Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Autoriteit Nucleaire Veiligheid en StralingsbeschermingStaatscourant 2021, 30063Besluiten van algemene strekking

Verordening van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming van 3 juni 2021, nr. ANVS-2021/6584, houdende wijziging van de ANVS-verordening basisveiligheidsnormen stralingsbescherming

De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming,

Gelet op Richtlijn 2013/59/Euratom van de Raad van 5 december 2013 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van leden van de bevolking, werknemers en patiënten tegen de gevaren verbonden aan de blootstelling aan ioniserende straling, en houdende intrekking van de Richtlijnen 89/618/Euratom, 90/641/Euratom, 96/29/Euratom, 97/43/Euratom en 2003/122/Euratom (PbEU 2013, L 13) en de artikelen 3.17, negende lid, aanhef en onderdeel b, en 3.21, eerste lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming;

BESLUIT:

ARTIKEL I

De ANVS-verordening basisveiligheidsnormen stralingsbescherming wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 3.15, eerste lid, wordt ‘artikel 3.5, eerste lid’ vervangen door ‘artikel 3.5, tweede lid’.

B

Artikel 3.18 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘bijlage 4’ vervangen door ‘bijlage 4, tabel 1’.

2. Aan artikel 3.18 worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 4. Materialen die één of meer van de in bijlage 4, tabel 2, kolom 1, genoemde radionucliden bevatten, zijn vrijgegeven indien ten aanzien van die radionucliden wordt voldaan aan de desbetreffende vrijgavewaarden die zijn opgenomen in bijlage 4, tabel 2, kolom 2, voor zover zij bestemd zijn om te worden verbrand in een afvalverbrandingsinstallatie, als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, niet zijnde ZAVIN te Dordrecht.

  • 5. Materialen die één of meer van de in bijlage 4, tabel 2, kolom 1, genoemde radionucliden bevatten, zijn vrijgegeven indien ten aanzien van die radionucliden wordt voldaan aan de desbetreffende vrijgavewaarden die zijn opgenomen in bijlage 4, tabel 2, kolom 3, voor zover zij bestemd zijn om te worden verbrand bij ZAVIN te Dordrecht.

  • 6. Materialen als bedoeld in het vierde of vijfde lid worden aangeboden in lekdichte verpakkingen.

C

Bijlage 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden:

‘Bijlage 4, behorend bij artikel 3.18, specifieke vrijgavewaarden’.

2. Na het opschrift (nieuw) van bijlage 4 wordt boven de tabel het opschrift geplaatst:

‘Tabel 1. Van nature voorkomende radionucliden, behorend bij artikel 3.18, eerste lid’.

3. De zinsnede ‘De moedernucliden die in bovenstaande tabel zijn aangegeven met ‘+’ of ‘sec’ zijn in seculair evenwicht met dochternucliden en betreffen:’ vervalt.

4. Boven de tabel beginnend met ‘Moedernuclide’ wordt het opschrift geplaatst:

‘Tabel 1a. De moedernucliden die in tabel 1 zijn aangegeven met ‘+’ of ‘sec’ zijn in seculair evenwicht met dochternucliden en betreffen:’.

5. Na tabel 1a (nieuw) wordt een (nieuwe) tabel 2 toegevoegd, luidende:

Tabel 2. Specifieke vrijgavewaarden voor verbranding, behorend bij artikel 3.18, vierde en vijfde lid.

Specifieke vrijgavewaarden voor verbranding in een afvalverbrandingsinstallatie of bij ZAVIN te Dordrecht

Kunstmatige radionucliden

Specifieke vrijgavewaarde bij verbranding in een afvalverbrandingsinstallatie niet zijnde ZAVIN te Dordrecht

(kBq.kg-1)

Specifieke vrijgavewaarde1 bij verbranding bij ZAVIN te Dordrecht

(kBq.kg-1)

H-3

4E+04

4E+04

C-14

4E+02

3E+02

P-33

3E+04

 

S-35

8E+02

 

Fe-55

1E+04

3E+03

Co-57

2E+00

 

Tc-99

3E+01

 

Er-169

1E+04

8E+03

Ac-227 2, 1 

9E-02

 
X Noot
1

Inclusief dochternucliden Fr-223, Th-227, Ra-223, Rn-219, Bi-215, Po-215, Pb-211, Bi-211, Tl-207.

X Noot
2

Voor zover dit radionuclide in consumentenproducten of vanwege zijn radioactieve eigenschappen wordt gebruikt.

ARTIKEL II

  • 1. Artikel I, onderdelen B en C, treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze verordening wordt geplaatst.

  • 2. Artikel I, onderdeel A, treedt in werking met ingang van 1 oktober 2021.

Deze verordening zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 3 juni 2021

De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming, A. van Bolhuis, bestuursvoorzitter

M. Brugmans, plv. bestuursvoorzitter

TOELICHTING

I. Algemeen

1.1 Inleiding

Deze verordening stelt specifieke vrijgavewaarden vast voor een aantal radionucliden. Deze nucliden worden veelvuldig toegepast door bijvoorbeeld de medische sector, laboratoria en bedrijven die (medische) radionucliden produceren. Hiertoe wordt de ANVS-verordening basisveiligheidsnormen stralingsbescherming gewijzigd.

Van de gelegenheid is gebruikgemaakt om een onjuiste verwijzing in artikel 3.15, eerste lid, te verbeteren.

1.2 Specifieke vrijgavewaarden voor enkele nucliden

Er worden voor enkele nucliden hogere specifieke vrijgavewaarden vastgesteld dan de vrijgavewaarden die zijn opgenomen in bijlage 3, onderdeel B, tabel A, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming (verder: het besluit) en bijlage 3.2, tabel A, deel 1, van de Regeling basisveiligheidsnormen stralingsbescherming (verder: de regeling).

Deze hogere specifieke vrijgavewaarden mogen uitsluitend worden gehanteerd voor zover de vrij te geven materialen (bestemd zijn om te) worden verbrand in een afvalverbrandingsinstallatie (AVI) als gedefinieerd in het Activiteitenbesluit milieubeheer of in de verbrandingsinstallatie van ZAVIN (Ziekenhuis Afval Verwerkingsinstallatie Nederland) te Dordrecht.

Implementatie Richtlijn 2013/59/Euratom

Met de implementatie van Richtlijn 2013/59/Euratom van de Raad van 5 december 2013 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van leden van de bevolking, werknemers en patiënten tegen de gevaren verbonden aan de blootstelling aan ioniserende straling, en houdende intrekking van de Richtlijnen 89/618/Euratom, 90/641/Euratom, 96/29/Euratom, 97/43/Euratom en 2003/122/Euratom (PbEU 2013, L 13) (verder: de richtlijn) zijn met ingang van 6 februari 2018 in het besluit en de regeling vrijgavewaarden voor de activiteitsconcentratie voor onbeperkte hoeveelheden en elk type vast materiaal vastgesteld (artikel 3.20 in samenhang met bijlage 3, onderdeel B, tabel A, van het besluit en artikel 3.5, in samenhang met bijlage 3.2, tabel A, deel 1, van de regeling). Verder zijn met de implementatie van de richtlijn de grenswaarden voor de vrijstelling en vrijgave voor veel nucliden aangescherpt. Hierdoor zijn in vergelijking met het (ingetrokken) Besluit stralingsbescherming meer radioactieve stoffen binnen het controlesysteem van het nieuwe besluit komen te vallen. Deze aanscherping betreft ook de vrijgave van veel toegepaste nucliden in (ziekenhuis)afval.

Artikel 30, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de richtlijn geeft de lidstaten de mogelijkheid om specifieke vrijgavewaarden vast te stellen in afwijking van de algemene vrijgavewaarden.

Artikel 3.21, eerste lid, van het besluit geeft de ANVS de bevoegdheid om, indien het belang van de stralingsbescherming zich daar niet tegen verzet, voor daarbij aangewezen specifieke radioactieve materialen, voor radioactieve materialen afkomstig van daarbij aangewezen specifieke soorten handelingen of voor materialen behorend tot een daarbij aangewezen specifieke categorie, specifieke vrijgavewaarden vast te stellen in afwijking van de algemene vrijgavewaarden. Ingevolge de richtlijn is een betere onderbouwing van de risico’s vereist naarmate het vaststellen van hogere specifieke grenswaarden gewenst is. Door voorwaarden te verbinden aan de specifieke vrijgave wordt gewaarborgd dat aan de algemene vrijstellings- en vrijgavecriteria wordt voldaan.

Aanleiding wijziging: uitvoeringsproblemen

In het besluit of in de regeling zijn eerder geen vrijgavewaarden vastgesteld voor radioactieve afvalstoffen in de vorm van vloeistoffen of vloeibare materialen. Dit leidde tot uitvoeringsproblemen voor de ondernemers die zich willen ontdoen van dat soort radioactieve afvalstoffen. In artikel 3.18, tweede lid, van de verordening zijn daarom reeds specifieke vrijgavewaarden vastgelegd voor de vrijgave van vloeistoffen of vloeibare materialen die kunstmatige radionucliden bevatten, onder de voorwaarde dat deze vrijgegeven materialen worden verbrand in een afvalverbrandingsinstallatie.

De hierbij horende vrijgavewaarden voor de activiteitsconcentratie zijn dezelfde grenswaarden als die voor onbeperkte hoeveelheden vaste radioactieve materialen zijn vastgesteld in het besluit (artikel 3.20 in samenhang met bijlage 3, onderdeel B, tabel A, deel 1, van het besluit) en de regeling (artikel 3.5 in samenhang met bijlage 3.2, tabel A, deel 1, van de regeling). Op basis van onderzoek, dat indertijd werd uitgevoerd door Nuclear Research & consultancy Group (NRG), is door de ANVS voor de Nederlandse situatie vastgesteld dat het belang van de stralingsbescherming zich niet verzet tegen deze aanvullende specifieke vrijgavewaarden.

Na het in werking treden van het besluit is door de Nederlandse Vereniging voor Stralingshygiëne (NVS) aandacht gevraagd voor de regeldrukgevolgen van de aangescherpte vrijgavewaarden van enkele veelvuldig toegepaste kunstmatige radionucliden1. Het betreft materiaalstromen die voornamelijk afkomstig zijn van de medische sector, radionuclidenlaboratoria, bedrijven die (medische) radionucliden produceren of ontmantelde faciliteiten.2

Uit een door de NVS uitgevoerd, en aan de ANVS aangeboden, onderzoek3 blijkt dat deze afvalstroom, die naast H-3 en C-14 ook andere nucliden bevat, relatief omvangrijk is. Zonder de materiaalstroom afkomstig van ontmanteling gaat het jaarlijks om ongeveer 2.000 ton radioactieve afvalstoffen4. Deze afvalstroom kan worden onderverdeeld in circa 860 ton specifiek ziekenhuisafval (SZA) en circa 1.110 ton overig afval dat in aanmerking komt voor verbranding bij respectievelijk ZAVIN of in een AVI. Uit overleg met het werkveld kwam de vraag naar voren of, specifiek voor de verbranding van materialen met enkele veelvuldig toegepaste nucliden in een AVI of bij ZAVIN, hogere vrijgavewaarden voor de in Nederland heersende omstandigheden konden worden vastgesteld, waarbij aan de algemene vrijgavecriteria wordt voldaan. Door aan de algemene vrijgavecriteria te voldoen wordt geborgd dat het belang van de stralingsbescherming zich niet verzet tegen deze aanvullende specifieke vrijgavewaarden. NRG heeft in opdracht van de ANVS een model ontwikkeld voor het kunnen bepalen van de radiologische gevolgen van de verbranding van radioactieve materialen in een AVI of bij ZAVIN. Zie in dit verband verder de artikelsgewijze toelichting, artikel I, onder B en C.

Op basis van dit onderzoek worden in deze verordening specifieke vrijgavewaarden vastgesteld door de ANVS voor de verbranding van radioactieve materialen die bepaalde kunstmatige radionucliden bevatten, alsmede daarbij horende regels.

Het betreft hier overigens een radioactieve afvalstroom die voor de inwerkingtreding van het besluit niet naar COVRA werd afgevoerd, maar waarvoor wel afvalverwerking in een verbrandingsinstallatie nodig is.

In de artikelsgewijze toelichting wordt nader op de afwegingen en stralingsbeschermingsaspecten ingegaan.

1.3 Consultatie werkveld

Overeenkomstig artikel 4, tweede lid, van de Kernenergiewet wordt een verordening gedurende een periode van ten minste vier weken geconsulteerd. In dat kader is de conceptversie van de verordening op 12 maart 2021 op de website www.internetconsultatie.nl geplaatst en ter consultatie en inspraak voorgelegd aan de diensten en instanties die belast zijn met uitvoering, toezicht en verdere handhaving en aan organisaties van belanghebbenden. Het geven van een reactie was mogelijk op alle onderdelen van deze verordening en de bijbehorende toelichting. De reacties zijn afkomstig van:

  • Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM);

  • Twee particulieren.

De reacties betreffen samengevat het volgende:

  • een aantal aandachtspunten en suggesties voor verduidelijking met betrekking tot woordkeuzen en enkele genoemde getallen in de toelichting;

  • de wenselijkheid van toegang tot het NRG-rapport wegens vollediger onderbouwing van een aantal niet genoemde nucliden in tabel 2, mede in verband met efficiëntie van eventuele individuele aanvragen tot specifieke vrijgave;

  • de opmerking dat de wijziging de indruk wekt dat dit gedaan wordt omwille van de regeldruk en niet omwille van de veiligheid.

Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR)

ATR adviseert:

  • te verduidelijken of knelpunten (blijven) bestaan bij kunstmatige radionucliden waarvoor geen specifieke vrijgavewaarde wordt vastgesteld en, indien van toepassing, mitigerende maatregelen te treffen om eventueel resterende knelpunten op te lossen of te beperken;

  • de regeldrukeffecten van het voorstel te beschrijven in de toelichting conform de Rijksbrede methodiek;

  • de verordening vast te stellen nadat met de adviespunten rekening is gehouden.

Handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudegevoeligheid (HUF)

In dezelfde periode waarin de consultatie werd gehouden is aan diverse overheidsinspecties, de ANVS in haar hoedanigheid als vergunningverlener en toezichthouder, en andere overheidsinstanties gevraagd de conceptregeling te beoordelen op de handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid (HUF). Het gaat om de volgende partijen:

  • 1. ANVS;

  • 2. Staatstoezicht op de Mijnen;

  • 3. Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW);

  • 4. Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).

Staatstoezicht op de Mijnen en IGJ geven in hun reactie aan dat de wijziging van de verordening geen impact heeft op hun toezichtstaken en hebben daarom geen aandachtspunten.

De ANVS en Inspectie SZW geven aan dat de wijziging van de verordening uitvoerbaar en handhaafbaar is.

Gevolgen van de consultatiereacties, het ATR-advies en de HUF-toets voor de vastgestelde wijziging van de ANVS-verordening

De ontvangen reacties en het ATR-advies hebben geleid tot herziening van de redactie over de regeldrukgevolgen en enkele verduidelijkingen in de algemene toelichting.

Aandachtspunten en suggesties voor verduidelijking met betrekking tot woordkeuzen en enkele genoemde getallen in de toelichting

In de algemene toelichting is verduidelijkt dat de genoemde 2.000 ton radioactieve afvalstoffen exclusief de materiaalstroom afkomstig van ontmanteling is. Verder is nader toegelicht dat de NVS uitgaat van de veilige aanname dat 1 ton overeenkomt met 1 m3. De bewoording ‘radioactieve afvalstoffen’ is in dit verband correct, aangezien hier wordt gedoeld op de beschrijving van de afvalstroom, die zonder specifiek vrijgavewaarden als radioactief afval zou moeten worden beschouwd.

Toegankelijkheid NRG-rapport

Het ANVS heeft het voornemen het NRG-rapport openbaar te maken met inachtneming van de geldende bepalingen omtrent openbaarheid.

Wijziging wekt de indruk dat dit gedaan wordt omwille van de regeldruk en niet omwille van de veiligheid

In de algemene toelichting is beschreven dat de aanleiding voor de wijziging uitvoeringsproblemen zijn. Vervolgens is door onderzoek aangetoond dat wordt voldaan aan de algemene vrijgavecriteria en dat het belang van stralingsbescherming zich niet verzet tegen deze aanvullende specifieke vrijgavewaarden.

Verduidelijken of knelpunten (blijven) bestaan bij kunstmatige radionucliden waarvoor geen specifieke vrijgavewaarde wordt vastgesteld (ATR)

Uit overleg met het werkveld kwam de vraag naar voren of, specifiek voor de verbranding van materialen met enkele veelvuldig toegepaste nucliden in een AVI of bij ZAVIN, hogere vrijgavewaarden voor de in Nederland heersende omstandigheden konden worden vastgesteld, waarbij aan de algemene vrijgavecriteria wordt voldaan.

Hoewel het verzoek van de NVS, in haar rapport van 2018, was om hogere specifieke vrijgavewaarden vast te stellen voor enkel H-3 en C-14, bleek uit overleg met de betrokkenen dat hogere specifieke grenswaarden ook voor enkele andere veelvuldig toegepaste nucliden gewenst waren. Met het NRG-model zijn daarom ook voor enkele andere nucliden hogere specifieke vrijgavewaarden vastgesteld. Dit voorkomt dat instellingen alsnog voor deze nucliden specifiek hogere vrijgavewaarden zouden moeten aanvragen, hetgeen tot hogere lastendruk zou leiden.

Andere nucliden zijn wel beschouwd, maar dat heeft niet tot hogere specifieke vrijgavewaarden geleid. Het gaat daarbij om nucliden waarbij het niet van belang is om hogere specifieke vrijgavewaarden te stellen, gezien hun halfwaardetijd van minder dan één week en om nucliden waarbij in het besluit en de regeling reeds vastgestelde vrijgavewaarden reeds minder streng zijn dan de met het NRG-model berekende waarden. Daarom is er geen aanleiding tot het stellen van hogere vrijgavewaarden in de verordening. Met deze verordening is het knelpunt opgelost en is voor deze nucliden geen sprake van resterende knelpunten die opgelost dan wel beperkt zouden moeten worden.

1.4 Regeldrukgevolgen

In hoofdstuk III van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het besluit is uitvoerig ingegaan op de regeldrukgevolgen van de totstandkoming van het besluit. Dit omvat mede de gevolgen van de op het besluit gebaseerde uitvoeringsregelgeving, zoals de regeling en de verordening. Uitgangspunt bij de implementatie was een zoveel als redelijkerwijs mogelijk lastenluwe implementatie zonder afbreuk te doen aan de veiligheid van mens en milieu. Gezocht is naar een goede balans tussen de risico’s die moeten worden beheerst en de impact van de regels op de lasten van bedrijven. De nationale beleidsinvulling heeft reeds geleid tot een aanzienlijke kostenvermindering ten opzichte van de Europese regeldrukeffecten die zouden zijn opgetreden zonder de nationale beleidsinvulling. Met de in deze verordening opgenomen specifieke vrijgavewaarden wordt de nationale beleidsinvulling verder voortgezet. De verwachting is dat deze specifieke vrijgavewaarden ten behoeve van het verbranden van radioactieve afvalstoffen de regeldruk verder zullen verlagen.

In paragraaf 1.3 van hoofdstuk III van de nota van toelichting bij het besluit zijn de regeldrukeffecten ten gevolge van de, ten opzichte van het Besluit stralingsbescherming, gewijzigde vrijgavegrenzen reeds beschreven. Daaruit blijkt dat voor ziekenhuizen en onderzoekslaboratoria de aanscherping als gevolg van de algemene waarden van de richtlijn extra radioactieve afvalstromen en daarmee een structurele stijging van de nalevingskosten tot gevolg heeft. De totale omvang van de gestegen structurele nalevingskosten bedroeg ten minste € 68.000,– en ten hoogste € 586.000,– per jaar. Afhankelijk van de omvang van het ziekenhuis of laboratorium werden deze jaarlijks terugkerende nalevingskosten geschat op ten hoogste € 4.000,– per ondernemer. Hoewel vele ondernemers te maken hebben met deze structurele regeldruk, is het voor individuele ondernemers een relatief grote eenmalige investering om de mogelijkheden van specifieke vrijgave te onderzoeken. Naar verwachting bedraagt een investering voor dergelijke onderzoeken € 20.000,– tot € 40.000,– zonder dat voor de ondernemer vooraf duidelijk is of dit zal leiden tot de beoogde kostenreductie.

De in het besluit geschetste structurele regeldrukeffecten treft vele ondernemers. Om deze regeldrukeffecten voor deze omvangrijke sector terug te brengen heeft de ANVS aan NRG opdracht verleend om de gevolgen van verbranding van materialen met veelvuldig toegepaste radionucliden te onderzoeken. Dankzij de op basis van dit onderzoek in deze verordening aangebrachte wijziging zullen de bovengenoemde structurele regeldrukgevolgen, voor enkele veelvuldig toegepaste nucliden, voor een deel worden teruggebracht. Mede omdat de structurele regeldruk gedeeltelijk wordt teruggebracht, is het niet mogelijk om vooraf een exacte inschatting te maken van de omvang van de materiaalstroom die op basis van deze specifieke vrijgavewaarden kan worden vrijgegeven. Wel is op basis van het NVS-rapport bekend dat H-3 en C-14 het meest bepalend voor het volume van de materiaalstroom, en daarmee voor de regeldruk, zijn. Om beter inzicht te krijgen in het exacte volume, zal nadere monitoring plaatsvinden. Het werkveld en andere instanties worden hierbij betrokken.

1.5 Notificatie

Gelet op artikel 106, derde lid, van de richtlijn is afgezien van (her)notificatie. Deze verordening bevat voorschriften ten behoeve van een specifieke vrijgave voor een specifieke doelgroep en afvalstroom en een redactionele verbetering. De specifieke vrijgave is een uitwerking van de reeds in het besluit opgenomen en genotificeerde normen (bij een gelijkblijvend beschermingsniveau) en andere bepalingen en bevat als zodanig geen (opnieuw) te notificeren normen of voorschriften.

II. Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A

In het eerste lid van artikel 3.15 wordt een onjuiste verwijzing verbeterd. In plaats van een verwijzing naar artikel 3.5, eerste lid, van het besluit wordt nu verwezen naar het tweede lid van artikel 3.5 van het besluit.

Artikel 3.5, eerste lid, van het besluit bevat de vergunningplicht voor handelingen met toestellen of versnellers. Artikel 3.5, tweede lid, van het besluit bevat de vergunningplicht voor handelingen met radioactieve stoffen. Voor zover het handelingen met radioactieve stoffen betreft is de vergunningplicht geregeld in artikel 29, lid 1, van de Kernenergiewet en zijn de krachtens dat artikel als vergunningplichtig aan te wijzen radioactieve stoffen en handelingen met radioactieve stoffen aangewezen in artikel 3.5, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8 van het besluit.

Onderdeel B
Wijziging artikel 3.18 (nieuw vierde en vijfde lid)

Aan artikel 3.18 wordt een vierde en vijfde lid toegevoegd, waardoor een specifieke vrijgavewaarde gaat gelden voor elk type materiaal dat één of meer van de in de nieuwe tabel 2 van bijlage 4 genoemde radionucliden bevat, onder de voorwaarde dat zij in een AVI (vierde lid) of bij ZAVIN (Ziekenhuis Afval Verwerkingsinstallatie Nederland) (vijfde lid) worden verbrand.

In opdracht van ANVS heeft NRG een model5 ontwikkeld om de radiologische impact te bepalen van het verbranden van radioactief materiaal in een afvalverbrandingsinstallatie, of bij ZAVIN. Met dit model zijn vervolgens door de ANVS de specifieke vrijgavewaarden voor het verbranden van radioactief materiaal in een afvalverbrandingsinstallatie of bij ZAVIN bepaald, waarbij wordt voldaan aan de algemene vrijgavecriteria. Deze specifiek vrijgavewaarden zijn weergegeven in bijlage 4, tabel 2.

Hoewel het verzoek van de NVS, in haar rapport van 2018, was om hogere specifieke vrijgavewaarden vast te stellen voor enkel H-3 en C-14, bleek uit overleg met de betrokkenen dat hogere specifieke grenswaarden ook voor enkele andere veelvuldig toegepaste nucliden gewenst waren. Met het model zijn daarom ook voor enkele andere nucliden hogere specifieke vrijgavewaarden vastgesteld. Dit voorkomt dat instellingen alsnog voor deze nucliden specifiek hogere vrijgavewaarden zouden moeten aanvragen, hetgeen tot hogere lastendruk zou leiden.

De met dit model berekende grenswaarden voor de activiteitsconcentratie zijn voor de meeste radionucliden niet hoger dan de vrijstellingswaarden voor het vervoeren van radioactieve stoffen6. Voor enkele radionucliden, waarvoor dat niet het geval bleek te zijn, zijn in deze verordening specifieke vrijgavewaarden vastgesteld die gelijk zijn aan de vrijstellingswaarden voor het vervoeren van radioactieve stoffen. Dit betekent dat het binnenlands vervoer van radioactief afval dat op basis van deze verordening is vrijgegeven, tevens is vrijgesteld van de kennisgevingsplicht op grond van artikel 4c, eerste lid, van het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen. Voor nucliden met een halfwaardetijd van minder dan één week worden geen specifieke vrijgavewaarden vastgesteld, omdat deze nucliden dusdanig snel vervallen dat vrijgave ruim binnen de maximale opslagtermijn zal plaatsvinden.

Er wordt onderscheid gemaakt voor verbranding van specifiek ziekenhuisafval bij de ZAVIN, en verbranding van ander afval bij een andere AVI. Uit het model blijkt dat de specifieke vrijgavewaarden voor de meeste nucliden, door de verdunning die inherent optreedt bij het mengen van afval, afhankelijk zijn van de doorzet van de verbrandingsinstallatie. De doorzet van de ZAVIN is aanzienlijk lager dan die van de AVI’s, zodat het specifiek vrijgegeven materiaal bij verbranding bij de ZAVIN minder verdund wordt. Daarom worden de specifieke vrijgavewaarden voor de ZAVIN en de AVI’s apart vastgesteld.

De combinatie van het algemene dosiscriterium voor vrijgave, de scenario’s die deel uitmaken van het ontwikkelde model, de gebruikte parameterwaarden, en de in Nederland geproduceerde hoeveelheid afval resulteert in de specifieke vrijgavewaarden. Aangezien er wordt voldaan aan het algemene dosiscriterium voor vrijgave, verzet de stralingsbescherming zich niet tegen deze hogere specifieke vrijgavewaarden.

Enkele belangrijke randvoorwaarden bij het bepalen van de specifieke vrijgavewaarden, beschreven in het NRG-rapport, zijn:

  • Het dosiscriterium voor zowel de bevolking als de werknemers bedraagt 10 microsievert per jaar;

  • De maximale hoeveelheid vrij te geven materiaal bedraagt 1.000 ton per jaar;

  • Bij het bepalen van de vrijgavewaarden voor verbranding bij een AVI wordt uitgegaan van een verdunning van het vrijgegeven materiaal met niet-radioactief afval van ten minste een factor 100. Gezien het aantal AVI’s, hun verdeling over Nederland en hun doorzet, en de te verwachten hoeveelheid vrijgegeven materiaal zijn aanvullende eisen voor de aanbieders van afval niet noodzakelijk om deze verdunning met een factor 100 te waarborgen;

  • Bij het bepalen van de vrijgavewaarden voor verbranding bij ZAVIN wordt niet uitgegaan van een verdunning van het vrijgegeven materiaal met niet-radioactief afval. Deze conservatievere aanname leidt tot strengere vrijgavewaarden. Hierdoor hoeven er geen aanvullende eisen om verdunning te waarborgen aan de aanbieders van het afval te worden gesteld, en wordt voorkomen dat de stralingsdosis voor de werknemers, door accumulatie van afval van verschillende aanbieders, te hoog kan worden. Hiertoe is de parameter die de mate van verdunning weergeeft in de relevante scenario’s gewijzigd ten opzichte van de waarde in het NRG-rapport;

  • De stoffen die resteren na de verbranding van het vrijgegeven materiaal worden, waar mogelijk, hergebruikt in nuttige toepassing. De stoffen waarbij hergebruik niet mogelijk is, worden afgevoerd naar een deponie;

  • Transport naar de AVI of ZAVIN vindt plaats in lekdichte verpakkingen, zodat er geen direct contact met het vrijgegeven materiaal mogelijk is;

  • Het is niet ondenkbaar dat, tijdens het transport of voorafgaand aan de verbranding, een verpakking met vrijgegeven materiaal enige tijd wordt opgeslagen. Dit is in rekening gebracht door een zekere ‘wachttijd’ aan te nemen in het model. Hiertoe zijn enkele parameters gewijzigd ten opzichte van de waarde in het NRG-rapport.

