Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2021, 15575Interne regelingen

Besluit van het College voor Toetsen en Examens van 8 februari 2021, nummer CvTE-21.00407, tot vaststelling van het Bestuursreglement College voor Toetsen en Examens (Bestuursreglement College voor Toetsen en Examens)

Het College voor Toetsen en Examens,

Gelet op artikelen 10:3 en 10:9 van de Algemene wet bestuursrecht en 7 van de Wet College voor Toetsen en Examens;

Gezien de goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 23 maart 2021, nummer 27264001,

Besluit:

HOOFDSTUK 1. ORGANISATIE- EN MANDAATREGELING

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

afdelingshoofd:

degene onder wiens directe verantwoordelijkheid de afdeling Nt2, mbo en po (samen Nmp) of vo valt;

college:

het College voor Toetsen en Examens;

clustermanager:

degene onder wiens directe verantwoordelijkheid een cluster valt;

DUO:

Dienst Uitvoering Onderwijs;

kaderwet:

de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen;

lid:

een lid van het College voor Toetsen en Examens, of waar van toepassing zijn plaatsvervanger;

secretaris-directeur:

de directeur als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet en artikel 1, onderdeel h, van het Organisatie en mandaatbesluit OCW 2008;

teamleider:

degene onder wiens directe verantwoordelijkheid het team Bestuur en Organisatie, het team Bedrijfsvoering of het team Communicatie valt;

vaststellingscommissie:

een vaststellingscommissie van het College voor Toetsen en Examens als bedoeld in artikel 1 van de Regeling beoordelingsnormen en bijbehorende scores bij centrale examinering mbo (2015) en artikel 1 van de Regeling beoordelingsnormen en de bijbehorende scores centrale eindtoets PO;

vakcommissie:

een vakcommissie van het College voor Toetsen en Examens als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Regeling beoordelingsnormen en bijbehorende scores centraal examen VO 2015;

voorzitter:

de voorzitter van het College voor Toetsen en Examens;

wet:

de Wet College voor toetsen en examens.

Artikel 2. Mandaat en machtiging

Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van machtiging om in naam van het college handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn.

Artikel 3. Organisatie van het College voor Toetsen en Examens

De organisatie van het bureau van het college wordt vastgesteld overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage 1.

Artikel 4. Voorbehouden aan voorzitter en overige leden

  • 1. De voorzitter heeft mandaat voor al hetgeen het college betreft.

  • 2. Aan de voorzitter is voorbehouden het namens het college ondertekenen van:

    • a. algemeen verbindende voorschriften;

    • b. brieven gericht aan bewindslieden;

    • c. stukken gericht aan de Nationale ombudsman en het College voor de rechten van de mens;

    • d. beslissingen als bedoeld in artikel 12, en

    • e. beslissingen op bezwaar of het indienen van beroepschriften.

  • 3. Aan een lid, niet zijnde de voorzitter, is voorbehouden het namens het college afdoen en ondertekenen van stukken houdende beslissingen op bezwaar of het indienen van beroepschriften, voor zover het besluiten betreft die zijn getekend door de voorzitter.

  • 4. Bij ontstentenis van de voorzitter oefent een van de overige leden diens taken uit. Hij handelt daarbij met het mandaat dat de voorzitter op grond van het eerste en tweede lid heeft.

Artikel 5. Mandaat secretaris-directeur

  • 1. De secretaris-directeur heeft, onverminderd het mandaat aan de voorzitter van het college, mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden voortvloeiend uit zijn functie.

  • 2. Tot de taak van de secretaris-directeur behoort in elk geval:

    • a. het informeren en adviseren van het college;

    • b. het zorgdragen voor de coördinatie van voorbereiding, ontwikkeling en uitvoering van de wettelijke taken van het college;

    • c. het leiding geven aan medewerkers van het bureau van het college, en

    • d. het namens het college afdoen en ondertekenen van stukken.

Artikel 6. Voorbehouden aan de secretaris-directeur

  • 1. Aan de secretaris-directeur is voorbehouden het namens het college afdoen en ondertekenen van stukken houdende de gehele of gedeeltelijke afwijzing van een verzoek om informatie ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur.

  • 2. Een afdelingshoofd of teamleider kan de stukken bij afwezigheid van de secretaris-directeur afdoen en ondertekenen indien daarover afspraken zijn gemaakt tussen de secretaris-directeur en het betreffende afdelingshoofd of teamleider.

Artikel 7. Mandaat afdelingshoofden en clustermanagers

De afdelingshoofden en clustermanagers hebben, onverminderd het mandaat aan de voorzitter en de secretaris-directeur, mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden voortvloeiend uit hun functie.

Artikel 8. Mandaat directeur-generaal DUO

  • 1. Aan de directeur-generaal van DUO wordt mandaat en machtiging verleend tot het nemen van besluiten op grond van de artikelen 2a en, 3, eerste lid, tweede volzin, 6, zevende lid, en 33, eerste lid van het Staatsexamenbesluit VO, de artikelen 2a en 3, eerste lid, tweede volzin van het Staatsexamenbesluit VO BES, en de artikelen 4, eerste lid, en 9, eerste en tweede lid, en 20 van het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal, de artikelen 3, 8, tweede lid, en 19 van het Staatsexamenbesluit Nederlands als vreemde taal BES en de Wet openbaarheid van bestuur over informatie die verband houdt met de uitvoering van deze bevoegdheid.

  • 2. Aan de directeur-generaal van DUO wordt mandaat en machtiging verleend tot het nemen van besluiten en het verrichten van alle benodigde handelingen die betrekking hebben op bezwaar-, en (hoger) beroepsprocedures en klachten, voor zover deze verband houden met de uitoefening van de bevoegdheden, met dien verstande dat hij geen besluit neemt op een bezwaarschrift tegen een besluit dat hij in mandaat heeft genomen.

  • 3. De directeur-generaal van DUO kan zijn bevoegdheden, genoemd in het eerste en tweede lid, in een door hem te bepalen omvang mandateren aan onder hem ressorterende functionarissen, met dien verstande dat hij geen mandaat verleent tot het nemen van besluiten op bezwaar aan dezelfde functionaris aan wie mandaat is verleend tot het nemen van het besluit waartegen het bezwaarschrift zich richt.

  • 4. Alvorens wordt beslist op een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur, dan wel op een bezwaarschrift, treedt de directeur-generaal van DUO in overleg met de secretaris-directeur.

Artikel 9. Mandaat vaststellingscommissies en vakcommissies

  • 1. De vaststellingscommissie of de vakcommissie heeft mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden met betrekking tot haar taak.

  • 2. Tot de taak van de vaststellingscommissie behoort in ieder geval het vaststellen van de opgaven en het vaststellen van de correctievoorschriften als bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdeel b, vijfde lid, onderdeel b, zesde lid, onderdelen c en d, van de wet, en artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB.

  • 3. Tot de taak van de vakcommissie behoort in ieder geval het vaststellen van de opgaven en het vaststellen van de correctievoorschriften als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Wet College voor toetsen en examens.

  • 4. De voorzitter van het college kan, nadat hij de voorzitter van de betreffende vaststellingscommissie of vakcommissie heeft gehoord, beslissen dat een of meer opgaven worden geneutraliseerd.

HOOFDSTUK 2. WERKWIJZE EN PROCEDURES

Artikel 10. Vergaderingen

  • 1. Het college vergadert ten minste vijf maal per jaar en voorts wanneer een van de leden daarom verzoekt.

  • 2. De secretaris-directeur draagt er zorg voor dat uitnodiging, agenda en stukken ten minste twee weken voor de vergadering worden verzonden aan de leden en de plaatsvervangende leden.

  • 3. Een lid deelt tijdig mee aan de voorzitter of secretaris-directeur wanneer hij vervangen wordt door een plaatsvervangend lid.

  • 4. Vergaderingen kunnen ook telefonisch of via het internet plaatsvinden.

  • 5. De voorzitter kan degene die niet lid is van het college toelaten tot een vergadering of een gedeelte daarvan.

  • 6. De secretaris-directeur draagt er zorg voor dat de leden uiterlijk een week na de vergadering het conceptverslag en de besluitenlijst ontvangen.

