Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 10 december 2020, nr. WJZ/ 20271563, tot tijdelijke aanpassing van de percentages S&O-afdrachtvermindering en tot herstel van enkele wetstechnische gebreken in de Regeling S&O-afdrachtvermindering (Regeling tijdelijke aanpassing percentages S&O-afdrachtvermindering 2021)

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat,

Gelet op de artikelen 24, eerste lid, en 29 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen;

Besluit:

Artikel 1

  • 1. Het in artikel 23, derde en vierde lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, laatstgenoemde percentage van 16 wordt tot en met 31 december 2021 verhoogd tot 24.

  • 2. Het in artikel 23, zevende lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, genoemde percentage van 24 wordt tot en met 31 december 2021 verhoogd tot 34.

Artikel 2

In artikel 3, eerste en tweede lid, van de Regeling S&O-afdrachtvermindering wordt ‘waarin de S&O-verklaring afgegeven is’ telkens vervangen door ‘waarvoor de S&O-verklaring afgegeven is’.

Artikel 3

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2021 en vervalt met ingang van 1 januari 2022.

Artikel 4

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tijdelijke aanpassing percentages S&O-afdrachtvermindering 2021.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 10 december 2020

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, M.C.G. Keijzer

TOELICHTING

1. ALGEMEEN

1. Aanleiding en doel

De coronacrisis heeft grote gevolgen voor het Nederlandse bedrijfsleven. Ook investeringen in Research & Development (R&D) kunnen onder druk komen te staan als gevolg hiervan, terwijl de ontwikkeling van technisch nieuwe producten, processen en programmatuur juist nodig is om uit de crisis te komen.

Uit meerdere evaluaties blijkt dat de in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: WVA) opgenomen S&O-afdrachtvermindering (beter bekend als WBSO) een belangrijke stimulans is voor de private investeringen in R&D en om een goed vestigingsklimaat voor R&D-intensieve bedrijven te borgen.1 Met de WBSO kan een S&O-inhoudingsplichtige gedurende het kalenderjaar via zijn aangifte loonheffingen een deel van de kosten voor speur- en ontwikkelingswerk (S&O) compenseren. Om ervoor te zorgen dat de private investeringen in S&O tijdens deze crisis zoveel mogelijk op peil blijven, heeft het kabinet besloten om extra budget beschikbaar te stellen voor de WBSO in 2021. Dit budget is afkomstig uit nog beschikbare onderuitputting van de WBSO-budgetten uit recente jaren. Dit budget zal gericht worden ingezet voor de verhoging van het tarief in de eerste schijf (van 32% naar 40%) en het starterstarief (van 40% naar 50%), waardoor met name innovatieve mkb-ondernemingen en starters een extra stimulans krijgen om te investeren in S&O. Deze wijziging is op Prinsjesdag 2020 toegelicht in een brief aan de Tweede Kamer.2

Tevens wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om een wetstechnische correctie door te voeren in de Regeling S&O-afdrachtvermindering.

2. Regeldruk

Deze regeling heeft geen regeldrukeffecten, omdat deze regeling geen verplichtingen oplegt aan bedrijfsleven, maar hierin slechts de percentages S&O-afdrachtvermindering worden aangepast en een kleine correctie wordt doorgevoerd in de Regeling S&O-afdrachtvermindering.

3. Vaste verandermomenten

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2021, een vast verandermoment. Met publicatie minder dan twee maanden voordien wordt afgeweken van het beleid inzake de vaste verandermomenten, zoals opgenomen in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Deze afwijking is gerechtvaardigd, omdat het spoedregelgeving betreft.

II. ARTIKELEN

Artikel 1

Artikel 23 van de WVA bevat bepalingen die verband houden met de S&O-verklaring en met de omvang van de S&O-afdrachtvermindering. Het derde lid stelt de omvang van de S&O-afdrachtvermindering vast in het geval de S&O-inhoudingsplichtige bij de eerste aanvraag in het jaar niet gekozen heeft voor de forfaitaire benadering van de kosten en uitgaven, maar voor het regime van werkelijke kosten en uitgaven. Het vierde lid stelt de omvang van de S&O-afdrachtvermindering vast in het geval gekozen is voor de genoemde forfaitaire benadering. Binnen de WBSO gelden twee schijven met een verschillend ondersteuningspercentage, waarbij het toepasselijke ondersteuningspercentage afhankelijk is van de totaal gemaakte S&O-kosten (grens tussen de eerste en tweede schijf ligt bij € 350.000). Daarnaast geldt een verhoogd percentage van de eerste schijf voor starters (opgenomen in artikel 23, zevende lid, van de WVA). Artikel 29 van de WVA geeft de mogelijkheid om deze percentages met ingang van 1 januari van enig jaar bij ministeriële regeling binnen een zekere bandbreedte te verhogen of te verlagen, met het oog op het bereiken van zoveel mogelijk evenwicht tussen de S&O-afdrachtverminderingen en het hiervoor in de rijksbegroting opgenomen bedrag.

Het percentage van de eerste schijf wordt berekend door het percentage van de tweede schijf (het in artikel 23, derde en vierde lid van de WVA, eerstgenoemde percentage van 16), te vermeerderen met het laatstgenoemde percentage in artikel 23, derde en vierde lid, van de WVA. Door dit laatstgenoemde percentage met artikel 1, eerste lid, van deze regeling tijdelijk te verhogen van 16 naar 24, komt het percentage van de eerste schijf voor 2021 uit op 40 (24+16).

Het verhoogde starterspercentage van de eerste schijf wordt berekend door het percentage van de tweede schijf (het in artikel 23, derde en vierde lid van de WVA, eerstgenoemde percentage van 16) te vermeerderen met het percentage genoemd in artikel 23, zevende lid, van de WVA. Door dit laatste percentage met artikel 1, tweede lid, van deze regeling tijdelijk te verhogen van 24 naar 34, komt het verhoogde starterspercentage van de eerste schijf voor 2021 uit op 50 (34+16).

Artikel 2

Met dit artikel is een kennelijke fout in de Regeling S&O-afdrachtvermindering hersteld. In deze regeling zijn eisen gesteld aan de administratie die de S&O-inhoudingsplichtige of de S&O-belastingplichtige dient te voeren voor de in de S&O-verklaring opgenomen S&O-projecten. In artikel drie, eerste en tweede lid, van de Regeling S&O-afdrachtvermindering was per abuis opgenomen dat de administratie betrekking heeft op het jaar waarin de S&O-verklaring is afgegeven. Beoogd is uiteraard echter dat een administratie wordt gevoerd met betrekking tot het jaar waarvoor de S&O-verklaring is afgegeven, en niet met betrekking tot het jaar waarin de S&O-verklaring is afgegeven. De S&O-verklaring kan immers ook afgegeven worden in het jaar voorafgaand of het jaar volgend op het jaar waarop de S&O-verklaring ziet. Met onderhavige wijziging wordt daarom ‘waarin’ veranderd in ‘waarvoor’.

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, M.C.G. Keijzer


X Noot
1

Evaluatie WBSO 2011–2017, Dialogic, APE en UNU Merit, februari 2019; Evaluatie WBSO 2006–2010, EIM, februari 2012.

X Noot
2

Kamerstukken II 2020/21, 32 637 nr. 432.

Naar boven