beroepsopleiding.

• Artikel 7.13a eerste tot en met vierde lid, WVO (Werken in teams bij vak- en sectoroverstijgende programmaonderdelen in doorlopende leerroutes vmbo-mbo): Indien in het onderwijsprogramma van een doorlopende leerroute vmbo-mbo, als bedoeld in artikel 2.107a, of de geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding, als bedoeld in artikel 2.107l sprake is van vak- en sectoroverstijgende programmaonderdelen, als bedoeld in artikel 2.107d, tweede lid, onderdeel a, respectievelijk c, kan worden gewerkt met teams die verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van het onderwijsprogramma voor die vak- en sectoroverstijgende programmaonderdelen.

• Artikel 10b11, tweede lid, WVO: In de samenwerkingsovereenkomst zijn afspraken opgenomen over de verantwoordelijkheidsverdeling tussen school en instelling over de vormgeving en uitvoering van de doorlopende leerroute.

• Artikel 17a en artikel 17b, WVO: Voor leerlingen met extra ondersteuning werkt de school samen met het samenwerkingsverband passend onderwijs en partners in de zorg.

• Artikel 17b, tweede lid, WVO: Het bestuur stelt ten minste eenmaal in de vier jaar het schoolondersteuningsprofiel vast.

• Artikel 23a WVO: Het bestuur moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder ‘zorg dragen voor’ wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg.

• Artikel 24, derde lid, WVO: Het schoolplan bevat een beschrijving van het personeelsbeleid. Dit personeelsbeleid gaat in elk geval over hoe wordt voldaan aan de eisen van bevoegdheid en onderhoud van bekwaamheid, de bijdrage van het personeel aan het onderwijskundig beleid, het pedagogisch-didactisch handelen, de evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding, als bedoeld in artikel 32d, en de wijze waarop rekening wordt gehouden met de inbreng van leerlingen op het beleid.

• Artikel 32e, eerste tot en met derde lid, WVO: De school dient leraren een zelfstandige verantwoordelijkheid te geven bij de beoordeling van de onderwijsprestaties van leerlingen en voldoende zeggenschap waar het gaat om het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de school.

• Artikel 33 WVO: Daar waar nog niet bevoegd wordt lesgegeven, moet het bestuur afspraken maken die ertoe leiden dat de leraar de juiste bevoegdheid behaalt.

• Artikel 37a WVO: Het bestuur beschikt bij elk personeelslid waarvoor bekwaamheidseisen gelden over geordende gegevens over de bekwaamheid en het onderhouden daarvan

SKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

De school en de instelling evalueren en analyseren systematisch of zij de beoogde doelen realiseren en verantwoorden zich daarover. Zij stellen, wanneer nodig, het beleid bij en betrekken interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

De leerroute is door de school en de instelling gemeld bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO).

De school en de instelling evalueren, analyseren en beoordelen als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de doelen en het beleid in de leerroute worden gerealiseerd en informeren het bestuur (of de besturen) daarover. Zij halen daarvoor intern en extern actief informatie op om zicht te krijgen op de uitvoering, de resultaten van het onderwijs in de leerroute voor de leerlingen en kansen en bedreigingen voor de verdere ontwikkeling van het onderwijs.

De school en de instelling organiseren tegenspraak over de leerroute. Daarvoor gaan zij actief een dialoog aan met in ieder geval ouders, personeel, de betreffende medezeggenschapsorganen en, wanneer van toepassing, leerlingen, gemeenten en (regionale)werkgevers. De school en de instelling informeren belanghebbenden minimaal jaarlijks op een toegankelijke manier over doelen en werkwijze en over de resultaten die zij behaald hebben met de leerroute.

De school en de instelling analyseren en beoordelen de uitkomsten van de evaluatie en verwerken deze wanneer nodig in het (verbeter)beleid, zodat dit bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwijs. Zij maken daarbij duidelijk welk effect de inbreng van belanghebbenden heeft op het borgen en bijstellen van het beleid.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg in en verbetert aan de hand daarvan het onderwijs.

• Artikel 1.3.6, eerste lid, WEB: De kwaliteit van het onderwijs wordt regelmatig beoordeeld. De beoordeling vindt ook plaats aan de hand van het oordeel van studenten en met betrokkenheid van onafhankelijke deskundigen en belanghebbenden.

• Artikel 1.3.6, tweede lid, WEB: Het bestuur verantwoordt zich over de beoordeling en het voorgenomen beleid in het licht van de beoordeling.

• Artikel 2, tweede lid, WVO: Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen.

• Artikel 8 WMS: De (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad ((G)MR) ontvangt tijdig alle inlichtingen van het bestuur die redelijkerwijs nodig zijn om zijn taak te kunnen vervullen en ontvangt in elk geval bepaalde in de wet beschreven informatie.

• Artikel 10 WMS: Het bestuur heeft in bepaalde gevallen voorafgaande instemming nodig van de (G)MR voor elk besluit in dat geval, bijvoorbeeld bij verandering van de onderwijskundige doelstellingen van de school.

• Artikel 10b11, tweede lid, WVO: In de samenwerkingsovereenkomst zijn afspraken opgenomen over de verantwoordelijkheidsverdeling tussen school en instelling over de vormgeving en uitvoering van de doorlopende leerroute.

• Artikel 11 WMS: Het bestuur moet de (G)MR vooraf in de gelegenheid stellen om te adviseren over besluiten bij bepaalde aangelegenheden, bijvoorbeeld bij vaststelling of wijziging van het lesrooster in het voortgezet onderwijs.

• Artikel12 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het personeelsdeel van de (G)MR bij besluiten bij bepaalde aangelegenheden, bijvoorbeeld bij de vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie.

• Artikel 14 WMS: Het bestuur heeft voorafgaande instemming nodig van het ouder- en leerlingdeel van de (G)MR bij bepaalde besluiten, bijvoorbeeld bij de vaststelling van de schoolgids.

• Artikel 24a WVO: De school maakt in de schoolgids duidelijk wat de doelen van het onderwijs zijn en welke resultaten met het onderwijsleerproces worden bereikt. Ook de bevindingen ten aanzien van het stelsel van kwaliteitszorg, evenals de maatregelen die naar aanleiding daarvan zijn getroffen, worden hierin opgenomen. Ook leerlingen worden betrokken bij de besluitvorming.

• Artikel 118a WVO: De besturen van de scholen voeren jaarlijks overleg met elkaar en met de gemeente over het voorkomen van segregatie, het bevorderen van integratie en het bestrijden van achterstanden.

Bijlage 6 Waarderingskader middelbaar beroepsonderwijs Caribisch Nederland

In deze bijlage is het waarderingskader voor het middelbaar beroepsonderwijs in Caribisch Nederland opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.6.

KWALITEITSGEBIED BESTURING, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (BKA)

BKA1. Visie, ambities en doelen

Het bestuur heeft een visie op kwaliteit, heeft hiervoor ambities en doelen opgesteld en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

Het bestuur heeft een visie op goed onderwijs en op de besturing daarvan. De visie is concreet en passend vertaald naar ambities, doelen en daarmee samenhangend beleid. Deze vertaling maakt sturing mogelijk op de kwaliteit en de resultaten van het onderwijs en de voorwaarden. Daartoe is een stelsel van kwaliteitszorg ingericht dat het bestuur in staat stelt de basiskwaliteit van het onderwijs te waarborgen.

De doelen betreffen in elk geval het zorg dragen voor de kwaliteit van het onderwijs, waaronder de wettelijke vereisten voor het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces en de manier van afsluiten en diplomeren.

De visie, ambities en doelen omvatten uitwerkingen van eerdere evaluatieresultaten en resultaten van interne en externe dialoog.

Het bestuur zorgt er met betrokkenheid van de opleidingen voor dat de visie, ambities, doelen en het beleid sturend zijn voor de verbetering van het onderwijs aan studenten.

Het bestuur richt de voorwaarden in om de doelen te bereiken, waaronder de inzet en het beheer van de (financiële) middelen voor het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijsproces, de diplomering, het schoolklimaat en de resultaten. Het bestuur heeft daartoe een meerjarenbegroting waarin de relatie met het beleid en de doelen duidelijk zijn toegelicht. Er is voor de sturing op (financiële) kwaliteit een functionerende verantwoordelijkheidsverdeling tussen de interne toezichthouder, het bestuur en de opleidingen afgesproken, op basis van de geldende wet- en regelgeving.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.1.2, tweede lid, WEB BES: Beroepsonderwijs is gericht op de theoretische en praktische voorbereiding voor de uitoefening van beroepen waarvoor een beroepskwalificerende opleiding is vereist of dienstig kan zijn. Het beroepsonderwijs bevordert tevens de algemene vorming en de persoonlijke ontplooiing van de studenten en draagt bij tot het maatschappelijk functioneren.

• Artikel 1.3.2, eerste lid, WEB BES: Het bestuur draagt er zorg voor dat het onderwijs van voldoende kwaliteit is.

• Artikel 1.3.2, tweede lid, WEB BES: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg voor de instelling in en draagt er in dat verband zorg voor dat er zo veel mogelijk in samenwerking met andere instellingen wordt voorzien in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs, waaronder maatregelen en instrumenten om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt. Het bestuur draagt er zorg voor dat de in de eerste volzin van dit lid bedoelde beoordeling geschiedt met betrokkenheid van onafhankelijke belanghebbenden en deskundigen, niet zijnde de deskundigen bedoeld in artikel 1.1.1. De uitkomsten van de beoordeling zijn openbaar.

• Artikel 1.3.2a WEB BES: Het bestuur zorgt voor personeelsbeleid, voor zover het de duurzame borging van de kwaliteit van het onderwijspersoneel betreft.

• Artikel 1.4.1, zevende lid, WEB BES: Het bestuur verstrekt Onze Minister op diens verzoek de nodige inlichtingen omtrent de instelling. Het bestuur doet Onze Minister en, indien het op grond van artikel 2.1.1 bekostigde opleidingen betreft, de desbetreffende eilandsraad jaarlijks vóór 1 februari een verslag toekomen omtrent de werkzaamheden van de instelling voor zover betrekking hebbend op opleidingen. Het verslag bevat tevens het aantal studenten per opleiding en het aantal uitgereikte certificaten en diploma's, bedoeld in artikel 7.4.8.