  • 7. Vergaderingen zijn niet openbaar.

Artikel 11. Besluitvorming

  • 1. Ieder lid heeft het recht een voorstel te doen om een beslissing te nemen.

  • 2. Een voorstel om een beslissing te nemen wordt ten minste een week voordat het besproken wordt, schriftelijk aan de leden ter kennis gebracht.

  • 3. Een voorstel voor een beslissing is aangenomen als meer dan de helft van de leden voor het besluit heeft gestemd.

  • 4. Plaatsvervangende leden hebben stemrecht als het lid dat zij vervangen zijn afwezigheid aan de voorzitter heeft meegedeeld, dan wel als dat lid daartoe niet in staat is.

  • 5. Voor de bepaling van het aantal leden geldt het aantal leden dat in functie is, verminderd met het aantal leden dat zijn functie niet kan uitoefenen, waarvan ook de plaatsvervanger hen niet kan vervangen.

  • 6. Stemmen kan tijdens een bijeenkomst, telefonisch of via het internet.

  • 7. In spoedeisende gevallen kan de voorzitter besluiten van dit artikel af te wijken en bepalen op welke wijze een beslissing genomen wordt.

Artikel 12. Beslissingen van het college

  • 1. Het college stelt, zo mogelijk met algemeen goedvinden, de volgende stukken in een vergadering vast:

    • a. het werkprogramma, bedoeld in artikel 8 van de wet,

    • b. het bestuursreglement, bedoeld in artikel 7 van de wet,

    • c. het jaarverslag, bedoeld in artikel 18 van de kaderwet, en

    • d. de klachtenprocedure, bedoeld in artikel 16.

  • 2. Het college neemt voorts de volgende beslissingen of verricht de volgende handelingen:

    • a. de instemming met mandaatverlening, bedoeld in artikel 8 van de kaderwet,

    • b. de wijze van uitoefenen van andere door de minister opgedragen taken, bedoeld in artikel 2, zesde lid, onderdeel c, van de wet,

    • c. het voeren van het overleg met de minister over zijn voornemen om op grond van artikel 22 van de kaderwet een besluit van het college te vernietigen, en

    • d. het voeren van het overleg met de minister over een tijdelijke voorziening als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de kaderwet.

HOOFDSTUK 3. KLACHTEN

Artikel 13. Reikwijdte

De artikelen 14 tot en met 17 zijn van toepassing op de behandeling van de klachten, bedoeld in artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 14. Klachtbehandeling

  • 1. De behandeling van de klacht geschiedt door een persoon die niet bij de gedraging waarop de klacht betrekking heeft, betrokken is geweest.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de klacht betrekking heeft op een gedraging van het college zelf dan wel de voorzitter of een lid ervan.

Artikel 15. Klachtafdoening

Een klacht wordt onverlet artikel 8, tweede lid, afgedaan door de secretaris-directeur, tenzij de klacht naar aard of inhoud een zodanig gewicht heeft dat de voorzitter deze behoort af te doen.

Artikel 16. Klachtregistratie

De secretaris-directeur draagt zorg voor de registratie van de klachten. Een overzicht van de geregistreerde klachten wordt gepubliceerd in het jaarverslag.

Artikel 17. Klachtenprocedure

Het college stelt een procedure vast voor de behandeling en afdoening van klachten.

HOOFDSTUK 4. INTEGRITEIT

Artikel 18. Nevenfuncties leden

Met nevenfuncties van een lid die ongewenst zijn voor een goede vervulling van zijn taak, als bedoeld in artikel 13 van de kaderwet, worden in elk geval bedoeld:

  • a. bestuurlijke taken bij een organisatie die betrokken is bij de uitvoering van wettelijke taken van het College, en

  • b. bestuurlijke verbondenheid aan een organisatie die betrokken is bij de uitvoering van wettelijke taken van het College.

HOOFDSTUK 5. SLOTBEPALINGEN

Artikel 19. Intrekking eerder bestuursreglement

Het Bestuursreglement College voor Toetsen en Examens wordt ingetrokken.

Artikel 20. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Artikel 21. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Bestuursreglement College voor Toetsen en Examens.

Dit besluit zal met de bijbehorende toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De leden van het College voor Toetsen en Examens, P.J.J. Hendrikse, voorzitter

T.G.M. Bekker, lid

H. de Deugd, lid

L.S.J.M. Henkens, lid

A.M.L. Jansen, lid

A. Kaim-Lamers, Lid

MEd Y. van Zijl, lid

BIJLAGE. ORGANISATIE VAN HET COLLEGE VOOR TOETSEN EN EXAMENS ALS BEDOELD IN ARTIKEL 3

Samenstelling College voor Toetsen en Examens

Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) bestaat uit ten minste zes en maximaal acht leden onder wie een voorzitter. Voor ieder van de leden is een plaatsvervanger benoemd. Het plaatsvervangend lid treedt in de plaats van het lid bij diens ontstentenis of belet en heeft alsdan stemrecht bij de besluitvorming door het college.

Organisatie van het bureau

Het College voor Toetsen en Examens is ingesteld bij wet. Het college wordt ondersteund door het bureau van het College voor Toetsen en Examens. De stafteams en afdelingen staan onder directe leiding van de secretaris-directeur. Het managementteam van het CvTE bestaat uit de secretaris-directeur en de twee afdelingshoofden. Er zijn agendastoelen voor de teamleiders.

Afdelingen en stafteams

Het CvTE bestaat uit twee inhoudelijke afdelingen waarin alle toetsen en examens waarvoor het CvTE verantwoordelijk is, zijn ondergebracht: de afdeling vo (voortgezet onderwijs) en de afdeling Nmp (Staatsexamens Nt2, mbo en po). Daarnaast zijn er drie ondersteunende stafteams.

Afdelingen

Er zijn twee afdelingshoofden. Ieder van hen is verantwoordelijk voor één afdeling. De afdelingshoofden kunnen elkaar (tijdelijk) vervangen. De afdeling vo is ontstaan uit een samenvoeging van de teams havo/vwo, vmbo en Staatsexamens vo. De afdeling Nmp is ontstaan uit een samenvoeging van de sectorale teams Staatsexamens Nt2, mbo en po.

De inhoudelijke afdelingen bestaan uit clusters. Een cluster wordt geleid door een clustermanager, die verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van de examens in het cluster en daarnaast voor een of meer thema’s (bv. regelgeving, logistiek of digitalisering) al dan niet georganiseerd in een thematisch werkverband. Een clustermanager stuurt één of meer vaststellings- of vakcommissies aan, voert de regie over de ontwikkeling van (nieuwe) examens en de implementatie van vernieuwingen binnen het eigen cluster van vakken en de examencyclus binnen het eigen cluster.

Daarnaast werken binnen de afdelingen een of meer programmamanagers. De programmamanager is een clustermanager, maar dan met een sectorbrede of -overstijgende verantwoordelijkheid voor een complex aan taken en projecten die op grond van hun complexiteit en impact van tactisch belang zijn voor de bredere organisatie van het CvTE.

Voor elk van de sectoren (vo, mbo, Nt2 en po) is een cluster-/programmamanager verantwoordelijk voor de normering:

  • Het adviseren van het College over eventuele aanpassingen aan de Regeling omzetting scores in cijfers.

  • Het vaststellen van aanvullende regels en afspraken voor het bepalen van de normering.

  • Het per examen/toets vaststellen van de uitgangspunten voor de normering.

  • Het voorbereiden van de normering op basis van de analyses van stichting Cito of overige op basis van openbare aanbesteding betrokkenen zoals Bureau-ICE en Cito-BV.

  • Het vaststellen van de normering per examen/toets namens het College.

De clustermanagers met de aandachtsgebieden Leerlingen met een beperking en het Caribisch gebied vallen binnen de afdeling vo.

Stafteams

De teamleiders van de teams Bestuur & Ondersteuning (B&O), Bedrijfsvoering en Communicatie vallen rechtstreeks onder de secretaris-directeur en hebben op hun beurt naast de functionele ook de formeel-hiërarchische verantwoordelijkheid voor de medewerkers binnen hun team, ook op basis van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008.

Het team Bestuur & Ondersteuning valt onder aansturing van de directiesecretaris en richt zich op de ondersteuning van College en directie. De combinatie van secretariaat, juridische advisering en digitalisering in één team onder aansturing van de directiesecretaris betekent een bundeling van functies waarmee het bestuur wordt ondersteund.

Het team Communicatie is verantwoordelijk voor de (uitvoering van de) algehele, corporate communicatie van het CvTE en voor nieuw te ontwikkelen strategieën, middelen en kanalen. De ontwikkeling/aanpassing van strategieën vindt plaats in afstemming met het MT en waar van toepassing met het College. Het Klantcontactteam maakt onderdeel uit van het team Communicatie. Klantgerichte dienstverlening, klantbeheer en externe betrekkingen vormen de gemeenschappelijke deler. De coördinator Klantcontact stuurt de medewerker Klantcontact functioneel aan.

Het team Bedrijfsvoering ondersteunt in brede administratieve zin het College, het bureau en de commissiestructuur. Het team verricht taken op het gebied van administratie, financiën, HRM, ICT, inkopen, huisvesting. Het team wordt aangestuurd door de teamleider bedrijfsvoering, die als lijnmanager de secretaris-directeur kan vervangen in P-direkt.

Organisatie van vaststellings- en vakcommissies

Een belangrijk deel van de bevoegdheden van het College wordt in mandaat uitgevoerd door de medewerkers van het bureau en de commissies waarin medewerkers van het bureau, naast docenten en andere deskundigen, zitting hebben.

Het College stelt verschillende soorten commissies in die onder meer de ontwikkeling van de centrale examens en toetsen Nederlandse taal en rekenen sturen en begeleiden: syllabuscommissies of toetswijzercommissies, en vaststellingscommissies of vakcommissie. Voor ieder van de onderwijssectoren is een commissie ingesteld. De syllabuscommissies of toetswijzercommissies beschrijven in syllabi of toetswijzers hoe de examens en toetsen er de komende jaren uit moeten zien. Deze commissies worden bemenst door docenten en andere experts uit de desbetreffende sectoren op voordracht van bonden of sectorraden. Daarnaast zitten er in verschillende commissies waarnemers uit andere sectoren in de commissies. Toetsdeskundigen van Cito vervullen een adviserende rol voor bovengenoemde commissies. De vaststellingscommissies (voor po en mbo) en vakcommissies (voor vo) stellen de examens en de toetsen vast en adviseren het College bij de normering ervan.

Een vaststellings- of vakcommissie stelt items (mbo en Nt2),examens (vo en Nt2) of toetsen (po) vast voor het betreffende vak. De commissie adviseert over de normering van de centrale examens. Zij adviseert over de constructie-opdracht aan Cito voor de centrale examens en geeft de syllabuscommissie gevraagd en ongevraagd advies over de inhoud van de syllabus in het vo. Voor Nt2 adviseert de commissie tevens over de cesuurbepaling.

Met het instellen van het College voor examens in 2009 (Wet College voor examens, Stb.2009, 93), zijn de hoofdtaken van de Centrale examencommissie vaststelling opgaven, staatsexamencommissies VO en Nt2 in opgedragen aan het college. De staatsexamencommissies voor zowel de staatsexamens Nt2 als voor het vo als bedoeld in de wet zijn toen opgehouden te bestaan. Een deel van de structuur is evenwel behouden. De vaststellingscommissies ingesteld voor het staatsexamen vo, onderscheidenlijk het staatsexamen Nt2, zijn nu verantwoordelijk voor het vaststellen van de opgaven, items en college-examens van de staatsexamens. Zij doen hetzelfde als de (andere) vaststellingscommissie en hebben tevens het mandaat om onder meer te beslissen tot het nemen van maatregelen naar aanleiding van onregelmatigheden. Tevens beoordelen de commissies het werk, stellen zij het resultaat vast en beslissen zij op verzoeken om een afwijkende wijze van examinering.

TOELICHTING

Algemeen

Met de vaststelling van dit bestuursreglement wordt voldaan aan de verplichting die artikel 7 van de Wet College voor toetsen en examens aan het College oplegt. Het reglement is ter goedkeuring aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voorgelegd en de goedkeuring is op 23 maart 2021 verkregen. Dit Bestuursreglement College voor Toetsen en Examens is een actualisatie van het voorgaande Bestuursreglement College voor Toetsen en Examens van 9 februari 2015.

In hoofdstuk 1 van het reglement wordt de organisatie van het College nader uitgewerkt en wordt het mandaat onderscheidenlijk de machtiging andere handelingen dan rechtshandelingen te verrichten namens het College, geregeld voor de onder de verantwoordelijkheid van het College werkzame functionarissen. Voor een aantal taken mag op grond van de Algemene wet bestuursrecht geen mandaat worden verleend, deze zijn aan het College voorbehouden. Dit betreft het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften (art. 10:3, tweede lid, onderdeel a Awb) en het beslissen over bezwaren en het instellen van beroep (art  10:3, derde lid Awb). Ook het rechtstreeks met bewindspersonen in contact treden is aan het College voorbehouden.

Het College wordt ondersteund door het bureau, waaraan al datgene wat niet voorbehouden is aan het College of de voorzitter van het College is gemandateerd. De medewerkers van het bureau gaan een arbeidsovereenkomst aan met de minister. De minister wijzigt of beëindigt deze overeenkomsten uitsluitend na overleg met de voorzitter van het College. De medewerkers van het bureau vallen onder het gezag van het College en leggen over werkzaamheden uitsluitend aan het College verantwoording af.

De medewerkers van het bureau ontvangen naast het mandaat als in dit besluit een mandaat op grond van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008. In artikel 2, onderdeel a, van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008 wordt hen volmacht verleend om privaatrechtelijke rechtshandelingen namens de minister te verrichten. In artikel 9 van Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008 wordt in het bijzonder het mandaat van de secretaris-directeur van het bureau geregeld en in artikel 14, vierde lid, Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008 dat voor wat betreft personeelsaangelegenheden.

Het volmacht van afdelingshoofden en teamleiders om namens de minister privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten wordt beperkt tot verplichtingen op basis van het door het College vastgestelde werkprogramma en de budgetten die daarin voor hun afdeling of team voor dat jaar zijn vastgesteld. Verplichtingen groter dan 15.000 euro (inclusief btw) en welke geen onderdeel uitmaken van de raamovereenkomsten die eerder voor het College overeen zijn gekomen, worden tot stand gebracht met tussenkomst van het Inkoop en Uitvoeringscentrum Noord (IUC-Noord) van DUO. Indien en voor zover sprake is van een aanbesteding in de zin van de Aanbestedingswet 2012 is uitsluitend de secretaris-directeur bevoegd de opdracht te gunnen.

Hoofdstuk 2 regelt de werkwijze van het College.

Hoofdstuk 3 regelt onverlet hoofdstuk 9 van de Awb, de hoofdzaken voor de klachtenafhandeling, die verder is geregeld in een klachtenprocedure.

Hoofdstuk 4 geeft beperkt regels voor de integriteit van de leden van het College. Voor het stellen van regels aan integriteit van ambtenaren is met de invoering van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren en de inwerkingtreding van de Ambtenarenwet 2017 geen ruimte meer, althans niet op het niveau van de overheidswerkgever, in dit geval de staat, noch op het niveau van het zelfstandig bestuursorgaan. Wel is er ruimte voor het voeren van integriteitsbeleid.

Artikelsgewijs

Artikel 2

De machtiging om namens het College handelingen te verrichten die niet zijn tevens een rechtshandeling, wordt op gelijke wijze geregeld als het mandaat om bestuursrechtelijke rechtshandelingen te verrichten. Omdat het College een zelfstandig bestuursorgaan is zonder rechtspersoonlijkheid en niet beschikt over de volmacht om de Staat der Nederlanden te vertegenwoordigen kan het geen privaatrechtelijke overeenkomsten aangaan. Van het op vergelijkbare wijze regelen van een volmacht om ook privaatrechtelijke bevoegdheden te verrichten namens het College of namens de minister kan in dit reglement dus geen sprake zijn.

Artikel 4

Het College stelt de volgende algemeen verbindende voorschriften vast:

(voor de centrale examens van de eindexamens en van de staatsexamens vo; art 2, tweede en vijfde lid van de wet)

  • beoordelingsnormen en de daarbij behorende scores

  • regels voor de omzetting van de scores in cijfers

  • syllabi

  • regels met betrekking tot de hulpmiddelen die gebruikt mogen worden bij het maken van de opgaven

(voor de staatsexamens vo; art. 2, derde en vierde lid Wet College voor toetsen en examens)

  • het examenreglement

  • het programma van toetsing en afsluiting

  • de beoordelingsnormen van de college-examens

(voor de staatsexamen Nederlands als tweede taal; art 2, derde en vijfde lid, van de wet)

  • het examenprogramma

  • het examenreglement

  • de beoordelingsnormen

(voor de centrale examens mbo; art 3 van de wet)

  • beoordelingsnormen en de daarbij behorende scores

  • regels voor de omzetting van de scores in cijfers

  • syllabi

  • regels met betrekking tot de hulpmiddelen die gebruikt mogen worden bij het maken van de opgaven

  • het geven van regels voor een aangepaste wijze of vorm van examineren bij deelnemers met een handicap rekening houdend met de aard van de handicap

  • het geven van regels voor digitale examinering

  • examenprotocol

(voor de centrale eindtoets primair onderwijs; art 2, zesde lid van de wet)

  • beoordelingsnormen en de daarbij behorende scores

  • de toetswijzer

  • regels met betrekking tot de hulpmiddelen die gebruikt mogen worden bij het maken van de toets

Deze algemeen verbindende voorschriften hebben veelal een sterk toets/examen-technisch karakter, en het tweede lid geeft de voorzitter de bevoegdheid deze met zijn handtekening vast te stellen.

Bij het vierde lid:

Klachten en bezwaren die specifiek te maken hebben met het afnemen van staatsexamens vo en Nt2, bijvoorbeeld een bezwaar tegen een besluit een kandidaat die te laat komt niet tot de examenzaal toe te laten, hoeven niet door collegeleden te worden behandeld, maar kunnen op lager niveau worden afgedaan

Artikel 5

De secretaris-directeur draagt als hoofd van het bureau zorg voor de voorbereiding van al de stukken die het College moet afdoen en de beslissingen die het College moet nemen. Dat zijn de stukken bedoeld in artikel 4 en de beslissingen genoemd in artikel 12.

Verder draagt de secretaris-directeur zorg voor de uitvoering van een groot deel van de taak van het College

  • hij draagt zorg voor de totstandbrenging van de opgaven, en stelt daartoe commissies in;

  • hij draagt zorg voor het organiseren, afnemen en beoordelen van de staatsexamens; ook hiertoe kan de directeur commissies instellen;

  • hij draagt zorg voor de benoeming van de examenbetrokkenen bij de staatsexamens;

  • hij voert de taken uit die de kaderwet een ZBO oplegt, voor zover deze uitvoering niet is voorbehouden aan het College.

Artikel 8

Bij het eerste lid:

Met DUO is het volgende mandaat afgestemd. Het College is ook verantwoordelijk voor het afnemen van de staatsexamens vo en Nt2. Het beschikt over vergelijkbare bevoegdheden als een bevoegd gezag in de zin van de onderwijswetten voor wat betreft onder meer het toelaten tot het examen, nemen van maatregelen indien de kandidaat niet aanwezig is of het beslissen over de afwijkende wijze van afname in het geval een kandidaat een beperking heeft. DUO ondersteunt het College bij de uitvoering van de staatsexamens vo en Nt2, en voert deze bevoegdheden in mandaat uit namens het College. Ook ontvangt de dienst het mandaat om te besluiten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur indien informatie wordt gevraagd over bestuurlijke aangelegenheden die betrekking hebben op het mandaat van de dienst. Onze minister, althans zijn uitvoeringsorganisatie, krijgt reeds op grond van artikel 3, eerste lid van het Staatsexamenbesluit VO de taak uitvoering te geven aan de aanmeldprocedure die vast wordt gesteld door het College voor Toetsen en Examens. Bij die uitvoerende taak hoort tevens het mandaat om namens het College te mogen beslissen over toelating.

Bij het tweede lid:

Eventuele beslissingen op bezwaar en de beslissing tot het instellen van beroep en hoger beroep, alsmede alle handelingen die in dit kader moeten worden verricht, worden eveneens door de dienst in mandaat genomen of met een machtiging uitgevoerd. Ook klachten over de uitvoering door DUO kunnen door de dienst worden afgedaan.

Bij het vierde lid:

DUO treedt, alvorens het beslist op een verzoek op basis van de Wet openbaarheid van bestuur of op een bezwaar, in overleg met het College.

Artikel 9

De centrale toetsen en examens moeten goed aansluiten bij de onderwijspraktijk. Daarom stelt het College commissies in van vakdocenten. Voor ieder examenvak en voor ieder niveau van het vak is er een vaststellings- of vakcommissie. Onder voorzitterschap van deskundigen uit het aansluitend vervolgonderwijs, zijn deze commissies verantwoordelijk voor het ontwikkelen en vaststellen van de toetsen en examens. De vaststellingscommissie en vakcommissies stellen namens het College de toets- en examenopgaven vast.

Op grond van artikel 60 van de Wet op het voortgezet onderwijs is het de taak en de bevoegdheid van het college om staatsexamens aan te bieden. Vergelijkbaar met het bevoegd gezag bedoeld in de zin van de onderwijswetten krijgt het bevoegdheden zoals die voor het toelaten tot het examen en het nemen van maatregelen bij onregelmatigheden bij de afname. DUO heeft het mandaat ontvangen te besluiten in de meest voorkomende gevallen. De vaststellingscommissies voor de staatsexamens vo en Nt2 zijn verantwoordelijk voor de uitvoering en de afname van de staatsexamens namens het college. Zij stellen onder meer de opgaven, de college-examens en de beoordeling vast van de staatsexamens namens het College.

Artikel 11

De termijn van één week in het tweede lid heeft als effect dat een lid nog een voorstel tot een besluit kan doen, na ontvangst van de stukken, dat minstens één week eerder is. Als het College effectief 7 leden heeft zijn er 4 stemmen voor nodig om een besluit tot stand te brengen. Soms kunnen zich zeer spoedeisende gevallen voordoen, waarover onmiddellijk een besluit moet worden genomen. Het zevende lid geeft de voorzitter de bevoegdheid dan naar bevind van zaken te handelen.

Artikel 13

Een ieder kan een klacht indienen bij het College over gedragingen door of namens het College jegens iemand in een bepaalde aangelegenheid. Het indienen van een klacht kan in voorkomende gevallen de enige manier zijn om op te komen tegen het handelen van het College, nu het voor een belangrijk deel van zijn gedragingen uitvoering geeft aan de wettelijke taak om examen- en toetsopgaven vast te stellen, beoordelingsnormen vast te stellen of examens af te nemen. Er is immers geen beroep en dus ook geen bezwaar mogelijk tegen een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor die examinering of toetsing. Een klacht kan evenwel geen afbreuk doen aan de formele rechtskracht van de besluiten van het College.

Artikel 19

Op grond van artikel 3 van de Ambtenarenwet 2017 wordt geen arbeidsovereenkomst gesloten met de leden van het College, waardoor de regels over integriteit als in die wet niet gelden voor leden van het College. De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen geeft een regeling voor de nevenfuncties van leden van een zelfstandig bestuursorgaan. Nevenfuncties die in ieder geval leiden tot een ongewenste belangenverstrengeling zijn die aangegaan met of die met nauwe relatie tot Stichting Cito, Cito B.V. of andere ketenpartners.

De leden van het College voor Toetsen en Examens P.J.J. Hendrikse, voorzitter

T.G.M. Bekker, lid

H. de Deugd, lid

L.S.J.M. Henkens, lid

A.M.L. Jansen, lid

A. Kaim-Lamers, lid