TOELICHTING
Op 1 januari 2021 is de overgangsperiode van het terugtrekkingsakkoord van het Verenigd
Koninkrijk uit de Europese Unie1 afgelopen. Dit heeft onder meer tot gevolg dat getuigschriften met betrekking tot
de vakbekwaamheid van vervoersmanagers in het wegvervoer die zijn afgegeven door bevoegde
autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk, niet meer worden erkend binnen de EU.
Deze regeling heeft tot doel erin te voorzien dat aan vervoersmanagers die vóór 1 januari
2021 houder waren van een dergelijk getuigschrift van vakbekwaamheid en zijn of waren
aangewezen als vervoersmanager door een in Nederland gevestigde vervoerder, een getuigschrift
van vakbekwaamheid wordt verstrekt door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen
(CBR).
Uit artikel 3 van Verordening 1071/2009 (beroepsverordening voor het wegvervoer) volgt
dat ondernemingen die het beroep van wegvervoerondernemer uitoefenen vakbekwaam moeten
zijn. Ondernemingen dienen hiertoe een vervoersmanager aan te wijzen, die voldoet
aan de eis van vakbekwaamheid. Een vervoersmanager kan vakbekwaamheid aantonen door
middel van een getuigschrift dat door de daarvoor naar behoren gemachtigde autoriteit
of instantie van een lidstaat van de EU is afgegeven. Een getuigschrift dat is afgegeven
door een bevoegde autoriteit van een lidstaat, is geldig binnen de gehele EU.
Door de uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de EU en het aflopen van de overgangstermijn
van het uittredingakkoord met ingang van 1 januari 2021, wordt de bevoegde autoriteit
uit het Verenigd Koninkrijk die het getuigschrift inzake vakbekwaamheid uitgeeft,
niet langer aangemerkt als een ‘naar behoren gemachtigde autoriteit of instantie’
van een lidstaat in de zin van de beroepsverordening voor het wegvervoer. Om die reden
voldoen houders van een dergelijk getuigschrift niet langer aan de eis van vakbekwaamheid
van die verordening. Dit heeft grote gevolgen voor zowel de vervoersmanagers als voor
de ondernemingen die de vervoersmanagers hebben aangewezen.
Besloten is om houders van een door de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk
voor het einde van de overgangsperiode afgegeven getuigschrift, die zijn of waren
aangewezen als vervoersmanager door een in Nederland gevestigde vervoerder, een Nederlands
getuigschrift van vakbekwaamheid te verstrekken. Uit artikel 5 van de Regeling wegvervoer
goederen volgt dat een dergelijk getuigschrift wordt afgegeven door het CBR.
Alternatieve oplossingen zijn niet mogelijk of worden onwenselijk geacht. Een systeem
van unilaterale of wederzijdse erkenning van getuigschriften door Nederland en het
Verenigd Koninkrijk is niet toereikend. Een getuigschrift van vakbekwaamheid dat door
een lidstaat van de EU is afgegeven, is geldig binnen de gehele EU, terwijl een erkenning
alleen zorgt voor geldigheid van het Britse getuigschrift in Nederland.
Een andere alternatieve oplossing, namelijk de verplichting voor vervoersmanagers
om met succes de examens af te ronden die recht geven op een door het CBR afgegeven
getuigschrift conform artikel 5 van de Regeling wegvervoer goederen, wordt onwenselijk
geacht. De vervoersmanagers die het hier betreft, hebben reeds in het Verenigd Koninkrijk
aangetoond aan de Europese eisen van vakbekwaamheid te voldoen. Daarnaast zijn of
waren zij reeds werkzaam als vervoersmanagers voor een in Nederland gevestigde vervoerder.
Het zou onredelijk zijn dat zij enkel als gevolg van het aflopen van de overgangstermijn
van het terugtrekkingsakkoord de vakbekwaamheidsstatus zouden verliezen.
Daarnaast zou het verlies van de vakbekwaamheidsstatus van deze vervoersmanagers ook
grote gevolgen hebben voor in Nederland gevestigde vervoerders. Op het moment dat
een bevoegde autoriteit vaststelt dat een vervoersmanager niet meer aan de eis van
vakbekwaamheid voldoet, heeft een vervoerder een termijn van zes maanden om een vervoersmanager
aan te wijzen die wél aan deze eis voldoet. Slaagt een vervoerder hier niet in, dan
wordt de communautaire vergunning van de vervoerder geschorst of ingetrokken.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van
de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Daarmee wijkt de regeling af van de systematiek
van de vaste verandermomenten en de minimumtermijn voor inwerkingtreding. Op basis
van Aanwijzing voor de Regelgeving 4.17 is het echter toegestaan van de vaste verandermomenten
en de minimumtermijn voor inwerkingtreding af te wijken voor spoed- of noodregelgeving.
Van die uitzonderingsmogelijkheid wordt in deze regeling gebruik gemaakt.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,
C. van Nieuwenhuizen Wijbenga