Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische Zaken en KlimaatStaatscourant 2021, 33700Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 25 juni 2021, nr. WJZ/ 21066535, tot vaststelling van een tijdelijke subsidieregeling ter tegemoetkoming van bruine vlootondernemingen, getroffen door de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19, in de vaste lasten en variabele lasten (Tijdelijke subsidieregeling continuïteit bruine vloot)

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat,

Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën;

Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies;

Besluit:

Artikel 1 (begripsbepalingen)

  • 1. In deze regeling wordt verstaan onder:

    algemene de-minimisverordening:

    verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L 352);

    algemene groepsvrijstellingsverordening:

    verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187);

    Belastingdienst:

    Belastingdienst als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003;

    bruine vlootonderneming:

    onderneming die voldoet aan artikel 2, tweede lid, onderdelen c, d, en e;

    handelsregister:

    handelsregister als bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007;

    minister:

    Minister van Economische Zaken en Klimaat;

    MKB-onderneming:

    in Nederland gevestigde onderneming als bedoeld in artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007, die een kleine onderneming of middelgrote onderneming is in de zin van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    omzet:

    opbrengst uit levering van goederen en diensten uit de onderneming, onder aftrek van kortingen en dergelijke en van over de omzet geheven belastingen;

    omzet in de referentieperiode:

    omzet als bedoeld in artikel 3, tweede onderscheidenlijk derde lid;

    omzet in de subsidieperiode:

    omzet als bedoeld in artikel 3, vierde lid;

    omzetverlies:

    omzetverlies als bedoeld in 3, eerste lid;

    verklaring de-minimissteun:

    verklaring van de bruine vlootonderneming waarin deze bevestigt dat de subsidie niet zal leiden tot een overschrijding van het de-minimisplafond, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de algemene de-minimisverordening;

  • 2. In de artikelen, 2, tweede lid, onderdeel b, en 4, eerste lid, staat:

    • A voor de omzet in de referentieperiode, uitgedrukt in Euro’s;

    • B voor het omzetverlies, uitgedrukt in procenten;

    • C voor het vaste lastenpercentage, vastgesteld op 43% + variabele lastenpercentage, vastgesteld op 30%.

Artikel 2 (verstrekking subsidie)

  • 1. De minister verstrekt op aanvraag eenmalig een subsidie aan een bruine vlootonderneming om bij te dragen aan de financiering van de vaste lasten en de variabele lasten in het tweede, derde en vierde kalenderkwartaal van 2020.

  • 2. De subsidie wordt enkel verstrekt, indien:

    • a. het omzetverlies van de bruine vlootonderneming ten minste 30% bedraagt;

    • b. de uitkomst van de vermenigvuldiging van A en C ten aanzien van de bruine vlootonderneming ten minste € 1.000 bedraagt;

    • c. de onderneming op 15 maart 2020 is ingeschreven in het handelsregister onder de code 5010, 5030 of 9103 van de Standaard Bedrijfsindeling;

    • d. de onderneming of de natuurlijke persoon die de onderneming drijft eigenaar is van een historische zeilschip, waarvan de kiel is gelegd in 1971 of eerder en welk schip wordt geëxploiteerd ten behoeve van passagiersvaart;

    • e. de onderneming een MKB-onderneming is.

  • 3. Geen subsidie wordt verstrekt aan:

    • a. een publiekrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

    • b. een overheidsbedrijf als bedoeld in artikel 25g, eerste lid, van de Mededingingswet;

    • c. een bekostigde school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs;

    • d. een bekostigde instelling voor educatie en beroepsonderwijs als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs;

    • e. een bekostigde instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

  • 4. In afwijking van het tweede lid, onderdeel c, wordt subsidie verstrekt aan een bruine vlootonderneming indien ten genoegen van de minister blijkt dat de onderneming op 15 maart 2020 feitelijk een activiteit uitvoerde die onder de code 5010, 5030 of 9103 van de Standaard Bedrijfsindeling valt.

Artikel 3 (bepaling omzetverlies)

  • 1. Het omzetverlies wordt berekend door het verschil tussen de omzet in de referentieperiode en de omzet in de subsidieperiode te bepalen en deze te delen door de omzet in de referentieperiode. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt in procenten.

  • 2. De omzet in de referentieperiode is de omzet in het tweede, derde en vierde kalenderkwartaal van 2019.

  • 3. In afwijking van het tweede lid is de omzet in de referentieperiode voor:

    • a. een bruine vlootonderneming die na 31 maart 2019 en uiterlijk op 31 mei 2019 voor de eerste maal is ingeschreven in het handelsregister: de omzet in de negen kalendermaanden volgend op de maand van de inschrijving in het handelsregister;

    • b. een bruine vlootonderneming die na 31 mei 2019 en uiterlijk op 31 januari 2020 voor de eerste maal is ingeschreven in het handelsregister: de omzet in de kalendermaanden volgend op de maand na de inschrijving in het handelsregister tot 1 maart 2020 gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met negen.

  • 4. De omzet in de subsidieperiode is de omzet in het tweede, derde en vierde kalenderkwartaal van 2020.

  • 5. Als de omzet van de bruine vlootonderneming wordt beschouwd het bedrag ten aanzien waarvan de bruine vlootonderneming aangifte doet voor de omzetbelasting, overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968. Tevens wordt als omzet beschouwd omzet die niet in een aangifte omzetbelasting gerapporteerd wordt, maar op eenvoudige en duidelijke wijze blijkt uit de financiële administratie of uit een ander bewijsstuk van de bruine vlootonderneming.

  • 6. Tot de omzet in de subsidieperiode worden voor de toepassing van deze regeling niet gerekend subsidies, tegemoetkomingen of steun in een andere vorm die de bruine vlootonderneming heeft verkregen van een bestuursorgaan in verband met, of mede in verband met, de gevolgen van de bestrijding van de verspreiding van COVID-19.

Artikel 4 (hoogte subsidie)

  • 1. De subsidie bedraagt ten hoogste € 124.999 en wordt berekend op de volgende wijze:

    A x B x C x 0,50.

  • 2. De subsidie bedraagt € 1.000, indien:

    • a. de uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, minder is dan € 1.000;

    • b. het een bruine vlootonderneming betreft die voor de eerste maal is ingeschreven in het handelsregister na 31 januari 2020.

Artikel 5 (afwijzingsgronden)

De minister beslist afwijzend op een aanvraag:

  • a. indien de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde regels;

  • b. indien de bruine vlootonderneming al in moeilijkheden verkeerde, in de zin van artikel 2, onderdeel 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, op 31 december 2019;

  • c. voor zover blijkens de verklaring de-minimissteun, als gevolg van de verlening van de subsidie het de-minimis plafond, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de de-minimisverordening, overschreden zou worden;

  • d. indien de subsidie niet verstrekt kan worden op grond van de algemene de-minimisverordening.

Artikel 6 (informatieverplichtingen bij aanvraag)

  • 1. Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

  • 2. Een aanvraag omvat in ieder geval:

    • a. gegevens over de bruine vlootonderneming, waaronder het nummer waarmee de bruine vlootonderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer dat op naam van de bruine vlootonderneming staat of, in geval de bruine vlootonderneming een eenmanszaak betreft en deze geen zakelijke rekening heeft, het rekeningnummer van de eigenaar van de eenmanszaak;

    • b. een kopie van een zeebrief als bedoeld in de Zeebrievenwet of een kopie van een geldig certificaat van onderzoek als bedoeld in de Binnenvaartwet, waaruit de eigendom en de datum van de kiellegging van het historisch zeilschip blijken;

    • c. gegevens over de contactpersoon bij de bruine vlootonderneming, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;

    • d. een opgave van de omzet van de bruine vlootonderneming in de referentieperiode, blijkend uit:

      • 1°. indien de bruine vlootonderneming omzetbelasting afdraagt over de omzet in de referentieperiode en daarvan aangifte doet per maand of kalenderkwartaal: kopieën van de aangiftes voor die maanden of kwartalen, indien die aangiftes enkel betrekking hebben op de bruine vlootonderneming en die voldoen aan het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968;

      • 2°. indien de bruine vlootonderneming niet beschikt over de kopieën, bedoeld onder 1°: een afschrift uit de boekhouding van de bruine vlootonderneming, een kopie van de baten lasten rekening of een andere document waaruit het bedrag duidelijk blijkt waarover zij in de referentieperiode omzetbelasting heeft betaald;

      • 3°. indien de bruine vlootonderneming omzetbelasting afdraagt over de omzet in de referentieperiode en daarvan aangifte doet per kalenderjaar: een kopie van de aangifte voor dat kalenderjaar, indien de aangifte enkel betrekking heeft op de bruine vlootonderneming en voldoet aan het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968, en een kopie van een bewijsstuk waaruit het bedrag duidelijk blijkt waarover zij in de referentieperiode omzetbelasting heeft betaald;

      • 4°. indien de bruine vlootonderneming over de gehele omzet in de referentieperiode, of een deel daarvan, geen omzetbelasting afdraagt: een kopie van een bewijsstuk waaruit de omzet in de referentieperiode duidelijk blijkt en een kopie van de jaarrekening of het jaarverslag van het kalenderjaar 2019 of een ander bewijsstuk waaruit de omzet in het kalenderjaar 2019 blijkt;

    • e. een opgave van de omzet van de bruine vlootonderneming in de subsidieperiode, blijkend uit:

      • 1°. indien de bruine vlootonderneming omzetbelasting afdraagt over de omzet in de subsidieperiode en daarvan aangifte doet per maand of kalenderkwartaal: kopieën van de aangiftes voor die maanden of kwartalen, indien die aangiftes enkel betrekking hebben op de bruine vlootonderneming en voldoen aan het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968;

      • 2°. indien de bruine vlootonderneming niet beschikt over kopieën bedoeld onder 1°: een afschrift uit de boekhouding van de bruine vloot-onderneming, een kopie van de baten lasten rekening of een ander bewijsstuk waaruit duidelijk het bedrag blijkt waarover zij in de subsidieperiode omzetbelasting heeft betaald;

      • 3°. indien de bruine vlootonderneming omzetbelasting afdraagt over de omzet in de subsidieperiode en daarvan aangifte doet per kalenderjaar of de bruine vlootonderneming over zijn gehele omzet, of een deel daarvan, geen omzetbelasting afdraagt: een kopie van een bewijsstuk waaruit de omzet in de subsidieperiode duidelijk blijkt;

    • f. een verklaring de-minimissteun;

    • g. een bewijsstuk waaruit blijkt dat de onderneming of de natuurlijke persoon die de onderneming drijft een historische zeilschip exploiteert ten behoeve van passagiersvaart.

Artikel 7 (aanvraagperiode)

  • 1. Een aanvraag kan worden ingediend in de periode 29 juni 2021 tot en met 24 augustus 2021.

  • 2. Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 12:00 uur op de in het eerste lid genoemde begindatum en zijn tijdig ingediend indien zij op de in het eerste lid genoemde einddatum vóór 17:00 zijn ontvangen.

Artikel 8 (beslistermijn)

De minister beslist binnen dertien weken na ontvangst van een aanvraag. Indien niet binnen deze termijn kan worden beslist, stelt de minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beslissing wel kan worden genomen.

Artikel 9 (verplichtingen subsidieontvanger)

  • 1. De subsidieontvanger voert een zodanige administratie dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze is af te leiden dat de ontvanger voldoet aan de bij deze regeling gestelde eisen.

  • 2. De administratie, bedoeld in het eerste lid, wordt tot tien jaar na datum van de beschikking tot subsidievaststelling bewaard.

  • 3. De subsidieontvanger verleent gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling medewerking aan een evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van de aan hem verleende subsidie, voor zover medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd.

Artikel 10 (vaststelling subsidie)

  • 1. De subsidie wordt vastgesteld zonder voorafgaande beschikking tot subsidieverlening.

  • 2. De subsidie wordt vastgesteld aan de hand van de berekeningswijze, bedoeld in artikel 4.

Artikel 11 (gegevensuitwisseling)

  • 1. De minister levert aan de Belastingdienst gegevens over de subsidieaanvragers met het oog op het verkrijgen van de voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijke vaststellings- en controlegegevens met betrekking tot de omzet van de aanvrager.

  • 2. De Belastingdienst maakt de voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijke vaststellings- en controlegegevens met betrekking tot de omzet van de aanvrager bekend aan de minister.

Artikel 12 (staatssteun)

De tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening.

Artikel 13 (overgangsrecht)

Op aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van een wijziging van deze regeling en op subsidies die voor dat tijdstip zijn verstrekt, blijft deze regeling van toepassing zoals deze luidde voor dat tijdstip.

Artikel 14 (inwerkingtreding)

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 31 december 2021.

Artikel 15 (citeertitel)

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling continuïteit bruine vloot.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 25 juni 2021

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, M.C.G. Keijzer

TOELICHTING

I. Algemeen

1. Aanleiding en doel

Het kabinet heeft in een Kamerbrief van 28 augustus 20201 een aanvullend steunpakket gepresenteerd voor de culturele en creatieve sector. Onderdeel hiervan is het beschikbaar stellen van € 15 miljoen voor het behoud van het varend erfgoed (de zgn. bruine vloot).

Ons land kent een rijke maritieme historie. Onze voorouders hebben de hele wereld over gezeild. Niet alleen overzees, maar ook op de voormalige Zuiderzee en de Waddenzee was het zeilschip een ideale manier om goederen en mensen van a naar b te vervoeren. Ook in deze tijd worden deze schepen nog ingezet. Op deze schepen worden passagiers meegenomen. Door te varen op deze schepen krijgen opvarenden een beeld van hoe het was om te varen op zo’n schip. De passagiers ervaren tijdens de dag- of meerdaagse tochten hoe het is om te leven en te varen op een traditioneel zeilschip. Het beleven van het zeeleven en onze geschiedenis vanaf het water op een vaartuig dat in het verleden zeilde maakt dit beeld compleet. De schippers leveren daarmee een bijdrage aan het levend houden van een belangrijk deel van onze geschiedenis als onderdeel van onze cultuur. Het is belangrijk dat de kennis over deze schepen en hun gebruik niet verloren gaat. Het gebruik van deze schepen voor passagiersvaart zorgt er voor dat deze schepen beter bewaard blijven dan wanneer deze schepen stil zouden liggen. Het kabinet wil het varen met historische zeilschepen dan ook graag behouden, als belangrijk deel van onze geschiedenis.

De sector van de historische zeilvaart (de bruine vloot), die bedrijfsmatig pleziertochten op de zee- en binnenwateren organiseert, wordt hard getroffen door de coronacrisis. Op 18 maart 2020 heeft het kabinet landelijke maatregelen getroffen ter bestrijding van de verdere verspreiding van het coronavirus (COVID-19). Naast het verbod op samenkomsten en de 1.5 meter afstand regel, was het in deze periode ook onmogelijk om te eten en overnachten op deze historische zeilschepen. Het effect van deze capaciteitsbeperkende maatregelen was dat de schippers in de periode tot 1 juli 2020 zeer beperkt inkomsten konden verwerven. Hoewel tussen 1 juli 2020 en 14 oktober 2020 de regels wat waren versoepeld, zorgden de in die periode geldende maatregelen nog steeds voor aanzienlijke capaciteitsreductie. Dit was een flinke tegenvaller aangezien er met een aantal grote nautische evenementen die afgelopen jaar zouden plaatsvinden (zoals SAIL Amsterdam 2020) juist extra inkomsten gegenereerd hadden kunnen worden. Deze maatregelen hebben effect gehad op het aantal bezoekers dat bruine vlootschippers in hun hoogseizoen hebben kunnen ontvangen. Vanaf 14 oktober 2020 waren bijeenkomsten met meer dan vier mensen (op 1.5 meter afstand) wederom niet meer toegestaan. Dit zorgde er voor dat varen op deze historische zeilschepen met passagiers wederom niet mogelijk was. Het kabinet heeft op 5 juni de 3e stap in het openingsplan gezet. Een aantal maatregelen zijn, onder voorwaarden, aangepast of versoepeld. Vanaf dat moment is het weer toegestaan om recreatieve tochten op deze schepen te maken met passagiers. Het kabinet wil de 4e stap in het openingsplan op 26 juni gaan zetten. Er worden dan geen eisen meer gesteld ten aanzien van de maximale groepsgrootte. Hierdoor wordt het opnieuw mogelijk om met meer passagiers tegelijkertijd te varen.

