Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2020, 65777Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 december 2020, MBO/26228811, houdende regels voor subsidieverstrekking voor de aanpak van laaggeletterdheid (Subsidieregeling Tel mee met Taal 2021-2024)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op de artikelen 4 en 5 van de Wet overige OCW-subsidies en de artikelen 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

aanvullende activiteiten:

activiteiten als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder a en b;

buitenland:

landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte en Zwitserland, met uitzondering van Nederland en Caribisch Nederland; Caribisch Nederland: Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

contacturen:
  • a. voor een subsidie als bedoeld in paragraaf 2: aantal uren feitelijk contact tussen een werknemer of een groep van werknemers en een of meer taaldocenten;

  • b. voor een subsidie als bedoeld in paragraaf 3: aantal uren feitelijk contact tussen een ouder of een groep van ouders en een of meer personen die de cursus verzorgen;

cursus:
  • a. voor een subsidie als bedoeld in paragraaf 3: cursus als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, en tweede lid;

  • b. voor een subsidie als bedoeld in paragraaf 4: cursus als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a en b;

dienstbetrekking:
  • a. dienstbetrekking gebaseerd op een arbeidsovereenkomst als bedoeld in de artikelen 610 en 690 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;

  • b. arbeidsovereenkomst gebaseerd op artikel 1 van de Ambtenarenwet 2017 of artikel 2 van de Wet sociale werkvoorziening;

  • c. overeenkomst van opdracht als bedoeld in artikel 400 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;

  • d. een dienstbetrekking in het buitenland, vergelijkbaar met een dienstbetrekking als bedoeld onder a, b of c;

digitale vaardigheden:

vaardigheden in het gebruik van herkenbare digitale toepassingen binnen de alledaagse leef-, werk- en leeromgeving en het verrichten van de meest voorkomende handelingen op de domeinen:

  • a. het gebruik van ICT-systemen;

  • b. beveiliging, privacy en ergonomie;

  • c. het zoeken van informatie;

  • d. het verwerken en presenteren van informatie; en

  • e. communicatie;

experiment:

experiment als bedoeld in artikel 20, eerste lid;

experiment gericht op bereik:

experiment als bedoeld in artikel 20, aanhef en eerste lid, onder a;

experiment gericht op kwaliteit:

experiment als bedoeld in artikel 20, aanhef en eerste lid, onder b;

inburgeringscursus:

geheel van activiteiten dat wordt uitgevoerd ter voorbereiding op het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inburgering, of ter voorbereiding op het staatsexamen Nederlands als tweede taal;

Kaderregeling:

Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

minister:

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

nazorg:

nazorg als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder b;

O&O-fonds:

Opleidings- en Ontwikkelfonds, opgericht bij een bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangemelde collectieve arbeidsovereenkomst;

opleider:

opleider als bedoeld in artikel 7 waarvoor de taaldocent werkzaam is;

opleidingstraject:

opleidingstraject als bedoeld in artikel 5, eerste lid;

ouder:
  • a. natuurlijke ouder of adoptiefouder in de zin van de artikelen 197 tot en met 232 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van een minderjarige;

  • b. voogd in de zin van de artikelen 280 tot en met 301 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van een minderjarige;

  • c. verzorger die een minderjarige verzorgt en opvoedt zonder dat hem het gezag over die minderjarige toekomt;

overige activiteiten:

activiteiten als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder b, en derde lid;

rekenvaardigheid:

vaardigheid op het gebied van getallen, verhoudingen, meten en meetkunde, of verbanden;

taaldocent:

docent als bedoeld in artikel 7;

taalvaardigheden:

schrijfvaardigheid, leesvaardigheid, luistervaardigheid of spreekvaardigheid in de Nederlandse taal;

voorzorg:

voorzorg als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder a;

werkgever:

natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde de Staat, een provincie, een waterschap, een gemeente of een buitenlands overheidsorgaan, waarbij werknemers in dienstbetrekking werkzaam zijn;

werknemer:

natuurlijke persoon die een dienstbetrekking heeft bij een werkgever.

Artikel 2. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling.

Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten

  • 1. De minister kan subsidie verstrekken voor activiteiten als bedoeld in paragraaf 2, 3 of 4.

  • 2. De minister verstrekt geen subsidie voor:

    • a. een inburgeringscursus of een onderdeel daarvan;

    • b. een opleiding educatie als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een onderdeel daarvan;

    • c. een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.1.2, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een onderdeel daarvan;

    • d. een andere opleiding die leidt tot een door de minister erkend diploma of een onderdeel daarvan;

    • e. activiteiten waarvoor aan de aanvrager reeds een andere subsidie of een andere financiële bijdrage van de minister of een of meer andere bestuursorganen is verstrekt; of

    • f. activiteiten die voor het tijdstip van het indienen van de aanvraag zijn aangevangen.

  • 3. In afwijking van het tweede lid, onder f, en, indien van toepassing, artikel 3.2, tweede lid, van de Kaderregeling, kan eveneens subsidie worden verstrekt voor de voorzorg die voorafgaand aan de aanvraag aanvangt.

Artikel 4. De subsidieaanvraag

  • 1. Voor een subsidieaanvraag als bedoeld in paragraaf 2, 3 of 4 wordt een door de minister vastgesteld modelformulier gebruikt dat is bekendgemaakt op de website https://www.dus-i.nl/subsidies/tel-mee-met-taal.

  • 2. In de kalenderjaren 2021 tot en met 2024 kan telkens in de periode van 1 januari tot en met de laatste dag van februari een aanvraag worden ingediend. De minister wijst aanvragen die zijn ingediend buiten een aanvraagperiode af.

§ 2. Subsidie voor activiteiten voor laaggeletterde werknemers

Artikel 5. Subsidie voor activiteiten voor laaggeletterde werknemers

  • 1. De minister kan aan een werkgever op aanvraag een subsidie verstrekken voor een in de Nederlandse taal gegeven en door een taaldocent verzorgd opleidingstraject met minimaal 30 contacturen per werknemer en gericht op het verbeteren van een of meer taalvaardigheden, de rekenvaardigheid of de digitale vaardigheden van een werknemer, en voor de volgende eventuele aanvullende activiteiten:

    • a. de voorzorg, zijnde het werven van werknemers en het bepalen welk opleidingstraject voor hen het meest passend is; en

    • b. de nazorg, zijnde het begeleiden van werknemers bij het volgen van een vervolgscholing, het verspreiden van de opbrengsten van het opleidingstraject binnen de organisatie van de werkgever of het toepassen daarvan in het HRM-beleid van de werkgever.

  • 2. De werkgever beschikt over een inschrijving bij de Kamer van Koophandel of, indien de werkgever in het buitenland is gevestigd, een inschrijving bij de met de Kamer van Koophandel vergelijkbare instantie in het land van vestiging.

  • 3. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid kan slechts worden gedaan voor werknemers woonachtig in Nederland die een of meer taalvaardigheden van de Nederlandse taal beheersen op een niveau lager dan het referentieniveau 2F, zoals vastgesteld in bijlage 1 behorende bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen. De werkgever stelt het referentieniveau van een werknemer vast aan de hand van een actuele individuele niveaubepaling of niveau-indicatie. De niveaubepaling of niveau-indicatie wordt uiterlijk voor de start van het opleidingstraject afgenomen op basis van een gevalideerd instrument.

  • 4. Een werkgever kan ten hoogste eenmaal per jaar subsidie als bedoeld in deze paragraaf aanvragen.

Artikel 6. Penvoerderschap

  • 1. De aanvraag, bedoeld in artikel 5, eerste lid, kan tevens worden ingediend door een penvoerder, zijnde:

    • a. een werkgever die de bedoelde aanvraag mede namens een of meer andere werkgevers doet; of

    • b. een O&O-fonds dan wel een opleider die de bedoelde aanvraag namens een of meer werkgevers doet.

  • 2. De penvoerder beschikt over een inschrijving bij de Kamer van Koophandel of, indien de penvoerder in het buitenland is gevestigd, een inschrijving bij de met de Kamer van Koophandel vergelijkbare instantie in het land van vestiging.

  • 3. Indien de aanvraag wordt ingediend door een penvoerder wordt de subsidie tevens verstrekt aan en verantwoord door de penvoerder.

  • 4. Op de penvoerder rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke partij feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.

  • 5. Indien de aanvraag wordt ingediend door een penvoerder, bevat de aanvraag een verklaring van alle werkgevers namens wie de aanvraag wordt gedaan, waarin zij verklaren dat de penvoerder gemachtigd is om hen in het kader van de subsidieverstrekking in en buiten rechte te vertegenwoordigen, en dat alle gegevens die noodzakelijk zijn om aan de subsidie verbonden verplichtingen te voldoen, op verzoek aan de penvoerder worden verstrekt. De verklaring is door alle werkgevers ondertekend.

  • 6. Een penvoerder kan ten hoogste eenmaal per jaar subsidie als bedoeld in deze paragraaf aanvragen namens dezelfde werkgever of werkgevers. De werkgever of werkgevers namens wie de penvoerder de aanvraag doet, kunnen in dat jaar niet zelf subsidie aanvragen en zich niet aansluiten bij een aanvraag van een andere penvoerder.

Artikel 7. Taaldocent opleidingstrajecten

  • 1. Een taaldocent die een opleidingstraject verzorgt is aantoonbaar bekwaam in het geven van taalonderwijs in de Nederlandse taal, wat blijkt uit:

    • a. een getuigschrift, afgegeven krachtens de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, waaruit blijkt dat is voldaan aan:

      • 1°. de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 32a, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs;

      • 2°. de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 36, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs en waaruit blijkt dat de taaldocent bekwaam is in een van de taal- of letterkundige studierichtingen; of

      • 3°. de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 4.2.3, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en waaruit blijkt dat de taaldocent bekwaam is in een van de taal- of letterkundige studierichtingen;

    • b. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, verleend ten aanzien van het onderwijs dat de taaldocent zal geven;

    • c. een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 176b van de Wet op het primair onderwijs, 118k van de Wet op het voortgezet onderwijs of 4.2.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, waaruit de geschiktheid voor het geven van taalonderwijs blijkt;

    • d. het als taaldocent werkzaam zijn voor een opleider die is aangesloten bij de Nederlandse Raad voor Training en Opleiding of daar als zelfstandige taaldocent bij zijn aangesloten;

    • e. het als taaldocent werkzaam zijn voor een opleider die in het bezit is van het keurmerk Blik op Werk of als zelfstandige taaldocent in het bezit zijn van dit keurmerk;

    • f. het als taaldocent werkzaam zijn voor een mbo-instelling; of

    • g. het bezit van een Certificaat Competent Docent NT2, afgegeven door de Beroepsvereniging van docenten Nederlands als Tweede Taal.

  • 2. Een taaldocent als bedoeld in het eerste lid is werkzaam voor een opleider die beschikt over een inschrijving bij de Kamer van Koophandel, of beschikt als zelfstandige taaldocent over een inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Indien de opleider of zelfstandige taaldocent in het buitenland is gevestigd, beschikt die opleider of zelfstandige taaldocent over een inschrijving bij de met de Kamer van Koophandel vergelijkbare instantie in het land van vestiging.

Artikel 8. Te subsidiëren kosten

Alleen de directe kosten voor het uitvoeren van de activiteiten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, zijn subsidiabel. Voor deze directe kosten geldt dat zij:

  • a. per opleidingstraject niet meer dan € 150,– per contactuur mogen bedragen;

  • b. per opleidingstraject niet meer dan € 1.500,– per werknemer mogen bedragen;

  • c. voor de eventuele voorzorg niet meer dan 5% van de subsidiabele kosten voor het opleidingstraject of in het geval van meerdere opleidingstrajecten, niet meer dan 5% van de totale subsidiabele kosten van de opleidingstrajecten tezamen mogen bedragen; en

  • d. voor de eventuele nazorg niet meer dan 10% van de subsidiabele kosten voor het opleidingstraject, of in het geval van meerdere opleidingstrajecten, niet meer dan 10% van de totale subsidiabele kosten van de opleidingstrajecten tezamen mogen bedragen.

Artikel 9. Omvang subsidie en eigen bijdrage of bijdragen van derden

  • 1. Een subsidie bedraagt per subsidieaanvraag ten hoogste € 125.000,–.

  • 2. Een subsidie bedraagt ten hoogste 67 procent van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 8. De aanvrager bekostigt de andere 33 procent door middel van een eigen bijdrage of bijdragen van derden.

Artikel 10. Subsidieplafond en wijze van verdeling beschikbare middelen

  • 1. Voor subsidieverstrekking op grond van deze paragraaf is:

    • a. in het kalenderjaar 2021 een bedrag beschikbaar van ten hoogste € 8.800.000,–;

    • b. in het kalenderjaar 2022 een bedrag beschikbaar van ten hoogste € 2.900.000,–;

    • c. in de kalenderjaren 2023 en 2024 jaarlijks een bedrag beschikbaar van ten hoogste € 3.350.000,–.

  • 2. Indien het subsidieplafond in enig jaar niet hoog genoeg is om alle in aanmerking komende aanvragen toe te wijzen, worden de aanvragen door middel van loting gerangschikt.

  • 3. Indien het subsidieplafond voor 2021 na de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 4, tweede lid, niet is uitgeput, wordt een tweede aanvraagtijdvak opengesteld van 1 juni 2021 tot en met 30 juni 2021.

  • 4. Indien het subsidieplafond in de jaren 2022, 2023 of 2024 niet wordt uitgeput, wordt het resterende bedrag aangewend voor de aanvragen die in het betreffende jaar zijn ingediend voor de subsidie, bedoeld in paragraaf 3. Indien na toepassing van de vorige volzin nog middelen resteren, worden deze middelen aangewend voor de aanvragen die zijn ingediend voor de subsidie, bedoeld in paragraaf 4.

Artikel 11. Eisen subsidieaanvraag

  • 1. Een aanvrager dient bij een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in deze paragraaf, de volgende documenten in:

    • a. een activiteitenplan dat voldoet aan de eisen gesteld in artikel 3.4 van de Kaderregeling en dat bovendien ten minste bevat:

      • 1°. een beschrijving van het opleidingstraject of de opleidingstrajecten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, waaruit in elk geval het aantal contacturen, de periode waarin het opleidingstraject wordt aangeboden, het aantal werknemers, de groepsgrootte per opleidingstraject, het niveau van de opleiding, de gebruikte lesmethode, de opleider of zelfstandige taaldocent en de te gebruiken toetsinstrumenten blijken;

      • 2°. een beschrijving van de doelstellingen van het opleidingstraject of de opleidingstrajecten en de wijze waarop deze aansluit of aansluiten bij de huidige of toekomstige werkzaamheden van de werknemers;

      • 3°. een beschrijving van de eventuele aanvullende activiteiten; en

      • 4°. een keuze voor een vorm van monitoring aan de hand waarvan na het opleidingstraject of de opleidingstrajecten zal worden geëvalueerd in hoeverre de doelstellingen daarvan en van de eventuele aanvullende activiteiten zijn behaald, waarbij de aanvrager kan kiezen uit een zelfevaluatie, impactmeting of het bijhouden van leeruitkomsten of testresultaten;

    • b. een begroting die voldoet aan de eisen gesteld in artikel 3.5 van de Kaderregeling en waaruit in elk geval de totale kosten van het opleidingstraject of de opleidingstrajecten, de kosten per werknemer, het aantal contacturen, de kosten per contactuur en de hoogte van de eigen bijdrage of bijdragen van derden duidelijk worden; en

    • c. indien de aanvraag wordt gedaan door een penvoerder: de verklaring, bedoeld in artikel 6, vijfde lid.

  • 2. De aanvrager vermeldt in de aanvraag zijn Kamer van Koophandel-nummer en dat van de opleider of zelfstandige taaldocent, hetzij, indien de aanvrager, opleider of zelfstandige taaldocent in het buitenland is gevestigd, het inschrijvingsnummer van de daarmee vergelijkbare instantie in het land van vestiging.

Artikel 12. Verplichtingen

  • 1. De activiteiten worden afgerond binnen 18 maanden na het moment van subsidieverstrekking.

  • 2. De subsidieontvanger zorgt ervoor dat elke werknemer die deelneemt aan een opleidingstraject minimaal 30 contacturen volgt, tenzij de subsidieontvanger kan aantonen dat er sprake is van onvoorziene omstandigheden en dat hij zich voldoende heeft ingespannen om, voor zover redelijkerwijs mogelijk, de uren door de werknemer te laten inhalen of een andere werknemer aan het opleidingstraject te laten deelnemen. Indien hij een andere werknemer aan het opleidingstraject laat deelnemen, dient ook deze werknemer minimaal 30 contacturen te volgen.

  • 3. De subsidieontvanger administreert:

    • a. hoeveel werknemers en hoeveel van elk geslacht aan het opleidingstraject of de opleidingstrajecten hebben deelgenomen;

    • b. hoeveel werknemers Nederlands als moedertaal of Nederlands als tweede taal hebben; en

    • c. het aantal per werknemer gevolgde contacturen.

  • 4. De subsidieontvanger evalueert na afloop van het opleidingstraject en de eventuele aanvullende activiteiten in hoeverre de doelstellingen daarvan zijn gehaald, waarbij de subsidieontvanger gebruik maakt van de vorm van monitoring, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder a, subonderdeel 4°, zoals opgegeven bij de aanvraag. De subsidieontvanger dient de evaluatie uiterlijk drie maanden na afloop van de gesubsidieerde activiteiten in bij de minister.

  • 5. In aanvulling op artikel 5.4 van de Kaderregeling verleent de subsidieontvanger gedurende de looptijd van de gesubsidieerde activiteiten en tot een jaar na afloop daarvan op verzoek van de minister medewerking aan initiatieven in het kader van Tel mee met Taal om de uitvoering of resultaten van het opleidingstraject en de eventuele aanvullende activiteiten toe te lichten.

  • 6. De subsidieontvanger bedingt bij de opleider of zelfstandige taaldocent dat zij de voor de administratie benodigde gegevens, bedoeld in het derde lid, bijhouden en met de subsidieontvanger delen alsmede meewerken aan de evaluatie, bedoeld in artikel 5.4 van de Kaderregeling.

  • 7. Indien de administratie als bedoeld in het derde lid door de minister wordt opgevraagd ten behoeve van de verantwoording en vaststelling van de subsidie, verwijdert de subsidieontvanger daaruit de persoonsgegevens van de werknemers.

§ 3. Subsidie voor activiteiten voor laaggeletterde ouders

Artikel 13. Subsidie voor activiteiten voor laaggeletterde ouders

  • 1. De minister kan aan een penvoerder als bedoeld in artikel 14, op aanvraag een subsidie verstrekken ten behoeve van:

    • a. een in de Nederlandse taal gegeven cursus voor ouders met minimaal 30 contacturen per ouder; of

    • b. overige activiteiten gericht op ouders.

  • 2. De cursus, bedoeld in het eerste lid, onder a, is gericht op het vergroten van een of meer taalvaardigheden, de rekenvaardigheid of de digitale vaardigheden van de ouder en wat de taalvaardigheden betreft de toepassing daarvan in de communicatie met en over diens kind of kinderen. De cursus draagt bij aan het ontwikkelen van een educatief partnerschap tussen ouder, onderwijsinstelling, instellingen die de jeugdgezondheidszorg uitvoeren en voorschoolse voorzieningen en stimuleert een educatief thuismilieu.

  • 3. De overige activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, zijn gericht op:

    • a. het stimuleren van educatief partnerschap tussen ouder, onderwijsinstelling, kinderopvanginstellingen, instellingen die de jeugdgezondheidszorg uitvoeren en voorschoolse voorzieningen en de ontwikkeling van een of meer taalvaardigheden, de rekenvaardigheid of de digitale vaardigheden; of

    • b. het bevorderen van een educatief thuismilieu en de ontwikkeling van een of meer taalvaardigheden, de rekenvaardigheid of de digitale vaardigheden.

  • 4. Een aanvraag kan slechts worden gedaan voor ouders woonachtig in Nederland die een of meer taalvaardigheden van de Nederlandse taal beheersen op een niveau lager dan het referentieniveau 2F, zoals vastgesteld in bijlage 1 behorende bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen. Voor de ouders die deelnemen aan een cursus, stelt de aanvrager het referentieniveau van elke ouder vast aan de hand van een actuele individuele niveaubepaling of niveau-indicatie. De niveaubepaling of niveau-indicatie wordt uiterlijk voor de start van de cursus afgenomen op basis van een gevalideerd instrument.

  • 5. De aanvraag wordt ten minste door een gemeente ondersteund en bevat een ondertekende ondersteuningsverklaring van de gemeenten die de aanvraag ondersteunen.

Artikel 14. Penvoerderschap

  • 1. Een penvoerder is een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde de Staat, een provincie, een waterschap, een gemeente of een buitenlands overheidsorgaan, die de bedoelde aanvraag mede namens ten minste twee andere partijen indient, waaronder in ieder geval een lokale bibliotheek, een instelling die de jeugdgezondheidszorg uitvoert, een onderwijsinstelling of een voorschoolse voorziening.

  • 2. De penvoerder beschikt over een inschrijving bij de Kamer van Koophandel of, indien de penvoerder in het buitenland is gevestigd, een inschrijving bij de met de Kamer van Koophandel vergelijkbare instantie in het land van vestiging.

  • 3. De subsidie wordt verstrekt aan en verantwoord door de penvoerder.

  • 4. Op de penvoerder rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke partij feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.

  • 5. De aanvraag bevat een verklaring van alle partijen namens wie de aanvraag wordt gedaan, waarin zij verklaren dat de penvoerder gemachtigd is om hen in het kader van de subsidieverstrekking in en buiten rechte te vertegenwoordigen, en dat alle gegevens die noodzakelijk zijn om aan de subsidie verbonden verplichtingen te voldoen, op verzoek aan de penvoerder worden verstrekt. De verklaring is door alle partijen ondertekend.

  • 6. Een penvoerder kan in die hoedanigheid ten hoogste eenmaal per jaar subsidie als bedoeld in deze paragraaf aanvragen. De aanvraag heeft betrekking op ofwel een cursus, ofwel overige activiteiten.

Artikel 15. Te subsidiëren kosten

  • 1. Voor cursussen zijn alleen de directe kosten voor het uitvoeren daarvan subsidiabel. De directe kosten mogen niet meer dan € 600,– per ouder bedragen, ongeacht of de ouder een of meerdere cursussen volgt.

  • 2. Voor de overige activiteiten zijn alleen de directe kosten voor het uitvoeren daarvan subsidiabel.

Artikel 16. Omvang subsidie en eigen bijdrage of bijdrage van derden

  • 1. Een subsidie bedraagt per subsidieaanvraag ten hoogste € 125.000,–.

  • 2. Een subsidie bedraagt ten hoogste 67 procent van de subsidiabele kosten. De aanvrager bekostigt de andere 33 procent door middel van een eigen bijdrage of bijdragen van derden.

Artikel 17. Subsidieplafonds en wijze van verdeling beschikbare middelen

  • 1. Voor subsidieverstrekking op grond van deze paragraaf is in:

    • a. de kalenderjaren 2021 en 2022 jaarlijks een bedrag beschikbaar van ten hoogste € 1.300.000,–;

    • b. de kalenderjaren 2023 en 2024 jaarlijks een bedrag beschikbaar van ten hoogste € 1.750.000,–.

  • 2. Indien het subsidieplafond in enig jaar niet hoog genoeg is om alle in aanmerking komende aanvragen toe te wijzen, worden de aanvragen door middel van loting gerangschikt.

  • 3. Indien het subsidieplafond in enig jaar niet wordt uitgeput, wordt het resterende bedrag aangewend voor de aanvragen die zijn ingediend voor de subsidie, bedoeld in paragraaf 2. Indien na toepassing van de vorige volzin nog middelen resteren, worden deze middelen aangewend voor de aanvragen die zijn ingediend voor de subsidie, bedoeld in paragraaf 4.

Artikel 18. Eisen subsidieaanvraag

  • 1. Een aanvrager dient bij een subsidieaanvraag voor een cursus of cursussen de volgende documenten in:

    • a. een activiteitenplan dat voldoet aan de eisen gesteld in artikel 3.4 van de Kaderregeling en dat bovendien ten minste bevat:

      • 1°. een beschrijving van de cursus of cursussen waarvoor subsidie wordt aangevraagd, waaruit in elk geval het aantal contacturen, de periode waarin de activiteiten worden aangeboden, het aantal ouders, de groepsgrootte per cursus en de gebruikte lesmethode blijken;

      • 2°. een beschrijving van de doelen van de cursus of cursussen en de wijze waarop deze cursus bijdraagt of cursussen bijdragen aan de doelen, bedoeld in artikel 13, tweede lid;

      • 3°. een keuze voor een vorm van monitoring aan de hand waarvan na de cursus of cursussen zal worden geëvalueerd in hoeverre de doelstellingen daarvan zijn gehaald, waarbij de aanvrager kan kiezen uit een zelfevaluatie, impactmeting of het bijhouden van leeruitkomsten of testresultaten;

    • b. een begroting die voldoet aan de eisen gesteld in artikel 3.5 van de Kaderregeling en waaruit in elk geval de totale kosten van de cursus of cursussen, de kosten per ouder en de hoogte van de eigen bijdrage of bijdragen van derden duidelijk worden;

    • c. de ondersteuningsverklaring, bedoeld in artikel 13, vijfde lid; en

    • d. de verklaring, bedoeld in artikel 14, vijfde lid.

  • 2. Een aanvrager dient bij een subsidieaanvraag voor overige activiteiten de volgende documenten in:

    • a. een activiteitenplan dat voldoet aan de eisen gesteld in artikel 3.4 van de Kaderregeling en dat bovendien ten minste bevat:

      • 1°. een beschrijving van de overige activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, alsmede van de wijze van uitvoering van deze activiteiten, de looptijd van de uitvoering en de verdeling van de taken tussen de betrokken partijen;

      • 2°. een beschrijving van de behoeften waarin de overige activiteiten voorzien en de doelstellingen, resultaten of producten die met de activiteiten worden nagestreefd;

      • 3°. een beschrijving van de verwachte opbrengst van de overige activiteiten en de wijze waarop deze bijdragen aan de doelen als bedoeld in artikel 13, derde lid;

      • 4°. een keuze voor een vorm van monitoring aan de hand waarvan na de overige activiteiten zal worden geëvalueerd in hoeverre de doelstellingen daarvan zijn gehaald, waarbij de aanvrager kan kiezen uit een zelfevaluatie, impactmeting of het bijhouden van leeruitkomsten of testresultaten;

    • b. een begroting die voldoet aan de eisen gesteld in artikel 3.5 van de Kaderregeling en waaruit in elk geval de hoogte van de eigen bijdrage of bijdragen van derden duidelijk wordt;

    • c. de ondersteuningsverklaring, bedoeld in artikel 13, vijfde lid; en

    • d. de verklaring, bedoeld in artikel 14, vijfde lid.

  • 3. In aanvulling op artikel 3.3 van de Kaderregeling wordt in een aanvraag het Kamer van Koophandel-nummer van de aanvrager vermeld, hetzij, indien de aanvrager in het buitenland is gevestigd, het inschrijvingsnummer van de daarmee vergelijkbare instantie in het land van vestiging.

Artikel 19. Verplichtingen

  • 1. De activiteiten worden afgerond binnen 18 maanden na het moment van subsidieverstrekking.

  • 2. De subsidieontvanger zorgt ervoor dat elke ouder die deelneemt aan een cursus minimaal 30 contacturen van die cursus volgt, tenzij de subsidieontvanger kan aantonen dat er sprake is van onvoorziene omstandigheden en zich heeft ingespannen om, indien redelijkerwijs mogelijk, de uren door de ouder te laten inhalen of een andere ouder aan de cursus te laten deelnemen. Indien hij een andere ouder aan de cursus laat deelnemen, dient ook deze ouder minimaal 30 contacturen te volgen.

  • 3. De subsidieontvanger administreert:

    • a. hoeveel ouders en hoeveel van elk geslacht aan de cursus, cursussen of de overige activiteiten hebben deelgenomen;

    • b. hoeveel ouders Nederlands als moedertaal of Nederlands als tweede taal hebben; en

    • c. voor een cursus: het aantal per ouder gevolgde contacturen.

  • 4. De subsidieontvanger evalueert na afloop van de activiteiten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, in hoeverre de doelstellingen daarvan zijn gehaald, waarbij de subsidieontvanger gebruik maakt van de vorm van monitoring, bedoeld in artikel 18, eerste lid, onder a, subonderdeel 3°, respectievelijk artikel 18, tweede lid, onder a, subonderdeel 4°, zoals opgegeven bij de aanvraag. De subsidieontvanger dient de evaluatie uiterlijk drie maanden na afloop van de gesubsidieerde activiteiten in bij de minister.

  • 5. In aanvulling op artikel 5.4 van de Kaderregeling verleent de subsidieontvanger gedurende de looptijd van de gesubsidieerde activiteiten en tot een jaar na afloop daarvan op verzoek van de minister medewerking aan initiatieven in het kader van Tel mee met Taal om de uitvoering of resultaten van de gesubsidieerde activiteiten toe te lichten.

  • 6. Indien de administratie als bedoeld in het derde lid door de minister wordt opgevraagd ten behoeve van de verantwoording en vaststelling van de subsidie, verwijdert de subsidieontvanger daaruit de persoonsgegevens van de ouders.

§ 4. Subsidie voor experimenten

Artikel 20. Subsidie voor experimenten

  • 1. De minister kan op aanvraag van een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde de Staat, een provincie, een waterschap, een gemeente of een buitenlands overheidsorgaan, een subsidie als bedoeld in deze paragraaf verstrekken ten behoeve van experimenten, zijnde innovatieve activiteiten die in de praktijk worden ontwikkeld en in de praktijk worden uitgeprobeerd, gericht op:

    • a. het beter kunnen bereiken van in Nederland woonachtige laaggeletterde personen zodat zij kunnen worden toegeleid naar cursussen gericht op taalvaardigheden, rekenvaardigheden of digitale vaardigheden; of

    • b. het verbeteren van de kwaliteit van de cursussen gericht op taalvaardigheden, rekenvaardigheden of digitale vaardigheden voor in Nederland woonachtige laaggeletterde personen.

  • 2. De aanvrager beschikt over een inschrijving bij de Kamer van Koophandel of, indien de aanvrager in het buitenland is gevestigd, een inschrijving bij de met de Kamer van Koophandel vergelijkbare instantie in het land van vestiging.

  • 3. De aanvraag wordt ten minste door een gemeente ondersteund en bevat een ondertekende ondersteuningsverklaring van de gemeenten die de aanvraag ondersteunen.

  • 4. Een aanvrager als bedoeld in het eerste lid kan ten hoogste eenmaal per jaar subsidie als bedoeld in deze paragraaf aanvragen voor ofwel een experiment gericht op bereik, ofwel een experiment gericht op kwaliteit. Tevens kan de aanvrager dat jaar geen subsidieaanvraag doen als penvoerder, bedoeld in artikel 21, eerste lid.

Artikel 21. Penvoerderschap

  • 1. De aanvraag, bedoeld in artikel 20, eerste lid, kan tevens worden ingediend door een penvoerder, zijnde een natuurlijke persoon of rechtspersoon en niet zijnde de Staat, een provincie, een waterschap, een gemeente of een buitenlands overheidsorgaan, die de bedoelde aanvraag mede namens een of meer andere partijen indient.

  • 2. De penvoerder beschikt over een inschrijving bij de Kamer van Koophandel of, indien de penvoerder in het buitenland is gevestigd, een inschrijving bij de met de Kamer van Koophandel vergelijkbare instantie in het land van vestiging.

  • 3. Indien de aanvraag wordt ingediend door een penvoerder als bedoeld in het eerste lid, wordt de subsidie tevens verstrekt aan en verantwoord door de penvoerder.

  • 4. Op de penvoerder rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke partij feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.

  • 5. De aanvraag bevat een door alle bij de aanvraag betrokken partijen getekende verklaring, waarin zij verklaren dat de penvoerder gemachtigd is om hen in het kader van de subsidieverstrekking in en buiten rechte te vertegenwoordigen, en dat alle gegevens die noodzakelijk zijn om aan de subsidie verbonden verplichtingen te voldoen, op verzoek aan de penvoerder worden verstrekt. De verklaring is door alle partijen ondertekend.

  • 6. Een penvoerder kan in die hoedanigheid ten hoogste eenmaal per jaar subsidie als bedoeld in deze paragraaf aanvragen voor ofwel een experiment gericht op bereik, ofwel een experiment gericht op kwaliteit. Tevens kan een penvoerder dat jaar geen subsidieaanvraag voor alleen zichzelf doen, bedoeld in artikel 20, eerste lid.

Artikel 22. Te subsidiëren kosten

Alleen de directe kosten voor het uitvoeren van een experiment zijn subsidiabel.

Artikel 23. Omvang subsidie en eigen bijdrage of bijdragen van derden

  • 1. Aanvragen voor minder dan € 25.000,– aan subsidie worden afgewezen.

  • 2. Een subsidie bedraagt per subsidieaanvraag ten hoogste € 125.000,–.

  • 3. Een subsidie bedraagt ten hoogste 80 procent van de subsidiabele kosten. De aanvrager bekostigt de andere 20 procent door middel van de eigen bijdrage of bijdragen van derden.

Artikel 24. Subsidieplafond en loting

  • 1. Voor subsidieverstrekking op grond van deze paragraaf is in de kalenderjaren 2021 en 2022 jaarlijks een bedrag beschikbaar van ten hoogste € 625.000,–.

  • 2. Indien het subsidieplafond in enig jaar niet wordt uitgeput, wordt het resterende bedrag aangewend voor de aanvragen die zijn ingediend voor de subsidies, bedoeld in paragraaf 2 en 3. Het resterende bedrag gaat als eerst naar de subsidies waarvoor de overschrijding procentueel het grootst is.

  • 3. Bij overschrijding van het subsidieplafond met drie keer of meer, wordt door middel van loting van de aanvragen die in de aanvraagperiode zijn ontvangen, bepaald welke subsidieaanvragen worden beoordeeld conform de artikelen 25 tot en met 27. De uitgelote aanvragen worden afgewezen, tenzij zij op grond van artikel 26, vierde en vijfde lid, alsnog voor beoordeling in aanmerking komen.

  • 4. Ten behoeve van de loting, bedoeld in het derde lid, worden de experimenten verdeeld in twee groepen: een groep met aanvragen voor experimenten gericht op bereik en een groep met aanvragen voor experimenten gericht op kwaliteit. Voor elke groep loot de minister een aantal aanvragen in dat samen optelt tot maximaal € 937.500,–.

Artikel 25. Eisen subsidieaanvraag

  • 1. Een aanvrager dient bij een aanvraag tot verlening van een subsidie als bedoeld in deze paragraaf de volgende documenten in:

    • a. in afwijking van 3.4 van de Kaderregeling, een activiteitenplan waarin wordt ingegaan op ten minste de beoordelingscriteria, bedoeld in artikel 26, eerste lid;

    • b. een samenvatting van het activiteitenplan, geschikt voor lezers op referentieniveau Nederlands 2F, zoals vastgesteld in bijlage 1 behorende bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen;

    • c. een begroting die voldoet aan de eisen gesteld in artikel 3.5 van de Kaderregeling en waaruit in elk geval de totale kosten van het experiment en de hoogte van de eigen bijdrage of bijdragen van derden duidelijk worden;

    • d. de ondersteuningsverklaring, bedoeld in artikel 20, derde lid; en

    • e. indien de aanvraag wordt gedaan door een penvoerder: de verklaring, bedoeld in artikel 21, vijfde lid.

  • 2. In aanvulling op artikel 3.3 van de Kaderregeling wordt in een aanvraag het Kamer van Koophandel-nummer van de aanvrager vermeld, hetzij, indien de aanvrager in het buitenland is gevestigd, het inschrijvingsnummer van de daarmee vergelijkbare instantie in het land van vestiging.

Artikel 26. Beoordelingswijze

  • 1. De minister beoordeelt alle aanvragen of, in het geval van toepassing van artikel 24, derde en vierde lid, de na loting resterende aanvragen, aan de hand van de volgende criteria:

    • a. relevantie van het project;

    • b. kwaliteit van het activiteitenplan;

    • c. uitvoerbaarheid en haalbaarheid;

    • d. draagvlak; en

    • e. begroting.

  • 2. De criteria zijn nader uitgewerkt in een beoordelingskader, dat als bijlage bij deze regeling is gevoegd.

  • 3. Aanvragen dienen voor elk van de criteria minimaal als voldoende te zijn beoordeeld om in aanmerking te komen voor verstrekking van de subsidie.

  • 4. Indien een loting als bedoeld in artikel 24, derde en vierde lid, heeft plaatsgevonden en de aanvragen die als voldoende zijn beoordeeld tezamen onder het subsidieplafond als bedoeld in artikel 24, eerste lid, blijven, worden een of meer uitgelote aanvragen alsnog door de minister beoordeeld.

  • 5. Welke uitgelote aanvraag of aanvragen op grond van het vierde alsnog door de minister worden beoordeeld, wordt bepaald aan de hand van de volgorde van de loting als bedoeld in artikel 24, derde en vierde lid. De minister neemt daarbij eerst een aanvraag uit de groep van experimenten waarvoor het minste aantal aanvragen als voldoende is beoordeeld, en neemt daarna een aanvraag uit de andere groep van experimenten. De minister herhaalt dit net zo lang tot het subsidieplafond is bereikt.

  • 6. De minister rangschikt de aanvragen die op grond van de voorgaande leden in aanmerking voor verstrekking van subsidie komen, van hoog naar laag aan de hand van hun totale puntenaantal voor de criteria, bedoeld in het eerste lid. De rangschikking maakt geen onderscheid tussen de experimenten gericht op bereik en de experimenten gericht op kwaliteit.

Artikel 27. Advisering door Expertisepunt Basisvaardigheden

De minister vraagt voor de beoordeling, bedoeld in artikel 26, advies aan het Expertisepunt Basisvaardigheden. De minister toetst de aanvragen die op grond van artikel 26 worden aangevraagd eerst op volledigheid alvorens deze aan het Expertisepunt Basisvaardigheden voor te leggen.

Artikel 28. Wijze van verdeling beschikbare middelen

  • 1. De minister neemt een besluit op de aanvraag.

  • 2. Indien het totaal van de aanvragen dat op grond van artikel 26 in aanmerking voor subsidie komt, het subsidieplafond voor het betreffende kalenderjaar, bedoeld in 24, eerste lid, overschrijdt, wijst de minister op basis van de rangschikking, bedoeld in artikel 26, zesde lid, een of meer aanvragen af, onverminderd het bepaalde in het derde lid. Indien aanvragen op een gelijke positie worden gerangschikt en slechts een van de aanvragen kan worden gehonoreerd, beslist de minister op basis van loting.

  • 3. De minister selecteert in ieder geval een experiment gericht op bereik en een experiment gericht op kwaliteit.

Artikel 29. Verplichtingen

  • 1. De activiteiten worden afgerond binnen 18 maanden na het moment van subsidieverstrekking.

  • 2. In aanvulling op artikel 5.4 van de Kaderregeling verleent de subsidieontvanger gedurende de looptijd van het experiment en tot een jaar na afloop daarvan op verzoek van de minister medewerking aan initiatieven in het kader van Tel mee met Taal om de uitvoering of resultaten van het experiment toe te lichten.

  • 3. Indien de subsidieontvanger een bekostigde onderwijsinstelling is, geeft die bekostigde onderwijsinstelling na afloop van de activiteiten een beschrijving van de methodiek en uitvoering van het experiment. Tevens evalueert de bekostigde onderwijsinstelling deze methodiek en uitvoering, waarbij ten minste de volgende vragen aan de orde komen:

    • a. Zijn de doelen van het experiment behaald?;

    • b. Wat waren de investeringen (in mensen en geld)?;

    • c. Wat waren de succesfactoren en wat de faalfactoren?; en

    • d. Zijn er onverwachte effecten?.

  • 4. De bekostigde onderwijsinstelling dient de beschrijving van de methodiek en uitvoering van het experiment alsmede de evaluatie daarvan uiterlijk drie maanden na afloop van de gesubsidieerde activiteiten in bij de minister.

§ 5. Verlenging afrondingstermijn, vaststelling en verantwoording, publicatie geleerde lessen en succesvolle voorbeelden

Artikel 30. Verlenging afrondingstermijn

De minister kan op verzoek van de aanvrager in uitzonderlijke gevallen besluiten tot een eenmalige verlenging van de afrondingstermijn, bedoeld in artikel 12, eerste lid, 19, eerste lid, of 29, eerste lid. Deze verlenging bedraagt ten hoogste twaalf maanden.

Artikel 31. Vaststelling en verantwoording voor aanvragers anders dan bekostigde onderwijsinstellingen

  • 1. De subsidie wordt verleend binnen 13 weken na afloop van de desbetreffende aanvraagperiode.

  • 2. De minister betaalt het verleende subsidiebedrag in een keer uit als een voorschot van 100%.

  • 3. Voor een subsidie tot € 25.000,– is artikel 7.4 van de Kaderregeling van toepassing.

  • 4. Voor een subsidie van € 25.000,– tot € 125.000,– is artikel 7.6 van de Kaderregeling van toepassing.

  • 5. In afwijking van artikel 1.1 van de Kaderregeling dienen in het activiteitenverslag van een subsidie als bedoeld in paragraaf 4 de beschrijving van de methodiek en uitvoering van het experiment alsmede de evaluatie daarvan, bedoeld in artikel 29, derde lid, aan de orde te komen.

Artikel 32. Vaststelling en verantwoording voor bekostigde onderwijsinstellingen

  • 1. De subsidie wordt direct vastgesteld binnen 13 weken na afloop van de desbetreffende aanvraagperiode.

  • 2. De minister betaalt het subsidiebedrag in een keer.

  • 3. De subsidieontvanger toont op verzoek van de minister aan dat:

    • a. de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht; en

    • b. is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie zijn verbonden.

  • 4. Indien de activiteiten volledig zijn uitgevoerd en aan alle verplichtingen is voldaan, kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

  • 5. De verantwoording van de subsidie geschiedt overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs in de jaarverslaggeving met model G, onderdeel 1.

Artikel 33. Publicatie geleerde lessen en succesvolle voorbeelden

  • 1. De minister stelt alle evaluaties, bedoeld in artikel 29, derde lid, en activiteitenverslagen, bedoeld in artikel 31, vijfde lid, ter beschikking aan het Expertisepunt Basisvaardigheden, zodat het Expertisepunt Basisvaardigheden daar de geleerde lessen en succesvolle voorbeelden van de gesubsidieerde activiteiten als bedoeld in paragraaf 4 uit kan halen.

  • 2. De minister kan de geleerde lessen en succesvolle voorbeelden van gesubsidieerde activiteiten als bedoeld in de paragrafen 2 of 3 delen met het Expertisepunt Basisvaardigheden. In aanvulling op het eerste lid kan de minister tevens de geleerde lessen en succesvolle voorbeelden van gesubsidieerde activiteiten als bedoeld in paragraaf 4, afkomstig uit andere informatie dan bedoeld in het eerste lid, met het Expertisepunt Basisvaardigheden delen.

  • 3. Het Expertisepunt Basisvaardigheden kan de geleerde lessen en succesvolle voorbeelden publiceren.

§ 6. Toepasselijkheid in Caribisch Nederland

Artikel 34. Toepasselijkheid in Caribisch Nederland

  • 1. Deze regeling is van toepassing op Bonaire, Sint Eustatius en Saba, met inachtneming van deze paragraaf.

  • 2. Deze paragraaf is alleen van toepassing op subsidieaanvragers en subsidieontvangers in Caribisch Nederland.

Artikel 35. Afwijking van en aanvulling op begripsbepalingen

  • 1. Voor de volgende begrippen in artikel 1 geldt een afwijkende betekenis:

    dienstbetrekking:

    • a. dienstbetrekking gebaseerd op een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 1613a van Boek 7a van het Burgerlijk Wetboek BES;

    • b. aanstelling als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet BES;

    • c. overeenkomst van opdracht artikel 400 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek BES;

    ouder:

    • a. natuurlijke ouder of adoptiefouder in de zin van de artikelen 197 tot en met 232a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES van een minderjarige;

    • b. voogd in de zin van de artikelen 280 tot en met 301 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES van een minderjarige;

    • c. verzorger die een minderjarige verzorgt en opvoedt zonder dat hem het gezag over die minderjarige toekomt.

  • 2. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    openbaar lichaam:

    • d. openbaar lichaam Bonaire, openbaar lichaam Sint Eustatius of openbaar lichaam Saba.

Artikel 36 Afwijkingen van en aanvullingen op de paragrafen 2 tot en met 5

  • 1. In de gehele regeling kan in plaats van Nederlands of de Nederlandse taal ook Papiaments, Engels of de Engelse taal worden gelezen.

  • 2. De in de regeling genoemde bedragen in euro’s worden omgerekend in Amerikaanse dollars tegen de jaarlijks door de minister vastgestelde wisselkoers.

  • 3. In aanvulling op artikel 3, tweede lid, verstrekt de minister geen subsidie voor:

    • a. een opleiding educatie als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES of een onderdeel daarvan; of

    • b. een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.1.2, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een onderdeel daarvan.

  • 4. Voor subsidies als bedoeld in paragraaf 2 geldt dat:

    • a. de aanvraag in aanvulling op artikel 5, eerste lid, en artikel 6, eerste lid, niet kan worden gedaan door een openbaar lichaam en de aanvrager moet zijn gevestigd op Bonaire, Sint Eustatius of Saba;

    • b. de aanvrager in afwijking van artikel 5, tweede lid, en artikel 6, tweede lid, beschikt over een inschrijving bij een Kamer van Koophandel als bedoeld in de Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES, waarvan het nummer bij de aanvraag wordt vermeld conform artikel 11, tweede lid;

    • c. de aanvraag in afwijking van artikel 5, derde lid, slechts kan worden gedaan voor werknemers die woonachtig zijn op Bonaire, Sint Eustatius of Saba die een of meer taalvaardigheden van de Nederlandse taal beheersen op een niveau lager dan het referentieniveau 2F, zoals vastgesteld in bijlage 1 behorende bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen, of een vergelijkbaar niveau in het Papiaments of de Engelse taal. Voor de Nederlandse taal dient dit te blijken uit een actuele individuele niveaubepaling of niveau-indicatie, die op basis van een gevalideerd instrument uiterlijk voor de start van het opleidingstraject is of wordt afgenomen. Voor Papiaments en de Engelse taal dient dit te blijken uit een aannemelijke onderbouwing;

    • d. het opleidingstraject ook daadwerkelijk is gericht op de taal waar de werknemer laaggeletterd in is en daarmee op de bevordering van de zelfredzaamheid van de werknemer in de maatschappij;

    • e. de taaldocent in aanvulling op artikel 7, eerste lid, tevens zijn bekwaamheid kan aantonen met:

      • 1°. een getuigschrift, afgegeven krachtens de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, waaruit blijkt dat is voldaan aan de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 35, eerste lid, van de Wet primair onderwijs BES;

      • 2°. een getuigschrift, afgegeven krachtens de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, waaruit blijkt dat is voldaan aan de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 86, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES en waaruit blijkt dat de taaldocent bekwaam is in een van de taal- of letterkundige studierichtingen;

      • 3°. een getuigschrift, afgegeven krachtens de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, waaruit blijkt dat is voldaan aan de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 4.2.3, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES en waaruit blijkt dat de taaldocent bekwaam is in een van de taal- of letterkundige studierichtingen;

      • 4°. het als taaldocent werkzaam zijn voor een mbo-instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs BES; of

      • 5°. een ander getuigschrift waaruit blijkt dat de taaldocent geschikt is voor het geven van taalonderwijs; en

    • f. de taaldocent in aanvulling op artikel 7, tweede lid, werkzaam kan zijn voor een opleider die beschikt over een inschrijving bij een Kamer van Koophandel als bedoeld in de Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES, of beschikt als zelfstandige taaldocent over een inschrijving bij een Kamer van Koophandel als bedoeld in de Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES, waarvan het nummer bij de aanvraag wordt vermeld conform artikel 11, tweede lid.

