Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische Zaken en KlimaatStaatscourant 2021, 16070Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 29 maart 2021, nr. WJZ/ 21047227, tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies in verband met de wijziging en openstelling van de subsidiemodules MKB innovatiestimulering topsectoren (MIT) en TKI MKB-versterking

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat,

Gelet op de artikelen 2, eerste lid, en 4 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 3.3.2, eerste lid, vervalt 'of plannen'.

B

In artikel 3.4.2, eerste lid, vervalt 'of plannen'.

C

In artikel 3.4.3, vierde lid, wordt 'of duurzame dierlijke producten van het MIT-MKB- programma Agri&Food 2020, dat is opgenomen in paragraaf 1.2' vervangen door ', dat is opgenomen in paragraaf 3.f'.

D

Artikel 3.4.24 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b vervalt 'en de sector, genoemd in bijlage 3.4.1,'.

2. Onder verlettering van de onderdelen c tot en met e tot d tot en met f wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • c. het niet voldoende positieve impact realiseert binnen een of meer van de programma’s, genoemd in bijlage 3.4.1;

E

Artikel 3.4.25 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, vervalt ', de in bijlage 3.4.1, genoemde sectoren,'.

2. Het eerste lid, onderdeel d, komt te luiden:

  • d. er meer positieve impact wordt gerealiseerd binnen een of meer van de programma’s, genoemd in bijlage 3.4.1.

3. Het tweede tot en met vierde lid komen te luiden:

  • 2. Het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel d, wordt verminderd naarmate het project meer negatieve impact heeft op een of meer van de programma’s, genoemd in bijlage 3.4.1.

  • 3. De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten hoogste 25 punten toe.

  • 4. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

4. In het vijfde lid vervalt 'algemene'.

F

Bijlage 3.4.1 wordt vervangen door de bijlage, opgenomen in de bijlage bij deze regeling.

ARTIKEL II

In de tabel van artikel 1 van de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2021 worden onder de rij met titel 3.2, artikel 3.2.9, de volgende rijen ingevoegd:

Titel 3.3: TKI MKB-versterking

3.3.4 en 3.3.6

TKI Agri&Food

 

20-04-2021 t/m 01-07-2021

€ 200.000, waarvan ten hoogste € 100.000 voor netwerkactiviteiten

Titel 3.3: TKI MKB-versterking

3.3.4 en 3.3.6

TKI Chemie/Biobased economy

 

20-04-2021 t/m 01-07-2021

€ 400.000, waarvan ten hoogste € 200.000 voor netwerkactiviteiten

Titel 3.3: TKI MKB-versterking

3.3.4 en 3.3.6

TKI Creatieve Industrie

 

20-04-2021 t/m 01-07-2021

€ 200.000, waarvan ten hoogste € 100.000 voor netwerkactiviteiten

Titel 3.3: TKI MKB-versterking

3.3.4 en 3.3.6

TKI Energie

 

20-04-2021 t/m 01-07-2021

€ 200.000, waarvan ten hoogste € 100.000 voor netwerkactiviteiten

Titel 3.3: TKI MKB-versterking

3.3.4 en 3.3.6

TKI HTSM/ICT

 

20-04-2021 t/m 01-07-2021

€ 400.000, waarvan ten hoogste € 200.000 voor netwerkactiviteiten

Titel 3.3: TKI MKB-versterking

3.3.4 en 3.3.6

TKI Logistiek

 

20-04-2021 t/m 01-07-2021

€ 200.000, waarvan ten hoogste € 100.000 voor netwerkactiviteiten

Titel 3.3: TKI MKB-versterking

3.3.4 en 3.3.6

TKI Life Sciences and Health

 

20-04-2021 t/m 01-07-2021

€ 200.000, waarvan ten hoogste € 100.000 voor netwerkactiviteiten

Titel 3.3: TKI MKB-versterking

3.3.4 en 3.3.6

TKI Tuinbouw & Uitgangsmaterialen

 

20-04-2021 t/m 01-07-2021

€ 200.000, waarvan ten hoogste € 100.000 voor netwerkactiviteiten

Titel 3.3: TKI MKB-versterking

3.3.4 en 3.3.6

TKI Water

 

20-04-2021 t/m 01-07-2021

€ 200.000, waarvan ten hoogste € 100.000 voor netwerkactiviteiten

Titel 3.4: MKB-innovatiestimulering topsectoren

3.4.4

   

20-04-2021 t/m 09-09-2021

€ 400.000 voor MIT-haalbaarheidsprojecten, waarvan de activiteiten passen binnen het subthema duurzame visserij en aquacultuur, dat is opgenomen in paragraaf 3.f van bijlage 3.4.1

Titel 3.4: MKB-innovatiestimulering topsectoren

3.4.8

   

20-04-2021 t/m 09-09-2021

€ 2.000.000

Titel 3.4: MKB-innovatiestimulering topsectoren

3.4.20

   

09-09-2021

€ 3.055.625, waarvan ten hoogste € 1.527.812 voor MIT-R&D-samenwerkingsprojecten waarvan de subsidiabele kosten meer dan € 571.428 bedragen.

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 29 maart 2021

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, M.C.G. Keijzer

BIJLAGE, BEHORENDE BIJ ARTIKEL I, ONDERDEEL F

Bijlage 3.4.1, behorende bij artikel 3.4.2 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies

1. Energie en Duurzaamheid

Projecten dienen bij te dragen aan het pad naar een klimaatneutraal energie- en grondstoffensysteem in 2050 of aan een circulaire economie in hetzelfde jaar. Ze dragen daarmee automatisch bij aan de tussendoelen voor 2030 zoals nationaal en Europees zijn vastgesteld. Combinaties zijn logischerwijze mogelijk, daar waar deze missies elkaar overlappen. Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de MIT-regeling dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst gericht te zijn op:

  • 1. Verlaging van het gebruik van fossiele energie c.q. van de uitstoot van CO2 of andere broeikasgassen.

  • 2. Verhoging van de productie of benutting van duurzame energie en de integratie in het energiesysteem.

  • 3. Verlaging van het gebruik van primaire grondstoffen (rekening houdend met de ecologische voetafdruk).

  • 4. Vergroting van het hoogwaardig gebruik van circulaire materialen, onder meer door gebruik van gerecycleerde grondstoffen of duurzaam geproduceerde en verkregen bio-based componenten.

  • 5. Beperking van de uitstoot van schadelijke stoffen naar het milieu dan wel vervanging van deze schadelijke stoffen door stoffen die veel minder schadelijk of onschadelijk worden geacht.

  • 6. Vergroten van de efficiency van het mobiliteitssysteem, verkeersveiligheid, ladingveiligheid, cybersecurity, veilig datagebruik en databeheer en het beperken en mitigeren van geluidhinder, fijnstof en andere emissies, trillingen als gevolg van transportbewegingen of -systemen.

De energie-, klimaat- en grondstoffen- gerelateerde aspecten van mobiliteit zijn onderdeel van de punten 1 t/m 5. Punt 6 verwijst naar de deel-KIA 'Toekomstbestendige Mobiliteitssystemen', voor het brede thema mobiliteit, waaronder alle milieu- en hinderaspecten naast CO2 voor landgebonden transport, innovaties in luchtvaart en maritiem transport, alsmede veiligheids- en bereikbaarheidsaspecten van alle verkeersmodaliteiten zijn opgenomen.

Dit programma past binnen de KIA Energie en Duurzaamheid. Hierover is meer informatie te vinden op: https://www.topsectoren.nl/publicaties/publicaties/2019-publicaties/oktober/161019/kia-energietransitie-en-duurzaamheid

2. Gezondheid en Zorg

Projecten binnen dit programma dienen bij te dragen aan de missies van de KIA Gezondheid en Zorg. De centrale missie daarin is dat in 2040 alle Nederlanders tenminste vijf jaar langer in goede gezondheid leven, en dat de gezondheidsverschillen tussen de laagste en hoogste sociaaleconomische groepen met 30% zijn afgenomen. Op basis van de volgende missies uit de KIA Gezondheid en Zorg worden voor de MIT-regeling een aantal onderwerpen uitgewerkt. Deze missies zijn gericht op i. leefstijl & leefomgeving, ii. verplaatsing van de zorg naar de leefomgeving, iii. verhoging van de participatiegraad van mensen met een chronische ziekte of levenslange beperking en iv. verhoging van de kwaliteit van leven van mensen met dementie. Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de MIT-regeling dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst gericht te zijn op:

  • 1. Preventie van ziektes of aandoeningen.

  • 2. Gezondheidswinst voor patiënten die lijden aan één of meer ziektes of aandoeningen.

  • 3. Verbetering van de opsporing of behandeling van ziektes of aandoeningen of van het herstel daarna.

  • 4. Verlaging van de kosten van de zorg, bij zorgverzekering of verzekerde.

  • 5. Innovaties, bijvoorbeeld hulpmiddelen, die het organiseren van zorg in de eigen leefomgeving in plaats van in zorginstellingen vergemakkelijken.

  • 6. Verhoging van deelname aan de samenleving van mensen met een chronische ziekte of levenslange beperking, naar wens en vermogen.

  • 7. Verbetering van de kwaliteit van leven van mensen met dementie.

Veel innovaties breken niet door op de markt, zeker ook binnen de KIA Gezondheid en Zorg. Voordat wordt overgegaan op de uitvoering van een R&D-samenwerkingsproject onder de KIA Zorg en Gezondheid worden ondernemers aangeraden het instituut 'Health Innovation NL' (HI-NL) te betrekken. HI-NL weet in een vroeg stadium aan te geven of de kans reëel is dat een project succesvol kan worden. Meer informatie over dit instituut is te vinden op https://www.healthinnovation.nl/

Dit programma past binnen de KIA Gezondheid en Zorg. Hierover is meer informatie te vinden op: https://www.health-holland.com/sites/default/files/downloads/missiedocument-gezondheid-en-zorg.pdf

Tevens is een samenvatting van het missiethema, de beleidscontext en de landelijke aanpak te vinden in deze uitgebreide flyer: https://www.health-holland.com/sites/default/files/downloads/Toekomstbeelden%202030.pdf

3. Landbouw, Water en Voedsel

Projecten dienen bij te dragen aan de missies van de KIA Landbouw, Water en Voedsel. Dit programma is onderverdeeld in zes deelprogramma’s.

3.a. Kringlooplandbouw

Doel is dat in 2030 in de land- en tuinbouw het gebruik van grondstoffen en hulpstoffen substantieel is verminderd en alle eind- en restproducten zo hoog mogelijk worden verwaard. De emissies naar grond- en oppervlaktewater zijn dan tot nul gereduceerd. Ecologische omstandigheden en processen vormen het vertrekpunt voor voedselproductie waardoor biodiversiteit zich herstelt en de landbouw veerkrachtiger wordt. Opgemerkt wordt dat het programma 3.a. kan worden gezien als een specifiek onderdeel van de bredere circulariteitsagenda onder programma 1. Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de MIT-regeling dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst gericht te zijn op:

  • 1. Vermindering van gebruik niet-organische meststoffen en de emissie van nutriënten naar bodem, water en lucht. Via terugwinning en hergebruik van nutriënten en water, betere benutting in de keten of bronmaatregelen.

  • 2. Het bevorderen van een gezonde, weerbare bodem en dito teeltsystemen door uit te gaan van ecologische processen en de beperking van emissies. Voorbeelden van manieren om dit te bereiken zijn: weerbare plantaardige productiesystemen, precisieteelt en nieuwe vormen van gewasbescherming in de plantaardige productie, of de vergroting van de weerbaarheid van plantaardig materiaal in de keten, het ontwikkelen en verspreiding van kennis over organismen in quarantaine en de vroege signalering van, en de bescherming van plantten tegen, schadelijke organismen.

  • 3. Optimaal hergebruik van zij- en reststromen voor voedsel, diervoeding of non-food toepassingen, inclusief cascadering.

  • 4. Duurzame productie van eiwitrijke grondstoffen en biomassa.

Over deze missies is meer informatie te vinden op: https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/kringlooplandbouw.

3.b. Klimaatneutrale landbouw en voedselproductie

Doel is een netto klimaatneutraal systeem van landbouw en natuur in 2050. Dit onderdeel is de sectorspecifieke invulling van het klimaatakkoord uit bovengenoemd programma 1. Specifiek voor de landbouw en voedselproductie en vertaald naar projecten voor het MKB binnen de MIT-regeling dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst gericht te zijn op:

  • 1. Het verminderen van de uitstoot van methaan en lachgas in de veehouderij, van het dier of uit de stal en bij de mestopslag, inclusief het opwaarderen van mest.

  • 2. Het realiseren van een energieneutraal landelijk gebied, door vermindering van naoogst energiegebruik in transport en opslag, de beperking van energie- en kwaliteitsverlies in de keten, kleinschalige eerste naoogst verwerkingstechnologie op veld of erf, en energiebesparing in de verwerking.

  • 3. Productie en gebruik van (aquatische) biomassa. Vaste biomassa als bouwmateriaal inzetten of inzet van biobased koolstof als grondstof.

3.c. Klimaatbestendig landelijk en stedelijk gebied

Doel is dat in 2050, Nederland in zowel het landelijk als stedelijk gebied klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. Het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst, dient dan ook gericht te zijn op:

  • 1. Klimaatbestendig landelijk gebied. Het klimaatbestendig en waterrobuust maken van het landelijk gebied, via (ondersteuning van) gebiedsgerichte maatregelen. Hierbij geldt regionale zelfvoorzienendheid in de watervoorziening als uitdaging.

  • 2. Klimaatadaptieve land- en (glas)tuinbouwproductiesystemen. Het klimaatbestendig en duurzaam gebruik maken van water, waarbij productie, verwerking, organisatie en consumptie in samenhang worden betrokken.

  • 3. Waterrobuust en klimaatbestendig stedelijk gebied. Gericht op een systeemaanpak met efficiënter gebruik van water en grondstoffen, vasthouden en hergebruik van water en het maximaal benutten van het natuurlijk systeem in en rond de stad (natuurlijke klimaatbuffers, natuurontwikkeling).

  • 4. Verbeteren waterkwaliteit. Innovaties om de ecologische en chemische toestand van het (integrale) watersysteem (waterkwaliteit, Kaderrichtlijn Water) beter te kunnen meten. Daarnaast ‘zuivering van de toekomst’: veelal decentrale zuiveringstechnologieën om emissies van nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen, (dier)geneesmiddelen en opkomende stoffen naar het watersysteem te beperken, nutriënten terug te winnen en benutten, en het oplossend vermogen van het water- en bodemsysteem te stimuleren.

Over deze missies is meer informatie te vinden op: https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/klimaatbestendige-inrichting.

3.d. Gewaardeerd, gezond en veilig voedsel

Het doel is in 2030 gezond, veilig en duurzaam voedsel te produceren. Het voedselproductiesysteem is dan robuust en groene producten leveren een waardevolle bijdrage aan hun omgeving. Consumenten waarderen de sector en zijn bereid eerlijke prijzen te betalen. Het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst, dient daarvoor de volgende ontwikkelingen te ondersteunen:

  • 1. Het vergroten van de waardering voor voedsel en van het bewustzijn ten aanzien van de verschillende maatschappelijke waarden die met de productie samenhangen, en het verkleinen van de afstand tussen primaire producenten en andere ondernemers in het voedselsysteem met burgers.

  • 2. Faciliteren dat de Nederlandse bevolking in gezondheid opgroeit en ouder wordt, door bij te dragen aan het produceren en consumeren van een gezonder en duurzamer voedselaanbod en het creëren van een gezonde, groene woon-, werk- en leefomgeving.

  • 3. Veilige productie via preventie en het wegnemen van risico's. Snelle(re) detectie van pathogenen en contaminanten en ervoor zorgen dat het systeem zelf verstorende invloeden van buiten kan opvangen. Het doorontwikkelen van nieuwe stalsystemen, verdere emissiebeperkende toedieningsmethoden voor gewasbeschermingsmiddelen, en het stimuleren en realiseren van best practices.

  • 4. Een substantieel duurzamere en veilige voedselketen in 2030. Betere detectie en beheersing van chemische en microbiële gevaren in de voedselketen en een transparante samenstelling van producten in verband met allergenen. Ketengerichte aanpak, gericht op reductie in zowel energie- als waterverbruik, en het vergroten van grondstofflexibiliteit waarbij de voedselveiligheid en kwaliteit gewaarborgd blijft. Voedselverlies tegengaan door energie- en waterreductie in voedselverwerking, het verbeteren van grondstofefficiëntie en -flexibiliteit, ketenaspecten, verpakkingen, sensor- en detectietechnologie, circulaire voedselsystemen en het gebruik van nieuwe grondstoffen. Verduurzaming en voedselveiligheid dienen steeds samen op te gaan.

Over deze missies is meer informatie te vinden op: https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/gewaardeerd-gezond-en-veilig.

3.e. Duurzame en veilige Noordzee en andere wateren

In 2030 zijn in Nederland de ecologische draagkracht, waterveiligheid, waterkwaliteit en zoetwatervoorziening van mariene wateren in balans met de vraag naar hernieuwbare energie, voedsel, visserij en andere economische activiteiten. In 2050 geldt dit ook voor de rivieren, meren en intergetijdengebieden (estuaria en wadden). Het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst, dient daarvoor de volgende ontwikkelingen te ondersteunen:

  • 1. Naar een Duurzame Noordzee. Duurzaam en veilig menselijk medegebruik binnen een veerkrachtig Noordzee ecosysteem en meer inzicht in de grenzen van de veerkracht van de Noordzee

  • 2. Een natuur-inclusieve landbouw, visserij en waterbeheer in Caribisch Nederland. In 2030 moet visserij, landbouw, toerisme en waterbeheer in balans zijn met de unieke Caribische natuur, en dragen ze structureler bij aan de lokale voedselvoorziening en economie.

  • 3. Voor duurzame rivieren, meren en intergetijdengebieden moet in 2050 een evenwichtige balans zijn bereikt tussen enerzijds ecologische draagkracht en waterbeheer (waterveiligheid, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit en scheepvaart) en anderzijds de opgaven voor hernieuwbare energie, voedsel, visserij en andere economische activiteiten.

  • 4. De bronnen van de overige zeeën en oceanen duurzaam gebruiken. Innovaties die helpen economie en ecologie in balans te brengen.

  • 5. Ecologische én socio-economisch duurzame ontwikkeling van de kust- en zeevisserij sector op de Noordzee.

Over deze missies is meer informatie te vinden op: https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/duurzame-en-veilige-wateren.

3.f. LNV Duurzame visserij en aquacultuur

Aansluitend op missie 3e is er binnen de MIT-regeling tevens een LNV programma Duurzame visserij en aquacultuur, waarin ondernemers in de visserij en aquacultuur ondersteuning krijgen bij de verdere verduurzaming met behoud van een gezonde bedrijfsvoering. Bij verduurzaming gaat het om gezonde visbestanden en het verlagen van de impact op het ecosysteem door verspilling, ongewenste bijvangst en bodemberoering zoveel mogelijk terug te dringen. Duurzame visserij vereist dat natuur en economie met elkaar in balans komen en blijven. De scope is de primaire visserij, inclusief de mossel- en oestervisserij/-kweek. Ook alternatieve vistechnieken en aquacultuur in windparken vallen binnen de scope. Projecten moeten bijdragen aan:

  • 1. Methoden of vistuigen om selectiever te vissen.

  • 2. Vismethoden of -tuigen die minder bodemberoering tot gevolg hebben dan de huidige boomkorvisserij.

  • 3. Minder impact op klimaat of milieu door visserijactiviteiten.

  • 4. Alternatieve duurzame vangst- of kweekmethoden van primaire visserij, inclusief de mossel- en oestervisserij-kweek.

3.g. Nederland is en blijft de best beschermde en leefbare delta

Nederland is ook in de volgende eeuw de best beschermde en leefbare delta ter wereld. De stijging van de zeespiegel en de sterke schommelingen in de afvoer van rivieren vragen om een nieuwe aanpak. Het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst, dient daarvoor de volgende ontwikkelingen te ondersteunen:

  • 1. Het verduurzamen van en kostenbeheersing bij uitvoeringsprojecten waterbeheer. Het doel is dat het grondverzet in 2030 energieneutraal is, de kosten per m3 tussen 2020 en 2030 aanzienlijk gedaald zijn en dat er in 2030 een gezonde slibeconomie is.

  • 2. Het aanpassen aan versnelde zeespiegelstijging en toenemende weersextremen. In 2030 moet er duidelijkheid zijn over maatregelen die hiervoor op langere termijn genomen kunnen worden.

  • 3. Nederland Digitaal Waterland. Voorop (blijven) lopen bij digitalisering ten bate van het waterbeheer, en het daarmee exporteren van Nederlandse kennis en kunde van de watersector.

  • 4. In 2030 is Energie uit water integraal onderdeel van het energie- en klimaatbeleid in Nederland. Oppervlaktewateren als bron van duurzame energie (alsook van warmte), als opslagmedium en voor infrastructuur voor duurzame energie. Het waterbeheer is energetisch efficiënt ingeregeld en levert met haar waterpeilbeheer een bijdrage aan klimaatmitigatie door het tegengaan van de uitstoot van broeikasgassen.

Over deze missies is meer informatie te vinden op: https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/best-beschermde-delta/

Het gehele programma 3 past binnen de KIA Landbouw, Water en Voedsel. Hierover is meer informatie te vinden op: https://kia-landbouwwatervoedsel.nl.

4. Veiligheid

Projecten dienen bij te dragen aan het programma Veiligheid. De missies zijn in nauwe samenwerking met de ministeries van Justitie en Veiligheid en Defensie opgesteld. De overkoepelende ambitie is (potentiële) tegenstanders steeds een stap vóór blijven: 'always ahead of the threat’ met slimme oplossingen in dienst van een veilige maatschappij. Het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst, dient daarvoor de volgende ontwikkelingen te ondersteunen:

Deelprogramma’s
  • 1. Integrale aanpak van georganiseerde criminaliteit

    • Interventies en organisatie

    • Real time digitale observatie en ondersteuning

    • Bruikbare data en handelingsperspectief

  • 2. Maritieme hightech voor een veilige zee

    • Smart kill-chains – Radar en geïntegreerde sensorsuites

    • Smart operations

    • Smart manning & automation

    • Zero emission and survivable warships

    • Smart design and maintenance

    • Smart concepts

  • 3. Veiligheid in en vanuit de ruimte

    • Robuuste plaatsbepaling- en tijdsynchronisatiesystemen

    • Nationale situational awareness, surveillance & tracking capaciteit

    • Grondgebonden situational awareness capaciteit

    • Laser voor veilige communicatie en vergrote transmissiecapaciteit

    • (Gedeeltelijk) eigen satellietcapaciteit met tijdige en veilige toegang

  • 4. Cyberveiligheid

    • Bestrijden cybercrime

    • Bevorderen ontwikkeling cybercompetenties

    • Defensieve cybertechnologie

    • Offensieve cybertechnologie

    • Ketenweerbaarheid en governance

  • 5. Genetwerkt optreden op land en vanuit de lucht

    • Innovatie in ontwerp en aansturing van netwerken

    • Informatie als wapen

    • Aansturing van genetwerkte logistieke operaties

    • Counter DRAM (Drone, Rocket, Artillery & Mortar)

    • Smart service logistics

  • 6. Samen sneller innoveren voor een adaptieve krijgsmacht

    • Toepassing van robots/autonome systemen/drones (RAS/RPAS)

    • 3D-printen voor onderdelen, lokale bouw en materiaalontwikkeling

    • Energiesystemen & circulariteit

  • 7. Data en intelligence

    • Privacy-bestendige informatiedeling

    • Beslissingsondersteuning

  • 8. De veiligheids-professional

    • Qualified-self, Digitaal wapenen middels nieuwe (leer)methodes

    • Quantified-self, Meetbare prestatie en vitaliteit van veiligheidsprofessionals

    • Digitaal uitgerust – Waarneming en communicatie

    • Reframing veiligheid

Dit programma past binnen de KIA Veiligheid. Hierover is meer informatie te vinden op: https://www.hollandhightech.nl/sites/www.hollandhightech.nl/files/Documenten/KIAs/KIA%20Veiligheid%20-%2020191016%20definitief.pdf

5. Sleuteltechnologieën

Ook voor de aanpak van sleuteltechnologieën is een KIA geformuleerd. Sleuteltechnologieën worden gekenmerkt door een generiek karakter met een breed toepassingsgebied of bereik in innovaties en/of sectoren. Bij de projecten die voor de missies (in de programma’s 1 tot en met 4) worden ingediend zal dus veelal gebruik worden gemaakt van een of meer van die sleuteltechnologieën, waarbij sprake kan zijn van doorontwikkeling voor de specifieke toepassing. Projecten die specifiek voor het programma Sleuteltechnologieën worden ingediend, moeten bijdragen aan de generieke ontwikkeling van (een of meer) sleuteltechnologieën, door:

  • 1. Een ondersteunende bijdrage te leveren aan de verdere ontwikkeling van kennis over sleuteltechnologieën, bijvoorbeeld ten behoeve van het onderzoek daarnaar.

  • 2. Een ondersteunende bijdrage te leveren aan verbrede of versnelde toepassing van een of meer sleuteltechnologieën, bijvoorbeeld door de integratie er van in producten, processen of diensten te vergemakkelijken.

Hierbij wordt benadrukt dat onder optie 1 het doen van puur onderzoek naar sleuteltechnologieën en onder optie 2 het puur toepassen ervan in een willekeurige sector anders dan binnen de missies geen basis is voor toekenning van een subsidie. Gezocht wordt naar innovaties die de randvoorwaarden voor de kennisontwikkeling en toepassing van sleuteltechnologieën verbeteren, en die als product verkoopbaar zijn.

De volgende groepen van sleuteltechnologieën zijn vanuit het perspectief van de potentiële bijdrage van technologie aan maatschappelijke uitdagingen in Nederland aangewezen:

  • Chemical Technologies

  • Digital Technologies

  • Engineering and Fabrication Technologies

  • Photonics and Light Technologies

  • Advanced Materials

  • Quantum Technologies

  • Life science technologies

  • Nanotechnologies

Meer informatie over bovenstaande groepen van sleuteltechnologieën en een verdere onderverdeling daarvan is te vinden op:

https://www.hollandhightech.nl/sites/www.hollandhightech.nl/files/Documenten/KIAs/KIA%20ST/20191024%20KIA-ST%20Bijlage%20B%20-%20MJP's%20overzicht.pdf

Dit programma past binnen de KIA sleuteltechnologieën. Hierover is meer informatie te vinden op: https://www.hollandhightech.nl/kia-sleuteltechnologieen.

6. Maatschappelijk verdienvermogen

Het maatschappelijk verdienvermogen wordt versterkt, wanneer de (beoogde) innovaties bijdragen aan de doelstellingen van de maatschappelijke uitdagingen zoals beschreven in de programma’s 1 t/m 5. Aansluiting bij dit programma 6 vereist dat deze oplossingen aan drie voorwaarden voldoen, ze zijn i. maatschappelijk gewenst, ii. economisch rendabel en iii. schaalbaar. De waarschijnlijkheid dat dit kan worden bereikt, dient in het projectplan te worden onderbouwd. Projecten onder dit programma dienen derhalve altijd te worden gekoppeld aan één van de programma’s uit 1 t/m 5.

Dit programma past binnen de KIA Maatschappelijk Verdienvermogen. Hierover is meer informatie te vinden op: https://www.clicknl.nl/kia-verdienvermogen-2020-2023.

TOELICHTING

1. Doel en aanleiding

Met het in kabinet Rutte III opgezette Missiegedreven Topsectoren- en Innovatiebeleid (MTIB) wordt ingezet op het succesvol aanpakken van maatschappelijke uitdagingen. Deze uitdagingen zijn ook potentiële aanjagers voor ons toekomstig duurzame verdienvermogen, mondiale uitdagingen zijn immers ook mondiale markten. Voor een succesvolle aanpak van de maatschappelijke uitdagingen zijn technologische doorbraken en sleuteltechnologieën van groot belang. De economische kansen die maatschappelijke uitdagingen bieden en de ambitie om een vooraanstaande rol te spelen op een aantal sleuteltechnologieën zijn daarom de centrale uitgangspunten in de vernieuwde topsectorenaanpak. De innovatiekracht van het midden- en kleinbedrijf (MKB) speelt daarbij een belangrijke rol. Over de subsidiemodule MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT) was in het regeerakkoord opgenomen: 'Het MKB verdient een krachtiger rol in het innovatiebeleid. De MIT en de innovatiekredieten voor het MKB worden uitgebreid.'( Regeerakkoord 2017 – 2021 'Vertrouwen in de toekomst', 2.4 Economie, innovatiebeleid en vestigingsklimaat, versterken innovatiekracht, blz. 35.)

De MIT bestaat uit twee modules, te vinden in de titels 3.3 en 3.4 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (RNES). Deze titels luiden respectievelijk 'TKI MKB-versterking' en 'MKB innovatiestimulering topsectoren'. De TKI MKB-versterking verleent steun aan het innovatief MKB door via de TKI’s netwerkactiviteiten en innovatiemakelaars te ondersteunen. De module MKB innovatiestimulering topsectoren geeft directe steun aan het innovatief MKB, via een aantal instrumenten. Met de voorliggende wijziging van de MIT in 2021 worden de volgende drie instrumenten opengesteld: haalbaarheidsprojecten, kennisvouchers en R&D-samenwerkingsprojecten. Met deze aanpassing wordt ervoor gezorgd dat subsidieverlening binnen de MIT zich richt op projecten die worden uitgevoerd door ondernemingen uit het MKB en die passen binnen het hierboven beschreven Missiegedreven Topsectoren- en Innovatiebeleid (MTIB). De Topsectoren, die gezamenlijk het MTIB vormgeven, hebben per Kennis- en Innovatieagenda (KIA) een programma geschreven dat te vinden is in de aangepaste bijlage bij titel 3.4 van de RNES. Aanvragen binnen de MIT zullen getoetst worden op hun bijdrage aan die programma’s.

2. MIT

2.1 MIT algemeen

In 2013 is de MIT-subsidiemodule geïnitieerd door de toenmalige Minister van Economische Zaken om innovatie te bevorderen bij het MKB en om het MKB beter aan te laten sluiten bij de innovatie-agenda's van de topsectoren. De MIT biedt daarvoor een 'koffer' met verschillende instrumenten, waarvoor een ondernemer subsidie kan aanvragen. Sinds 2015 wordt de MIT samen met de provincies uitgevoerd en is de opzet van de MIT fundamenteel gewijzigd: de MIT richt zich sindsdien ook op aansluiting van het MKB op de Research and Innovation Strategies for Smart Specialisation (RIS3) van de provincies. Dit jaar worden voor het eerst de KIA’s gebruikt als toetsingskader voor aanvragen binnen de MIT. Dit heeft de provincies er toe doen besluiten niet meer, zoals in het verleden het geval was, bepaalde inhoudelijke delen van de MIT niet te ondersteunen. Zij kiezen er daarentegen voor in 2021 de gehele inhoudelijke reikwijdte van de MIT te ondersteunen.

2.2 Wijzigingen MIT

2.2.1 Bijlage 3.4.1; van sectoren naar KIA’s

De voorliggende wijziging van de MIT sluit aan op de keuze van het kabinet om het innovatiebeleid te richten op het MTIB. Deze aanpak is vastgesteld door het kabinet en is in grote lijnen overgenomen door alle provincies in hun economisch beleid en/of de Research and Innovation Strategies for Smart Specialisation (Regionale innovatiestrategieën; RIS3). Op nationaal niveau zijn de 25 missies en de aanpak voor sleuteltechnologieën door de topsectoren uitgewerkt in een zestal Kennis- en Innovatie-Agenda’s (KIA’s). In november 2019 zijn deze agenda’s geconcretiseerd in het Kennis- en Innovatieconvenant (KIC), dat ook is ondertekend door de provincies.1

De bijlage 3.4.1 is aangepast en bevat nu een programma per KIA. Er is voor gekozen de informatie in de bijlage 3.4.1 beperkt te houden. Nadere informatie over de achtergronden en context van de verschillende missies en over de verschillende onderzoeksprogramma’s in de KIA’s is te vinden via de relevante URL’s. In de achterliggende documenten kunnen ook voorbeelden van recente innovaties gevonden worden. De bijlage bij deze regeling is echter bepalend voor de onderwerpen waar projecten zich op kunnen richten en voor de impact waarop een R&D-Samenwerkingsproject (zie verderop in deze toelichting) mede wordt gerangschikt.

Relevantie voor MKB en MKB-innovaties

De KIA’s omvatten een breed scala aan veranderingen en aanpassingen in ons dagelijks leven en ons patroon van produceren en consumeren. De MIT is gericht op het stimuleren van technologische innovaties. De opsommingen uit de bijlage bevatten deels concrete vraagstukken binnen elk van de KIA’s waaraan technologische innovaties evident een bijdrage kunnen leveren. Andere vraagstukken beschrijven de noodzaak tot systeemveranderingen, een andersoortige aanpak of ander gedrag. Technologische innovaties zullen daar veelal een deeloplossing brengen of de veranderingen ondersteunen. Duidelijk moge zijn dat alleen subsidie wordt verstrekt voor het onderzoeken van de haalbaarheid van een innovatie, respectievelijk het ontwikkelen ervan, met het bijbehorende innovatierisico, en niet voor het toepassen van een innovatieve werkwijze of een innovatief product in bijvoorbeeld het agrarisch bedrijf, in het stedelijk gebied, rivieren en zeeën of in de zorg.

De KIA’s zijn in de bijlage vertaald naar zo concreet mogelijk doelen, die volgen uit de missies, de sleuteltechnologieënagenda en het beoogde verdienvermogen.

Programma’s in de verschillende instrumenten binnen de MIT

Voor de haalbaarheidsprojecten en de vouchers binnen de MITvoor 2021 dient de aanvrager in het aanvraagformulier aan te geven op welk programma het uiteindelijk te ontwikkelen product, proces of dienst is gericht, met een bondige toelichting. Voor het programma sleuteltechnologieën dient te worden toegelicht welke sleuteltechnologie wordt doorontwikkeld of wordt ondersteund in de implementatie, voor het programma verdienvermogen dient te worden toegelicht op welke wijze aan de gewenste versnelling en opschaling van innovaties wordt bijgedragen en op welk programma het project van toepassing is.

Voor de R&D-samenwerkingsprojecten dient de aanvrager eveneens aan te geven binnen welk programma of programma’s het project uitgevoerd zal worden. Het is mogelijk dat het project zich op meerdere programma’s richt. In dat geval dient de aanvrager aan te geven op welke programma’s het project zich hoofdzakelijk richt. Vervolgens kan de aanvrager eventueel andere programma’s aangeven.

Aansluiting op bestaande kennis en op onderzoeksagenda’s

Waar een innovatie is gericht op de programma’s 1 t/m 4 zijn er geen verplichtingen ten aanzien van het gebruik van (sleutel)technologieën; de innovativiteit en de economische potentie zijn in dat opzicht doorslaggevend. Om vernieuwend en competitief te zijn is het in het algemeen relevant hoogwaardige actuele kennis en kunde in de innovatie te benutten en/of te combineren. Om competitief te blijven is het een voordeel om aansluiting te (kunnen) zoeken bij verdere ontwikkeling van die kennis en kunde in eigen land of regio. Om die reden is het advies om goed kennis te nemen van recent binnen de topsectoren en KIA’s ontwikkelde kennis respectievelijk van lopende onderzoeksprogramma’s en -projecten.

Wanneer de innovatie van een project is gericht op de doorontwikkeling of ondersteuning van de implementatie van een sleuteltechnologie, wordt verwezen naar de opsomming van sleuteltechnologieën in programma 5 en de nadere informatie daar.

2.2.2 Rankschikkingscriteria MIT-R&D-samenwerkingsprojecten

Voor de beoordeling van ingediende R&D-samenwerkingsprojecten is een uitgebreide toelichting nodig. Beoordeling van de projecten vindt plaats op de aspecten economie, innovatie en samenwerking en op de verwachte maatschappelijke baten. Om de projecten uit de verschillende programma’s zo goed mogelijk te kunnen beoordelen, en die baten met punten te waarderen, wordt indieners gevraagd de verwachte baten van de innovatie zoveel mogelijk te kwantificeren (in aantallen en/of getallen uit te drukken). Ook de waarschijnlijkheid dat die baten kunnen worden bereikt, dient in het projectplan te worden onderbouwd. Vervolgens worden er 100 punten verdeeld over 4 categorieën van elk 25 punten: de economische haalbaarheid (ongewijzigd), de technologische haalbaarheid (ongewijzigd), de kwaliteit van het samenwerkingsverband (ongewijzigd) en de impact op de programma’s (nieuw).

Met de wijziging in het toetsingskader van topsectoren naar thematische programma’s waren de punten die in het verleden werden toegekend aan het sectoroverstijgende karakter van een project niet meer relevant. Dit criterium is daarom komen te vervallen.

Hier voor in de plaats is er een nieuwe categorie toegevoegd: die van impact op de programma’s uit de bijlage. Deze nieuwe categorie is toegevoegd omdat het bij het MTIB draait om de maatschappelijke uitdagingen, de bijbehorende missies en sleuteltechnologieën. Het is dus van belang dat projecten bijdragen aan het oplossen van die maatschappelijke uitdagingen, vandaar dat er nu ook expliciet op getoetst zal worden.

R&D-samenwerkingsprojecten kunnen op meerdere maatschappelijke gebieden impact hebben. Dit is een gevolg van het feit dat de programma’s op zichzelf en onderling overlap vertonen. Ook kan de oplossing bij het ene programma negatief uitwerken op een ander. Bij de toedeling van punten op het onderdeel impact weegt de beoordelende commissie het totaal aan maatschappelijke baten op de genoemde terreinen. Via artikel 3.4.25, eerste lid, onder d, kunnen maximaal 25 punten worden toegekend aan positieve bijdrage binnen een of meer van de genoemde programma’s die zijn opgenomen in bijlage 3.4.1. Deze punten kunnen binnen één programma worden verdiend of verdeeld over meerdere programma’s. Mocht een project negatieve gevolgen hebben voor een of meer van de programma’s kunnen op grond van artikel 3.4.25, tweede lid, ook punten worden afgetrokken van de punten die verdiend zijn onder 3.4.25, eerste lid, onderdeel d.

3. TKI MKB-versterking

In titel 3.3 van de RNES is de subsidiemodule TKI MKB-versterking opgenomen. Met deze subsidiemodule wordt invulling gegeven aan het MTIB van het kabinet door MKB-ondernemers te stimuleren aan te sluiten bij het MTIB. Op grond van deze subsidiemodule kunnen Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI's) subsidie aanvragen voor netwerkactiviteiten en inhuur van innovatiemakelaars voor het MKB. De netwerkactiviteiten hebben onder meer als doel ondernemers meer en beter te laten innoveren, alsook meer ondernemers aan te zetten tot innoveren door hen samen te brengen (matchmaking- activiteiten). Daarnaast is het doel ondernemers te laten delen in ontwikkelde kennis (kennisvalorisatie) en hen mogelijk aan te zetten tot het ontwikkelen van nieuwe innovatieprojecten. Innovatiemakelaars kunnen door TKI's ingeschakeld worden om MKB-ondernemers in contact te brengen met andere (ook grote) bedrijven, kennisinstellingen en samenwerkingsverbanden en om MKB- ondernemers te ondersteunen bij vraagarticulatie, het innovatieproces en het ontwikkelen van een business case. TKI's selecteren op transparante en open wijze wie innovatiemakelaar voor die specifieke topsector kunnen zijn.

Met de onderhavige regeling wordt de module voor 2021 opengesteld.

4. Budget

Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK), het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en de provincies werken samen in de MIT-subsidiemodule: zij stellen in 2021 in totaal € 66,05 miljoen beschikbaar voor innovatie (inclusief € 0,4 miljoen voor visserij van LNV) bij het MKB in Nederland. Hiervan wordt € 25,65 miljoen door de provincies gefinancierd. EZK vult deze provinciale middelen aan met € 32,74 miljoen. Subsidieaanvragen voor MIT-projecten worden in principe door de provinciale besturen in behandeling genomen. Wanneer een R&D samenwerkingsproject bovenregionaal van aard is (dat wil zeggen dat het niet in slechts één provincie plaatsvindt), wordt de subsidieaanvraag doorgestuurd en door de Staatssecretaris van EZK in behandeling genomen. Deze afspraak zorgt er voor dat MIT-subsidieaanvragen in elke regio een eerlijke kans hebben op subsidie. Voor dit zogenoemde landelijke vangnet is in 2021 € 7,65 miljoen beschikbaar (inclusief € 0,4 miljoen voor visserij van LNV en € 2,2 miljoen voor TKI-MKB versterking). Het budget voor het landelijke vangnet is lager dan in voorgaande jaren. Dit is het gevolg van het besluit van de provincies om de totale inhoudelijke reikwijdte van de MIT in behandeling te nemen. EZK heeft hierop meer middelen gedecentraliseerd voor de MIT, waardoor het landelijk vangnet kleiner is geworden.

5. Staatssteun

De MIT-subsidiemodules bevatten staatssteun die, behoudens paragraaf 3.4.3 (MIT- kennisvouchers), wordt gerechtvaardigd door de artikelen 25 en 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening (artikel 3.4.29, eerste lid, van de RNES). Subsidie die krachtens paragraaf 3.4.3 wordt verleend bevatten staatssteun en worden gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening (artikel 3.4.29, tweede lid, van de RNES). De wijziging van de subsidiemodule MIT brengt hierin geen verandering, omdat de voorwaarden van de MIT-subsidiemodule ongewijzigd blijven.

De subsidiemodule TKI MKB-versterking bevat twee soorten categorieën waarvoor subsidie wordt gegeven. Allereerst kan op grond van deze subsidiemodule subsidie worden verleend voor netwerkactiviteiten. Deze subsidie is geen staatssteun (artikel 3.3.11, eerste lid, van de RNES). Ten tweede kan op grond van deze subsidiemodule subsidie worden verleend voor de ondersteuning door innovatiemakelaars. Deze subsidie is staatssteun die wordt gerechtvaardigd door artikel 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening (artikel 3.3.11, tweede lid, van de RNES).

6. Regeldruk

De gevolgen voor de regeldruk zijn door de RVO.nl geactualiseerd onder andere omdat het lagere budget in 2021 zal leiden tot minder aanvragen in het landelijk vangnet. Een concept van deze regeling is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). Het ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

6.1 MIT

De totale administratieve lasten voor de landelijke MIT-subsidiemodule bedragen € 91.500. Dat is 1,81% van het totaal beschikbare subsidiebedrag. Op basis van de realisatie van de instrumenten van vorig jaar is de inschatting van de administratieve lasten voor MIT-haalbaarheidsprojecten € 6.000 (1,5%), de MIT-R&D-samenwerkingsprojecten € 140.700 (1,55%) en de MIT-kennisvouchers € 31.800 (1,91%).

6.2 TKI-MKB versterking

In titel 3.3 van de RNES is de subsidiemodule TKI MKB-versterking opgenomen. Op grond van deze subsidiemodule kunnen TKI's subsidie aanvragen voor netwerkactiviteiten en inhuur van innovatiemakelaars voor het MKB. Met de onderhavige regeling wordt de module voor 2021 opengesteld wat niet leidt tot wijziging van informatieverplichtingen en daarom ook niet tot een toe- of afname van de regeldruk bij de gebruikers van deze subsidiemodule.

Bij een verwacht aantal van 11 aanvragen bedragen de administratieve lasten € 67.210 (3,06%).

7. Vaste verandermomenten

De onderhavige regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant, waarin zij wordt geplaatst. Met de datum van inwerkingtreding wordt afgeweken van de systematiek van de vaste verandermomenten, inhoudende dat ministeriële regelingen met ingang van de eerste dag van een kwartaal in werking treden en twee maanden voordien bekend worden gemaakt. Dat kan in dit geval worden gerechtvaardigd, omdat de doelgroep van deze regeling gebaat is bij spoedige inwerkingtreding.

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, M.C.G. Keijzer