Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek | Staatscourant 2021, 21338 | Overig |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek | Staatscourant 2021, 21338 | Overig |
Handleiding Praktijkkennis voor Voedsel en Groen:
Thematische vraagstukken
indieningsronde oktober 2021
Utrecht, april 2021
Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht Onderzoek SIA
(onderdeel van NWO)
Inhoud
|
1. |
Inleiding |
1 |
|
1.1 |
Achtergrond |
1 |
|
1.2 |
Beschikbaar budget |
1 |
|
1.3 |
Geldigheidsduur call for proposals |
2 |
|
2. |
Doel |
2 |
|
2.1 |
Kennis voor grasland en beweiding |
2 |
|
2.2 |
Klimaatrobuuste landbouw |
3 |
|
2.3 |
Natuurinclusief gedrag van burgers |
5 |
|
2.4 |
Natuurinclusieve gebouwde omgeving |
6 |
|
2.5 |
Goede relatie tussen honingbijen en wilde bijen |
7 |
|
3. |
Richtlijnen voor aanvragers |
9 |
|
3.1 |
Wie kan subsidie aanvragen |
9 |
|
3.2 |
Wanneer kan aangevraagd worden |
9 |
|
3.3 |
Hoe wordt de aanvraag opgesteld en ingediend |
9 |
|
3.4 |
Subsidievoorwaarden |
10 |
|
3.5 |
Financiële voorwaarden |
14 |
|
4. |
Procedure |
16 |
|
4.1 |
In behandeling nemen aanvraag |
16 |
|
4.2 |
Procedure beoordeling |
16 |
|
4.3 |
Beoordelingscriteria |
16 |
|
4.4 |
Tijdpad |
17 |
|
5. |
Uitvoering |
18 |
|
6. |
Contact en overige informatie |
18 |
Het Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht Onderzoek SIA (hierna te noemen Regieorgaan SIA), onderdeel van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), heeft als taak de ontwikkeling van het praktijkgericht onderzoek van hogescholen te stimuleren en voert daartoe onder andere het programma Praktijkkennis voor Voedsel en Groen uit, waartoe het financieringsinstrument Thematische vraagstukken behoort.
Het programma Praktijkkennis voor Voedsel en Groen is een onderzoeksprogramma dat zich richt op maatschappelijk relevant onderzoek binnen het groene domein. Het wordt door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna te noemen LNV) en Regieorgaan SIA gezamenlijk gefinancierd. Het programma roept op tot het doen van thematisch onderzoek door hogescholen, met als doel bevorderen van de bijdrage van hogescholen aan specifieke maatschappelijke opgaven in het groene domein. De uitvoering van de projecten is niet exclusief voorbehouden aan de vier ‘groene hogescholen’ die ook onderwijs verzorgen in de sector Agro en Food.
Het beschikbare budget voor deze call is € 2,5 miljoen (subsidieplafond). Per subsidieaanvraag (verder te noemen aanvraag) kunt u minimaal € 200.000 en maximaal € 500.000 aanvragen. Het beschikbare budget wordt gelijkelijk verdeeld over vijf thema’s (zie hoofdstuk 2 voor de betreffende thema’s). Per thema is maximaal € 500.000 beschikbaar.
Het onderzoek waartoe in deze call wordt opgeroepen, draagt bij aan het oplossen van maatschappelijk relevante vraagstukken binnen het groene domein. Het uit te voeren praktijkgerichte onderzoek heeft drie doelen:
1 Het levert nieuwe kennis op;
2 Het levert een bijdrage aan de actualisatie van het onderwijs;
3 Het borgt de doorwerking naar de praktijk.
De actualisatie van het onderwijs kan onder andere door middel van verdere ontwikkeling van het curriculum door inbedding van de ontwikkelde kennis, inzetten van opdrachten en afstudeertrajecten en training van docenten. Door de borging van de doorwerking naar de praktijk, leidt het onderzoek tot concrete handelingsperspectieven zodat professionals de kennis kunnen toepassen in hun beroepspraktijk.
Daarbij is het essentieel dat er in het onderzoek steeds een wisselwerking is tussen praktijk en onderzoek: praktijkervaring komt terug in het onderzoek en onderzoeksresultaten worden toegepast in de praktijk, zodat de toepassing van kennis in de praktijk wordt verbeterd.
Binnen deze call zijn vijf thema’s bepaald waarop aanvragen kunnen worden ingediend. De vijf thema’s zijn:
1 Kennis voor grasland en beweiding;
2 Klimaatrobuuste landbouw;
3 Natuurinclusief gedrag van burgers;
4 Natuurinclusieve gebouwde omgeving;
5 Goede relatie honingbijen en wilde bijen.
Hiernavolgend wordt per thema onder andere de achtergrond en het vraagstuk beschreven.
Achtergrond
Het praktijkgerichte onderzoeksproject in het kader van dit thema levert kennis voor het behoud en het stimuleren van weidegang. Weidegang, of ook wel beweiding is het begrip dat in Nederland gebruikt wordt voor het laten begrazen van graslanden in de melkveehouderij en is sinds een aantal jaar een belangrijk beleidsdoel van de overheid.
Dit thema past bij het Programma Duurzame Veehouderij,waarin onderdelen zoals milieu, klimaat, grondgebondenheid, biodiversiteit en dierenwelzijn zijn opgenomen. Verder is het stimuleren van meer weidegang door het Ministerie van LNV expliciet onderdeel gemaakt van de aanpak van de stikstofproblematiek. Beweiding heeft namelijk een directe invloed op ammoniakemissie; deze neemt af bij een toename van het aantal weide-uren.
Weidegang heeft ook invloed op emissies van lachgas en methaan en op dierenwelzijn. Verder spelen grasland en de opname van vers gras een centrale rol bij kringloop, de koolstofvastlegging in de bodem, grondgebondenheid en biodiversiteit: de toegenomen inzet van kruidenrijk grasland gaat samen met een verhoogde biodiversiteit.
Beweiding kent dus vele voordelen. Het is echter voor de individuele onderneming nog een zoektocht naar optimaal beheer. Ook de melkveehouderijsector (Zuivel NL) hecht sterk aan het stimuleren van weidegang en de verankering daarvan in het onderwijs.
Vraagstuk
Binnen dit thema is de centrale vraagstelling: hoe kunnen graslanden optimaal beheerd en benut worden om waarde te creëren voor de grazers, de ondernemer én de maatschappij?
Onderliggende vragen hierin zijn:
• Hoe kan de weidende koe zo optimaal mogelijk ingezet worden om verschillende ecosysteemdiensten vanuit gras te realiseren?
• Welk handelingsperspectief kunnen we ontwikkelen voor de ondernemer om het graslandmanagement te optimaliseren?
• Hoe kunnen we de verschillende functies van grasland beter tot waarde brengen?
• Hoe kan de ondernemer inspelen op veranderende klimaatomstandigheden?
Doel van het onderzoek
Het hoofddoel van het beoogde project is om via praktijkgericht onderzoek nieuwe kennis en handelingsperspectieven voor de ondernemer te ontwikkelen om te komen tot het optimaal beheren van grasland en benutten voor weidegang. Ook moet worden ingezet op een verbetering van de kennisontwikkeling en kennisdoorstroming over grasland en beweiding binnen het groene onderwijs.
Bij de beantwoording van de centrale vraag, kunnen de volgende onderwerpen relevant zijn:
• Ontwikkelen van nieuwe kennis via praktijkgericht onderzoek naar het optimaal beheren en benutten van weidegang en graslanden: hiervoor bedenken, opzetten, uitvoeren en begeleiden van kleinschalige onderzoeken met een onderlinge samenhang.
• Inbedden van de resultaten in een tool die veehouders stimuleert om verbeterpunten in de grasproductie en grasbenutting in kaart te brengen, prioriteiten aan te geven en problemen aan te pakken.
• Ondersteuning van de uitrol van kennis over beweiding en de verschillende functies van grasland op scholen in het groene onderwijs (mbo en hbo), hierbij nadrukkelijk voortbouwend op het bestaande netwerk ‘Kennis voor beweiding’; daarnaast ook buiten deze kenniskring, bijvoorbeeld via Groen Kennisnet en inspiratiebijeenkomsten voor docenten.
• Verbinding met het bedrijfsleven en met landelijke en internationale
• initiatieven (bijvoorbeeld LNV visie, activiteiten Stichting Weidegang, doelen Duurzame Zuivelketen, ontwikkeling Graslandkompas, de Green Deal Natuurinclusieve Landbouw Groen Onderwijs, Europese onderzoekstrajecten).
• Ontwikkeling en training van docenten in het groene onderwijs (mbo/hbo) via verschillende activiteiten.
