TOELICHTING
Aanleiding
In het voormalige artikel 2.42 van de Regeling dierlijke producten werd het gebruik
van een verouderde analysemethode verplicht gesteld voor het onderzoeken van boerderijmelk
op de aanwezigheid van melkvreemde bacteriegroeiremmende stoffen en werd geen ruimte
gegeven voor het gebruik van een meer moderne, nieuw ontwikkelde technologie. Hierdoor
was het onmogelijk om in het geval van monsters met aantoonbare groeiremming voor
alle antibiotica op de wettelijk vastgestelde (EU) maximum residulimiet te meten.
Het nieuwe artikel 2.42 biedt deze mogelijkheid wel.
Nieuwe methode
Sinds een aantal jaren wordt mede op verzoek van de NVWA in monsters boerderijmelk,
waarin antibiotica worden aangetoond, nader vervolgonderzoek gedaan met LCMS/MS onderzoek
ter vaststelling welke stof is gevonden en met welke concentratie. Doel van dit onderzoek
is om in geval van aantoonbare groeiremming ieder in melk aanwezig antibioticum te
identificeren en de exacte concentratie vast te stellen. Dit maakt ook een betere
toetsing mogelijk op de juiste naleving van het diergeneesmiddelgebruik en is behulpzaam
in de oorzaakanalyse van de aanwezigheid van residuen in melk.
De in de voormalige regelgeving opgenomen test ter nadere kwalificering meet niet
alle voor de melkveehouderij relevante antibiotica op een niveau dat daarmee minimaal
de maximum residu limiet in melk wordt gemeten. De prestatiecriteria voor enkele antibiotica
in bijlage 2 (o.a. oxytetracycline, sulfamethazine) lagen daarom hoger dan de wettelijk
vastgestelde (EU) maximum residu limiet voor melk.
Met de wijziging van dit artikel is het mogelijk geworden om de vernieuwde onderzoeksmethode
toe te passen, waardoor beter uitvoering kan worden gegeven aan de verordening (EU)
37/2010 betreffende farmacologisch werkzame stoffen en de indeling daarvan op basis
van maximumwaarden voor residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong omdat meer
gedetailleerde analyses kunnen worden uitgevoerd.
Het gebruik van massaspectrometrie (LC-MS/MS), het scheiden van stoffen waarbij gebruik
wordt gemaakt van de verschillen tussen stoffen in verschillende fases, maakt het
mogelijk om ieder in het monster aanwezig antibioticum te identificeren en de exacte
concentratie vast te stellen. Dit maakt ook een betere toetsing op de juiste naleving
van diergeneesmiddelengebruik mogelijk en kan aanleiding geven een oorzaakanalyse
vast te stellen. De voormalig beschreven testmethode (plaattest) maakte uitsluitend
de aanwezigheid van bepaalde groepen van antibiotica inzichtelijk, zonder dat de specifieke
stof werd geïdentificeerd.
Nu deze nieuwe testmethode het mogelijk maakt om de exacte concentratie van de antibiotica
te detecteren, bestaat er geen noodzaak meer om in bijlage 2 hogere normen op te nemen
dan die in de verordening zijn vastgesteld. Bijlage 2 is daarom vervallen.
Uitvoering / Toezicht en handhaving
Het Controle Orgaan Kwaliteits Zaken (COKZ) houdt toezicht op de naleving van de betreffende
regeling. Deze wijzigingsregeling is mede op verzoek van en in samenwerking met het
COKZ tot stand gekomen. De nieuwe methode geeft meer duidelijkheid over onderzoeksresultaten
en maakt een betere uitvoerbaarheid en handhaving mogelijk. Dit komt doordat in geval
van aantoonbare groeiremming ieder in melk aanwezig antibioticum wordt geïdentificeerd
en de exacte concentratie vastgesteld. Dit maakt een betere toetsing mogelijk op de
juiste naleving van het diergeneesmiddelgebruik en is behulpzaam in de oorzaakanalyse
van de aanwezigheid van residuen in melk.
Regeldrukeffecten en notificatie
Met het nieuwe artikel 2.42 is het mogelijk om de plaattest achterwege te laten en
in plaats daarvan vernieuwde onderzoeksmethoden (zoals LC-MS/MS) toe te passen. Dit
heeft geen effect op de kwaliteit van de analyses.
De wijziging betreft de analysemethoden die worden toegepast bij de analyse van tankmelkmonsters.
Deze melkmonsters worden genomen bij de melkleveringen van de primaire bedrijven (melkveehouderijen).
Het betreft hier circa 2,3 miljoen monsters per jaar en dat verandert met de wijziging
niet. Ook verandert er in de verdere logistiek rondom aanleveren, transporteren, bewaren
en analyseren van de melkmonsters niets en ook wat betreft opvolging bij een positieve
test verandert er niets. De wijziging heeft enkel betrekking op de laboratoria die
de analyses uitvoeren, in dit geval is dat één laboratorium.
Bij een positieve test worden de kosten aan de melkveehouder doorberekend. Per melkmonster
dat in de screening positief getest wordt zal er een kostenbesparing optreden omdat
de plaattest niet langer uitgevoerd hoeft te worden en er direct overgegaan kan worden
naar de (modernere) bevestigingstest.
Omdat de nieuwe methode betrouwbaarder is zal er naar verwachting een klein aantal
extra positieve monsters worden gevonden (naar inschatting op jaarbasis 40–50 extra
op een totaal van circa 2,3 miljoen melkmonsters).
Er is sprake van eenmalige inregelkosten (in IT-systemen) bij het laboratorium dat
de melkmonsters analyseert. Hier is geen inschatting van gemaakt. De meeste voorbereidingen
zijn reeds getroffen, de wijziging gaat in op 1 juli 2021, een wens van de sector
en het levert op termijn een tijds- en kostenbesparing op.
Deze wijzigingsregeling is, conform richtlijn 2015/1535 (notificatierichtlijn), genotificeerd
bij de Europese Commissie. Er zijn geen opmerkingen ontvangen.
Inwerkingtreding
De regeling treedt in werking op 1 juli 2021.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
C.J. Schouten