  • 5. Voor subsidies als bedoeld in paragraaf 3 geldt dat:

    • a. de aanvraag in afwijking van artikel 13, vierde lid, slechts kan worden gedaan voor ouders die woonachtig zijn op Bonaire, Sint Eustatius of Saba die een of meer taalvaardigheden van de Nederlandse taal beheersen op een niveau lager dan het referentieniveau 2F, zoals vastgesteld in bijlage 1 behorende bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen of een vergelijkbaar niveau in het Papiaments of de Engelse taal. Voor de ouders die deelnemen aan een cursus in de Nederlandse taal dient dit te blijken uit een actuele individuele niveaubepaling of niveau-indicatie, die op basis van een gevalideerd instrument uiterlijk voor de start van de cursus is of wordt afgenomen. Voor de ouders die deelnemen aan een cursus in het Papiaments of de Engelse taal dient dit te blijken uit een aannemelijke onderbouwing;

    • b. de cursus of de overige activiteiten ook daadwerkelijk zijn gericht op de taal waar de ouder laaggeletterd in is en daarmee op de bevordering van de zelfredzaamheid van de ouder in de maatschappij;

    • c. de aanvraag in afwijking van artikel 13, vijfde lid, wordt ondersteund door een openbaar lichaam en in afwijking van artikel 18, eerste lid, onder c, en 18 tweede lid, onder c, een door het betreffende openbaar lichaam ondertekende ondersteuningsverklaring bevat;

    • d. de penvoerder in aanvulling op artikel 14, eerste lid, niet een openbaar lichaam kan zijn, moet zijn gevestigd op Bonaire, Sint Eustatius of Saba en in afwijking van artikel 14, eerste lid, de aanvraag namens ten minste een andere partij indient, zijnde een lokale bibliotheek, een instelling die de jeugdgezondheidszorg uitvoert, een onderwijsinstelling of een voorschoolse voorziening;

    • e. de penvoerder in afwijking van artikel 14, tweede lid, beschikt over een inschrijving bij een Kamer van Koophandel als bedoeld in de Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES, waarvan het nummer bij de aanvraag wordt vermeld conform artikel 18, derde lid; en

    • f. de aanvrager in afwijking van artikel 16, tweede lid, niet is gehouden om 33 procent van de subsidiabele kosten door middel van een eigen bijdrage of bijdragen van derden te bekostigen, met dien verstande dat het maximale subsidiebedrag als bedoeld in artikel 16, eerste lid, in dat geval ten hoogste € 83.750,– bedraagt;

  • 6. Voor subsidies als bedoeld in paragraaf 4 geldt dat:

    • a. de aanvraag in aanvulling op artikel 20, eerste lid, en artikel 21, eerste lid, niet kan worden gedaan door een openbaar lichaam of Saba en de aanvrager moet zijn gevestigd op Bonaire, Sint Eustatius of Saba;

    • b. de aanvrager in afwijking van artikel 20, tweede lid, en artikel 21, tweede lid, beschikt over een inschrijving bij een Kamer van Koophandel als bedoeld in de Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES, waarvan het nummer bij de aanvraag wordt vermeld conform artikel 25, onder d, subonderdeel 1°;

    • c. de aanvraag in afwijking van artikel 20, eerste lid, slechts kan worden gedaan voor experimenten gericht op laaggeletterde personen woonachtig op Bonaire, Sint Eustatius of Saba;

    • d. het experiment ook daadwerkelijk is gericht op de taal waar de deelnemende personen laaggeletterd in zijn en daarmee op de bevordering van de zelfredzaamheid van deze personen in de maatschappij; en

    • e. de aanvraag in afwijking van artikel 20, derde lid, wordt ondersteund door een openbaar lichaam en in afwijking van artikel 25, onder c, subonderdeel 2°, een door het betreffende openbaar lichaam ondertekende ondersteuningsverklaring bevat.

  • 3. In artikel 32, vijfde lid, dient in plaats van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs de Regeling jaarverslaglegging onderwijs BES te worden gelezen.

§ 7. Slotbepalingen

Artikel 37. Inwerkingtreding en vervaldatum

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2021.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2025 met dien verstande dat deze van toepassing blijft op besluiten die voor de vervaldatum zijn genomen.

Artikel 38. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Tel mee met Taal 2021-2024.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven

BIJLAGE 1. BEOORDELINGSKADER EXPERIMENTEN

Deze bijlage behoort bij artikel 26, tweede lid, van de Subsidieregeling Tel mee met Taal 2021-2024.

Deze bijlage bevat het beoordelingskader voor de experimenten, bedoeld in artikel 20, eerste lid. Er zijn twee soorten experimenten waarvoor subsidie aangevraagd kan worden:

  • a. Een praktijkgericht experiment gericht op het beter kunnen bereiken van in Nederland woonachtige laaggeletterde personen zodat zij kunnen worden toegeleid naar cursussen gericht op het vergroten van een of meer taalvaardigheden, rekenvaardigheden of digitale vaardigheden. Daarbij gaat het om het vinden, bereid maken voor en toeleiden naar (cursus)aanbod; en

  • b. Een praktijkgericht experiment gericht op het verbeteren van de kwaliteit van cursussen gericht op het vergroten van een of meer taalvaardigheden, rekenvaardigheden of digitale vaardigheden voor in Nederland woonachtige laaggeletterde personen.

Alle (niet-uitgelote) projecten worden beoordeeld op:

  • A Relevantie van de aanvraag

  • B Kwaliteit van het activiteitenplan

  • C Uitvoerbaarheid en haalbaarheid

  • D Draagvlak

  • E Begroting

De beoordelingscriteria onder A zijn in twee onderdelen gesplitst (A1 en A2), passend bij de twee verschillende soorten experimenten waarvoor subsidie kan worden aangevraagd. De beoordelingscriteria B, C, D en E zijn voor beide soorten experimenten hetzelfde. De beoordelingscriteria worden gelijkwaardig gewogen (ieder voor 20%).

Beoordelingscriterium A1: Relevantie van de aanvraag - Experiment gericht op bereik

Deelaspecten Minimale vereisten Scoring

Het project biedt iets nieuws

  • 1. De aanvrager beschrijft in welke inhoudelijke lacunes het project voorziet. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate er beter blijk wordt gegeven van kennis over reeds bestaande en gebruikte methoden om de doelgroep laaggeletterden te bereiken, of van een aanpak om deze kennis te verwerven en te benutten bij de uitvoering van het project. Dit kan onder andere blijken uit:

    • 1. Een (beknopte) verwijzing naar eerdere onderzoeken, literatuur, methodieken etc. en een appreciatie hiervan.

    • 2. Een onderbouwde beschrijving van een lacune op basis van eigen ervaringen van de betrokken doelgroep, waarbij de lacune vanuit meerdere invalshoeken wordt beschreven.

Het project is zowel innovatief als praktijkgericht

  • 1. De aanvrager beschrijft de elementen die het project innovatief maken en beargumenteert waarom deze elementen innovatief zijn.

  • 2. De aanvrager beschrijft de elementen die het experiment praktijkgericht maken. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de aanvrager beter beschrijft dat het project innovatief en praktijkgericht is, blijkend uit onder andere:

    • 1. Een heldere beschrijving van de element(en) die het project innovatief maken met een argumentatie waarom dat zo is, bijvoorbeeld omdat het gaat om een nog niet bestaande methodiek, of omdat de wijze waarop het experiment is vormgegeven vernieuwend is.

    • 2. Een heldere beschrijving van de elementen die het project praktijkgericht maken met een argumentatie waarom dat zo is. De aanvrager beschrijft hoe de innovatieve elementen in de praktijk worden ontwikkeld, toegepast en getest.

Beoordelingscriterium A2: Relevantie van de aanvraag - Experiment gericht op kwaliteit

Deelaspecten Minimale vereisten Scoring

Het project biedt iets nieuws

  • 1. De aanvrager beschrijft in welke inhoudelijke lacunes het project voorziet. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate er beter blijk wordt gegeven van kennis over reeds bestaande en gebruikte methoden om de kwaliteit van het cursusaanbod voor laaggeletterden te verbeteren, of van een aanpak om deze kennis te verwerven en te benutten bij de uitvoering van het project. Dit kan onder andere blijken uit:

    • 1. Een (beknopte) verwijzing naar eerdere onderzoeken, literatuur, methodieken etc. en een appreciatie hiervan.

    • 2. Een onderbouwde beschrijving van een lacune op basis van eigen ervaringen van de betrokken doelgroep. Waarbij de lacune vanuit meerdere invalshoeken uit de praktijk wordt beschreven.

Het project is zowel innovatief als praktijkgericht

  • 1. De aanvrager beschrijft de elementen die het project innovatief maken en beargumenteert waarom deze elementen innovatief zijn.

  • 2. De aanvrager beschrijft de elementen die het experiment praktijkgericht maken.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de aanvrager beter beschrijft dat het project innovatief en praktijkgericht is, blijkend uit onder andere:

  • 1. Een heldere beschrijving van de element(en) die het project innovatief maken met een argumentatie waarom dat zo is, bijvoorbeeld omdat het gaat om een nog niet bestaande methodiek, of omdat de wijze waarop het experiment is vormgegeven vernieuwend is.

  • 2. Een heldere beschrijving van de elementen die het project praktijkgericht maken met een argumentatie waarom dat zo is. De aanvrager beschrijft hoe de innovatieve elementen in de praktijk worden ontwikkeld, getest en toegepast.

Beoordelingscriterium B: Kwaliteit activiteitenplan

Deelaspecten Minimale vereisten Scoring

De doelstellingen van het project zijn gericht op het beter bereiken van laaggeletterde personen of gericht op het verbeteren van de kwaliteit van het cursusaanbod voor deze doelgroep

  • 1. De aanvrager beschrijft helder wat doelstelling(en) van het experiment zijn (SMART geformuleerd).

  • 2. De aanvrager beschrijft helder wat de doelgroep is waar het experiment zich op richt, en op welke wijze ze participeren in het experiment.

  • 3. De aanvrager beschrijft helder op welke wijze het experiment wordt vormgegeven om de doelstellingen te bereiken. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de aanvrager beter onderbouwt en beargumenteert hoe de doelstellingen en activiteiten van het project bijdragen aan het vergroten van het bereik van laaggeletterde personen, blijkend uit onder andere:

    • 1. Een heldere beschrijving van de doelstellingen en bijbehorende effecten die het project beoogt. Deze doelen zijn Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden (SMART) geformuleerd.

    • 2. Een beschrijving van de (sub)doelgroep(en) waarop de activiteiten zich richten, en de wijze waarop deze doelgroep(en) bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van de activiteiten betrokken worden

    • 3. Een heldere beschrijving van de projectorganisatie, die de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden bevat.

    • 4. Een heldere beschrijving van het profiel van de trekker(s) of projectleider(s).

    • 5. In het activiteitenplan wordt inzichtelijk gemaakt welke aanpakken, producten en processen het project beoogt te realiseren.

Er is aandacht voor borging en duurzaamheid De aanvrager beschrijft in het plan van aanpak op welke wijze de activiteiten en resultaten zich kunnen lenen voor voortzetting en opschaling na afloop van de subsidieperiode. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de inzet en bereidheid om de samenwerking duurzaam neer te zetten groter is, blijkend uit onder andere:

  • 1. Een beschrijving van mogelijke partners die betrokken kunnen worden bij de opschaling van de activiteiten, met een argumentatie waarom dat zo is.

Beoordelingscriterium C: Uitvoerbaarheid en haalbaarheid

Deelaspecten Minimale vereisten Scoring

De doelstellingen en activiteitenplanning zijn uitvoerbaar en haalbaar binnen de projectperiode. De aanvrager maakt de uitvoerbaarheid van het project inzichtelijk in een activiteitenplanning voor de projectperiode. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de uitvoerbaarheid en haalbaarheid van de activiteitenplanning groter is, blijkend uit onder andere:

  • 1. Een uitgewerkt en realiseerbaar activiteitenplan voor de projectperiode, bestaande uit fasering, mijlpalen, beoogde (tussentijdse) resultaten, plus taakverdeling partners (wie doet wat wanneer?)

De project gerelateerde risico’s en de beheersmaatregelen zijn in kaart gebracht.

De aanvrager besteedt in het plan van aanpak voldoende aandacht aan de mogelijke risico’s en bijbehorende beheersmaatregelen. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de risico’s beter worden beschreven en ondervangen in het plan van aanpak, blijkend uit:

  • 1. Een heldere beschrijving van de projectgebonden risico’s, waaruit blijkt dat er goed is nagedacht over mogelijke risicofactoren en knelpunten.

  • 2. Een beschrijving van mogelijke maatregelen als deze risico’s zich werkelijk voordoen.

Beoordelingscriterium D: Draagvlak

Deelaspecten Minimale vereisten Scoring

Een gemeente ondersteunt de aanvraag De aanvrager maakt inzichtelijk op welke wijze de gemeente bijdraagt aan de gezamenlijke doelstellingen van het experiment. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de betrokkenheid van de voorgestelde gemeente hoger is, blijkend uit onder andere:

  • 1. Een heldere beschrijving van de betrokkenheid van één of meerdere gemeenten tijdens de verschillende fases bij de uitvoering van de activiteiten.

Beoordelingscriterium E: Begroting

Deelaspecten Minimale vereisten Scoring

Er is een realistische begroting van de subsidiabele kosten. De aanvrager maakt een inzichtelijke en evenwichtige begroting, die voldoet aan de eisen van artikel 3.5 van de Kaderregeling. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de doelstellingen zo efficiënt mogelijk worden bereikt, blijkend uit onder andere:

  • 1. De inzet van menskracht, geld en eventueel apparatuur staat in verhouding tot de beoogde resultaten.

  • 2. De kosten - waaronder de kosten van de projectorganisatie/projectmanagement - staan in verhouding tot de opbrengsten en resultaten die in het activiteitenplan zijn beschreven.

De vereiste eigen bijdrage of bijdragen van derden is aangetoond. De aanvrager maakt de eigen bijdrage of bijdragen van derden inzichtelijk en voldoet daarbij aan de kaders van de regeling. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de eigen bijdrage of bijdragen van derden beter zijn geborgd voor de gehele subsidieperiode, blijkend uit onder andere:

  • 1. Er is duidelijk aangegeven hoe de eigen bijdrage of bijdragen van derden is opgebouwd en hoe deze verdeeld is over de partners.

  • 2. De eigen bijdrage of bijdragen van derden zijn voldoende om (tezamen met de rijkssubsidie) de kosten van het project te dekken.

  • 3. De eigen bijdrage of bijdragen van derden zijn voor de gehele subsidieperiode inzichtelijk.

TOELICHTING

ALGEMEEN DEEL

1. Aanleiding

Op 18 maart 2019 is de brief ‘Samen aan de slag voor een vaardig Nederland: vervolgaanpak laaggeletterdheid 2020-2024’ aan de Tweede Kamer gestuurd. De ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) werken samen in het actieprogramma ‘Tel mee met Taal’ aan het verbeteren van de basisvaardigheden van volwassenen en het voorkomen van achterstanden bij kinderen. Hierbij wordt nauw opgetrokken met gemeenten, werkgevers en andere partijen. Deze subsidieregeling is één van de instrumenten waarmee de ministeries hun doelstellingen willen bereiken. De subsidieregeling is aangekondigd in voornoemde Kamerbrief.

De voorliggende Subsidieregeling Tel mee met Taal 2021-2024 is een vervolg op een eerdere subsidieregeling in het kader van de aanpak van laaggeletterdheid, de Subsidieregeling Tel mee met Taal. Deze eerdere subsidieregeling was onderdeel van het vorige actieprogramma Tel mee met Taal en liep van 2017 tot en met 2020. De voorliggende Subsidieregeling Tel mee met Taal 2021-2024 geldt in aanvulling op de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (hierna: Kaderregeling).

Er is om een meerdere redenen gekozen voor een nieuwe subsidieregeling in plaats van een wijziging van de oorspronkelijke subsidieregeling. Zo heeft er eind 2019 een integrale evaluatie plaatsgevonden die tot een aantal verbeteringen heeft geleid. Verder is met het nieuwe actieprogramma een nieuwe subsidiemogelijkheid voor experimenten voorzien. Omdat de oorspronkelijke subsidieregeling in de loop der tijd reeds veelvuldig is gewijzigd, zou het de leesbaarheid niet ten goede komen om deze nogmaals (ingrijpend) te wijzigen.

De Subsidieregeling Tel mee met Taal 2021-2024 is in zeven paragrafen opgedeeld, waarvan paragraaf 2, 3 en 4 elk zien op een subsidie voor een andere doelgroep of activiteit. De toelichting volgt deze indeling.

2. Doel

De voorliggende subsidieregeling richt zich op verschillende doelgroepen en activiteiten. De regeling stelt werkgevers in staat om subsidie aan te vragen voor opleidingstrajecten gericht op het vergroten van de basisvaardigheden van hun laaggeletterde werknemers (paragraaf 2 van de regeling). Daarnaast stelt de regeling organisaties in staat om subsidie aan te vragen voor cursussen en overige activiteiten gericht op het vergroten van de basisvaardigheden van laaggeletterde ouders, om zo het educatief thuismilieu en educatief partnerschap met ouders te vergroten (paragraaf 3 van de regeling). Tot slot stelt de regeling organisaties in staat om subsidie aan te vragen voor innovatieve, praktijkgerichte experimenten die gericht zijn op het vergroten van kennis over effectieve aanpakken om de deelname aan cursussen door laaggeletterden of de kwaliteit van cursussen voor die doelgroep te vergroten (paragraaf 4 van de regeling).

Binnen de beschreven doelgroepen kunnen aanvragers ervoor kiezen om zich te richten op een specifieke (sub)doelgroep. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat laaggeletterde vrouwen gebaat kunnen zijn bij genderspecifiek aanbod gericht op empowerment in combinatie met basisvaardigheden, en dat de doelgroep laaggeletterden met Nederlands als moedertaal (Nederlands als eerste taal; NT1) vanwege taboes nog moeilijk te bereiken is.

2.1 Laaggeletterde werknemers

Deze subsidie is gericht op het vergroten van de basisvaardigheden van laaggeletterde werknemers door hen opleidingstrajecten aan te bieden. Tevens is het doel om de aandacht die werkgevers hebben voor investeringen in de basisvaardigheden van hun werknemers, als onderdeel van het personeelsbeleid, te vergroten. Met het beschikbare budget kunnen tussen 2021 en 2024 circa 30.000 werknemers deelnemen aan een opleidingstraject.

2.2 Laaggeletterde ouders

Deze subsidie is gericht op het vergroten van basisvaardigheden van laaggeletterde ouders en een goed educatief partnerschap tussen ouder, onderwijsinstelling, instellingen die de jeugdgezondheidszorg uitvoeren en voorschoolse voorzieningen, alsmede een educatief thuismilieu (preventie van laaggeletterdheid bij kinderen). Het streven is om ten minste 25.000 laaggeletterde ouders hiermee te bereiken.

2.3 Experimenten

Deze subsidie is gericht op het vergroten van de kennis over kansrijke aanpakken door experimenten mogelijk te maken op het gebied van het bereiken van laaggeletterde personen. Het bereiken van laaggeletterde personen, hen de stap laten zetten om een cursus te volgen en ook te blijven volgen, blijkt in de praktijk niet eenvoudig te zijn. De experimenten hebben betrekking op het verhogen van dit bereik of zijn gericht op het verbeteren van de kwaliteit van het cursusaanbod voor basisvaardigheden. De experimenten zijn relatief kort van duur, zodat de werkbare bestanddelen en succesvolle elementen snel opgeschaald en verspreid kunnen worden.

Er wordt jaarlijks subsidie toegekend aan ten minste één experiment gericht op het bereik van laaggeletterde personen en ten minste één experiment gericht op het verbeteren van de kwaliteit van het cursusaanbod.

3. Aanvraagprocedure

Aanvragen voor subsidie kunnen digitaal worden ingediend via de website https://www.dus-i.nl/subsidies/tel-mee-met-taal. De Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen (hierna: DUS-I) voert de regeling uit.

3.1 Aanvraagprocedure voor laaggeletterde werknemers

Subsidie kan worden aangevraagd door werkgevers en moet zijn gericht op in Nederland woonachtige laaggeletterde werknemers. Een aanvraag kan worden ingediend door een werkgever zelf, maar ook door een werkgever namens hemzelf en één of meer andere werkgevers. De aanvragende werkgever is dan penvoerder. Ook een O&O-fonds of opleider kan optreden als penvoerder voor één of meer werkgevers. Door een aanvraag in te (laten) dienen namens meerdere werkgevers kunnen schaalvoordelen behaald worden voor (kleine) bedrijven en kunnen administratieve lasten verminderd worden. De aanvrager kan overigens geen overheidsinstantie zijn.

Niet alle opleidingstrajecten komen voor subsidie in aanmerking. Uit de aanvraag moet duidelijk worden dat het opleidingstraject voldoet aan de volgende criteria:

  • Het opleidingstraject wordt gegeven in de Nederlandse taal.

  • Het opleidingstraject wordt gegeven door een taaldocent die voldoet aan de eisen gesteld in artikel 7 van de regeling (eventueel verbonden aan een opleider die eveneens voldoet aan de eisen gesteld in artikel 7 van de regeling).

  • Het opleidingstraject bestaat uit minimaal 30 contacturen. Dit kunnen fysieke contacturen zijn of een combinatie van fysieke en digitale contactmomenten.

  • Het opleidingstraject is gericht op het vergroten van één of meer taalvaardigheden, de rekenvaardigheid of de digitale vaardigheden van de werknemer.

  • Werknemers aan wie een opleidingstraject gericht op taalvaardigheden, rekenvaardigheid of digitale vaardigheden wordt aangeboden, zijn woonachtig in Nederland en beheersen één of meer vaardigheden van de Nederlandse taal onder het niveau van een startkwalificatie. Dit is onder het referentieniveau 2F. Om dit aan te tonen neemt de aanvrager van subsidie een gevalideerde taaltoets af of gebruikt hij/zij een gevalideerd indicatie-instrument. Een overzicht van deze instrumenten is beschikbaar bij het Expertisepunt Basisvaardigheden.

  • De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, moeten binnen maximaal 18 maanden na verstrekking van de subsidie zijn afgerond.

  • Activiteiten die zijn gestart voordat een subsidieaanvraag is ingediend, komen niet in aanmerking voor subsidie. Uitzondering hierop zijn activiteiten in het kader van voorzorg (zie hieronder). De aanvrager maakt eventuele kosten voorafgaand aan verstrekking van de subsidie altijd op eigen risico: als de subsidie niet wordt verstrekt, worden deze kosten niet vergoed.

  • Onder voorzorg wordt verstaan het werven van werknemers en het bepalen welk opleidingstraject voor hen het meest passend is. Onder nazorg wordt verstaan het begeleiden van werknemer bij het volgen van een vervolgscholing, het verspreiden van de opbrengsten van het opleidingstraject binnen het bedrijf of het toepassen daarvan in het HRM-beleid van het bedrijf.

  • Alleen de directe kosten voor het opleidingstraject zijn subsidiabel. Deze directe kosten mogen bovendien niet hoger zijn dan € 150,– per contactuur per opleidingstraject en € 1.500,– per werknemer per opleidingstraject. Dit kunnen alleen directe kosten zijn. Een opleidingstraject dient te worden begrepen als een traject dat is gericht op één groep van werknemers die samen aan één opleidingstraject deelneemt. Wanneer grote aantallen werknemers worden verdeeld over meerdere groepen van werknemers, geldt het maximum van € 150,– per contactuur en € 1.500,– per werknemer voor elke groep van werknemers apart.

  • Het totaalbedrag aan subsidiabele kosten voor de opleidingstrajecten is bepalend voor het totaalbedrag aan subsidiabele kosten voor de eventuele voorzorg en nazorg. Van het totaalbedrag aan subsidiabele kosten voor de opleidingstrajecten (A), mag een maximum van 5% worden besteed aan voorzorg (B) en een maximum van 10% worden besteed aan nazorg (C). Deze 5% en 10% kunnen vervolgens worden opgeteld bij het totaalbedrag aan subsidiabele kosten voor de opleidingstrajecten. Dus het totaalbedrag aan subsidiabele kosten voor de opleidingstrajecten, voorzorg en nazorg tezamen is: A + B (5% van A) + C (10% van A).

  • Het maximaal aan te vragen bedrag per jaar is € 125.000,– per aanvrager. Aanvragers dragen ten minste 33% van de totale subsidiabele kosten bij middels een eigen bijdrage of bijdragen van derden.

  • De aanvrager bepaalt zelf voor welke laaggeletterde werknemers subsidie wordt aangevraagd. Het opleidingstraject kan per (sub)groep werknemers verschillen. Een subsidieaanvraag kan uit meerdere opleidingstrajecten voor meerdere groepen werknemers bestaan. Zo kan een grotere werkgever bijvoorbeeld subsidie aanvragen voor twee groepen van elk 20 werknemers, waarbij beide groepen een ander opleidingstraject volgen dat aansluit bij hun specifieke niveau en doelstellingen. Hierbij kan men bijvoorbeeld denken aan een genderspecifiek aanbod of een onderscheid tussen werknemers met Nederlands als eerste taal en werknemers die Nederlands als tweede taal leren. Werknemers met Nederlands als eerste taal hebben bijvoorbeeld vaak voldoende mondelinge spreekvaardigheid, maar kunnen meer moeite hebben met schrijfvaardigheid of digitale vaardigheden. Ongeacht het aantal opleidingstrajecten waar subsidie voor wordt aangevraagd en of er voor- en nazorg wordt geboden, geldt dat de totale subsidieaanvraag niet meer dan € 125.000,– mag bedragen. Bovendien gelden voor elk afzonderlijk opleidingstraject de hierboven beschreven voorwaarden en moet de subsidieontvanger ervoor zorgen dat elke individuele werknemer minstens 30 contacturen van het opleidingstraject volgt.

  • De activiteiten mogen niet zijn bekostigd uit de specifieke uitkering aan gemeenten op grond van artikel 2.3.2 van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (hierna: WEB), bedoeld voor het aanbod aan opleidingen educatie. Ook mogen de activiteiten niet direct of indirect zijn bekostigd uit andere actielijnen van Tel mee met Taal (zoals de ondersteuningsprogramma’s van Stichting Lezen en Schrijven en Stichting Lezen) of de andere onderdelen van de subsidieregeling Tel mee met Taal.

Wanneer een werknemer als uitzendkracht werkzaam is bij een werkgever, kan zowel het uitzendbureau als de werkgever waar de uitzendkracht werkt een aanvraag voor de betreffende werknemer indienen. De partij die de aanvraag indient dient in dat geval wel te kunnen aantonen dat de betreffende werknemer voor de gehele duur van het opleidingstraject een arbeidsovereenkomst heeft met de aanvrager dan wel ingeleend is door de aanvrager.

Aanvragers dienen bij de subsidieaanvraag de volgende documenten in:

  • Een activiteitenplan als bedoeld in artikel 3.4 van de Kaderregeling. Dat betekent dat de aanvrager in het activiteitenplan in ieder geval een overzicht geeft van de activiteiten waar de subsidie voor wordt aangevraagd en dat de aanvrager een beschrijving geeft van de aard, omvang, duur en wijze van uitvoering van de activiteiten, alsmede de met de activiteiten na te streven doelstellingen, resultaten of producten. Op grond van deze regeling dient het activiteitenplan bovendien ten minste de volgende informatie te bevatten:

    • o Een beschrijving van het opleidingstraject of de opleidingstrajecten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, waaruit in elk geval het aantal contacturen, de periode waarin het opleidingstraject wordt aangeboden, het aantal werknemers, de groepsgrootte per opleidingstraject, het niveau van de opleiding, de opleider of zelfstandige taaldocent, de gebruikte lesmethode, en de te gebruiken toetsinstrumenten blijken;

    • o Een beschrijving van de doelstellingen van het opleidingstraject of de opleidingstrajecten en de wijze waarop die aansluit(en) bij de huidige of toekomstige werkzaamheden van de werknemers;

    • o Een beschrijving van de eventuele activiteiten in het kader van de voor- en nazorg;

    • o Een keuze voor een vorm van monitoring aan de hand waarvan na het opleidingstraject of de opleidingstrajecten zal worden geëvalueerd in hoeverre de doelstellingen daarvan en van de eventuele aanvullende activiteiten zijn behaald, waarbij de aanvrager kan kiezen uit een zelfevaluatie, impactmeting of het bijhouden van leeruitkomsten of testresultaten.

  • Een begroting die voldoet aan de eisen gesteld in artikel 3.5 van de Kaderregeling en waaruit in elk geval de totale kosten van het opleidingstraject of de opleidingstrajecten, de kosten per werknemer, het aantal contacturen, de kosten per contactuur en de hoogte van de eigen bijdrage of bijdragen van derden duidelijk worden.

  • Als de aanvraag wordt gedaan door een penvoerder, een door alle bij de aanvraag betrokken partijen getekende verklaring, waarin zij verklaren dat de penvoerder gemachtigd is om hen in het kader van de subsidieverstrekking in en buiten rechte te vertegenwoordigen, en dat alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de verantwoording door de penvoerder van de besteding van de subsidie, op verzoek aan de penvoerder worden verstrekt.

Tot slot wordt de aanvrager gevraagd om zijn Kamer van Koophandel-nummer en het Kamer van Koophandel-nummer van de opleider of zelfstandige taaldocent te verstrekken. Deze Kamer van Koophandel-nummers worden gecontroleerd en gebruikt om na te gaan of degene die de aanvraag heeft ondertekend tekenbevoegd is.

Een aanvraag kan van kalenderjaar 2021 tot en met 2024 jaarlijks van 1 januari tot en met de laatste dag van februari worden ingediend. Er is voor elk kalenderjaar een subsidieplafond vastgesteld (zie de toelichting onder 4.1 voor de werkwijze bij overschrijding van het subsidieplafond). Voor 2021 geldt dat er eenmalig een tweede aanvraagtijdvak kan worden geopend van 1 juni 2021 tot en met 30 juni 2021 als het subsidieplafond in het eerste aanvraagtijdvak niet wordt uitgeput.

3.2 Aanvraagprocedure voor laaggeletterde ouders

Subsidie kan worden aangevraagd door natuurlijke personen en rechtspersonen en moet zijn gericht op in Nederland woonachtige laaggeletterde ouders. Aanvragen worden door een aanvrager ingediend namens hemzelf (de penvoerder) en ten minste twee andere partijen, waaronder ten minste een lokale bibliotheek, een instelling die de jeugdgezondheidszorg uitvoert, een onderwijsinstelling of een voorschoolse voorziening. De aanvrager kan geen overheidsinstantie zijn. Een aanvraag dient ondersteund te worden door ten minste één gemeente.

Voor het aanvragen van subsidie voor activiteiten gericht op laaggeletterde ouders geldt een aantal voorwaarden. Deze staan hieronder beschreven en verschillen deels voor cursussen en voor overige activiteiten gericht op laaggeletterde ouders.

Een aanvrager kan per jaar slechts subsidie aanvragen voor één van beide typen activiteiten. Het is dus niet mogelijk dat één aanvrager zowel een aanvraag indient voor cursussen als voor overige activiteiten gericht op laaggeletterde ouders.

Cursussen

Niet alle kosten en cursussen komen voor subsidie in aanmerking. Uit de aanvraag moet duidelijk worden dat de cursus voldoet aan de volgende criteria:

  • De cursus wordt gegeven in de Nederlandse taal.

  • De cursus bestaat uit minimaal 30 contacturen. Dit kunnen fysieke contacturen zijn of een combinatie van fysieke en digitale contactmomenten.

  • De cursus is gericht op het vergroten van één of meer taalvaardigheden, de rekenvaardigheid of de digitale vaardigheden van de ouder. Als het een taalcursus betreft, is deze cursus gericht op het door de ouder toepassen van de taalvaardigheden in de communicatie met en over diens kind of kinderen. De cursus draagt bij aan het ontwikkelen van een educatief partnerschap tussen ouder, onderwijsinstelling, instellingen die de jeugdgezondheidszorg uitvoeren en voorschoolse voorzieningen en stimuleert een educatief thuismilieu.

  • Ouders aan wie de taalcursus, rekencursus of cursus digitale vaardigheden wordt aangeboden, zijn woonachtig in Nederland en beheersen één of meer vaardigheden van de Nederlandse taal onder het niveau van een startkwalificatie. Dit is onder het referentieniveau 2F. Om dit aan te tonen neemt de aanvrager van subsidie een gevalideerde taaltoets af, of gebruikt hij/zij een gevalideerd indicatie-instrument. Een overzicht van deze instrumenten is beschikbaar bij het Expertisepunt Basisvaardigheden.

  • De cursus moet binnen maximaal 18 maanden na verstrekking van de subsidie zijn afgerond.

  • Activiteiten die zijn gestart voordat een subsidieaanvraag is ingediend, komen niet in aanmerking voor subsidie. De cursus kan dus ten vroegste beginnen op de dag nadat een subsidieaanvraag is ingediend. De aanvrager maakt eventuele kosten voorafgaand aan verstrekking van de subsidie altijd op eigen risico: als de subsidie niet wordt verstrekt, worden deze kosten niet vergoed.

  • Alleen de directe kosten voor de cursus zijn subsidiabel. Deze directe kosten mogen bovendien niet hoger zijn dan € 600,– per ouder.

  • Het maximaal aan te vragen bedrag per aanvraagperiode is € 125.000,– per aanvrager. Aanvragers dragen ten minste 33% van de totale subsidiabele kosten bij middels een eigen bijdrage of bijdragen van derden.

  • Aanvragers kunnen subsidie aanvragen voor meerdere taalcursussen, rekencursussen of cursussen digitale vaardigheden tegelijk, gericht op verschillende groepen laaggeletterde ouders, zolang dat binnen één subsidieaanvraag gebeurt en het bedrag van € 600,– per ouder niet wordt overschreden. Zo kan, indien gewenst, genderspecifiek aanbod worden aangeboden en kunnen laaggeletterde ouders met Nederlands als eerste taal een ander aanbod krijgen dan laaggeletterde ouders die Nederlands als tweede taal leren. Laaggeletterde ouders met Nederlands als eerste taal hebben bijvoorbeeld vaak voldoende mondelinge spreekvaardigheid, maar kunnen meer moeite hebben met schrijfvaardigheid of digitale vaardigheden. Ongeacht het aantal cursussen waar subsidie voor wordt aangevraagd, geldt dat de totale subsidieaanvraag niet meer dan € 125.000,– mag bedragen. Bovendien gelden voor elk afzonderlijke cursus de hierboven beschreven voorwaarden en moet de subsidieontvanger ervoor zorgen dat elke individuele ouder minstens 30 contacturen van de cursus volgt.

  • De activiteiten mogen niet zijn bekostigd uit de specifieke uitkering aan gemeenten op grond van artikel 2.3.2 van de WEB, bedoeld voor het aanbod aan opleidingen educatie. Ook mogen de activiteiten niet direct of indirect zijn bekostigd uit andere actielijnen van Tel mee met Taal (zoals de ondersteuningsprogramma’s van Stichting Lezen en Schrijven en Stichting Lezen) of de andere onderdelen van de subsidieregeling Tel mee met Taal.

Aanvragers dienen bij de subsidieaanvraag de volgende documenten in:

  • Een activiteitenplan dat voldoet aan de eisen gesteld in artikel 3.4 van de Kaderregeling. Dat betekent dat de aanvrager in het activiteitenplan in ieder geval een overzicht geeft van de activiteiten waar de subsidie voor wordt aangevraagd en dat de aanvrager een beschrijving geeft van de aard, omvang, duur en wijze van uitvoering van de activiteiten, alsmede de met de activiteiten na te streven doelstellingen, resultaten of producten. Op grond van deze regeling dient het activiteitenplan bovendien ten minste de volgende informatie te bevatten:

    • o Een beschrijving van de cursus of de cursussen waarvoor subsidie wordt aangevraagd, waaruit in elk geval het aantal contacturen, de periode waarin de activiteiten worden aangeboden, het aantal ouders, de groepsgrootte en de gebruikte lesmethode blijken;

    • o Een beschrijving van de doelen van de cursus of cursussen en de wijze waarop deze cursus bijdraagt of cursussen bijdragen aan de volgende doelen: het vergroten van een of meer taalvaardigheden, de rekenvaardigheid of de digitale vaardigheden van de ouder en wat de taalvaardigheden betreft de toepassing daarvan in de communicatie met en over diens kind of kinderen, en het ontwikkelen van een educatief partnerschap tussen ouder, onderwijsinstelling, instellingen die de jeugdgezondheidszorg uitvoeren en voorschoolse voorzieningen alsmede het stimuleren een educatief thuismilieu;

    • o Een keuze voor een vorm van monitoring aan de hand waarvan na de cursus of cursussen zal worden geëvalueerd in hoeverre de doelstellingen daarvan zijn gehaald, waarbij de aanvrager kan kiezen uit een zelfevaluatie, impactmeting of het bijhouden van leeruitkomsten of testresultaten.

  • Een begroting die voldoet aan de eisen gesteld in artikel 3.5 van de Kaderregeling en waaruit in elk geval de totale kosten van de cursus of cursussen, de kosten per ouder en de hoogte van de eigen bijdrage of bijdragen van derden duidelijk worden.

  • Een ondersteuningsverklaring van de gemeente of gemeenten die de aanvraag ondersteunen.

  • Een door alle bij de aanvraag betrokken partijen getekende verklaring, waarin zij verklaren dat de penvoerder gemachtigd is om hen in het kader van de subsidieverstrekking in en buiten rechte te vertegenwoordigen, en dat alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de verantwoording door de penvoerder van de besteding van de subsidie, op verzoek aan de penvoerder worden verstrekt.

  • Tot slot wordt de aanvrager gevraagd om zijn Kamer van Koophandel-nummer. Dit Kamer van Koophandel-nummer wordt gecontroleerd en gebruikt om na te gaan of degene die de aanvraag heeft ondertekend tekenbevoegd is.

Overige activiteiten

Niet alle kosten en activiteiten komen voor subsidie in aanmerking. Uit de aanvraag moet duidelijk worden dat de overige activiteiten voldoen aan de volgende criteria:

  • Overige activiteiten zijn gericht op het stimuleren van educatief partnerschap tussen ouder, onderwijsinstelling, instellingen die de jeugdgezondheidszorg uitvoeren en voorschoolse voorzieningen, en de ontwikkeling van een of meer taalvaardigheden, de rekenvaardigheid of de digitale vaardigheden. Ook kunnen overige activiteiten zijn gericht op het bevorderen van een educatief thuismilieu dat is gericht op ontwikkeling van een of meer taalvaardigheden, de rekenvaardigheid of de digitale vaardigheden.

  • De overige activiteiten moeten binnen maximaal 18 maanden na toekenning van de subsidie zijn afgerond.

  • Activiteiten die zijn gestart voordat een subsidieaanvraag is ingediend, komen niet in aanmerking voor subsidie. De activiteiten kunnen dus ten vroegste beginnen op de dag nadat een subsidieaanvraag is ingediend. De aanvrager maakt eventuele kosten gemaakt voorafgaand aan toekenning van de aanvraag altijd op eigen risico: als de aanvraag niet wordt toegekend, worden deze kosten niet vergoed.

  • Voor overige activiteiten is er geen maximum per deelnemende ouder, maar geldt wel het maximumbedrag van € 125.000,– per aanvraag. En ook voor de overige activiteiten geldt dat alleen de directe kosten subsidiabel zijn. Aanvragers dragen ten minste 33% van de totale subsidiabele kosten bij middels een eigen bijdrage of bijdragen van derden.

Aanvragers dienen bij de subsidieaanvraag de volgende documenten in:

  • Een activiteitenplan dat voldoet aan de eisen gesteld in artikel 3.4 van de Kaderregeling. Dat betekent dat de aanvrager in het activiteitenplan in ieder geval een overzicht geeft van de activiteiten waar de subsidie voor wordt aangevraagd en dat de aanvrager een beschrijving geeft van de aard, omvang, duur en wijze van uitvoering van de activiteiten, alsmede de met de activiteiten na te streven doelstellingen, resultaten of producten. Het activiteitenplan bevat daarbij ten minste:

    • o Een beschrijving van de overige activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, alsmede van de wijze van uitvoering van deze activiteiten, de looptijd van de uitvoering en de verdeling van de taken tussen de betrokken partijen;

    • o Een beschrijving van de behoeften waarin de overige activiteiten voorzien, de doelstellingen, resultaten of producten die met de activiteiten worden nagestreefd en de wijze waarop deze worden gemonitord of geëvalueerd;

    • o Een beschrijving van de verwachte opbrengst van de overige activiteiten en de wijze waarop deze bijdragen aan de doelen: het stimuleren van educatief partnerschap tussen ouder, onderwijsinstelling, kinderopvanginstellingen, instellingen die de jeugdgezondheidszorg uitvoeren en voorschoolse voorzieningen en de ontwikkeling van een of meer taalvaardigheden, de rekenvaardigheid of de digitale vaardigheden; of het bevorderen van een educatief thuismilieu en de ontwikkeling van een of meer taalvaardigheden, de rekenvaardigheid of de digitale vaardigheden.

    • o Een keuze voor een vorm van monitoring aan de hand waarvan na de overige activiteiten zal worden geëvalueerd in hoeverre de doelstellingen daarvan zijn gehaald, waarbij de aanvrager kan kiezen uit een zelfevaluatie, impactmeting of het bijhouden van leeruitkomsten of testresultaten.

  • Een begroting die voldoet aan de eisen gesteld in artikel 3.5 van de Kaderregeling en waaruit in elk geval de hoogte van de eigen bijdrage of bijdragen van derden duidelijk wordt.

  • Een ondersteuningsverklaring van de gemeente of gemeenten die de aanvraag ondersteunen.

  • Een door alle bij de aanvraag betrokken partijen getekende verklaring, waarin zij verklaren dat de penvoerder gemachtigd is om hen in het kader van de subsidieverstrekking in en buiten rechte te vertegenwoordigen, en dat alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de verantwoording door de penvoerder van de besteding van de subsidie, op verzoek aan de penvoerder worden verstrekt.

  • Tot slot wordt de aanvrager gevraagd om zijn Kamer van Koophandel-nummer. Dit Kamer van Koophandel-nummer wordt gecontroleerd en gebruikt om na te gaan of degene die de aanvraag heeft ondertekend tekenbevoegd is.

Een aanvraag kan van kalenderjaar 2021 tot en met 2024 jaarlijks van 1 januari tot en met de laatste dag van februari worden ingediend. Er is per kalenderjaar een subsidieplafond vastgesteld (zie de toelichting onder 4.1 voor de werkwijze bij overschrijding van het subsidieplafond).

3.3 Aanvraagprocedure voor experimenten

Subsidie kan worden aangevraagd door natuurlijke personen en rechtspersonen die zich met de te subsidiëren experimenten richten op in Nederland woonachtige laaggeletterde personen. De aanvraag kan worden ingediend door één partij, maar ook door een penvoerder namens hemzelf en één of meer andere partijen.

Er kan subsidie aangevraagd worden voor twee soorten experimenten:

  • a. Een praktijkgericht experiment gericht op het beter kunnen bereiken van laaggeletterde personen zodat zij kunnen worden toegeleid naar cursussen gericht op taalvaardigheden, rekenvaardigheden of digitale vaardigheden;

  • b. Een praktijkgericht experiment gericht op het verbeteren van de kwaliteit van het cursusaanbod voor laaggeletterde personen.

Met ‘praktijkgericht’ wordt bedoeld dat het experiment daadwerkelijk in de praktijk plaatsvindt. Het gaat daarbij om hoe de innovatieve elementen in de praktijk worden ontwikkeld, toegepast en getest.

De aanvraag moet worden ondersteund door ten minste één gemeente. Steun van gemeente(n) is belangrijk voor de aansluiting op de (lokale) beleidspraktijk en uitvoering. Gemeenten zijn namelijk inhoudelijk en financieel regievoerder bij de aanpak van laaggeletterdheid. De aanvraag moet dus ook een ondersteuningsverklaring van de gemeente(n) bevatten.

De aanvraag moet verder een door alle bij de aanvraag betrokken partijen getekende verklaring bevatten, waarin zij verklaren dat de penvoerder gemachtigd is om hen in het kader van de subsidieverstrekking in en buiten rechte te vertegenwoordigen, en dat alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de verantwoording door de penvoerder van de besteding van de subsidie, op verzoek aan de penvoerder worden verstrekt.

Voor het aanvragen van subsidie voor experimenten geldt een aantal voorwaarden. Deze staan hieronder beschreven en gelden voor beide soorten experimenten. Een aanvrager kan in een jaar slechts subsidie aanvragen voor één experiment. Het is dus niet mogelijk dat één aanvrager zowel een aanvraag indient voor een experiment gericht op het beter kunnen bereiken van laaggeletterde personen als voor een voor een experiment gericht op het verbeteren van de kwaliteit van het cursusaanbod.

  • Het experiment moet binnen maximaal 18 maanden na verstrekking van de subsidie zijn afgerond.

  • Activiteiten die zijn gestart voordat een subsidieaanvraag is ingediend, komen niet in aanmerking voor subsidie. Het experiment kan dus ten vroegste beginnen op de dag nadat een subsidieaanvraag is ingediend. De aanvrager maakt eventuele kosten gemaakt voorafgaand aan verstrekking van de subsidie altijd op eigen risico: als de subsidie niet wordt verstrekt, worden deze kosten niet vergoed.

  • Het minimaal aan te vragen bedrag per jaar is € 25.000,– en maximaal € 125.000,– per aanvrager. Aanvragers brengen ten minste 20% van de totale subsidiabele kosten zelf in middels eigen bijdrage of bijdragen van derden. Deze eigen bijdrage of bijdragen van derden voor de praktijkgerichte experimenten is lager dan voor de andere subsidiabele activiteiten in deze regeling. De reden hiervoor is het risicovolle karakter van nieuwe experimenten: er is immers een kans dat deze ook kunnen mislukken.

  • De activiteiten mogen niet zijn bekostigd uit de specifieke uitkering aan gemeenten op grond van artikel 2.3.2 van de WEB, bedoeld voor het aanbod aan opleidingen educatie. Ook mogen de activiteiten niet direct of indirect zijn bekostigd uit andere actielijnen van Tel mee met Taal (zoals de ondersteuningsprogramma’s van Stichting Lezen en Schrijven en Stichting Lezen) of de andere onderdelen van de subsidieregeling Tel mee met Taal.

Aanvragers dienen bij de subsidieaanvraag de volgende documenten in:

  • Een activiteitenplan dat in afwijking van artikel 3.4 van de Kaderregeling ingaat op ten minste de beoordelingscriteria. De beoordelingscriteria zijn nader uitgewerkt in de bijlage bij de regeling. Beoordelingscriterium A1 is van toepassing op de experimenten die vallen onder a en beoordelingscriterium A2 op de experimenten die vallen onder b (zie de twee soorten experimenten hierboven). De beoordelingscriteria B, C, D en E zijn van toepassing op beide soorten experimenten.

  • Een samenvatting van het activiteitenplan, geschikt voor lezers op referentieniveau Nederlands 2F.

  • Een begroting die voldoet aan de eisen gesteld in artikel 3.5 van de Kaderregeling en waaruit in elk geval de totale kosten van het experiment en de hoogte van de eigen bijdrage of bijdragen van derden duidelijk worden.

  • Een ondersteuningsverklaring van de gemeente of gemeenten die de aanvraag ondersteunen.

  • Als de aanvraag wordt gedaan door een penvoerder: een door alle bij de aanvraag betrokken partijen getekende verklaring, waarin zij verklaren dat de penvoerder gemachtigd is om hen in het kader van de subsidieverstrekking in en buiten rechte te vertegenwoordigen, en dat alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de verantwoording door de penvoerder van de besteding van de subsidie, op verzoek aan de penvoerder worden verstrekt.

  • Tot slot wordt de aanvrager gevraagd om zijn Kamer van Koophandel-nummer. Dit Kamer van Koophandel-nummer wordt gecontroleerd en gebruikt om na te gaan of degene die de aanvraag heeft ondertekend tekenbevoegd is.

Een aanvraag kan van kalenderjaar 2021 tot en met 2024 jaarlijks van 1 januari tot en met de laatste dag van februari worden ingediend. Er is een subsidieplafond vastgesteld (zie de toelichting onder 4.2 voor de werkwijze bij overschrijding van het subsidieplafond).

4. Toekenning en vaststelling van de subsidie

Uiterlijk 13 weken na afloop van de aanvraagperiode, wordt de aanvrager in kennis gesteld over het besluit op de aanvraag (artikel 4.1, eerste lid, van de Kaderregeling). Wanneer subsidie wordt aangevraagd door een partij die is uitgesloten (bijvoorbeeld een gemeente of een partij die in dezelfde aanvraagperiode reeds een subsidie heeft ontvangen), wordt de aanvraag afgewezen.

4.1 Laaggeletterde werknemers en laaggeletterde ouders

Wanneer na sluiting van de aanvraagperiode blijkt dat er sprake is van overschrijding van het subsidieplafond vindt er loting plaats. Aanvragen waarvoor geen budget beschikbaar is worden om die reden afgewezen. De aanvragen die zijn ingeloot, worden getoetst op volledigheid en of de aanvragen aan de inhoudelijke criteria voldoen. Wanneer een ingelote aanvraag onvolledig of onvolkomen is, wordt de aanvrager eenmalig in de gelegenheid gesteld de aanvraag te herstellen (artikel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht). Een ingelote aanvraag die niet voldoet aan de eisen wordt afgewezen en het budget wordt dan doorgeschoven naar de eerstvolgende op de lijst. Deze procedure wordt herhaald totdat het subsidieplafond is bereikt.

4.2 Experimenten

Ook hier vindt eerst loting plaats wanneer er sprake is van overtekening van het subsidieplafond. De aanvragen worden opgedeeld in twee groepen, namelijk de experimenten die vallen onder a en de experimenten die vallen onder b (zie de twee soorten experimenten onder 3.3). Voor elke soort experimenten wordt een aantal aanvragen ingeloot dat gelijk is aan maximaal anderhalf keer het subsidieplafond (€ 937.500,–). Samen is dit maximaal drie keer het subsidieplafond (€ 1.8750.000,–).

De aanvragen die worden ingeloot, worden eerst getoetst op volledigheid. De volledige aanvragen worden vervolgens voorgelegd aan het Expertisepunt Basisvaardigheden, dat zich inhoudelijk buigt over de voorstellen (aan de hand van de criteria die zijn opgenomen in het beoordelingskader, zie bijlage bij deze regeling). Het Expertisepunt Basisvaardigheden brengt vervolgens advies uit aan de minister van OCW, die op de aanvragen beslist. De minister rangschikt de aanvragen op basis van hun score en honoreert deze op volgorde van de rangschikking, maar honoreert van elk van de twee soorten experimenten in ieder geval één aanvraag (mits aanwezig en een voldoende score).

De lotingsprocedures zijn te bekijken via https://www.dus-i.nl/subsidies/tel-mee-met-taal.

Als het subsidieplafond niet wordt bereikt, wordt het resterende bedrag aangewend voor aanvragen die in het betreffende jaar zijn ingediend voor de andere doelgroepen en activiteiten binnen deze subsidieregeling.

5. Subsidieverplichtingen

De verplichtingen van de subsidieontvangers volgen uit de Kaderregeling en deze regeling. Subsidieontvangers hebben op basis van deze regeling de volgende verplichtingen.

  • De subsidieontvangers van een subsidie voor laaggeletterde werknemers en laaggeletterde ouders evalueren het resultaat van de activiteiten. Ook bekostigde onderwijsinstellingen die subsidie voor een experiment hebben ontvangen doen dit. De evaluatie dient binnen drie maanden na afloop van de gesubsidieerde activiteiten aan de minister van OCW te worden gezonden.

    • o Voor de subsidieontvangers van een subsidie voor laaggeletterde werknemers en laaggeletterde ouders geldt dat de subsidieontvanger reeds in de subsidieaanvraag aangeeft hoe, en met welk instrument, de evaluatie vorm krijgt. De aanvrager kan kiezen uit een zelfevaluatie, impactmeting of het bijhouden van leeruitkomsten of testresultaten. Hierbij kan de aanvrager gebruik maken van instrumenten die via de website van DUS-I en het Expertisepunt Basisvaardigheden beschikbaar worden gesteld of van een eigen instrument.

    • o Voor de bekostigde onderwijsinstellingen die subsidie voor een experiment hebben ontvangen, geldt dat de evaluatie een beschrijving van de methodiek en de uitvoering van het experiment dient te bevatten en de volgende vragen dient te beantwoorden:

      • 1. Zijn de projectdoelen behaald?

      • 2. Wat waren de investeringen? (in mensen en geld)

      • 3. Wat waren de succesfactoren en wat de faalfactoren?

      • 4. Zijn er onverwachte effecten?

  • Alle subsidieontvangers verlenen gedurende de looptijd van de activiteiten of tot één jaar na afloop daarvan op verzoek van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap medewerking aan kennisdelingsactiviteiten in het kader van het actieprogramma Tel mee met Taal. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een presentatie op een congres of het schrijven van een blog om de projectuitvoering en/of resultaten van het project toe te lichten. Werkgevers kunnen verzocht worden om in de regio op te treden als ambassadeur voor het belang van (aandacht voor) bassivaardigheden op de werkvloer.

Verder hebben de subsidieontvangers van subsidie voor laaggeletterde werknemers en laaggeletterde ouders nog de volgende verplichtingen:

  • De subsidieontvanger zorgt ervoor dat de werknemers en ouders volgen minimaal 30 contacturen van het opleidingstraject respectievelijk de cursus volgen.

  • Subsidieontvangers administreren (zo nodig in aanvulling op artikel 5.2 van de Kaderregeling) de volgende informatie:

    • o hoeveel werknemers/ouders en hoeveel van elk geslacht aan het opleidingstraject, de opleidingstrajecten, de cursus, de cursussen of, indien van toepassing, de overige activiteiten hebben deelgenomen;

    • o hoeveel werknemers/ouders Nederlands als moedertaal of Nederlands als tweede taal hebben; en

    • o voor opleidingstrajecten en cursussen: het aantal per werknemer/ouder gevolgde contacturen.

  • Bovenstaande informatie moet in het geval van aanlevering aan DUS-I worden geanonimiseerd.

  • Voor de subsidieontvangers van subsidie voor laaggeletterde werknemers geldt tot slot: Het bedingen bij de betrokken opleider(s) of zelfstandige taaldocent(en) dat zij de voor de registratie benodigde gegevens (m.n. presentiegegevens) bijhouden en met de subsidieontvanger delen alsmede meewerken aan de evaluatie, bedoeld in artikel 5.4 van de Kaderregeling.

6. Beschikbaar budget

In totaal (2021-2024) is € 25.750.000,– beschikbaar voor aanvragen voor laaggeletterde werknemers, laaggeletterde ouders en experimenten. Aanvragen kunnen ingediend worden binnen de aanvraagperiode. In de tabel hieronder wordt aangegeven wat het maximaal beschikbare budget is voor de verschillende subsidiestromen.

 

Laaggeletterde werknemers

Laaggeletterde ouders

Experimenten

2021

€ 8.800.000

€ 1.300.000

€ 625.000

2022

€ 2.900.000

€ 1.300.000

€ 625.000

2023

€ 3.350.000

€1.750.000

 

2024

€ 3.350.000

€ 1.750.000

 

Totaal

€ 18.400.000

€ 6.100.000

€ 1.250.000

7. Verantwoording

Subsidies tot € 25.000,– worden verleend en vervolgens ambtshalve vastgesteld. De subsidieontvanger toont op verzoek van de minister dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de verleende subsidie verbonden verplichtingen.

Subsidies vanaf € 25.000,– worden verleend en vervolgens dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling te doen. De ontvanger toont aan de hand van een activiteitenverslag aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Voor de subsidieontvangers van subsidie voor experimenten ziet dat activiteitenverslag er anders uit dan de Kaderregeling voorschrijft. In afwijking van de Kaderregeling worden ontvangers van de subsidiestroom experimenten namelijk gevraagd om in het activiteitenverslag de gevolgde methodiek en de uitvoering van het experiment te beschrijven en de volgende vragen te beantwoorden:

  • 1. Zijn de projectdoelen behaald?

  • 2. Wat waren de investeringen? (in mensen en geld)

  • 3. Wat waren de succesfactoren en wat de faalfactoren?

  • 4. Zijn er onverwachte effecten?

Als de aanvrager een bekostigde onderwijsinstelling is, gaat bovenstaande iets anders. Voor bekostigde onderwijsinstellingen geldt dat subsidie na een aanvraag direct wordt vastgesteld. De besteding van de subsidie moet worden verantwoord in de jaarverslaglegging. Een bekostigde onderwijsinstelling hoeft dus ook geen activiteitenverslag op te stellen.

Alle verantwoordingsinformatie kan tevens worden gebruikt als beleidsinformatie (zie onder 8).

8. Evaluatie

Zoals gezegd dienen alle subsidieontvangers hun activiteiten te evalueren en deze evaluatie binnen drie maanden na afloop van de gesubsidieerde activiteiten aan de minister van OCW toe te zenden. Dit dient als beleidsinformatie en staat dus los van de verantwoordingsinformatie (zie onder 7). Als er in de evaluaties onregelmatigheden worden aangetroffen, kan dat echter wel aanleiding zijn om alsnog of nader naar de verantwoordingsinformatie te kijken. Voorgaande geldt niet voor ontvangers van subsidie voor experimenten die geen bekostigde onderwijsinstelling zijn. Zij nemen de evaluatie op in het activiteitenverslag, dat in hun geval dus zowel wordt gebruikt als verantwoordings- én beleidsinformatie tegelijk.

De minister stelt alle (in de activiteitenverslagen opgenomen) evaluaties van de experimenten ter beschikking aan het Expertisepunt Basisvaardigheden, die daaruit de geleerde lessen en succesvolle voorbeelden kan destilleren en publiceren. De experimenten zijn namelijk bedoeld om van te leren. Ook uit andere (informatie)producten dan de evaluaties kunnen geleerde lessen en succesvolle voorbeelden volgen, zowel voor de experimenten als de laaggeletterde werknemers en ouders. De minister kan hier zelf geleerde lessen en succesvolle voorbeelden uit destilleren en delen met het Expertisepunt Basisvaardigheden, zodat deze eveneens kunnen worden gepubliceerd.

Bovendien kunnen de evaluaties als input dienen voor de landelijke evaluatie van het actieprogramma Tel mee met Taal en toekomstige beleidsvorming. De regeling zal worden geëvalueerd om te bepalen of de doelstellingen, zoals beschreven in de Kamerbrief ‘Samen aan de slag voor een vaardiger Nederland: vervolgaanpak laaggeletterdheid 2020-2024’ zijn behaald. Aanvragers zijn verplicht om mee te werken aan de evaluatie op grond van artikel 5.4 van de Kaderregeling. Daarnaast zijn alle aanvragers verplicht om mee te werken aan een nadere evaluatie door een onderzoeksbureau. Dit onderzoek kan bijvoorbeeld bestaan uit het invullen van een vragenlijst, het afnemen van een interview of het deelnemen aan een focusgroep.

9. Regeldruk

De subsidieregeling is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk maar niet geselecteerd voor formele advisering. Er wordt gerekend met een gemiddeld uurtarief van € 50,–. De geschatte uren en kosten geven nadrukkelijk een indicatie.

9.1 Laaggeletterde werknemers

Voor opleidingstrajecten voor taal-, reken- of digitale vaardigheden gericht op laaggeletterde werknemers (als bedoeld in artikel 5 van de subsidieregeling) worden de kennisnamekosten (tijd die besteed moet worden om kennis te nemen van de subsidieregeling) geschat op 1 uur. De administratieve lasten (waaronder het opstellen van het activiteitenplan en de begroting, het eventueel verkrijgen van een verklaring van alle bij de aanvraag betrokken partijen, en het voeren van een administratie) worden geschat op 0,5 uur per bereikte werknemer. Een aanvraag van € 100.000 waarmee circa 200 werknemers worden bereikt, brengt dus circa 100 uur aan administratieve lasten mee. Voor de verantwoording en evaluatieverplichtingen (waaronder het verlenen van medewerking aan initiatieven in het kader van het programma Tel mee met Taal) wordt 16 uur per subsidieontvanger gerekend. Uitgaande van een aanvraag van € 100.000,– komt dit alles neer op een bedrag van ongeveer € 5.850,– (1 uur + 100 uur + 16 uur x € 50,–), ofwel 5,9% van de aangevraagde subsidie.

Andere aspecten van regeldruk, die niet direct betrekking hebben op de aanvragers zelf, omvatten onder andere dat de taaldocent moet aantonen dat hij of zij bekwaam is in het geven van (taal)onderwijs en dat de (aspirant)deelnemers moeten deelnemen aan een gevalideerde taaltoets of een gevalideerd indicatie-instrument.

9.2 Laaggeletterde ouders

Voor cursussen voor taal-, reken- of digitale vaardigheden gericht op laaggeletterde ouders (als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de subsidieregeling) worden de kennisnamekosten (tijd die besteed moet worden om kennis te nemen van de subsidieregeling) geschat op 1 uur. De administratieve lasten (waaronder het opstellen van het activiteitenplan en de begroting, het verkrijgen van een verklaring van alle bij de aanvraag betrokken partijen, evenals een ondersteuningsverklaring van minimaal één gemeente, en het voeren van een administratie) worden geschat op 0,5 uur per bereikte ouder. Een aanvraag van €100.000,– waarmee circa 200 ouders worden bereikt, brengt dus circa 100 uur aan administratieve lasten mee. Voor de verantwoording (waaronder de evaluatie en het verlenen van medewerking aan initiatieven in het kader van het programma Tel mee met Taal) wordt 16 uur per subsidieontvanger gerekend. Uitgaande van een aanvraag van € 100.000,– komt dit alles neer op een bedrag van ongeveer € 5.850,– (1 uur + 100 uur + 16 uur x € 50,–), ofwel 5,9% van de aangevraagde subsidie.

Een ander aspect van regeldruk, dat niet direct betrekking heeft op de aanvragers zelf, omvat onder andere dat de (aspirant)deelnemers moeten deelnemen aan een gevalideerde taaltoets of een gevalideerd indicatie-instrument.

Voor de overige activiteiten gericht op laaggeletterde ouders (als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder b, van de subsidieregeling) worden de kennisnamekosten (tijd die besteed moet worden om kennis te nemen van de subsidieregeling) geschat op 1 uur. De administratieve lasten (waaronder het opstellen van het activiteitenplan en de begroting en het verkrijgen van een verklaring van alle bij de aanvraag betrokken partijen, evenals een ondersteuningsverklaring van minimaal één gemeente, en het voeren van een administratie) worden geschat op 24 uur per aanvraag. Voor de verantwoording en evaluatieverplichtingen wordt 16 uur gerekend per subsidieontvanger. De gemiddelde lasten bedragen zodoende (1 uur + 24 uur + 16 uur) 41 uur en ongeveer € 2.050,– (41 uur x € 50,–). Uitgaande van een aanvraag van € 125.000,– komt dit neer op 1,6% van de aangevraagde subsidie.

9.3 Experimenten

De kennisnamekosten (tijd die besteed moet worden om kennis te nemen van de subsidieregeling) voor de subsidieaanvraag voor het onderdeel experimenten (als bedoeld in artikel 20 van de subsidieregeling) worden geschat op 1 uur. De administratieve lasten (waaronder het opstellen van het activiteitenplan en de begroting en het eventueel verkrijgen van een verklaring van alle bij de aanvraag betrokken partijen, evenals een ondersteuningsverklaring van minimaal één gemeente) worden geschat op 40 uur per aanvraag. Voor de verantwoording en evaluatieverplichtingen (waaronder het verlenen van medewerking aan initiatieven in het kader van het programma Tel mee met Taal) wordt 16 uur gerekend per subsidieontvanger. De gemiddelde lasten bedragen zodoende (1 uur + 40 uur + 16 uur) 57 uur en € 2.850,– (57 uur x € 50,–). Uitgaande van een aanvraag van € 125.000,– komt dit neer op 2,3% van de aangevraagde subsidie.

10. Uitvoering en handhaving

De regeling wordt namens de Minister van OCW uitgevoerd door DUS-I, die de regeling op uitvoerbaarheid heeft beoordeeld. Ook de Auditdienst Rijk (ADR) en de Inspectie van het Onderwijs hebben de regeling op uitvoerbaarheid beoordeeld. De ADR had geen opmerkingen ten aanzien van de uitvoerbaarheidsaspecten. Wel had de ADR twee vragen die zijn beantwoord. De Inspectie van het Onderwijs had geen opmerkingen. DUS-I heeft aangegeven de regeling uitvoerbaar te achten, met inachtneming van een aantal opmerkingen die voorts verwerkt zijn in de regeling.

Aanvragen voor subsidie moeten digitaal worden ingediend via de website https://www.dus-i.nl/subsidies/tel-mee-met-taal. De gemiddelde lasten gemoeid met de vaststelling van de aanvragen zijn door DUS-I geschat op ongeveer 6 uur per aanvraag. Voor de controle van de verantwoording wordt 6 uur gerekend per aanvraag. Dit geldt voor subsidieontvangers die minder dan € 25.000,– ontvingen en zich op verzoek moeten verantwoorden (te selecteren middels een steekproef) en voor alle subsidieontvangers die € 25.000,– of meer ontvingen.

11. Advies en consultatie

De vorige regeling, de Subsidieregeling Tel mee met Taal, is in de monitor van het programma Tel mee met Taal 2016 - 2018 geëvalueerd. Daarnaast is er een aparte evaluatie geweest naar het werkgeversdeel van de vorige regeling door ECBO. De aanbevelingen zijn meegenomen bij de totstandkoming van de voorliggende subsidieregeling. Ook zijn er voorafgaand aan de publicatie van deze regeling gesprekken gevoerd met sociale partners.

In november 2020 is voorts een conceptversie van deze subsidieregeling ter consultatie aangeboden via de website van Tel mee met Taal. Daarnaast is het concept gericht uitgezet bij een aantal partijen in Caribisch Nederland. Hieronder worden de punten genoemd die het meest terug kwamen en wordt per punt aangegeven wat er met de feedback is gedaan.

De meeste respondenten onderschrijven de keuze voor een vaste jaarlijkse aanvraagperiode, aan het begin van het jaar en een looptijd van projecten van maximaal 18 maanden.

Ten aanzien van de coronacrisis, en de extra middelen die beschikbaar zijn voor laaggeletterde werknemers in 2021, wordt in 2021 eenmalig een tweede aanvraagtijdvak opengesteld als het subsidieplafond in het eerste aanvraagtijdvak niet wordt uitgeput. Hiermee wordt een waarborg ingebouwd dat het gehele subsidiebedrag, inclusief de extra middelen die in 2021 eenmalig beschikbaar zijn gesteld in het kader van het derde steunpakket (bijna € 6 miljoen), ten goede komt aan de doelgroep.

Een aantal respondenten stelde voor om in de subsidievoorwaarden op te nemen dat bedrijven en organisaties die subsidie aanvragen hiermee een evenredige afspiegeling van hun personeel, doelgroep of achterban moeten bereiken om te stimuleren dat meer werknemers en ouders met een NT1-achtergrond bereikt zouden worden. Hiervoor is niet gekozen vanuit het perspectief van een eenvoudige uitvoering en beperking van de administratieve lasten voor aanvragers. Wel zal de regeling extra onder de aandacht worden gebracht van specifieke groepen, die in het verleden relatief minder zijn bereikt.

Een aanvraag voor laaggeletterde ouders moet ondersteund worden door een gemeente. Naar aanleiding van de consultatie wordt in de toelichting van deze regeling gespecificeerd wat een dergelijke ondersteuning door een gemeente minimaal inhoudt. Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel 13.

Meerdere respondenten hebben hun twijfel geuit over de voorgenomen loting bij overschrijding van het subsidieplafond. Door loting zouden kwalitatief zeer goede aanvragen subsidie kunnen mislopen ten faveure van kwalitatief iets minder goede (maar wel voldoende) aanvragen. De keuze voor loting hangt samen met de grote populariteit van de subsidieregeling. Toekenning op volgorde van inschrijving bevoordeelt aanvragers die in de gelegenheid zijn om meteen op het moment waarop de inschrijving opent hun aanvraag in te dienen. Een kwalitatieve vergelijking tussen alle aanvragen leidt tot hoge uitvoeringskosten en een lange(re) beoordelingstermijn.

Voor de nieuwe subsidiestroom gericht op experimenten is een balans gezocht tussen een zorgvuldige kwalitatieve beoordeling van de aanvragen enerzijds, en het inperken van de uitvoeringslasten- en kosten anderzijds. Daarom is er voor gekozen om loting enkel plaats te laten vinden wanneer het subsidieplafond met meer dan drie keer het beschikbare subsidiebudget overschreden wordt (d.w.z. wanneer er voor meer dan € 1.875.000,00 aan aanvragen is ontvangen). De ingelote aanvragen worden vervolgens kwalitatief beoordeeld en gerangschikt.

Naar aanleiding van de consultatie wordt het beoordelingskader voor de experimenten op een aantal punten nader aangescherpt en wordt aangegeven hoe de beoordelingscriteria gewogen worden.

Een aantal respondenten gaf aan beperkte meerwaarde te zien in de eis dat een gemeente de aanvraag voor een experiment moet ondersteunen. Deze verplichting is echter gehandhaafd, omdat gemeenten als regievoerder in de uitvoeringspraktijk een cruciale rol hebben bij het uitvoeren en inbedden van de resultaten van experimenten in de lokale praktijk. In de toelichting van deze regeling is gespecificeerd wat de bedoelde ondersteuning van een gemeente minimaal inhoudt.

Naar aanleiding van de consultatie in Caribisch Nederland, is besloten dat een penvoerder voor een subsidieaanvraag voor laaggeletterde ouders met ten minste één andere partij moet indienen (in plaats van twee). Hier is voor gekozen omdat er op de eilanden in Caribisch Nederland minder partijen zijn (N.B.: in Caribisch Nederland wonen minder dan 26.000 mensen). Daarnaast is besloten dat aanvragers in Caribisch Nederland voor laaggeletterde ouders de mogelijkheid krijgen om geen eigen bijdrage of bijdragen van derden in te brengen. In dat geval mogen zij maximaal € 83.750,– aanvragen (33% minder dan het maximale subsidieplafond). Hier is voor gekozen omdat organisaties in Caribisch Nederland veelal geen of minder private middelen (mogen) hebben, omdat de (infrastructuur voor de) aanpak van laaggeletterdheid in Caribisch Nederland minder uitgebreid is dan die in Europees Nederland, en omdat er minder keuzemogelijkheden zijn qua partijen om mee samen te werken en dus qua partijen die de aanvrager kunnen helpen om aan de vereiste 33% aan eigen bijdrage en bijdragen van derden te komen.

12. Caribisch Nederland

Deze regeling heeft gevolgen voor Caribisch Nederland, aangezien deze subsidieregeling ook van toepassing is op Caribisch Nederland. In paragraaf 6 van de regeling is aangegeven hoe de regeling voor subsidieontvangers in Caribisch Nederland dient te worden gelezen en toegepast. Zie verder de artikelsgewijze toelichting bij de artikelen 34 tot en met 36.

ARTIKELSGEWIJS DEEL

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit artikel is een aantal definities opgenomen.

Er wordt onder andere een omschrijving gegeven van het begrip ‘buitenland’. Ook voor partijen gevestigd in het buitenland is het namelijk mogelijk om op grond van deze regeling subsidie aan te vragen. Het moet wel gaan om landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER) en Zwitserland. Dat zijn namelijk de landen waar Nederland afspraken mee heeft gemaakt over vrije handel en (daarom) ook over mededinging en overheidssubsidies. Nederland zelf valt uiteraard niet onder dit begrip en voor de zekerheid is verduidelijkt dat Caribisch Nederland ook niet onder dit begrip valt. Hoe de regeling moet worden gelezen en toegepast voor Caribisch Nederland, volgt uit paragraaf 6 van deze regeling.

Verder wordt een omschrijving gegeven van het begrip ‘contacturen’. Voor de subsidie voor laaggeletterde werknemers vallen onder deze uren enkel het feitelijk contact tussen een werknemer of groep van werknemers en de taaldocent(en) die het opleidingstraject verzorgt of verzorgen. Voor de subsidie voor laaggeletterde ouders vallen onder deze uren enkel het feitelijk contact tussen een ouder of groep van ouders en de perso(o)n(en) die de cursus verzorgt of verzorgen. Contacturen kunnen fysieke contactmomenten zijn of een combinatie van fysieke en digitale contactmomenten. Feitelijk contact hoeft dus niet te betekenen dat de werknemer/ouder ook altijd fysiek op de opleidingslocatie aanwezig is: ook digitaal onderwijs kan hieronder vallen. Wel is vereist dat er real time interactie is, kan worden toegezien op de activiteiten van de werknemers/ouders en direct kan worden ingegrepen in hun leerproces. Corresponderen per e-mail of een digitale module die de werknemer/ouder zelfstandig volgt, valt hier bijvoorbeeld niet onder.

Ook wordt een omschrijving gegeven van het begrip ‘dienstbetrekking’, relevant voor de subsidie voor laaggeletterde werknemers. Van een dienstbetrekking is sprake wanneer een werknemer in loondienst is bij een werkgever. De verwijzing naar artikel 690 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek betekent dat een werkgever ook subsidie kan aanvragen voor werknemers die via een uitzendorganisatie middels een uitzendovereenkomst werkzaamheden bij hem verricht. Verder valt onder het begrip ‘dienstbetrekking’ ook de persoon met een indicatie als bedoeld in de Wet sociale werkvoorziening die werkzaam is bij een sociaal werkbedrijf. Ook zelfstandigen (o.a. zzp’ers) als bedoeld in artikel 400 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek onder het begrip ‘dienstbetrekking’. Omdat in het buitenland gevestigde werkgevers ook subsidie kunnen aanvragen, vallen buitenlandse dienstbetrekkingen die materieel overeenkomen met een van genoemde Nederlandse dienstbetrekkingen tenslotte ook onder dit begrip.

Over de omschrijving van het begrip ‘werkgever’ voorts het volgende. Onder dit begrip vallen alle organisaties die werknemers in dienst hebben, met uitzondering van de Staat, provincies, waterschappen, gemeenten en buitenlandse overheidsorganen. De overheid is daarmee uitgezonderd van subsidie voor laaggeletterde werknemers. Dit betekent dat sociale werkbedrijven alleen voor subsidie in aanmerking kunnen komen als zij geen onderdeel zijn van de gemeente, maar de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening is opgedragen aan een verzelfstandig eigen werkbedrijf van de gemeente (bijvoorbeeld een BV of een stichting), een joint venture met een private partner (bijvoorbeeld in een BV of een NV) of aan een particulier bedrijf. Door ook ‘publiekrechtelijke rechtspersonen’ als werkgever in de zin van de subsidieregeling te beschouwen, kunnen zelfstandige bestuursorganen, onderwijsinstellingen, academische ziekenhuizen et cetera wel voor subsidie in aanmerking komen. Hetzelfde geldt voor de subsidies voor laaggeletterde ouders en experimenten, maar daarvoor is de overheid uitgezonderd op grond van artikel 14, eerste lid, artikel 20, eerste lid, en artikel 21, eerste lid.

Tot slot is er een verschil tussen de begrippen ‘opleidingstraject’ enerzijds en ‘cursus’ anderzijds. Een opleidingstraject is bedoeld voor laaggeletterde werknemers en moet voldoen aan de eisen uit paragraaf 2. Het begrip ‘cursus’ is zowel relevant voor de subsidie voor laaggeletterde ouders als voor de subsidie voor experimenten. Voor een cursus aan laaggeletterde ouders gelden de eisen uit paragraaf 3. Een experiment heeft ook betrekking op cursussen, maar paragraaf 4 stelt met name eisen aan het experiment en niet aan de cursussen: ten aanzien van de cursussen geldt alleen de eis dat die moeten zijn gericht op het vergroten van één of meer taalvaardigheden, de rekenvaardigheid of digitale vaardigheden.

Artikel 2. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

De Kaderregeling is op de subsidies als bedoeld in deze regeling van toepassing. De voorliggende regeling is dus een aanvulling op de Kaderregeling. Waar wordt afgeweken van de Kaderregeling, is dat in de regeling of in de toelichting aangegeven.

Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten

In het eerste lid is geregeld dat de minister subsidie kan verstrekken voor activiteiten als bedoeld in paragraaf 2, 3 of 4. Elke subsidiestroom is namelijk ondergebracht in een afzonderlijke paragraaf: de subsidie voor laaggeletterde werknemers is geregeld in paragraaf 2, de subsidie voor laaggeletterde ouders in paragraaf 3 en de subsidie voor experimenten in paragraaf 4.

Op grond van het tweede lid, onder a tot en met e, komen (onderdelen van) inburgeringscursussen, opleidingen educatie, beroepsopleidingen of (andere) opleidingen leidend tot een door de minister erkend diploma niet in aanmerking voor subsidie. Ook activiteiten waarvoor de aanvrager reeds een andere subsidie of een andere financiële bijdrage van de overheid ontvangt, komen niet in aanmerking voor subsidie. Hier is voor gekozen om dubbele financiering te voorkomen.

Daarnaast komen activiteiten die zijn aangevangen vóór de aanvraag op grond van het tweede lid, onder f, van de regeling niet in aanmerking voor subsidie. Voor subsidies die eerst worden verleend en later vastgesteld, volgt dit ook reeds uit artikel 3.2, tweede lid, van de Kaderregeling. In het derde lid is hier voor de voorzorg een uitzondering op gemaakt. De voorzorg betreft het werven van laaggeletterde werknemers voor een opleidingstraject en het bepalen welk -traject voor hen het meest passend is. Dit zal meestal (grotendeels) voorafgaand aan de aanvraag moeten hebben plaatsgevonden, omdat de aanvrager anders niet kan weten voor hoeveel werknemers en voor welk(e) opleidingstraject(en) subsidie moet worden aangevraagd. Dit neemt niet weg dat alle kosten die een aanvrager maakt voordat de subsidie is verstrekt, op eigen risico zijn. Het kan immers gebeuren dat de aanvraag wordt afgewezen.

Artikel 4. De subsidieaanvraag

Aanvragers kunnen jaarlijks van 1 januari tot en met de laatste dag van februari subsidie aanvragen. Dit betekent dat subsidies uiterlijk op 28 februari of, in het geval van een schrikkeljaar, 29 februari kunnen worden ingediend. Voor zowel aanvragers in Europees Nederland als aanvragers in Caribisch Nederland geldt hierbij de Europees Nederlandse tijd. Dit volgt voor Caribisch Nederland uit artikel 1.10 van de Kaderregeling.

De aanvraag dient via de website https://www.dus-i.nl/subsidies/tel-mee-met-taal te worden ingediend. Dit is in afwijking van artikel 3.1 van de Kaderregeling, waarin is bepaald dat aanvragen worden ingediend via de website www.rijksoverheid.nl. De minister wijst aanvragen die zijn ingediend buiten de periode van 1 januari tot 1 maart af.

§ 2. Subsidie voor activiteiten voor laaggeletterde werknemers

Artikel 5. Subsidie voor activiteiten voor laaggeletterde werknemers

Op grond van het eerste lid van dit artikel kunnen werkgevers subsidie aanvragen om hun laaggeletterde werknemers een opleidingstraject te laten volgen. Hiervoor is vereist dat het opleidingstraject wordt gegeven in de Nederlandse taal, door een taaldocent wordt verzorgd, minimaal 30 contacturen omvat en is gericht op het verbeteren van één of meer taalvaardigheden, de rekenvaardigheid of de digitale vaardigheden van een werknemer.

In het eerste lid, aanhef en onder a en b, is verder nog bepaald dat werkgevers desgewenst ook subsidie kunnen aanvragen voor aanvullende activiteiten in de vorm van voor- en/of nazorg. Voorzorg betreft zoals gezegd het werven van werknemers en het bepalen welk opleidingstraject voor hen het meest passend is. Dit zal meestal (grotendeels) al voorafgaand aan de aanvraag hebben plaatsgevonden. Nazorg betreft het begeleiden van werknemers bij het volgen van een vervolgscholing, het verspreiden van de opbrengsten van het opleidingstraject binnen het bedrijf of het toepassen daarvan in het HRM-beleid van het bedrijf. Dit vindt dus meestal (grotendeels) plaats nadat de werknemers hun opleidingstraject (bijna) hebben afgerond. Alle activiteiten moeten binnen 18 maanden nadat de subsidie is verstrekt, zijn afgerond (zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel 12).

In het tweede lid is voorgeschreven dat de werkgever dient te beschikt over een inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Ook buitenlandse werkgevers komen in aanmerking voor subsidie, zolang de subsidie maar wordt aangevraagd voor in Nederland woonachtige werknemers. Een buitenlandse werkgever dient te beschikken over een inschrijving bij de met de Kamer van Koophandel vergelijkbare instantie in het land van vestiging.

In het derde lid is uitgewerkt voor welke werknemers de werkgever subsidie mag aanvragen. De werknemers dienen zoals gezegd ten eerste woonachtig in Nederland te zijn. Ten tweede dienen de werknemers laaggeletterd te zijn. Deze eis geldt ook als een werknemer geen opleidingstraject gericht op taal maar bijvoorbeeld een opleidingstraject gericht op rekenen wil volgen. Een werknemer is laaggeletterd als deze één of meer taalvaardigheden (schrijfvaardigheid, leesvaardigheid, luistervaardigheid of spreekvaardigheid) van de Nederlandse taal beheerst op een niveau lager dan het referentieniveau 2F zoals vastgesteld in bijlage 1 behorende bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen. Dit dient te blijken uit een actuele en individuele niveaubepaling of -indicatie, die op basis van een gevalideerd instrument uiterlijk voor de start van het opleidingstraject is afgenomen. Het taalniveau van een werknemer mag overigens ook met een niveauaanduiding gebaseerd op de richtlijnen van het Europees Referentiekaders voor Moderne Vreemde talen (ERK) (tot en met B1) worden weergegeven.

Tot slot is in het vierde lid geregeld dat een werkgever maar één keer per jaar subsidie voor laaggeletterde werknemers mag aanvragen.

Artikel 6. Penvoerderschap

Artikel 5 bepaalt dat een aanvraag moet worden ingediend door een werkgever voor de eigen werknemers. Op grond van artikel 6, eerste lid, kan de aanvraag echter ook worden ingediend door een penvoerder. Dit kan bijvoorbeeld een werkgever zijn die de aanvraag namens hemzelf en één of meer andere werkgevers doet. Het is ook mogelijk dat een O&O-fonds of opleider (bijvoorbeeld een taalschool) de aanvraag voor één of meer werkgevers doet. Deze constructie kan bijvoorbeeld aantrekkelijk zijn voor kleine werkgevers die ondersteuning willen bij het doen van een aanvraag of op die manier samen voor een voordeliger tarief opleidingstrajecten kunnen inkopen.

Als de subsidie wordt aangevraagd door een penvoerder, blijft het maximale subsidiebedrag dat per penvoerder kan worden aangevraagd gelijk, maximaal € 125.000,–. Ook blijft gelden dat de subsidie is bedoeld voor de laaggeletterde werknemers van de werkgevers waar de penvoerder voor optreedt. De penvoerder is verantwoordelijk voor alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht de taakverdeling tussen partijen in de praktijk. Als een O&O-fonds bijvoorbeeld subsidie aanvraagt voor een werkgever die het geld vervolgens besteedt aan werknemers die niet laaggeletterd zijn, wordt het O&O-fonds daarop aangesproken en kan het zijn dat die de subsidie moet terugbetalen. De penvoerder en de (andere) bij de aanvraag betrokken werkgevers dienen dus onderling goede afspraken te maken. De penvoerder dient op grond van het vijfde lid over een verklaring te beschikken waarin alle (andere) betrokken werkgevers verklaren dat de penvoerder gemachtigd is om hen in het kader van de subsidieverstrekking in en buiten rechte te vertegenwoordigen en dat alle voor de verantwoording van de subsidie noodzakelijke gegevens op verzoek aan de penvoerder worden verstrekt.

In het zesde lid is voorts geregeld dat een penvoerder maar één keer per jaar subsidie mag aanvragen namens dezelfde werkgever of werkgevers. Een voorbeeld: een werkgever die in 2021 als penvoerder subsidie aanvraagt voor hemzelf en andere werkgevers A en B, mag in 2021 niet nogmaals subsidie aanvragen voor hemzelf en werkgevers A en B. Een ander voorbeeld: een taalschool die in 2022 als penvoerder een aanvraag doet voor werkgevers C en D, mag in 2022 niet nog een keer een aanvraag doen voor werkgevers C en D. Wel zou de taalschool dat jaar nog een aanvraag kunnen doen als penvoerder voor werkgevers E en F.

Tot slot is in het zesde lid geregeld dat een werkgever die zich door een penvoerder laat vertegenwoordigen, dat jaar niet ook nog eens zelf subsidie mag aanvragen en zich ook niet mag aansluiten bij de aanvraag van een andere penvoerder. Een voorbeeld: een werkgever die zich in 2021 aansluit bij een aanvraag door een penvoerder, mag in 2021 niet ook zelf een aanvraag doen - noch alleen, noch als penvoerder. Een ander voorbeeld: een werkgever die zich in 2021 aansluit bij een aanvraag door penvoerder A, mag zich in 2021 niet ook aansluiten bij een aanvraag door penvoerder B. Het vijfde lid beoogt tezamen met artikel 5, vierde lid, kortom te regelen dat werkgevers in één jaar niet twee keer subsidie krijgen.

Artikel 7. Taaldocent opleidingstrajecten

Het eerste lid geeft een opsomming van de verschillende manieren waarop de bekwaamheid van taaldocenten voor het geven van taalonderwijs kan worden aangetoond. Deze eisen gelden niet alleen voor opleidingstrajecten in taalvaardigheden, maar ook voor opleidingstrajecten in rekenvaardigheden en digitale vaardigheden. Ook voor die opleidingstrajecten is het verminderen van laaggeletterdheid namelijk het onderliggende doel of één van de onderliggende doelen.

Het kan gaan om een taaldocent die werkzaam is bij een opleider (bijvoorbeeld een taalschool), maar ook om een zelfstandige taaldocent. In het tweede lid is bepaald dat de opleider of zelfstandige taaldocent over een inschrijving bij de Kamer van Koophandel moet beschikken. Ook buitenlandse opleiders of buitenlandse zelfstandige taaldocenten kunnen een opleidingstraject verzorgen als zij voldoen aan de eisen gesteld in het eerste lid. In dat geval kan in plaats van een inschrijving bij de Kamer van Koophandel ook worden volstaan met een inschrijving bij de daarmee vergelijkbare instantie in het land van vestiging.

Artikel 8. Te subsidiëren kosten

Artikel 8 bepaalt dat alleen de directe kosten voor het uitvoeren van de activiteiten subsidiabel zijn. Directe kosten zijn daadwerkelijke kosten die rechtstreeks aan de activiteiten kunnen worden toegerekend, in dit geval bijvoorbeeld personeels-, reis- en verblijfkosten voor de taaldocent en kosten voor lesmateriaal en -benodigdheden voor de werknemers. Indirecte kosten zijn kosten die losstaan van de activiteiten en dus slechts via een verdeelsleutel daaraan kunnen worden toegerekend. Dit zijn kosten voor de overhead (huur, verzekering, elektra, telefoon, koffieapparaat, administratie, et cetera). Deze indirecte kosten zijn dus niet subsidiabel. Dit is een inperking van het begrip ‘kosten’ in artikel 1 van de Kaderregeling.

Van de directe kosten komt vervolgens een bedrag van ten hoogste € 150,– per contactuur per opleidingstraject voor subsidie in aanmerking. Dit betekent dat voor alle werknemers in een opleidingstraject gezamenlijk maximaal € 150,– per uur mag worden gerekend. Verder komt van de directe kosten ten hoogste € 1.500,– per werknemer per opleidingstraject voor subsidie in aanmerking.

Verder komt een deel van de kosten voor eventuele voor- en nazorg in aanmerking voor subsidie. Ook hier geldt dat dit alleen directe kosten mogen zijn. Het totaalbedrag aan subsidiabele kosten voor de opleidingstrajecten is bepalend voor het totaalbedrag aan subsidiabele kosten voor de eventuele voorzorg en nazorg. Van het totaalbedrag aan subsidiabele kosten voor de opleidingstrajecten (A), mag een maximum van 5% worden besteed aan voorzorg (B) en een maximum van 10% worden besteed aan nazorg (C). Deze 5% en 10% kunnen vervolgens worden opgeteld bij het totaalbedrag aan subsidiabele kosten voor de opleidingstrajecten. Dus het totaalbedrag aan subsidiabele kosten voor de opleidingstrajecten, voorzorg en nazorg tezamen is: A + B (5% van A) + C (10% van A).

Een werkgever kan ook besluiten om aan verschillende groepen werknemers verschillende opleidingstrajecten aan te bieden, bijvoorbeeld vanwege niveauverschillen tussen de werknemers. Dan gelden de maximumtarieven van € 150,– per contactuur per opleidingstraject en € 1.500,– per werknemer voor elke groep. De kosten moeten echter wel in redelijke verhouding staan tot het aantal werknemers per traject. Een aanvraag voor een subsidie waarbij kosten worden gerekend die onevenredig hoog zijn, kan worden afgewezen omdat de kosten niet in een redelijke verhouding staan tot de voorgenomen doelstellingen en de daarvan te verwachten resultaten.

De te subsidiëren kosten worden overigens begrensd door de bepalingen over de omvang van de subsidie in artikel 9 van deze regeling. Zie twee rekenvoorbeelden hieronder.

Artikel 9. Omvang subsidie en eigen bijdrage of bijdragen van derden

In dit artikel wordt de omvang van de subsidie begrensd. In het eerste lid wordt het maximale subsidiebedrag per subsidieaanvraag gesteld op € 125.000,–. In het tweede lid wordt bepaald dat aanvragers minimaal 33% van de subsidiabele kosten moeten financieren uit andere middelen dan de aangevraagde subsidie, namelijk door middel van een eigen bijdrage of bijdragen van derden. Hiermee wordt bevorderd dat aanvragers zelf een geldelijke bijdrage leveren of daarvoor een geldelijke bijdrage van derden ophalen. De begrippen ‘eigen bijdrage’ en ‘bijdragen van derden’ zijn gedefinieerd in artikel 1.1, onder e, van de Kaderregeling.

Rekenvoorbeeld 1

Bij bedrijf A werken 20 laaggeletterde werknemers. Bedrijf A wil deze werknemerstaalscholing aanbieden. Na voorzorg in de vorm van een wervingsmiddag blijken 16 van deze werknemers inderdaad in taalscholing geïnteresseerd. Bedrijf A vraagt daarom een offerte aan bij een opleider voor 16 werknemers.

Het opleidingstraject dat de opleider aanbiedt, bedraagt 55 contacturen en de totale prijs bedraagt € 7.500,–. De prijs is dus € 7.500- / 55 = € 136,36 per contactuur en € 7.500,– / 16 = € 468,75 per werknemer. Gelet op artikel 8, onder a en b, valt dit binnen het maximale bedrag van € 150,– per contactuur en het maximale bedrag van € 1.500,– per werknemer. Het gehele bedrag van € 7.500,– is dus subsidiabel.

Bedrijf A heeft ook € 250,– aan directe kosten gehad voor de wervingsmiddag. Dit valt binnen het maximumbedrag dat mag worden aangevraagd voor de voorzorg: artikel 8, onder c, schrijft namelijk voor dat dit maximaal 5% mag bedragen van het subsidiebedrag dat voor het opleidingstraject wordt aangevraagd, ofwel 5% x € 7.500,– = € 375,–. Het gehele bedrag van € 250,– is dus subsidiabel.

Bedrijf A heeft dus € 7.500,– + € 250,– = € 7.750,– aan subsidiabele kosten. Hiervan moet bedrijf A op grond van artikel 9, tweede lid, echter 33% zelf inbrengen door middel van een eigen bijdrage of bijdragen van derden. In totaal komt dus een bedrag van 67% x € 7.750,– = € 5.192,50 voor subsidie in aanmerking.

Rekenvoorbeeld 2

Bij bedrijf B werken 15 laaggeletterde werknemers die moeite hebben om met de computer te werken. Bedrijf B wil deze werknemers een opleidingstraject digitale vaardigheden aanbieden.

Bedrijf B vraagt daarom een offerte aan bij een opleider voor 15 werknemers. Het opleidingstraject dat de opleider aanbiedt, bedraagt 45 contacturen en de totale prijs bedraagt € 7.650,–. De prijs is dus € 7.650,– / 45 = € 170,– per contactuur en € 7.650,– / 15 = € 510,– per werknemer. Gelet op artikel 8, onder b, valt dit weliswaar binnen het maximale bedrag van € 1.500,– per werknemer, maar is het bedrag per contactuur te hoog. Het uurtarief mag op grond van artikel 8, onder a, namelijk maximaal € 150,– per uur bedragen.

Bedrijf B vraagt nog een offerte voor 15 werknemers aan bij een andere opleider. Het opleidingstraject dat deze opleider aanbiedt, bedraagt 32 contacturen en de totale prijs bedraagt € 4.500,–. De prijs is dus € 4.500,– / 15 = € 300,– per werknemer en € 4.500,– / 32 = € 140,63 per contactuur. Gelet op artikel 8, onder a en b, valt dit binnen het maximale bedrag van € 150,– per contactuur en het maximale bedrag van € 1.500,– per werknemer. Het gehele bedrag van € 4.500,– is dus subsidiabel.

Bedrijf B heeft ook € 1.000,– aan directe kosten gehad voor nazorg in de vorm van een terugkomdag waarop de werknemers met hun collega’s konden delen wat zij hadden geleerd en zich bovendien konden oriënteren op vervolgscholing. Dit valt niet binnen het maximumbedrag dat mag worden aangevraagd voor de nazorg: artikel 8, onder d, schrijft namelijk voor dat dit maximaal 10% mag bedragen van het subsidiebedrag dat voor het opleidingstraject wordt aangevraagd, ofwel 10% x € 4.500,– = € 450,–. Van de € 1.000,– aan kosten voor de nazorg is dus slechts € 450,– subsidiabel.

Bedrijf B heeft dus € 4.500,– + € 450,– = € 4.950,– aan subsidiabele kosten. Hiervan moet bedrijf B op grond van artikel 9, tweede lid, echter 33% zelf inbrengen door middel van een eigen bijdrage of bijdragen van derden. In totaal komt dus een bedrag van 67% x € 4.950,– = € 3.316,50 voor subsidie in aanmerking.

Artikel 10. Subsidieplafond en wijze van verdeling beschikbare middelen

In 2021 is er in totaal een bedrag beschikbaar van ten hoogste € 8.800.000,–. In 2022 is dat € 2.900.000,– en in 2023 en 2024 jaarlijks € 3.350.000,–.

Als de aangevraagde subsidies in een bepaald jaar het subsidieplafond overschrijden, rangschikt DUS-I de aanvragen door middel van een loting (uitgevoerd door een notaris). De aanvragen die binnen het plafondbedrag passen, worden op basis van deze regeling en de Kaderregeling getoetst op volledigheid en inhoudelijke eisen. Een ingelote aanvraag die niet voldoet aan de eisen wordt afgewezen. In dat geval komt het bijbehorende budget vrij voor de volgende aanvraag in de rangschikking. Er is op grond van artikel 2.2, onder d, van de Kaderregeling dus gekozen voor een andere wijze van verdeling dan opgenomen in artikel 2.2, onder a tot en met c, van de Kaderregeling.

Als het totaalbedrag aan aangevraagde subsidies in 2021 onder het subsidieplafond blijft, komt het resterende bedrag op grond van het derde lid beschikbaar voor een tweede aanvraagtijdvak dat in dat geval wordt opengesteld. Voor de jaren 2022 tot en met 2024 gaat dit anders: in die jaren wordt er geen tweede tijdvak opengesteld, maar kan het resterende bedrag op grond van het vierde lid worden aangewend voor de subsidies die zijn aangevraagd voor laaggeletterde ouders en vervolgens voor experimenten. De reden voor het verschil tussen 2021 en 2022 tot en met 2023 is dat de middelen die beschikbaar zijn voor 2021 voor een groot deel afkomstig zijn uit het derde steunpakket in verband met de coronacrisis en derhalve geoormerkt zijn.

Artikel 11. Eisen subsidieaanvraag

In hoofdstuk 3 van de Kaderregeling is geregeld welke informatie aanvragers van een subsidie bij de aanvraag moeten overleggen. Uit artikel 3.3 van de Kaderregeling volgt bijvoorbeeld dat de aanvrager een activiteitenplan en een begroting als bedoeld in artikel 3.4 en 3.5 van de Kaderregeling moet indienen en aan welke eisen deze moeten voldoen.

In artikel 11, eerste lid, onder a en b, is geregeld welke informatie verder in het activiteitenplan respectievelijk de begroting moet zijn opgenomen. Dit is dus een aanvulling op de Kaderregeling. Verder is in het eerste lid, onder c, opgenomen dat indien de aanvraag wordt gedaan door een penvoerder, deze de verklaring als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, dient mee te zenden. Dit is de verklaring waarin de werkgevers namens wie de aanvraag wordt gedaan, aangeven dat de penvoerder gemachtigd is hen te vertegenwoordigen.