Specifieke wensen consortium
Aanvullend op de standaardeisen voor consortium zoals benoemd in paragraaf 3.4 Subsidievoorwaarden, wordt de aanvrager voor dit thema expliciet uitgenodigd om het mbo te betrekken in het consortium. Indien de aanvrager geen gebruik maakt van deze uitnodiging is het wenselijk om in de aanvraag te onderbouwen waarom dat niet passend is in het betreffende beoogde project.
Externe bronnen aansluitend bij dit thema
• LNV visie: https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-landbouw- natuur-en-voedselkwaliteit/visie-lnv
• Klimaatakkoord: https://www.klimaatakkoord.nl/landbouw-en-landgebruik
• Eerdere project Kennis voor beweiding: https://edepot.wur.nl/428212
• Project Amazing Grazing: https://www.amazinggrazing.eu/nl/amazinggrazing-4.htm
• Structurele aanpak stikstof: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/04/24/voortgan g-stikstofproblematiek-structurele-aanpak
Achtergrond
De ambitie om Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust (o.a. bestand tegen extreme weersomstandigheden) te hebben ingericht, vraagt een enorme inspanning en nauwe samenwerking tussen verschillende belanghebbenden en overheden. Er ligt een grote opgave die ook moet resulteren in daadwerkelijke aanpassingen in de ruimtelijke inrichting.
Deels zal deze opgave worden ingevuld door het watersysteem anders in te richten (denk aan het inrichten van klimaatrobuuste beekdalen of het niet langer onderbemalen van een polder). Maar ook daar waar dit niet gebeurt, geldt dat de waterbeschikbaarheid (tekorten dan wel overschotten) zal veranderen. Dit heeft een grote impact op de agrarische sector. Op sommige plekken wordt het natter, op andere plekken juist droger.
Dit kan betekenen dat de huidige agrarische gebruiksvorm niet langer mogelijk blijft. Andersom kan het vasthouden aan het huidig agrarisch gebruik en het aanpassen van het watersysteem daaraan, ook leiden tot een relatief kostbare opgave. Andere vormen van agrarische productiesystemen kunnen daarom een sleutelrol spelen bij een transitie naar een klimaatbestendig landelijk gebied.
Vraagstuk
Binnen dit thema is de centrale vraagstelling: wat hebben boeren nodig om te kunnen omschakelen naar een klimaatrobuuste bedrijfsvoering die bestand is tegen weersextremen?
Het vraagstuk sluit nauw aan bij missie C uit de KIA Landbouw, Water Voedsel, die als titel heeft: Klimaatbestendig landelijk en stedelijk gebied. Vooral MMIP C1 (Klimaatbestendig landelijk gebied) en MMIP C2 (Klimaatadaptieve land- en tuinbouwproductiesystemen) zijn in dit verband van belang. Er is ook een relatie met o.a. MMIP A2 over bodem en gewasbescherming en MMIP A5 over biodiversiteit en kringlooplandbouw. Het vraagstuk heeft een duidelijke relatie met het Actieprogramma voor klimaatadaptatie in de landbouw.
Onderliggende vragen hierin zijn:
• Andere systemen: op dit moment gaat er in Nederland veel aandacht uit naar natuurinclusieve landbouw vanwege de bijdrage die deze kan leveren aan meerdere doelen naast klimaat, zoals biodiversiteit, stikstof, bodemkwaliteit, waterkwaliteit, en koolstofvastlegging. Het is mogelijk om met het beoogd project aan te sluiten op het per januari 2021 gestarte LNV beleidsondersteunend onderzoek naar de verwachte bijdrage van natuurinclusieve landbouw aan andere regionale opgaven zoals klimaatadaptatie en -mitigatie en stikstof. Een andere mogelijkheid betreft agro-forestry als systeem in de overgangszones. Agro-forestry verbetert de bodemstructuur waardoor water beter kan worden vastgehouden.
• Verdienmodel: een sterk verdienmodel is een uiterst belangrijke pull-factor om deze transitie te versnellen. Daarbij gaat het zowel om de kosten- als de batenkant van de alternatieve agrarische systemen. Hierbij kan in het bijzonder gekeken worden naar de mogelijkheden om (ook) publieke gelden in te zetten voor de betaling van geleverde diensten. Ook kan gekeken worden naar de mogelijkheden van betalingen voor ecosysteemdiensten.
• Teelt- en bodemkennis: onderdeel van het project zou kunnen zijn boeren te voorzien van relevante kennis en begeleiding bij het (al dan niet stapsgewijs) omschakelen naar nieuwe teelten en maatregelen om de bodemkwaliteit te optimaliseren.
Doel van het onderzoek
Het hoofddoel van het beoogde project is om, via praktijkgericht onderzoek voor een concreet gebied/concrete gebieden, samen met boeren en andere stakeholders na te gaan of het huidige instrumentarium en de huidige regelgeving voldoen en zo nee, werken aan toevoeging/aanscherping ervan. Als te kiezen concreet gebied kan gedacht worden aan bijvoorbeeld beekdalen of de hoge zandgronden. Uitgesloten is het veenweidegebied omdat daar op dit moment al veel aandacht aan wordt besteedt.
Bij de beantwoording van de centrale vraag, kunnen de volgende onderwerpen relevant zijn:
• Samen met boeren inzicht creëren in wat klimaatverandering in hun gebied voor hun huidige bedrijfsvoering betekent en welke risico’s ze lopen als gevolg van klimaataanpassing. Welke instrumenten hebben zij nodig om zelf klimaatrisico’s in beeld te kunnen brengen en door te vertalen naar hun eigen bedrijfsvoering? Heeft het betrekken van boeren een effect op de veranderingsgezindheid en het vinden van handelingsperspectieven om tot risicoverlaging te komen?
• Boeren handelingsperspectief bieden door samen met hen inzichtelijk te
• maken welke andere bedrijfsvoeringen beschikbaar én werkbaar zijn. Het gaat om bedrijfsvoeringen die een bijdrage kunnen leveren aan de gestelde doelen in het betreffende gebied op de korte én lange termijn en om de vraag via welke stappen die gerealiseerd kunnen worden. Bij het uitwerken van dit onderdeel worden ook de ervaringen meegenomen die elders met maatregelen zijn of worden opgedaan.
• Nagaan tegen welke belemmeringen in wet- en regelgeving boeren aanlopen en wat zij nodig hebben van de verschillende overheden om de vereiste transitie te realiseren.
Specifieke wensen consortium
Aanvullend op de standaardeisen voor consortium zoals benoemd in paragraaf
3.4 Subsidievoorwaarden, wordt de aanvrager voor dit thema expliciet uitgenodigd om het mbo te betrekken in het consortium. Indien de aanvrager geen gebruik maakt van deze uitnodiging is het wenselijk om in de aanvraag teonderbouwen waarom dat niet passend is in het betreffende beoogde project.
Achtergrond
Om de biodiversiteit te herstellen en om de waarde van natuur voldoende te verankeren in andere maatschappelijk relevante opgaven zoals opwarming van steden, luchtkwaliteit en dergelijke, is draagvlak voor natuur én natuurbeleid nodig, ook bij burgers. Over het algemeen genieten mensen van een groene leefomgeving: natuur en landschap leveren een bijdrage aan recreatie, gezondheid, cultuurhistorie, vestigingsklimaat, waarden van woonomgeving en biodiversiteit.
Burgers nemen ook vanuit hun eigen perspectief een grote diversiteit aan initiatieven om hun omgeving te vergroenen. Dit zijn voornamelijk initiatieven met als doel om de directe woonomgeving aangenamer en/of mooier te maken. Daarnaast is er ook een breed scala van burgerinitiatieven dat zich richt op natuurbescherming en biodiversiteitsherstel, ook in natuurgebieden (zie hiervoor de Balans van de Leefomgeving).
Denk bijvoorbeeld aan maatschappelijke organisaties die een rol spelen in actieve soortbescherming, educatie, gegevensverzameling en particulier beheer van een deel van het Natuurnetwerk Nederland.
De rijksoverheid zet in op burgerparticipatie en wil de maatschappelijke betrokkenheid bij de natuur vergroten. Hoe groter de maatschappelijke betrokkenheid, hoe groter het draagvlak voor maatregelen op het gebied van biodiversiteitsherstel, maar ook voor bijdragen aan andere verwante rijksopgaven zoals klimaatadaptatie en gezondheid.
De verstedelijking in Nederland zet door, waardoor de afstand tussen de burger en de natuur steeds groter wordt en bijgevolg het draagvlak voor natuurbeleid potentieel kleiner. Natuurinclusieve verstedelijking en inzet van burgers zijn belangrijke elementen voor het behoud van de natuur en biodiversiteit. ‘Natuurinclusiviteit’ betekent dat de natuur er ook baat bij heeft.
Vraagstuk
Binnen dit thema is de centrale vraagstelling: hoe zorg je ervoor dat burgers ook zelf iets doen voor biodiversiteit? Wat drijft hen, wat motiveert hen, wat zet aan tot echte actie en wat hebben ze daarvoor nodig?
Onderliggende vragen hierin zijn:
• Wat is nodig om burgers meer natuurbetrokken te maken?
• Hoe kun je een Lerend Netwerk creëren, zodat het niet meer gaat om individuele burgers maar om effectieve netwerken van burger-, en natuurorganisaties?
• Hoe kan de rol van biomonitoring en citizen science een rol spelen (gericht op de soortenorganisaties) in het vergroten van de natuurbetrokkenheid en actiebereidheid voor natuur?
• Wat zet burgers aan tot het leveren van een bijdrage aan de natuurinclusieve samenleving (verbeteren van de leefomgeving, klimaatverandering, wooncomfort, gezondheid, etc…)? Welke motieven leiden tot welke acties?
• Welke communicatiestrategie is effectief voor het betrekken van burgers bij
• de natuur? Welk taalgebruik is hierbij nodig (inclusieve transitie)?
• Wat zijn daarbij de daadwerkelijke triggers om tot actie te komen? (kennis, good-practices, geld, advies en steun, organisatie?) Welke voorwaarden zijn nodig om burgers te activeren?
• Welke handelingsperspectieven biedt dit voor bijvoorbeeld beleidsmakers om zelf – en/of via intermediairs zoals natuurorganisaties – interventies te plegen die dit ondersteunen?
Doel van het onderzoek
Het hoofddoel van het beoogde project is om via praktijkgericht onderzoek de motieven en triggers van burgers, om een daadwerkelijke en concrete bijdrage te willen leveren aan een meer natuurinclusieve samenleving, in kaart te brengen. Daarnaast is de wens om inzicht te krijgen in de voorwaarden voor burgers om in actie te komen en hoe overheden hierin kunnen voorzien.
Specifieke wensen consortium
Aanvullend op de standaard eisen voor consortium zoals benoemd in paragraaf 3.4 Subsidievoorwaarden, wordt de aanvrager voor dit thema expliciet gevraagd om te komen tot een breed consortium dat interdisciplinair kan werken.
Afhankelijk van de invulling van het beoogde project kan dit onderwerp raakvlakken hebben met bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, onderzoeksgroepen met kennis over sociologie, gedragswetenschappen of vormgeving. Ook aansluiting met universitaire groepen kan van meerwaarde zijn. Indien de aanvrager geen gebruik maakt van deze uitnodiging is het wenselijk om in de aanvraag te onderbouwen waarom dat niet passend is in het betreffende beoogde project.
Externe bronnen aansluitend bij dit thema
• Beleid:
− Website IPBES: https://ipbes.net/
− IPBES Global Assessment Report on Biodiversity and Ecosystem Services https://www.ipbes.net/global-assessment
− WWF Living Planet Report: Nederlandse natuur in grote problemen https://www.wwf.nl/wat-we-doen/actueel/nieuws/wwf-living-planet-report- 2020/?gclid=EAIaIQobChMIpa2Sv- rg6wIVDZ53Ch3iZgK3EAAYASAAEgLnAPD_BwE
− WWF Liviing Planet Report: Natuur en landbouw verbonden https://www.wwf.nl/globalassets/pdf/lpr/wwf-living-planet-report- nederland-2020-natuur-en-landbouw-verbonden.pdf
− Deltaplan Biodiversiteitsherstel https://www.samenvoorbiodiversiteit.nl/themas
• Theorie en praktijk:
− WUR project: Rol burgers in natuurbeheer https://www.wur.nl/nl/Onderzoek-Resultaten/Onderzoeksprojecten- LNV/Expertisegebieden/kennisonline/Rol-burgers-in-natuurbeheer.htm
− Website biodiversiteit.nl: Tips om burgers te betrekken en overtuigen http://www.biodiversiteit.nl/bap/aan_de_slag/overtuigen/tips-om-burgers- te-betrekken-en-overtuigen
– Kennisportaal klimaatadaptatie https://klimaatadaptatienederland.nl/?ActLbl=burgers-voor- natuur&ActItmIdt=222945
– Website biodiversiteit.nl: Burgers aan de slag met biodiversiteit http://www.biodiversiteit.nl/slag/burgers-slag-biodiversiteit/
– Groen Kennisnet: Steeds meer burgerinitiatieven in natuur https://www.groenkennisnet.nl/nl/groenkennisnet/show/Steeds-meer- burgerinitiatieven-in-natuur.htm
− Website Steenbreek https://steenbreek.nl/
− WUR Report: Van passiviteit tot passie: een rijkdom aan drijfveren voor natuurbeleid https://research.wur.nl/en/publications/van-passiviteit-tot- passie-een-rijkdom-aan-drijfveren-voor-natuur
– Nature Today: Wat motiveert groene vrijwilligers? https://www.naturetoday.com/intl/nl/nature- reports/message/?msg=27393
Achtergrond
Wereldwijd is er sprake van een enorme achteruitgang van de natuur. In 2019 maakte het IPBES-rapportveel indruk door te stellen dat er daarmee 1 miljoen soorten zullen uitsterven als er geen actie wordt ondernomen. Ook in Nederland gaan soorten achteruit en is de staat van de natuur verontrustend.
In het omvangrijke IPBES-rapport wordt ook gewezen op het belang van biodiversiteitsvriendelijke stadsontwikkeling, door meer groen in de openbare ruimte, natuurinclusief bouwen en het gebruik van nature based solutions bij de aanpak van stedelijke opgaven als klimaatadaptatie, energietransitie en gezondheidsbevordering.
De lerende evaluatie van Planbureau voor de Leefomgeving(PBL) laat zien dat ca. 65% van de biodiversiteitsdoelstellingen te behalen zijn binnen natuurgebieden en natuurbeleid zelf, maar dat 35% moet worden gezocht in ‘vermaatschappelijking’, het incorporeren van natuurambities in andere beleidsterreinen.
Het kabinet geeft in de Nationale Omgevingsvisieaan dat natuurinclusieve stedelijke ontwikkeling en natuurinclusief bouwen het uitgangspunt zijn. Ook breder in de maatschapij is er veel aandacht voor en vraag naar natuurinclusiviteit. Ondanks deze toenemende aandacht komt dit nog maar beperkt van de grond en is het nog niet de standaard. Het is ook te zien dat vergroening vooral plaatsvindt op plekken waar rendement te behalen valt.
‘Natuurinclusiviteit’ betekent dat de natuur er ook baat bij heeft. Natuurinclusief bouwen is bouwen waarbij een bijdrage wordt geleverd aan de instandhouding van beschermde (en overige) soorten en tegelijkertijd wordt bijgedragen aan een gezonde leefomgeving, aan de mogelijkheden voor natuurbeleving in de stad en daarmee samenhangend een bijdrage wordt geleverd aan het welzijn en de gezondheid van mensen.
De aanpak van het Ministerie van LNV op het gebied van natuurinclusiviteit in de gebouwde omgeving richt zich op drie niveaus: groen op gebieds- en wijkniveau, natuurinclusief bouwen en renoveren (en slopen) en toepassing van natuurinclusieve materialen die circulair zijn vervaardigd.
Vraagstuk
Binnen dit thema is de centrale vraagstelling: wat zijn de knelpunten op het gebied van natuurinclusiviteit en op welk schaalniveau spelen deze en hoe stimuleren we meer kennis en kunde over de praktische uitvoering?
Onderliggende vragen hierin zijn:
• Op welke wijze kunnen beheerders van vastgoed (vastgoedinvesteerders, woningbouwcoöperaties) bewogen worden tot investeren in vergroening, terwijl het financiële rendement laag lijkt?
• Op welke wijze wordt de bouwsector het best gestimuleerd tot het gebruik van natuurinclusieve materialen? Wat zijn belemmeringen in het gebruik van natuurinclusieve materialen en hoe kunnen die worden opgelost?
• Welke materialen zijn echt natuurinclusief en duurzaam?
• Hoe ziet een hanteerbaar maar impactvol puntensysteem voor aanbestedingen (gemeenten, provincies, aannemers, projectontwikkelaars) er uit, mede uitgaande van bovenstaande vraagstukken?
Doel van het onderzoek
• Het hoofddoel van het beoogde project is om via praktijkgericht onderzoek kennis te leveren voor de ondersteuning en versterking van natuurinclusief bouwen door het toepasbaar maken en stimuleren van toepassing van huidige praktijkoplossingen.
• Professionals in bijvoorbeeld de bouwsector toe te rusten met de benodigde
• kennis en vaardigheden voor natuurinclusieve ontwikkeling.
Specifieke wensen consortium
Aanvullend op de standaard eisen voor consortium zoals benoemd in paragraaf 3.4 Subsidievoorwaarden, wordt de aanvrager voor dit thema expliciet uitgenodigd om de samenwerking op te zoeken met relevante bouwkundige opleidingen.
Ook wordt expliciet uitgenodigd om het mbo en kennisinstellingen buiten de groene hogescholen in het consortium te betrekken, zodat natuurinclusieve werkwijzen ook buiten de ‘groene’ sector gestalte kunnen krijgen.
Voor een overzicht van lopende projecten kunt u kijken op Participatietafel DuurzaamDoor.Indien de aanvrager geen gebruik maakt van deze uitnodiging is het wenselijk om in de aanvraag te onderbouwen waarom dat niet passend is in het betreffende beoogde project.
Externe bronnen aansluitend bij dit thema
• IPBES Global Assessment Report on Biodiversity and Ecosystem Services https://www.ipbes.net/global-assessment
• Evaluatie PBL: https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/pbl-2017- lerende-evaluatie-van-het-natuurpact-1769.pdf
• Participatietafel DuurzaamDoor: https://www.duurzaamdoor.nl/participatietafel-natuurinclusief-bouwen
• Actieprogramma KAN: http://www.platform31.nl/uploads/media_item/media_item/101/37/Oproep_A ctieprogramma_klimaatadaptieve_bouwprojecten_in_stedelijk_gebied- 1518013396.pdf
• Kamerbrief over natuurinclusief bouwen (juni 2020):
• https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/09/05/kamerbri ef-over-groen-in-de-stad
• Kamerbrief over groen in de stad (september 2019): https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/09/05/kamerbri ef-over-groen-in-de-stad
• Nationale Omgevingsvisie: https://www.denationaleomgevingsvisie.nl/
Achtergrond
Wilde bestuivers en honingbijen zijn belangrijk vanwege hun bijdrage aan de hoogstaande productie van land- en tuinbouw en aan het voortbestaan van vele wilde planten in ons landschap. Bestuivers staan voortdurend in de maatschappelijke belangstelling.
Zeker voor een land als Nederland met een grote export van groentezaden, maar ook voor de sierteelt zijn bestuivers van groot belang. Voor de biodiversiteit zijn ze essentieel voor het voortbestaan van 85% van de wilde planten en plantgemeenschappen. Met het initiatief tot het opstellen van de Nationale Bijenstrategie komt dit belang tot uiting.
De Nationale Bijenstrategieheeft als hoofddoel dat bestuivers en bestuiving in
Om dit doel te bereiken, zijn meetbare doelstellingen benoemd voor het bevorderen van het aantal bijensoorten en het borgen van efficiënte bestuiving. Dit doel probeert het Ministerie van LNV samen met ruim 80 andere partners van de Bijenstrategie te behalen door het uitvoeren van verschillende initiatieven in heel Nederland.
Deze initiatieven richten zich onder andere op het verkrijgen van meer voedsel en nestgelegenheid voor de bestuivers (zie Bestuivers.nlvoor de initiatieven van de bijenstrategie).
Zowel wilde bijen als honingbijen zijn voor hun voedselvoorziening afhankelijk van de beschikbare hoeveelheid en diversiteit aan bloemen in het landschap. Het huidige tekort hieraan is een van de knelpunten waardoor er maatschappelijk en wetenschappelijk een discussie gaande is.
De mogelijke verdringing van wilde bijensoorten door massale plaatsing van commerciële honingbijenkasten, zoals in de Biesbosch (Volkskrant 7 aug 2019), leidt tot felle discussies en diverse Kamervragen. Het houden van honingbijen enerzijds en het behouden van wilde bijen anderzijds, vraagt om kennis en oplossingen die rekening houden met beide belangen.
De algemene consensus is dat het beschikbaar maken van meer bloemrijke natuur in het landschap een heel goede eerste maatregel is. Daarbij hangt het van de aanwezige soorten bestuivers af welke bloemen geschikt zijn.
Het is gewenst dat er meer kennis en onderbouwing komt over de draagkracht op regionaal en landschapsniveau (stad, landbouw, natuur) voor bestuivers.
Vraagstuk
Binnen dit thema is de centrale vraagstelling: hoe kunnen we met betrekking tot voedselrijkdom en -beschikbaarheid op landschapsschaal komen tot een duurzame co-existentie tussen wilde bijen en honingbijen?
Onderliggende vragen hierin zijn:
• De aantallen en soorten bestuivers in relatie tot de hoeveelheid honingbijenkasten, hangt af van de totale hoeveelheid bloemen en welke soorten planten en bestuivers er lokaal aanwezig zijn. De draagkracht van een gebied verandert ook sterk over het jaar. In welke landschappen en op welke momenten is er voldoende draagkracht van een landschap voor het kunnen voeden van bestuivers en het plaatsen van kasten met honingbijen? Welke soorten en hoeveel planten zijn dan nodig voor voldoende voedsel voor honingbijen en wilde bijen om de diversiteit in aanwezige bijensoorten te behouden of te verhogen?
• Kan op gebiedsniveau handelingsperspectief geboden worden aan professionals uit de beroepspraktijk en terreinbeherende organisaties over de maatregelen die genomen moeten of kunnen worden voor een goede relatie tussen wilde bestuivers en het (aantal te) plaatsen kasten met honingbijen?
Deze vragen zijn geformuleerd om richting te geven. De vragen dienen ter inspiratie en illustratie, maar zijn niet limitatief.
Doel van het onderzoek
Het hoofddoel van het beoogde project is om via praktijkgericht onderzoek handelingsperspectieven (inzicht en maatregelen) te ontwikkelen voor praktijkpartners en/of publieke organisaties om op landschapsschaal een co- existentie van wilde bijen en honingbijen te kunnen realiseren.
Om activiteiten en resultaten te versterken is het in dit thema essentieel om aan te sluiten op bestaande kennis en lopende (onderzoeks)initiatieven met betrekking tot het inschatten van de draagkracht van een landschap voor een een duurzame co-existentie tussen wilde bijen en honingbijen.
Onderzoekers hoeven niet over en weer in de consortia deel te nemen als er maar nadrukkelijk interactie is georganiseerd met andere (onderzoeks)initiatieven. Onder ‘Externe bronnen aansluitend bij dit thema’ staan de belangrijkste onderzoeksinitiatieven benoemd die mogelijk relevant zijn voor deze call.
Bij de beantwoording van de centrale vraag, kunnen de volgende onderwerpen relevant zijn:
• In aanvulling op de lopende onderzoekslijnen vanuit het EU honingprogramma en de Kennisimpuls Bestuivers, kan het praktijkgericht onderzoek een belangrijke rol spelen om inzicht te geven in de mogelijkheden op regionaal niveau in de praktijk.
Inzicht krijgen in hoeverre het mogelijk is om op basis van beschikbare
• informatiebronnen en modellen op lokaal niveau een inschatting te maken van de mate van voedselaanbod, zoals nectar of pollen, voor het aantal honingbijen zonder daarbij het voedselaanbod voor wilde bijen te beperken. Indien relevant kunnen hierbij één of enkele natuurterreinen als case study worden gebruikt.
Specifieke wensen consortium
Er zijn geen aanvullende wensen op de standaard eisen voor een consortium zoals benoemd in paragraaf 3.4 Subsidievoorwaarden.
Externe bronnen aansluitend bij dit thema
• Ministerie van LNV visie https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie- van-landbouw-natuur-en-voedselkwaliteit/visie-lnv
• Nationale Bijenstrategie: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2018/01/22/nationale- bijenstrategie-bed--breakfast-for-bees
• EU Honingprogramma 2020-2022: https://www.wur.nl/nl/Onderzoek- Resultaten/Onderzoeksprojecten-LNV/Expertisegebieden/kennisonline/EU- Honingprogramma.htm
• Kennisimpuls Bestuivers: https://www.groenegewasbescherming- bestuivers.nl/nl/ggb/Bestuivers.htm
• Bijen@WUR: https://www.wur.nl/nl/Onderzoek- Resultaten/Onderzoeksinstituten/plant-research/Biointeracties- Plantgezondheid/Bijen.htm
• EIS Kenniscentrum Insecten van Naturalis: https://www.bestuivers.nl/projecten/nationale-bijenstrategie/projecten
De aanvrager dient een door de overheid bekostigde hogeschool te zijn, zoals bedoeld in artikel 1.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW).
De persoon die de aanvraag indient in ISAAC wordt geacht hiertoe te zijn gemachtigd door het College van Bestuur van de aanvragende hogeschool.
Aanvragen kunnen worden ingediend tot uiterlijk 12 oktober 2021, 14:00:00 uur CE(S)T. Aanvragen die na de sluitingsdatum worden ingediend, worden niet in behandeling genomen.
Een volledige aanvraag omvat de volgende documenten:
• het volledig ingevulde en ondertekende aanvraagformulier;
• het projectvoorstel;
• de begroting in excel met aangevraagde subsidie, cofinanciering en kostenonderbouwing;
• overzicht van betrokken projectgroepleden in excel in het kader van de ‘Code omgang met persoonlijke belangen’ van NWO.
U vindt al deze documenten in het online aanvraagsysteem ISAAC. Het is verplicht de via ISAAC beschikbare documenten te gebruiken.
Indienen via ISAAC
U kunt uw aanvraag alleen indienen via ISAAC. Aanvragen die niet via ISAAC zijn ingediend, worden niet in behandeling genomen
De directe link naar deze call in ISAAC is: https://www.isaac.nwo.nl/subsidieaanvraag?extref=pvgthsep21
De aanvrager is verplicht de aanvraag via zijn/haar ISAAC-account in te dienen. Indien de aanvrager nog geen ISAAC-account heeft, dient hij/zij dat minimaal één werkdag voor het indienen van de aanvraag aan te maken in verband met het tijdig kunnen verhelpen van eventuele aanmeldproblemen.
Het inlogscherm ISAAC is bereikbaar via: www.isaac.nwo.nl
De handleiding ISAAC is bereikbaar via: www.isaac.nwo.nl/help
De ISAAC helpdesk is bereikbaar via: isaac.helpdesk@nwo.nl
Voor alle aanvragen geldt de ‘NWO-subsidieregeling 2017’.
Inzet en omvang van de subsidie
De subsidie is bestemd voor de aanvragende hogeschool.
U kunt maximaal € 500.000 subsidie aanvragen. De looptijd van het project is maximaal 24 maanden. U kunt de subsidie niet buiten de looptijd van het project gebruiken. Het beoogd project dat u wilt uitvoeren, start vanaf 1 maart 2022 met een uiterste startdatum van 1 september 2022.
De subsidie is uitsluitend bestemd voor het uitvoeren van de activiteiten conform de gehonoreerde aanvraag. Financiering van (deel)activiteiten die reeds zijn gesubsidieerd vanuit andere bronnen, is niet mogelijk.
Uitgesloten van subsidie zijn aanvragen die zich uitsluitend richten op deskundigheidsbevordering van personeel, het ontwikkelen van een nieuwe opleiding/nieuw curriculum voor de hogeschool en/of behoren tot de reguliere activiteiten van een hogeschool.
Consortium
Het project wordt ondersteund door een actief betrokken consortium met voldoende kennis en kunde om het onderzoek uit te voeren.
Het consortium bestaat uit ten minste twee door de overheid bekostigde hogescholen. Daarnaast heeft het consortium bij aanvang van het beoogde project zich bovendien door ondertekening van het aanvraagformulier, verzekerd van deelname van minimaal:
• zes mkb-ondernemingen, aangevuld met een branche-organisatie of andere organisatie die het stimuleren van innovatie in het mkb in haar doelstellingen heeft staan, OF
• drie mkb-ondernemingen en een publieke partij, aangevuld met een
• branche-organisatie of andere organisatie die het stimuleren van innovatie in het mkb in haar doelstellingen heeft staan, OF
• twee publieke partijen.
Ongeacht de hoogte van het bedrag van de subsidieaanvraag blijven de consortiumeisen gelijk.
Als onder een thema specifieke wensen voor het consortium zijn benoemd, wordt de aanvrager uitgenodigd ook deze in het consortium te betrekken.
Van de deelnemende consortiumpartners zijn er minimaal twee in Nederland gevestigd. Het consortium kan in alle gevallen worden aangevuld met meerdere publieke en/of andere private partijen.
Mkb-ondernemingen die participeren in het consortium behoren aan de volgende criteria te voldoen:
• er is sprake van een onderneming, te weten: een eenheid, ongeacht haar rechtsvorm, die een economische activiteit uitvoert;
• de onderneming staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;
• de deelname is gericht op het bewerkstelligen van innovatie en/of economische groei van de betreffende onderneming;
• er is sprake van een onderneming met minder dan 250 werknemers en een jaarlijkse omzet van minder dan € 50 miljoen.
Zzp-ers kunnen deelnemen aan de het consortium. Een zzp-er geldt echter alleen als een van de consortiumpartners wanneer de zzp-er deel uitmaakt van een structureel samenwerkingsverband van zzp-ers en/of andere ondernemingen, niet zijnde het consortium, dat zich aantoonbaar richt op innovatie en/of economische groei.
Tot publieke partijen worden gerekend die organisaties die wettelijke taken uitvoeren en/of een uitgesproken publiek belang dienen en (grotendeels) worden gefinancierd door de overheid. Hiertoe behoort onder andere de dienstverlening rondom zorg en welzijn, kunst en cultuur, veiligheid, volkshuisvesting en onderwijs. Bovendien kunnen kennisinstellingen, koepel- of brancheorganisaties, beroepsverenigingen, en bestuurlijke eenheden zoals gemeenten en provincies in het consortium zitting nemen.
Cofinanciering
De consortiumpartners dragen bij aan de uitvoering van het project. Deze cofinanciering is ten minste 25% van het subsidiebedrag. Voorbeeld: bij een subsidiebedrag van € 500.000 is de cofinanciering minimaal € 125.000 zodat de totale projectomvang minimaal € 625.000 bedraagt.
De cofinanciering kan zowel in cash als in kind (op geld waardeerbare zaken als uren en materiële kosten) plaatsvinden. De omvang van de cofinanciering geeft u bij de aanvraag in de begroting aan.
Mogelijkheid tot aanvragen additioneel budget vanuit het programma Kennis op Maat (KoM)
Een goede aansluiting van de binnen deze thematische call te honoreren onderzoeksprojecten bij het lopende onderzoek en de Publiek-Private Samenwerking (PPS) van de topsector Tuinbouw en Uitgangsmaterialen en de topsector Agri & Food is van groot belang.
Met het door het Ministerie van LNV gefinancierde programma Kennis op Maat (KoM) reserveren bovengenoemde topsectoren jaarlijks 3 miljoen euro (inclusief btw) voor de doorvertaling van bestaande kennis uit onderzoek en praktijk tot relevante informatie voor mkb-ers, die leidt tot concrete handelingsperspectieven. Ook draagt het programma bij aan het up to date houden van groene opleidingen om studenten zo goed mogelijk voor te bereiden op de uitdagingen van de toekomst. Het budget van het programma dient te worden besteed aan capaciteit bij Wageningen Research (WR). Vanuit het KoM-programma is in totaal € 200.000 beschikbaar om te verbinden met deze SIA-projecten. Per thema (zie hoofdstuk 2) is er max € 40.000 (exclusief btw) beschikbaar. Dit is een additioneel budget en alleen beschikbaar na honorering van de aanvraag binnen deze call. De aanvrager dient de aanvraag voor de KoM regeling zelf te doen. De aanvrager kan hiervoor contact opnemen met het CoE-groenof met WR via kennisopmaat@wur.nl.
Afspraken consortium
Binnen het consortium dienen afspraken te worden gemaakt over onder andere open access en datamanagement, zoals hieronder weergegeven. Indien van toepassing dienen ook afspraken te worden gemaakt over intellectueel eigendom.
DORA
NWO is ondertekenaar van de San Francisco Declaration on Research Assessment (DORA). DORA is een wereldwijd initiatief dat beoogt de manier waarop onderzoek en onderzoekers worden beoordeeld te verbeteren. DORA bevat aanbevelingen voor onderzoeksfinanciers, onderzoeksinstellingen, wetenschappelijke tijdschriften en andere partijen. DORA richt zich op het terugdringen van het onkritisch gebruik van bibliometrische indicatoren en het wegnemen van onbewuste vooringenomenheid (unconscious bias) bij de beoordeling van onderzoek en onderzoekers. Overkoepelende filosofie van DORA is dat onderzoek moet worden beoordeeld op zijn eigen kwaliteiten en verdiensten in plaats van op basis van afgeleide indicatoren, zoals het tijdschrift waarin het onderzoek wordt gepubliceerd. Voor NWO betekent dit dat commissieleden en referenten verzocht wordt bij de beoordeling van aanvragen niet af te gaan op indicatoren als de Journal Impact Factor of de H-index.
Aanvragers mogen deze in hun aanvragen ook niet vermelden.
Bij het beoordelen van het wetenschappelijke track record van kandidaten gaat NWO uit van een brede definitie van wetenschappelijke output. Naast publicaties worden aanvragers gestimuleerd ook andere wetenschappelijke producten te vermelden, zoals datasets, patenten, software, code, enzovoort.
Voor meer informatie over wat NWO doet om de principes van DORA te implementeren zie: www.nwo.nl/dora
Open Access
Als ondertekenaar van de Berlin Declaration (2003) en lid van cOAlitie S (2018) zet NWO zich in om de resultaten van wetenschappelijk onderzoek dat door NWO gefinancierd wordt vrij toegankelijk te maken via internet (Open Access). Daarmee geeft NWO invulling aan het beleid van de Nederlandse regering om al het publiek gefinancierde onderzoek Open Access beschikbaar te maken.
Wetenschappelijke publicaties van onderzoek dat is gefinancierd op basis van toekenningen voortvloeiend uit deze call for proposals dienen daarom Open Access beschikbaar te zijn volgens de Beleidsregel Open Access. Per soort publicatie gelden de volgende voorwaarden:
• Wetenschappelijke artikelen: voor wetenschappelijke artikelen geldt dat zij direct op het moment van publicatie (zonder embargo) Open Access beschikbaar gesteld moeten worden via één van de volgende routes:
− publicatie in een volledig open access tijdschrift of platform dat is geregistreerd in de DOAJ; – publicatie in een abonnementstijdschrift en het deponeren van tenminste de auteursversie van het artikel in een Open Access repository die is geregistreerd in OpenDOAR;
− publicatie in een tijdschrift waarvoor een transformatieve Open Access overeenkomst beschikbaar is tussen de VSNU en een uitgever. Zie daarover:www.openaccess.nl.
• Boeken: voor boeken, boekhoofdstukken en bundels gelden afwijkende voorwaarden. Zie daarover de Beleidsregel Open Access op www.nwo.nl/openscience.
• CC BY licentie: met het oog op een optimale verspreiding van publicaties moet tenminste een Creative Commons (CC BY) licentie worden toegepast. Bij de aanwezigheid van zwaarwegende belangen kan de auteur verzoeken om te publiceren onder toepassing van een CC BY-ND licentie. Voor boeken, bundels en boekhoofdstukken staat de keuze van een CC BY licentie vrij.
Kosten
Eventuele kosten voor publiceren in volledig Open Access tijdschriften kunnen worden begroot in de projectbegroting. Kosten voor publicaties in hybride tijdschriften komen niet in aanmerking voor vergoeding door NWO. Voor Open Access boeken kan een beroep gedaan worden op het aparte NWO Open Access boekenfonds.
Voor een nadere toelichting op het open access beleid van NWO zie: www.nwo.nl/openscience
Datamanagement
Resultaten van wetenschappelijk onderzoek moeten kunnen worden gerepliceerd, geverifieerd en gefalsifieerd. In het digitale tijdperk betekent dit dat behalve publicaties ook onderzoeksdata zo veel mogelijk vrij toegankelijk moeten zijn. NWO verwacht dat de onderzoeksdata die voortkomen uit projecten die door NWO zijn gefinancierd zo veel mogelijk vrij beschikbaar komen voor hergebruik door andere onderzoekers.
NWO hanteert daarbij het principe: “zo open als mogelijk, beschermd indien nodig.” Van onderzoekers wordt verwacht dat zij ten minste die data en/of niet- numerieke resultaten die ten grondslag liggen aan de conclusies van binnen het project gepubliceerde werken openbaar maken, gelijktijdig met de publicatie zelf. Eventuele kosten die hiervoor worden gemaakt, kunnen worden meegenomen in de projectbegroting. Onderzoekers maken kenbaar hoe met data voortkomend uit het project wordt omgegaan middels de datamanagementparagraaf in de onderzoeksaanvraag, en het datamanagementplan na honorering.
Datamanagementparagraaf
De datamanagementparagraaf maakt deel uit van de onderzoeksaanvraag. Onderzoekers worden dus gevraagd reeds voor aanvang van het onderzoek te bedenken hoe de verzamelde data geordend en gecategoriseerd moeten worden zodat zij vrij beschikbaar kunnen worden gesteld. Vaak zullen al vóór het tot stand komen van de data en de analyse daarvan maatregelen getroffen moeten worden om opslag en deling later mogelijk te maken. Indien niet alle data voortkomende uit het project openbaar gemaakt kunnen worden, bijvoorbeeld om redenen van privacy, ethiek of valorisatie, dient de aanvrager dit beargumenteerd kenbaar te maken in de datamanagementparagraaf.
De datamanagementparagraaf in de aanvraag wordt niet meegenomen in de beoordeling en derhalve ook niet meegewogen in de beslissing om een aanvraag al of niet te honoreren. De beoordelingscommissie kan wel advies geven met betrekking tot de datamanagementparagraaf.
Datamanagementplan
Na honorering van een aanvraag dient de penvoerder de datamanagementparagraaf uit te werken tot een datamanagementplan. De penvoerder beschrijft in het plan of gebruik gemaakt wordt van bestaande data of dat het om een nieuwe dataverzameling gaat en hoe de dataverzameling dan FAIR: vindbaar, toegankelijk, interoperabel en herbruikbaar gemaakt wordt. Het datamanagementplan dient voor indiening te zijn afgestemd met een data steward of vergelijkbare functionaris van de kennisinstelling waar het onderzoek wordt uitgevoerd. Uiterlijk 4 maanden na de startdatum van het project dient het datamanagementplan via ISAAC te zijn ingediend bij Regieorgaan SlA. Het datamanagementplan vereist goedkeuring door Regieorgaan SlA. Het formulier voor het datamanagementplan is te vinden op www.nwo.nl/datamanagement.
Meer informatie over het datamanagementprotocol van NWO staat op: http://www.nwo.nl/datamanagement.
Ethische verklaring of vergunning
Een aanvrager is ervoor verantwoordelijk om na te gaan of voor de uitvoering van het voorgestelde onderzoek een ethische verklaring of vergunning noodzakelijk is, en dient ervoor te zorgen dat deze tijdig wordt verkregen bij de relevante ethische commissie.
Bij toewijzing wordt de subsidie verleend onder de voorwaarde dat de benodigde ethische verklaring of vergunning vóór de uiterste startdatum van het project is verkregen. Het onderzoeksproject kan niet starten voordat
Regieorgaan SIA een kopie van de ethische verklaring of vergunning heeft ontvangen.
Nagoya Protocol
Het Nagoya Protocol is op 12 oktober 2014 van kracht geworden en zorgt voor een eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit het gebruik van genetische rijkdommen (Access and Benefit Sharing, ABS). Onderzoekers die voor hun onderzoek gebruikmaken van genetische bronnen in/uit het buitenland dienen zich op de hoogte te stellen van het Nagoya Protocol (http://www.absfocalpoint.nl/). NWO gaat er vanuit dat zij de noodzakelijke acties ten aanzien van het Nagoya Protocol nemen.
Gewenste informatie
Aansluiting op thema’s uit ‘Onderzoek met impact’ (VH)
Regieorgaan SIA wenst geïnformeerd te worden over hoe de onderzoekseenheid – waarbinnen de lector zijn of haar activiteiten uitvoert – zich verhoudt tot de onderzoeksthema’s, gespecificeerd in Onderzoek met impact, Strategische onderzoeksagenda hbo 2016 - 2020van de Vereniging Hogescholen.
Op het aanvraagformulier dient daarom te worden aangegeven bij welke thema’s uit deze onderzoeksagenda de activiteiten aansluiten.
Bijdrage aan Missiegedreven Topsectoren- en Innovatiebeleid
Klimaatverandering, cybersecurity, vergrijzing: onze samenleving staat voor een aantal grote uitdagingen. Deze uitdagingen vragen om baanbrekende innovatieve oplossingen met impact. Dit biedt economische kansen voor publieke en private partijen om samen innovatieve oplossingen te ontwikkelen voor maatschappelijke vraagstukken.
Centraal in het nieuwe Missiegedreven Topsectoren- en Innovatiebeleid staan een viertal maatschappelijk belangrijke thema’s:
• Energietransitie & duurzaamheid
• Landbouw, water & voedsel
• Gezondheid & zorg
• Veiligheid
Deze thema’s zijn uitgewerkt in 25 missies die concrete ambities bevatten. Daarnaast wordt ingezet op:
• Sleuteltechnologieën
• Maatschappelijk verdienvermogen
Voor meer informatie zie de SIA-pagina over het Missiegedreven Topsectoren- en Innovatiebeleid.Indien van toepassing dient in de aanvraag te worden aangegeven bij welke Kennis- en Innovatie Agenda (KIA) het project aansluit.
Daarnaast wenst Regieorgaan SIA geïnformeerd te worden over de aansluiting van het project bij de topsectoren. Voor meer informatie zie de website van de topsectoren.Indien van toepassing dient ook dat in het aanvraagformulier te worden aangegeven.
Bijdrage aan NWA
Regieorgaan SIA zet zich actief in om hogescholen optimaal mee te laten doen met praktijkgericht onderzoek binnen de verschillende routes van de Nationale Wetenschapsagenda (NWA). Voor meer informatie zie de website van de NWA voor de 25 routes .Indien van toepassing dient in de aanvraag daarom te worden aangegeven bij welke NWA-route het project aansluit.
Aanvullende subsidievoorwaarden
Het Ministerie van LNV heeft een portfolio aan onderzoeken die het ministerie (mede) financiert. Om een goed overzicht te kunnen houden van alle onderzoeken waar het bij betrokken is, worden van alle gehonoreerde subsidieaanvragen de projectvoorstellen gedeeld met het Ministerie van LNV.
Met de indiening van uw aanvraag geeft u toestemming aan Regieorgaan SIA voor doorgifte van het projectvoorstel aan het Ministerie van LNV bij honorering. Medewerkers van het Ministerie van LNV hebben alleen recht van inzage in deze projectvoorstellen en mogen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de penvoerder geen mededelingen doen aan derden over inhoud die op basis van de publiek beschikbare samenvatting niet bekend is.
Subsidiabele kosten
De kosten die u kunt opvoeren in de begroting zijn: de loonkosten van hogescholen (uw hogeschool en eventueel deelnemende hogescholen), kosten van studenten en materiële kosten (waaronder kosten van de partners). Alle op te voeren kosten zijn inclusief eventuele niet-verrekenbare btw.
Loonkosten hogescholen
Voor de berekening van loonkosten hanteren wij tarieven zoals vermeld in de Handleiding Overheidstarieven (HOT) uit het jaar 2017. Deze tarieven mogen voor de gehele looptijd van het project worden toegepast. De toegestane tarieven in de HOT betreffen uitsluitend de tarieven conform de volgende tabel.
|
Schaal |
Kostendekkend tarief per uur |
|---|---|
|
1 |
43 |
|
2 |
46 |
|
3 |
48 |
|
4 |
53 |
|
5 |
53 |
|
6 |
56 |
|
7 |
59 |
|
8 |
63 |
|
9 |
68 |
|
10 |
72 |
|
11 |
79 |
|
12 |
87 |
|
13 |
95 |
|
14 |
103 |
|
15 |
111 |
|
16 |
119 |
|
17 |
127 |
|
18 |
136 |
Deze tarieven zijn integraal toepasbaar en u kunt deze tarieven zonder toelichting of berekening toepassen.
Het tarief van een medewerker wordt bepaald op basis van de cao hbo inschaling van de betreffende medewerker. Hogere tarieven dan de HOT zijn niet toegestaan. Lagere tarieven dan de HOT zijn wel toegestaan, maar mogen niet willekeurig worden opgevoerd. Eventuele lagere tarieven moeten kunnen worden onderbouwd, bijvoorbeeld op basis van een interne kostprijsberekening. De instellingsaccountant hoeft hier geen accountantscontrole op toe te passen; tarieven lager dan de HOT zijn voor Regieorgaan SIA altijd akkoord.
Consistente toepassing is vereist.
Projectmanagement
In de HOT zit een opslag voor overhead. Voor projectmanagement mag de aanvrager daarom maximaal 10% van de totale projectkosten in de begroting als kosten opvoeren en uiteindelijk ook besteden.
Kosten studenten
U mag studenten, verbonden aan de hogeschool, inzetten voor het project. De kosten hiervan kunt u binnen het project opvoeren.
Per subsidiejaar kunt u het volgende opvoeren:
• De inzet van uren van studenten die als onderdeel van hun opleiding meewerken in het project. Deze studenten krijgen in dit geval ook studiepunten voor hun werkzaamheden. Als kosten kunt u opvoeren de stagevergoeding zoals die binnen uw hogeschool gebruikelijk is met een maximum van € 25 per uur. U mag een student voor maximaal 1.650 uur inzetten.
• De inzet van uren van studenten die extra-curriculair meewerken in het
project. Per student kunt u maximaal 250 uur als kosten opvoeren.
In beide situaties geldt: u kunt alleen de werkelijk aan de student uitbetaalde bedragen met een maximumuurtarief van € 25 opvoeren. Uren en uurtarieven boven de gestelde maxima kunt u niet opvoeren. Er is geen maximum gesteld aan het totale aantal studenten dat meewerkt in het project.
Materiële kosten
Onder materiële kosten verstaan we onder andere de kosten van de consortiumpartners (anders dan hogescholen). Voor de bepaling van de kosten van de consortiumpartners (anders dan hogescholen) kunt u gebruik maken van de volgende uurtarieven:
|
Partner |
Uurtarief vastgelegd in |
|---|---|
|
Universiteiten: aio’s en postdocs |
VSNU-akkoord |
|
Universiteiten: overige wetenschappelijke functies |
Handleiding Overheidstarieven 2017 |
|
TO2-instituten |
Handleiding Overheidstarieven 2017 |
|
Overige partners, waaronder publieke partijen en mkb-partijen |
Bepaling uurtarief is vrij, met een maximum van € 130 per uur, excl. btw |
Onder overige partners worden ook verstaan:
• onderwijsinstellingen anders dan een door de overheid bekostigde hogeschool zoals gedefinieerd in paragraaf 3.1;
• projectmedewerkers die gedetacheerd zijn bij een hogeschool en die alleen voor dit project worden ingeleend. Een uitzondering geldt voor project- medewerkers die een detacheringsovereenkomst hebben met een hogeschool die niet alleen betrekking heeft op detachering binnen dit project; de kosten van deze projectmedewerkers mogen onder de loonkosten van de hogeschool worden opgevoerd.
Tot materiële kosten behoren ook de aan de uitvoering van het project verbonden kosten als verbruik van materialen, hulpmiddelen, prototypes, testopstellingen en overige kosten zoals dienstreizen en publicaties.
Aanschaffingen van machines en apparatuur worden niet tot de projectkosten gerekend. Voor machines en apparatuur kunnen slechts de aan het project toe te rekenen afschrijvingskosten of leasetermijnen worden opgevoerd.
Afschrijvingstermijnen worden berekend op basis van de historische aanschafprijs exclusief financieringskosten, een lineaire afschrijvingsmethode en een levensduur van vijf jaar. Opvoering van kosten voor gebruik van apparatuur ouder dan vijf jaar is dus niet mogelijk.
Besteding subsidie
In totaal mag maximaal 25% van het subsidiebedrag besteed worden aan de kosten van de consortiumpartners, zijnde niet de hogescholen.
De aangevraagde subsidiebedragen in de ingediende begroting gelden als maxima. Bij de uitvoering van het project is het mogelijk om te schuiven binnen en tussen deze posten. Hiervoor dient u bij ons binnen de looptijd van uw project een wijzigingsverzoek in.
Iedere, via ISAAC, ingediende aanvraag wordt direct geregistreerd door middel van een dossiernummer. Dit dossiernummer geldt als vast kenmerk voor alle verdere correspondentie.
De aanvraag wordt na het verstrijken van de deadline gecontroleerd op de juistheid ten aanzien van volledigheid en vormvereisten. Indien de aanvraag hieraan voldoet, wordt deze in behandeling genomen. De aanvrager ontvangt daarvan bericht.
Voldoet de aanvraag niet aan de volledigheid en vormvereisten, dan wordt de aanvrager de mogelijkheid geboden de ontbrekende en/of incorrecte gegevens binnen een termijn van vijf werkdagen te verstrekken en/of te corrigeren. Indien de ontbrekende gegevens binnen de gestelde termijn worden aangeleverd en akkoord worden bevonden, wordt de aanvraag alsnog in behandeling genomen. De aanvrager ontvangt daarvan bericht.
Indien de ontbrekende en/of incorrecte gegevens niet binnen de gestelde termijn zijn verstrekt of gecorrigeerd, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen (in ISAAC: niet-ontvankelijk verklaard). De aanvrager ontvangt daarvan bericht.
Wanneer een aanvraag in behandeling is genomen, wordt per thema de aanvraag voorgelegd aan en beoordeeld door een onafhankelijke beoordelingscommissie. Deze beoordelingscommissie per thema bestaat uit experts afkomstig uit de onderzoekswereld en uit de praktijk. Doordat hiermee de inhoudelijke expertise al geborgd is in de beoordelingscommissie wordt in deze call niet gewerkt met referenten.
De beoordelingscommissie beoordeelt elke aanvraag afzonderlijk op basis van de beoordelingscriteria die zijn beschreven in paragraaf 4.3.
De beoordelingscommissie beoordeelt de aanvraag eerst schriftelijk. Per aanvraag worden de bevindingen (vragen en opmerkingen) van de beoordelingscommissie vastgelegd. Deze bevindingen worden aan de aanvragers verzonden, ter voorbereiding op het interview.
De beoordelingscommissie nodigt de indieners uit voor een interview over de aanvraag, waarin ook de initiële beoordeling aan de orde komt (hoor en wederhoor).
De beoordelingscommissie stelt na afloop van alle interviews de finale beoordeling vast.
Voor alle bij de beoordeling en/of besluitvorming betrokken personen is de Code omgang met persoonlijke belangenvan NWO van toepassing.
De aanvragen worden per thema (1. Kennis voor grasland en beweiding, 2. Klimaatrobuuste landbouw, 3. Natuurinclusief gedrag van burgers, 4.
Natuurinclusieve gebouwde omgeving, 5. Goede relatie honingbijen en wilde bijen) door de beoordelingscommissie, behorend bij het betreffende thema, beoordeeld aan de hand van drie beoordelingscriteria: vraagarticulatie, netwerkvorming en onderzoeksplan. Deze worden hieronder toegelicht.
Vraagarticulatie
• De vraag is aanwijsbaar afkomstig van (professionals werkzaam in) de beroepspraktijk.
• De aanvraag beschrijft het proces waarlangs de vraagarticulatie plaatsgevonden heeft (workshops in het veld, surveys, verwijzingen naar presentaties, etc.).
• De vraag is maatschappelijk relevant. Het is een meerwaarde als het gaat om een urgente vraag die uitnodigt tot het ontwikkelen van innovatieve kennis.
• De vraag sluit aan bij de inhoudelijke doelstelling van het programma Praktijkkennis voor Voedsel en Groen en het vraagstuk bij het betreffende thema zoals geformuleerd in hoofdstuk 2 van deze call.
Netwerkvorming
• Betrokken consortiumpartners hebben een actieve rol in het onderzoek.
• Het consortium heeft aantoonbaar voldoende kennis en kwaliteit om het onderzoek uit te voeren.
• Per deelnemende hogeschool is de rol en betrokkenheid helder beschreven.
• Elke deelnemende hogeschool is aantoonbaar betrokken bij het onderzoek, blijkend uit een actieve rol en/of een significante eigen bijdrage in het onderzoek.
• Het netwerk van personen of organisaties staat niet geïsoleerd, er zijn relaties met relevante initiatieven op het vakgebied, in het binnenland en/of buitenland.
• Het is een meerwaarde als het een uitbreiding van een bestaand netwerk betreft.
• Bij eventuele afwijking van de per thema benoemde specifieke eisen aan het consortium is in de aanvraag plausibel onderbouwd waarom deelname van specifieke partijen niet passend is in het beoogde project.
Onderzoeksplan
• Het onderzoeksplan bevat:
− een duidelijke en concrete omschrijving van de beoogde bijdrage aan handelingsperspectieven binnen het beschreven doel van dit financieringsinstrument;
− een volledige maar beknopte weergave van de state-of-the-art kennis in de professionele praktijk en wetenschap, binnen en buiten Nederland. Hiertoe behoort een literatuurreview met actuele studies over het onderwerp van de aanvraag. Dit vraagt ook om een overzicht van toonaangevende regionale, landelijke of internationale kennisagenda’s op dit onderwerp, de daaruit voortkomende initiatieven, de relevantie en de positie die de aanvraag hierin inneemt;
− een zorgvuldig geformuleerde onderzoeksvraag. Deze onderzoeksvraag is een vertaling van de praktijkvraag en sluit aan bij de state-of-the-art kennis;
− een beschrijving en onderbouwing van de voorgestelde methoden en analysetechnieken waarmee de onderzoeksvraag beantwoord zal worden. De methoden passen optimaal bij de aard van de vraagstelling. De methoden en analysetechnieken verlopen volgens een bepaalde systematiek en zijn daardoor inzichtelijk, reproduceerbaar en overdraagbaar;
− een activiteitenplan met meetbare (tussen)doelstellingen en te verwachten (tussen)resultaten, waaruit zichtbaar wordt wie wat wanneer doet, waarom en wat het oplevert;
− een beschrijving van de wijze waarop de doorwerking van de onderzoeksresultaten naar het onderwijs en onderzoeks- gemeenschap wordt gerealiseerd.
• De netwerkpartners komen in gezamenlijkheid tot kennisontwikkeling door zelf kennis in te brengen (kenniscirculatie). In het activiteitenplan staat genoemd welke rol praktijk-, onderzoeks- en onderwijspartners op zich nemen (bijvoorbeeld deelname focusgroepen, leerkringen, uitvoering van pilots).
• Een voorwaarde is dat het onderzoeksplan haalbaar en uitvoerbaar wordt geacht. Hieronder wordt verstaan:
– de mate waarin de gevraagde financiële middelen in een redelijke verhouding staan tot de aard, omvang en verwachte impact van het projectvoorstel;
– de mate van personele bezetting en kwaliteit als ook de mate van beschikbare middelen en tijdsinvestering;
– de mate waarin sprake is van een duidelijk belegd en gekwalificeerd projectmanagement;
– de mate waarin het beroepenveld bereid is zelf substantieel bij te dragen aan de uitvoering van het project (zoals financieel, beschikbaar stellen van apparatuur, werkruimte, in tijd door begeleiding, projectdeelname e.d., beschikbaar stellen van patenten, licenties, etc.).
De aanvragen krijgen per criterium een score in gehele getallen, oplopend van 1 tot en met 6, waarbij 6 de hoogste score vertegenwoordigt.
De kwaliteit van het onderzoeksplan weegt 50% mee in de beoordeling. De criteria vraagarticulatie en netwerkvorming wegen elk 25% mee in de beoordeling.
Alle aanvragen ontvangen een gewogen gemiddelde totaalscore en worden op basis van deze score per thema in rangorde gezet. Om in aanmerking te komen voor subsidie dient een aanvraag op elk criterium een 4.00 of hoger scoren.
De beoordelingscommissie brengt verslag uit van haar werkwijze en brengt advies uit aan het bestuur van Regieorgaan SIA.
De beoordelingscommissie adviseert met betrekking tot de honorering en afwijzing van de aanvragen op basis van het door haar gegeven eindoordeel, de goedgekeurde begroting en het maximaal beschikbare budget voor deze call.
Het bestuur van Regieorgaan SIA toetst de gevolgde procedure en besluit op basis van het advies van de beoordelingscommissie.
Het besluit van het bestuur van Regieorgaan SIA wordt schriftelijk meegedeeld. Regieorgaan SIA streeft ernaar het besluit in februari 2022 bekend te maken.
|
Data (tijd CE(S)T) |
Processtap |
|---|---|
|
12 oktober 2021, 14:00:00 uur |
Deadline indiening aanvragen |
|
december 2021 |
Schriftelijke reactie aan indieners |
|
december 2021 / januari 2022 |
Interview beoordelingscommissie |
|
februari 2022 |
Vaststelling beoordeling door beoordelingscommissie en besluitvorming door bestuur Regieorgaan SIA |
|
februari 2022 |
Bekendmaking besluit |
Het kan zijn dat Regieorgaan SIA het noodzakelijk acht om tijdens de lopende procedure nog aanpassingen in het tijdpad van deze subsidieronde aan te brengen. Uiteraard ontvangt u hierover op tijd bericht.
De aanvrager is verantwoordelijk voor de uitvoering van het project en treedt op als penvoerder.
De aanvrager benoemt de (beoogde) contactpersoon.
Monitoring
Regieorgaan SIA wenst geïnformeerd te worden over de voortgang en resultaten van het project. De wijze waarop Regieorgaan SIA geïnformeerd wenst te worden, wordt kenbaar gemaakt in het subsidiebesluit dat volgt bij toekenning van subsidie.
Wijzigingsverzoeken
Voor iedere substantiële wijziging in het gesubsidieerde projectvoorstel is schriftelijke toestemming van Regieorgaan SIA vereist. Wat verstaan wordt onder substantiële wijzigingen wordt kenbaar gemaakt in het subsidiebesluit dat volgt bij toekenning van subsidie.
Inhoudelijke vragen
Op de pagina https://regieorgaan-sia.nl/financiering/voedsel-en-groen- thematische-vraagstukken/op de website van Regieorgaan SIA is de meest recente informatie te vinden. Hier vindt u ook de contactgegevens van de programmamanager. Het aanvraagformulier, het model projectvoorstel, het begrotingsformat en het formulier overzicht betrokken projectgroepleden, worden via ISAAC beschikbaar gesteld.
Vragen van technische aard
Hiertoe verzoeken wij u contact op te nemen met de ISAAC-helpdesk. Wij raden u aan eerst de ISAAC-handleiding door te nemen voordat u contact opneemt met de helpdesk.
De helpdesk van ISAAC is bereikbaar van maandag t/m vrijdag van 10.00 uur tot 17.00 uur, telefoonnummer 020-346 71 79. U kunt ook uw vraag per e-mail sturen naar isaac.helpdesk@nwo.nl. U ontvangt dan binnen twee werkdagen een reactie.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2021-21338.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.