Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 18 maart 2021, kenmerk 1841500-219118-S, houdende het verstrekken van een specifieke uitkering voor de instandhouding van zwembaden en ijsbanen in verband met COVID-19 (Regeling specifieke uitkering zwembaden en ijsbanen COVID-19)

De Minister voor Medische Zorg,

Gelet op artikel 3 en 5 van de Kaderwet VWS-subsidies;

Besluit:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1. Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

exploitatietekort 2020:

verschil tussen het totaal van de exploitatiekosten en het totaal van de exploitatie-opbrengsten zoals blijkt uit de winst- en verliesrekening van het kalenderjaar 2020;

ijsbaan:

een van de in totaal 24 kunstijsbanen in Nederland;

minister:

de Minister voor Medische Zorg;

winst- en verliesrekening:

de winst- en verliesrekening met toelichting die hoort bij de jaarrekening, bedoeld in artikel 361 van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

zwembad:

zwembad dat van de gemeente direct of indirect een doorlopende exploitatiebijdrage ontvangt.

Artikel 1.2. Toepasselijkheid Kaderregeling en Awb

  • 1. Op deze regeling is de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS niet van toepassing, met uitzondering van hoofdstuk 5.

  • 2. Op deze regeling zijn de artikelen 4:5, 4:25, 4:35, 4:46, 4:48 tot en met 4:50, 4:56 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 2. SPECIFIEKE UITKERING ZWEMBADEN EN IJSBANEN COVID-19, 2020

Artikel 2.1. Activiteiten waarvoor een specifieke uitkering kan worden verstrekt

  • 1. De minister kan op aanvraag een specifieke uitkering verstrekken aan een gemeente voor de compensatie van het exploitatietekort 2020 waarmee een zwembad of een ijsbaan is geconfronteerd als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19.

  • 2. Een specifieke uitkering wordt uitsluitend verstrekt indien de gemeente het daadwerkelijke exploitatietekort van een zwembad of ijsbaan compenseert.

  • 3. Een gemeente komt slechts eenmaal in aanmerking voor een specifieke uitkering op grond van hoofdstuk 2.

Artikel 2.2. Hoogte van de specifieke uitkering en uitkeringsplafond

  • 1. De hoogte van de specifieke uitkering is afhankelijk van het totaal van de gerealiseerde uitgaven of gederfde inkomsten van een gemeente in verband met de activiteiten, bedoeld in artikel 2.1, eerste en tweede lid.

  • 2. Het uitkeringsplafond voor hoofdstuk 2 bedraagt € 100.000.000.

  • 3. Indien het totaal aangevraagde bedrag het uit hoofde van het uitkeringsplafond beschikbare bedrag, bedoeld in het tweede lid, overschrijdt, wordt het totaal beschikbare bedrag naar rato verdeeld over de aanvragen die in de aanvraagperiode zijn ontvangen.

Artikel 2.3. Aanvraag tot verlening

  • 1. Een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, wordt op aanvraag verstrekt.

  • 2. Een aanvraag tot verlening van een specifieke uitkering kan door de gemeente worden ingediend in de periode van 1 april 2021 tot 1 juni 2021.

  • 3. De minister kan vrijstelling verlenen van de termijn, bedoeld in het tweede lid.

  • 4. Voor een aanvraag tot verlening van een specifieke uitkering wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.

  • 5. Een aanvraag tot verlening van een specifieke uitkering bevat in ieder geval:

    • a. een overzicht van de uitgaven of gederfde inkomsten per zwembad of ijsbaan die zijn gerealiseerd of nog gerealiseerd gaan worden in verband met de activiteiten, bedoeld in artikel 2.1, eerste en tweede lid;

    • b. een overzicht van de exploitatiebijdrage per zwembad of ijsbaan die door een gemeente in het jaar 2020 is verstrekt; en

    • c. een onderbouwing van de bedragen, bedoeld onder a en b.

  • 6. De aanvraag tot verlening van een specifieke uitkering wordt ondertekend door het bevoegd gezag van de gemeente.

Artikel 2.4. Verlening

  • 1. De minister beslist binnen 13 weken na sluiting van de aanvraagtermijn, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, op een aanvraag tot verlening van een specifieke uitkering.

  • 2. Bij toepassing van artikel 2.3, derde lid, beslist de minister binnen 13 weken na sluiting van de aanvraagtermijn waarvoor vrijstelling is verleend.

  • 3. Het besluit tot verlening vermeldt in elk geval de ijsbanen en zwembaden waarvoor met behulp van de specifieke uitkering compensatie wordt verleend, het bedrag van de specifieke uitkering, de periode waarvoor de specifieke uitkering wordt verleend en de wijze waarop de verantwoording plaatsvindt.

  • 4. De minister verleent bij het besluit tot verlening van de specifieke uitkering een voorschot van 100% dat in één keer wordt betaald.

Artikel 2.5. Verantwoording

De gemeente legt verantwoording af over de besteding van de specifieke uitkering op de wijze bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

Artikel 2.6. Vaststelling

  • 1. De minister besluit uiterlijk 37 weken na ontvangst van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 2.5, over de vaststelling van de specifieke uitkering.

  • 2. Indien de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verleend zijn verricht en daarnaast volledig is voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen die verbonden zijn aan de specifieke uitkering, wordt de specifieke uitkering vastgesteld op het bedrag dat bestaat uit de gerealiseerde uitgaven of gederfde inkomsten, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, tot ten hoogste het in de verleningsbeschikking genoemde bedrag.

HOOFDSTUK 3. SLOTBEPALINGEN

Artikel 3.1. Hardheidsclausule

De minister kan een of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 3.2. Inwerkingtreding en vervaldatum

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2021 en vervalt met ingang van 31 december 2022.

Artikel 3.3. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering zwembaden en ijsbanen COVID-19.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Medische Zorg, T. van Ark

TOELICHING

Algemeen

Aanleiding

In verband met de COVID-19 maatregelen is het voor de zwembaden en ijsbanen niet mogelijk geweest om in 2020 de normale bedrijfsvoering te voeren. De bedrijfsvoering van zwembaden en ijsbanen is voor een groot deel gebaseerd op omzet door grootschalig bezoek. Het bezoek is in verband met de COVID-19 maatregelen (grotendeels) weggevallen. Dit heeft een dusdanig negatieve impact op de financiële situatie van zwembaden en ijsbanen dat de rijksbrede steunmaatregelen, zoals de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (hierna: TVL) en de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (hierna: NOW), niet voldoende zijn om de exploitanten het hoofd boven water te laten houden. De financiële problemen van zwembaden en ijsbanen zijn niet structureel, maar direct gerelateerd aan de COVID-19 maatregelen. Zwembaden en ijsbanen zijn daarnaast een essentieel onderdeel van de basisinfrastructuur van de sport. Om dit onderdeel van de basisinfrastructuur te behouden is tijdelijke financiële hulp noodzakelijk. Zonder compensatie van de overheid – in brede zin – loopt de exploitatie van zwembaden en ijsbanen gevaar.

Om sluiting van de zwembaden en ijsbanen te voorkomen, is door de Minister voor Medische Zorg en Sport (hierna: de minister) besloten een specifieke uitkering te verstrekken aan gemeenten waarmee zij de exploitanten van zwembaden en ijsbanen kunnen ondersteunen.

Op grond van de Regeling specifieke uitkering zwembaden en ijsbanen COVID-19 (hierna: regeling) kan een specifieke uitkering worden verstrekt aan gemeenten voor de compensatie van het exploitatietekort dat een zwembad of een ijsbaan in het kalenderjaar 2020 heeft geleden als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19. De gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de manier waarop zij de zwembaden en ijsbanen ondersteunen. Daarbij wordt als enige voorwaarde gesteld dat de financiële steun voor de zwembaden en ijsbanen wordt ingezet om het daadwerkelijke exploitatietekort te compenseren. De specifieke uitkering die op basis van onderhavige regeling wordt verstrekt, mag dus niet leiden tot financiële steun van gemeenten waarmee de zwembaden en ijsbanen tot een positief resultaat op de winst- en verliesrekening van een bepaalde periode komen.

Opzet

De ruim 660 zwembaden in Nederland die openbaar toegankelijk zijn, worden door gemeenten zelf geëxploiteerd of door een private exploitant. Wanneer de gemeente zelf het zwembad exploiteert, hebben zij in de begroting de kosten hiervan inzichtelijk gemaakt.

Wanneer een private exploitant het zwembad exploiteert namens de gemeente, heeft de gemeente met deze exploitant vaak twee financiële relaties. De eerste financiële relatie is een exploitatiebijdrage van de gemeente voor de private exploitant. Een zwembad kost per definitie meer dan het oplevert. De exploitatiebijdrage van de gemeente is bedoeld om dit verschil te dekken en daarmee valt er jaarlijks voor de exploitant bij een slimme en goede exploitatie een kleine winst te behalen. Daar tegenover staat een huursom die de exploitant aan de gemeente moet betalen.

Er is gekozen voor het verstrekken van een specifieke uitkering, omdat dit de gemeenten de mogelijkheid geeft om naar eigen inzicht te handelen en daarbij naast een aanvullende subsidie, een huurkorting aan te kunnen bieden aan de exploitanten. Deze huurkorting past binnen het bredere kader van de steunmaatregelen die rijksbreed aan worden geboden.

Een huurverlaging of -kwijtschelding kwalificeert niet als omzet voor de NOW. De huurverlaging of -kwijtschelding ziet op de kosten voor de bedrijfsvoering, niet op de reguliere manier van inkomsten verwerven (voor ijsbanen en zwembaden: de verkoop van entreekaarten). Daarom kan de NOW die is aangevraagd door de exploitanten van zwembaden en ijsbanen behouden blijven en in mindering worden gebracht op het negatieve resultaat op de winst- en verliesrekening.

Gevolgen voor de regeldruk

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen gevolgen voor de regeldruk van burgers en bedrijven heeft. Het heeft uitsluitend gevolgen voor gemeenten.

Staatssteun

Er is sprake van staatssteun als aan de volgende vijf cumulatieve criteria is voldaan:

  • De steun wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht;

  • De steun wordt met staatsmiddelen bekostigd;

  • De staatsmiddelen verschaffen een economisch voordeel dat niet via de normale commerciële weg zou zijn verkregen;

  • De maatregel is selectief;

  • De maatregel vervalst (potentieel) de mededinging en (dreigt te) leiden tot een ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer in de EU.

In dit geval wordt het eerste criterium niet vervuld. Gemeenten kunnen voor de uitvoering van bepaalde aan hen opgedragen publieke taken een specifieke uitkering krijgen. Zij zijn in zo’n geval niet aan te merken als ondernemingen in de zin van de staatssteunregels. Logischerwijs dienen gemeenten bij het invullen van deze publieke taken zelf ook rekening te houden met de staatssteunregels.

Artikelsgewijs

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Definities

In artikel 1.1 worden de begrippen gedefinieerd. De begrippen die nadere uitleg behoeven, bijvoorbeeld omdat ze niet zijn toegelicht in het algemene deel van deze toelichting, worden hieronder toegelicht.

IJsbanen en zwembaden zijn sportaccommodaties. Nederland kent 24 kunstijsbanen binnen verschillende gemeenten. Daarnaast zijn er ongeveer 660 zwembaden in Nederland die voor de doorlopende exploitatie een (directe of indirecte) exploitatiebijdrage van de gemeente ontvangen. Dit zijn publiek toegankelijke zwembaden. Het Mulier Instituut heeft in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: het ministerie) en de Vereniging Sport en Gemeenten (hierna: VSG) een lijst opgesteld waarop alle zwembaden en ijsbanen staan die voldoen aan bovengenoemde voorwaarden. Deze lijst is op 17 februari 2021 verspreid onder alle gemeenten in Nederland.

Artikel 1.2. Toepasselijkheid Kaderregeling en Awb

Op specifieke uitkeringen die op grond van onderhavige regeling worden verstrekt is de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS niet van toepassing.

De artikelen 4:5, 4:25, 4:35, 4:46, 4:48 tot en met 4:50, 4:56 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zijn van overeenkomstige toepassing op deze regeling.

Hoofdstuk 2. Specifieke uitkering voor zwembaden en ijsbanen COVID-19: 2020

Artikel 2.1. Activiteiten waarvoor een specifieke uitkering kan worden verstrekt

Op grond van het eerste lid kan de minister op aanvraag een specifieke uitkering verstrekken aan een gemeente voor de compensatie van het exploitatietekort 2020 waarmee zwembaden en ijsbaden zijn geconfronteerd als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19. Hierbij kan gedacht worden aan het verstrekken van een aanvullende subsidie, het verstrekken van een huurkorting of het kwijtschelden van de huur.

Een specifieke uitkering wordt verstrekt voor de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, voor zover deze strekken tot compensatie van het daadwerkelijk geleden exploitatietekort. De compensatie kan dus niet leiden tot een positief resultaat op de jaarrekening van 2020 van de zwembaden en ijsbanen. De specifieke uitkering die op grond van hoofdstuk 2 kan worden verstrekt, is bedoeld om sluiting van de zwembaden en ijsbanen te voorkomen. Het is niet de bedoeling dat de zwembaden en ijsbanen met behulp van de specifieke uitkering tot een positief resultaat op de jaarrekening komen.

Artikel 2.2. Hoogte van de specifieke uitkering

Een gemeente zal voor de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in artikel 2.1, uitgaven doen of inkomsten derven. Bij uitgaven kan gedacht worden aan het verstrekken van een subsidie. Gederfde inkomsten kunnen ontstaan door bijvoorbeeld een korting of kwijtschelding van de huur van zwembaden en ijsbanen. Ook kan het gaan om gemeenten die zelf een zwembad in eigendom hebben en inkomsten uit exploitatie mislopen. De hoogte van de specifieke uitkering is afhankelijk van de gerealiseerde bestedingen of gederfde inkomsten van een gemeente in verband met de activiteiten, bedoeld in artikel 2.1.

Voor het verstrekken van een specifieke uitkering op grond van hoofdstuk 2 van de regeling is een bedrag van € 100.000.000 beschikbaar. Wanneer het totale voor specifieke uitkeringen aangevraagde bedrag hoger is dan € 100.000.000 zal de verdeling naar rato van de aangevraagde bedragen plaatsvinden. Op die manier wordt recht gedaan aan het beginsel van gelijke kansen voor alle aanvragers.

Op grond van artikel 1.2 van deze regeling is artikel 4:25 van de Awb van overeenkomstige toepassing op het verstrekken van een specifieke uitkering op grond van deze regeling. Dit betekent dat het uitkeringsplafond van € 100.000.000 niet wordt overschreden, tenzij niet tijdig op een aanvraag zou worden beslist, of als een aanvraag in de bezwaar- of beroepsfase of ter uitvoering van een rechterlijke uitspraak alsnog wordt toegewezen.

Artikel 2.3. Aanvraag tot verlening

Een specifieke uitkering wordt op aanvraag verstrekt. De aanvraagperiode is van 1 april 2021 tot 1 juni 2021. De minister kan vrijstelling verlenen van deze termijn indien blijkt dat meerdere gemeenten de aanvraag niet tijdig kunnen indienen. Een verlengde aanvraagtermijn wordt bij besluit bekend gemaakt. Dit is ook van invloed op de beslistermijn, zoals opgenomen in artikel 2.4, tweede lid.

De gemeenten ontvangen van het ministerie het aanvraagformulier, bedoeld in het tweede lid. Aan de gemeenten wordt tijdig voor de start van de aanvraagperiode gevraagd naar welk digitaal adres dit aanvraagformulier verstuurd kan worden. Op het aanvraagformulier staat hoe en op welke manier de aanvraag ingediend kan worden.

Het vijfde lid bepaalt welke documenten bij de aanvraag in ieder geval dienen te worden aangeleverd. De aanvraag tot verlening van een specifieke uitkering gaat in ieder geval vergezeld van een overzicht met het bedrag aan gerealiseerde uitgaven of gederfde inkomsten per zwembad of ijsbaan of zwembad en ijsbaan als in een gemeente beide aanwezig zijn. Indien de uitgaven of inkomsten nog niet daadwerkelijk zijn gerealiseerd respectievelijk gederfd, volstaat een overzicht van te nog te realiseren uitgaven of gederfde inkomsten die volgen uit maatregelen die zijn toegezegd aan de zwembaden en ijsbanen. Een onderbouwing van deze bedragen wordt meegezonden. Dit kan een subsidieverleningsbeschikking zijn of een mededeling van de gemeente aan het zwembad of de ijsbaan waarin het bedrag aan huurkorting is genoemd. Daarnaast geven de gemeenten inzicht in de exploitatiebijdrage die in kalenderjaar 2020 per zwembad of ijsbaan is verstrekt. Indien deze bijdrage gedurende het jaar fluctueert, dienen gemeenten dit nader te onderbouwen. De gemeente kan worden gevraagd om een aanvullende financiële onderbouwing te overleggen om aan te tonen dat aan de voorwaarden en verplichtingen uit de onderhavige regeling is voldaan.

Artikel 2.4. Verlening

De minister neemt binnen 13 weken na sluiting van de aanvraagtermijn een besluit omtrent de verlening van de specifieke uitkering. Wanneer een aanvraag incompleet is, krijgt de gemeente de kans om de ontbrekende informatie aan te vullen. Artikel 4:5 van de Awb is van overeenkomstige toepassing. Wanneer de aanvraag binnen de termijn genoemd in artikel 2.4, eerste lid, is ontvangen en de gemeente zo nodig de mogelijkheid heeft gehad ontbrekende informatie aan te vullen, wordt de specifieke uitkering toegekend als deze voldoet aan de voorwaarden genoemd in onderhavige regeling.

Wanneer vrijstelling wordt verleend van de aanvraagtermijn, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, beslist de minister binnen 13 weken na sluiting van de verlengde aanvraagtermijn op de aanvraag tot verlening van een specifieke uitkering.

De minister verleent bij het besluit tot verlening van de specifieke uitkering een voorschot van 100% dat in één keer wordt betaald.

Artikel 2.5. Verantwoording

De gemeente verstrekt jaarlijks uiterlijk op 15 juli van het jaar volgend op de verlening van de specifieke uitkering de verantwoordingsinformatie. De eerste verantwoordingsinformatie dient te worden verstrekt in het jaar na de verlening van de specifieke uitkering.

De verantwoording voor de besteding van de specifieke uitkering verloopt op grond van artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet via de jaarrekening van de gemeente en de systematiek van ‘single information, single audit’ (SiSa-systematiek).

Artikel 2.6. Vaststelling

De specifieke uitkering wordt in beginsel overeenkomstig de verlening vastgesteld. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien gemeenten de in verband met de instandhouding van de zwembaden en ijsbanen gedane of doorgevoerde besteding, korting of kwijtschelding niet daadwerkelijk heeft gerealiseerd of doorgevoerd. Ook kan de specifieke uitkering lager worden vastgesteld indien er onjuiste of onvolledige informatie is aangeleverd door de gemeente en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere verleningsbeschikking zou hebben geleid of niet is voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen die zijn verbonden aan de specifieke uitkering.

Onverschuldigd betaalde bedragen worden teruggevorderd overeenkomstig artikel 4:57 van de Awb.

Hoofdstuk 3. Slotbepalingen

Artikel 3.1. Hardheidsclausule

Deze bepaling bevat een hardheidsclausule. Een gemeente kan onderbouwd een beroep doen op de hardheidsclausule indien sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard. De hardheidsclausule zal met grote terughoudendheid worden toegepast. Het is evenwel niet op voorhand uit te sluiten dat zich omstandigheden zullen voordoen die noodzaken tot afwijken van deze regeling.

Artikel 3.2. Inwerkingtreding en vervaldatum

Deze regeling vervalt met ingang van 31 december 2022, met dien verstande dat deze regeling van toepassing blijft op een specifieke uitkering die krachtens deze regeling is verstrekt.

De Minister voor Medische Zorg, T. van Ark

Naar boven