De aanvrager wordt tot slot op grond van het tweede lid gevraagd om zijn Kamer van Koophandel-nummer en dat van de opleider of zelfstandige taaldocent te verstrekken. Deze Kamer van Koophandel-nummers worden gecontroleerd en gebruikt om na te gaan of degene die de aanvraag ondertekend heeft tekenbevoegd is. In het geval van een buitenlandse aanvrager, buitenlandse opleider of buitenlandse zelfstandige taaldocent kan in plaats van een inschrijving bij de Kamer van Koophandel ook worden volstaan met een inschrijving bij de daarmee vergelijkbare instantie in het land van vestiging.

Artikel 12. Verplichtingen

De verplichtingen van een subsidieontvanger zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Kaderregeling. In aanvulling hierop heeft de subsidieontvanger nog een aantal verplichtingen op grond van artikel 12 van deze regeling.

Uit het eerste lid volgt dat de activiteiten binnen 18 maanden nadat de subsidie is verstrekt, moeten zijn afgerond. De termijn van 18 maanden begint dus te lopen zodra de aanvrager een positieve beschikking op de aanvraag heeft ontvangen. Dit geldt voor alle activiteiten: zowel voor het opleidingstraject als de eventuele voor- en nazorg.

Op grond van het tweede lid dient de subsidieontvanger ervoor te zorgen dat elke werknemer minimaal 30 contacturen van het opleidingstraject volgt. Een werknemer die dit door verhindering niet haalt, moet de gemiste uren inhalen wil de subsidieontvanger aan zijn verplichtingen voldoen. Een uitzondering hierop is als er sprake is van onvoorziene omstandigheden. De bewijslast ligt hiervoor bij de subsidieontvanger. Het betreft hier uitzonderlijke gevallen waarop de subsidieontvanger in redelijkheid niet heeft kunnen anticiperen of waarin in redelijkheid geen oplossing van de subsidieontvanger kan worden verwacht. De subsidieontvanger heeft dus een inspanningsverplichting om ervoor te zorgen dat elke werknemer minimaal 30 contacturen volgt. Overigens zijn de overheidsmaatregelen in verband met de coronacrisis in beginsel géén onvoorziene omstandigheid. Er is in deze regeling namelijk bewust voor gekozen om het mogelijk te maken de contacturen (deels) online vorm te geven.

Als een werknemer verhinderd is, kan het een oplossing zijn om (meer of andere) inhaalmogelijkheden te bieden of een andere werknemer te selecteren die aan het opleidingstraject kan deelnemen. Deze andere werknemer moet eveneens aan alle eisen van artikel 5, derde lid, voldoen en dus woonachtig in Nederland en laaggeletterd zijn, waarbij dit laatste voor de start van zijn/haar opleidingstraject moet zijn aangetoond door middel van een actuele individuele niveaubepaling of -indicatie. Ook aan de andere subsidieverplichtingen moet worden voldaan, zoals wederom het volgen van minimaal 30 contacturen.

In het derde lid is geregeld welke informatie de subsidieontvanger (zo nodig in aanvulling op artikel 5.2 van de Kaderregeling) dient te administreren. De minister kan de administratie opvragen ten behoeve van de verantwoording en vaststelling van de subsidie. In dat geval dient de subsidieontvanger de administratie op grond van het zevende lid te anonimiseren.

Verder schrijft het vierde lid een evaluatie voor. Daarbij dient de subsidieontvanger gebruik te maken van de vorm van monitoring die hij bij de aanvraag heeft opgegeven. De evaluatie moet uiterlijk drie maanden na afloop van de activiteiten worden ingediend bij de minister.

Voorts is de subsidieontvanger op grond van artikel 5.4 van de Kaderregeling verplicht om mee te werken aan een door of namens de minister ingestelde evaluatie. In aanvulling daarop is in het vijfde lid geregeld dat de subsidieontvanger tot een jaar na afloop van de activiteiten op verzoek van de minister medewerking moet verlenen aan initiatieven in het kader van Tel mee met Taal, zoals het geven van een toelichting op een Tel mee met Taal congres.

Tot slot is de subsidieontvanger op grond van het zesde lid verplicht om bij de betrokken opleider(s) of zelfstandige taaldocent(en) te bedingen dat zij de voor de administratie benodigde gegevens bijhouden. In de meeste gevallen zullen zij immers degenen zijn die het beste de presentie van de werknemers aan het opleidingstraject kunnen bijhouden. Verder moet bij de opleiders of zelfstandige taaldocenten worden bedongen dat zij meewerken aan de evaluatie als bedoeld in artikel 5.4 van de Kaderregeling. Dit is nodig, omdat de minister alleen een relatie met de subsidieontvanger en niet met de opleider of zelfstandige taaldocent heeft.

§ 3. Subsidie voor activiteiten voor laaggeletterde ouders

Artikel 13. Subsidie voor activiteiten voor laaggeletterde ouders

Op grond van het eerste lid, onder a, van dit artikel kunnen penvoerders subsidie aanvragen om laaggeletterde ouders een cursus te laten volgen. Een cursus moet worden gegeven in de Nederlandse taal en minimaal 30 contacturen omvatten. Uit het tweede lid volgt dat het moet gaan om een cursus gericht op het vergroten van één of meer taal-, reken- of digitale vaardigheden van de ouder en, wat de taalvaardigheden betreft, de toepassing daarvan in de communicatie met en over zijn of haar kind of kinderen.

In het eerste lid, onder b, is verder bepaald dat penvoerders subsidie kunnen aanvragen voor overige activiteiten gericht op laaggeletterde ouders. Op grond van het derde lid kan dit gaan om activiteiten die het educatief partnerschap stimuleren tussen ouder, school, kinderopvanginstellingen, instellingen die de jeugdgezondheidszorg uitvoeren en voorschoolse voorzieningen en die gericht zijn op ontwikkeling van de taal-, reken- of digitale vaardigheden. Ook kan het gaan om activiteiten die een educatief thuismilieu bevorderen en die eveneens gericht zijn op ontwikkeling van de taal-, reken- of digitale vaardigheden.

In het vierde lid is uitgewerkt voor welke ouders subsidie mag worden aangevraagd. De ouders dienen ten eerste woonachtig in Nederland te zijn. Ten tweede dienen de ouders laaggeletterd te zijn. Deze eis geldt ook als een ouder geen taal- maar bijvoorbeeld een rekencursus wil volgen. Een ouder is laaggeletterd als deze één of meer taalvaardigheden (schrijfvaardigheid, leesvaardigheid, luistervaardigheid of spreekvaardigheid) van de Nederlandse taal beheerst op een niveau lager dan het referentieniveau 2F zoals vastgesteld in bijlage 1 behorende bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen. Voor ouders die een cursus volgen, dient dit te blijken uit een actuele en individuele niveaubepaling of -indicatie, die op basis van een gevalideerd instrument uiterlijk voor de start van de cursus is afgenomen. Voor ouders die deelnemen aan overige activiteiten is dat niet nodig. Het taalniveau van een ouder mag overigens ook met een niveauaanduiding gebaseerd op de richtlijnen van het Europees Referentiekaders voor Moderne Vreemde talen (ERK) (tot en met B1) worden weergegeven.

Tot slot geldt op grond van het vijfde lid dat de subsidieaanvraag moet worden ondersteund door ten minste één gemeente. Dit kan inhouden dat de gemeente het initiatief onderschrijft, maar de gemeente kan bijvoorbeeld ook faciliteiten, capaciteit of financiële ondersteuning ter beschikking stellen. In het laatste geval kunnen partijen dit gebruiken voor de 33% die moet worden bekostigd uit de eigen bijdrage of bijdragen van derden (zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel 16). Een aanvrager dient een ondersteuningsverklaring van de gemeente met de aanvraag mee te zenden.

Artikel 14. Penvoerderschap

De aanvraag voor een subsidie voor laaggeletterde ouders kan alleen worden gedaan door een penvoerder. De penvoerder moet zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel of de daarmee vergelijkbare instantie in het land van vestiging als de penvoerder een buitenlandse partij is. Verder mag de penvoerder niet de Staat, een provincie, waterschap, gemeente of buitenlands overheidsorgaan zijn.

De penvoerder doet de aanvraag namens hemzelf en ten minste twee andere partijen, waaronder in ieder geval een lokale bibliotheek, instelling die de jeugdgezondheidszorg uitvoert, school of voorschoolse voorziening. Er moeten dus altijd ten minste drie partijen betrokken zijn bij de aanvraag. Een lokale bibliotheek, instelling die de jeugdgezondheidszorg uitvoert, school of voorschoolse voorziening kan ook zelf optreden als penvoerder, maar moet de aanvraag dan alsnog ten minste twee andere partijen doen. Gemeenten en andere overheden kunnen zelf geen aanvraag indienen, maar kunnen zich wel aansluiten bij de aanvraag door een penvoerder en via de penvoerder ook financiële middelen uit de subsidie ontvangen. Het is niet verplicht dat gemeenten zich op die manier aansluiten bij de aanvraag: op grond van artikel 13, vijfde lid, is alleen vereist dat ten minste één gemeente de aanvraag ondersteunt.

Het maximale subsidiebedrag dat per penvoerder kan worden aangevraagd is altijd gelijk, maximaal € 125.000,–. De penvoerder is verantwoordelijk voor alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht de taakverdeling tussen partijen in de praktijk. De penvoerder en andere partijen dienen dus onderling goede afspraken te maken. De penvoerder dient op grond van het vijfde lid over een getekende verklaring te beschikken waarin alle partijen verklaren dat de penvoerder gemachtigd is om hen in het kader van de subsidieverstrekking in en buiten rechte te vertegenwoordigen en dat alle voor de verantwoording van de subsidie noodzakelijke gegevens op verzoek aan de penvoerder worden verstrekt.

In het zesde lid is geregeld dat een penvoerder maar één keer per jaar subsidie mag aanvragen in de hoedanigheid van penvoerder. Een voorbeeld: een organisatie die in 2021 als penvoerder subsidie aanvraagt voor hemzelf en twee andere partijen, mag in 2021 niet nogmaals als penvoerder subsidie aanvragen. Wel zou de organisatie zich in datzelfde jaar kunnen aansluiten bij een aanvraag met een andere organisatie als penvoerder. Een penvoerder kan ofwel subsidie aanvragen voor één of meer cursussen, ofwel voor overige activiteiten gericht op laaggeletterde ouders. Er kan geen subsidie worden aangevraagd voor beide activiteiten tegelijk.

Artikel 15. Te subsidiëren kosten

In het eerste lid is bepaald dat alleen de directe kosten voor het uitvoeren van de cursussen subsidiabel zijn. Zie de toelichting bij artikel 8 voor een uitleg over het verschil tussen directe en indirecte kosten.

Van deze directe kosten komt vervolgens een bedrag van ten hoogste € 600,– per ouder voor subsidie in aanmerking. De aanvrager kan ook besluiten om aan verschillende groepen ouders verschillende cursussen aan te bieden, bijvoorbeeld vanwege verschillende behoeften van de ouders. Het maximum van € 600,– per ouder blijft dan echter gelden, ook als de ouder twee cursussen doet.

Ook voor de overige activiteiten gericht op laaggeletterde ouders geldt op grond van het tweede lid dat alleen de directe kosten subsidiabel zijn, maar daarvoor is er geen maximum van € 600,– per ouder. De kosten moeten echter wel in redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten resultaten. Een aanvraag voor een subsidie waarbij kosten worden gerekend die onevenredig hoog zijn, kan worden afgewezen.

De te subsidiëren kosten worden overigens begrensd door de bepalingen over de omvang van de subsidie in artikel 16 van deze regeling. Zie drie rekenvoorbeelden hieronder.

Artikel 16. Omvang subsidie en eigen bijdrage of bijdragen van derden

In dit artikel wordt de omvang van de subsidie begrensd.

In het eerste lid wordt het maximale subsidiebedrag per subsidieaanvraag gesteld op € 125.000,–. In het tweede lid is bepaald dat aanvragers minimaal 33% van de subsidiabele kosten moeten financieren uit andere middelen dan de aangevraagde subsidie, namelijk door middel van een eigen bijdrage of bijdragen van derden. Hiermee wordt bevorderd dat aanvragers zelf een geldelijke bijdrage leveren of daarvoor een geldelijke bijdrage van derden ophalen. De begrippen ‘eigen bijdrage’ en ‘bijdragen van derden’ zijn gedefinieerd in artikel 1.1, onder e, van de Kaderregeling.

Rekenvoorbeeld 1 (cursussen artikel 13, eerste lid, onder a)

Een aanvrager begroot € 10.000,– aan directe kosten om in totaal 20 ouders aan een taalcursus te laten deelnemen. De prijs is dus € 10.000,– / 20 = € 500,– per ouder. Gelet op artikel 15, eerste lid, valt dit binnen het maximale bedrag van € 600,– per ouder. De subsidiabele kosten bedragen dus ook € 10.000,–. Hiervan moet de aanvrager op grond van artikel 16, tweede lid, echter 33% zelf inbrengen door middel van een eigen bijdrage of bijdragen van derden. In totaal komt dus een bedrag van 67% x € 10.000,– = € 6700,– voor subsidie in aanmerking.

Rekenvoorbeeld 2 (cursussen artikel 13, eerste lid, onder a)

Een aanvrager begroot € 120.000,– om in totaal 300 ouders aan een rekencursus te laten deelnemen. De prijs is dus € 120.000,– / 300 = € 400,– per ouder. Gelet op artikel 15, eerste lid, valt dit binnen het maximale bedrag van € 600,– per ouder. Van het begrote bedrag is echter € 1.000,– bedoeld om de indirecte kosten te dekken, zoals het benodigde gas, water en licht. Op grond van eveneens artikel 15, eerste lid, zijn alleen de directe kosten subsidiabel. De subsidiabele kosten bedragen dus € 120.000,– - € 1.000,– = € 119.000,–. Hiervan moet de aanvrager op grond van artikel 16, tweede lid, bovendien 33% zelf inbrengen door middel van een eigen bijdrage of bijdragen van derden. In totaal komt dus een bedrag van 67% x € 119.000,– = € 79.730,– voor subsidie in aanmerking.

Rekenvoorbeeld 3 (overige activiteiten artikel 13, eerste lid, onder b)

Een groot schoolbestuur begroot € 4.000,– aan directe kosten om laaggeletterde ouders te begeleiden bij de omgang met het online administratie- en communicatiesysteem dat de scholen gebruiken om de ouders inzage te geven in hoe het met hun kind gaat op school (bijvoorbeeld het inzien van aanwezigheid, cijfers, het lesrooster, et cetera). Op grond van artikel 15, tweede lid, zijn alle directe kosten subsidiabel, dus de gehele € 4.000,–. Hiervan moet het schoolbestuur op grond van artikel 16, tweede lid, echter 33% zelf inbrengen door middel van een eigen bijdrage of bijdragen van derden. In totaal komt dus een bedrag van 67% x € 4.000,– = € 2680,– voor subsidie in aanmerking.

Artikel 17. Subsidieplafonds en wijze van verdeling beschikbare middelen

In 2021 en 2022 is er jaarlijks een bedrag beschikbaar van ten hoogste € 1.300.000,–. In 2023 en 2024 is dat jaarlijks een bedrag van ten hoogste € 1.750.000,–.

Als de aangevraagde subsidies in een bepaald jaar het subsidieplafond overschrijden, rangschikt DUS-I de aanvragen door middel van een loting (uitgevoerd door een notaris). De aanvragen die binnen het plafondbedrag passen, worden op basis van deze regeling en de Kaderregeling getoetst op volledigheid en inhoudelijke eisen. Een ingelote aanvraag die niet voldoet aan de eisen wordt afgewezen. In dat geval komt het bijbehorende budget vrij voor de volgende aanvraag in de rangschikking. Er is op grond van artikel 2.2, onder d, van de Kaderregeling dus gekozen voor een andere wijze van verdeling dan opgenomen in artikel 2.2, onder a tot en met c, van de Kaderregeling.

Als het totaalbedrag aan aangevraagde subsidies in een bepaald jaar onder het subsidieplafond blijft, kan het resterende bedrag op grond van het derde lid worden aangewend voor de subsidies die zijn aangevraagd voor laaggeletterde werknemers. Mochten er daarna nog steeds middelen resteren, kunnen deze worden aangewend voor de subsidies die zijn aangevraagd voor experimenten.

Artikel 18. Eisen subsidieaanvraag

In hoofdstuk 3 van de Kaderregeling is geregeld welke informatie aanvragers van een subsidie bij de aanvraag moeten overleggen. Uit artikel 3.3 van de Kaderregeling volgt bijvoorbeeld dat de aanvrager een activiteitenplan en een begroting als bedoeld in artikel 3.4 en 3.5 van de Kaderregeling moet indienen en aan welke eisen deze moeten voldoen.

In artikel 18, eerste lid, onder a en b, is geregeld welke informatie verder in het activiteitenplan respectievelijk de begroting moet zijn opgenomen bij een aanvraag van subsidie voor cursussen. Dit is dus een aanvulling op de Kaderregeling. Verder is in het eerste lid, onder c, opgenomen dat de penvoerder de ondersteuningsverklaring van de gemeente(n) dient mee te zenden. Ook dient de penvoerder op grond van het eerste lid, onder d, de verklaring als bedoeld in artikel 14, vijfde lid, mee te zenden. Dit is de verklaring waarin de andere bij de aanvraag betrokken partijen aangeven dat de penvoerder gemachtigd is hen te vertegenwoordigen.

In het tweede lid, onder a en b, is geregeld welke informatie verder in het activiteitenplan respectievelijk de begroting moet zijn opgenomen bij een aanvraag van subsidie voor overige activiteiten. Dit is dus een aanvulling op de Kaderregeling. Verder is in het tweede lid, onder c, ook voor de overige activiteiten opgenomen dat de penvoerder de ondersteuningsverklaring van de gemeente(n) dient mee te zenden alsmede de verklaring van de andere bij de aanvraag betrokken partijen als bedoeld in artikel 14, vijfde lid.

De penvoerder wordt tot slot op grond van het derde lid gevraagd om zijn Kamer van Koophandel-nummer. Dat nummer wordt gecontroleerd en gebruikt om na te gaan of degene die de aanvraag heeft ondertekend tekenbevoegd is. In het geval van een buitenlandse aanvrager, buitenlandse opleider of buitenlandse zelfstandige taaldocent kan in plaats van een inschrijving bij de Kamer van Koophandel ook worden volstaan met een inschrijving bij de daarmee vergelijkbare instantie in het land van vestiging.

Artikel 19. Verplichtingen

De verplichtingen van een subsidieontvanger zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Kaderregeling. In aanvulling hierop heeft de subsidieontvanger nog een aantal verplichtingen op grond van artikel 19 van deze regeling.

Uit het eerste lid volgt dat de activiteiten binnen 18 maanden nadat de subsidie is verstrekt, moeten zijn afgerond. De termijn van 18 maanden begint dus te lopen zodra de aanvrager een positieve beschikking op de aanvraag heeft ontvangen.

Op grond van het tweede lid dient de subsidieontvanger ervoor te zorgen dat elke ouder minimaal 30 contacturen van de cursus volgt. Een ouder die door verhindering geen 30 contacturen haalt, moet dit dus inhalen wil de subsidieontvanger aan zijn verplichtingen voldoen. Een uitzondering hierop is als er sprake is van onvoorziene omstandigheden; zie hiervoor de artikelsgewijze toelichting bij artikel 12. De verplichting van 30 contacturen geldt niet voor overige activiteiten.

In het derde lid is geregeld welke informatie de subsidieontvanger (zo nodig in aanvulling op artikel 5.2 van de Kaderregeling) dient te administreren. De minister kan de administratie opvragen ten behoeve van de verantwoording en vaststelling van de subsidie. In dat geval dient de subsidieontvanger de administratie op grond van het zesde lid te anonimiseren. Onderdeel c van het derde lid geldt alleen voor de cursussen, want voor de overige activiteiten is er zoals gezegd geen minimaal aantal contacturen.

Verder schrijft het vierde lid een evaluatie voor. Daarbij dient de subsidieontvanger gebruik te maken van de vorm van monitoring die hij bij de aanvraag heeft opgegeven. De evaluatie moet uiterlijk drie maanden na afloop van de activiteiten worden ingediend bij de minister.

Voorts is de subsidieontvanger op grond van artikel 5.4 verplicht om mee te werken aan een door of namens de minister ingestelde evaluatie. In aanvulling daarop is in het vijfde lid geregeld dat de subsidieontvanger tot een jaar na afloop van de gesubsidieerde activiteiten op verzoek van de minister medewerking moet verlenen aan initiatieven in het kader van Tel mee met Taal, zoals het geven van een toelichting op een Tel mee met Taal congres.

§ 4. Subsidie voor experimenten

Artikel 20. Subsidie voor experimenten

Op grond van het eerste lid, onder a, kunnen natuurlijke personen of rechtspersonen subsidie aanvragen voor experimenten gericht op het beter kunnen bereiken van laaggeletterden om hen meer bereid te om maken cursussen gericht op taal-, reken- of digitale vaardigheden te volgen. Ook kunnen zij op grond van het eerste lid, onder b, subsidie aanvragen voor experimenten gericht op het verbeteren van de kwaliteit van het cursusaanbod voor deze doelgroep. Het moet gaan om experimenten die in de praktijk worden ontwikkeld en in de praktijk worden uitgeprobeerd. Dit wil zeggen dat het niet kan gaan om louter een theoretische studie die zonder betrokkenheid van de doelgroep wordt uitgevoerd. De aanvrager mag niet de Staat, een provincie, waterschap, gemeente of buitenlands overheidsorgaan zijn.

In het tweede lid is voorgeschreven dat de aanvrager dient te beschikken over een inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Ook buitenlandse aanvragers komen in aanmerking voor subsidie, zolang de subsidie maar wordt aangevraagd voor een experiment gericht op in Nederland woonachtige laaggeletterden. Een buitenlandse aanvrager dient te beschikken over een inschrijving bij de met de Kamer van Koophandel vergelijkbare instantie in het land van vestiging.

Verder geldt op grond van het derde lid dat de subsidieaanvraag moet worden ondersteund door ten minste één gemeente. Dit kan inhouden dat de gemeente het initiatief onderschrijft, maar de gemeente kan bijvoorbeeld ook faciliteiten, capaciteit of financiële ondersteuning ter beschikking stellen. In het laatste geval kunnen partijen dit gebruiken voor de 20% die moet worden bekostigd uit de eigen bijdrage of bijdragen van derden (zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel 23). De aanvrager dient een ondersteuningsverklaring van de gemeente(n) met de aanvraag mee te zenden.

In het vierde lid is geregeld dat een aanvrager maar één keer per jaar subsidie voor een experiment mag aanvragen. Bovendien mag de aanvrager dat jaar niet ook nog eens een aanvraag doen als penvoerder. Een aanvrager kan tot slot ofwel subsidie aanvragen voor een experiment gericht op bereik, ofwel voor een experiment gericht op kwaliteit. Er kan echter geen subsidie worden aangevraagd voor beide soorten experimenten tegelijk.

Artikel 21. Penvoerderschap

Artikel 20, eerste lid, bepaalt dat een aanvraag kan worden ingediend door één partij, zijnde een natuurlijke persoon of rechtspersoon. Op grond van artikel 21, eerste lid, kan de aanvraag echter ook worden ingediend door een penvoerder die de aanvraag namens hemzelf en één of meer andere partijen doet. Ook voor de penvoerder geldt dat deze moet zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel of de daarmee vergelijkbare instantie in het land van vestiging als de penvoerder een buitenlandse partij is. Verder mag de penvoerder niet de Staat, een provincie, waterschap, gemeente of buitenlands overheidsorgaan zijn. Gemeenten en andere overheden kunnen dus zelf geen aanvraag indienen, maar kunnen zich wel aansluiten bij de aanvraag door een penvoerder en via de penvoerder ook financiële middelen uit de subsidie ontvangen. Het is niet verplicht dat gemeenten zich op die manier aansluiten bij de aanvraag: op grond van artikel 20, derde lid, is alleen vereist dat ten minste één gemeente de aanvraag ondersteunt.

Ook als de subsidie wordt aangevraagd door een penvoerder, blijft het maximale subsidiebedrag dat per penvoerder kan worden aangevraagd gelijk, maximaal € 125.000,–. De penvoerder is verantwoordelijk voor alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht de taakverdeling tussen partijen in de praktijk. De penvoerder en andere partijen dienen dus onderling goede afspraken te maken. De penvoerder dient op grond van het vijfde lid over een verklaring te beschikken waarin alle partijen verklaren dat de penvoerder gemachtigd is om hen in het kader van de subsidieverstrekking in en buiten rechte te vertegenwoordigen en dat alle voor de verantwoording van de subsidie noodzakelijke gegevens op verzoek aan de penvoerder worden verstrekt.