• Artikel 2.3.1, tweede lid, WEB BES: In de jaarrekening legt het bestuur verantwoording af over het financiële beheer van de instelling voor zover het de ingevolge deze wet uit 's Rijks kas ontvangen middelen betreft. Uit de jaarrekening dient te blijken dat sprake is van een rechtmatige en doelmatige aanwending van de rijksbijdrage.

• Artikel 2.3.2, eerste lid, WEB BES: Het bestuur stelt jaarlijks een jaarverslag over het afgelopen jaar vast en maakt het openbaar. Het jaarverslag bevat ten minste het verslag, bedoeld in artikel 1.3.2, derde lid, voor zover dat in het desbetreffende jaar is uitgebracht, dan wel de hoofdpunten van laatstgenoemd verslag, alsmede de hoofdpunten van de bevindingen van de inspectie met betrekking tot de examens.

• RJO BES, jo. artikel 2.3.1, WEB BES: De wijze waarop door het bestuur verslag wordt gedaan van het financieel beheer gebeurt overeenkomstig de daarvoor in de RJO BES gestelde regels.

• Artikel 3, achtste lid, RJO BES: Het bestuur zorgt voor een continuïteitsparagraaf in het jaarverslag.

BKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

Het bestuur realiseert samen met de opleidingen de doelen voor kwaliteit, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

Het bestuur geeft als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg met de opleidingen effectief uitvoering aan de visie en de doelen voor onderwijskwaliteit. Aan de transparante, integere kwaliteitscultuur is zichtbaar dat deze bijdraagt aan de gestelde doelen.

Het bestuur bevordert een op samenwerken, leren en verbeteren gerichte kwaliteitscultuur, zodat de doelen en ambities gerealiseerd kunnen worden. Het bestuur zorgt ervoor dat het onderwijskundig leiderschap op alle niveaus herkenbaar verankerd is in de organisatie. Ook bevordert het bestuur dat directie en teams gezamenlijk werken aan hun professionaliteit in relatie tot de bekwaamheidseisen en aan een verbetercultuur.

Binnen de kwaliteitscultuur geeft het bestuur uitvoering aan kwaliteitszorg, gericht op de kwaliteit van het onderwijs en de naleving van wettelijke voorschriften. Het bestuur bewaakt en bevordert dat de uitvoering in overeenstemming is met het beleid, zodat de doelen worden bereikt. Het bestuur houdt zicht op de uitvoering van het beleid en op de nagestreefde verbeteringen en stuurt daarop, zo nodig, tussentijds bij.

De beschikbare (financiële) middelen dragen bij aan de realisatie van de door het bestuur gestelde doelen en worden doelmatig en rechtmatig aangewend. Als onderdeel van zijn taak ziet de interne toezichthouder daarop toe. Het bestuur stuurt op effectief financieel beheer, zodat de continuïteit van het onderwijs gewaarborgd is en bekostiging rechtmatig verkregen wordt.

Het bestuur zorgt voor het goed functioneren van de medezeggenschap. Ook stelt het bestuur de examencommissie in en benoemt de leden. Als laatste zorgt het bestuur voor een doeltreffende verwerking van interne en externe signalen en klachten.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.2, eerste lid, WEB BES: Het bestuur draagt er zorg voor dat het onderwijs van voldoende kwaliteit is.

• Artikel 1.3.2, tweede lid, WEB BES: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg voor de instelling in en draagt er in dat verband zorg voor dat er zo veel mogelijk in samenwerking met andere instellingen wordt voorzien in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs, waaronder maatregelen en instrumenten om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt. Het bestuur draagt er zorg voor dat de in de eerste volzin van dit lid bedoelde beoordeling geschiedt met betrokkenheid van onafhankelijke belanghebbenden en deskundigen, niet zijnde de deskundigen bedoeld in artikel 1.1.1. De uitkomsten van de beoordeling zijn openbaar.

• Artikel 1.3.2a WEB BES: Het bestuur zorgt voor personeelsbeleid, voor zover het de duurzame borging van de kwaliteit van het onderwijspersoneel betreft.

• Artikel 2.3.1, tweede lid, WEB BES: Uit de jaarrekening dient te blijken dat er sprake is van een rechtmatige aanwending van de rijksbijdrage.

• Artikel 2.5.2 WEB BES: Het bestuur beheert de middelen van de instelling op zodanige wijze dat een behoorlijke exploitatie en het voortbestaan van de instelling zijn verzekerd.

• Artikel 3, achtste lid, RJO BES: Het bestuur zorgt voor een continuïteitsparagraaf in het jaarverslag.

• Artikel 5.1 WEB BES: Het bestuur stelt een representatief te achten vertegenwoordiging van ouders, leerlingen en personeel ten minste tweemaal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de instelling met hem te bespreken.

• Artikel 5.1, eerste lid, WEB BES: Het bestuur stelt een representatief te achten vertegenwoordiging van ouders, studenten, vavostudenten en personeel ten minste twee maal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de instelling met hem te bespreken.

• Artikel 7.4.7, eerste lid WEB BES: Het bestuur van een instelling of exameninstelling stelt, al dan niet in samenwerking met een of meer bevoegde gezagsorganen van andere instellingen, een examencommissie in ten behoeve van de organisatie en het afnemen van de examens voor elke door de instelling verzorgde opleiding, of voor groepen van opleidingen.

• Artikel 7.4.10 WEB BES: Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip.

• Artikel 7.4.10a, tweede lid, WEB BES: Het bestuur treft een regeling voor de behandeling van klachten.

• Artikel 7.4.10a, zesde lid, WEB BES: De klachtencommissie vormt zich een oordeel over de gegrondheid van de klacht en deelt dit oordeel, al dan niet vergezeld van aanbevelingen, schriftelijk mede aan de klager, degene over wie is geklaagd en het bestuur.

BKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

Het bestuur evalueert en analyseert systematisch of het de doelen realiseert en verantwoordt zich hierover. Het stelt wanneer dat nodig is het beleid bij en betrekt daartoe interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

Het bestuur evalueert en beoordeelt als onderdeel van zijn stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de ambities, de doelen en het beleid worden gerealiseerd. Op deze manier krijgt het bestuur zicht op de gerealiseerde (financiële) kwaliteit en de resultaten van het onderwijs aan studenten. Bij de evaluatie en beoordeling van het beleid en de onderwijskwaliteit betrekt het bestuur interne en onafhankelijke deskundigen en belanghebbenden en gebruikt deze informatie bij de evaluatie en beoordeling. Op basis van de evaluatie reageert het bestuur tijdig op kansen en bedreigingen, stelt wanneer nodig (verbeter)beleid op en treft passende maatregelen om de kwaliteit van het onderwijs op de opleidingen te borgen.

Het bestuur legt verantwoording af door middel van accurate, actuele en openbaar toegankelijke informatie over de gerealiseerde kwaliteit. Het brengt minimaal jaarlijks verslag uit aan zijn in- en externe belanghebbenden over zijn doelen en de resultaten van de opleidingen. De verantwoording in het jaarverslag is betrouwbaar en (de inhoud van) het jaarverslag voldoet aan de wettelijke vereisten.

Het bestuur verantwoordt zich daarbij tenminste over het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces, de manier van afsluiten en diplomeren en het financieel beheer. De reflectie op de uitkomsten van de evaluatie geeft alle lagen van de organisatie, intern toezicht en de medezeggenschap voldoende inzicht in de effectiviteit van de besturing en uitvoering. Het bestuur analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verantwoording. Vervolgens verwerkt het bestuur deze wanneer nodig in bijstelling van ambities, (verbeter)doelen en beleid of nieuwe ambities, zodat de opbrengst van de dialoog bijdraagt aan ontwikkeling en verbetering van het onderwijs en de sturing daarop. Het bestuur organiseert ook de dialoog hierover met interne en externe belanghebbenden, waarbij in elk geval studenten, personeel en het regionale bedrijfsleven zijn betrokken. Het bestuur werkt bovendien actief samen met andere partijen aan doelen die het bestuurlijk belang overstijgen en de kernfuncties raken.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.2, eerste lid, WEB BES: Het bestuur draagt er zorg voor dat het onderwijs van voldoende kwaliteit is.

• Artikel 1.3.2, tweede lid, WEB BES: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg voor de instelling in en draagt er in dat verband zorg voor dat er zo veel mogelijk in samenwerking met andere instellingen wordt voorzien in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs, waaronder maatregelen en instrumenten om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt. Het bestuur draagt er zorg voor dat de in de eerste volzin van dit lid bedoelde beoordeling geschiedt met betrokkenheid van onafhankelijke belanghebbenden en deskundigen, niet zijnde de deskundigen bedoeld in artikel 1.1.1. De uitkomsten van de beoordeling zijn openbaar.

• Artikel 1.3.2, derde lid, WEB BES: Het bestuur maakt regelmatig, en voor zover het de examens betreft jaarlijks, een verslag openbaar omtrent de beoordeling, de uitkomsten van die beoordeling en het voorgenomen beleid in het licht van die uitkomsten.

• Artikel 2.3.1, vijfde lid, WEB BES: Het bestuur maakt de jaarrekening, vergezeld van de verklaring van de getrouwheid van de jaarrekening, openbaar.

• Artikel 2.3.2, eerste lid, WEB BES: Het bestuur stelt jaarlijks een jaarverslag over het afgelopen jaar vast en maakt het openbaar. Het jaarverslag bevat ten minste het verslag, bedoeld in artikel 1.3.2, derde lid, voor zover dat in het desbetreffende jaar is uitgebracht, dan wel de hoofdpunten van laatstgenoemd verslag, alsmede de hoofdpunten van de bevindingen van de inspectie met betrekking tot de examens.

• RJO BES, jo. artikel 2.3.1, WEB BES: De wijze waarop door het bestuur verslag wordt gedaan van het financieel beheer gebeurt overeenkomstig de daarvoor in de RJO BES gestelde regels.

KWALITEITSGEBIEDEN EN STANDAARDEN OPLEIDINGSNIVEAU

OP ONDERWIJSPROCES

OP1

Aanbod

OP2

Ontwikkeling en begeleiding

OP3

Pedagogisch-didactisch handelen

OP5

Beroepspraktijkvorming

VS VEILIGHEID EN SCHOOLKLIMAAT

VS1

Veiligheid

VS2

Schoolklimaat

BA BORGING EN AFSLUITING

BA1

Borging diplomering

BA2

Afsluiting

OR ONDERWIJSRESULTATEN

OR1

Studiesucces

OR3

Vervolgsucces

SKA STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE

SKA1

Visie, ambities en doelen

SKA2

Uitvoering en kwaliteitscultuur

SKA3

Evaluatie, verantwoording en dialoog

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSPROCES (OP)

OP1. Aanbod

Het aangeboden onderwijsprogramma bereidt de studenten voor op de beroepspraktijk, het vervolgonderwijs en de samenleving.

Basiskwaliteit

De opleiding bereidt studenten voor op de beroepspraktijk, het vervolgonderwijs en de democratische samenleving. Het biedt een breed en op het kwalificatiedossier gebaseerd programma aan, waarin ook de beroepspraktijkvorming, en eventuele wettelijke beroepsvereisten zijn opgenomen en de opleidings- en vormingsdoelen die de opleiding zelf formuleert. Het programma is daarnaast gericht op het verwerven van generieke competenties, waaronder die voor loopbaan en burgerschap. Het programma kent samenhang met de toetsing en examinering op basis waarvan de opleiding kwalificeert en diplomeert. Onder het programma verstaan we alle lesinhouden, ook die digitaal zijn of online aangeboden worden.

Het onderwijsprogramma is afgestemd op de studentenpopulatie en sluit aan bij het niveau van het kwalificatiedossier en de onderwijsbehoeften van de studenten. Bovendien heeft de opleiding de leerinhouden evenwichtig en in samenhang over de leerjaren verdeeld. De studenten worden tijdig geïnformeerd over de opbouw en de doelen van de opleiding.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het aanbod en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.2 eerste lid, WEB BES: Het bestuur zorgt voor onderwijs van voldoende kwaliteit.

• Artikel 1.4.1, jo. artikel 7.1.2, tweede lid, jo. artikel 7.2.5, sub b, WEB BES: Een beroepsopleiding is gebaseerd op een kwalificatie en bevat ook eventuele wettelijke beroepsvereisten.

• Artikel 7.1.2, tweede lid, WEB BES: Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een student is ingericht overeenkomstig de eisen van hoofdstuk 7, titel 2, en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie in het beroepsonderwijs.

• Artikel 7.2.6, eerste lid, WEB BES: Beroepsopleidingen zijn zodanig ingericht dat studenten de kwalificatie binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken.

• Artikel 7.2.6, derde lid, WEB BES: Het onderwijsprogramma dient voldoende onderwijsuren te bevatten.

• Artikel 7.2.6, vierde lid, WEB BES: Het onderwijsprogramma omvat alle onderwijsactiviteiten, gericht op het bereiken van de onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding.

• Artikel 7.2.7, eerste lid, WEB BES: Van elke opleiding maakt onderricht in de praktijk van het beroep deel uit.

• Artikel 7.4.9, eerste lid, WEB BES: Het bestuur informeert de studenten uiterlijk op 1 mei voorafgaand aan het studiejaar middels het vaststellen van een Onderwijs- en Examenregeling (OER).

OP2. Ontwikkeling en begeleiding

De opleiding zorgt voor een passende intake en plaatsing. De opleiding houdt de ontwikkeling en voortgang van de studenten in de gaten en biedt waar nodig passende begeleiding en extra ondersteuning.

Basiskwaliteit

Studenten worden voorafgaand aan de aanmelding zo voorgelicht dat zij in staat zijn een passende opleiding te kiezen. Het bestuur stelt verdere regels vast voor de intake.

Wanneer zij zich tijdig hebben aangemeld, hebben studenten recht op een studiekeuzeadvies. De opleiding stemt daartoe, wanneer van toepassing, af met voorafgaand onderwijs.

Gedurende de schoolloopbaan vindt er gestructureerde en zorgvuldige voortgangsbegeleiding plaats. Die stelt de student in staat de opleiding op het vereiste niveau en binnen de gestelde tijd te behalen. Daarbij staat de behoefte van de student in combinatie met de vereiste competentieontwikkeling centraal. De opleiding toont daarbij oog te hebben voor de bevordering van gelijke kansen.

Er is een ondersteuningsaanbod voor studenten met extra ondersteuningsbehoeften en de opleiding informeert studenten (en ouders) volledig en tijdig over de mogelijkheden voor extra ondersteuning.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor zicht op ontwikkeling en begeleiding en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.2, eerste lid, jo. artikel 1.3.1, sub b, WEB BES: Het bestuur zorgt voor onderwijs van voldoende kwaliteit en voor het aanbieden van doelmatige leerwegen.

• Artikel 1.3.2, eerste lid, jo. artikel 7.2.6, eerste lid, WEB BES: Het bestuur heeft een zorgplicht voor onderwijs van goede kwaliteit en dient beroepsopleidingen zodanig in te richten dat studenten de kwalificatie binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken.

• Artikel 1.3.2, eerste lid, WEB BES: Het bestuur zorgt voor onderwijs van voldoende kwaliteit.

• Artikel 3.1 WEB BES: Het bestuur stelt in overleg een handelingsplan op voor studenten met specifieke onderwijsbehoeften. Dit plan wordt jaarlijks geëvalueerd.

• Artikel 3.4, derde lid, WEB BES: Studenten met specifieke onderwijsbehoeften waarin de instelling redelijkerwijs niet kan voorzien en studenten die worden begeleid binnen een expertisecentrum onderwijszorg blijven ingeschreven bij de instelling. Het bestuur blijft verantwoordelijk voor die studenten voor in ieder geval het bieden van adequaat onderwijs.

• [Artikel 7.1.5 WEB: Het bestuur rapporteert over de vorderingen van de studenten aan hun ouders, voogden of verzorgers, dan wel aan de studenten zelf indien zij meerderjarig en handelingsbekwaam zijn.]

• Artikel 7.1.2, tweede lid, WEB BES: Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een student is ingericht en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie.

• Artikel 7.4.9, eerste lid, sub h, WEB BES, jo. artikel 3.3, WEB BES, jo. artikel 1.3.1, sub a, WEB BES: Het bestuur geeft in de Onderwijs- en Examenregeling (OER) aan op welke wijze hij zijn aandeel vormgeeft in het eilandelijk zorgplan.

• Artikel 7.4.11 WEB BES: Het bestuur maakt een studiegids openbaar zodat studenten zich een goed beeld kunnen vormen van het onderwijs.

• Artikel 8.1.5, derde lid, WEB BES: De onderwijsovereenkomst regelt de rechten en plichten van partijen welke voortkomen uit de wet.

OP3. Pedagogisch-didactisch handelen

Het pedagogisch-didactisch handelen van het onderwijsteam stelt studenten in staat om te leren en zich te ontwikkelen.

Basiskwaliteit

Uit het pedagogisch en didactisch handelen van het team blijkt dat er sprake is van een gedeelde visie, dan wel uitgangspunten.

Het onderwijsteam zorgt voor effectieve leersituaties.Het team stemt de instructies, begeleiding, opdrachten en onderwijstijd doelgericht af op de onderwijsbehoeften van groepen en individuele studenten. De afstemming is zowel gericht op (pedagogische) ondersteuning als op uitdaging, afhankelijk van de onderwijsbehoeften van groepen en individuele studenten.

Het team plant en structureert zijn handelen met behulp van informatie die het over studenten heeft. Het maakt didactische keuzes waarbij het niveau en de complexiteit van het onderwijs in lijn is met het onderliggende kwalificatiedossier. Het team realiseert bovendien een evenwichtige verbinding tussen leren in de beroepspraktijkvorming en het leren binnen de instelling. Het team creëert een pedagogisch en didactisch passend en stimulerend leerklimaat, waardoor studenten actief en betrokken zijn. Met geschikte opdrachten en heldere uitleg structureert het team het onderwijsaanbod zo, dat studenten zich het leerstofaanbod eigen kunnen maken. Het team heeft positieve verwachtingen van studenten en geeft hun gerichte feedback op hun leerproces.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het pedagogisch-didactisch handelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 7.1.2, tweede lid, WEB BES: Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een student is ingericht en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie.

• Artikel 7.2.6, eerste lid, jo. artikel 1.3.2, eerste lid, WEB BES: Het bestuur dient te zorgen voor onderwijs van voldoende kwaliteit en dient het onderwijsprogramma evenwichtig in te delen, zodat studenten de kwalificatie binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken.

• Artikel 7.2.6, vierde lid, jo. artikel 7.1.2, tweede lid, WEB BES: Een beroepsopleiding is gericht op het behalen van een kwalificatie van een beroepsopleiding. Het onderwijsprogramma van een beroepsopleiding omvat alle onderwijsactiviteiten gericht op het bereiken van de onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding en wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van het bestuur.

OP5. Beroepspraktijkvorming

De voorbereiding, uitvoering en begeleiding van de beroepspraktijkvorming zijn doeltreffend.

Basiskwaliteit

De opleiding maakt afspraken met de student over welke leeractiviteiten de student ontplooit in het kader van de beroepspraktijkvorming en hoe deze bijdragen aan de ontwikkeling van de benodigde competenties en vaardigheden van de student.

De opleiding begeleidt de student bij de voorbereiding en bij de keuze van een beroepspraktijkplaats en stelt hiervoor samen met de student en het leerbedrijf de vereiste praktijkovereenkomst op. De inhoud, de omvang, de periode en de organisatie van de beroepspraktijkvorming worden beschreven in de praktijkovereenkomst.

De opleiding zorgt dat het leerbedrijf de student op de afgesproken manier begeleidt. De opleiding is op de hoogte van het functioneren en de vorderingen van de student op de beroepspraktijkplaats en stuurt zo nodig bij.

Ook beoordeelt de opleiding of de student de beroepspraktijkvorming met een positieve beoordeling heeft afgerond.

De instelling draagt zorg voor erkende en adequate stageplekken of praktijkplaatsen. Op de werkplek is sprake van passende en gestructureerde leeractiviteiten. Voor 1 mei informeert de instelling de student in de onderwijs- en examenovereenkomst over de inhoud en de inrichting van de beroepspraktijkvorming.

De opleiding initieert en onderhoudt contacten met het (regionale) bedrijfsleven met als doel de beroepspraktijk in de opleiding te verankeren. De instelling werkt samen met de Raad Onderwijs Arbeidsmarkt Caribisch Nederland om ervoor te zorgen dat de praktijkplaatsen adequaat zijn.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de praktijkvorming/ en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.2, eerste lid, WEB BES: Het bestuur zorgt voor onderwijs van voldoende kwaliteit.

• Artikel 7.2.6, eerste lid, WEB BES: Het bestuur draagt er zorg voor dat beroepsopleidingen zodanig zijn ingericht dat studenten de kwalificatie binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken.

• Artikel 7.2.7, tweede lid, WEB BES: De beroepspraktijkvorming wordt verzorgd op grondslag van een overeenkomst, gesloten door de student, de instelling en het leerbedrijf, waarin de rechten en verplichtingen van partijen worden geregeld, en bevat ten minste de bij wet bepaalde bepalingen.

• Artikel 7.2.7, tweede lid, sub c, jo. artikel 7.1.2, tweede lid, WEB BES: Een deel van de kwalificatie wordt in het kader van de beroepspraktijkvorming behaald. Dit wordt in de praktijkovereenkomst vastgelegd.

• Artikel 7.2.7, derde lid, WEB BES: Het bedrijf dat, of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt, draagt zorg voor de begeleiding van de studenten binnen het bedrijf. Het bestuur beoordeelt of de student de beroepspraktijkvorming met een positieve beoordeling heeft voltooid.

• Artikel 7.2.8, eerste en tweede lid, WEB BES: Het bestuur van de instelling draagt zorg voor de beschikbaarheid van de praktijkplaats en de totstandkoming van de in artikel 7.2.7 bedoelde overeenkomst.

• Artikel 7.2.8, tweede lid, WEB BES: Het bestuur bevordert in overleg met Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) een toereikende vervangende voorziening, als er omstandigheden zijn waardoor de beroepspraktijkvorming (bpv) niet naar behoren zal kunnen plaatsvinden.

• Artikel 7.4.9, eerste lid, sub c, WEB BES: Studenten worden door middel van een Onderwijs- en Examenregeling (OER) voor 1 mei geïnformeerd over de inhoud en inrichting van de beroepspraktijkvorming.

KWALITEITSGEBIED VEILIGHEID & SCHOOLKLIMAAT (VS)

VS1. Veiligheid

De opleiding zorgt voor een veilige omgeving voor studenten.

Basiskwaliteit

De opleiding zorgt voor een veilig leer- en werkklimaat. Er is aandacht voor burgerschapsvorming en vitaal burgerschap in het onderwijsproces. Het biedt veiligheid bij incidenten en zorgt voor fysieke veiligheid. Van de opleiding mag worden verwacht dat zij inzicht heeft in de fysieke en sociale veiligheids(beleving) van de studenten, hier beleid op voert en effectief handelt bij signalen die de sociale en/of fysieke veiligheid bedreigen, zodat de studenten kunnen profiteren van het geboden onderwijs.

De opleiding komt de verplichtingen na rond het melden, overleggen en aangifte doen van zedenmisdrijven.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de veiligheid en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.2, eerste lid, WEB BES: Het bestuur zorgt voor onderwijs van voldoende kwaliteit.

• Artikel 1.3.2, eerste lid, jo. artikel 7.2.6, vierde lid, WEB BES: Het bestuur is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs. De instellingstijd vindt plaats onder verantwoordelijkheid van het bestuur.

• Artikel 1.3.5 WEB BES: Het bestuur houdt zich aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van het melden, overleggen en aangifte doen in het geval van een (redelijk vermoeden van een) zedenmisdrijf. Het bestuur treedt hierbij onverwijld in contact met de vertrouwensinspecteur.

• Artikel 1.3.2, tweede en derde lid, WEB BES: De instelling dient een stelsel van kwaliteitszorg in te richten en te beoordelen.

• Artikel 5.1, eerste lid, WEB BES: Het bestuur stelt een representatief te achten vertegenwoordiging van ouders, leerlingen en personeel ten minste tweemaal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de instelling met hem te bespreken.

• Artikel 7.1.2, tweede lid, WEB BES: Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een student is ingericht en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie, waaronder ook de competenties met betrekking tot burgerschap.

VS2. Schoolklimaat

De opleiding geeft in denken en doen uiting aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.

Basiskwaliteit

Het personeel geeft in denken en doen uiting aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.

Het personeel van de opleiding is in zijn gedrag een voorbeeld voor de studenten: personeelsleden leven de basiswaarden zichtbaar na. Ook signaleert en corrigeert het personeel van de opleiding uitingen van studenten die met de basiswaarden in strijd zijn.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het schoolklimaat en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.2, eerste lid, WEB BES: Het bestuur zorgt voor onderwijs van voldoende kwaliteit.

• Artikel 7.1.2, tweede lid, WEB: Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een student is ingericht en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie, waaronder ook de competenties met betrekking tot burgerschap

• Artikel 7.2.6, vierde lid, WEB BES: Het onderwijsprogramma van een beroepsopleiding omvat alle onderwijsactiviteiten, gericht op het bereiken van de onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding en wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van het bestuur.

KWALITEITSGEBIED BORGING EN AFSLUTING (BA)

BA1. Borging diplomering

De examencommissie borgt deugdelijke diplomering.

Basiskwaliteit

Het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie is voldoende gewaarborgd door het bestuur.

De examencommissie stelt op objectieve en deskundige wijze vast of een student voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een diploma of een certificaat. Zij bewaakt, monitort en analyseert de kwaliteit van de processen die hieraan ten grondslag liggen. Hierdoor zijn het niveau, de complexiteit en de inhoud van de door de student geleverde prestaties, afgestemd op de kwalificatievereisten of het certificaat, geborgd.

De examencommissie borgt in alle fasen van de examinering en diplomering de deskundigheid van de betrokken personen.

De examencommissie bewaakt op een cyclische manier haar eigen werkwijze en eigen kwaliteit met betrekking tot de borging van de examinering en diplomering en certificering voor de opleidingen waarvoor zij verantwoordelijk is. Zij geeft betekenis aan de uitkomsten hiervan en acteert hierop. Hierbij betrekt zij eventueel onafhankelijke deskundigen. In voorkomende gevallen worden verbetermaatregelen genomen en wordt toegezien op de realisatie ervan. Hierover wordt jaarlijks verslag gedaan.

De examencommissie geeft op deugdelijke gronden mbo-verklaringen af. Tevens geeft zij vrijstellingen voor examenonderdelen op deugdelijke gronden.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de borging van de diplomering en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• De twee standaarden op het gebied van diplomering en afsluiting en de bijbehorende normering in dit waarderingskader komen overeen met de standaard en de normering in de Regeling standaarden examenkwaliteit mbo 2021.

BA2. Afsluiting

De opleiding1 onderbouwt dat de student voldaan heeft aan de voorwaarden voor het diploma, een certificaat of een mbo-verklaring.

Basiskwaliteit

De opbouw en inrichting van de afsluiting voldoen aan de eigen vastgestelde kwaliteitseisen voor een betrouwbare diplomering en certificering. Dit sluit aan op de visie op het onderwijs van het team. De examinering is afgestemd op de kwalificatievereisten wanneer het gaat om diplomering. Dit is inclusief de keuzedelen, de eisen ten aanzien van taal en rekenen en loopbaan en burgerschap.

De examinering is valide en betrouwbaar en zorgt ervoor dat de student voldoet aan de voorwaarden tot diplomering en certificering. De opleiding betrekt de beroepspraktijk bij de examinering. De opleiding beoordeelt de bewijzen ten behoeve van de examinering onafhankelijk en deskundig. Deze bewijzen laten in samenhang een passende balans zien tussen vereiste kennis, houding en vaardigheden, waarbij onderdelen van de examinering in de reële beroepspraktijk plaatsvinden. Op basis van de bewijzen besluit de opleiding of een student de kwalificatie-eisen in voldoende mate behaald heeft

De student is volledig en tijdig geïnformeerd over kwalificatie-eisen en eisen die de opleiding stelt aan de examinering en diplomering. Deze informatie is voor alle betrokkenen transparant en eenduidig.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de borging van de diplomering en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• De twee standaarden op het gebied van diplomering en afsluiting en de bijbehorende normering in dit waarderingskader komen overeen met de standaard en de normering in de Regeling standaarden examenkwaliteit mbo 2021.

X Noot
1

Waar we opleiding schrijven, kan ook team worden gelezen.

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSRESULTATEN (OR)

OR1. Studiesucces

De instelling behaalt met haar studenten resultaten die ten minste in overeenstemming zijn met de verwachtingen van de opleiding.

Beschrijving

De onderwijsresultaten laten zien dat de opleiding studenten voldoende in staat stelt een diploma op het gewenste niveau te behalen. De opleiding zorgt ervoor dat studenten een succesvolle start maken en de studie binnen de vastgestelde studieduur doorlopen. De resultaten laten tevens zien dat er relevante doorstroom is naar hogere opleidingsniveaus.

Eisen die samenhangen met (aanvullende) ambities

• Artikel 1.3.1, sub b, WEB BES: Instellingen dienen zorg te dragen voor doelmatige leerwegen.

• Artikel 1.3.2, eerste lid, jo. artikel 7.2.6, eerste lid, WEB BES: Het bestuur zorgt voor onderwijs van voldoende kwaliteit en zorgt ervoor dat beroepsopleidingen zodanig zijn ingericht dat studenten de kwalificatie en de daarbij behorende keuzedelen binnen de vastgestelde studieduur kunnen behalen.

• Artikel 1.3.2, tweede en derde lid, WEB BES: De instelling dient een stelsel van kwaliteitszorg in te richten en de kwaliteit van het onderwijs te beoordelen.

OR3. Vervolgsucces1

De bestemming van de studenten na het (gediplomeerd) verlaten van de opleiding is bekend en voldoet ten minste aan de verwachtingen van de opleiding.

Basiskwaliteit

De opleiding betrekt de ontwikkelingen op de (regionale) arbeidsmarkt bij het beleid en de uitvoering daarvan. Het beschikt over gegevens over het vervolg van de loopbaan van studenten die de opleiding (voortijdig of) met een diploma hebben verlaten. Daarbij kan het gaan om de overstap naar vervolgonderwijs (mbo of hbo), een plek op de arbeidsmarkt dan wel een passend vervolg voor studenten met een specifieke onderwijsbehoefte.

Gezien de relatie tussen vervolgsucces en de onderwijskwaliteit mag in het kader van de kwaliteitszorg verder van de opleiding worden verwacht dat het hier inzicht in heeft en beleid op voert.

Het vervolgsucces voldoet ten minste aan de verwachtingen van de opleiding in relatie tot de gemiddelde landelijke resultaten van vergelijkbare opleidingen en de situatie op de regionale arbeidsmarkt.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor het vervolgsucces en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.1, sub c, WEB BES, jo. artikel 7.1.2, tweede lid, WEB: Kennis van de (regionale) arbeidsmarkt is noodzakelijk om aspirant-studenten over het arbeidsmarktperspectief van de opleiding te kunnen informeren en loopbaanoriëntatie en -begeleiding te kunnen bieden.

• Artikel 1.3.2, eerste lid, WEB BES: Het bestuur zorgt voor onderwijs van voldoende kwaliteit.

• Artikel 1.3.2, eerste lid, artikel 2.1.1, tweede lid, sub d, artikel 1.3.1, sub b, WEB BES: Het bestuur zorgt voor doelmatige leerwegen en zorgt ervoor dat een beroepsopleiding alleen wordt aangeboden als er na beëindiging van de opleiding voldoende arbeidsmarktperspectief is voor de studenten.

• Artikel 1.3.2, tweede en derde lid, WEB BES: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg voor de instelling in en draagt er in dat verband zorg voor dat zo veel mogelijk in samenwerking met andere instellingen wordt voorzien in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs.

X Noot
1

Deze standaard is nieuw, we doen er in 2021 tot 2025 ervaring mee op. Tijdens deze periode zullen we niet oordelen op deze standaard. Bij de doorontwikkeling van deze standaard en het gebruik van data zullen we aansluiten bij de ontwikkelingen in de sector.

KWALITEITSGEBIED STUREN, KWALITEITSZORG EN AMBITIE (SKA)

SKA1. Visie, ambities en doelen

De opleiding heeft een gedragen visie op goed onderwijs, heeft daarvoor ambities en doelen en stuurt op het behalen daarvan.

Basiskwaliteit

De opleiding heeft, als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg, een gedragen visie, ambities en doelen gericht op goed onderwijs. De opleiding stuurt systematisch op de doelen om de beoogde resultaten te behalen.

De opleiding sluit haar visie, ambities en doelen aan op die van het bestuur, op de resultaten van eerdere evaluaties en op bevindingen uit de interne en externe dialoog. De opleiding richt voorwaarden in om de onderwijskundige ambities en doelen te bereiken. Daarbij is de interne verantwoordelijkheidsverdeling duidelijk.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities in relatie tot de visie en doelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.2, eerste lid, WEB BES: Het bestuur draagt er zorg voor dat het onderwijs van voldoende kwaliteit is.

• Artikel 1.3.2, tweede lid, WEB BES: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg voor de instelling in en draagt er in dat verband zorg voor dat er zo veel mogelijk in samenwerking met andere instellingen wordt voorzien in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs, waaronder maatregelen en instrumenten om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt. Het bestuur draagt er zorg voor dat de in de eerste volzin van dit lid bedoelde beoordeling geschiedt met betrokkenheid van onafhankelijke belanghebbenden en deskundigen, niet zijnde de deskundigen bedoeld in artikel 1.1.1. De uitkomsten van de beoordeling zijn openbaar.

• Artikel 1.3.2a WEB BES: Het bestuur zorgt voor personeelsbeleid, voor zover het de duurzame borging van de kwaliteit van het onderwijspersoneel betreft.

• Artikel 2.1.2, tweede lid, WEB BES: Beroepsonderwijs is gericht op de theoretische en praktische voorbereiding voor de uitoefening van beroepen waarvoor een beroepskwalificerende opleiding is vereist of dienstig kan zijn. Het beroepsonderwijs bevordert tevens de algemene vorming en de persoonlijke ontplooiing van de studenten en draagt bij tot het maatschappelijk functioneren.

• Artikel 4.2.3, derde lid, WEB BES: De in het eerste lid bedoelde bekwaamheidseisen zijn gericht op het handelen in het onderwijsleerproces, het algemeen professioneel handelen en het werken binnen een onderwijsorganisatie. Zij omvatten in elk geval eisen ten aanzien van: a. pedagogisch-didactische kennis, inzicht en vaardigheden, en b. vakbekwaamheid.

• Artikel 5.1, eerste lid, WEB BES: Het bestuur stelt een representatief te achten vertegenwoordiging van ouders, leerlingen en personeel ten minste tweemaal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de instelling met hem te bespreken.

• Artikel 5.1, tweede lid, WEB BES: Het bestuur en de vertegenwoordigers van ouders, leerlingen en personeel komen bijeen indien daarom onder opgave van redenen door het bestuur, de vertegenwoordigers van ouders of de vertegenwoordigers van personeel wordt verzocht. De besprekingen kunnen namens het bestuur worden gevoerd.

• Artikel 5.1, derde lid, WEB BES: Indien een beroepsopleiding wordt verzorgd aan een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 123 van de Wet voortgezet onderwijs BES, is artikel 57 van die wet van toepassing.

• Artikel 7.2.6, vierde lid, WEB BES: Het in instellingstijd verzorgde onderwijsprogramma, bedoeld in het derde lid, omvat alle onderwijsactiviteiten, gericht op het bereiken van de onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding waaraan door de student wordt deelgenomen onder verantwoordelijkheid en toezicht van het bestuur.

SKA2. Uitvoering en kwaliteitscultuur

De opleiding realiseert de doelen voor goed onderwijs, bevordert een kwaliteitscultuur, zorgt voor randvoorwaarden en stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

Basiskwaliteit

De opleiding geeft als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg effectief uitvoering aan de onderwijskundige ambities en doelen en schept de daarvoor benodigde voorwaarden.

De opleiding zorgt op basis van de interne verantwoordelijkheidsverdeling voor een op samenwerken, leren en verbeteren gerichte kwaliteitscultuur, waarin doelen en ambities gerealiseerd kunnen worden. Daarbij is onderwijskundig leiderschap herkenbaar.

Docenten(teams) oefenen daarbij de eigen verantwoordelijkheid bij het inrichten van hun onderwijs uit.

Binnen deze kwaliteitscultuur geeft de opleiding uitvoering aan het stelsel van kwaliteitszorg, zodat gericht wordt gewerkt aan de kwaliteit van het onderwijs en de naleving van wettelijke voorschriften. De opleiding stuurt, waar nodig, tussentijds bij.

De opleiding zorgt ervoor dat de deskundigheidsbevordering van het personeel binnen de gestelde doelen gestalte krijgt.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de sturing op uitvoering en kwaliteitscultuur en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.2, eerste lid, WEB BES: Het bestuur draagt er zorg voor dat het onderwijs van voldoende kwaliteit is.

• Artikel 1.3.2, tweede lid, WEB BES: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg voor de instelling in en draagt er in dat verband zorg voor dat er zo veel mogelijk in samenwerking met andere instellingen wordt voorzien in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs, waaronder maatregelen en instrumenten om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt. Het bestuur draagt er zorg voor dat de in de eerste volzin van dit lid bedoelde beoordeling geschiedt met betrokkenheid van onafhankelijke belanghebbenden en deskundigen, niet zijnde de deskundigen bedoeld in artikel 1.1.1. De uitkomsten van de beoordeling zijn openbaar.

• Artikel 1.3.2a WEB BES: Het bestuur zorgt voor personeelsbeleid, voor zover het de duurzame borging van de kwaliteit van het onderwijspersoneel betreft.

• Artikel 5.1 WEB BES: Het bestuur stelt een representatief te achten vertegenwoordiging van ouders, leerlingen en personeel ten minste tweemaal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de instelling met hem te bespreken.

• Artikel 7.2.6, vierde lid, WEB BES: Het in instellingstijd verzorgde onderwijsprogramma, bedoeld in het derde lid, omvat alle onderwijsactiviteiten, gericht op het bereiken van de onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding, waaraan door de student wordt deelgenomen onder verantwoordelijkheid en toezicht van het bestuur.

• Artikel 7.4.10 WEB BES: Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip.

• Artikel 8a.1.5 WEB: Het bestuur stelt de studentenraad, de ondernemingsraad en, in voorkomende gevallen, de ouderraad ten minste eenmaal per jaar in de gelegenheid gezamenlijk de algemene gang van zaken in de instelling met hem te bespreken.

SKA3. Evaluatie, verantwoording en dialoog

De opleiding evalueert en analyseert systematisch of het de doelen realiseert en verantwoordt zich daarover. Ze stelt, wanneer nodig, het beleid bij en betrekt interne en externe belanghebbenden in een goed functionerende dialoog.

Basiskwaliteit

De opleiding monitort, evalueert, analyseert en beoordeelt als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg in hoeverre de doelen en het beleid worden gerealiseerd en informeert het bestuur daarover. Het haalt intern en extern actief informatie op om zicht te krijgen op de uitvoering, de resultaten van het onderwijs voor de studenten en de kansen en bedreigingen voor de verdere ontwikkeling van het onderwijs.

Bij de beoordeling van de kwaliteit betrekt de opleiding het oordeel van de studenten, onafhankelijke deskundigen en andere hiervoor relevante betrokkenen.

De opleiding analyseert en beoordeelt de uitkomsten van de evaluatie en verwerkt deze wanneer nodig in het (verbeter)beleid, zodat dit bijdraagt aan de ontwikkeling en verbetering van het onderwijs. Daarnaast gebruikt de opleiding de uitkomsten van de evaluatie om de sturing te verbeteren.

Aanvullende ambities

• Zijn er aanvullende ambities voor de evaluatie, verantwoording en dialoog en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Wettelijke vereisten

• Artikel 1.3.2, tweede lid, WEB BES: Het bestuur richt een stelsel van kwaliteitszorg voor de instelling in en draagt er in dat verband zorg voor dat zo veel mogelijk in samenwerking met andere instellingen wordt voorzien in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs, waaronder maatregelen en instrumenten om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt. Het bestuur draagt er zorg voor dat de in de eerste volzin van dit lid bedoelde beoordeling geschiedt met betrokkenheid van onafhankelijke belanghebbenden en deskundigen, niet zijnde de deskundigen bedoeld in artikel 1.1.1. De uitkomsten van de beoordeling zijn openbaar.

• Artikel 1.3.2, derde lid, WEB BES: Het bestuur maakt regelmatig, en voor zover het de examens betreft jaarlijks, een verslag openbaar omtrent:

° de beoordeling, bedoeld in het tweede lid;

° de uitkomsten van die beoordeling;

° het voorgenomen beleid in het licht van die uitkomsten.

TOELICHTING

Inleiding

Bij dit besluit worden de nieuwe onderzoekskaders 2021 van de Onderwijsinspectie (de inspectie) vastgesteld en de onderzoekskaders 2017 ingetrokken. Een integrale herziening van de onderzoekskaders (beleidsregels) vindt plaats in verband met de toezegging aan het Ministerie van OCW en de vertegenwoordigers van het onderwijsveld en andere betrokkenen om het vernieuwde toezicht, zoals dat in 2017 is geïntroduceerd, te evalueren en op basis van de uitkomsten bij te stellen.

De uitgangspunten van de onderzoekskaders 2017 zijn ongewijzigd gebleven. Het gaat hierbij onder meer om het volgende. De inspectie gaat nog steeds uit van het onderscheid tussen waarborgen en stimuleren (zie onder 'Wettelijke basis'). Daarnaast gaat de inspectie wederom uit van de eigen verantwoordelijkheid van besturen voor de kwaliteit van het onderwijs, waarbij besturen zorgen voor goed onderwijs voor alle leerlingen en studenten en adequaat financieel beheer. Proportionaliteit en maatwerk hebben wederom een plek gekregen in de nieuwe onderzoekskaders 2021.

De wijzigingen ten opzichte van de onderzoekskaders 2017 houden verband met het volgende. De uitgangspunten van het vernieuwde toezicht, zoals geformuleerd in de onderzoekskaders 2017, zijn op basis van uitgebreide evaluaties en raadplegingen verder uitgewerkt en verduidelijkt. Daarnaast wil de inspectie het onderwijsveld met de nieuwe onderzoekskaders nog nadrukkelijker stimuleren om te investeren in eigen ambities en wil de inspectie het stelseltoezicht verduidelijken. Verder is in de nieuwe onderzoekskaders nieuwe wetgeving verwerkt.

Wettelijke basis

In artikel 13, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) is sinds 1 juli 2017 bepaald dat de onderzoekskaders door de minister worden vastgesteld. Daarnaast verplicht deze bepaling tot het maken van een onderscheid tussen de nalevingstaak en de stimulerende taak van de inspectie. Deze wettelijke bepaling was reeds van kracht ten tijde van de totstandkoming van de onderzoekskaders 2017. In navolging van de onderzoekskaders 2017 wordt daarom ook in de nieuwe onderzoekskaders scherp onderscheid gemaakt tussen de wettelijke eisen, waaraan besturen en scholen/opleidingen moeten voldoen, en andere aspecten die van belang zijn voor de onderwijskwaliteit (aanvullende ambities).

De inspectie heeft op grond van artikel 13, tweede lid, van de WOT met vertegenwoordigers van het onderwijsveld en andere betrokkenen overleg gevoerd over de nieuwe onderzoekskaders.

Toezichtsvisie

In de nieuwe onderzoekskaders zet de inspectie de in 2017 ingeslagen koers voort en verstevigt zij deze. De verantwoordelijkheid van besturen voor de kwaliteit van het onderwijs van hun scholen/opleidingen is vanaf 2017 het uitgangspunt voor het toezicht van de inspectie. Bij de versteviging van de ingeslagen koers gaat het vooral om de proportionaliteit waarmee de inspectie te werk gaat, aansluitend op de mate waarin besturen eigenaarschap tonen en de verantwoordelijkheid nemen om samen met hun scholen/opleidingen te streven naar goed onderwijs. Het toezicht zal meer op maat zijn, rekening houdend met de kenmerken, situatie en ambities van het bestuur en de scholen/opleidingen. Dit wordt mede mogelijk gemaakt doordat de inspectie verwacht dat zij na schooljaar 2020/2021 alle besturen onderzocht heeft en daarmee een beeld van de besturen en hun kwaliteitszorg en financieel beheer heeft opgebouwd.

Aanpassingen ten opzichte van de onderzoekskaders 2021

De inspectie legt de sturing op het waarborgen van de onderwijskwaliteit nadrukkelijker bij de besturen en hun scholen/opleidingen. De inspectie versterkt de eigen waarborgfunctie in het toezicht door meer en beter gebruik te maken van signalen en besturen hierop aan te spreken.

In de nieuwe onderzoekskaders zijn aparte kwaliteitszorgstandaarden geformuleerd voor besturen en scholen om duidelijk te maken wat ieders verantwoordelijkheid is en om concrete invulling te geven aan de wijze waarop de inspectie toezicht houdt op die verantwoordelijkheid. In de nieuwe onderzoekskaders is de besturing als een cyclisch proces beschreven, zodat deze meer in lijn is met de kwaliteitscyclus van het bestuur.

Het toezicht op kwaliteit en op het financieel beheer is in de nieuwe onderzoekskaders verder geïntegreerd.

Daarnaast is de rol van stimulerend toezicht verder uitgewerkt doordat de inspectie vanaf 1 augustus 2021 in het funderend onderwijs op bestuursniveau een beoordeling of waardering gaat uitspreken op het kwaliteitsgebied Besturing, Kwaliteitszorg en Ambitie, en niet enkel meer op de onderliggende standaarden. Ook noemt de inspectie in de kaders geen voorbeelden meer van mogelijke, aanvullende ambities. Daarmee wil de inspectie benadrukken dat zij in het toezicht nadrukkelijk aansluit bij de eigen ambities van besturen en scholen (aanvullende ambities).

Voorts heeft het stelseltoezicht een belangrijkere rol gekregen in de onderzoekskaders. Met het stelseltoezicht biedt de inspectie zicht op trends en knelpunten in het stelsel. In de onderzoekskaders maakt de inspectie duidelijk hoe zij te werk gaat met het stelseltoezicht en hoe zij de uitkomsten van stelselonderzoek in een open dialoog in de toezichtcontacten met besturen en scholen/opleidingen betrekt.

Kader en standaarden

In de nieuwe onderzoekskaders voor scholen en opleidingen hanteert de inspectie zoveel mogelijk dezelfde indeling als in de onderzoekskaders 2017, met dien verstande dat de inspectie een nieuw, afzonderlijk kwaliteitsgebied 'Besturing, kwaliteitszorg en ambitie' voor besturen heeft opgenomen en dat het stelseltoezicht een belangrijkere plek heeft gekregen, met het raamwerk voor stelselkwaliteit en een daaraan gekoppelde werkwijze. In de nieuwe onderzoekskaders zijn alle standaarden waarbij de inspectie tot een oordeel komt met deugdelijkheidseisen onderbouwd.

Inwerkingtreding

Voor de datum van inwerkingtreding van de nieuwe onderzoekskaders is gekozen voor 1 augustus 2021, tegelijk met de start van nieuwe schooljaar.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob


X Noot
1

Over de evaluatie van ons toezicht is een rapport geschreven: Evaluatie vernieuwd toezicht. Voortgangsrapportage 2018/2019. U kunt dit rapport vinden op onze website (www.onderwijsinspectie.nl).

X Noot
2

In het middelbaar beroepsonderwijs kan dit uitsluitend binnen het vierjaarlijks onderzoek.

X Noot
3

In het middelbaar beroepsonderwijs gaat het ook om Borging en diplomering.

X Noot
4

We baseren ons op de versie die op 22 juni 2020 is vastgesteld. Het onderzoekskader wordt namelijk elk jaar geactualiseerd vanwege wijzigingen in de wet- en regelgeving.

X Noot
5

Hieronder vallen: besturen van en scholen voor primair onderwijs, scholen voor speciaal basisonderwijs, voorzieningen voor onderwijs aan nieuwkomers, internationaal georiënteerd basisonderwijs (igbo), orthopedagogisch-didactische centra (opdc), het toezicht op gemeenten in het kader van kinderopvang en voor- en vroegschoolse educatie, locaties voor voorschoolse educatie en besturen en scholen voor het onderwijs in Caribisch Nederland. Voor het toezicht op niet-bekostigde instellingen en Nederlands onderwijs in het buitenland zijn separate onderzoekskaders vastgesteld.

X Noot
6

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) pleit ervoor de reflectieve functie van het toezicht te versterken. Het gaat de WRR erom dat het toezicht periodiek reflecteert op ontwikkelingen, kansen, risico’s en bedreigingen binnen en buiten het domein die van invloed kunnen zijn op het eigen functioneren, op de prioritering en/of op het krachtenveld (WRR, 2013). Het kabinet ondersteunt in zijn reactie het pleidooi van de WRR om de reflectieve functie van het toezicht te versterken en daarmee de feedback-rol van het toezicht (Kabinetsreactie, september 2014).

X Noot
7

Bijvoorbeeld de Regeling jaarverslaggeving onderwijs (RJO).

X Noot
8

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2013). Toezien op publieke belangen. Naar een verruimd perspectief op rijkstoezicht (nr. 89). Den Haag/Amsterdam: Amsterdam University Press.

X Noot
9

Voor een leerling die nog geen startkwalificatie heeft, geldt een verlengde leerplicht tot 18 jaar en een kwalificatieplicht tot 23 jaar.

X Noot
10

Omdat de wettelijke bepalingen die een relatie hebben met stelseltoezicht een ander karakter hebben dan voor het bestuurs- en schoolniveau, spreken we voor stelseltoezicht over een raamwerk met de beschrijving van stelselkwaliteit in plaats van waarderingskader. Wel bevat deze net als op de andere niveaus een omschrijving van de nagestreefde kwaliteit.

X Noot
11

Voor het beschrijven van de stimulerende taak van de inspectie wordt consequent de aanduiding ‘de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs’ gehanteerd. Deze omschrijving ziet zowel op de ontwikkeling en de kwaliteit van het onderwijsstelsel als op het onderwijs aan afzonderlijke instellingen. De formulering sluit eveneens aan bij het voornemen van de regering om naast de momentopname ook de ontwikkeling in de kwaliteit van het onderwijs aan instellingen beter inzichtelijk te maken. Tweede Kamer vergaderjaar 2014-2015, 33 862, nr. 12.

X Noot
12

We parafraseren de wettelijke vereisten. Voor de letterlijke teksten verwijzen we naar de genoemde wetsartikelen.

X Noot
13

De waarderingskaders zijn in alle sectoren zo veel mogelijk gelijk. Voor de kwaliteitsgebieden worden in alle sectoren dezelfde lettercodes gehanteerd. De nummering van de standaarden loopt niet altijd door, omdat de sectoren verschillen in de uitwerking van de kwaliteitsgebieden en soms ook in het aantal standaarden dat een kwaliteitsgebied omvat.

X Noot
14

We parafraseren de wettelijke vereisten. Voor de letterlijke teksten verwijzen we naar de genoemde wetsartikelen.

X Noot
15

Meer informatie over de werkwijze rondom Excellente Scholen is te vinden op www.excellentescholen.nl.

X Noot
16

Onder andere het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), onderwijskoepels, de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) en accountantskantoren.

X Noot
17

Meer informatie over deze adviesprocedure is te vinden op www.onderwijsinspectie.nl.

X Noot
18

In artikel 15, tweede lid, WOT is bepaald dat rapporten van een specifiek onderzoek openbaar zijn, tenzij aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet.

X Noot
19

In artikel 15, tweede lid, WOT is bepaald dat rapporten van een specifiek onderzoek openbaar zijn, tenzij aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet.

X Noot
20

In artikel 15, tweede lid, WOT is bepaald dat rapporten van een specifiek onderzoek openbaar zijn, tenzij aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet.

X Noot
23

Bepalingen die gebaseerd zijn op wetgeving die is aangenomen, maar nog niet in werking is getreden, staan tussen blokhaken ([]) in het waarderingskader.

X Noot
24

Op 18 maart 2021 is het besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES gepubliceerd, dat het Tijdelijk besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES vervangt. Dit treedt in werking met terugwerkende kracht op 1 augustus 2020. Het Besluit geeft aan dat de genoemde scholen vallen onder de eisen van de WVO BES, met een aantal uitzonderingen en ontheffingen (waaronder de instructietaal). De betreffende scholen worden vanaf dat moment beoordeeld met de versie voor het voortgezet onderwijs van het Waarderingskader onderwijs in Caribisch Nederland (zie: wetten.nl - Regeling - Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES - BWBR0045020 (overheid.nl)).

X Noot
25

Over de evaluatie van ons toezicht is een rapport geschreven: Evaluatie vernieuwd toezicht. Voortgangsrapportage 2018/2019. U kunt dit rapport vinden op onze website (www.onderwijsinspectie.nl).

X Noot
26

In het middelbaar beroepsonderwijs kan dit uitsluitend binnen het vierjaarlijks onderzoek.

X Noot
27

In het middelbaar beroepsonderwijs gaat het ook om Borging en diplomering.

X Noot
28

We baseren ons op de versie die op 22 juni 2020 is vastgesteld. Het onderzoekskader wordt namelijk elk jaar geactualiseerd vanwege wijzigingen in de wet- en regelgeving.

X Noot
29

Dit betreft scholen en onderwijsinstellingen voor: slechthorende kinderen; kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden; visueel gehandicapte kinderen; lichamelijk gehandicapte kinderen; langdurig zieke kinderen (anders dan met een lichamelijke handicap); zeer moeilijk lerende kinderen; zeer moeilijk opvoedbare kinderen; meervoudig gehandicapte kinderen. Daarnaast houdt de inspectie toezicht op scholen verbonden aan pedologische instituten.

X Noot
30

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) pleit ervoor de reflectieve functie van het toezicht te versterken. Het gaat de WRR erom dat het toezicht periodiek reflecteert op ontwikkelingen, kansen, risico’s en bedreigingen binnen en buiten het domein die van invloed kunnen zijn op het eigen functioneren, op de prioritering en/of op het krachtenveld (WRR, 2013). Het kabinet ondersteunt in zijn reactie het pleidooi van de WRR om de reflectieve functie van het toezicht te versterken en daarmee de feedback-rol van het toezicht (Kabinetsreactie, september 2014).

X Noot
31

Bijvoorbeeld de Regeling jaarverslaggeving onderwijs (RJO).

X Noot
32

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2013). Toezien op publieke belangen. Naar een verruimd perspectief op rijkstoezicht (Nr. 89). Den Haag/Amsterdam: Amsterdam University Press.

X Noot
33

Voor een leerling die nog geen startkwalificatie heeft, geldt een verlengde leerplicht tot 18 jaar en een kwalificatieplicht tot 23 jaar.

X Noot
34

Voor het beschrijven van de stimulerende taak van de inspectie wordt consequent de aanduiding ‘de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs’ gehanteerd. Deze omschrijving ziet zowel op de ontwikkeling en de kwaliteit van het onderwijsstelsel als op het onderwijs aan afzonderlijke instellingen. De formulering sluit eveneens aan bij het voornemen van de regering om naast de momentopname ook de ontwikkeling in de kwaliteit van het onderwijs aan instellingen beter inzichtelijk te maken. Tweede Kamer vergaderjaar 2014-2015, 33 862, nr. 12.

X Noot
35

We parafraseren de wettelijke vereisten. Voor de letterlijke teksten verwijzen we naar de genoemde wetsartikelen.

X Noot
36

De waarderingskaders zijn in alle sectoren zo veel mogelijk gelijk. Voor de kwaliteitsgebieden worden in alle sectoren dezelfde lettercodes gehanteerd. De nummering van de standaarden loopt niet altijd door, omdat de sectoren verschillen in de uitwerking van de kwaliteitsgebieden en soms ook in het aantal standaarden dat een kwaliteitsgebied omvat.

X Noot
37

We parafraseren de wettelijke vereisten. Voor de letterlijke teksten verwijzen we naar de genoemde wetsartikelen.

X Noot
38

In het voortgezet onderwijs doen we altijd uitspraken op het niveau van de afdeling/onderwijssoort.

X Noot
39

Meer informatie over de werkwijze rondom Excellente Scholen is te vinden op www.excellentescholen.nl.

X Noot
40

Onder andere het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), onderwijskoepels, de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) en accountantskantoren.

X Noot
41

In artikel 15, tweede lid, WOT is bepaald dat rapporten van een specifiek onderzoek openbaar zijn, tenzij aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet.

X Noot
42

In artikel 15, tweede lid, WOT is bepaald dat rapporten van een specifiek onderzoek openbaar zijn, tenzij aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet.

X Noot
43

In artikel 15, tweede lid, WOT is bepaald dat rapporten van een specifiek onderzoek openbaar zijn, tenzij aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet.

X Noot
45

Over de evaluatie van ons toezicht is een rapport geschreven: Evaluatie vernieuwd toezicht. Voortgangsrapportage 2018/2019. U kunt dit rapport vinden op onze website (www.onderwijsinspectie.nl).

X Noot
46

In het middelbaar beroepsonderwijs kan dit uitsluitend binnen het vierjaarlijks onderzoek.

X Noot
47

In het middelbaar beroepsonderwijs gaat het ook om Borging en diplomering.

X Noot
48

We baseren ons op de versie die op 22 juni 2020 is vastgesteld. Het onderzoekskader wordt namelijk elk jaar geactualiseerd vanwege wijzigingen in de wet- en regelgeving.

X Noot
49

Hieronder vallen: besturen van en scholen voor voortgezet onderwijs, scholen voor praktijkonderwijs, voorzieningen voor eerste opvang anderstaligen (eoa), internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs (igvo), onderwijs in Caribisch Nederland, orthopedagogisch-didactische centra (opdc) en niet-bekostigde instellingen [en vavo] (nbi’s). Voor het toezicht op niet-bekostigde instellingen en Nederlands onderwijs in het buitenland zijn separate onderzoekskaders vastgesteld.

X Noot
50

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) pleit ervoor de reflectieve functie van het toezicht te versterken. Het gaat de WRR erom dat het toezicht periodiek reflecteert op ontwikkelingen, kansen, risico’s en bedreigingen binnen en buiten het domein die van invloed kunnen zijn op het eigen functioneren, op de prioritering en/of op het krachtenveld (WRR, 2013). Het kabinet ondersteunt in zijn reactie het pleidooi van de WRR om de reflectieve functie van het toezicht te versterken en daarmee de feedback-rol van het toezicht (Kabinetsreactie, september 2014).

X Noot
51

Bijvoorbeeld de Regeling jaarverslaggeving onderwijs (RJO).

X Noot
52

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2013). Toezien op publieke belangen. Naar een verruimd perspectief op rijkstoezicht (nr. 89). Den Haag/Amsterdam: Amsterdam University Press.

X Noot
53

Voor een leerling die nog geen startkwalificatie heeft, geldt een verlengde leerplicht tot 18 jaar en een kwalificatieplicht tot 23 jaar.

X Noot
54

Omdat de wettelijke bepalingen die een relatie hebben met stelseltoezicht een ander karakter hebben dan voor het bestuurs- en schoolniveau, spreken we voor stelseltoezicht over een raamwerk met de beschrijving van stelselkwaliteit in plaats van waarderingskader. Wel bevat deze net als op de andere niveaus een omschrijving van de nagestreefde kwaliteit.

X Noot
55

Voor het beschrijven van de stimulerende taak van de inspectie wordt consequent de aanduiding ‘de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs’ gehanteerd. Deze omschrijving ziet zowel op de ontwikkeling en de kwaliteit van het onderwijsstelsel als op het onderwijs aan afzonderlijke instellingen. De formulering sluit eveneens aan bij het voornemen van de regering om naast de momentopname ook de ontwikkeling in de kwaliteit van het onderwijs aan instellingen beter inzichtelijk te maken. Tweede Kamer vergaderjaar 2014-2015, 33 862, nr. 12.

X Noot
56

We parafraseren de wettelijke vereisten. Voor de letterlijke teksten verwijzen we naar de genoemde wetsartikelen.

X Noot
57

De waarderingskaders zijn in alle sectoren zo veel mogelijk gelijk. Voor de kwaliteitsgebieden worden in alle sectoren dezelfde lettercodes gehanteerd. De nummering van de standaarden loopt niet altijd door, omdat de sectoren verschillen in de uitwerking van de kwaliteitsgebieden en soms ook in het aantal standaarden dat een kwaliteitsgebied omvat.

X Noot
58

We parafraseren de wettelijke vereisten. Voor de letterlijke teksten verwijzen we naar de genoemde wetsartikelen.

X Noot
59

In het voortgezet onderwijs doen we altijd uitspraken op het niveau van de afdeling/onderwijssoort.

X Noot
60

Meer informatie over de werkwijze rondom Excellente Scholen is te vinden op www.excellentescholen.nl.

X Noot
61

Onder andere het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), onderwijskoepels, de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) en accountantskantoren.

X Noot
62

Meer informatie over deze adviesprocedure is te vinden op www.onderwijsinspectie.nl.

X Noot
63

In artikel 15, tweede lid, WOT is bepaald dat rapporten van een specifiek onderzoek openbaar zijn, tenzij aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet.

X Noot
64

In artikel 15, tweede lid, WOT is bepaald dat rapporten van een specifiek onderzoek openbaar zijn, tenzij aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet.

X Noot
65

In artikel 15, tweede lid, WOT is bepaald dat rapporten van een specifiek onderzoek openbaar zijn, tenzij aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet.

X Noot
67

De Eerste en Tweede Kamer hebben wetgeving aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2020–2021, 35 580, nr. 2 (wetsvoorstel)) waarin onder andere geregeld wordt dat leerlingen in het praktijkonderwijs een schooldiploma krijgen als de directeur oordeelt dat zij daarvoor in aanmerking komen. Standaard OP6 wordt alleen beoordeeld als bovengenoemd wetsvoorstel is aangenomen en in werking is getreden op het moment van vaststelling van het onderzoekskader.

X Noot
68

De eerste twee jaar van de leerroute staat de leerling ingeschreven op de school voor voortgezet onderwijs, is de wet- en regelgeving voor voortgezet onderwijs van toepassing en is de school voor voortgezet onderwijs verantwoordelijk (met uitzondering van het onderwijs aan het middelbaar beroepsonderwijs en de examinering die in die periode worden aangeboden, daarvoor blijft de school voor middelbaar beroepsonderwijs verantwoordelijk). Na twee jaar wordt de jongere overgeschreven naar het middelbaar beroepsonderwijs; dan is de wet- en regelgeving voor het middelbaar beroepsonderwijs van toepassing (met uitzondering van het onderwijs, de examinering en de diplomering voortgezet onderwijs die in deze periode plaatsvinden, daarvoor blijft het vmbo verantwoordelijk).

X Noot
69

Bepalingen die gebaseerd zijn op wetgeving die is aangenomen, maar nog niet in werking is getreden, staan tussen blokhaken ([]) in het waarderingskader.

X Noot
70

Op 18 maart 2021 is het besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES gepubliceerd, dat het Tijdelijk besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES vervangt. Dit treedt in werking met terugwerkende kracht op 1 augustus 2020. Het Besluit geeft aan dat de genoemde scholen vallen onder de eisen van de WVO BES, met een aantal uitzonderingen en ontheffingen (waaronder de instructietaal). De betreffende scholen worden vanaf dat moment beoordeeld met de versie voor het voortgezet onderwijs van het Waarderingskader onderwijs in Caribisch Nederland (zie: wetten.nl - Regeling - Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES - BWBR0045020 (overheid.nl)).

X Noot
71

Over de evaluatie van ons toezicht is een rapport geschreven: Evaluatie vernieuwd toezicht. Voortgangsrapportage 2018/2019. U kunt dit rapport vinden op onze website (www.onderwijsinspectie.nl).

X Noot
72

In het middelbaar beroepsonderwijs kan dit uitsluitend binnen het vierjaarlijks onderzoek.

X Noot
73

In het middelbaar beroepsonderwijs gaat het ook om Borging en afsluiting.

X Noot
74

In dit onderzoekskader wordt de algemene term ‘student(en)’ gebruikt voor degenen die in het mbo onderwijs volgen, ook als het volgens de wettelijke definitie gaat om een ‘deelnemer’ (aan educatie) of een ‘vavo-student’.

X Noot
75

We baseren ons op de versie die op 22 juni 2020 is vastgesteld. Het onderzoekskader wordt namelijk elk jaar geactualiseerd vanwege wijzigingen in de wet- en regelgeving.

X Noot
76

Hieronder vallen: besturen van en opleidingen voor middelbaar beroepsonderwijs, niet-bekostigde instellingen, voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, overige educatie, besturen en opleidingen betrokken bij een leerroute vmbo-mbo, en instellingen voor het onderwijs in Caribisch Nederland.

X Noot
77

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) pleit ervoor de reflectieve functie van het toezicht te versterken. Het gaat de WRR erom dat het toezicht periodiek reflecteert op ontwikkelingen, kansen, risico’s en bedreigingen binnen en buiten het domein die van invloed kunnen zijn op het eigen functioneren, op de prioritering en/of op het krachtenveld (WRR, 2013). Het kabinet ondersteunt in zijn reactie het pleidooi van de WRR om de reflectieve functie van het toezicht te versterken en daarmee de feedback-rol van het toezicht (Kabinetsreactie, september 2014).

X Noot
78

Bijvoorbeeld de Regeling jaarverslaggeving onderwijs (RJO).

X Noot
79

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2013). Toezien op publieke belangen. Naar een verruimd perspectief op rijkstoezicht (nr. 89). Den Haag/Amsterdam: Amsterdam University Press.

X Noot
80

Voor een leerling die nog geen startkwalificatie heeft, geldt een verlengde leerplicht tot 18 jaar en een kwalificatieplicht tot 23 jaar.

X Noot
81

Voor het beschrijven van de stimulerende taak van de inspectie wordt consequent de aanduiding ‘de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs’ gehanteerd. Deze omschrijving ziet zowel op de ontwikkeling en de kwaliteit van het onderwijsstelsel als op het onderwijs aan afzonderlijke instellingen. De formulering sluit eveneens aan bij het voornemen van de regering om naast de momentopname ook de ontwikkeling in de kwaliteit van het onderwijs aan instellingen beter inzichtelijk te maken. Tweede Kamer vergaderjaar 2014-2015, 33 862, nr. 12.

XNoot
*

De waarderingskaders zijn in alle sectoren zo veel mogelijk gelijk. Voor de kwaliteitsgebieden worden in alle sectoren dezelfde lettercodes gehanteerd. De nummering van de standaarden loopt niet altijd door, omdat de sectoren verschillen in de uitwerking van de kwaliteitsgebieden en soms ook in het aantal standaarden dat een kwaliteitsgebied omvat.

X Noot
82

We parafraseren de wettelijke vereisten. Voor de letterlijke teksten verwijzen we naar de genoemde wetsartikelen.

X Noot
83

Met het aannemen van het amendement van Kamerlid Bisschop (van 26 september 2019) wordt in de wet vastgelegd wanneer sprake is van Zeer Zwak onderwijs in het mbo. Hiermee sluit de WEB aan op de wetgeving voor funderend onderwijs en krijgen besturen de mogelijkheid om ook tegen de beoordeling Zeer Zwak bezwaar en beroep aan te tekenen. Dit amendement wordt door OCW uitgewerkt.

X Noot
84

Onder andere het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), onderwijskoepels, de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) en accountantskantoren.

X Noot
85

In artikel 15, tweede lid, WOT is bepaald dat rapporten van een specifiek onderzoek openbaar zijn, tenzij aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet.

X Noot
86

In artikel 15, tweede lid, WOT is bepaald dat rapporten van een specifiek onderzoek openbaar zijn, tenzij aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet.

X Noot
87

In artikel 15, tweede lid, WOT is bepaald dat rapporten van een specifiek onderzoek openbaar zijn, tenzij aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet.

X Noot
89

Niet-bekostigde opleidingen kunnen ook worden verzorgd door bekostigde mbo-instellingen. In zo’n geval hanteren we op bestuursniveau de standaarden uit het waarderingskader middelbaar beroepsonderwijs (hoofdstuk 4) en op opleidingsniveau de standaarden uit het waarderingskader voor niet-bekostigd middelbaar beroepsonderwijs, zoals opgenomen in bijlage 2.

X Noot
90

De eerste twee jaar van de leerroute staat de leerling ingeschreven op de school voor voortgezet onderwijs, is de wet- en regelgeving voor voortgezet onderwijs van toepassing en is de school voor voortgezet onderwijs verantwoordelijk (met uitzondering van het onderwijs aan het middelbaar beroepsonderwijs en de examinering die in die periode worden aangeboden, daarvoor blijft de school voor middelbaar beroepsonderwijs verantwoordelijk). Na twee jaar wordt de jongere overgeschreven naar het middelbaar beroepsonderwijs; dan is de wet- en regelgeving voor het middelbaar beroepsonderwijs van toepassing (met uitzondering van het onderwijs, de examinering en de diplomering voortgezet onderwijs die in deze periode plaatsvinden, daarvoor blijft het vmbo verantwoordelijk).

X Noot
91

Bepalingen die gebaseerd zijn op wetgeving die is aangenomen, maar nog niet in werking is getreden, staan tussen blokhaken ([]) in het waarderingskader.

X Noot
92

Op 18 maart 2021 is het besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES gepubliceerd, dat het Tijdelijk besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES vervangt. Dit treedt in werking met terugwerkende kracht op 1 augustus 2020. Het Besluit geeft aan dat de genoemde scholen vallen onder de eisen van de WVO BES, met een aantal uitzonderingen en ontheffingen (waaronder de instructietaal). De betreffende scholen worden vanaf dat moment beoordeeld met de versie voor het voortgezet onderwijs van het Waarderingskader onderwijs in Caribisch Nederland (zie: wetten.nl - Regeling - Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES - BWBR0045020 (overheid.nl)).

X Noot
93

Op dit moment is registratie op het niveau van het samenwerkingscollege in BRON nog niet mogelijk. Dit zal op korte termijn mogelijk worden gemaakt door DUO.

X Noot
94

Het is wenselijk om op het niveau van het samenwerkingscollege inzicht in de opbrengsten te hebben. De berekening van de onderwijsresultaten is namelijk mogelijk anders, omdat op de opleidingen van samenwerkingscolleges studenten van meerdere instellingen kunnen zitten. De berekening van de opbrengsten is maatwerk.

X Noot
95

De berekeningswijze en de resultaten worden jaarlijks door de inspectie in het Internet Schooldossier (ISD) voorzien van een technische toelichting en beschikbaar gesteld aan instellingen en het veld.

X Noot
96

De normen die worden vastgesteld gaan uit van de recentst bekende onderwijsresultaten op 1 augustus 2020. Er wordt bestuurlijk overleg met de Nederlandse Raad voor Training en Opleiding (NRTO) gepland om de norm te evalueren en eventueel bij te stellen.

Naar boven