Een groot deel van de tochten op historische zeilschepen wordt geboekt door groepen Nederlandse en buitenlandse reizigers. Vanwege de hiervoor beschreven maatregelen, konden de exploitanten van deze historische zeilschepen in 2020 geen kostendekkende bedrijfsvoering realiseren. Op basis van enquêtes schat de branchevereniging voor de chartervaart (de BBZ) dat het zeilende deel van de sector in 2020 te maken heeft gehad met een omzetverlies van 77% ten opzichte van de € 45 miljoen omzet van de sector in 2019.

Tegelijkertijd hebben de exploitanten van historische zeilschepen wel aanzienlijke kosten gemaakt. Daarbij gaat het zowel om vaste lasten als om variabele kosten. Ten aanzien van de vaste lasten gaat het voor deze sector bijvoorbeeld om het onderhoud van de schepen en de uitvoering van de noodzakelijke keuringen van de schepen. Onderhoud van de schepen is noodzakelijk om de veiligheid op deze schepen te borgen en de noodzakelijke keuringen uit te kunnen voeren. Daarmee is dit onderhoud noodzakelijk om de schepen te kunnen behouden voor de toekomst. Het is daarom niet mogelijk om op deze vaste lasten te bezuinigen of deze kosten uit te stellen. Kenmerkend voor de exploitatie van historische zeilschepen is daarnaast dat op de variabele kosten eveneens moeilijk kan worden bespaard als de schepen varen met een lagere bezettingsgraad. Exploitanten van historische zeilschepen maken bijvoorbeeld veel gebruik van zzp’ers die zij inhuren om als matroos mee te varen op een schip. De inhuur van het aantal in te huren krachten hangt grotendeels samen met het aantal vaarmomenten en veel minder met het aantal passagiers dat meevaart op een schip. Ook als het schip niet op volle bezetting vaart, worden dus kosten voor personeel gemaakt. Hetzelfde geldt voor brandstofkosten, liggelden en belastingen. Exploitanten van historische zeilschepen verdienen in een normaal jaar net genoeg om de voornoemde vaste lasten en variabele kosten te kunnen dekken. Nu het vanwege de geldende maatregelen niet of slechts beperkt mogelijk was om de historische zeilschepen te kunnen exploiteren, is onvoldoende omzet gemaakt ter dekking van de gemaakte kosten. Gevolg hiervan kan zijn dat exploitanten van historische zeilschepen gedwongen worden hun bedrijf te stoppen. Dit kan tot gevolg hebben dat historische zeilschepen niet meer gebruikt zullen worden en verloren kunnen gaan.

Op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (hierna: TVL) wordt aan ondernemers al subsidie verstrekt ter dekking van de vaste lasten. Subsidie is verstrekt voor de periode vanaf juni 2020. Deze regeling ziet echter enkel op financiering van een deel van de vaste lasten en bovendien in zijn geheel niet op de voor deze sector onvermijdbare variabele lasten.

Het belang wat de Kabinet hecht aan het behoud van deze historische cultuurwaarde door middel van het varen op historische zeilschepen in combinatie met de omvang van de kosten die de sector moet maken voor de instandhouding van de schepen, leidt voor het kabinet tot de conclusie dat extra ondersteuning van exploitanten van historische zeilschepen noodzakelijk is.

Onderhavige regeling geeft tegen deze achtergrond invulling aan de in de eerdere genoemde Kamerbrief aangekondigde regeling voor historische zeilschepen, de zgn. bruine vloot. De regeling is gericht op bruine vlootondernemers in het midden en kleinbedrijf (MKB), die door omzetverlies als gevolg van de coronamaatregelen in het tweede tot en met vierde kwartaal van 2020 in liquiditeitsproblemen komen en daardoor niet altijd hun vaste en variabele lasten kunnen betalen. Doel is om deze ondernemers over voldoende liquide middelen te laten beschikken om vaste en variabele lasten te kunnen blijven betalen. Hiertoe wordt op grond van deze regeling subsidie verstrekt ter dekking van de vaste lasten (voor zover daarvoor op grond van de TVL nog geen subsidie is verstrekt) en niet vermijdbare variabele lasten, zoals inhuur, leges en brandstofkosten, voor de periode van het tweede tot en met het vierde kwartaal van 2020. Het betreft daarmee een aanvullende regeling in het steun- en herstelpakket om ondernemers te helpen bij het betalen van de vaste en de variabele lasten. De regeling wordt in de paragrafen hierna verder toegelicht.

Voor de vormgeving van deze regeling is waar mogelijk aangesloten bij de systematiek van de TVL, waarbij aanpassingen zijn doorgevoerd om recht te doen aan de specifieke situatie van de bruine vlootondernemers.

Deze regeling bevat geen subsidieplafond, waartoe de Minister van Financiën overeenkomstig artikel 3, derde lid, van de Kaderwet EZK- en LNV subsidies heeft ingestemd. De kosten van de regeling worden geraamd op € 8.000.000.

2. Doelgroep

De subsidie is bedoeld voor bruine vlootondernemingen. Om te kwalificeren als bruine vlootonderneming moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan (artikel 2, tweede lid, onderdelen c tot en met e). Ten eerste moet de onderneming op 15 maart 2020, de start van de coronamaatregelen, in het handelsregister zijn ingeschreven. De onderneming moet op voornoemde datum in het handelsregister zijn ingeschreven onder de code 5010, 5030 of 9103 van de Standaard Bedrijfsindeling. In de regeling is een gerichte hardheidsclausule opgenomen voor het geval de onderneming in de praktijk activiteiten uitvoerde die vallen onder de voornoemde codes, maar de inschrijving in het handelsregister daar niet op aansloot. Daarom is bepaald dat ook subsidie wordt verstrekt indien ten genoegen van de minister blijkt dat de onderneming op 15 maart 2020 feitelijk een activiteit uitvoerde die onder de code 5010, 5030 of 9103 van de Standaard Bedrijfsindeling valt. Daarnaast dient de onderneming of de natuurlijke persoon die de onderneming drijft eigenaar te zijn van een historisch zeilschip, waarvan de kiel is gelegd in 1971 of eerder en welk schip wordt geëxploiteerd ten behoeve van passagiersvaart. Binnen het erfgoeddomein van de historische scheepvaart is algemeen geaccepteerd dat schepen van 50 jaar en ouder als historisch worden beschouwd. Zo wordt voor opname in het Register Varend Erfgoed Nederland – beheerd door de Federatie Varend Erfgoed Nederland – als traditioneel vaartuig ook dit leeftijdscriterium gehanteerd. Het kabinet wil het varen met deze oude zeilschepen – nu niet meer met vracht maar met passagiers – dan ook graag behouden, als belangrijk deel van onze geschiedenis als onderdeel van onze cultuur. De passagiers ervaren tijdens de dag- of meerdaagse tochten hoe het is om te leven en te varen op een traditioneel zeilschip. Het beleven van het zeeleven en onze geschiedenis vanaf het water op een vaartuig dat in het verleden zeilde maakt dit beeld compleet. Het is belangrijk dat de kennis over deze schepen en hun gebruik niet verloren gaat. Het voortbestaan van deze vloot is essentieel voor het levend houden van een deel van onze geschiedenis. Tot slot moet het gaan om een in Nederland gevestigde onderneming als bedoeld in artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007, die een kleine onderneming of middelgrote onderneming is in de zin van de algemene groepsvrijstellingsverordening (verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187)).