In het zesde lid is geregeld dat een penvoerder maar één keer per jaar subsidie mag aanvragen in de hoedanigheid van penvoerder. Een voorbeeld: een organisatie die in 2021 als penvoerder subsidie aanvraagt voor hemzelf en andere partijen, mag in 2021 niet nogmaals als penvoerder subsidie aanvragen. Wel zou de organisatie zich in datzelfde jaar kunnen aansluiten bij een aanvraag met een andere organisatie als penvoerder. Verder mag een penvoerder dat jaar niet ook nog eens subsidie aanvragen voor zichzelf alleen. Ook een penvoerder kan tot slot ofwel subsidie aanvragen voor een experiment gericht op bereik, ofwel voor een experiment gericht op kwaliteit. Er kan echter geen subsidie worden aangevraagd voor beide experimenten tegelijk.

Artikel 22. Te subsidiëren kosten

Alleen de directe kosten voor een experiment zijn subsidiabel. Zie de toelichting bij artikel 8 voor uitleg over het verschil tussen directe en indirecte kosten. De te subsidiëren kosten worden begrensd door de bepalingen over de omvang van de subsidie in artikel 23 van deze regeling. Zie een rekenvoorbeeld hieronder.

Artikel 23. Omvang subsidie en eigen inbreng of bijdragen van derden

In dit artikel wordt de omvang van de subsidie begrensd.

Uit het eerste lid volgt dat subsidieaanvragen voor minder dan € 25.000,– worden afgewezen. In het tweede lid is het maximale subsidiebedrag bepaald, € 125.000,–. In het derde lid is voorts bepaald dat aanvragers minimaal 20% van de subsidiabele kosten moeten financieren uit andere middelen dan de aangevraagde subsidie, namelijk door middel van een eigen bijdrage of bijdragen van derden. Hiermee wordt bevorderd dat aanvragers zelf een geldelijke bijdrage leveren of daarvoor een geldelijke bijdrage van derden ophalen. De begrippen ‘eigen bijdrage’ en ‘bijdragen van derden’ zijn gedefinieerd in artikel 1.1, onder e, van de Kaderregeling.

Rekenvoorbeeld

Een woningcorporatie begroot € 200.000,– aan directe kosten om verschillende methoden uit te proberen om haar laaggeletterde huurders te motiveren een cursus Nederlands te volgen. Dit zodat zij in het vervolg beter met deze huurders kan communiceren.

Op grond van artikel 22 zijn alle directe kosten subsidiabel, dus de gehele € 200.000,–. Hiervan moet echter 20% x € 200.000,– = € 40.000,– worden gefinancierd middels een eigen bijdrage of bijdragen van derden, zodat er een bedrag van € 200.000,– - € 40.000,– = € 160.000,– resteert waarvoor de woningcorporatie subsidie aanvraagt. Het maximale subsidiebedrag per subsidieaanvraag is echter € 125.000,–, dus het totale subsidiebedrag dat de woningcorporatie uiteindelijk krijgt toegekend, bedraagt niet € 160.000,– maar € 125.000,–.

Artikel 24. Subsidieplafond en loting

In 2021 en 2022 is er jaarlijks een bedrag beschikbaar van ten hoogste € 625.000,–. Na 2022 volgt een evaluatie, waarna besloten wordt of er aanvullend budget beschikbaar komt voor 2023 en 2024. Als de aangevraagde subsidies in een bepaald jaar onder het subsidieplafond blijven, wordt het resterende bedrag op grond van het tweede lid aangewend voor de subsidies die zijn aangevraagd voor laaggeletterde werknemers of laaggeletterde ouders. Het resterende bedrag gaat dan als eerst naar de subsidiestroom waar de overtekening procentueel het grootst is.

Het derde en vierde lid beogen te voorkomen dat de minister bij grote overtekening teveel aanvragen moet beoordelen en voor advies aan het Expertisepunt Basisvaardigheden moet voorleggen (zie hieronder). In het derde lid is daarom bepaald dat als er voor drie keer of meer dan het plafondbedrag aan subsidie is aangevraagd, dus in totaal voor € 1.875.000,– of meer, door middel van loting wordt bepaald welke subsidieaanvragen worden beoordeeld. De aanvragen worden ten behoeve van de loting verdeeld in twee groepen: een groep met aanvragen voor experimenten gericht op bereik en een groep met aanvragen voor experimenten gericht op kwaliteit. Voor beide soorten experimenten wordt maximaal € 937.500,– aan aanvragen ingeloot (2 x € 937.500 = € 1.875.000,–).

Artikel 25. Eisen subsidieaanvraag

In hoofdstuk 3 van de Kaderregeling is geregeld welke informatie aanvragers van een subsidie bij de aanvraag moeten overleggen. Uit artikel 3.3 van de Kaderregeling volgt bijvoorbeeld dat de aanvrager een activiteitenplan als bedoeld in artikel 3.4 van de Kaderregeling en een begroting als bedoeld in artikel 3.5 van de Kaderregeling moet indienen.

In artikel 25, eerste lid, onder a, is bepaald dat het activiteitenplan anders moet worden ingericht dan artikel 3.4 van de Kaderregeling voorschrijft. Dit is dus een afwijking van de Kaderregeling. In het activiteitenplan dient namelijk te worden ingegaan op de beoordelingscriteria in artikel 26, eerste lid. Uit artikel 25, eerste lid, onder b, volgt vervolgens dat de aanvraag tevens een samenvatting van het activiteitenplan op het niveau van Nederlands 2F moet bevatten. Deze samenvatting is bedoeld voor de ervaringsdeskundigen (voormalig laaggeletterden) die door het Expertisepunt Basisvaardigheden kunnen worden ingezet om bij te dragen aan de advisering over de aanvragen (zie hieronder).

In artikel 25, eerste lid, onder c, is voorts geregeld welke informatie in ieder geval in de begroting moet zijn opgenomen. Dit is dus een invulling van en aanvulling op de Kaderregeling. In artikel 25, onder d, is opgenomen dat de penvoerder de ondersteuningsverklaring van de gemeente(n) dient mee te zenden. Als de aanvraag wordt gedaan door een penvoerder, dient de penvoerder op grond van het eerste lid, onder e, tevens de verklaring als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, mee te zenden. Dit is de verklaring waarin de andere bij de aanvraag betrokken partijen aangeven dat de penvoerder gemachtigd is hen te vertegenwoordigen.

De aanvrager wordt tot slot op grond van het tweede lid gevraagd om zijn Kamer van Koophandel-nummer. Dit nummer wordt gecontroleerd en gebruikt om na te gaan of degene die de aanvraag heeft ondertekend tekenbevoegd is. In het geval van een buitenlandse aanvrager, buitenlandse opleider of buitenlandse zelfstandige taaldocent kan in plaats van een inschrijving bij de Kamer van Koophandel ook worden volstaan met een inschrijving bij de daarmee vergelijkbare instantie in het land van vestiging.

Artikel 26. Beoordelingswijze

In artikel 24, derde en vierde lid, is geregeld dat als er voor drie keer of meer dan het plafondbedrag aan subsidie is aangevraagd, door middel van loting wordt bepaald welke subsidieaanvragen door de minister worden beoordeeld. Dit betekent dat er ook een aantal aanvragen is dat niet wordt beoordeeld. Als er voor minder dan drie keer het plafondbedrag aan subsidie is aangevraagd, is loting niet nodig en beoordeelt de minister wel alle aanvragen.

De (na de loting resterende) subsidieaanvragen worden beoordeeld op volledigheid en daarnaast op inhoud aan de hand van de criteria zoals opgenomen in het eerste lid. Deze zijn uitgewerkt in een beoordelingskader. In het tweede lid is bepaald dat het beoordelingskader is opgenomen in de bijlage bij de regeling.

Aanvragen dienen op grond van het derde lid op elk van de criteria een voldoende te scoren. Alle criteria worden gelijkwaardig gewogen en tellen ieder voor 20% mee. Aanvragen die op één of meer criteria een onvoldoende scoren, worden afgewezen. Als de hierna resterende aanvragen die als voldoende zijn beoordeeld tezamen onder het subsidieplafond van € 625.000,– blijven, beoordeelt de minister alsnog één of meer van de uitgelote aanvragen indien er een loting is geweest. De uitgelote aanvragen zijn op grond van artikel 24, vierde lid, verdeeld in twee groepen. De minister selecteert als eerst een aanvraag uit de groep van experimenten waarvoor de minste aanvragen die als voldoende zijn beoordeeld, resteren. De minister doet dit op volgorde van de loting. Als het subsidieplafond nog steeds niet is bereikt selecteert de minister daarna een aanvraag uit de andere groep van experimenten, eveneens op volgorde van de loting. Dit proces herhaalt zich net zo lang tot het subsidieplafond is bereikt.

Alle aanvragen die vervolgens voor verstrekking van subsidie in aanmerking komen, worden op grond van het zesde lid opgenomen in een rangschikking. In de rangschikking staan de aanvragen met de hoogste score bovenaan en die met de laagste score onderaan. Er is in de rangschikking geen onderscheid meer tussen beide groepen experimenten.

Artikel 27. Advisering door Expertisepunt Basisvaardigheden

De minister vraagt voor de beoordeling advies aan het Expertisepunt Basisvaardigheden. De minister toetst de aanvragen eerst op volledigheid alvorens deze aan het Expertisepunt Basisvaardigheden voor te leggen. Het Expertisepunt Basisvaardigheden kan in het advies tevens een advies voor een rangschikking opnemen.

Artikel 28. Wijze van verdeling beschikbare middelen

Het Expertisepunt Basisvaardigheden voorziet de minister van advies over de aanvragen, maar het is de minister die uiteindelijk op de aanvragen beslist. Dit is voor de duidelijkheid nog eens tot uitdrukking gebracht door het eerste lid. De minister doet beslist op basis van de rangschikking die voortvloeit uit de toepassing van artikel 26, zesde lid. De minister kent de aanvragen met de hoogste scores toe tot het subsidieplafond is bereikt.

Deze wijze van verdeling stemt voor de gerangschikte aanvragen dus overeen met artikel 2.2, onder b, van de Kaderregeling, zijnde verdeling op basis van onderlinge afweging. Wel wordt er in ieder geval voor beide soorten experimenten één aanvraag toegekend. Dit houdt in dat er ten minste één experiment gericht op bereik en ten minste één experiment gericht op kwaliteit tussen moeten zitten - indien aanwezig en met een voldoende score. Dit kan in sommige gevallen ten koste gaan van een andere aanvraag met een hogere score.

Artikel 29. Verplichtingen

De verplichtingen van een subsidieontvanger zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Kaderregeling. In aanvulling hierop heeft de subsidieontvanger nog een aantal verplichtingen op grond van artikel 19 van deze regeling.

Uit het eerste lid volgt dat de activiteiten binnen 18 maanden nadat de subsidie is verstrekt, moeten zijn afgerond. De termijn van 18 maanden begint dus te lopen zodra de aanvrager een positieve beschikking op de aanvraag heeft ontvangen.

De subsidieontvanger is op grond van artikel 5.4 verplicht om mee te werken aan een door of namens de minister ingestelde evaluatie. In aanvulling daarop is in het tweede lid geregeld dat de subsidieontvanger tot een jaar na afloop van de gesubsidieerde activiteiten op verzoek van de minister medewerking moet verlenen aan initiatieven in het kader van Tel mee met Taal, zoals het geven van een toelichting op een Tel mee met Taal congres.

Ook bekostigde onderwijsinstellingen kunnen subsidie aanvragen. Voor hen is in het derde lid geregeld dat zij de methodiek en uitvoering van het experiment na afloop daarvan moeten beschrijven en evalueren aan de hand van de in dat lid opgenomen vragen. Ook andere aanvragers moeten dat doen, maar doen dat in het activiteitenverslag (zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel 31).

§ 5. Verlenging afrondingstermijn, vaststelling en verantwoording, publicatie geleerde lessen en succesvolle voorbeelden

Artikel 30. Verlenging afrondingstermijn

Op grond van dit artikel hebben aanvragers de mogelijkheid om te vragen om verlenging van de afrondingstermijn van 18 maanden. De minister kan hier in uitzonderlijke gevallen in toestemmen, bijvoorbeeld als er sprake is van het plotseling langdurig uitvallen van een projectleider waarbij vervanging niet snel te organiseren is. De afrondingstermijn kan met maximaal 12 maanden worden verlengd.

Artikel 31. Vaststelling en verantwoording voor aanvragers anders dan bekostigde onderwijsinstellingen

Subsidie tot € 25.000 wordt op grond van artikel 7.4 van de Kaderregeling voorafgaand aan de activiteiten verleend en de vaststelling vindt ambtshalve plaats. Dit betekent dat daarvoor geen aanvraag is vereist. De subsidieontvanger toont op verzoek van de minister dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de verleende subsidie verbonden verplichtingen. DUS-I trekt hiertoe een steekproef van circa 33% uit de toegekende aanvragen voor laaggeletterde werknemers en laaggeletterde ouders. Voorgaande is niet van toepassing op subsidies voor experimenten, want daarvoor geldt dat het subsidiebedrag minimaal € 25.000- dient te bedragen.

Voor subsidies van € 25.000,– tot € 125.000,– wordt de subsidie op grond van artikel 7.6 van de Kaderregeling voorafgaand aan de activiteiten verleend, en vindt - anders dan bij subsidies tot € 25.000,– geen ambtshalve vaststelling plaats. De subsidieontvanger dient een aanvraag om vaststelling te doen, waarbij hij een activiteitenverslag overlegt. In dat activiteitenverslag wordt aangetoond dat de activiteiten zijn verricht en dat aan de subsidieverplichtingen is voldaan. Indien de activiteiten zijn verricht, wordt de subsidie vervolgens binnen 22 weken na ontvangst van de aanvraag vastgesteld op het bedrag, genoemd bij de verlening. Kenmerkend voor deze subsidies is dus dat de subsidieontvanger middels het activiteitenverslag moet aantonen dat de activiteiten zijn uitgevoerd. Er wordt geen bijkomende financiële verantwoording of een door een accountant opgesteld stuk gevraagd.

Activiteitenverslagen dienen dus primair als verantwoordingsinformatie, maar kunnen daarnaast worden gebruikt als beleidsinformatie. Dit geldt in ieder geval voor de activiteitenverslagen van de experimenten, die allemaal zullen worden bekeken met het doel om ervan te leren (zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel 33). De activiteitenverslagen van de experimenten zien er ook anders uit dan de Kaderregeling voorschrijft. In afwijking van de Kaderregeling is in het vijfde lid opgenomen uit welke elementen het activiteitenverslag van een experiment moet bestaan. Het vijfde lid verwijst hiervoor naar artikel 29, derde lid.

Artikel 32. Vaststelling en verantwoording voor bekostigde onderwijsinstellingen

Voor bekostigde onderwijsinstellingen geldt dat subsidie na een aanvraag direct wordt vastgesteld binnen 13 weken na afloop aanvraagperiode. De besteding van de subsidie moet worden verantwoord in het jaarverslag middels model G, onderdeel 1.

Nadat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt, zijn verricht, kan de bekostigde onderwijsinstelling de resterende middelen besteden aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt. Dit is conform artikel 9.1, derde lid, onder a, van de Kaderregeling.

Artikel 33. Publicatie geleerde lessen en succesvolle voorbeelden

De minister stelt op grond van het eerste lid alle activiteitenverslagen van de experimenten en - in het geval van bekostigde onderwijsinstellingen - alle evaluaties van de experimenten ter beschikking aan het Expertisepunt Basisvaardigheden. Het Expertisepunt Basisvaardigheden kan daar de geleerde lessen en succesvolle voorbeelden uit destilleren en publiceren.

Ook voor eventuele andere (informatie)producten van de subsidies voor experimenten geldt dat daaruit geleerde lessen en succesvolle voorbeelden uit kunnen voortvloeien, maar die producten stelt de minister niet allemaal integraal ter beschikking aan het Expertisepunt Basisvaardigheden. Wel kan de minister daar op grond van het tweede lid zelf geleerde lessen en succesvolle voorbeelden uit destilleren en ter beschikking stellen aan het Expertisepunt Basisvaardigheden. Het Expertisepunt Basisvaardigheden kan ook die publiceren. Hetzelfde geldt voor eventuele (informatie)producten van de subsidies voor laaggeletterde werknemers en ouders.

§ 6. Toepasselijkheid in Caribisch Nederland

Artikel 34. Toepasselijkheid in Caribisch Nederland

In het eerste lid is geregeld dat deze subsidieregeling ook van toepassing is op Caribisch Nederland. Omdat de regeling echter niet één op één op Caribisch Nederland kan worden toegepast, volgt uit deze paragraaf hoe de regeling voor subsidieaanvragers en -ontvangers op Caribisch Nederland moet worden gelezen en welke aanvullingen en afwijkingen er voor hen gelden op de overige paragrafen. Voor de duidelijkheid is daarom in het tweede lid aangegeven dat deze paragraaf alleen van toepassing is voor subsidieaanvragers en -ontvangers op Caribisch Nederland.

Ook de Kaderregeling bevat een tweetal bepalingen die specifiek betrekking hebben op Caribisch Nederland. Zo is op grond van artikel 1.9 van de Kaderregeling Titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. Verder is zoals gezegd de Europees Nederlandse tijdzone van toepassing op grond van artikel 1.10 van de Kaderregeling, bijvoorbeeld relevant voor de opening en sluiting van de aanvraagtijdvakken.

Artikel 35. Afwijking van en aanvulling op begripsbepalingen

Een aantal begripsbepalingen in artikel 1 is niet bruikbaar voor Caribisch Nederland. Daarbij gaat het om de begrippen ‘dienstbetrekking’ en ‘ouder’, waarvoor in artikel 1 wordt verwezen naar artikelen uit het Europees Nederlandse Burgerlijk Wetboek. Daarom zijn in artikel 35, eerste lid, afwijkende begripsbepalingen opgenomen, waarbij wordt verwezen naar de equivalenten in het Burgerlijk Wetboek BES. Overal waar in de regeling ‘dienstbetrekking’ of ‘ouder’ staat, moet voor subsidieontvangers in Caribisch Nederland dus de begripsbepalingen in dit artikel worden gehanteerd. Het Burgerlijk Wetboek BES kent overigens geen equivalent van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het Europees Nederlandse Burgerlijk Wetboek. Op grond van artikel 7, tweede lid, van de Wet op het ter beschikking stellen arbeidskrachten BES is een uitzendovereenkomst gelijk aan een gewone arbeidsovereenkomst.

Verder is in het tweede lid nog een aanvullende begripsbepaling opgenomen van het begrip ‘openbaar lichaam’. Dat begrip wordt alleen in paragraaf 6 gebruikt.

Artikel 36 Afwijkingen van en aanvullingen op de paragrafen 2 tot en met 5

In dit artikel zijn de afwijkingen van en aanvullingen op de voorgaande paragrafen beschreven.

In het eerste en tweede lid zijn twee afwijkingen geregeld die voor de hele regeling gelden. Zo kan in de hele regeling in plaats van Nederlands of de Nederlandse taal ook Papiaments, Engels of de Engelse taal worden gelezen. In Caribisch Nederland zijn naast Nederlands ook Papiaments en Engels erkend als officiële talen, dus ook de bestrijding van laaggeletterdheid in die talen is belangrijk omdat men deze talen nodig heeft om zelfstandig mee te kunnen doen in de maatschappij.

In het vierde lid zijn de afwijkingen en aanvullingen voor de subsidie voor laaggeletterde werknemers geregeld. Uit onderdeel a volgt dat de aanvraag niet kan worden gedaan door een openbaar lichaam, net zoals de aanvraag bijvoorbeeld niet kan worden gedaan door een gemeente. Verder dient de aanvrager op grond van onderdeel a te zijn gevestigd op Bonaire, Sint Eustatius of Saba, op grond van onderdeel b ook over een inschrijving te beschikken bij de Kamer van Koophandel en Nijverheid Bonaire of de Kamer van Koophandel en Nijverheid Sint Eustatius en Saba en kan de aanvraag op grond van onderdeel c slechts worden gedaan voor werknemers die woonachtig zijn op Bonaire, Sint Eustatius of Saba. De subsidie voor Europees Nederlandse werknemers kan behalve door Europees Nederlandse aanvragers ook worden aangevraagd door buitenlandse aanvragers die zijn gevestigd binnen de EER of Zwitserland, maar voor de subsidie voor Caribisch Nederlandse werknemers is er dus voor gekozen om de mogelijkheid van buitenlandse aanvragers geheel uit te sluiten. De reden hiervoor is dat het lastig kan zijn om subsidieverplichtingen te handhaven jegens buitenlandse aanvragers buiten de EER en Zwitserland.

In het vierde lid, onderdeel d, is geregeld dat het opleidingstraject ook daadwerkelijk moet zijn gericht op de taal waar de werknemer laaggeletterd in is en daarmee op de bevordering van de zelfredzaamheid van de werknemer in de maatschappij. Hiermee is beoogd te voorkomen dat een werknemer laaggeletterd is in de ene taal, maar een opleidingstraject krijgt aangeboden in de andere taal. Ook is beoogd hiermee te voorkomen dat de subsidie wordt ingezet voor personen die reeds voldoende zelfredzaam zijn in de maatschappij en het leuk vinden om een taalopleiding te doen: het moet gaan om werknemers die hun zelfredzaamheid in de maatschappij dankzij het opleidingstraject daadwerkelijk zouden kunnen verbeteren.

In het vierde lid, onderdeel e, is nog een aantal manieren opgesomd waarop een taaldocent in Caribisch Nederland in aanvulling op artikel 7, eerste lid, zijn bekwaamheid in het geven van taalonderwijs kan aantonen. Niet voor alle onderdelen van artikel 7, eerste lid, bestaat een equivalent in de Caribische (onderwijs)wetgeving. Daarom is in subonderdeel 5° een ‘restbepaling’ opgenomen, inhoudende dat de taaldocent ook ‘een ander getuigschrift waaruit blijkt dat hij geschikt is voor het geven van taalonderwijs’ kan opvoeren. De aanvrager moet wel kunnen onderbouwen dat de taaldocent aan laatstgenoemd criterium voldoet.

In het vijfde lid zijn de afwijkingen en aanvullingen voor de subsidie voor laaggeletterde ouders geregeld. Deze lijken voor een groot deel op die voor de subsidie voor de laaggeletterde werknemers, waarvoor hierboven reeds een toelichting is gegeven. Verder volgt uit het vijfde lid, onder d, dat aanvragers in Caribisch Nederland de aanvraag in afwijking van artikel 14, eerste lid, niet namens ten minste drie partijen hoeven te doen, maar ook kunnen volstaan met slechts twee partijen. Het keuzeaanbod aan partijen is in Caribisch Nederland immers minder groot. Tot slot volgt uit het vijfde lid, onder f, dat aanvragers in Caribisch Nederland niet verplicht zijn een eigen bijdrage of bijdragen van derden in te leggen, waar dat op grond van artikel 16, tweede lid, wel verplicht is voor aanvragers van subsidie voor Europees Nederlandse ouders. Hier is voor gekozen, omdat de mogelijkheden tot het vergaren van voldoende eigen bijdrage of bijdragen van derden in Caribisch Nederland eveneens minder groot zijn. Het maximale subsidiebedrag dat aanvragers in Caribisch Nederland kunnen aanvragen wordt in dat geval wel lager, namelijk € 83.750,– (€ 125.000,– - 33%). Aanvragers in Caribisch Nederland komen alleen in aanmerking voor het maximale subsidiebedrag van € 125.000,–, als zij de eis van 33% aan eigen bijdrage of bijdragen van derden wél halen.

In het zesde lid zijn tot slot de afwijkingen en aanvullingen voor de subsidie voor experimenten geregeld. Ook deze lijken voor een groot deel op die voor de subsidie voor de laaggeletterde werknemers en laaggeletterde ouders, waarvoor hierboven reeds een toelichting is gegeven.

§ 7. Slotbepalingen

Artikel 37. Inwerkingtreding en vervaldatum

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2021 en heeft 1 januari 2025 als einddatum. Ook na 1 januari 2025 blijft deze regeling echter van toepassing op subsidies die voor die tijd op basis van deze regeling zijn toegekend.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven