Fiscale gevolgen van het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie met ingang van 1 februari 2020. (Besluit toelichting fiscale gevolgen terugtrekkingsakkoord Brexit)

Belastingdienst/Corporate Dienst Vaktechniek

Besluit van 29 januari 2020, nr. 2020-20786.

De Staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst, geeft de volgende toelichting.

Dit besluit bevat een toelichting op de fiscale gevolgen van het terugtrekkingsakkoord dat is overeengekomen tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie in het kader van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie met ingang van 1 februari 2020.

Met ingang van 1 februari 2020 trekt het Verenigd Koninkrijk (VK) zich terug uit de Europese Unie (EU). Ten behoeve van een ordelijke terugtrekking van het VK uit de EU is een akkoord gesloten tussen het VK en de EU1 (hierna: het terugtrekkingsakkoord). In het terugtrekkingsakkoord zijn onder meer de voorwaarden voor een overgangsperiode overeengekomen. Tijdens de overgangsperiode geldt de afspraak dat het gemeenschapsrecht tot en met 31 december 2020 voor het grootste deel zal blijven gelden ten aanzien van het VK. Onder gemeenschapsrecht wordt in dit verband verstaan het geheel van EU-verdragen, verordeningen, richtlijnen, inclusief de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Dat betekent dat tijdens de overgangsperiode het VK voor het gemeenschapsrecht en voor de nationale regelgeving die dient ter implementatie daarvan, wordt aangemerkt als EU-lidstaat. Deze bepaling heeft rechtstreekse werking en zal daarom het effect hebben dat bestaande regels na de terugtrekking gedurende de overgangsperiode van overeenkomstige toepassing blijven op het VK zonder dat daarvoor een omzetting in nationale regelgeving is vereist.2 Dit maakt nationaal overgangsrecht zoals eerder aangekondigd voor de situatie van een no deal niet langer noodzakelijk. Dit besluit dient ter toelichting op de overgangsperiode zoals voorzien in het terugtrekkingsakkoord.

Het terugtrekkingsakkoord heeft onder andere gevolgen voor de toepassing van het nationale fiscale recht waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen bijvoorbeeld inwoners van een EU-lidstaat en inwoners van andere landen. Ingevolge het terugtrekkingsakkoord kan (kort gezegd) gedurende de overgangsperiode tot en met 31 december 2020 worden gehandeld alsof het VK nog behoort tot de EU. Als gevolg daarvan worden de inwoners van het VK nog beschouwd als inwoner van een EU-lidstaat.

Dit betekent onder andere het volgende:

  • Inwoners van het VK die voldoen aan de (overige) voorwaarden om te kunnen worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige, kunnen het gehele belastingjaar 2020 kwalificerende buitenlandse belastingplichtige blijven;

  • Inwoners van het VK behouden gedurende het gehele belastingjaar 2020 het recht op het belastingdeel van de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting als zij aan de overige voorwaarden voor die heffingskortingen voldoen;

  • Werkgevers kunnen de regelingen met betrekking tot het anoniementarief en de identificatieplicht ongewijzigd blijven uitvoeren voor onderdanen van het VK gedurende het belastingjaar 2020;

  • Voor de regeling afdrachtvermindering zeevaart blijft gedurende het belastingjaar 2020 ook voor de zeevarende die woonachtig is in het VK de afdrachtvermindering 40% van de loonsom;

  • De regeling afdrachtvermindering S&O blijft gedurende het belastingjaar 2020 ook van toepassing op werkzaamheden die in het VK worden verricht;

  • Voor belastingplichtigen met een belang in een deelneming in het VK blijft de toepassing van de deelnemingsvrijstelling gedurende het gehele kalenderjaar 2020 ongewijzigd;

  • Voor fiscale eenheden met een top- of tussenmaatschappij in het VK blijft de toepassing van de fiscale-eenheidsregeling gedurende het gehele kalenderjaar 2020 ongewijzigd;

  • In het kader van voorkoming van dubbele belasting kan een in Nederland woonachtige werknemer in dienst van een in het VK gevestigde werkgever, gedurende het belastingjaar 2020, gebruik blijven maken van de onderworpenheidsfictie als aan de overige voorwaarden daarvoor is voldaan;

  • Bij het opleggen van een eventuele conserverende belastingaanslag voor de inkomstenbelasting ingeval van een emigratie naar het VK behoeft tot en met 31 december 2020 geen zekerheid te worden gesteld;

  • Een eventuele betalingsregeling voor zogenoemde exitheffingen inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting blijft tot en met 31 december 2020 ook mogelijk voor inwoners van het VK.

Vorenstaande is bedoeld als illustratie van de gevolgen van het gedurende het overgangsjaar geldende regime ingevolge het terugtrekkingsakkoord. Het zijn voorbeelden van wat het betekent dat het VK tot en met 31 december 2020 nog wordt behandeld als ware het een lidstaat van de EU. Voor de duidelijkheid is nog vermeld dat ook voor de indirecte belastingen3 geldt dat het VK tot en met 31 december 2020 wordt behandeld als ware het een lidstaat van de EU.

Zoals hiervoor is vermeld, geldt de overgangsperiode in het terugtrekkingsakkoord tot en met 31 december 2020. In het terugtrekkingsakkoord is voorzien in een mogelijkheid tot verlenging maar op dit moment is nog onduidelijk of daarvan gebruik gaat worden gemaakt. In dit besluit is uitgegaan van een toepassing tot en met 31 december 2020 en is niet vooruitgelopen op de mogelijkheid tot verlenging. Indien op enig moment blijkt dat sprake is van een verlenging zal daarover op dat moment nadere informatie bekend worden gemaakt.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit toelichting fiscale gevolgen terugtrekkingsakkoord Brexit.

Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst.

Den Haag, 29 januari 2020

De Staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst, namens deze, J. de Blieck hoofddirecteur Fiscale en Juridische Zaken


X Noot
1

Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PbEU 2019 C 384 I).

X Noot
2

Zie met name artikel 127, eerste en zesde lid, juncto artikel 2, onderdeel a, van het terugtrekkingsakkoord.

X Noot
3

In dit kader zijn van belang de omzetbelasting (btw), accijnzen, belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm), motorrijtuigenbelasting, afvalstoffenbelasting, kolenbelasting, invoerrechten en verbruiksbelasting alcoholvrije dranken.

Naar boven