De volgende typen (publieke) ondernemingen zijn uitgesloten, omdat de regeling uitsluiteind bedoeld is voor private ondernemingen (artikel 2, derde lid):

  • publiekrechtelijke rechtspersonen;

  • overheidsbedrijven;

  • een bekostigde school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, Wet op expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs;

  • een bekostigde instelling voor educatie en beroepsonderwijs als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs;

  • een bekostigde instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Voorts komen alleen ondernemingen die niet al in problemen verkeerden op 31 december 2019 voor subsidie in aanmerking (artikel 5, onderdeel b).

3. Hoofdlijnen subsidie

In deze paragraaf wordt uiteengezet hoe de subsidie wordt bepaald. De subsidie wordt bepaald op basis van een viertal parameters, te weten de omzet in de referentieperiode, het omzetverlies in de subsidieperiode ten opzichte van de referentieperiode, het percentage vaste lasten en variabele lasten en het subsidiepercentage. Op deze parameters wordt hierna verder ingegaan.

3.1 Omzetverlies

Om in aanmerking te komen voor subsidie moet een onderneming ten minste 30% omzetverlies hebben (artikel 2, tweede lid, onderdeel a). Het doel van de regeling is om te voorkomen dat bruine vlootondernemingen in liquiditeitsproblemen komen door omzetverlies. Van ondernemingen die een omzetverlies van minder dan 30% ervaren, mag verwacht worden dat zij zonder steun van de overheid liquiditeitsproblemen zullen weten te voorkomen.

Het omzetverlies wordt bepaald door de omzet in de voor deze subsidie relevante periode (de subsidieperiode), te weten het tweede tot en met vierde kwartaal van 2020, te vergelijken met dezelfde periode in 2019 (de referentieperiode), toen deze ondernemingen nog niet getroffen waren door de coronamaatregelen. Op deze wijze wordt een reëel beeld verkregen van het omzetverlies.

De berekening van het percentage omzetverlies is dan als volgt: omzet in de referentieperiode (tweede tot en met vierde kwartaal 2019) – omzet in de subsidieperiode (tweede tot en met vierde kwartaal 2020), gedeeld door de omzet in de referentieperiode (tweede tot en met vierde kwartaal 2019), vermenigvuldigd met 100%. De uitkomst van deze berekening geeft het omzetverlies in procenten (%).

De hiervoor beschreven berekening van de omzet is – voor wat betreft de omzet in de referentieperiode – niet toepasbaar op ondernemingen die in het tweede kalenderkwartaal van 2019 of later voor de eerste maal zijn ingeschreven in het handelsregister. Voor deze ondernemingen schrijft de regeling een andere referentieperiode voor die het mogelijk maakt om het omzetverlies op een reële wijze vast te stellen (artikel 3, derde lid). Voor ondernemingen gestart na 31 maart 2019 en uiterlijk op 31 mei 2019 wordt de omzet over de eerste 9 gehele kalendermaanden na de inschrijving in het handelsregister genomen (artikel 3, derde lid, onderdeel a). Voor ondernemers gestart na 31 mei 2019 en uiterlijk op 31 januari 2020 wordt als omzet genomen de omzet in de gehele kalendermaanden na de inschrijving in het handelsregister tot en met februari 2020 gedeeld door het aantal maanden in die periode, vermenigvuldigd met negen (artikel 3, derde lid, onderdeel b).

Aan de hand van de opgegeven omzet in de referentieperiode en de subsidieperiode bij de aanvraag wordt bepaald of de omzetdaling inderdaad 30% is. Als dat niet het geval is, zal de aanvraag worden afgewezen (artikel 5, onderdeel a).

De omzet in de voor deze subsidie relevante periode in 2019 (hierna referentieomzet genoemd) en het omzetverlies worden overigens ook gebruikt om de hoogte van de subsidie te bepalen. Dat wordt hierna verder toegelicht.

3.2 Bepaling van de omzet

De bruine vlootonderneming moet op grond van de regeling zijn omzet in de referentieperiode en in de subsidieperiode opgeven (artikel 6, tweede lid, onderdelen d en e). Op basis van die omzetbedragen wordt bepaald of de aanvrager in aanmerking komt voor subsidie en wordt de hoogte van de subsidie bepaald.

De definitie van het begrip ‘omzet’ in artikel 1 van de regeling is gebaseerd op wat er onder ‘netto-omzet’ wordt verstaan in artikel 2:377, zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Dit is de omzet die moet worden opgenomen in de jaarrekening van een rechtspersoon. Een groot deel van de ondernemingen die in aanmerking komt voor subsidie, betaalt omzetbelasting over haar omzet op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968. De in onderhavige regeling gebruikte definitie van omzet sluit aan bij de definitie van omzet die in de TVL voor MKB-ondernemingen wordt gebruikt.

Vanwege de uitvoerbaarheid en de beperking van de administratieve lasten is in de regeling als uitgangspunt opgenomen dat als een onderneming omzetbelasting betaalt over de omzet, het bedrag waarover aangifte voor de omzetbelasting wordt gedaan, geldt als omzet (artikel 3, vijfde lid). Deze aangifte moet zijn gedaan overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968. Daarnaast is bepaald dat ook als omzet wordt beschouwd de omzet die niet in een aangifte omzetbelasting gerapporteerd wordt, maar op eenvoudige en duidelijke wijze blijkt uit de financiële administratie of uit een ander bewijsstuk van de bruine vlootonderneming. Dit is nodig om dat ondernemingen niet altijd over alle omzet omzetbelasting af hoeven te dragen.

Deze aanpak heeft als voordeel dat deze ondernemingen hun omzet in beginsel kunnen aantonen met kopieën van hun aangiften voor de omzetbelasting. Dit laatste geldt overigens enkel als de onderneming per kalendermaand of -kwartaal aangifte doet. Een aangifte voor de omzetbelasting over een kalenderjaar geeft immers niet voldoende informatie om de omzet in de referentie- en subsidieperiode te bepalen. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld als de onderneming behoort tot een fiscale eenheid en btw-aangifte doet op het niveau van de eenheid. In beide gevallen is de relevante omzet van de onderneming niet te herleiden uit de aangifte en zullen zij met een ander bewijsstuk moeten aantonen over welk bedrag zij omzetbelasting hebben betaald (artikel 4, tweede lid, onderdeel d).

Subsidies, tegemoetkomingen of andere steun van de overheid in verband met de bestrijding van de verspreiding van COVID-19, waaronder bijvoorbeeld subsidies verleend op grond van de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, maken geen deel van de omzet bij de toepassing van deze regeling (artikel 3, zesde lid). Op deze wijze is zeker gesteld dat er geen ingewikkelde wisselwerking tussen deze subsidieregeling en andere vormen van steun ontstaat. Er zij overigens wel op gewezen dat andere subsidies, tegemoetkomingen of steun van de overheid in verband met de bestrijding van de verspreiding van COVID-19 – verleend met gebruikmaking van de de-minimisverordening – wel relevant zijn voor bepalen van de hoogte van de subsidie. Dit omdat voorkomen moet worden dat het de-minimisplafond, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de de-minimisverordening (verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L 352)), overschreden zou worden. Als dit plafond is bereikt, mag in het desbetreffende jaar geen de-minimissteun meer worden verleend.

3.3 Bepaling en drempel vast lasten en variabele lasten

Een bruine vlootonderneming kan aanspraak maken op de subsidie als de vaste en variabele lasten van de onderneming meer dan € 1.000 bedragen. Deze drempel heeft tot doel om de juiste doelgroep in aanmerking voor subsidie te laten komen. De regeling is bedoeld om te voorkomen dat bruine vlootondernemingen in grote liquiditeitsproblemen komen door omzetverlies.

Vaste lasten kunnen hiervan mede de oorzaak zijn, omdat deze normaliter gelijk blijven, terwijl de omzet is gedaald. Een deel van de variabele lasten is niet direct variabel wanneer gevaren wordt met verminderde capaciteit (denk aan brandstof). Voor bedrijven met weinig vaste lasten en variabele kosten zullen de liquiditeitsproblemen naar verwachting minder snel toenemen.

Idealiter zouden de vaste lasten en variabele lasten op basis van de daadwerkelijke vaste lasten en variabele lasten van de bruine vlootonderneming worden bepaald. Dit zorgt echter voor hoge bewijslast voor de doelgroep en hoge controlelasten voor de uitvoeringsorganisatie. Daarom is ervoor gekozen om de vaste en variabele lasten te bepalen aan de hand van de omzet in de referentieperiode (A), vermenigvuldigd het omzetverlies van de onderneming (B) vermenigvuldigd met het vaste lastenpercentage plus het variabele lastenpercentage (C). Deze systematiek is gelijk aan de TVL.

Het aandeel vaste lasten in de omzet is bepaald op 43%. Dit percentage wordt gehanteerd als vaste lastenpercentage voor de SBI-codes 5010 en 5030 in het kader van de TVL. Voor deze regeling wordt dit percentage gehanteerd voor alle aanvragers, dus ook de aanvragers die in het handelsregister ingeschreven staan onder code 9103. Dit omdat de meeste bruine vlootondernemingen ingeschreven staan onder voornoemde codes en dit vaste lastenpercentage daarmee het meest representatief is voor deze sector.

Het aandeel variabele lasten in de omzet is bepaald op 30%. Dit is een inschatting op basis van de zgn. niet vermijdbare variabele lasten, zoals inhuur, leges en brandstofkosten (zie ook paragraaf 1). Deze kosten vormen het gedeelte van de variabele kosten die niet (volledig) afnemen wanneer met een lagere capaciteit wordt gevaren of de historische zeilschepen grotendeels stil liggen.

Door de wijze van vaststelling van het vaste lastenpercentage en het variabele lastenpercentage, is het onvermijdelijk dat de percentage voor sommige bruine vlootondernemingen te hoog zullen zijn en voor andere ondernemingen te laag. Echter weegt het voor het kabinet zwaar dat de administratieve lasten en de uitvoeringslasten bij een meer gedetailleerde berekening van de vaste lasten aanzienlijk zullen stijgen. Het beperken van de administratieve lasten van de regeling weegt voor het kabinet in dit geval zwaarder dan het hierboven beschreven probleem met betrekking tot de percentages.

De uitkomst van de berekening van de vaste lasten en variabele lasten van de bruine vlootonderneming heeft in beginsel geen relatie met het bedrag aan vaste lasten en variabele lasten dat de onderneming betaalt in de subsidieperiode. Ondernemingen hoeven het bedrag van de vaste lasten in die periode niet aan te tonen. Echter, als een subsidieontvanger stopt met zijn activiteiten en ook zijn vaste lasten tot nul brengt, dan is het niet de bedoeling dat subsidie wordt aangevraagd. Dat is niet in lijn met het doel van de subsidie, te weten het bijdragen aan de financiering van de vaste en variabele lasten voor bruine vlootondernemingen.

3.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie wordt berekend op basis van:

  • de referentieomzet van de onderneming, uitgedrukt in euro’s (A);

  • het omzetverlies van de onderneming, uitgedrukt in procenten (B);

  • het vaste lastenpercentage en het variabele lastenpercentage (C);

  • het subsidiepercentage.

De hoogte van de subsidie wordt als volgt bepaald:

Referentieomzet (A) * Omzetverlies (B) * (Vaste lastenpercentage + Variabele lasten percentage (C)) * 50%.

De subsidie heeft een bovengrens, met het oog op een verantwoorde besteding van de beschikbare overheidsmiddelen. Deze bovengrens is € 124.999 per bruine vlootonderneming. De subsidie wordt lager vastgesteld, voor zover blijkens de verklaring de-minimissteun, als gevolg van de verlening van de subsidie het de-minimis plafond, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de de-minimisverordening, overschreden zou worden (artikel 5, onderdeel c).

Indien het bedrag aan subsidie na berekening uitkomt op een bedrag lager dan € 1.000, bedraagt de subsidie het minimumbedrag van € 1.000. Ook aan bruine vlootondernemingen gestart na 31 januari 2020 en uiterlijk 15 maart 2020, waar geen reële referentieomzet voor te bepalen is, wordt dit minimum subsidiebedrag verleend.

4. Aanvraag en directe vaststelling

De aanvragen voor een subsidie kunnen vanaf 29 juni, 12:00 worden ingediend bij de uitvoerder van deze regeling, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO). Op de website van RVO wordt een formulier ter beschikking gesteld om de aanvraag te kunnen indienen.

Bij de aanvraag dient de bruine vlootonderneming de in artikel 6 genoemde gegevens aan te leveren, zoals de naam, het adres en het Kamer van Koophandel (KvK)-nummer van de bruine vlootonderneming. Tevens dient een afschrift van de zeebrief dan wel het certificaat van onderzoek te worden aangeleverd. Uit deze documenten blijkt respectievelijk het eigendom van het historische zeilschip en de datum van kiellegging, waarmee de leeftijd van het zeilschip bepaald kan worden. Daarnaast dienen ook de gegevens van de contactpersoon aangeleverd te worden. Voor het indienen van de aanvraag moet de onderneming ook de omzet in de referentieperiode en in de subsidieperiode aantonen. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een kopie van de aangifte van de omzetbelasting of een kopie van een ander bewijsstuk uit de boekhouding van de omzetgegevens over 2019 en 2020 (zie verder artikel 6, onderdelen d en e). Ook dient de subsidieaanvrager een bewijsstuk aan te leveren over de daadwerkelijke exploitatie van het historisch zeilschip ten behoeve van passagiersvaart.

De aanvraag kan worden ingediend van 29 juni 2021 tot en met 24 augustus 2021. RVO behandelt en toetst de aanvraag aan de voorwaarden van de regeling. Hierbij wordt ook het uittreksel van de Kamer van Koophandel van de onderneming die subsidie aanvraagt geraadpleegd.

Omdat de periode waarop de subsidie ziet (tweede, derde en vierde kwartaal 2020), al voorbij is op het moment van openstelling van deze regeling, zijn alle omzetgegevens – ook die van de subsidieperiode – al bekend op het moment van subsidieaanvraag. Daarom kan de subsidie direct worden vastgesteld, zonder voorafgaande beschikking tot subsidieverlening. Het volledige bedrag wordt direct uitgekeerd. Dit heeft als voordeel dat uitvoerder RVO niet met voorschotten hoeft te werken, en de subsidieontvanger direct duidelijkheid heeft over het te ontvangen bedrag. Ondernemers moeten daarom naast een opgave van de omzet in de referentieperiode ook direct een opgave van de omzet in de subsidieperiode aanleveren. Beide opgaves dienen onderbouwd te zijn met bewijsstukken (zie voor een nadere toelichting op deze bewijsstukken de artikelsgewijze toelichting voor artikel 6). De onderneming dient tevens aan te geven of op basis van de omzet in de referentieperiode en het aandeel vaste lasten en variabele lasten meer bedraagt dan € 1.000,–.

Er zal zo snel mogelijk over de aanvraag worden beslist, maar uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn is nodig omdat de subsidie direct vastgesteld zal worden, waardoor na aanvraag direct ook de informatie voor de vaststelling gecontroleerd moet worden door RVO. Als in het uiterste geval een beslissing binnen dertien weken niet haalbaar is, wordt de aanvrager daarover geïnformeerd en wordt een redelijke termijn gegeven waarbinnen de aanvrager de beschikking wel tegemoet kan zien.

De uiterste datum van subsidievaststelling is 31 december 2021. Na deze datum vervalt de regeling. In de beschikking tot subsidievaststelling wordt overeenkomstig artikel 4:42 van de Algemene wet bestuursrecht het bedrag van subsidie opgenomen. Dit bedrag is de uitkomst van de, op basis van de bij de subsidieaanvraag geleverde informatie, gemaakte berekening overeenkomstig artikel 4, eerste lid, tot een maximum van € 124.999.

5. Uitvoering

RVO geeft uitvoering aan deze regeling. Zij acht de regeling uitvoerbaar.

Het uitvoeringsproces is deels geautomatiseerd. Zo kunnen subsidieaanvragers sneller geholpen worden. Gegevens uit het handelsregister en van de Belastingdienst worden gebruikt om RVO te ondersteunen in het controleren van de aanvragen. Daarnaast vinden gerichte controles plaats met het oog op risico’s van misbruik en fraude. Subsidieontvangers zijn verplicht aan deze controles mee te werken, ook als deze na de subsidievaststelling plaatsvinden.

Bij verificatie van de door de subsidieaanvrager geleverde gegevens, worden gegevens van de Belastingdienst gebruikt. Het uitgangspunt is dat de aanvrager zelf verantwoordelijk is voor de informatie die hij verstrekt bij zijn aanvraag. De gegevens van de Belastingdienst dienen ter controle en betreffen de bij hen bekende gegevens over de omzet van de subsidieaanvragers, waarbij naast het bedrag van de omzet bijvoorbeeld ook kan gaan om de vraag of de aanvrager vrijgesteld is van het afdragen van omzetbelasting. De Belastingdienst beschikt over deze gegevens vanwege de heffing en inning van omzetbelasting.

De omzet van de subsidieaanvrager is een belangrijk gegeven voor de bepaling van de hoeveelheid toe te kennen subsidie aan de aanvrager. Bij een omvangrijk deel van de subsidieaanvragers wordt het bedrag waarover aangifte voor de omzetbelasting wordt gedaan, beschouwd als het bedrag van de omzet van de aanvrager. De verstrekking door de Belastingdienst beperkt zich tot gegevens met betrekking tot subsidieaanvragers die zich melden bij RVO in het kader van onderhavige regeling. Hiermee valt deze verwerking binnen de grenzen van de principes doelbinding en proportionaliteit. Omdat de gegevens niet op een andere wijze te verkrijgen zijn door RVO, valt de verwerking tevens binnen de grenzen van subsidiariteit.

Om deze gegevensverstrekking mogelijk te maken, bevat artikel 11 van de regeling hiertoe een grondslag. Deze grondslag dekt het verzoek aan de Belastingdienst om de gegevens te verstrekken (eerste lid) en de daadwerkelijke verstrekking (tweede lid). Deze grondslag vormt samen met de grondslag voor de regeling, te weten artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies, het wettelijke voorschrift in de zin van artikel 67, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) dat de Belastingdienst verplicht tot bekendmaking van de gegevens. De geheimhoudingsplicht die op grond van artikel 67 van de Awr op de ambtenaren van de Belastingdienst wordt op deze doorbroken om deze gegevensverstrekking mogelijk te maken.

Tot slot zij voor de goede orde opgemerkt dat artikel 11 van de regeling los moet worden gezien van de mogelijkheid die de Belastingdienst heeft om op grond van artikel 55 van de Awr gegevens en inlichtingen te vragen aan bestuursorganen, waaronder de Minister van Economische Zaken en Klimaat, ter uitvoering van die wet.

6. Staatssteun

De subsidie die wordt verleend op grond van deze regeling is aan te merken als staatssteun de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). Voornoemde steun kan worden gerechtvaardigd op grond van de verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L 352) (de algemene de-minimisverordening).

Op grond van de algemene de-minimisverordening is het toegestaan om ondernemingen voor een bepaald bedrag te steunen zonder dat dit wordt aangemerkt als staatssteun. Het toegestane bedrag aan steun is zo minimaal (de-minimis) dat het weinig tot geen impact heeft op de interne markt en aldus niet als staatssteun wordt aangemerkt. De algemene de-minimisverordening staat toe dat aan een onderneming over een periode van drie belastingjaren tot € 200.000 aan de-minimissteun wordt verstrekt. Als dit plafond is bereikt, mag in het desbetreffende jaar geen de-minimissteun meer worden verleend. Bij de subsidieaanvraag moet de aanvrager door middel van een de-minimisverklaring laten zien welke de-minimissteun in de twee voorafgaande belastingjaren is ontvangen (artikel 6, tweede lid, onderdeel f). Als er onvoldoende de-minimisruimte is om de subsidie te verstrekken, kan de aanvraag (voor dat deel) worden afgewezen (artikel 5, onderdeel c).

Uit de de-minimisverordening vloeien meer voorwaarden voort met betrekking tot de steun. Zo mag de subsidieaanvrager niet actief kan zijn in a. de sector visserij en aquacultuur; b. de primaire productie van landbouwproducten; of c. de sector verwerking en afzet van landbouwproducten in de gevallen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de algemene de-minimisverordening. Daarnaast mogen geen activiteiten gesteund worden die direct verband houden met 1°. de omvang van de uitvoer naar andere lidstaten van de Europese Unie of derde landen; 2°. het oprichten en exploiteren van een distributienet ten behoeve van de uitvoer; of 3°. andere lopende uitgaven direct verband houdend met activiteiten op het gebied van uitvoer. Het is niet waarschijnlijk dat hiervan sprake is bij onderhavige regeling. Wel is een afwijzingsgrond opgenomen op grond waarvan een aanvraag kan worden afgewezen als subsidieverlening in strijd zou zijn met de voorwaarden van de algemene de-minimisverordening (artikel 5, onderdeel d). Mocht er dus sprake zijn van een situatie zoals hiervoor geschetst waardoor niet wordt voldaan aan de voorwaarden van de algemene de-minimissteun, dan kan de aanvraag op basis van deze afwijzingsgrond worden afgewezen.

7. Notificatie

De ontwerpregeling is ingevolge artikel 5, eerste lid, van Richtlijn 2015/1535/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PB EU 2015, L 241), voorgelegd aan de Europese Commissie (2021/373/NL). De Europese Commissie heeft meegedeeld dat de notificatie geen standstill-periode heeft, omdat het fiscale en/of financiële maatregelen betreft. De notificatieprocedure heeft dan ook niet tot gevolg gehad dat de vaststelling van deze regeling in afwachting van eventuele reacties zou moeten worden aangehouden.

8. Regeldruk

De regeldruk voor de onderneming behelst het kennisnemen van de regeling en het invullen van de aanvraag. Hierbij is het tarief gehanteerd voor een administratief medewerker, aangezien er vanuit wordt gegaan dat administratief personeel de aanvraag zal indienen.

Op het moment van aanvragen kan dit eenvoudig worden gedaan middels het invullen en het aanvinken van de verklaringen op een afvinklijst die is opgenomen in het aanvraagformulier. Daarnaast dient de onderneming bij de aanvraag een bewijs van de omzet te leveren, zoals een kopie van de aangifte van de omzetbelasting of een kopie van een ander bewijsstuk uit de boekhouding van de omzetgegevens over de subsidieperiode (het tweede, derde en vierde kwartaal van 2020 en de referentieperiode (het tweede, derde en vierde kwartaal van 2019). Ook moet kopie van de Zeebrief of het Certificaat van Onderzoek worden meegestuurd.

Voor aanvragers wordt uitgegaan wordt van een verwachte tijdsbesteding van een half uur voor de kennisneming, en twintig minuten voor het invullen van de complete aanvraag en tien minuten voor het opzoeken en toevoegen van de bewijsstukken, in totaal 60 minuten. Dit komt – bij een standaarduurtarief van € 39 (conform het Handboek Meting Regeldrukkosten) – neer op € 39 per onderneming. Uitgaande van circa 300–350 ondernemingen die aan aanvraag zullen doen, komen de totale regeldrukkosten voor het aanvragen van de subsidie voor deze groep ondernemingen uit op circa € 11.700. Omdat de subsidie direct wordt vastgesteld volgt hieruit geen extra regeldruk.

9. Advisering

Een concept van deze regeling is ter advisering aan het Adviescollege toetsing regeldruk (hierna: het ATR) voorgelegd.

Er is geen advies gevraagd aan de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: de AP) omdat deze regeling wat betreft de uitwisseling van gegevens gebaseerd is op de systematiek van de TVL en de AP op deze regeling al advies heeft uitgebracht. Wel zal in dit deel van de toelichting worden ingegaan op het advies dat de AP heeft gegeven over de TVL.

De AP heeft in haar advies aandacht besteed aan de gegevensuitwisseling tussen RVO en de Belastingdienst. De gegevens die worden uitgewisseld worden ingezet met het oog op de controle van de aangeleverde gegevens van aanvragers. De AP beschouwt dit als aanvaardbaar. Echter geeft zij in haar advies aan dat de gegevensminimalisatie beter kan, door bijvoorbeeld een ‘hit no hit’ systeem te gebruiken. Hierbij worden uitsluitend de gegevens uitgewisseld op het moment dat de gegevens van de aanvraag en hetgeen bij de Belastingdienst bekend is niet overeenkomen.

Bij het tot stand komen van de TVL is onderzocht of zo’n systeem geïmplementeerd kon worden. Dit bleek niet mogelijk. Ook in het huidige landschap, waarbij RVO zich maximaal inspant om de steunmaatregelen uit te voeren, acht het kabinet het niet wenselijk een nieuw systeem van gegevensuitwisseling te implementeren. Dit zou leiden tot grote vertragingen in het openstellingsproces en daarnaast is er op dit moment een goede methodiek om de gegevens op de juiste manier te gebruiken.

Wel zij het benadrukt dat de gegevens uitsluitend worden gebruikt voor de doeleinden zoals in deze regeling beschreven en dat dus ook alleen de gegevens worden uitgewisseld die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de regeling. Hiermee wordt minimale gegevensverwerking nagestreefd. Daarnaast worden de gegevens door RVO niet langer bewaard dan noodzakelijk, namelijk tot het verstrijken van de bezwaartermijn. Een en ander is geregeld in artikel 11 van onderhavige regeling.

10. Inwerkingtreding en vervaldatum

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij is geplaatst. Hiermee wordt afgeweken van het kabinetsbeleid inzake de vaste verandermomenten. Dit wordt gerechtvaardigd door het feit dat een snelle inwerkingtreding van de subsidieregeling aanmerkelijke nadelen voor de doelgroep voorkomt. Gelet op het tijdelijke en eenmalige karakter van de regeling vervalt deze op 31 december 2021. Bestaande verplichtingen op grond van deze regeling blijven echter in stand.

II. Artikelen

Artikel 1 (begripsbepalingen)

Het eerste lid van dit artikel bevat de begripsomschrijvingen van de voor deze regeling relevante begrippen. Deze begripsbepalingen zijn grotendeels gelijk aan de begripsbepalingen opgenomen in de TVL, waar nodig aangepast aan onderhavige regeling.

In het tweede lid is opgenomen wat de betekenis is van A, B, en C, die onder andere worden gebruikt in artikel 4 om het subsidiebedrag te berekenen. A staat daarbij voor de omzet in de referentieperiode (zijnde het tweede, derde en vierde kwartaal van 2019, uitgedrukt in euro’s, B voor het omzetverlies, uitgedrukt in procenten, C voor de ratio tussen de vaste kosten en de omzet van een gemiddeld bedrijf plus de ratio tussen de variabele kosten uitgedrukt in procenten en de omzet van een gemiddeld bedrijf. Het subsidiepercentage bedraagt 50%.

Artikel 2 (verstrekking subsidie)

In dit artikel zijn de voorwaarden opgenomen om in aanmerking te komen voor subsidie.

In het eerste lid van dit artikel is opgenomen dat de subsidie wordt verstrekt om bij te dragen aan de financiering van de vaste en variabele lasten van de bruine vlootondernemingen in het tweede, derde en vierde kwartaal van 2020.

In het tweede en derde lid zijn de criteria opgenomen waar een onderneming aan moet voldoen om voor subsidie in aanmerking te komen.

De bruine vlootonderneming moet ten minste dertig procent omzetverlies hebben (tweede lid, onderdeel a) en ten minste € 1.000 aan vaste lasten hebben (tweede lid, onderdeel b). Daarnaast moet het gaan om een onderneming die op 15 maart 2020 in het handelsregister stond ingeschreven onder de code 5010, 5030 of 9103 van de Standaard Bedrijfsindeling (tweede lid, onderdeel c). De onderneming of de natuurlijke persoon die de onderneming drijft, moet eigenaar zijn van een historische zeilschip, waarvan de kiel is gelegd in 1971 of eerder en welk schip wordt geëxploiteerd ten behoeve van passagiersvaart (tweede lid, onderdeel d). Daarnaast moet het gaan om een in Nederland gevestigde onderneming als bedoeld in artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007, die een kleine onderneming of middelgrote onderneming is in de zin van de algemene groepsvrijstellingsverordening (tweede lid, onderdeel e). Deze criteria zijn toegelicht in het algemeen deel van deze toelichting.

In het derde lid zijn enkele groepen opgenomen die niet voor subsidie in aanmerking komen, zoals reeds is toegelicht in paragraaf 2.

Tot slot is in het vierde lid een hardheidsclausule opgenomen. RVO maakt bij de uitvoering van deze regeling gebruik van de gegevens uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Op basis van deze activiteitenomschrijving worden door de Kamer van Koophandel voor de hoofdactiviteit en nevenactiviteiten van de onderneming SBI-codes toegekend. Het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor een juiste inschrijving in het handelsregister bij de ondernemer ligt. In deze regeling is de activiteit – hoofd- dan wel nevenactiviteit –, zoals deze is ingeschreven in het handelsregister, bepalend voor de vraag of een ondernemer in aanmerking komt voor subsidie. Bij de uitvoering van de TVL is gebleken dat in bepaalde gevallen de feitelijke activiteiten van ondernemingen niet overeenkomen met de activiteiten zoals deze zijn ingeschreven in het handelsregister. Omdat het in aanmerking komen voor de subsidie gebaseerd wordt op de gegevens in het handelsregister, kan het niet overeen komen van de feitelijke situatie met het handelsregister ingrijpende gevolgen hebben. Daarom is een hardheidsclausule opgenomen in de regeling. Door deze hardheidsclausule is het mogelijk gemaakt dat RVO kan kijken naar de feitelijke situatie van de activiteiten van de onderneming. Hierbij geldt dat ten genoegen van de minister moet blijken dat op 15 maart 2020 de feitelijk door de ondernemer uitgevoerde activiteit past binnen de toegelaten SBI-codes. De ondernemer zal dit moeten aantonen.

Artikel 3 (bepalen omzetverlies)

In het eerste lid van dit artikel is opgenomen hoe het omzetverlies wordt berekend. Het omzetverlies wordt, zoals reeds toegelicht in paragraaf 3 van het algemeen deel van deze toelichting, bepaald door de omzet in de voor de subsidie relevante periode (tweede, derde en vierde kwartaal van 2020 (vierde lid)) te vergelijken met de omzet in de referentieperiode, zijnde het tweede, derde en vierde kwartaal van 2019 (tweede lid). Aan de hand daarvan wordt beoordeeld of er sprake is van een omzetdaling van ten minste 30%. Dit is immers een voorwaarde om in aanmerking te komen voor subsidie (artikel 2, tweede lid, onderdeel a). Indien het omzetverlies minder bedraagt dan 30%, wordt de subsidie afgewezen (artikel 5, onderdeel a). In het derde lid is opgenomen hoe het omzetverlies in de referentieperiode wordt berekend ingeval respectievelijk de bruine vlootonderneming na 31 maart 2019 en uiterlijk op 31 mei 2019 dan wel na 31 mei 2019 en uiterlijk op 31 januari 2020 voor de eerste maal is ingeschreven in het handelsregister.

Zoals reeds toegelicht in het algemeen deel van deze toelichting, wordt in de regeling als uitgangspunt genomen dat als een onderneming omzetbelasting betaalt over de omzet, het bedrag waarover aangifte voor de omzetbelasting wordt gedaan, geldt als omzet. Voor ondernemingen die vrijgesteld zijn van de omzetbelasting of ondernemingen die ook omzet in het buitenland behalen voor bepaalde activiteiten, geldt dat de omzet voor die ondernemingen eenvoudig en duidelijk moet blijken uit de financiële administratie van de onderneming of uit een ander bewijsstuk (vijfde lid).

In het zesde lid is ten slotte bepaald dat subsidies, tegemoetkomingen of andere steun van de overheid in verband met de bestrijding van de verspreiding van COVID-19, waaronder bijvoorbeeld subsidies verleend op grond van de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, geen deel uitmaakt van de omzet bij de toepassing van deze regeling.

Artikel 4 (hoogte subsidie)

De hoogte van de subsidie wordt bepaald aan de hand van het omzetverlies en het percentage vaste en variabele lasten (eerste lid). De subsidie bedraagt maximaal € 124.999 (eerste lid). De subsidie bedraagt € 1.000 indien uit de berekening van de hoogte van de subsidie een bedrag komt dat lager is dan € 1.000 of als de onderneming in het handelsregister is ingeschreven na 31 januari 2020 (tweede lid).

Artikel 5 (afwijzingsgronden)

In dit artikel zijn de afwijzingsgronden opgenomen. Ten eerste wordt de aanvraag afgewezen als deze niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde regels (onderdeel a).

Ten tweede wordt de aanvraag overeenkomstig onderdeel b afgewezen indien de bruine vlootonderneming op 31 december 2019 al in moeilijkheden verkeerde in de zin van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

In de de-minimisverordening is het maximale steunbedrag dat een onderneming over een periode van drie belastingjaren mag ontvangen, opgenomen. De subsidie wordt daarom afgewezen voor zover het totale bedrag aan steun dat de onderneming op grond van dit steunkader heeft ontvangen boven dit de-minimisplafond uitgaat (onderdeel c). Het deel van het subsidiebedrag dat onder de maximumbedragen blijft, kan worden verleend, uiteraard voor zover aan de overige voorwaarden wordt voldaan (onderdeel d).

Artikel 6 (informatieverplichtingen bij aanvraag)

In dit artikel zijn de informatieverplichtingen van de subsidieaanvrager opgenomen. De aanvraag dient te worden gedaan via het door de minister beschikbaar gestelde middel (eerste lid). Dit is het elektronische aanvraagformulier dat te vinden is op de website van RVO. Bij de aanvraag dient de subsidieaanvrager de in het tweede lid genoemde gegevens aan te leveren. Dit zijn ten eerste gegevens over de bruine vlootonderneming, zoals kvk-nummer, post- en bezoekadres (tweede lid, onderdeel a) en gegevens over de contactpersoon bij de bruine vlootonderneming (tweede lid, onderdeel c).

Tevens dient de aanvrager een afschrift van de zeebrief dan wel een certificaat van onderzoek aan te leveren, waaruit de eigendom van het schip en het jaar van de kiellegging van het schip blijken (tweede lid, onderdeel b). Een zeebrief is een nationaliteitsbewijs (een soort paspoort) van een zeegaand schip. De zeebrief is een vereiste om de Nederlandse vlag te mogen voeren. Het Certificaat van Onderzoek is het document waaruit blijkt dat een binnenvaartschip aan de geldende technische eisen voldoet. Voor verkrijging van de zeebrief dient onder meer een aanvraag teboekstelling schip te worden ingediend bij het Kadaster. Bij deze aanvraag dient een origineel ondertekend eigendomsbewijs te worden overlegd. Dit kan bijvoorbeeld zijn: een akte van levering inclusief een betalingsbewijs. Ook het bouwjaar van het schip dient te worden aangegeven bij de aanvraag teboekstelling. De Inspectie Leefomgeving en Transport verstrekt na afronding van de registratie bij het Kadaster de zeebrief. In de zeebrief wordt de datum van kiellegging opgenomen. Het certificaat van onderzoek wordt verstrekt na een technische inspectie van het schip door een erkend klassebureau of een particuliere keuringsinstelling. Deze instellingen zijn daartoe gemandateerd door de Inspectie Leefomgeving en Transport.

Daarnaast dient de subsidieaanvrager een bewijsstuk aan te leveren waaruit de omzet in de referentieperiode (zijnde het tweede, derde en vierde kwartaal) blijkt, zoals een kopie van de aangifte of de aangiftes van de omzetbelasting over dat kwartaal, of in geval dit niet mogelijk is, een afschrift uit de boekhouding of een ander bewijsstuk waaruit de omzet in de referentieperiode duidelijk blijkt (tweede lid, onderdeel d). Omdat de periode waar de subsidie betrekking op heeft al voorbij is op het moment dat aanvragen ingediend kunnen worden, wordt de subsidie direct vastgesteld. Daarom moet de aanvrager bij de aanvraag ook direct eenzelfde bewijsstuk aanleveren waaruit de omzet in de subsidieperiode (zijnde het tweede, derde en vierde kwartaal 2020) blijkt (tweede lid, onderdeel e).

De aanvraag door een bruine vlootonderneming bevat tevens een verklaring over alle andere onder de algemene de-minimisverordening of andere de- minimisverordeningen vallende de-minimissteun die deze onderneming gedurende de twee voorgaande belastingjaren en het lopende belastingjaar heeft ontvangen, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de algemene de-minimisverordening (tweede lid, onderdeel f).

Ook dient de subsidieaanvrager een bewijsstuk aan te leveren over de daadwerkelijke exploitatie van het historisch zeilschip ten behoeve van passagiersvaart, zoals een kopie van een boekingsbewijs en een passagierslijst uit de subsidieperiode (tweede lid, onderdeel g),

Artikel 7 (aanvraagperiode)

In dit artikel is opgenomen gedurende welke periode een aanvraag voor subsidie kan worden ingediend. De openstellingsperiode loopt van 29 juni 2021 12.00 uur tot en met 24 augustus 2021 17.00 uur (eerste en tweede lid).

Artikel 8 (beslistermijn)

In dit artikel is opgenomen binnen welke termijn de minister beslist op een aanvraag. In beginsel wordt binnen dertien weken beslist op de aanvraag. In het geval dat een beslissing binnen dertien weken niet haalbaar is, wordt de aanvrager hiervan op de hoogte gesteld en wordt een redelijke termijn gegeven waarbinnen de aanvrager de beschikking wel tegemoet kan zien.

Artikel 9 (verplichtingen subsidieontvanger)

In artikel zijn de verplichtingen van de subsidieontvanger opgenomen. In de eerste plaats is het van belang dat de ontvanger zijn administratie voert en bewaart op een manier waardoor tot tien jaar na de subsidievaststelling op duidelijke en eenvoudige wijze blijkt dat hij aan de eisen heeft voldaan (eerste en tweede lid).

Voorts is bepaald dat de ontvangers een verplichting hebben om mee te werken met een evaluatie naar de effecten van de regeling, indien daartoe wordt overgegaan (derde lid).

Artikel 10 (vaststelling subsidie)

Dit artikel bevat de bepalingen inzake de vaststelling van de subsidie. De subsidie wordt – zoals reeds toegelicht in paragraaf 4 van het algemeen deel van deze toelichting – direct vastgesteld, zonder voorafgaande beschikking tot subsidieverlening.

Artikel 11 (gegevensuitwisseling)

Dit artikel bevat de grondslag voor gegevensuitwisseling met de Belastingdienst mogelijk te maken, zoals reeds toegelicht in paragraaf 5 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel 12 (staatssteun)

In het eerste lid van dit artikel is opgenomen dat de subsidie staatssteun bevat en is een verwijzing opgenomen naar verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L 352).

Artikel 13 (overgangsrecht)

Dit artikel bevat het overgangsrecht van deze regeling, voor het geval de regeling wordt gewijzigd. Op aanvragen om subsidie die worden ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van een wijziging van deze regeling en op subsidies die voor dat tijdstip zijn verstrekt, blijft deze regeling van toepassing zoals deze luidde voor dat tijdstip. Hiermee is geborgd dat subsidies vallen onder het recht dat van toepassing was op het moment van aanvraag of verstrekking van die subsidie.

Artikel 14 (inwerkingtreding en vervaldatum)

Dit artikel voorziet in de inwerkingtreding en het verval van de regeling. De regeling treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Hiermee wordt afgeweken van het kabinetsbeleid inzake vaste verandermomenten, zoals opgenomen in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. De regeling vervalt met ingang van 31 december 2021.

Artikel 15 (citeertitel)

Dit artikel bevat de citeertitel van deze regeling.

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, M.C.G. Keijzer


X Noot
1

Kamerstukken II 2020/2021, 32 820, 380