De Minister van Economische Zaken en Klimaat,
Overwegende,
Dat NeuConnect Great Britain Limited het voornemen heeft om een hoogspanningsverbinding
aan te leggen tussen Groot-Brittannië en Duitsland, welk voornemen hierna wordt aangeduid
als de Interconnector NeuConnect;
Dat het doel is de aanleg, de exploitatie en de buitenbedrijfstelling van een hoogspanningskabel
in de Nederlandse Exclusieve Economische Zone van de Noordzee;
Dat het gaat om een hoogspanningsverbinding met een spanning van meer dan 150 kV tussen
de hoogspannings-elektriciteitsnetwerken van Groot-Brittannië en Duitsland. Het betreft
een verbinding met een geschatte lengte van in totaal circa 706 km tussen twee converterstations.
Deze converterstations zijn op hun beurt weer verbonden met de hoogspanningsnetwerken
van Groot-Brittannië respectievelijk Duitsland. In Groot-Brittannië loopt dit via
de Isle of Grain, Medway en in Duitsland via Fedderwarden, Wilhelmshaven;
Dat de Verordening (EU) 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april
2013 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur en tot
intrekking van Beschikking nr. 1364/2006/EG en tot wijziging van de Verordeningen
(EG) nr. 713/2009, (EG) nr. 714/2009 en (EG) nr. 715/2009 (PbEU 2013, L 115) (hierna:
de Verordening) op 1 juni 2013 van kracht is geworden;
Dat de Verordening beoogt – als onderdeel van de energiestrategie – de energiebehoeften
van Europa te moderniseren en uit te breiden en netwerken met elkaar te verbinden;
Dat in de Verordening regels zijn opgenomen voor de vergunningverlening voor projecten
die op grond van de Verordening zijn aangemerkt als projecten van gemeenschappelijk
belang;
Dat de Interconnector NeuConnect als een project betreffende elektriciteit is opgenomen
op de Unielijst van projecten van gemeenschappelijk belang, als bedoeld in artikel
3, vierde lid, van de Verordening in samenhang met bijlage VII bij de Verordening;
Dat deze Verordening is uitgevoerd in het licht van artikel 20a, eerste lid, aanhef
en onder c, van de Elektriciteitswet 1998, dat artikel 3.35, eerste lid, aanhef en
onder c, van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing verklaart op de aanleg van
dergelijke projecten, waarbij de Minister van Economische Zaken als bevoegde instantie
als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Verordening optreedt;
Dat dit tevens tot gevolg heeft dat op grond van de Verordening de bevoegde instantie
het ontwerp voor de inspraak van het publiek aanvaardt ingevolge artikel 9, derde
lid, van de Verordening;
Dat op 18 maart 2021 het ontwerp voor de inspraak van het publiek is ingediend;
Dat het ontwerp voor de inspraak van het publiek voldoet aan de richtsnoeren in bijlage
VI van de Verordening en ook voor het overige geen aanpassing behoeft;
Gelet op artikel 9, derde lid, van de verordening.
Besluit: