D.D. 06 januari 2021
DGKE-WO/20304710
De Minister van Economische Zaken en Klimaat,
Overwegende,
Dat Windpark Fryslân B.V. het voornemen heeft om in het IJsselmeer nabij de Afsluitdijk
in de gemeente Súdwest Fryslân een windpark te realiseren, welk voornemen hierna wordt
aangeduid als het project Windpark Fryslân;
Dat Windpark Fryslân wordt aangemerkt als de aanleg van een installatie voor de opwekking
van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met inbegrip van de aansluiting
van die installatie op een net, als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, aanhef en onder
a, van de Elektriciteitswet 1998, zodat op de realisatie van dit project artikel 3.35,
eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) van toepassing
is;
Dat dit onder meer betekent dat de voorbereiding en bekendmaking van diverse voor
het project benodigde besluiten wordt gecoördineerd, overeenkomstig artikel 3.35,
eerste lid, aanhef en onder b, van de Wro, waarbij de Minister van Economische Zaken
en Klimaat met deze coördinatie is belast;
Dat voor dit project op 18 september 2016 een Rijksinpassingsplan is vastgesteld door
de toenmalige Ministers van Economische Zaken en van Infrastructuur en Milieu;
Dat Windpark Fryslân B.V. voornemens is omgevingsvergunningen aan te vragen voor de
activiteiten: ‘Bouwen van een bouwwerk’ (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna
Wabo), artikel 2.1, lid 1, aanhef en onderdeel a), ’Werk- of werkzaamheden uitvoeren’
(Wabo, artikel 2.1, lid 1, aanhef en onderdeel b), en ‘Bouwen van een bouwwerk, geen
gebouw zijnde’, ‘handelen in strijd met ruimtelijk plan’ (Wabo, artikel 2.1, lid 1,
aanhef en onderdeel c), omdat deze vergunningen benodigd zijn voor de realisatie van
een radarinstallatie op Kornwerderzand voor het reduceren van (de brandtijd van) de
luchtvaartvaartverlichting op Windpark Fryslân en voor het plaatsen van een vogelradarsysteem
voor ecologische monitoring.
Dat, op grond van artikel 9d, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998, gelezen in
samenhang met artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten
(hierna: het Uitvoeringsbesluit) een besluit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
van de Wabo in ieder geval een besluit is als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid,
aanhef en onder b van de Wro en zodoende wordt meegenomen in de hiervoor bedoelde
gecoördineerde voorbereiding;
Dat op grond van artikel 9d, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998 de Minister
van Economische Zaken en Klimaat kan bepalen dat het desbetreffende, hiervoor bedoelde,
besluit, in afwijking van het voorgaande niet als besluit als bedoeld in artikel 3.35,
eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wro wordt aangemerkt, en daarmee niet in
de gecoördineerde voorbereiding wordt betrokken;
Dat het meecoördineren van bovengenoemd besluit de procedure bedoeld in artikel 9d,
eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 zou kunnen belemmeren of ernstig zou kunnen
bemoeilijken, omdat het inpassingsplan is vastgesteld en onherroepelijk is, en de
benodigde overige vergunningen al zijn verleend en de onderhavige vergunning op korte
termijn vereist is voor de realisatie van het windpark, zodat het wenselijk is het
hiervoor bedoelde besluit apart voor te bereiden;
Gelet op:
artikel 9d, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998
Besluit: