Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Autoriteit Consument en MarktStaatscourant 2021, 14714Overig

Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 18 maart 2021, kenmerk ACM/UIT/548730 tot wijziging van de voorwaarden als bedoeld in artikel 31 van de Elektriciteitswet 1998 betreffende energieopslagfaciliteiten

Zaaknummer: ACM/20/040805

De Autoriteit Consument en Markt,

Gelet op artikel 36 van de Elektriciteitswet 1998;

Besluit:

ARTIKEL I

De Netcode elektriciteit wordt gewijzigd als volgt:

Aan artikel 2.16 wordt een derde lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Indien het bedrijfsmiddel dat tot invoeding in het net van de netbeheerder kan leiden, als bedoeld in het eerste lid, een energieopslagfaciliteit betreft:

    • a. zijn aansluitvoorwaarden zoals verwoord in Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) en de daarbij behorende onderdelen van hoofdstuk 3 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:

      • 1°. een synchroon gekoppelde energieopslagfaciliteit voldoet aan de voorwaarden zoals verwoord in Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) artikel 13 tot en met 19;

      • 2°. een niet-synchroon gekoppelde energieopslagfaciliteit voldoet aan de voorwaarden zoals verwoord in Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) artikel 13 tot en met 16 en artikel 20 tot en met 22;

      • 3°. een energieopslagfaciliteit met een maximaal te leveren werkzaam vermogen groter dan of gelijk aan 0,8 kW en kleiner dan 1 MW voldoet aan de bepalingen die van toepassing zijn op een elektriciteitsproductie-eenheid van het type A;

      • 4°. een energieopslagfaciliteit met een maximaal te leveren werkzaam vermogen groter dan of gelijk aan 1 MW en kleiner dan 50 MW voldoet aan de bepalingen die van toepassing zijn op een elektriciteitsproductie-eenheid van het type B;

      • 5°. een energieopslagfaciliteit met een maximaal te leveren werkzaam vermogen groter dan of gelijk aan 50 MW en kleiner dan 60 MW voldoet aan de bepalingen die van toepassing zijn op een elektriciteitsproductie-eenheid van het type C;

      • 6°. een energieopslagfaciliteit met een maximaal te leveren werkzaam vermogen groter dan of gelijk aan 60 MW voldoet aan de bepalingen die van toepassing zijn op een elektriciteitsproductie-eenheid van het type D;

    • b. beschikt de energieopslagfaciliteit over de mogelijkheid tot het automatisch overschakelen van de opslagmodus naar de opwekkingsmodus als bedoeld in artikel 15, derde lid, onderdeel a, van de Verordening (EU) 2017/2196 (NC ER), alsmede over de mogelijkheid tot automatisch ontkoppelen als bedoeld in artikel 15, derde lid, onderdeel b, van de Verordening (EU) 2017/2196 (NC ER);

    • c. zijn de relevante artikelen van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC) en paragraaf 4.2 van overeenkomstige toepassing indien de energieopslagfaciliteit vraagsturing levert aan een netbeheerder;

    • d. zijn voor de gegevensuitwisseling tussen de aangeslotene die beschikt over een energieopslagfaciliteit en de netbeheerder de artikelen 13.1, 13.11 en 13.21 of 13.2, 13.12 en 13.22 van overeenkomstige toepassing;

    • e. zijn voor de gegevensuitwisseling tussen de aangeslotene die beschikt over een energieopslagfaciliteit en de netbeheerder tevens de artikelen 13.3, 13.13 en 13.23 of 13.4, 13.14 en 13.24 van overeenkomstige toepassing indien de energieopslagfaciliteit vraagsturing levert aan een netbeheerder.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 2021.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 18 maart 2021

Autoriteit Consument en Markt, namens deze: M.R. Leijten bestuurslid

TOELICHTING

1 Samenvatting

  • 1. Met dit codebesluit wijzigt de Autoriteit Consument en Markt (hierna: de ACM) op voorstel van Netbeheer Nederland de Netcode elektriciteit. De wijzigingen gaan over de aansluitvoorwaarden voor energieopslagfaciliteiten. Op dit moment kent de Netcode elektriciteit geen specifieke voorwaarden voor de aansluiting van een energieopslagfaciliteit. Met dit besluit worden voorwaarden voor energieopslagfaciliteiten aan de Netcode elektriciteit toegevoegd. Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de voorwaarden die uit de Europese aansluitcodes voor andere aangeslotenen volgen.

2 Aanleiding en gevolgde procedure

  • 2. De ACM stelt op grond van artikel 36 van de Elektriciteitswet 1998 (hierna: E-wet) regelgeving vast voor de energiemarkt. Dit besluit is tot stand gekomen op basis van een voorstel1 van de gezamenlijke netbeheerders verenigd in Netbeheer Nederland (hierna: gezamenlijke netbeheerders) dat de ACM op 6 november 2019 heeft ontvangen. Het betreft een codewijzigingsvoorstel zoals bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de E-wet. Het oorspronkelijke voorstel bevat tien onderdelen. Na overleg met de gezamenlijke netbeheerders zijn drie onderdelen ambtshalve in het codebesluit met zaakkenmerk ACM/19/036598 vastgesteld en zes onderdelen in het codebesluit met kenmerk ACM/UIT/533621 van 28 mei 2020. Dit besluit betreft alleen onderdeel IV, Opslag, uit het initiële voorstel.

  • 3. Met dit voorstel wordt een nieuwe categorie aan de bestaande bedrijfsmiddelen in de Netcode elektriciteit toegevoegd: energieopslagfaciliteiten. Deze bedrijfsmiddelen kunnen zowel afnemen als invoeden. De gezamenlijke netbeheerders hebben geconstateerd dat op dit moment de Netcode elektriciteit hier niet in voorziet. De Europese Verordeningen 2016/631, Requirements for Generators (hierna: RfG Verordening), stelt eisen aan de aansluiting van elektriciteitsproducenten op het net, en Verordening 2016/1388, Demand Connection (hierna: DCC Verordening), stelt eisen aan de aansluiting van gebruikers op het net. De gezamenlijke netbeheerders stellen vast dat deze verordeningen energieopslagfaciliteiten expliciet van deze eisen uitsluiten. De gezamenlijke netbeheerders verwachten wel dat aan de RfG en DCC Verordening op den duur bepalingen aangaande energieopslagfaciliteiten toegevoegd worden. Dit kan nog wel enkele jaren in beslag nemen.

  • 4. De reden dat de gezamenlijke netbeheerders nu met dit voorstel komen is dat er momenteel al enkele aansluitingen van energieopslagfaciliteiten zijn en dat de ontwikkelingen in het kader van de energietransitie zorgen dat dit aantal op korte termijn gaat toenemen. Daarnaast stellen de gezamenlijke netbeheerders dat Verordening (EU) 2017/2196, Emergency Restoration, (hierna: ER Verordening) aangaande de noodtoestand en het herstel van het elektriciteitsnet, wel bepalingen bevat die eisen aan de bedrijfsvoering van energieopslagfaciliteiten stelt.

  • 5. Als onderdeel van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure heeft de ACM het ontwerpbesluit en de bijbehorende stukken ter inzage gelegd en gepubliceerd op haar internetpagina. De terinzagelegging is gemeld in de Staatscourant van 12 november 2020. De ACM heeft belanghebbenden in de gelegenheid gesteld binnen zes weken hun zienswijzen op het ontwerp kenbaar te maken.

  • 6. Energy Storage NLhet energieopslagplatform van FME (hierna: Energy Storage NL), heeft een zienswijze over het ontwerpbesluit ingediend.

  • 7. De ACM is van mening dat het voorstel geen technische voorschriften bevat bedoeld in Richtlijn 2015/1535. Om die reden zijn de voorwaarden in dit besluit niet in ontwerp ter notificatie aangeboden.

3 Beoordeling

3.1 Procedureel

  • 8. De ACM constateert dat het voorstel op 26 september 2019 in een overleg met representatieve organisaties is besproken. In het voorstel is een verslag opgenomen van dit overleg en de indieners hebben in het voorstel aangegeven welke gevolgtrekkingen zij hebben verbonden aan de zienswijzen die organisaties naar voren hebben gebracht.

  • 9. Naar het oordeel van de ACM voldoet het voorstel daarmee aan de vereisten bedoeld in artikel 33, eerste en tweede lid van de Elektriciteitswet.

3.2 Inhoudelijk

  • 10. Het voorstel geeft aan dat de huidige Nederlandse codes geen specifieke voorwaarden voor de aansluiting van een energieopslagfaciliteit kennen. Dit is aanleiding voor de gezamenlijke netbeheerders om in de Netcode elektriciteit voor deze categorie bepalingen op te nemen. Gelijk aan productie-eenheden zijn energieopslagfaciliteiten te onderscheiden in synchrone en niet-synchrone gekoppelde installaties. Daarnaast zijn ze onder te verdelen naar het maximaal werkzaam vermogen en daardoor onder te brengen in de vier verschillende types die de RfG Verordening onderscheidt. Verder stelt artikel 15, derde lid, van de ER Verordening impliciet eisen aan energieopslagfaciliteiten. Deze moeten automatisch kunnen overschakelen naar de opslagmodus, de opwekkingsmodus of automatisch ontkoppeld kunnen worden.

  • 11. De gezamenlijke netbeheerders constateren dat artikel 3, tweede lid, onderdeel d, van de RfG Verordening de bepalingen voor energieopslagfaciliteiten niet van toepassing verklaart. De gezamenlijke netbeheerders constateren bovendien dat de ontwikkeling van deze faciliteiten zeer snel gaat. Naar verwachting worden er binnen enkele jaren dan ook Europese voorwaarden vastgesteld. Gezien het specifieke karakter van energieopslagfaciliteiten dat ze zowel kunnen afnemen als invoeden en dat ze te categoriseren zijn naar synchroon en niet-synchroon gekoppelde installaties, zijn de gezamenlijke netbeheerders van mening dat verschillende artikelen uit de Europese aansluitcodes, RfG Verordening en DCC Verordening, wel dezelfde eisen beschrijven. Om te voorkomen dat de Netcode elektriciteit niet meer leesbaar wordt verwijst het voorstel naar die artikelen uit deze codes, die deze voorwaarden bevatten, in plaats van ze integraal in de Netcode elektriciteit op te nemen.

  • 12. De ACM is van mening dat het voorstel bijdraagt aan de transparantie om opslagfaciliteiten als bedrijfsmiddelen die zowel kunnen invoeden als afnemen enerzijds als productie-eenheden en anderzijds als consumptie-eenheden te behandelen. Het onderscheiden van elektriciteitsproductie-eenheden in synchrone- en niet-synchrone-eenheden draagt hier ook aan bij. Door dit onderscheid ligt het voor de hand dezelfde eisen te stellen aan synchroon gekoppelde energieopslagfaciliteiten als aan synchroon gekoppelde productie-eenheden. En de bepalingen die van toepassing zijn op power park modules ook van toepassing te verklaren voor niet-synchroon gekoppelde energieopslagfaciliteiten.

  • 13. De ACM deelt de mening van de gezamenlijke netbeheerders dat het maximaal te leveren werkzaam vermogen van een energieopslagfaciliteit de typering naar de verschillende elektriciteitsproductie-eenheden, type A tot en met D, rechtvaardigt.

  • 14. Aangezien een energieopslagfaciliteit zowel een productie-eenheid betreft als een verbruiksinstallatie en kan deelnemen aan vraagsturing is de ACM het eens met de gezamenlijke netbeheerders dat de ER Verordening en relevante eisen uit de DCC Verordening van toepassing verklaard kunnen worden. De ACM constateert dat het voorstel hierin voorziet.

  • 15. Voor de categorie van energieopslagfaciliteiten dient ook de gegevensuitwisseling geregeld te worden zoals die in hoofdstuk 13 van de Netcode elektriciteit is omschreven. Hierbij dient rekening gehouden te worden met het duale karakter van een energieopslagfaciliteit. De ACM constateert dat het voorstel hier in voorziet.

  • 16. De ACM komt tot het oordeel dat de wijzigingen die de gezamenlijke netbeheerders voorstellen niet in strijd zijn met de belangen, regels en eisen bedoeld in artikel 36, eerste en tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998.

  • 17. De ACM heeft grammatica, spelling en interpunctie in het codevoorstel waar nodig gecorrigeerd. Daarnaast heeft de ACM enkele tekstuele aanpassingen gedaan om de codebepalingen te verduidelijken.

4 Zienswijze

  • 18. Energy Storage NL constateert in zijn zienswijze dat energieopslagfaciliteiten in de huidige Nederlandse wet- en regelgeving niet zijn gedefinieerd. Energy Storage NL stelt dat opslag van bijvoorbeeld gas en warmte ook tot energieopslagfaciliteiten gerekend worden. Energy Storage NL verwijst naar de Europese Richtlijn 2019/943, artikel 2, waarin energieopslag en -faciliteit als volgt gedefinieerd zijn:

    • 59) ‘energieopslag’: in het elektriciteitssysteem, het uitstellen van het uiteindelijke gebruik van elektriciteit tot een later moment dan het moment waarop de elektriciteit is opgewekt, of het omzetten van elektrische energie in een vorm van energie die kan worden opgeslagen, het opslaan van dergelijke energie, en de daaropvolgend omzetting van dergelijke energie in elektrische energie of een andere energiedrager;

    • 60) ‘energieopslagfaciliteit’: in het elektriciteitssysteem, een installatie waar energieopslag plaatsvindt.

      Energy Storage NL stelt voor deze definitie op te nemen met weglating van ‘of een andere energiedrager’. Energy Storage NL merkt op dat het voorstel duidelijk betrekking heeft op installaties die zowel elektriciteit uit het net kunnen onttrekken, als kunnen invoeden.

  • 19. De ACM is van mening dat de definitie in de Europese regelgeving voldoende is. De ACM deelt de mening van Energy Storage NL dat de codewijziging geen betrekking dient te hebben op de opslagen die elektriciteit omzetten in ‘andere energiedragers’. De ACM is van mening dat dit al volgt uit de Netcode elektriciteit zelf. Immers de verplichtingen die voor opslagen gelden in artikel 2.16, derde lid, van de Netcode elektriciteit gelden alleen voor aansluitingen die kunnen invoeden, zoals verwoord in het eerste lid van dit artikel. Daarmee is de vermelding ‘of andere energiedragers” in de definitie niet relevant voor deze codewijziging. De ACM is daarom van mening dat de code voldoet aan wat Energy Storage NL wenst in zijn zienswijze.

  • 20. Energy Storage NL geeft aan dat het onduidelijk is of de voorwaarden ook voor bestaande opslagfaciliteiten gaan gelden en wenst expliciet op te nemen dat dit niet zo is. De ACM is van mening dat artikel 15.1, eerste lid, van de Netcode elektriciteit, van toepassing is. Dit artikel bepaalt (voor dit geval) dat als een bestaande opslagfaciliteit redelijkerwijs niet aan deze nieuwe eisen kan voldoen en een netbeheerder daardoor zijn wettelijke taken niet kan uitvoeren, deze netbeheerder met de aangeslotene in overleg treedt.

  • 21. Daarnaast geeft Energy Storage NL in zijn zienswijze aan dat er een overgangstermijn dient te komen voor partijen die nog geen aansluiting hebben afgenomen maar al wel contractuele stappen hebben gezet voor het realiseren van een opslagfaciliteit. De ACM deelt dit uitgangspunt en heeft daarom besloten in deze codewijzing een overgangstermijn op te nemen door de wijziging op 1 september 2021 in werking te laten treden.

Autoriteit Consument en Markt, namens deze: M.R. Leijten bestuurslid


X Noot
1

Kenmerk: BR-2019-1631.