Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en SportStaatscourant 2020, 66909Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van Justitie en Veiligheid en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 december 2020, kenmerk 1800138-216052-WJZ tot wijziging van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 in verband met een verzwaring van de maatregelen

De Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van Justitie en Veiligheid en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Handelende in overeenstemming met de Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van Economische Zaken en Klimaat, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media en voor Medische Zorg;

Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad;

Gelet op de artikelen 58e, eerste lid, 58g, eerste lid, 58h, eerste lid, 58i, 58j, eerste lid, 58q, eerste lid, en 58r, eerste tot en met derde lid, van de Wet publieke gezondheid;

Besluiten:

ARTIKEL I

De Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 3.1 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking van het eerste lid wordt van 15 december 2020 tot en met 19 januari 2021 in het eerste lid in plaats van ‘vier personen’ gelezen ‘twee personen’.

B

Voor artikel 4.1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.a1 Sluiting publieke plaats

  • 1. Onverminderd artikel 58h, tweede lid, van de wet en artikel 4.4, eerste en derde lid, worden van 15 december 2020 tot en met 19 januari 2021 geen andere publieke plaatsen voor publiek opengesteld dan:

    • a. locaties waar personen worden gehoord in verband met een bezwaarschrift of administratief beroep;

    • b. overheidsgebouwen met een publieksfunctie of een loket;

    • c. locaties gericht op zakelijke of financiële dienstverlening;

    • d. servicepunten voor het versturen of ontvangen van brieven en postpakketten, mits uitsluitend voor die functie geopend voor publiek;

    • e. winkels in de levensmiddelenbranche;

    • f. locaties waar een warenmarkt in de levensmiddelenbranche plaatsvindt, uitsluitend voor die functie;

    • g. groothandels voor levering ten behoeve van personen in de uitoefening van beroep of bedrijf;

    • h. voedselbanken en dierenvoedselbanken;

    • i. dierenspeciaalzaken;

    • j. publieke plaatsen waar het beroep van dierenarts wordt uitgeoefend;

    • k. drogisterijen;

    • l. apotheken;

    • m. opticiens;

    • n. audiciens;

    • o. tankstations;

    • p. wasserijen;

    • q. stomerijen;

    • r. locaties voor reparatie en onderhoud van goederen;

    • s. winkels in doe-het-zelfartikelen en bibliotheken waar uitsluitend sprake is van het ophalen van bestelde of gereserveerde artikelen;

    • t. publieke plaatsen waar tegen betaling verblijf wordt aangeboden aan personen die niet als ingezetene zijn ingeschreven in de basisregistratie personen met een adres in de gemeente waar dit verblijf wordt aangeboden, mits geen etenswaren of dranken aan de gasten worden geserveerd en mits deze publieke plaatsen als zodanig opgenomen zijn in het register van de Kamer van Koophandel of een soortgelijk erkend register;

    • u. luchthavens;

    • v. openbaar vervoer en ander bedrijfsmatig personenvervoer, mits het vervoer primair de verplaatsing van de ene naar de andere locatie behelst en het vervoer geen recreatieve activiteit is;

    • w. stations, halteplaatsen, of andere bij het openbaar vervoer of ander bedrijfsmatig personenvervoer behorende voorzieningen en de daarbij behorende perrons, trappen, tunnels en liften;

    • x. parkeergarages;

    • y. fietsenstallingen;

    • z. een winkel buiten, indien daar uitsluitend kerstbomen of bloemen verkocht worden;

    • aa. locaties waar een contactberoep, voor zover toegestaan op grond van artikel 6.8, wordt uitgeoefend;

    • bb. zorglocaties;

    • cc. locaties waar besloten en georganiseerde dagbesteding plaatsvindt voor kwetsbare groepen;

    • dd. winkels voor zorg- en welzijnshulpmiddelen;

    • ee. publieke sanitaire voorzieningen;

    • ff. locaties waar topsporters sport beoefenen en stadions waar voetballers, bedoeld in artikel 6.1, voetballen;

    • gg. locatie waar een plechtigheid plaatsvindt ten behoeve van huwelijksvoltrekkingen, een registratie van een partnerschap of een uitvaart.

C

In artikel 4.3 wordt na ‘met uitzondering van een’ ingevoegd ‘parkeergarage, fietsenstalling,’.

D

Aan artikel 4.4 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De onderdelen a en d van het tweede lid gelden niet van 15 december 2020 tot en met 19 januari 2021.

E

Aan artikel 5.1 worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 5. In afwijking van het tweede lid, onder c, wordt van 15 december 2020 tot en met 19 januari 2021 in plaats van ‘warenmarkten’ gelezen ‘warenmarkten in de levensmiddelenbranche’.

  • 6. In afwijking van het derde lid, onder a en b, wordt van 15 december 2020 tot en met 19 januari 2021 in plaats van ‘vier personen’ gelezen ‘twee personen’.

F

Artikel 6.4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor het eerste lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • a1. In afwijking van artikel 4.a1 mogen sportaccommodaties buiten en de bij de sportaccommodatie behorende toiletvoorzieningen worden opengesteld voor publiek, mits geen reserveringen worden aangenomen van meer dan twee personen van achttien jaar en ouder.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende;

  • 4. Indien de Regeling van 8 december 2020 van de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van Justitie en Veiligheid en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, tot wijziging van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 in verband met een verruiming van de mogelijkheden voor topsporters en het aanbrengen van enkele verbeteringen in werking treedt, geldt het derde lid niet tot en met 19 januari 2021.