Met deze randvoorwaarden wordt voldaan aan de algemene vrijgavecriteria, het bepaalde bij en krachtens hoofdstuk 10 van het besluit en de regels gesteld krachtens art. 3.17, achtste lid, van het besluit.

Wijziging artikel 3.18, (nieuw zesde lid)

Het doel van de verplichting tot het aanbieden in lekdichte verpakkingen is dat besmetting tijdens het hanteren vrijwel wordt uitgesloten. Het betreft hier dus de verpakking die gehanteerd wordt bij het afvoeren en verbranden. Onder lekdicht wordt verstaan dat de inhoud van de verpakking bij het hanteren ervan niet vrijkomt.

Onderdeel C
Wijziging tabel 4

De in bijlage 4 opgenomen tabel met specifieke vrijgavewaarden is tabel 1 geworden, de bijbehorende tabel met de dochternucliden is tabel 1b geworden.

De in artikel 3.18, vierde en vijfde lid, bedoelde tabel wordt in bijlage 4 opgenomen als tabel 2. Voor radionucliden waarvoor geen waarden zijn gegeven, gelden de corresponderende vrijgavewaarden uit het besluit of de regeling.

Artikel II

In artikel I, onderdelen B en C, worden specifieke vrijgavewaarden voor enkele veelvuldig toepaste radionucliden vastgelegd. Vanwege de uitvoerbaarheidsproblemen bij de vrijgave van radioactieve materialen die afkomstig zijn van de medische sector en laboratoria hebben belanghebbenden dringend om deze regels voor specifieke vrijgave gevraagd. Door deze specifieke vrijgave in deze verordening te regelen behoeven deze ondernemers niet ieder afzonderlijk een specifieke vrijstelling of vrijgavebeschikking voor hun eigen situatie aan te vragen. Deze regels hebben direct een gunstig effect op de uitvoerbaarheid en regeldrukgevolgen. Het is daarom gewenst om artikel 3.18 en de wijziging van bijlage 4 behorend bij artikel 3.18, in afwijking van het beleid inzake vaste verandermomenten, zo spoedig mogelijk in werking te laten treden.

Deze verordening treedt daarom voor dit deel zo spoedig mogelijk in werking, met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze wordt geplaatst. Dit geldt niet voor artikel I, onderdeel A waarvoor de gebruikelijke inwerkingtredingstermijn geldt.

De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming, A. van Bolhuis, bestuursvoorzitter

M. Brugmans, plv. bestuursvoorzitter


X Noot
1

Specifieke vrijgave tritium (H-3) en koolstof-14 (C-14) houdend materiaal bij het ontdoen door verbranding, NVS -10 september 2018.

X Noot
2

Het gaat hierbij in Nederland om circa 250 onderzoekslaboratoria, 8 academische ziekenhuizen, 62 perifere ziekenhuizen en 3 producenten van radionucliden.

X Noot
3

Inventarisatie naar de consequenties van de veranderende wetgeving op het gebied van de vrijgave van kunstmatige radionucliden, NVS – 24 april 2017.

X Noot
4

Daarbij wordt uitgegaan van de aanname dat 1 ton overeenkomt met 1 m3.

X Noot
5

Specifieke vrijgave bij afvalverbranding. Radiologische modellen voor verbranding van vloeistoffen, vloeistofhoudende en vaste stoffen – NRG 2.4446/19.15, juni 2019.

X Noot
6

Zoals vermeld in tabel 2.2.7.2.2.1 van bijlage 1 bij de Regeling vervoer van gevaarlijke stoffen over land.