Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)Staatscourant 2021, 1570Besluiten van algemene strekking

Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 5 januari 2021, nummer WBV 2021/1, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

Gelet op de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000;

Besluit:

ARTIKEL I

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf C7/13 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

13. Het asielbeleid ten aanzien van Irak

13.1. Besluitmoratorium

Ten aanzien van Irak geldt geen besluit in de zin van artikel 43, eerste lid, Vw.

13.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

De IND neemt in de regel in ieder geval ten aanzien van de volgende categorieën ‘personal and knowing participation’ in de zin van paragraaf C2/7.10.1 Vc aan:

  • hoofden van de volgende inlichtingen- en veiligheidsdiensten ten tijde van het Baath-regime:

    • a. de Algemene Inlichtingendienst;

    • b. de Militaire Inlichtingendienst;

    • c. de Speciale Veiligheidsdienst;

    • d. de Algemene Veiligheidsdienst; en

    • e. de Militaire Veiligheidsdienst; en

  • officieren van de Speciale Veiligheidsdienst ten tijde van het Baath-regime.

13.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
13.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND merkt Iraakse LHBT’s aan als groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag.

13.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

Geen bijzonderheden.

13.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
13.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

13.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

13.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND merkt uitsluitend de volgende groepen uit Irak (met uitzondering van de Koerdistan Autonome Regio (KAR)) aan als kwetsbare minderheidsgroep:

  • a. christenen;

  • b. mandeeërs;

  • c. jezidi’s;

  • d. joden;

  • e. shabak;

  • f. kaka’i;

  • g. Turkmenen;

  • h. bahai;

  • i. Palestijnen.

Ad.c.

De IND weegt bij de beoordeling van de aannemelijkheid van de vrees het volgende mee:

  • de grootschalige en ernstige mensenrechtenschendingen, waarvan de jezidi minderheid in Irak het slachtoffer is geworden van de zijde van IS vanaf 2014;

  • de algemene kwetsbare situatie waarin deze groep ook sinds het verdrijven van IS gedurende de afgelopen jaren verkeert;

  • mensenrechtenschendingen ten aanzien van betrokkene zelf of in zijn naaste omgeving; en

  • slechte leefomstandigheden, mits ingegeven door discriminatoire feiten en omstandigheden.

Deze afweging kan ertoe leiden dat de IND een beperkte indicatie aanneemt.

De IND merkt bij de beoordeling van de asielaanvraag de KAR niet aan als de gebruikelijke woon- of verblijfplaats voor jezidi’s als deze:

  • afkomstig zijn uit Irak (m.u.v. de KAR);

  • zijn gevlucht naar de KAR; en

  • daar voor hun komst naar Nederland hebben verbleven.

13.4.4. Alleenstaande vrouwen

Aan een alleenstaande vrouw uit Irak (m.u.v. de KAR) verleent de IND in de regel een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw.

Bij de beoordeling of een vrouw in Irak als alleenstaand wordt gezien en op die grond bescherming behoeft, wordt in ieder geval meegewogen dat:

  • 1. zij geen echtgenoot heeft – of geen persoon met wie zij een duurzame relatie heeft – in Irak met wie zij kan gaan samenleven;

  • 2. de gezinsband met haar ouderlijk gezin is verbroken en zij aannemelijk heeft gemaakt dat deze niet kan worden hersteld;

  • 3. er geen familielid of sociaal netwerk is waar de vrouw, gelet op haar individuele omstandigheden, voor opvang en bescherming op terug kan vallen.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan een alleenstaande vrouw als op grond van haar individuele asielrelaas aannemelijk is dat zij geen bescherming op grond van haar alleenstaande status nodig heeft. Hierbij wordt onder andere meegewogen of en hoe zij zich in het verleden zelfstandig heeft kunnen handhaven in het dagelijks leven in het land van herkomst.

13.5. Bescherming
13.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc

De IND neemt aan dat het voor de vreemdeling afkomstig uit Irak (m.u.v. de KAR) in beginsel niet mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties in Irak (m.u.v. de KAR).

De IND neemt aan dat het mogelijk is voor vreemdelingen afkomstig uit de Koerdische Autonome Regio (KAR) de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties.

13.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc

Binnenlands beschermingsalternatief in Irak (m.u.v. de KAR)

De IND beoordeelt of sprake is van concrete aanknopingspunten op basis waarvan geconcludeerd kan worden dat de vreemdeling zich buiten het gebied van herkomst, bijvoorbeeld in de stad Bagdad of andere steden, kan vestigen.

De IND neemt aan dat, in beginsel, in ieder geval voor de volgende categorieën Iraakse asielzoekers die aannemelijk hebben gemaakt te vrezen te hebben voor vervolging dan wel ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw geen sprake is van een binnenlands beschermingsalternatief in andere delen van Irak:

  • minderjarige vreemdelingen die geen familie hebben in het gebied dat als vlucht- of vestigingsalternatief zou gelden; en

  • vreemdelingen die behoren tot een kwetsbare minderheidsgroep als bedoeld in paragraaf C7/13.4.3 Vc.

Binnenlands beschermingsalternatief in de KAR

De IND neemt aan dat een vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt te vrezen te hebben voor vervolging dan wel ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw geen binnenlands beschermingsalternatief heeft in de KAR, tenzij er sprake is van concrete aanknopingspunten op basis waarvan geconcludeerd kan worden dat de vreemdeling zich in de KAR kan vestigen. De IND neemt in ieder geval aan dat de volgende aanknopingspunten de toepassing van een binnenlands beschermingsalternatief in de KAR kunnen rechtvaardigen:

  • de vreemdeling is geboren in de KAR;

  • de vreemdeling staat in de KAR geregistreerd als inwoner;

  • de vreemdeling is afkomstig uit een gebied dat de facto onder het bestuur staat van de Koerdische regionale overheid (KRG); of

  • de vreemdeling heeft familieleden in de KAR.

De IND werpt aan jezidi’s uit Irak de KAR niet als binnenlands beschermingsalternatief tegen, ook niet als de bovengenoemde aanknopingspunten aanwezig zijn.

13.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Irak geldt in ieder geval dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

13.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

13.8. Bijzonderheden

Fayli-Koerden

De IND merkt Fayli-Koerden van wie de Iraakse nationaliteit is ontnomen tijdens het regime van Saddam Hoessein, niet aan als staatloos. De IND neemt aan dat zij de Iraakse nationaliteit hebben.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 5 januari 2021

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, namens deze, J.W.H.M. Beaujean directeur-generaal Migratie

TOELICHTING

Artikelsgewijs

Artikel 13.4.3. en artikel 13.5.2. worden met dit WBV geactualiseerd voor wat betreft het beleid ten aanzien van de jezidi’s. Deze aanvullingen zijn in lijn met het antwoord van Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op de vragen van 1 mei 2019 van het Tweede Kamerlid Van Ojik (GroenLinks) over het uitzetten van jezidi’s en de op 4 juli 2019 in de Tweede Kamer aangenomen Motie Van Toorenburg c.s. over de beoordeling van asielaanvragen van jezidi’s uit Irak. In het geval van jezidi’s die afkomstig zijn uit centraal-Irak en langere tijd in de KAR hebben verbleven, wordt de KAR niet als gebruikelijke regio van herkomst tegengeworpen, nu is gebleken dat zij het aldaar bovengemiddeld zwaar hebben. Er wordt ten aanzien van jezidi’s afkomstig uit centraal-Irak al snel een geringe indicatie aangenomen, gelet op hetgeen deze minderheid sinds 2014 heeft meegemaakt in Irak en hun huidige situatie. Dit specifieke beleid is sindsdien ten uitvoer gelegd, maar was niet eerder in de Vreemdelingencirculaire opgenomen. In overeenstemming met de brief aan de Tweede Kamer van 5 juni 2020 (beleidsreactie ACVZ-Advies Weten en wegen) waarin de Staatssecretaris heeft meegedeeld dat zij het advies van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken zou volgen, onder meer met betrekking tot de transparantie van beleidsrichtlijnen, wordt dit thans in de Vreemdelingencirculaire opgenomen.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, namens deze, J.W.H.M. Beaujean directeur-generaal Migratie