G

Aan artikel 6.8 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 7. In afwijking van dit artikel geldt van 15 december 2020 tot en met 19 januari 2021 dat het verboden is een contactberoep uit te oefenen, met uitzondering van de uitoefening van het beroep waar tegen betaling zorg wordt verleend op basis van de Zorgverzekeringswet, Wet langdurige zorg, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of Jeugdwet of in het kader van bloedafname en bloedvoorziening en audiciens, opticiens en dierenartsen.

H

Na paragraaf 6.4 worden twee paragrafen ingevoegd, luidende:

§ 6.5 Onderwijs

Artikel 6.10 Verrichting onderwijsactiviteiten van 16 december 2020 tot en met 17 januari 2021
  • 1. Het is verboden met ingang van 16 december 2020 tot en met 17 januari 2021 onderwijsactiviteiten te verrichten in onderwijsinstellingen.

  • 2. Het eerste lid geldt niet voor:

    • a. afstandsonderwijs;

    • b. praktijkgerichte onderwijsactiviteiten;

    • c. onderwijsactiviteiten voor leerlingen in een examenjaar en het houden van schoolexamens in het voorexamenjaar;

    • d. het houden van examens, tentamens en toetsen in instellingen voor beroepsonderwijs en instellingen voor hoger onderwijs;

    • e. het begeleiden van leerlingen en studenten in een kwetsbare positie;

    • f. het begeleiden van leerlingen van instellingen voor primair onderwijs met een ouder of voogd die werkt in een cruciaal beroep als bedoeld in bijlage 1.

§ 6.6 Kinderopvang

Artikel 6.11 Openstelling kinderopvang

Het is verboden met ingang van 16 december 2020 tot en met 17 januari 2021 kinderopvang, met uitzondering van voorzieningen voor gastouderopvang, geopend te hebben anders dan voor kinderen van een ouder of een voogd die werkt in een cruciaal beroep als bedoeld in bijlage 1 en voor kinderen voor wie vanwege bijzondere problematiek of een moeilijke thuissituatie maatwerk nodig is.

I Er wordt een bijlage toegevoegd, luidende:

BIJLAGE 1 ALS BEDOELD IN DE ARTIKELEN 6.10, TWEEDE LID, ONDER F, EN 6.11, EERSTE LID

Cruciale beroepen als bedoeld in de artikelen 6.10, tweede lid, onder f, en 6.11, eerste lid zijn het werkzaam zijn in de volgende processen of beroepen:

  • landelijk transport en distributie elektriciteit;

  • regionale distributie elektriciteit;

  • gasproductie, landelijk transport en distributie gas;

  • regionale distributie gas;

  • olievoorziening;

  • internet- en datadiensten;

  • internettoegang en dataverkeer;

  • spraakdienst en SMS;

  • plaats- en tijdsbepaling middels GNSS;

  • drinkwatervoorziening;

  • keren en beheren waterkwantiteit;

  • vlucht- en vliegtuigafhandeling;

  • scheepvaartafwikkeling;

  • grootschalige productie/verwerking en/of opslag (petro)chemische stoffen;

  • opslag, productie en verwerking nucleair materiaal;

  • toonbankbetalingsverkeer;

  • massaal giraal betalingsverkeer;

  • hoogwaardig betalingsverkeer tussen banken;

  • effectenverkeer;

  • communicatie met en tussen hulpdiensten middels 112 en C2000;

  • inzet politie;

  • basisregistraties personen en organisaties;

  • interconnectiviteit (transactie-infrastructuur voor informatie uit basisregistraties);

  • elektronisch berichtenverkeer en informatieverschaffing aan burgers;

  • identificatie en authenticatie van burgers en bedrijven;

  • inzet defensie;

  • vervoer van personen en goederen over (hoofd)spoorweginfrastructuur;

  • vervoer over (hoofd)wegennet;

  • zorg, jeugdhulp en (maatschappelijke) ondersteuning, inclusief productie en transport van medicijnen en medische hulpmiddelen;

  • leraren en personeel benodigd voor onderwijsactiviteiten, zoals voor afstandsonderwijs en examens;

  • openbaar vervoer;

  • voedselketen, die mede bestaat uit supermarkten, de aanlevering van supermarkten, de verwerkende industrie en de transporten van deze industrie, het ophalen van producten bij boeren, het aanleveren van bijvoorbeeld veevoer en andere producten bij boeren, de toegang van arbeiders voor de oogst;

  • transport van brandstoffen zoals kolen, olie, benzine en diesel;

  • vervoer van afval en vuilnis;

  • kinderopvang;

  • media en communicatie ten behoeve van informatievoorziening aan de samenleving;

  • continuïteit hulpverleningsdiensten:

    • meldkamerprocessen;

    • brandweerzorg;

    • ambulancezorg;

    • GHOR;

    • crisisbeheersing van de veiligheidsregio’s;

  • noodzakelijke overheidsprocessen (Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen en rechterlijke macht), zoals het betalen van uitkeringen en toeslagen, burgerzaken, consulaten en ambassades, justitiële inrichtingen en forensische klinieken;

  • onmisbare facilitaire of ondersteunende functies, zoals schoonmaak, beveiliging, toezicht en ICT ten behoeve van een van bovenstaande cruciale beroepsgroepen.

ARTIKEL II VERVAL TIJDELIJKE BEPALINGEN

1. De artikelen 3.1, derde lid, 4.a1, 4.4, vierde lid, 5.1, vijfde en zesde lid, 6.4, lid a1, en vierde lid, en 6.8, zevende lid, van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 vervallen met ingang van 20 januari 2021.

2. De paragrafen 6.5 en 6.6 van, alsmede de bijlage bij de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 vervallen met ingang van 18 januari 2021.

ARTIKEL III SAMENLOOP MET REGELING VAN 8 DECEMBER 2020

Indien de Regeling van de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van Justitie en Veiligheid en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 december 2020, tot wijziging van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 in verband met een verruiming van de mogelijkheden voor topsporters en het aanbrengen van enkele verbeteringen in werking treedt, komt artikel 4.3 van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 te luiden:

Artikel 4.3 Reservering doorstroomlocaties

Een doorstroomlocatie, met uitzondering van een parkeergarage, fietsenstalling, luchthaven, station, halteplaats, of een andere bij het openbaar vervoer of ander bedrijfsmatig personenvervoer behorende voorziening en de daarbij behorende perrons, trappen, tunnels en liften, winkel en warenmarkt, wordt slechts voor publiek opengesteld, indien de beheerder er zorg voor draagt dat:

  • a. het publiek vooraf reserveert voor aankomst in een bepaald tijdvak;

  • b. het publiek alleen wordt toegelaten in het vooraf gereserveerde tijdvak;

  • c. bij aankomst van het publiek een gezondheidscheck wordt uitgevoerd.

ARTIKEL IV INWERKINGTREDING

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren

TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Deze ministeriële regeling treft voor de periode van 15 december 2020 tot en met ten minste 19 januari 2021 aanvullende maatregelen die, in samenhang met de reeds geldende dwingende maatregelen in de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 (Trm) en de dringende adviezen, het aantal contactmomenten terugbrengen tot de strikt cruciale contacten. Deze maatregelen zijn noodzakelijk gegeven het beeld van het verloop van de covid-19 epidemie en zullen dus in ieder geval vijf weken van kracht zijn om de stijging van het aantal besmettingen en het reproductiegetal te bestrijden.

Volgens artikel 58b, tweede lid, van de Wet publieke gezondheid (Wpg) moet elke aanscherping van maatregelen noodzakelijk zijn. Bij het beoordelen van deze noodzaak is aangesloten bij de noodzakelijkheidstoets zoals die in de jurisprudentie over het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en andere mensenrechtenverdragen is ontwikkeld. Waar het om een beperking van grondrechten gaat, is voldaan aan de grondwettelijke eisen en de eisen op grond van Europeesrechtelijke en internationale mensenrechtelijke verdragen.

Gelet op de vaste jurisprudentie over het EVRM en andere mensenrechtenverdragen kent de beoordeling van noodzaak verschillende aspecten: elke beperkende maatregel moet geschikt zijn om het doel te bereiken en er dient geen minder vergaande maatregel mogelijk te zijn waarmee hetzelfde doel bereikt kan worden (subsidiariteit). Aan de hand van de actuele stand van het virus, de wetenschappelijke inzichten en de voortgang van de bestrijding wordt beoordeeld in hoeverre maatregelen noodzakelijk zijn voor het doel van de bestrijding van de epidemie. Daarnaast moet het met de maatregel gediende belang in verhouding zijn met de mate waarin beperking van grondrechten aan de orde is en de voor een of meer belanghebbenden mogelijk nadelige gevolgen (hieronder aangeduid als evenredigheid).

De covid-19 crisis heeft een grote impact op de Nederlandse economie, zowel voor werkgevers, werknemers als zelfstandigen. Daarom heeft het kabinet de afgelopen negen maanden met ongekende steun- en herstelpakketten de economie ondersteund. De noodpakketten en het steun- en herstelpakket hebben hun werk goed gedaan, ondanks het feit dat het onmogelijk is om alle economische gevolgen te voorkomen. Het kabinet is zich bewust dat de verzwaring van de maatregelen ook grote gevolgen heeft voor de economie. Er wordt continu vinger aan de pols of er aanleiding is om het steun- en herstelpakket aan te passen.

2. Redenen voor de maatregelen

Alle indicatoren geven aan dat er meer verspreiding van het virus is en het aantal besmette personen met covid-19 toeneemt. De toename is zichtbaar in alle regio’s en betreft alle leeftijdsgroepen. De duiding is dat het aantal positieve testuitslagen voor SARS-CoV-2 een reële toename is en niet komt door toename in testbereidheid of aanpassingen in het testbeleid. De cijfers wijzen erop dat het aantal meldingen, ziekenhuis- en IC-opnames zal stijgen de komende tijd, als de omstandigheden gelijk blijven.

Het reproductiegetal was naar schatting op 27 november 2020 1,24 (1.21 - 1.27). Omdat de prevalentie van besmettingen in de bevolking nu hoog is ten opzichte van enkele maanden terug, vertaalt een reproductiegetal dat iets groter is dan de waarde van 1 besmetting per patiënt zich in een groot absoluut aantal nieuwe besmettingen per dag. Dit onderstreept nog eens de kwetsbaarheid die er momenteel is vanwege het grote aantal besmettelijke personen in de bevolking.

Het aandeel personen met klachten, de instroom in het ziekenhuis en op IC-afdelingen en het aantal meldingen in verpleeghuizen nemen toe.

Het aantal opnames in het ziekenhuis en op de IC vertoont een lichte stijging. De verwachting is dat de ziekenhuisbezetting door COVID-19-patiënten verder zal toenemen, en ook in de verpleeghuizen wordt een stijging van het aantal patiënten verwacht. Het zal niet mogelijk zijn om hetzelfde aantal IC-bedden te leveren als in de eerste golf, omdat ook de reguliere zorg nu doorgaat. Er worden reeds patiënten regionaal en bovenregionaal verplaatst. De uitwijkmogelijkheid naar IC-bedden in Duitsland is niet vanzelfsprekend gelet op de ontwikkelingen aldaar.1 De druk op de (reguliere) zorg neemt toe en ook het ziekteverzuim in deze sector is aanhoudend hoog. Bij de GGD’en staat de BCO-capaciteit onder druk, en wordt er weer afgeschaald naar risicogestuurd BCO. De wachttijden bij de teststraten kunnen mogelijk weer toenemen.

Bovenstaande sluit aan bij het advies naar aanleiding van het 91e Outbreak Management Team (OMT).2

3. Noodzaak en evenredigheid

Het OMT is gealarmeerd over de effecten van deze stijging en is unaniem van mening dat het van groot belang is om een duidelijk signaal te geven dat het momenteel niet goed gaat en dat we, zonder aanvullende maatregelen, afstevenen op een belangrijke verdere toename van SARS-CoV-2-geïnfecteerde personen tot een aantal dat hoger kan zijn dan het aantal in maart jl. Het OMT adviseert derhalve om aanvullende maatregelen zo snel mogelijk af te kondigen. Voor het OMT is het duidelijk dat de maatregelen die op 13 oktober werden gepresenteerd, gekoppeld aan het huidige niveau van opvolging onvoldoende is om de stijging te stoppen.3

De huidige hoge aantallen nieuwe besmettingen die diffuus over Nederland zowel in stedelijk als in plattelands gebieden optreden, moeten volgens het OMT geduid worden als het gevolg van een in veel te grote getale en te brede mate plaatsvinden van op zichzelf kleine risico’s van virusoverdracht, welke tezamen ertoe leiden dat het dagelijks aantal nieuwe besmettingen belangrijk toeneemt. En met deze toename de kans om buitenhuis nóg kleinere risico’s op overdracht in nieuwe besmettingen te doen laten resulteren. Immers, het virus heeft aan één kans genoeg terwijl wij elke keer ervoor moeten waken dat er geen enkele mogelijkheid tot overdracht optreedt. Daarnaast kan binnen een huishouden verdere doorgifte plaatsvinden.4 Daarom dient het aantal contacten buiten huis zoveel als mogelijk terug te worden gebracht tot alleen cruciale contacten en dient het aantal reisbewegingen aanzienlijk te worden beperkt om de verspreiding van het virus tegen te gaan.

De aanvullende maatregelen die in deze regeling worden getroffen richten zich daarom op het beperken van de groepsvorming tot maximaal twee personen en het sluiten van doorstroomlocaties en vrijwel alle andere publieke plaatsen voor het publiek. Dit betreft onder andere de detailhandel buiten de levensmiddelenbranche, de eet- en drinkgelegenheden in hotels voor hotelgasten en de gebouwen van zwem-, sport- of fitnessaccommodaties (binnen sporten). Daarnaast worden onderwijsinstellingen gesloten voor fysiek onderwijs en sluit de kinderopvang, behalve voor kinderen van personen die werken in cruciale beroepen en kinderen in een kwetsbare positie voor wie maatwerk nodig is. Samen met de dringende adviezen om thuis te werken en geen binnen- of buitenlandse reizen te maken die niet noodzakelijk zijn, voorziet de regeling in een breed pakket aan maatregelen. Hiermee worden met name de bewegingsvrijheid, de persoonlijke levenssfeer en het recht op eigendom nader ingeperkt. De grondslag hiervoor is gegeven in de artikelen, genoemd in de considerans bij deze regeling. Ondanks een initiële, gunstige, ontwikkeling van het epidemiologische beeld, moet worden vastgesteld dat de verspreiding het virus met deze minder vergaande maatregelen niet langer wordt tegengaan. Dit rechtvaardigt deze stap in de escalatie van maatregelen. In de periode maart/april van dit jaar is bovendien gebleken dat de (juridische of feitelijke) sluiting van publieke doorstroomlocaties, alsmede het onderwijs, geschikt is gebleken in het op relatief korte termijn terugdringen van het virus.

Gelet op het gewicht van de maatregelen is de duur van de maatregelen in de tijd beperkt tot en met 19 januari 2021 (voor het onderwijs en de kinderopvang tot en met 17 januari 2021). Naar verwachting zal rond 12 januari 2021 heroverweging kunnen plaatsvinden, op basis van de situatie van dat moment. Zonder tussentijdse besluitvorming over verlenging of aanpassing van de verzwarende maatregelen of een deel daarvan, komen deze te vervallen.

4. Spoedprocedure

De ontwikkeling van het virus in de breedte van het maatschappelijk leven is, zoals hierboven uiteengezet, zodanig ernstig dat zonder extra maatregelen een verdere aanzienlijke verslechtering van de situatie wordt verwacht. De huidige ontwikkeling van de coronaviruspandemie baart het OMT grote zorgen, zo stelt het OMT in het advies van 14 december jl. De hoge prevalentie van besmettelijke personen maakt de huidige situatie nog steeds instabiel en ernstig, en het dreigt erger te worden door verdere toename van het aantal nieuwe besmettingen nu het reproductiegetal significant ruim boven de één ligt. De ziekenhuizen en het medische personeel zitten al aan de grens van wat haalbaar is, volgens het OMT. Dit zijn zeer ongunstige condities aan de vooravond van de kerstvakantie en winterperiode. Het OMT adviseert om zo spoedig mogelijk de huidige maatregelen uit te breiden en aan te scherpen. Zonder een aangescherpte fase rondom de kerstvakantie bestaat het risico, volgens het OMT, dat de huidige partiële lockdown en de bijbehorende restricties nog maandenlang moeten worden gehandhaafd. Naar ons oordeel kan daarom de uitgestelde inwerkingtreding van ten minste een week - die uitgangspunt dient te zijn bij de vaststelling van maatregelen op basis van hoofdstuk Va Wpg - in deze zeer dringende omstandigheden niet worden afgewacht. Daarom is toepassing gegeven aan de spoedprocedure van artikel 58c, derde lid, Wpg.

5. Verhouding gemeentelijke regelgeving

In de toelichting bij de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 is reeds aangegeven dat de fase waarin de bestrijding van het virus zich bevindt lokaal maatwerk van de burgemeester slechts zeer beperkt kan worden toegepast. Vrijwel alle gemeenten zitten in een hoog inschalingsniveau, het aantal besmettingen ligt hoog en de druk op de zorg is groot. Dat is op het moment van het vaststellen van de onderhavige ministeriële regeling onverminderd het geval. Daarom worden op het niveau van het Rijk uniforme maatregelen genomen om het aantal besmettingen terug te brengen. Deze ministeriële regeling bevat geen aanvullende ontheffingsmogelijkheden voor de burgemeester op grond van artikel 58e, tweede lid, aanhef en onder b, Wpg, en evenmin bevoegdheden voor de burgemeester om plaatsen aan te wijzen waar bepaalde maatregelen gelden (artikel 58e, vijfde lid, Wpg). De maatregelen die in het nieuw voorgestelde artikel 4.a1 worden genomen gelden ook al voor veel publieke plaatsen. De in het tweede lid opgesomde uitgezondere publieke plaatsen kunnen niet bij autonome gemeentelijke verordening alsnog worden gesloten. Een dergelijke strengere regeling komt in strijd met de onderhavige regeling.

6. Inwerkingtreding en werkingsduur

De maatregelen gaan in op dinsdag 15 december 2020 en duren tot ten minste dinsdag 19 januari 2021. Met het oog op de nodige voorbereiding gaan de maatregelen voor het onderwijs en kinderopvang een dag later in, dus woensdag 16 december 2020. Deze duren tot ten minste zondag 17 januari 2021.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A

De groepsvorming op openbare plaatsen en op de erven bij publiek plaatsen en besloten plaatsen (buiten), niet zijnde een woning, wordt beperkt tot twee personen. Artikel 3.1 van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 voorziet nu in een verbod op groepsvorming met meer dan 4 personen. De risico’s voor de volksgezondheid bij groepen zijn groter: een enkele besmetting kan bij (grote) groepen meer besmettingen tot gevolg hebben. Het maximeren van de toegestane groepsgrootte kan voorkomen dat mensen zich onverhoopt niet aan de veiligeafstandsnorm kunnen houden en beperkt bovendien de hoeveelheid potentiële besmettingen die daaruit voort kunnen vloeien. Het beperken tot twee personen sluit aan bij de noodzaak om het aantal contactmomenten tot de hoognodige contacten te beperken. De uitzonderingen blijven ongewijzigd. Ook het maximale aantal personen waarmee kan worden gereserveerd of geplaceerd, bij activiteiten die vallen onder de regels voor evenementen, bedoeld in artikel 5.1, wordt beperkt tot twee personen.

Onderdeel B

Op grond van artikel 4a.1 zijn alle voor het publiek openstaande plaatsen in beginsel gesloten. Het gaat dan bijvoorbeeld om winkels, bioscopen, filmhuizen, concertzalen, podia voor alle genres van muziek, theaters en hiermee vergelijkbare culturele instellingen, musea, presentatie-instellingen, monumenten met een publieksfunctie, bibliotheken, casino's, arcadehallen, speelhallen, zwembaden, pretparken, dierentuinen en seksinrichtingen. Het verbod ziet dus ook op de buitenlocaties zoals bij de dierentuin, het klimbos en het pretpark. Dit verbod dient het aantal contacten buiten huis zoveel als mogelijk terug te brengen, drukte te voorkomen in voor publiek openstaande plaatsen en het aantal reisbewegingen te beperken om de verspreiding van het virus tegen te gaan.

Vooropgesteld moet worden dat artikel 4.a1 gericht een beperkt aantal uitzonderingen maakt op de sluiting van publieke plaatsen voor het publiek omdat het hier gaat om cruciale maatschappelijke processen ten behoeve van doorgang van het dagelijks leven en welzijn. Het gaat in de basis om locaties van essentiële detailhandel gericht op primaire levensbehoeften. Zo mogen bijvoorbeeld supermarkten, bakkers, slagers, viswinkels, groenteboeren en boerderij- en landwinkels, warenmarkten in de levensmiddelenbranche open blijven. Ook drogisterijen en apotheken worden opengesteld. Locaties waar reparaties aan goederen uitgevoerd worden en post- en pakketservice aangeboden worden zijn uitgezonderd. Zo kan bijvoorbeeld ook een locatie waar sleutels gemaakt worden of een auto gerepareerd wordt, opengesteld worden. Daarnaast worden plaatsen waar financiële en zakelijke dienstverlening plaatsvindt uitgezonderd, zodat bijvoorbeeld banken, hypotheekverstrekkers en makelaars voor klanten open kunnen blijven.

Daarnaast worden plaatsen waar financiële en zakelijke dienstverlening plaatsvindt uitgezonderd, zodat bijvoorbeeld banken, hypotheekverstrekkers en makelaars voor klanten open kunnen blijven.

Voor winkels geldt dat geen afhaalfunctie mogelijk is in verband met de risico’s dat daardoor alsnog grote groepen winkelend publiek op gang komen. Hiervoor geldt een uitzondering voor het afhalen van reeds bestelde goederen in winkels voor doe-het-zelf-artikelen, zoals bouwmarkten. Ook voor bibliotheken geldt dat ze open mogen om gereserveerde boeken af te halen en terug te brengen. Voor de overige winkeliers is bezorgen wel een mogelijkheid.

Buurt- en wijkcentra mogen uitsluitend open voor activiteiten ten behoeve van kwetsbare groepen.

In de regel is bepalend waar de betreffende plaats in hoofdzaak op is gericht: als dat de levenmiddelenbranche is, zoals een supermarkt of slager, dan valt een dergelijke winkel onder de uitzondering en kan deze geopend zijn. Dat laat onverlet dat in die supermarkt mogelijk ook in beperkte mate non-foodartikelen worden verkocht. Voor plaatsen met meerdere functies die niet allen onder de uitzonderingen vallen, zoals een fietsenhandel met een werkplaats voor reparatie en herstel van fietsen, geldt dat de plaats alleen open mag voor zover het die functie en de daarvoor benodigde locatie betreft. Zo mag in de autobranche de werkplaats wel open worden gesteld maar de showroom niet.

De uitzondering voor de buitenverkoop van kerstbomen en bloemen is opgenomen met het oog op de aanstaande feestdagen, waarbij de verwachting is dat de piek van deze activiteit voor de kerst zal liggen.

Zorglocaties zijn gedefinieerd in artikel 58a, eerste lid, van de wet, waarbij bepalend is dat het gaat om zorg als bedoeld in de daar genoemde wetten. Dit omvat ook opvang voor kwetsbare personen, zoals de opvang van personen zonder vaste woon- of verblijfplaats. Evenals een buurt- of dorpshuis dan wel wijkcentrum waar op afspraak activiteiten gericht op individuele maatschappelijke ondersteuning van kwetsbare groepen plaatsvindt.

Zoals al toegelicht bij de Regeling van 8 december 2020 tot wijziging van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 in verband met een verruiming van de mogelijkheden voor topsporters en het aanbrengen van enkele verbeteringen, worden onder kwetsbare groepen mensen met een beperking begrepen, maar ook sommige ouderen. Het bieden van dagbesteding is vitaal voor de kwaliteit van leven van mensen met een (verstandelijke) beperking en het is dan ook belangrijk dat dagbesteding zo veel mogelijk doorgang kan vinden. De hier bedoelde dagbesteding is dagbesteding in het kader van zorg, maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp op basis van de Wet langdurige zorg, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet. Deze uitzondering is alleen relevant voor zover de besloten en georganiseerde dagbesteding plaatsvindt een publieke plaats is. Dit zijn locaties waar besloten en georganiseerde dagbesteding plaatsvindt voor kwetsbare groepen, met name buurthuizen of huizen van de wijk of andere locaties die daarvoor door gemeenten bestemd zijn.

Op publieke plaatsen waarop de Wet openbare manifestaties van toepassing is, wordt het kader van die wet gehanteerd.

Voor de publieke plaatsen die op grond van dit artikel opengesteld kunnen worden, blijven de overige bepalingen uit hoofdstuk 4 gelden, zoals de algemene voorwaarden voor openstelling van publieke plaatsen (hygiënemaatregelen, stromen van publiek scheiden, placering) en een maximum van dertig personen publiek per zelfstandige ruimte. De zinsnede ‘onverminderd artikel 58h, tweede lid, van de wet’ in de aanhef van artikel 4a.1 maakt duidelijk dat de in artikel 58h, tweede lid, Wpg genoemde publieke plaatsen (stemlokalen, vergaderplaatsen van de Staten-Generaal en andere algemeen vertegenwoordigende organen, gerechtsgebouwen) niet onder het bereik van de gesloten publieke plaatsen vallen; deze plaatsen zijn dus niet ook nog eens in de opsomming van uitzonderingen opgenomen. De zinsnede ‘onverminderd (....) artikel 4.4, eerste en derde lid’ maakt duidelijk dat het in artikel 4.4 van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 reeds opgenomen verbod op openstelling voor het publiek van eet- en drinkgelegenheden en coffeeshops eveneens blijft gelden.

Onderdeel C

Per abuis was in de regeling niet opgenomen dat voor de doorstroomlocaties parkeergarages en fietsenstallingen ook geen reserveringsplicht geldt. Hiermee wordt deze omissie hersteld. Deze verbetering vervalt medio januari 2021 niet.

Onderdeel D

Artikel 4.4 van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 bevat reeds een verbod op openstelling van eet- en drinkgelegenheden voor het publiek. Van deze regels is de openstelling van een eet- en drinkgelegenheid van een hotel voor de daadwerkelijk verblijvende hotelgasten uitgezonderd. Deze uitzondering had als reden dat het voor een persoon die in een hotelkamer verblijft, mogelijk moest zijn om een maaltijd te nuttigen in het restaurant van het hotel. De praktijk is gebleken dat van deze uitzonderingsmogelijkheid ruimschoots gebruik is gemaakt, zelfs in een mate die verder gaat dan de oorspronkelijke bedoeling van de uitzondering was en die een wervend karakter heeft verkregen, waarvan een averechts effect uitgaat. In het kader van de met deze regeling voorziene maatregelen komt deze uitzondering daarom te vervallen. De eet- en drinkgelegenheden van hotels, met inbegrip van de roomservice, worden gesloten voor het publiek. De eet- en drinkgelegenheden in een hotel vallen daarmee onder dezelfde regels als andere eet- en drinkgelegenheden. In lijn hiermee is bezorgen vanuit de eet - en drinkgelegenheid van het hotel aan hotelgasten op de kamer niet mogelijk, een afhaalfunctie wel.

Onderdeel E

Het organiseren van markten wordt beperkt tot warenmarkten in de levensmiddelenbranche. Op grond van artikel 5.1 van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 was het toegestaan om een warenmarkt te organiseren. Gelet op de verzwaarde maatregelen van deze regeling wordt dit nu beperkt. Het is daarmee niet toegestaan om bijvoorbeeld een markt te organiseren waar souvenirs, kleding en stoffen worden verkocht.

Onderdeel F

Voor het beoefenen van sport geldt dat dit uitsluitend buiten mag plaatsvinden, met inachtneming van de regels omtrent de veiligeafstandsnorm en met niet meer dan twee personen. Daarnaast blijven de huidige uitzonderingen uit de artikelen 6.1, 6.2 en 6.3 van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 van toepassing. Dit betekent dat kinderen tot en met 17 jaar buiten in teamverband mogen sporten binnen de eigen sportclub. Er kunnen dus onderlinge wedstrijden op de eigen sportlocatie gespeeld worden.

Ook topsporters mogen zowel binnen als buiten sporten. De topsportcompetities vormen de basis van de Nederlandse topsportinfrastructuur. Het trainen en wedstrijden spelen door sporters in deze competities is van groot belang om voor Nederland en Nederlandse teams het level playing field op internationaal gebied te waarborgen. In de landen om ons heen (België, Duitsland) geldt de uitzondering ook. Het gaat hier om overwegend professionals/semi-professionals, waaronder sporters die zich voorbereiden op deelname aan de Olympische spelen. Het betreft een beperkte groep (circa 4000 sporters) waarvoor bovendien door de sport zelf ontwikkelde strikte protocollen gelden om de verspreiding van het virus te minimaliseren. Daarmee is het risico voor de volksgezondheid minimaal. Ten slotte is meegewogen dat voor veel Nederlanders de topcompetities via televisie en andere mediakanalen een grote amusementswaarde hebben. In deze tijd is dit voor veel mensen belangrijk.

Onderdeel G

In onderdeel G wordt een lid toegevoegd aan artikel 6.8, op grond waarvan het verboden is van 15 december 2020 tot en met 19 januari 2021 een contactberoep uit te oefenen. Het gaat hier blijkens de reeds bestaande definitie in artikel 1 van de regeling om beroepen waarbij het niet mogelijk is ten minste de veilige afstand te houden tot een klant of patiënt. Zoals vermeld in de toelichting op dat artikel gaat het hier onder meer om beroepen waarbij fysiek contact met de klant noodzakelijk is zoals bij kappers, nagelstylisten en sekswerkers en om beroepen waarbij het voor de beoefenaar van het beroep noodzakelijk is om zich in een afgesloten ruimte te bevinden op beperkte afstand tot de klant, zoals het geval is bij rijinstructeurs. Een uitzondering op het verbod is gemaakt voor (para)medische contactberoepen (zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19), audiciens, opticiens en de dierenarts.

Onderdeel H
Paragraaf 6.5 Onderwijs

In paragraaf 6.5 wordt een artikel 6.10 toegevoegd op grond waarvan het afstandsonderwijs wordt ingevoerd. Het maatregelenpakket zet breed in op het beperken van contactmomenten en reisbewegingen, waarvan fysieke schoolsluiting een proportioneel onderdeel vormt. Dit zorgt enerzijds voor verminderde contactmomenten tussen leerlingen en hun leraren, en anderzijds voor verminderde reisbewegingen leerlingen, leraren en van hun ouders met kinderen in het primair onderwijs.

Het eerste lid van artikel 6.10 verbiedt het geven van onderwijs in onderwijsinstellingen met ingang van 16 december 2020 tot ten minste 17 januari 2021. Dit verbod geldt voor alle onderwijssectoren zowel op locatie als daarbuiten. In het tweede lid van dit artikel wordt een aantal uitzonderingen op dit verbod genoemd. Deze uitzonderingen zijn vergelijkbaar met de uitzonderingen die golden bij de sluiting van onderwijsinstellingen in (de loop van) het voorjaar ingevolge de toen vastgestelde noodverordeningen.

Allereerst is geregeld dat in onderwijsinstellingen onderwijs op afstand kan worden georganiseerd. Bij onderwijs op afstand kan het gaan om lesgeven langs elektronische weg. Onder afstandsonderwijs wordt ook verstaan het meegeven van lespakketten aan leerlingen en studenten met contactmomenten. De mogelijkheid om afstandsonderwijs te verzorgen, is niet vrijblijvend. Zoals vermeld in de memorie van toelichting bij de wet volgt uit de wettelijk verplichting om goed onderwijs te verzorgen, dat op onderwijsinstellingen een inspanningsplicht rust om te voorzien in alternatieven voor fysieke onderwijsactiviteiten.

Daarnaast geldt een uitzondering voor praktijkvakken (onderdeel b). Het gaat dan om praktijkgericht onderwijs in het voortgezet middelbaar beroepsonderwijs, praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs en het praktijkonderwijs in het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs (inclusief MBO1 en MBO2).

Instellingen voor voortgezet onderwijs mogen onderwijsactiviteiten blijven verrichten voor leerlingen in het examenjaar en schoolexamens in het voorexamenjaar afnemen (onderdeel c). Hieronder vallen ook de staatsexamens. Onderdeel d bevat een uitzondering voor het organiseren en afnemen van examens, tentamens en toetsen in voor beroepsonderwijs en hoger onderwijs.

Onderdeel d bevat een uitzondering voor het organiseren en afnemen van (school)examens, tentamens en toetsen. Hieronder vallen bijvoorbeeld ook de staatsexamens. In het voortgezet onderwijs geldt deze uitzondering alleen voor het afnemen van schoolexamens in het voorexamen- en examenjaar.

Tot slot bestaat een uitzondering voor het kleinschalig begeleiden van leerlingen en studenten voor wie vanwege bijzondere problematiek of moeilijke thuissituatie maatwerk nodig is en leerlingen in het primair onderwijs met een ouder of voogd met een cruciaal beroep. Bij instellingen voor primair en voortgezet onderwijs wordt op basis van een lokaal vastgestelde procedure tussen gemeenten en betrokken onderwijsinstellingen, met betrokkenheid van onder andere Veilig Thuis, de raad voor de kinderbescherming en jeugdinstellingen, bepaald voor wie dit maatwerk nodig is. Onderwijsinstellingen zullen dus binnen reguliere onderwijstijden open zijn voor leerlingen en studenten in een kwetsbare positie en voor wat het primair onderwijs betreft, ook voor kinderen van ouders in cruciale beroepen. Wat kwalificeert als een cruciaal beroep is geregeld in bijlage 1 (zie daarvoor onderdeel I).

Volledigheidshalve zij vermeld dat beroepspraktijkvorming en stages bij bedrijven niet onder het verbod van het eerste lid vallen. In dat geval gelden de regels in de betreffende sector.

Paragraaf 6.6 Kinderopvang

In paragraaf 6.6, artikel 6.11, wordt geregeld dat het verboden is kinderopvang geopend te hebben voor publiek, met uitzondering van opvang voor kinderen van ouders met een cruciaal beroep, zoals opgenomen in bijlage 1 (zie daarvoor onderdeel I) of voor leerlingen en studenten in een kwetsbare positie. Opvang voor kinderen van ouders met een cruciaal beroep en voor kwetsbare kinderen wordt dus op de reguliere locatie tijdens reguliere openingstijden aangeboden in kinderdagverblijven en buitenschoolse opvang. Organisaties voor kinderopvang werken mee aan openstelling ten behoeve van de opvang van kinderen van ouders met een cruciaal beroep en voor kwetsbare kinderen. De voorzieningen voor gastouderopvang blijven open. Dit heeft als voordeel dat er geen 24-uurs noodopvang georganiseerd hoeft te worden, omdat van de reguliere gastouderopvang gebruik gemaakt kan worden. De gastouderopvang wordt veel gebruikt door mensen die in cruciale beroepen werken, omdat de gastouderopvang ook (onregelmatige) opvang kan bieden voor avond, nacht en weekend. Ook kunnen kinderen dan bij vertrouwde gezichten terecht. Dit zorgt ervoor dat ouders in de zorg en andere cruciale beroepen kunnen blijven werken. Wel wordt er op aangedrongen alleen gebruik te maken van gastouderopvang als ouders werkzaam zijn in een cruciaal beroep.

Onderdeel I

Onderdeel I voegt een bijlage toe aan de regeling. Op grond van artikel 58r, tweede lid, onder a, Wpg kan bij ministeriële regeling worden aangewezen welke beroepen en processen cruciaal respectievelijk vitaal zijn. Bijlage 1 bevat deze lijst. Kinderopvang en onderwijsinstellingen die opvang bieden aan kinderen van ouders die werkzaam zijn in de cruciale beroepen, zoals opgenomen in bijlage 1, mogen opengesteld worden voor publiek (zie onderdeel G).

Specifiek voor covid-19 zijn er cruciale beroepsgroepen voor de continuering van de samenleving draaiende te houden tijdens de covid-19-uitbraak opgenomen in de bijlage. Deze beroepsgroepen zijn gelijk aan de groepen die zijn geïdentificeerd als cruciaal in het voorjaar van dit jaar, waaronder personen werkzaam in de vitale processen zoals gedefinieerd in de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen.

Artikel II Verval tijdelijke bepalingen

Gelet op het gewicht van de maatregelen is de duur van de maatregelen in de tijd beperkt tot ten minste 19 januari 2021 (de maatregelen voor het onderwijs en kinderopvang tot ten minste 17 januari 2021). De tijdelijke werkingsduur is in de desbetreffende bepalingen zelf vastgelegd. Artikel II zorgt ervoor dat de tijdelijk werkende bepalingen nadat zij zijn uitgewerkt uit de regeling verdwijnen. Zonder tussentijdse besluitvorming over verlenging of aanpassing van de maatregelen of een deel daarvan, lopen de maatregelen dus af op de datum die in de desbetreffende bepalingen is genoemd. De verbetering in artikel I, onder C, duurt voort.

Artikel III Samenloop

Dit artikel bevat een samenloopbepaling voor het geval de ministeriële regeling van 8 december 2020, tot wijziging van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 in verband met een verruiming van de mogelijkheden voor topsporters en het aanbrengen van enkele verbeteringen in werking treedt. Die regeling is nog niet in werking getreden, omdat zij bij de Kamers is nagehangen en de week die daarmee is gemoeid, nog niet is verstreken.

Artikel IV Inwerkingtreding

Gelet op artikel 58c, tweede lid, Wpg treedt deze ministeriële regeling onverwijld na de vaststelling en bekendmaking in werking, aangezien sprake is van een zeer dringende omstandigheid waarin ter beperking van gevaar direct moet worden gehandeld. Vanwege de vereiste spoed wordt daarbij afgeweken van de zogeheten vaste verandermomenten en de minimuminvoeringstermijn van drie maanden. De regeling wordt binnen twee dagen na vaststelling aan beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De regeling vervalt van rechtswege indien de Tweede Kamer binnen een week na de toezending besluit niet in te stemmen met de regeling.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, H.M. de Jonge


X Noot
1

Landelijk Netwerk Acute Zorg (2020, 9 december). Technische briefing Tweede Kamer: LCPS: Statusupdate, prognoses en implicaties (powerpoint).

X Noot
2

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (2020, 14 december). Advies n.a.v. 91e OMT.

X Noot
3

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (2020, 14 december). Advies n.a.v. 91e OMT.

X Noot
4

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (2020, 14 december). Advies n.a.v. 91e OMT.