Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en SportStaatscourant 2020, 62030Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 19 november 2020, kenmerk 1784389-214492-WJZ, houdende tijdelijke bepalingen voor Sint Eustatius in verband met maatregelen ter bestrijding van de epidemie van covid-19 voor de langere termijn (Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 Sint Eustatius)

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Handelende in overeenstemming met de Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van Infrastructuur en Waterstaat, van Economische Zaken en Klimaat, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media;

Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad;

Gelet op de artikelen 58e, eerste en vijfde lid, 58f, vijfde lid, 58g, eerste lid, 58h, eerste lid, 58i, 58 j, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, 58l, vijfde lid, 58q, eerste lid, en 58r van de Wet publieke gezondheid;

Besluiten:

§ 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

ander bedrijfsmatig personenvervoer:

personenvervoer per bus, niet zijnde openbaar vervoer, en personenvervoer per auto tegen betaling, niet zijnde openbaar vervoer, alsmede bedrijfsmatig vervoer van personen op andere wijze dan met een bus of taxi;

beheerder:

degene die bevoegd is tot het aan een plaats treffen van voorzieningen of tot het toelaten van personen tot die plaats;

beheerder:

degene die bevoegd is tot het aan een plaats treffen van voorzieningen of tot het toelaten van personen tot die plaats;

contactberoep:

beroep waarbij het niet mogelijk is ten minste de veilige afstand te houden tot een klant of patiënt;

discotheek:

een eet- en drinkgelegenheid waar het publiek gelegenheid wordt geboden tot dansen;

doorstroomlocatie:

publieke plaats waar sprake is van doorstroom van publiek;

eet- en drinkgelegenheid:

inrichting waar bedrijfsmatig of anders dan om niet etenswaren of dranken worden verstrekt voor gebruik ter plaatse, inclusief een daarbij behorende terras, met uitzondering van een besloten plaats;

essentiële winkel:

supermarkt, tankstation, apotheek, bakkerij, slagerij;

gezondheidscheck:

het verkrijgen van bevestiging van de betrokkene dat hij geen ziekteverschijnselen van covid-19 heeft;

mondkapje:

voorwerp dat op grond van zijn ontwerp bestemd is om te worden gedragen en in ieder geval de mond en de neusgaten volledig te bedekken teneinde de verspreiding van virussen en andere ziektekiemen tegen te gaan;

onderwijsactiviteit:

door of namens een onderwijsinstelling georganiseerde activiteit op de locatie van een onderwijsinstelling of daarbuiten, die onderdeel uitmaakt dan wel rechtstreeks verband houdt met het onderwijs dat door de onderwijsinstelling wordt verzorgd;

openbaar vervoer:

voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling met een auto of bus;

placeren:

het toewijzen van een zitplaats;

publiek:

personen die ergens aanwezig zijn, met uitzondering van de daar al dan niet tegen betaling werkzame personen;

publieke binnenruimte:

publieke plaats, met uitzondering van een erf behorend bij een voor het publiek openstaand gebouw;

seksinrichting:

inrichting die voor publiek toegankelijk is en waar bedrijfsmatig of anders dan om niet seksuele handelingen worden verricht of waar erotisch pornografische handelingen vertoond worden;

sport- en fitnessgelegenheid:

een inrichting waar het publiek gelegenheid wordt geboden tot de beoefening van sport;

veiligeafstandsnorm:

de norm, bedoeld in artikel 58f, eerste lid, van de wet;

wet:

Wet publieke gezondheid;

zorgvrijwilliger:

natuurlijke persoon, niet zijnde een mantelzorger, die zorg, jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning verleent zonder daarvoor een marktconforme beloning als tegenprestatie te ontvangen.

Artikel 1.2 Werkingssfeer

Deze regeling is van toepassing in Sint Eustatius.

§ 2 Aanvullende uitzonderingen veiligeafstandsnorm

Artikel 2.1 Veilige afstand 18-’ers

De veiligeafstandsnorm geldt niet tussen personen tot en met zeventien jaar en andere personen.

Artikel 2.2 Beroepsmatige werkzaamheden

De veiligeafstandsnorm geldt niet voor personen bij de uitoefening van hun beroep, voor zover werkzaamheden in het kader van de uitoefening van dat beroep noodzakelijk zijn en niet op gepaste wijze kunnen worden uitgevoerd met inachtneming van de veilige afstand, en degenen jegens wie zij hun werkzaamheden uitoefenen.

Artikel 2.3 Veilige afstand vervoer

  • 1. De veiligeafstandsnorm geldt niet voor personen in het openbaar vervoer, ander bedrijfsmatig personenvervoer en vervoer voor privédoeleinden, mits het vervoer:

    • a. primair de verplaatsing van de ene naar de andere locatie behelst; en

    • a. geen recreatieve activiteit is.

  • 2. Het eerste lid is alleen van toepassing indien die personen een mondkapje dragen.

  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing op:

    • b. personen die vanwege een beperking of ziekte geen mondkapje kunnen dragen;

    • c. begeleiders van personen met een verstandelijke beperking, voor zover deze personen van het door begeleiders dragen van een mondkapje ernstig ontregeld raken;

    • d. personen die spreken met iemand die vanwege een auditieve beperking moet kunnen spraakafzien;

    • e. personen die gevraagd worden hun mondkapje af te zetten om zich te identificeren krachtens een wettelijke bepaling met een document als bedoeld in artikel 2 van de Wet identificatieplicht BES;

    • f. leerlingen tijdens vervoer van en naar een instelling voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs BES;

    • g. personen tot en met zeventien jaar die deelnemen aan vervoer van en naar de locatie waar jongeren jeugdhulp ontvangen of zorglocaties voor jeugd.

  • 4. Het eerste lid, onder a en b, is niet van toepassing op luchtvaartuigen

  • 5. De artikelen 4.1 tot en met 4.4 gelden niet in het openbaar vervoer en ander bedrijfsmatig personenvervoer.

Artikel 2.4 Zorgvrijwilligers

De veiligeafstandsnorm geldt niet tussen zorgvrijwilligers, voor zover zij hun werkzaamheden niet op gepaste wijze kunnen uitoefenen met inachtneming van de veilige afstand en degenen jegens wie zij hun werkzaamheden uitoefenen.

Artikel 2.5 Veilige afstand sport en culturele uitingen

De veiligeafstandsnorm geldt niet voor personen die sport of podiumkunsten beoefenen of acteren, voor zover deze activiteiten niet op gepaste wijze kunnen worden uitgeoefend met inachtneming van de veilige afstand.

§ 3 Groepsvorming

Artikel 3.1 Groepsvorming

Het is verboden zich op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen in groepsverband op te houden met meer dan vier personen.

§ 4 Publieke plaatsen

Artikel 4.1 Openstelling publieke plaats tot maximaal vijftig personen

Op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen wordt een publieke plaats slechts voor publiek opengesteld indien ten hoogste vijftig personen gelijktijdig als publiek aanwezig zijn, met uitzondering van doorstroomlocaties.

Artikel 4.2 Openstelling publieke plaats tot maximaal vijfentwintig personen

Op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen wordt een publieke plaats slechts voor publiek opengesteld indien ten hoogste vijfentwintig personen gelijktijdig als publiek aanwezig zijn, met uitzondering van doorstroomlocaties.

Artikel 4.3 Openstelling publieke plaats tot maximaal vijftien personen

Op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen wordt een publieke plaats slechts voor publiek opengesteld indien ten hoogste vijftien personen gelijktijdig als publiek aanwezig zijn, met uitzondering van doorstroomlocaties.

Artikel 4.4 Sluiting publieke plaats

  • 1. Het is verboden op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen een publieke plaats voor publiek open te stellen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op essentiële winkels.

Artikel 4.5 Openstelling eet- en drinkgelegenheid

  • 1. Op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen wordt een eet- en drinkgelegenheid slechts voor publiek opengesteld indien de beheerder er zorg voor draagt dat:

    • a. in de eet- en drinkgelegenheid niet meer personen dan vijftig procent van de bezettingscapaciteit tegelijkertijd aanwezig zijn;

    • b. het publiek geplaceerd is en degene die geplaceerd is uitsluitend van de aangewezen plaats gebruikmaakt;

    • c. bij aankomst van het publiek een gezondheidscheck wordt uitgevoerd;

    • d. de eet- en drinkgelegenheid tussen 22.00 uur en 06.00 uur gesloten is voor publiek;

    • e. het publiek in de gelegenheid wordt gesteld de volgende gegevens beschikbaar te stellen ten behoeve van de uitvoering van eventuele bron- en contactopsporing door de afdeling Publieke Gezondheid:

      • 1°. volledige naam;

      • 2°. datum, aankomsttijd en aangewezen zitplaatsen; en

      • 3°. e-mailadres of telefoonnummer.

  • 2. Indien het eerste lid, onder e, van toepassing is, vraagt de beheerder van de eet- en drinkgelegenheid toestemming voor de verwerking en overdracht van de in het tweede lid bedoelde gegevens ten behoeve van de uitvoering van bron- en contactopsporing door de afdeling Publieke Gezondheid. Daarbij wordt vermeld dat het geven van deze toestemming vrijwillig is.

  • 3. De in het eerste lid, onder e, genoemde gegevens worden op zodanige wijze verwerkt dat daarvan geen kennis kan worden genomen door andere bezoekers.

  • 4. De in het eerste lid, onder e, genoemde gegevens worden uitsluitend verwerkt voor de uitvoering van bron- en contactopsporing door de afdeling Publieke Gezondheid, worden veertien dagen bewaard en worden daarna vernietigd door de beheerder van de eet- en drinkgelegenheid.

Artikel 4.6 Sluiting eet- en drinkgelegenheden

  • 1. Het is verboden op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen een eet- en drinkgelegenheid voor publiek open te stellen.

  • 2. Het eerste lid geldt niet voor de openstelling van een eet- en drinkgelegenheid in een hotel voor gasten die in het hotel overnachten, mits de etenswaren en dranken afgeleverd worden op de hotelkamer van de gast.

  • 3. Op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen geldt het eerste lid niet voor eet- en drinkgelegenheden waar uitsluitend sprake is van verkoop, aflevering of verstrekking van etenswaren of dranken voor gebruik anders dan ter plaatse, mits de inrichting tussen 01.00 uur en 06.00 uur gesloten is, niet meer dan vijftien personen gelijktijdig als publiek aanwezig zijn en de duur van het verblijf van publiek in de inrichting zoveel mogelijk wordt beperkt.

  • 4. Op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen geldt het eerste lid niet voor eet- en drinkgelegenheden waar uitsluitend sprake is van aflevering van etenswaren of dranken voor gebruik anders dan ter plaatse, mits de inrichting tussen 01.00 uur en 06.00 uur gesloten is.

Artikel 4.7 Sluiting sport- en fitnessgelegenheden

  • 1. Het is verboden op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen de publieke binnenruimte van een sport- en fitnessgelegenheid voor publiek open te stellen.

  • 2. Het eerste lid geldt niet op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen voor zwemgelegenheden mits de gemeenschappelijke was- en douchevoorzieningen niet voor publiek zijn opengesteld.

Artikel 4.8 Sluiting winkels

  • 1. Het is verboden op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen een winkel voor publiek open te stellen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op essentiële winkels.

Artikel 4.9 Sluiting seksinrichting

Het is verboden op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen een seksinrichting voor publiek open te stellen.

§ 5 Evenementen

Artikel 5.1 Evenementen tot maximaal vijftig personen

Het is verboden op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen een evenement met meer dan vijftig deelnemers te organiseren.

Artikel 5.2 Evenementen tot maximaal vijfentwintig personen

Het is verboden op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen een evenement met meer dan vijfentwintig deelnemers te organiseren.

Artikel 5.3 Evenementen tot maximaal vijftien personen

Het is verboden op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen een evenement met meer dan vijftien deelnemers te organiseren.

Artikel 5.4 Verbod op evenementen

  • 1. Het is verboden op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen een evenement te organiseren.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een huwelijksvoltrekking en herdenkingsplechtigheid.

Artikel 5.5 Verbod op sportevenement

Het is verboden op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen een sportevenement te organiseren.

Artikel 5.6 Verbod op toeschouwers bij een sportevenement

Het is verboden op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen een sportevenement te organiseren waarbij toeschouwers worden toegelaten.

§ 6 Overige maatregelen

Artikel 6.1 Hygiënemaatregelen

Op publieke plaatsen geldt:

  • a. desinfecterend middel is beschikbaar voor publiek; en

  • b. oppervlakten die personen met hun handen aanraken worden regelmatig schoongemaakt.

Artikel 6.2 Mondkapje

  • 1. Personen van dertien jaar en ouder dragen op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen, waar het niet mogelijk is ten minste de veilige afstand in acht te nemen tot andere personen, een mondkapje in publieke en openbare plaatsen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a. op personen die vanwege een beperking of een ziekte geen mondkapje kunnen dragen;

    • b. op begeleiders van personen met een verstandelijke beperking, voor zover deze personen van het door begeleiders dragen van een mondkapje ernstig ontregeld raken;

    • c. op personen die spreken met iemand die vanwege een auditieve beperking moet kunnen spraakafzien;

    • d. indien het dragen van een mondkapje de goede en veilige uitoefening van werkzaamheden in het kader van beroep of bedrijf onmogelijk maakt;

    • e. op personen aan wie krachtens een wettelijke bepaling gevraagd wordt hun mondkapje af te zetten om zich te identificeren met een document als bedoeld in artikel 2 van de Wet identificatieplicht BES;

    • f. leerlingen tijdens vervoer van en naar een instelling voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs BES;

    • g. personen tot en met zeventien jaar die deelnemen aan vervoer van en naar de locatie waar jongeren jeugdhulp ontvangen of zorglocaties voor jeugd.

Artikel 6.3. Uitzondering mondkapjesplicht sport, cultuur en media

De verplichting in artikel 6.2, eerste lid, geldt niet voor personen tijdens het:

  • a. beoefenen van sport, waaronder het zwemmen in een zwembad, voor zover het dragen van een mondkapje de beoefening van de sport belemmert;

  • b. beoefenen van podiumkunsten en acteren, voor zover het dragen van een mondkapje de beoefening van de podiumkunsten of het acteren belemmert;

  • c. poseren voor beeldende kunst, voor zover het gaat om het op beeld vastleggen van personen;

  • d. deelnemen aan de opname van audiovisueel media-aanbod dat verzorgd wordt door aanbieders van mediadiensten, als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Mediawet BES, voor zover het gaat om personen die in beeld of aan het woord komen.

Artikel 6.4 Uitzondering mondkapjesplicht in onderwijsinstellingen

  • 1. De verplichting in artikel 6.2, eerste lid, geldt niet:

    • a. voor personen op basisscholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs BES;

    • b. voor personen op een vaste zit- of staanplaats die deelnemen aan een onderwijsactiviteit of een onderwijsactiviteit verzorgen in een ruimte die daar hoofdzakelijk voor is bestemd;

    • c. indien het dragen van een mondkapje een belemmering vormt voor deelname aan dan wel verzorging van een onderwijsactiviteit;

    • d. voor personeel van een onderwijsinstelling, indien deze een zitplaats innemen.

  • 2. Van een belemmering als bedoeld in het eerste lid, onder b, is in ieder geval sprake bij activiteiten met betrekking tot lichamelijke opvoeding, zang, toneel en dans.

Artikel 6.5 Mondkapjes bij contactberoepen

  • 1. Op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen dragen de beoefenaar van een contactberoep en de klant of patiënt aan wie de diensten worden verleend een mondkapje gedurende het contact.

  • 2. Het eerste lid geldt niet voor:

    • a. personen tot en met twaalf jaar;

    • b. personen die vanwege een beperking of ziekte geen mondkapje kunnen dragen;

    • c. klanten en patiënten die een behandeling krijgen aan hun gezicht, voor zover het contactberoep niet op gepaste wijze uitgeoefend kan worden op het moment dat de klant een mondkapje draagt;

    • d. personen in zorglocaties.

Artikel 6.6 Openstelling contactberoepen

Het is verboden op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen een contactberoep uit te oefenen indien meer dan vijf personen gelijktijdig aanwezig zijn in de inrichting waar het beroep uitgeoefend wordt.

Artikel 6.7 Verbod op uitoefening contactberoepen

  • 1. Het is verboden op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen een contactberoep uit te oefenen.

  • 2. Het eerste lid geldt niet voor een zorgverlener of mantelzorger.

Artikel 6.8 Openstelling onderwijsinstellingen tot maximaal vijftien personen

Op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen worden geen onderwijsactiviteiten verricht indien meer dan vijftien personen per zelfstandige ruimte zich in groepsverband ophouden in een gebouw van een onderwijsinstelling.

Artikel 6.9 Verbod op fysiek onderwijs

  • 1. Het is verboden op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen onderwijsactiviteiten te verrichten in onderwijsinstellingen.

  • 2. Het eerste lid geldt niet voor onderwijsactiviteiten die plaatvinden langs elektronische weg.

  • 3. Het eerste lid geldt niet voor het houden van examens, tentamens, toetsen en voor de begeleiding van kwetsbare studenten op de onderwijsinstelling, indien de onderwijsactiviteiten niet voldoende kunnen plaatsvinden langs elektronische weg.

Artikel 6.10 Sluiting kinderopvang

  • 1. Het is verboden op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen kinderopvang voor publiek open te stellen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op kindercentra of voorzieningen voor gastouderopvang die opvang bieden aan kinderen van ouders die werken in de volgende cruciale beroepen of voor de volgende vitale processen:

    • a. medische beroepen;

    • b. leden Outbreek Management Team;

    • c. leden eilandelijk beleidsteam;

    • d. medewerkers van nutsbedrijven;

    • e. medewerkers voor de olieopslag;

    • f. politie;

    • g. brandweer;

    • h. elektriciens;

    • i. telecom medewerkers;

    • j. luchthavenpersoneel;

    • k. havenpersoneel;

    • l. personeel van essentiële winkels;

    • m. medewerkers van het Rode Kruis;

    • n. journalisten;

    • o. werknemers betrokken bij publieke taken in het domein van sociale zekerheid en arbeidsmarkt;

    • p. medewerkers van de justitiële inrichting Caribisch Nederland;

    • q. medewerkers van het Openbaar Ministerie;

    • r. medewerkers van de Voogdijraad;

    • s. medewerkers van de Koninklijke Marechaussee.

Artikel 6.11 Uitzonderingen op aanwijzings- en bevelsbevoegdheid gezaghebber bij religieuze en levensbeschouwelijke gebouwen en plaatsen

Artikel 58l, tweede tot en met vierde lid, van de wet is niet van toepassing op gebouwen en plaatsen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet.

§ 7 Slotbepalingen

Artikel 7.1 Inwerkingtreding en verval

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel A, van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 in werking treedt en vervalt op het tijdstip waarop hoofdstuk Va van de wet vervalt.

Artikel 7.2 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 Sint Eustatius.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren

TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Sinds de eerste vastgestelde uitbraak van het nieuwe coronavirus (SARS-CoV-2; hierna: het virus) in Nederland op 27 februari 2020, waart het virus rond in Nederland. Ook in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is het virus aanwezig (geweest). De eerste besmetting op Sint Eustatius werd gemeld op 31 maart, op Saba op 11 april en op Bonaire op 16 april. Door het snel treffen van gerichte maatregelen is de verspreiding van het virus beperkt gebleven. Maar het virus is nog niet weg. Maatregelen zijn daarom ook nu nog hard nodig.

In deze ministeriële regeling wordt een aantal maatregelen getroffen op basis van hoofdstuk Va van de Wet publieke gezondheid (Wpg), bijvoorbeeld met betrekking tot eet- en drinkgelegenheden en evenementen. Ook worden aanvullende uitzonderingen gemaakt op de veiligeafstandsnorm van artikel 58f Wpg.

Sint Eustatius heeft een routekaart ontwikkeld, op basis waarvan inzicht wordt gegeven in welke maatregelen op welk moment genomen kunnen worden. In deze regeling krijgt de gezaghebber ten aanzien van een groot aantal maatregelen de bevoegdheid plaatsen aan te wijzen waar maatregelen gelden. Dit is gebaseerd op artikel 58e, vijfde lid, Wpg. De bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen houdt verband met de routekaart van Sint Eustatius.

De bijzondere positie van Sint Eustatius wordt in paragraaf 2 van deze toelichting behandeld. In paragraaf 3 van deze toelichting wordt de systematiek van hoofdstuk Va Wpg kort toegelicht. Op de hoofdlijnen van deze regeling wordt ingegaan in paragraaf 4 en in paragraaf 5 op de mogelijkheid tot lokaal maatwerk. Paragraaf 6 gaat in op consultatie en advies over deze regeling. Tot slot is paragraaf 7 gewijd aan parlementaire zeggenschap en inwerkingtreding

2. Bijzondere positie Sint Eustatius

De feitelijke en epidemiologische situatie in Sint Eustatius verschilt met die van Europees Nederland. Sint Eustatius had op 31 maart 2020 de eerste twee besmettingen, waarna er nog enkele positief geteste personen volgden. Inmiddels zijn vrijwel al deze personen hersteld. Gezien de medische beperkingen op het eiland en de daarmee samenhangende kwetsbaarheid van het zorgsysteem is het in bedwang houden en het buitenhouden van het virus tot nu toe het doel geweest. Om dit doel te bereiken heeft de gezaghebber van Sint Eustatius in de afgelopen maanden diverse noodverordeningen vastgesteld om daarmee het virus te bestrijden. Hierbij stond maatwerk voorop en dit is succesvol gebleken.

In plaats van de Wet veiligheidsregio’s die in Europees Nederland geldt, is in Caribisch Nederland de Veiligheidswet BES van toepassing. De structuur met voorzitters van veiligheidsregio’s, zoals in de Wet veiligheidsregio’s, kent de Veiligheidswet BES niet. De feitelijke situatie is dat elke gezaghebber tevens de voorzitter is van zijn eigen veiligheidsregio, te weten zijn eilandgebied. De Wet publieke gezondheid (Wpg) gaat hier ook vanuit (artikel 68a Wpg). De verhouding tussen de minister en de gezaghebbers verschilt met de verhouding tussen de minister en de voorzitters van de veiligheidsregio’s in Europees Nederland. Volgens artikel 68a, onder d, zijn voor de openbare lichamen BES niet alleen de in de Wpg geregelde bevoegdheden van de voorzitter van de veiligheidsregio, maar ook die van de burgemeester bij de gezaghebber belegd.

De minister geeft op grond van artikel 7 Wpg leiding aan de bestrijding van het virus en geeft de voorzitters van de veiligheidsregio’s aanwijzingen. In de praktijk heeft de gezaghebber van Sint Eustatius een veel autonomere rol opgepakt in de bestrijding van virus. Dit is nodig geweest mede gelet op het insulaire karakter, de bijzondere kleinschaligheid en vanwege de afstand tussen Caribisch Nederland en de Rijksoverheid in Den Haag.

De routekaart die voor Sint Eustatius is opgesteld houdt daarom ook bijzonder rekening met deze kleinschaligheid en beperkte voorzieningen op het gebied van gezondheidszorg. De maatregelen die genomen worden door de gezaghebber op basis van deze ministeriële regeling zijn dan ook waar mogelijk afgestemd op deze routekaart en zullen telkens getoetst worden aan proportionaliteit en noodzakelijkheid.

3. Systematiek van hoofdstuk Va Wpg

Het uitgangspunt van hoofdstuk Va Wpg is dat maatregelen ter bestrijding van de epidemie van het virus centraal, namelijk bij ministeriële regeling, worden vastgesteld. Dit betekent dat in beginsel bij ministeriële regeling wordt bepaald welke maatregelen landelijk, regionaal of lokaal gelden. Op grond van artikel 58e, eerste lid, Wpg kan in de ministeriële regelingen onderscheid worden gemaakt binnen en tussen gemeenten en met betrekking tot de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (onderdeel a), personen, op basis van leeftijd (onderdeel b), activiteiten (onderdeel c) en openbare, publieke en besloten plaatsen, of gedeelten daarvan (onderdeel d), indien dit op basis van de beschikbare informatie mogelijk en wenselijk is. De werkingssfeer van onderhavige ministeriële regeling betreft uitsluitend Sint Eustatius.

De feitelijke en epidemiologische situatie op Sint Eustatius verschilt namelijk met die van Europees Nederland en ook met die van Bonaire en Saba. Gezien de medische beperkingen op de eilanden en de daarmee samenhangende kwetsbaarheid van het zorgsysteem, is het indammen en buitenhouden van het virus het doel van de maatregelen die getroffen worden. Daarnaast zijn er verschillen in de lokale situatie en de aanpak op de eilanden onderling. Om voorgaande redenen is gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een op Sint Eustatius toegespitste regeling op te stellen. Op deze manier worden geen onnodige maatregelen getroffen op de eilanden en in het Europese deel van Nederland, en gaan de maatregelen niet verder dan nodig is voor de bestrijding van de epidemie of een directe dreiging daarvan.

De Wpg bepaalt de bandbreedte waarbinnen bij ministeriële regeling kan worden op- en afgeschaald in de bestrijding van het virus. Dit betekent dat niet meer beperkingen kunnen worden opgelegd dan de Wpg toelaat. Daarbij worden steeds de noodzakelijkheid en evenredigheid afgewogen (artikel 58b, tweede lid, Wpg).

De bepalingen in deze ministeriële regeling gelden in aanvulling op de bepalingen van hoofdstuk Va Wpg. Voorschriften en bevoegdheden die al bij wet geregeld zijn, zijn niet nogmaals in deze ministeriële regeling opgenomen. Daarom bevat deze ministeriële regeling geen regels over de zorgplicht op publieke plaatsen (artikel 58k Wpg) en besloten plaatsen (artikel 58l Wpg) of bepalingen over de verschillende aanwijzings- en bevelsbevoegdheden. Hoofdstuk Va Wpg bevat tevens categorieën waar bij ministeriële regeling geen nadere regels over mogen worden gesteld (bijvoorbeeld artikel 58g, tweede lid, Wpg). Omdat deze categorieën in de wet worden genoemd is het niet nodig om hiernaar te verwijzen in de bepalingen van deze regeling. In de artikelsgewijze toelichting op de bepalingen zal hier aandacht aan worden besteed.

Volledigheidshalve wordt er nog op gewezen dat artikel 58ca Wpg nog een mogelijkheid kent voor de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) om de gezaghebber op te dragen toepassing te geven aan de hem in artikel 179 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba toegekende bevoegdheid om algemeen verbindende voorschriften vast te stellen ter bestrijding van de epidemie. Binnen twee weken na de opdracht tot het vaststellen van een noodverordening, moet een ministeriële regeling worden vastgesteld tot regeling van de in de noodverordening genoemde onderwerpen.

4. Hoofdlijnen van deze regeling

4.1. Inhoud en opzet

Met de invoering van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 wordt de geldende noodverordening vervangen door hoofdstuk Va Wpg en de daarop gebaseerde regelgeving: het Besluit veilige afstand en deze ministeriële regeling.1

Om duidelijkheid te bieden over de benutte grondslagen in hoofdstuk Va Wpg is in deze regeling in beginsel de volgorde van de delegatiegrondslagen in hoofdstuk Va gevolgd: aanvullende uitzonderingen op de veiligeafstandsnorm van artikel 58f staan in paragraaf 2, bepalingen over groepsvorming (artikel 58g Wpg) in paragraaf 3, bepalingen over publieke plaatsen (artikel 58h Wpg) in paragraaf 4, bepalingen over evenementen (artikel 58i Wpg) in paragraaf 5 en overige regels (artikel 58j, 58q en 58r Wpg) in paragraaf 6.2

De hoofdstukken worden hierna op hoofdlijnen toegelicht. Een specifiekere toelichting op de verschillende maatregelen volgt in de artikelsgewijze toelichting.

De eerste paragraaf bevat begripsbepalingen en een beperking van de werkingssfeer tot Sint Eustatius.

Aanvullende uitzonderingen veiligeafstandsnorm (paragraaf 2)

Kern van de maatregelen ter bestrijding van de epidemie is de zogenoemde veiligeafstandsnorm: iedereen die zich buiten een woning ophoudt, moet anderhalve meter afstand houden tot andere personen.3 Op dit verbod worden in de wet al uitzonderingen gemaakt voor bijvoorbeeld personen die op hetzelfde adres woonachtig zijn, voor zorgverleners en de medewerkers van hulpdiensten en voor personen tot en met twaalf jaar en hun begeleiders.4 Paragraaf 2 bevat aanvullende uitzonderingen voor onder meer jongeren en personen in vervoer.

Groepsvorming (paragraaf 3)

Paragraaf 3 bevat regels over groepsvorming buiten woningen (artikel 58g Wpg). Die houden nu in de kern in dat groepsvorming kan worden beperkt tot een maximum van vier personen.

Publieke plaatsen (paragraaf 4)

De vierde paragraaf bevat regels over de openstelling en sluiting van publieke plaatsen (artikel 58h Wpg), zoals restaurants, cafés en sportscholen.

Evenementen (paragraaf 5)

Paragraaf 5 bevat de regels over evenementen (artikel 58i Wpg). Het evenementenbegrip in hoofdstuk Va Wpg is ruim: het gaat om voor het publiek toegankelijke verrichten van vermaak, waaronder activiteiten in musea en concertzalen, herdenkingsplechtigheden, braderieën en optochten.

Overige onderwerpen (paragraaf 6)

Paragraaf 6 bevat bepalingen over enkele overige maatregelen, gebaseerd op artikel 58j, 58q en 58r Wpg. Het gaat om een mondkapjesplicht op bepaalde plekken, regels over contactberoepen, hygiënemaatregelen en regels over onderwijs en kinderopvang.

Slotbepalingen (paragraaf 7)

Tot slot bevat paragraaf 7 enkele slotbepalingen over de inwerkingtreding, geldingsduur en citeertitel van deze regeling.

4.2. Noodzakelijkheid en proportionaliteit

De maatregelen in deze ministeriële regeling moeten op grond van artikel 58b, tweede lid, Wpg noodzakelijk zijn gelet op de ernst van de bedreiging van de volksgezondheid (onderdeel a). Voorts moeten ze in overeenstemming zijn met de uitgangspunten van de democratische rechtsstaat (onderdeel b). Ten slotte moet de uitoefening van grondrechten zo min mogelijk worden beperkt en verder de moeten de gevolgen van de maatregelen in een evenredige verhouding staan tot het doel van de bestrijding van de epidemie (onderdeel c).

Deze vereisten vormen een waarborg dat bij het vaststellen, wijzigen en intrekken van maatregelen bij ministeriële regeling telkens de vereiste afweging van de verschillende belangen plaatsvindt en dat daarbij steeds de consequenties voor burgers en ondernemers worden meegenomen. De beoordeling van noodzaak en evenredigheid is dus breder dan de beoordeling van de invloed op de verspreiding van het virus. Het gaat niet uitsluitend om de beoordeling van de gevolgen voor de uitoefening van grondrechten, maar ook de gevolgen voor andere betrokken belangen. Deze ministeriële regeling wordt dan ook vastgesteld door de ministers van VWS, Justitie en Veiligheid (JenV) en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) gezamenlijk, in overeenstemming met de bewindspersonen die het mede aangaat en in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad (artikel 58c, eerste lid, Wpg). Hierdoor wordt de evenredigheid van de maatregelen inderdaad in een breder kader bezien.

Voor de noodzakelijkheidstoets zoals die is neergelegd in artikel 58b, tweede lid, wordt aangesloten bij de noodzakelijkheidstoets zoals die in de jurisprudentie over het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en andere mensenrechtenverdragen is ontwikkeld.5 Waar het om een beperking van grondrechten gaat, moet zijn voldaan aan de grondwettelijke eisen en de eisen op grond van Europeesrechtelijke en internationale mensenrechtelijke verdragen.

Gelet op de vaste jurisprudentie over het EVRM en andere mensenrechtenverdragen kent de beoordeling van noodzakelijkheid verschillende aspecten: elke beperkende maatregel moet geschikt zijn om het doel te bereiken en er dient geen minder vergaande maatregel mogelijk te zijn waarmee hetzelfde doel bereikt kan worden (subsidiariteit). Aan de hand van de actuele stand van het virus, de wetenschappelijke inzichten en de voortgang van de bestrijding wordt beoordeeld in hoeverre maatregelen, noodzakelijk zijn voor het doel van de bestrijding van de epidemie. Daarnaast moet het met de maatregel gediende belang in verhouding zijn met de beperking en voor een of meer belanghebbenden onevenredig nadelige gevolgen (ook aangeduid als proportionaliteit).

In deze regeling zijn maatregelen opgenomen die eerder of op dit moment in de noodverordening zijn geregeld. Afhankelijk van de stand van de epidemie kunnen lichte of verstrekkende maatregelen nodig zijn om ervoor te zorgen dat het aantal besmettingen daalt. De gezaghebber moet bij het uitoefenen van een bevoegdheid tot het aanwijzen van gebieden (zie hiervoor de toelichting onder paragraaf 5.2) de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit in acht nemen (artikel 58b, tweede lid, Wpg). Over de procedure ten aanzien van het aanwijzen van gebieden zijn bestuurlijke afspraken gemaakt met de gezaghebber. Van een aanwijzingsbesluit wordt, na overleg met de eilandsraad, direct melding gedaan aan de minister en de Rijksvertegenwoordiger. Dit besluit moet de motivering ten aanzien van noodzakelijkheid en proportionaliteit bevatten. De maatregelen zijn gericht op het terugdringen van het aantal contactmomenten en reisbewegingen en daarmee het aantal besmettingen.

De beoordeling van noodzakelijkheid en proportionaliteit van de verschillende maatregelen wordt verder toegelicht in de artikelsgewijze toelichting.

5. Lokaal maatwerk

5.1 Ontheffingen

Uitgangspunt van hoofdstuk Va Wpg is dat de bestrijding van de epidemie landelijk beleid vergt.6 De Minister van VWS houdt daarom de leiding over die bestrijding en in lijn daarmee worden maatregelen ter bestrijding van de epidemie (hoofdzakelijk) bij ministeriële regeling vastgesteld. Voor lokaal maatwerk kan ruimte zijn bij de bestrijding van het virus. Dit kan bijdragen aan de proportionaliteit van maatregelen. Binnen de Wpg is lokaal maatwerk op twee manieren mogelijk.

De eerste mogelijkheid betreft het verlenen van een ontheffing. De gezaghebber kan in bijzondere gevallen door middel van een ontheffing afwijken van de landelijk gestelde regels over groepsvorming, publieke plaatsen en evenementen (artikel 58e, tweede lid, onder a).7 Daarnaast kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat de gezaghebber bevoegd is ontheffing te verlenen van bij ministeriële regeling vastgestelde regels over hygiënemaatregelen en persoonlijke beschermingsmiddelen, de uitoefening van contactberoepen, het gebruik van voor het publiek toegankelijke voorzieningen, de bezettingsgraad van plaatsen waar verblijf wordt geboden aan personen die niet als ingezetene zijn ingeschreven in de basisregistratie personen (toeristen) en het gebruik of voor consumptie gereed hebben van alcoholische dranken (artikel 58e, tweede lid, onder b). Een ontheffing ziet op een individueel geval. Het is de gezaghebber niet toegestaan om ontheffingen te verlenen voor bepaalde categorieën zoals festivals of cafés met een bepaald vloeroppervlak. Dit zou namelijk neerkomen op het verlenen van vrijstellingen. Voordat de gezaghebber overgaat tot het vaststellen van een ontheffing vraagt hij advies aan de geneeskundige bedoeld in artikel 68c, eerste lid, van de Wpg.8

Het afwegingskader van de gezaghebber om tot het verlenen van een ontheffing over te gaan volgt uit artikel 58e, vierde lid, Wpg. Het gaat om een belangenafweging die ziet op het individuele geval waarbij in ieder geval de aard van de plaats, de aard van de activiteit en het aantal personen waarop de ontheffing betrekking heeft moeten worden meegewogen in de belangenafweging alsmede de gevolgen die de ontheffing heeft op de mogelijkheid voor personen om de gestelde regels omtrent de veiligeafstandsnorm in acht te nemen. De gezaghebber kan aan een ontheffing voorschriften en beperkingen verbinden.

5.2 Aanwijzen van plaatsen

Daar waar de bestrijding lokaal kan, wordt in hoofdstuk Va van de Wpg ruimte gemaakt voor lokale afwegingen. Op grond van artikel 58e, vijfde lid, van de wet, is het mogelijk om de burgemeester de bevoegdheid toe te kennen om plaatsen aan te wijzen waar de in deze regeling opgenomen voorschriften van toepassing zijn. Hiermee kan de burgemeester de mogelijkheid worden geboden om zelf maatregelen aan en uit te zetten indien de lokale omstandigheden - zoals een plotselinge stijging van het aantal besmettingen - daartoe nopen. In Caribisch Nederland komt die bevoegdheid, zoals hiervoor al gezegd, toe aan de gezaghebbers, die daar de rol van burgemeester en voorzitter van de veiligheidsregio vervullen, en zich met de eilandsraden verstaan (artikel 68a, aanhef en onder b en d, Wpg).

In deze ministeriële regeling wordt de gezaghebber bevoegd gemaakt om voor een groot aantal maatregelen plaatsen aan te wijzen waar de maatregelen gelden. De aanwijzingsbevoegdheid kan zien op het aanwijzen van geografische plaatsen, zoals het hele eilandsgebied of een bepaalde wijk of straat op het eiland. De bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen, strekt zich niet uit tot individuele plaatsen, zoals een specifiek restaurant of bioscoop. Deze aanwijzingsbevoegdheid bevordert de mogelijkheid tot lokaal debat over de maatregelen. Op grond van artikel 58s, vierde lid, is de gezaghebber namelijk verantwoording schuldig over het door hem gevoerde bestuur krachtens hoofdstuk Va van de Wpg aan de eilandsraad en moet de gezaghebber de betrokkenheid van de eilandsraad bij dat bestuur waarborgen. Dit versterkt de lokale democratische verantwoording. Ook kan deze constructie tijdswinst opleveren: een besluit van de gezaghebber om plaatsen aan te wijzen, zal over het algemeen sneller tot stand kunnen komen dan een ministeriële regeling op basis van hoofdstuk Va van de Wpg. De bijzondere omstandigheden op Sint Eustatius vergen deze flexibele en snelle handelswijze.

Vanzelfsprekend dient de gezaghebber bij het uitoefenen van een bevoegdheid tot het aanwijzen van gebieden eveneens de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit in acht te nemen (artikel 58b, tweede lid, Wpg).9

Sint Eustatius kent zes risiconiveaus die zijn opgenomen in een routekaart. In niveau I kent Sint Eustatius geen besmettingen of een enkele besmetting die volledig in bedwang is. In niveau II is er een enkele besmetting aanwezig op het eiland die in bedwang is. In niveau III is één klein cluster van besmettingen aanwezig dat niet volledig in bedwang is. In niveau IV is één cluster van besmettingen aanwezig dat niet in bedwang is en waarbij mogelijk sprake is van lokale overdracht. In niveau V is sprake van één groot cluster dat niet in bedwang is en waarbij waarschijnlijk sprake is van lokale overdracht. In niveau VI zijn er meerdere clusters van besmettingen op het eiland die niet in bedwang zijn en waarbij vastgesteld is dat sprake is van lokale overdracht. De maatregelen waarbij de gezaghebber de bevoegdheid krijgt om die aan en uit te zetten, zijn gekoppeld aan deze risiconiveaus. Bij elke maatregel is in de artikelsgewijze toelichting aangegeven vanaf welk niveau, dus onder welke omstandigheden, het in de rede ligt dat de gezaghebber de maatregel aanzet. Dit betekent ook dat zodra het eiland in een lager risiconiveau komt, het in de rede ligt dat de gezaghebber de betreffende maatregel uitzet. Daarbij is het belangrijk dat er te allen tijde beargumenteerd afgeweken kan worden van dit plan, afhankelijk van de epidemiologie en de gedrags- en omgevingsfactoren op Sint Eustatius.

Vanaf niveau II moeten er maatregelen genomen kunnen worden om het virus tegen te houden. Dit komt omdat Sint Eustatius zich een uitbraak van het virus niet kan permitteren. Het eiland is kleinschalig, kent een hechte gemeenschap en weinig essentiële faciliteiten, waardoor bewoners vaak op dezelfde plek komen. Dit werkt verspreiding van het virus in de hand. Dit in combinatie met een kwetsbaar zorgsysteem, de geïsoleerde ligging en weinig uitwijkmogelijkheden voor curatieve zorg, maakt dat er snel en stevig ingegrepen moet kunnen worden wanneer het virus het eiland dreigt te bereiken. Bij niveau II is het virus aanwezig op het eiland. Daarom kunnen verschillende maatregelen nodig zijn, zoals het beperken van het maximumaantal personen in publieke ruimtes en het beperken van groepsvorming. Bij niveau III heeft het virus het eiland bereikt, is er al sprake van een klein cluster van besmettingen en is het virus niet meer in bedwang. Door de kleinschaligheid van het eiland heeft een groot deel van de bevolking direct of via via contact met elkaar. Zwaardere maatregelen kunnen dan noodzakelijk zijn. Maatregelen zoals het verder beperken van het maximumaantal mensen op publieke plaatsen, zoals de horeca en fitnessgelegenheden, kunnen dan noodzakelijk zijn. Hiermee worden de contactmomenten beperkt, wordt drukte op straat en bij publieke plaatsen voorkomen en wordt het openbaar vervoer ontlast. Bij niveau IV is sprake van een groter cluster en is het virus niet meer onder controle. De bijzondere omstandigheden op Sint Eustatius maken dat verregaande maatregelen nodig kunnen zijn, waaronder de sluiting van publieke plaatsen. Vanaf niveau V kunnen de meest vergaande maatregelen nodig zijn om Sint Eustatius te beschermen tegen het virus. Wanneer dit niveau wordt bereikt, heeft de gezaghebber dan ook de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is alle publieke plaatsen geopend te hebben en fysiek onderwijs te verbieden. Niveau VI is het zwaarste niveau. Dit betekent dat het eerder proportioneel zal zijn om ook de meest vergaande maatregelen te nemen, zoals opgenomen in deze regeling.

In welk risiconiveau Sint Eustatius zich bevindt, wordt bepaald door een team van experts. Dit team bepaalt of sprake is van een enkele besmetting of meerdere en in hoeverre de besmettingen onder controle zijn. Hierbij is de traceerbaarheid van de besmetting een element dat wordt meegenomen. De capaciteit van het ziekenhuis is geen criterium in de routekaart, maar kan wel een zwaarwegend argument zijn om eerder maatregelen te treffen.

6. Consultatie en advies

Het voorstel is in de week van 2 tot en met 6 november ter consultatie voorgelegd aan de eilandsraad, de adviseur van het OMT, de dienst Publieke Gezondheid, een aantal artsen en de Korps Politie Caribisch Nederland (KPCM). Vanwege het spoedeisende karakter is geen tijd geweest voor een langere consultatieperiode. De consultatie heeft geleid tot een aantal aanpassingen.

Gevolgen regeldruk en administratieve lasten

Deze regeling heeft geen gevolgen voor de regeldruk voor burgers, bedrijven/instellingen of professionals, omdat het maatregelenpakket aan zal sluiten bij het al geldende maatregelenpakket op grond van de noodverordeningen. Het Adviescollege toetsing regeldruk kan zich vinden in de conclusie dat de regeling geen nieuwe regeldruk met zich mee brengt. Dit omdat de verplichtingen/maatregelen nu ook al in de noodverordeningen zijn opgenomen en ervan wordt uitgegaan dat de gezaghebber de bestaande situatie zal continueren. Het ATR geeft voorts aan dat noodzaak en proportionaliteit van de maatregelen in de toelichting expliciet zijn gewogen en vervolgens ook helder zijn gemotiveerd.

7. Parlementaire zeggenschap en inwerkingtreding

Deze ministeriële regeling wordt in overeenstemming met artikel 58c, tweede lid, Wpg binnen twee dagen nadat zij is vastgesteld aan beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd.

Het streven is erop gericht deze regeling per begin december 2020 gelijktijdig met de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 in werking te laten treden.

Artikelsgewijs

§ 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

De begripsbepalingen in dit artikel komen in aanvulling op de definities in artikel 58a Wpg. Die definities gelden ook voor deze regeling en worden daarom niet herhaald. Zo zijn de begrippen onderwijsinstelling, openbare plaats en publieke plaats al in artikel 58a Wpg gedefinieerd. Voor een toelichting op deze begrippen wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel.10

Ander bedrijfsmatig personenvervoer en openbaar vervoer

Openbaar vervoer is voor een ieder openstaand vervoer volgens een dienstregeling met een auto of bus. Onder ander bedrijfsmatig personenvervoer wordt verstaan personenvervoer per bus, niet zijnde openbaar vervoer, en personenvervoer per auto tegen betaling, niet zijnde openbaar vervoer, alsmede bedrijfsmatig vervoer van personen op andere wijze dan met een bus of taxi.

Om andere vormen van bedrijfsmatig vervoer niet uit te sluiten van de reikwijdte van deze regeling, is bepaald dat bedrijfsmatig vervoer van personen op andere wijze dan met een bus of taxi ook onder de definitie van ‘ander bedrijfsmatig personenvervoer’ valt. Hierbij kan gedacht worden aan bedrijfsmatig vervoer per boot of vliegtuig.

Beheerder

Een beheerder is degene die bevoegd is tot het aan een plaats treffen van voorzieningen of tot het toelaten van personen tot die plaats. Deze definitie is ontleend aan artikel 58k, eerste lid, en artikel 58l, eerste lid, Wpg. Voor de leesbaarheid is gekozen om de pluraliteit aan verschijningsvormen - soms zal het bijvoorbeeld gaan om de winkelier of eigenaar van een eenmanszaak, soms om een bedrijfsleider - in deze regeling onder dit ene woord te brengen.11

Contactberoep

Contactberoepen zijn beroepen waar de aard van het beroep het niet mogelijk maakt om de veiligeafstandsnorm, bedoeld in artikel 58f, tweede lid, Wpg in acht te nemen tot de klant. Het kan hier gaan om beroepen waarbij fysiek contact met de klant noodzakelijk is zoals bij kappers, zorgverleners en nagelstylisten. Ook kan het gaan om beroepen waarbij het voor de beoefenaar van het beroep noodzakelijk is om zich in een afgesloten ruimte te bevinden op beperkte afstand tot de klant, zoals het geval is bij rijinstructeurs. Uit de zinsnede ‘tot een klant of patiënt’ volgt dat onder contactberoepen als bedoeld in deze regeling niet de geestelijk bedienaren vallen.

Discotheek

Een discotheek is een eet- en drinkgelegenheid waar het publiek gelegenheid wordt geboden tot dansen. Het bieden van gelegenheid tot dansen moet ruim worden uitgelegd. Hieronder moet onder andere worden verstaan het openstellen van een dansvloer in een discotheek, danscafé, club of restaurant.

Doorstroomlocatie

Doorstroomlocaties zijn publieke plaatsen die op een manier zijn ingericht die het rondlopen van publiek uitnodigt en waar dit ook daadwerkelijk gebeurt. Te denken valt aan detailhandel, markten, musea en daarmee vergelijkbare plaatsen. Uit de begripsbepaling volgt dat geen sprake mag zijn van personen die voor langere tijd in dezelfde ruimte aanwezig zijn. Is dat wel het geval, dan is geen sprake van een doorstroomlocatie. Dit betekent dat zwembaden, speelhallen, bowlingzalen en andere gelegenheden waar mensen voor langere tijd in dezelfde ruimte plegen te zijn niet onder de doorstroomlocaties vallen.

Eet- en drinkgelegenheid

Een eet- en drinkgelegenheid is een inrichting waar bedrijfsmatig of anders dan om niet dranken of etenswaren worden verstrekt voor gebruik ter plaatse. Van gebruik ter plaatse is sprake indien de verstrekker redelijkerwijs kan verwachten dat de door hem verstrekte dranken of etenswaren ter plaatse zullen worden geconsumeerd. Besloten plaatsen zijn uitgezonderd van de definitie van eet- en drinkgelegenheid. Dit betekent dat bijvoorbeeld bedrijfsrestaurants niet binnen deze begripsbepaling vallen.

Essentiële winkel

Essentiële winkels zijn supermarkten, tankstations, apotheken, slagerijen en bakkerijen. Deze winkels zijn namelijk essentieel voor het goed kunnen blijven functioneren van de maatschappij.

Gezondheidscheck

De gezondheidscheck houdt in dat degene die de gezondheidscheck uitvoert, een aantal vragen aan betrokkene stelt om vast te stellen dat de aanwezige (waarschijnlijk) niet besmet is met het virus. Er hoeft niet met zekerheid te worden vastgesteld dat de betrokkene geen ziekteverschijnselen heeft. Voor de gezondheidscheck kunnen de volgende vragen gesteld worden:

  • 1. Heeft betrokkene in de afgelopen 24 uur geen ziekteverschijnselen van covid-19 gehad?

  • 2. Heeft betrokkene geen huisgenoot met koorts of benauwdheidsklachten?

  • 3. Is in de afgelopen zeven dagen geen covid-19 vastgesteld bij betrokkene?

  • 4. Is betrokkene niet op hetzelfde adres woonachtig als een persoon bij wie in de afgelopen tien dagen covid-19 is vastgesteld?

  • 5. Zou betrokkene niet op grond van een dringend advies in quarantaine of isolatie moeten zijn?

Het verdient aanbeveling de meest recente checklist van het RIVM voor de gezondheidscheck te gebruiken.12 Wanneer betrokkene zelf niet in staat is de vragen te beantwoorden, vanwege bijvoorbeeld een verstandelijke beperking, kan diens begeleider de vragen beantwoorden.

Voor personen tot en met twaalf jaar geldt een minder zware gezondheidscheck. In dat geval zijn de volgende vragen van belang:

  • 1. Heeft betrokkene naast neusverkoudheidsklachten ook koorts of andere coronaklachten?

  • 2. Is betrokkene een huisgenoot van iemand bij wie covid-19 is vastgesteld in de afgelopen zeven dagen?

  • 3. Heeft een huisgenoot van betrokkene naast milde coronaklachten ook last van koorts of benauwdheid en er is nog geen negatieve testuitslag?

Mondkapje

Een mondkapje is een voorwerp dat op grond van zijn ontwerp bestemd is om in ieder geval de mond en de neusgaten volledig te bedekken teneinde de verspreiding van virussen en andere ziektekiemen tegen te gaan. Het mondkapje hoeft niet van medische kwaliteit te zijn, maar dient wel de mond en de neusgaten volledig te bedekken. Het mondkapje moet verder tot doel hebben de verspreiding van virussen en andere ziektekiemen tegen te gaan. Dit betekent dat een sjaal of bandana geen mondkapje is. Ook een faceshield of spatscherm kan niet gezien worden als mondkapje. Het mondkapje is een uitrusting die bestemd is om te worden gedragen of vastgehouden teneinde de eigen of een andere persoon zoveel mogelijk te beschermen tegen overdracht van het virus (een persoonlijk beschermingsmiddel als bedoeld in artikel 58a, eerste lid, Wpg).

Onderwijsactiviteit

Ook een activiteit die niet op een onderwijsinstelling wordt verzorgd, maar wel onder de verantwoordelijkheid van een onderwijsinstelling wordt verzorgd, valt binnen de definitie. Een voorbeeld hiervan is een praktijkonderdeel van een vak dat op de werkvloer van een bedrijf wordt gegeven. Onder een activiteit die rechtstreeks verband houdt met het onderwijs dient onder meer te worden begrepen: een diploma-uitreikingen, een afstudeerbijeenkomst of een promotie.

Placeren

Placeren is het toewijzen van een zitplaats.

Publiek

Onder publiek worden in deze regeling overeenkomstig het normale spraakgebruik de aanwezige bezoekers verstaan.13 Het gaat daarbij niet om personen die (al dan niet tegen betaling) op de publieke plaats werkzaam zijn of daar iets uitvoeren, maar om personen die naar die plaats toe zijn gekomen om bijvoorbeeld iets te zien, te horen of te doen.

Publieke binnenruimte

Bij publieke binnenruimten gaat het om een specifieke categorie publieke plaatsen als bedoeld in artikel 58a Wpg, te weten de publieke plaatsen met uitzondering van erven behorend bij een voor het publiek openstaand gebouw. Het gaat daarbij om voor het publiek openstaande gebouwen, lokalen, voertuigen en vaartuigen. Te denken valt aan cafés, restaurants, musea, bibliotheken, winkels, theaters en speeltuinen. Voertuigen die voor privégebruik worden gebruikt vallen buiten de definitie, omdat deze niet voor het publiek openstaan. Gebouwen en plaatsen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet zijn uitgezonderd omdat deze ook buiten het begrip publieke plaats vallen.

Seksinrichting

Een seksinrichting is een plaats die voor publiek toegankelijk is en waar bedrijfsmatig of niet gratis seksuele handelingen worden verricht of waar erotisch pornografische handelingen vertoond worden. Ook seksinrichtingen die gedoogd worden, vallen onder het begrip seksinrichting.

Sport- en fitnessgelegenheid

Een sport- en fitnessgelegenheid is een inrichting waar het publiek gelegenheid wordt geboden tot de beoefening van sport. Voorbeelden zijn sportaccommodaties en sportinrichtingen, waaronder zwemgelegenheden sporthallen en sportvelden.

Zorgvrijwilliger

Een zorgvrijwilliger in de zin van deze regeling is een natuurlijke persoon die niet als mantelzorger zorg, jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning verleent. De vrijwilliger biedt hulp of ondersteuning aan iemand die dit nodig heeft. Dit kan bijvoorbeeld een ziek persoon zijn, maar ook iemand met een beperking. Anders dan bij mantelzorgers vloeien de verleende diensten niet rechtstreeks voort uit een tussen personen bestaande sociale relatie. Zorgvrijwilligers kunnen eventueel een vergoeding ontvangen voor hun werkzaamheden, maar een dergelijke beloning kent niet het (commerciële) karakter van een inkomen. Wezenlijk kenmerk van een eventuele vergoeding die vrijwilligers ontvangen, is dat de vergoeding zo laag is, dat deze niet in verhouding staat tot het tijdsbeslag en de aard van de verrichte werkzaamheden.

Artikel 1.2 Werkingssfeer

Deze regeling geldt alleen voor Sint Eustatius. Gelet op de specifieke eigenschappen van de openbare lichamen in het Caribische deel van Nederland, zoals het insulaire karakter en de bijzondere kleinschaligheid, is voor Sint Eustatius een aparte regeling vastgesteld, in nauw overleg met de gezaghebber (op dit moment de regeringscommissaris) van Sint Eustatius.

§ 2 Aanvullende uitzonderingen veiligeafstandsnorm

Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene uitzonderingen op de veiligeafstandsnorm, bedoeld in artikel 58f Wpg, in aanvulling op de wettelijke uitzonderingen in het derde lid van dat artikel. De veilige afstand is in het Tijdelijk besluit veilige afstand bepaald op anderhalve meter. Deze aanvullende uitzonderingen zijn mede gemaakt met het oog op de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit (artikel 58b, tweede lid, Wpg).

Voor de volledigheid wordt erop gewezen dat de veiligeafstandsnorm niet van toepassing is in woningen. Ook geldt de norm alleen indien sprake is van ‘zich ophouden’. Dit betekent dat kortstondige handelingen, zoals andere personen passeren of een persoon met een beperking helpen met in- of uitstappen, niet onder de veiligeafstandsnorm vallen.

Artikel 2.1 Veilige afstand 18-’ers

De uitzondering in artikel 2.1 geldt voor jongeren.

In aanvulling op de wettelijke uitzondering voor personen tot en met twaalf jaar en hun begeleider in artikel 58f, derde lid, onder d, Wpg, zijn ook personen tot achttien jaar uitgezonderd van de veiligeafstandsnorm. Dit betekent dat personen tot achttien jaar onderling geen afstand hoeven te houden en ook niet tot andere personen.

De reden dat kinderen en jongeren zijn uitgezonderd van de veiligeafstandsnorm is dat het virus zich vooral verspreidt onder volwassenen en van volwassen familieleden naar kinderen en jongeren. Verspreiding van het virus onder kinderen en jongeren of van kinderen en jongeren naar volwassenen komt minder vaak voor. Dit volgt onder andere uit het 70e en 71e advies van het Outbreak Management Team (OMT) van 23 juni 2020.

Artikel 2.2 Beroepsmatige werkzaamheden

Dit artikel bevat een generieke uitzondering (vrijstelling) op de veiligeafstandsnorm van artikel 58f Wpg voor werkzaamheden in het kader van de uitoefening van een beroep. Vrijstelling wordt verleend voor arbeid waarbij het houden van de veilige afstand niet mogelijk is. Uitgangspunt voor arbeid is dat een veilige afstand tussen personen wordt gewaarborgd. De bescherming van werkenden tegen blootstelling aan het virus staat voorop, en dient te allen tijde effectief ingevuld te worden. Dit houdt in dat voor situaties waar een veilige afstand absoluut niet mogelijk is een deugdelijk onderbouwde afweging tussen maatregelen wordt gemaakt op basis van doeltreffendheid, in casu effectiviteit in het voorkomen van blootstelling aan het virus.

Ook degenen jegens wie zij hun werkzaamheden uitoefenen zijn uitgezonderd van de veiligeafstandsnorm. Hierbij kan gedacht worden aan de kapper en diens klant of de rijinstructeur en degene die rijles volgt.

Deze systematiek sluit aan bij de zorgplicht van werkgevers voor de gezondheid van de werknemers en de daarmee samenhangende risico-inventarisatie en -evaluatie in de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet). Daartoe moeten zij de aan de werkzaamheden verbonden risico’s voor de gezondheid en veiligheid van de werknemers inventariseren en evalueren (RI&E) en met gebruikmaking van de arbeidshygiënische strategie komen tot een pakket doeltreffende maatregelen (plan van aanpak) om die risico’s te voorkomen dan wel zo veel mogelijk te beperken (overeenkomstig artikel 5 Arbowet). De zorgplicht van werkgevers is zonder meer van toepassing op het risico van blootstelling aan het virus.

Artikel 2.3 Veilige afstand vervoer

Openbaar vervoer, ander bedrijfsmatig vervoer en privévervoer hebben een belangrijke maatschappelijke functie: banen, scholen, ziekenhuizen, winkels en supermarkten moeten bereikt kunnen worden. Vervoer levert een belangrijke bijdrage aan de bereikbaarheid, de leefbaarheid, de maatschappelijke deelname van personen en de economie. Vaak is het echter niet mogelijk om in bijvoorbeeld de bus of auto voldoende afstand te houden tot medepassagiers. Daarom geldt de veiligeafstandsnorm niet in het openbaar vervoer, ander bedrijfsmatig vervoer en vervoer voor privédoeleinden, mits het gaat om vervoer dat primair de verplaatsing van de ene naar de andere locatie behelst en het vervoer geen recreatieve activiteit is. Dit betekent dat tijdens recreatief vervoer met een pleziervaartuig zoals een boot, de veiligeafstandsnorm onverkort van toepassing is. Zo’n boot is immers niet primair gericht op de verplaatsing van de ene locatie naar de andere locatie. De veiligeafstandsnorm is ook van toepassing in situaties waarin langere tijd wordt stilgestaan met een vervoersmiddel op de openbare weg. In die situaties is immers sprake van een recreatieve activiteit. De veiligeafstandsnorm geldt dan ook onverkort in de situatie waarin personen afspreken met vrienden in een auto om op een parkeerplaats te blijven hangen. Reizigers die zich beroepen op de uitzondering in het eerste lid zullen desgevraagd op enigerlei wijze aannemelijk moeten maken dat het vervoer primair de verplaatsing van de ene naar de andere locatie behelst en dat geen sprake is van een recreatieve activiteit.

Het tweede lid van artikel 2.3 bepaalt dat de uitzondering op de veiligeafstandsnorm alleen geldt voor personen die een mondkapje dragen. Op grond van het derde lid geldt een aantal uitzonderingen. Allereerst voor personen die vanwege een beperking of ziekte geen mondkapje kunnen dragen, opzetten of daarvan ernstig ontregeld kunnen raken. Voorbeelden zijn personen die een verminderde arm-of handfunctie hebben en daardoor geen mondkapje op kunnen zetten, personen van wie de ademhaling te veel belemmerd wordt vanwege een longaandoening en personen met zintuigelijke beperkingen die gebarentaal spreken. Ook kan gedacht worden aan personen met (ernstige) brandwonden op hun gezicht waardoor geen mondkapje gedragen kan worden en personen die vanwege een verstandelijke beperking of psychische aandoening ontregeld raken als zijzelf een mondkapje dragen. Bij deze laatste groep is het ook mogelijk dat zij ontregeld raken als hun begeleider een mondkapje draagt. In dat geval hoeft ook de begeleider geen mondkapje te dragen. Hetzelfde geldt voor personen die samen zijn met iemand die afhankelijk is van non-verbale visuele signalen, bijvoorbeeld iemand die afhankelijk is van liplezen. Ook deze personen hoeven geen mondkapje te dragen (derde lid, onderdelen b en c). Een verkoudheid wordt onder andere niet gezien als ziekte of beperking waardoor geen mondkapje gedragen kan worden. Personen die zicht beroepen op een van de uitzonderingen zullen de beperking of ziekte desgevraagd op enigerlei wijze aannemelijk moeten maken (of hun begeleider indien zij daartoe niet in staat zijn, bijvoorbeeld vanwege een verstandelijke beperking). Een vierde uitzondering geldt voor personen die zich moeten identificeren (onderdeel d). Verder zijn leerlingen tijdens vervoer van en naar een instelling voor voortgezet onderwijs uitgezonderd (onderdeel e), evenals personen tot en met zeventien jaar die deelnemen aan vervoer van en naar de locatie waar jongeren jeugdhulp ontvangen of zorglocaties voor jeugd (onderdeel f). De veiligeafstandsnorm geldt ook niet in luchtvaartuigen. Dit is geregeld in het vierde lid.

Het vijfde lid maakt duidelijk dat de gezaghebber het maximaal aantal personen in publiek toegankelijke voertuigen in het openbaar vervoer en ander bedrijfsmatig personenvervoer niet kan beperken. De gezaghebber is verder niet bevoegd om dit vervoer te sluiten.

Artikel 2.4 Zorgvrijwilligers

Vrijwilligers zijn in de zorg, jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning van groot belang. Veel (thuis)zorginstellingen en welzijnsorganisaties maken gebruik van vrijwilligers. In sommige instellingen, zoals de bijna-thuis-huizen voor palliatieve terminale zorg, wordt de zorg zelfs hoofdzakelijk geleverd door vrijwilligers. Om die reden regelt artikel 2.4 dat de veiligeafstandsnorm niet geldt tussen een vrijwilliger in de zorg, jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning en de persoon jegens wie de vrijwilliger zijn taak uitoefent.

De uitzondering op de veiligeafstandsnorm geldt alleen indien de vrijwilliger tot taak heeft te helpen bij dagelijkse activiteiten of verzorging en voor zover bepaalde handelingen van de vrijwilliger ten behoeve van die taakuitoefening niet met inachtneming van de veilige afstand kunnen worden uitgevoerd. Denk aan hulp bij het eten en drinken of bij toiletbezoek. Waar de veilige afstand wel in acht genomen kan worden, blijft het houden van een veilige afstand het uitgangspunt.

Artikel 2.5 Sport en podiumkunsten

Sport, kunst en cultuur zijn van groot belang voor de samenleving. Daarom is in artikel 2.5 een uitzondering opgenomen op de veiligeafstandsnorm voor personen die sport en podiumkunsten beoefenen, zoals toneelspelen, dansen en muziek maken, of acteren. Het gaat hier om het uitoefenen van podiumkunsten of het repeteren daarvoor (culturele uiting) en niet om bijvoorbeeld recreatief dansen in een sportschool of dansen in een discotheek, bar, club of danscafé.

Bij de beoefening van podiumkunsten gaat het in de eerste plaats om professionals die ten overstaan van publiek, op een podium, podiumkunstenaanbod verzorgen. Voor de toepassing van deze regeling vallen daaronder diegenen die artistiek-inhoudelijk actief en aantoonbaar geïntegreerd zijn in de professionele podiumkunstpraktijk, bijvoorbeeld doordat zij regelmatig optreden op podia die een relevante programmering hebben in het genre of de discipline waarbinnen de professional opereert. Wat betreft het begrip ‘podium’ geldt in dit verband, dat het moet gaan om een voorziening die bestemd of geschikt is voor de presentatie van podiumkunsten, waaronder inbegrepen voorzieningen in scholen, die het naar hun aard mogelijk maken om er podiumkunsten te presenteren. Ten aanzien van personen die buiten de kring vallen van vorenbedoelde professionals in de podiumkunstpraktijk, gaat het om de beoefening van amateurkunst of cultuureducatie waar actieve participatie van de doelgroep centraal staat, in daarvoor gebruikelijke presentatie- of repetitieruimten, bijvoorbeeld van verenigingen of centra voor de kunsten.

Ook bij podiumkunsten en sport is het houden van anderhalve meter afstand verstandig. Het is echter niet verplicht, voor zover het in het kader van de culturele uiting of sportbeoefening niet mogelijk is. Waar de veilige afstand wel in acht genomen kan worden, blijft het houden van anderhalve meter afstand verplicht.

§ 3 Groepsvorming

Paragraaf 3 van deze regeling bevat maatregelen over groepsvorming. Benadrukt wordt dat uit artikel 58g, eerste lid, volgt dat groepsvorming niet beperkt kan worden in woningen.

Artikel 3.1 Groepsvorming

Op grond van dit artikel is het verboden zich in groepsverband op te houden met meer dan vier personen op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen. Een groep is een aantal min of meer bijeen horende personen, waarbij sprake is van een zekere samenhang of omstandigheid waardoor die mensen bij elkaar zijn. Het verbod op groepsvorming geldt niet voor personen die in gemeenschap met anderen hun godsdienst of levensovertuiging belijden. Dit volgt uit artikel 58g, tweede lid, onder c, Wpg.

Een groepsvormingsverbod draagt bij aan het bij het beperken van het aantal contactmomenten en in kleinere groepen is het eenvoudiger om de veilige afstand in acht te nemen. Ook kan het beperken van de groepsgrootte bijdragen aan het beperken van de omvang van een eventuele uitbraak. Een enkele besmetting kan namelijk vele besmettingen tot gevolg hebben in een grote groep. Dit heeft ook tot gevolg dat het bron- en contactonderzoek eenvoudiger is.

De gezaghebber mag overgaan tot het beperken van groepsvorming tot vier personen op het moment dat Sint Eustatius zich in risiconiveau II bevindt, of de daarbij behorende indicatoren bereikt worden. De aanwezigheid van het virus maakt het noodzakelijk om de contactmomenten te beperken. Op een kleinschalig eiland als Sint Eustatius hebben mensen al snel contact met een groot deel van het eiland, waardoor het risico op overdracht van het virus groot is. De gezaghebber dient bij zijn afweging de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit in acht te nemen.

§ 4 Openstelling publieke plaatsen

Deze paragraaf bevat maatregelen die gelden voor publieke plaatsen als bedoeld in artikel 58h Wpg. Het gaat daarbij om regels gericht tot de persoon die de plaats openhoudt, dus niet tot het publiek.

De artikelen 4.1 tot en met 4.3 Openstelling publieke plaatsen tot maximaal 50, 25 of 15 personen

Ingevolge de artikelen 4.1, 4.2 en 4.3 is het verboden op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen in publieke plaatsen meer dan 50, 25 of 15 personen gelijktijdig als publiek aanwezig te laten zijn, tenzij sprake is van doorstroom van het publiek.

Voor een toelichting op het begrip ‘publieke plaats’ wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij de Wpg.14 Hier volstaat te benoemen dat een publieke plaats een voor het publiek openstaand gebouw is. Voor het publiek openstaand betekent dat deze plaatsen voor eenieder zonder aanzien des persoons openstaan. Hier kunnen wel beletselen gelden voor toegang en verblijf. Het kan bijvoorbeeld gaan om een entreeprijs, minimumleeftijd of verzoek om identificatie. Voorbeelden van publieke plaatsen zijn winkels, cafés, restaurants en bijbehorende terrassen, theaters en musea. Uit de begripsbepaling van publieke plaats volgt verder dat onder publieke plaats niet wordt verstaan plaatsen waar samenkomsten plaatsvinden ten behoeve van het belijden van godsdienst of levensovertuiging, zoals kerkgebouwen, moskeeën en synagogen.

Van doorstroom is sprake bij een nagenoeg continue beweging van het publiek.

Het gaat om publieke plaatsen die op een manier zijn ingericht die het rondlopen van bezoekers uitnodigt. Te denken valt aan detailhandel, markten, bibliotheken, musea, monumenten en daarmee vergelijkbare plaatsen.

Door een beperking in te stellen op het aantal personen dat aanwezig mag zijn in een publieke plaats is het eenvoudiger om afstand te houden tot andere personen die zich bevinden in de publieke plaats. Ook zal het aantal reisbewegingen lager liggen en zullen minder mensen contact met elkaar hebben. Hierdoor kunnen de gevolgen van de aanwezigheid van een besmet persoon in een publieke plaats voor de verspreiding van het virus beperkt worden. Het virus kan immers op minder mensen overgedragen worden. Ook dragen kleinere groepen bij aan een vereenvoudiging van het bron- en contactonderzoek. Gekozen is voor een maximum van 50, 25 en 15 personen, omdat op deze manier per niveau proportionele maatregelen genomen kunnen worden.

De gezaghebber heeft de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar de openstelling van publieke plaatsen beperkt is tot 50 personen vanaf het moment dat Sint Eustatius zich bevindt in een situatie die aansluit bij de systematiek van risiconiveau II van de routekaart. Doordat het virus aanwezig is, is het noodzakelijk drukte op straat, vervoersbewegingen en contactmomenten zo veel mogelijk te beperken. Op een kleinschalig eiland als Sint Eustatius hebben mensen namelijk al snel contact met een groot deel van het eiland, waardoor het risico op overdracht van het virus groot is. Om te voorkomen dat het virus een groot deel van het eiland zal treffen, is het noodzakelijk om grote groepen, van meer dan 50 personen, te voorkomen. Alleen op deze manier kunnen grote clusteruitbraken voorkomen worden en is het mogelijk om het virus in bedwang te houden. Vanaf risiconiveau III heeft de gezaghebber de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar de openstelling van publieke plaatsen beperkt is tot 25 personen. Het virus is namelijk niet meer volledig onder controle en er is al sprake van een (klein) cluster aan besmettingen. Om te voorkomen dat dit cluster uitgroeit tot een groter cluster, is het noodzakelijk de groepsgrootte verder te beperken tot 25 personen. Vanaf het bereiken van de situatie, zoals beschreven bij niveau IV, kan de gezaghebber plaatsen aanwijzen waar publieke plaatsen tot 15 personen geopend mogen zijn. Het cluster van besmettingen is namelijk gegroeid, waardoor een verdere beperking nodig is. De gezaghebber dient bij zijn afweging de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit in acht te nemen.

Artikel 4.4 Sluiting publieke plaatsen

De gezaghebber heeft de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het niet is toegestaan publieke plaatsen geopend te hebben voor publiek. Dit is bepaald in artikel 4.4, eerste lid. Voor de definitie van publieke plaats wordt verwezen naar de toelichting onder de artikelen 4.1 tot en met 4.3. Op grond van dit artikel heeft de gezaghebber alleen de bevoegdheid plaatsen aan te wijzen waar alle publieke plaatsen gesloten moeten zijn. Het is op grond van dit artikel niet mogelijk specifieke publieke plaatsen aan te wijzen. Wel is het mogelijk een bepaald geografisch bereik op Sint Eustatius aan te wijzen waarbinnen alle publieke plaatsen gesloten moeten worden, dit hoeft niet voor het hele eiland te gelden. Ook bestaat de mogelijkheid om individuele ontheffingen te verlenen in bijzondere gevallen, zoals hiervoor is toegelicht.

Het tweede lid van artikel 4.4 regelt een uitzondering op het verbod op het openstellen van publieke plaatsen. Ook wanneer de gezaghebber plaatsen aanwijst waar het niet is toegestaan publieke plaatsen geopend te hebben voor publiek, mogen supermarkten, tankstations, apotheken, bakkerijen en slagerijen geopend blijven voor publiek. Deze ondernemingen worden als essentieel gezien voor de samenleving, waardoor een verbod op de openstelling ervan niet proportioneel wordt geacht.

Door publieke plaatsen te sluiten wordt het aantal contactmomenten en het aantal vervoersbewegingen beperkt. Personen zullen namelijk niet meer samenkomen in publieke ruimten, en ook gaan minder werknemers naar hun werk. Hierdoor zal vaker de veilige afstand tot andere personen gehouden (kunnen) worden en zal een besmet persoon minder snel andere personen besmetten. Zodoende kunnen nieuwe introducties van het virus tegengegaan worden en kan het bron- en contactonderzoek eenvoudiger worden.

De gezaghebber heeft de bevoegdheid om alle publieke plaatsen, met uitzondering van essentiële winkels, te sluiten vanaf het moment dat de indicatoren behorend bij risiconiveau V bereikt zijn. Doordat een groot cluster van besmettingen op Sint Eustatius aanwezig is, waarbij waarschijnlijk sprake is van lokale overdracht, is het noodzakelijk drukte op straat, vervoersbewegingen en contactmomenten zo veel mogelijk te beperken. Op een kleinschalig eiland als Sint Eustatius hebben mensen namelijk al snel contact met een groot deel van het eiland, waardoor het risico op overdracht van het virus groot is. De sluiting van publieke plaatsen kan op dit moment noodzakelijk zijn om het virus in bedwang te kunnen houden. De gezaghebber dient bij zijn afweging de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit in acht te nemen.

Artikel 4.5 Openstelling eet- en drinkgelegenheden

Artikel 4.5 regelt dat de gezaghebber de bevoegdheid heeft om plaatsen aan te wijzen waar eet- en drinkgelegenheden alleen onder voorwaarden geopend mogen zijn voor publiek. In eet- en drinkgelegenheden komen veel mensen, die doorgaans geen contact hebben, met elkaar in contact. Dit betekent een extra risico op verspreiding van het virus. Dit bemoeilijkt het bron- en contactonderzoek.15 Om ervoor te zorgen dat de kans op overdracht van het virus zo klein mogelijk blijft, maar tegelijkertijd eet- en drinkgelegenheden wel de ruimte wordt geboden om open te blijven, dient de beheerder van een eet- en drinkgelegenheid een aantal voorzorgsmaatregelen te nemen.

Onderdeel a bepaalt dat in een eet- en drinkgelegenheid niet meer personen dan 50% van de bezettingscapaciteit tegelijkertijd aanwezig mogen zijn en niet meer dan vijftien personen in totaal. Op deze manier is het beter mogelijk om een veilige afstand tot elkaar te houden.

Placeren (onderdeel b) heeft ook een positief effect op het in acht kunnen nemen van de veilige afstand, hetgeen de kans op verspreiding van het virus verkleint. Door placeren verplicht te stellen, wordt het mogelijk om publiek zitplaatsen aan te wijzen die ten opzichte van elkaar de veilige afstand bevatten. Ook moet de beheerder van een eet- en drinkgelegenheid ervoor zorgen dat het publiek daadwerkelijk gebruikmaakt van de aangewezen zitplaats. Hiermee wordt voorkomen dat het publiek gaat wandelen, staan of van zitplaats gaat wisselen, wat tot een beperking van het aantal contactmomenten leidt. Vanzelfsprekend hoeft niet ingegrepen te worden als het publiek kortstondig de aangewezen zitplaats of locatie verlaat, om bijvoorbeeld naar het toilet te gaan.

Op grond van onderdeel c moet de beheerder van een eet- en drinkgelegenheid ervoor zorgen de gezondheid van zijn gasten gecontroleerd wordt door een gezondheidscheck uit te voeren. Zie de toelichting bij artikel 1.1 voor een toelichting op dit begrip. Door een gezondheidscheck uit te voeren kan voorkomen worden dat mensen met klachten het virus verspreiden in de eet- en drinkgelegenheid.

De vervroegde sluitingstijd (onderdeel d) is gericht op het beperken van het aantal contactmomenten in en rondom eet- en drinkgelegenheden gedurende de avond en nacht.

Beheerders van eet- en drinkgelegenheden zijn verder verplicht om aan bezoekers te vragen hun contactgegevens beschikbaar te stellen. Zo kunnen mensen worden benaderd in het kader van bron- en contactonderzoek indien er in een bepaalde periode een besmetting bij personeel dan wel een bezoeker geconstateerd is. Ook draagt dit bij aan effectief bron- en contactonderzoek, een essentieel onderdeel van de bestrijding van de epidemie.16 Registratie van gegevens vindt alleen plaats als de bezoeker toestemming geeft voor de verwerking en overdracht van zijn gegevens voor de uitvoering van een eventueel bron- en contactonderzoek.

De gegevens waarom gevraagd moet worden zijn de naam, het e-mailadres en het telefoonnummer van de klant en de datum en tijd waarop de bezoeker binnenkomt. Deze gegevens moeten veertien dagen bewaard worden door de ondernemer en daarna worden verwijderd.

Eventuele toestemming door bezoekers moet voldoen aan de eisen die de Wet bescherming persoonsgegevens BES (WBP BES) aan een rechtsgeldige toestemming stelt: een vrije, specifieke en op informatie berustende wilsuiting. Nu de toestemming vrij moet kunnen worden gegeven, mogen aan het enkele weigeren ervan geen consequenties worden verbonden. Wanneer beheerders persoonsgegevens van bezoekers verwerken zijn zij daarbij gebonden aan de regels van WBP BES.

In het tweede lid is geëxpliciteerd dat bij het vragen naar de gegevens moet worden gewezen op de vrijwilligheid van het aanleveren van deze gegevens. Dat kan bijvoorbeeld mondeling of door dit voor te drukken op de briefjes waarmee de gegevens worden aangeleverd. Lijsten - zoals weleens gebruikt bij een eerder in Europees Nederland geldende vergelijkbare verplichting in horeca - waarop elke bezoeker ook de gegevens van de andere bezoekers kan zien, staan op gespannen voet met privacy-eisen. Daarom is in het derde lid verduidelijkt dat de persoonsgegevens niet zichtbaar mogen zijn voor anderen. Dit kan door bijvoorbeeld de gegevens te laten invullen op individuele briefjes die dicht worden gevouwen of in een envelop worden gedaan voordat zij worden ingenomen.

De maatregelen uit dit artikel zijn gericht tot de beheerder van een eet- en drinkgelegenheid. Onder de beheerder kan zowel de eigenaar als het personeel van de eet- en drinkgelegenheid worden verstaan. Het gaat om de persoon die in staat is om een omgeving te creëren die verspreiding van het virus tegen kan gaan. Benadrukt moet worden dat de maatregelen die de beheerder van een eet- en drinkgelegenheid dient te treffen geen generieke uitzondering oplevert voor het publiek op het houden van de veilige afstand.

De gezaghebber heeft vanaf het moment dat de situatie is bereikt, behorend bij niveau II, de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar eet- en drinkgelegenheden onder voorwaarden open mogen. Het virus is namelijk aanwezig op Sint Eustatius en om te voorkomen dat het virus een groot deel van het eiland zal treffen, is het noodzakelijk om grote groepen te voorkomen (maximale capaciteit), een gezondheidscheck uit voeren, ervoor te zorgen dat mensen voldoende afstand kunnen houden (placeren) en zoveel mogelijk te borgen dat een eventuele uitbraak in bedwang kan worden gehouden (contactregistratie). Alleen op deze manier kan verdere verspreiding van het virus, en daarmee een cluster aan besmettingen, voorkomen worden en is het mogelijk het virus in bedwang te houden. De gezaghebber dient bij zijn afweging de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit in acht te nemen.

Artikel 4.6 Sluiting eet- en drinkgelegenheden

Op grond van artikel 4.6, eerste lid, is de gezaghebber bevoegd plaatsen aan te wijzen waar het verboden is eet- en drinkgelegenheden geopend te hebben voor publiek.

Door eet- en drinkgelegenheden te sluiten wordt het aantal contactmomenten beperkt. In een eet- en drinkgelegenheid zijn mensen vaak langdurig in de buurt van mensen buiten het eigen huishouden. De kans op besmettingen is daardoor relatief groot. Ook betekent een sluiting van de eet- en drinkgelegenheden een beperking van het aantal reisbewegingen door zowel het publiek, als de medewerkers. Daarnaast geldt voor eet- en drinkgelegenheden waar alcoholhoudende drank geschonken wordt, dat het gebruik van alcohol een negatieve invloed heeft op de naleving van regels. Alcohol zorgt voor verslechtering van het onderdrukken (inhiberen) van neigingen in het gedrag, wat tot impulsief gedrag leidt.17 Doordat mensen minder angstig zijn onder invloed van alcohol, voelen zij zich veelal meer bereid om risicovolle situaties aan te gaan.18 Het voorgaande kan ertoe leiden dat belangrijke maatregelen ter bestrijding van de epidemie, zoals het in acht nemen van de veilige afstand en het regelmatig wassen van de handen, onvoldoende worden nageleefd door mensen onder invloed van alcohol. Ook is de consumptie van alcohol vaak een reden om samen te komen met anderen.

Het tweede lid maakt uitzonderingen op het verbod voor eet- en drinkgelegenheden in hotels ten behoeve van de hotelgasten (die daadwerkelijk in het hotel overnachten). De etenswaren en dranken moeten geserveerd worden op de hotelkamer.

Op grond van het derde lid is afhaal voor gebruik anders dan ter plaatse toegestaan, op voorwaarde dat de inrichting tussen 01.00 en 06.00 uur gesloten is, niet meer dan vijftien personen aanwezig zijn in de inrichting en de duur van het verblijf van publiek in de inrichting zoveel mogelijk wordt beperkt. Na 01.00 uur mag dus ook niet meer worden bezorgd.

Op grond van het vierde lid heeft de gezaghebber de bevoegdheid plaatsen aan te wijzen waar het eet- en drinkgelegenheden alleen toegestaan is geopend te zijn voor publiek, voor zover zij eten bezorgen. Op grond van dit lid is afhaal ook niet toegestaan.

De gezaghebber heeft vanaf het bereiken van de omstandigheden die horen bij niveau IV de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is eet- en drinkgelegenheden geopend te hebben. Het virus is al uitgegroeid tot een cluster van besmettingen dat niet in bedwang is. Dit maakt het noodzakelijk om vergaande maatregelen te nemen, zoals de sluiting van eet- en drinkgelegenheden. Zodoende kan drukte worden voorkomen en het aantal contactmomenten beperkt. Op een kleinschalig eiland als Sint Eustatius hebben mensen namelijk al snel contact met een groot deel van het eiland, waardoor het risico op verdere verspreiding van het virus en het ontstaan van meerdere clusters die niet meer in bedwang zijn, groot is. De sluiting van eet- en drinkgelegenheden kan op dit moment noodzakelijk zijn om het virus in bedwang te krijgen. De gezaghebber dient bij zijn afweging de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit in acht te nemen.

Artikel 4.8 Sluiting sport- en fitnessgelegenheden

Op grond van artikel 4.8, eerste lid, heeft de gezaghebber de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is om de binnenruimte van een sport- en fitnessgelegenheid, geopend te hebben voor publiek.

Door de binnenruimte van sport- en fitnessgelegenheden te sluiten, wordt het aantal contactmomenten beperkt en wordt de kans op grote menigten op straat en in het openbaar vervoer verkleind. Het Zuid-Koreaanse cluster19 en de aanwijzingen dat bij binnensport het houden van de veilige afstand onderling mogelijk onvoldoende is doordat er meer aerosolen worden gevormd dan wanneer niet wordt gesport, maken ook dat een sluiting van de sport- en fitnessgelegenheden nodig kan zijn. Het is namelijk voldoende aannemelijk dat druppelwolken bij sommige vormen van binnensport grotere afstanden dan 1,5 meter kunnen afleggen en tot transmissie zouden kunnen leiden.20

In het tweede lid van artikel 4.8 is bepaald dat de gezaghebber de bevoegdheid heeft om plaatsen aan te wijzen waar het verbod op openstelling van sport- en fitnessgelegenheden niet geldt, voor zover het zwembaden betreft. Hierbij geldt als voorwaarde dat de gemeenschappelijke was- en douchevoorzieningen niet geopend mogen zijn.

Wanneer de indicatoren behorend bij risiconiveau IV zijn bereikt, heeft de gezaghebber de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is sport- en fitnessgelegenheden geopend te hebben. Het virus is al uitgegroeid tot een cluster van besmettingen dat niet in bedwang is. Dit maakt het noodzakelijk om vergaande maatregelen te nemen, zoals de sluiting van sport- en fitnessgelegenheden. Zodoende kan drukte worden voorkomen en het aantal contactmomenten beperkt. Op een kleinschalig eiland als Sint Eustatius hebben mensen namelijk al snel contact met een groot deel van het eiland, waardoor het risico op verdere verspreiding van het virus en het ontstaan van meerdere clusters die niet meer in bedwang zijn, groot is. De sluiting van sport- en fitnessgelegenheden kan op dit moment noodzakelijk zijn om het virus in bedwang te krijgen. De gezaghebber dient bij zijn afweging de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit in acht te nemen.

Artikel 4.9 Openstelling winkels

De gezaghebber is op grond van artikel 4.9, eerste lid, bevoegd om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is winkels geopend te hebben voor publiek.

Het tweede lid van artikel 4.9 bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is op essentiële winkels. Ook wanneer de gezaghebber plaatsen aanwijst waar het niet is toegestaan winkels geopend te hebben voor publiek, mogen supermarkten, tankstations, apotheken, slagerijen en bakkerijen wel geopend blijven voor publiek. Deze ondernemingen worden als essentieel gezien voor de samenleving, waardoor een verbod op de openstelling ervan niet proportioneel wordt geacht.

Evenals de sluiting van andere publieke plaatsen, heeft ook de sluiting van winkels tot doel het aantal contactmomenten te beperken en de druk op openbare plaatsen en het openbaar vervoer te beperken.

De gezaghebber heeft vanaf de situatie, zoals beschreven bij risiconiveau IV de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is winkels geopend te hebben. Het virus is al uitgegroeid tot een cluster van besmettingen dat niet in bedwang is. Dit maakt het noodzakelijk om vergaande maatregelen te nemen, zoals de sluiting van winkels. Zodoende kan drukte worden voorkomen en het aantal contactmomenten beperkt. Op een kleinschalig eiland als Sint Eustatius hebben mensen namelijk al snel contact met een groot deel van het eiland, waardoor het risico op verdere verspreiding van het virus en het ontstaan van meerdere clusters die niet meer in bedwang zijn, groot is. De sluiting van winkels kan op dit moment noodzakelijk zijn om het virus in bedwang te krijgen. De gezaghebber dient bij zijn afweging de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit in acht te nemen.

Artikel 4.9 Sluiting seksinrichtingen

Ingevolge artikel 4.9 heeft de gezaghebber de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is seksinrichtingen geopend te hebben voor publiek.

Bij seksinrichtingen kan de veilige afstand niet in acht worden genomen, waardoor de kans op verspreiding van het virus groot is. Deze maatregel kan van kracht worden vanaf de situatie, zoals beschreven bij risiconiveau IV. De verspreiding van het virus maakt het noodzakelijk om de contactmomenten te beperken. Het verder beperken van het aantal contacten dat mensen hebben is van essentieel belang. De gezaghebber dient bij zijn afweging de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit in acht te nemen.

§ 5 Evenementen

Deze paragraaf bevat bepalingen over evenementen, gebaseerd op artikel 58i Wpg. Dat artikel maakt het mogelijk om bij ministeriële regeling evenementen aan te wijzen die niet of slechts onder voorwaarden mogen worden georganiseerd. Tot de voorwaarden kan behoren dat ten hoogste een bij die regeling vast te stellen aantal personen aan het evenement mag deelnemen.

De artikelen 5.1 tot en met 5.3 Evenementen tot maximaal 50, 25 of 15 personen

Op grond van de artikelen 5.1, 5.2 en 5.3 is het verboden een evenement te organiseren waar meer dan 50, 25 of 15 deelnemers aan deelnemen op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen. Uit de begripsbepaling van evenement, zoals opgenomen in artikel 58a, vijfde lid, Wpg, volgt dat godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten alsmede betogingen geen evenementen zijn. De regels ten aanzien van evenementen gelden daarom ook niet voor godsdienstige of levensbeschouwelijke samenkomsten. Het beperken van contactmomenten en het houden van een veilige afstand tot andere personen zijn twee van de belangrijkste pijlers in de bestrijding van de epidemie van het virus. Door grootschalige evenementen te verbieden, worden zowel de contactmomenten beperkt (hetgeen het bron- en contactonderzoek vereenvoudigd), als de mogelijkheid om een veilige afstand in acht te nemen tot andere personen vergroot. Daarom wordt in dit artikel de gezaghebber de bevoegdheid gegeven om grote evenementen (meer dan 50, 25 of 15 personen) te verbieden indien dat nodig is gelet op de bestrijding van de epidemie of een directe dreiging daarvan.

Gekozen is voor een maximum van 50, 25 en 15 personen, omdat op deze manier per niveau proportionele maatregelen genomen kunnen worden.

Voor alle deelnemers aan evenementen geldt dat zij de veiligeafstandsnorm in acht moeten nemen en dat de organisator van een evenement ervoor moet zorgen dat het aanwezige publiek de veilige afstand in acht neemt (zie ook de artikelen 58f, 58k en 58l van de wet).

De gezaghebber heeft de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar de groepsgrootte bij evenementen beperkt is tot 50 personen vanaf het besmettingsrisico behorend bij risiconiveau II. Het beperken van contactmomenten en het houden van een veilige afstand tot andere personen zijn twee van de belangrijkste pijlers in de bestrijding van de epidemie van het virus. Door grootschalige evenementen te verbieden, worden zowel de contactmomenten beperkt (hetgeen het bron- en contactonderzoek vereenvoudigd), als de mogelijkheid om een veilige afstand in acht te nemen tot andere personen vergroot. Daarom wordt in dit artikel de gezaghebber de bevoegdheid gegeven om grote evenementen (meer dan 50 personen) te verbieden indien dat nodig is gelet op de bestrijding van de epidemie of een directe dreiging daarvan. Om te voorkomen dat het virus een groot deel van het eiland zal treffen, is het noodzakelijk om grote groepen, van meer dan 50 personen, te voorkomen. Alleen op deze manier kunnen grote clusteruitbraken voorkomen worden en is het mogelijk om het virus in bedwang te houden. Vanaf het besmettingsrisico behorend bij risiconiveau III heeft de gezaghebber de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar alleen evenementen tot 25 personen toegestaan zijn. Het virus is namelijk niet meer volledig onder controle en er is al sprake van een (klein) cluster aan besmettingen. Om te voorkomen dat dit cluster uitgroeit tot een groter cluster, is het noodzakelijk de groepsgrootte verder te beperken tot 25 personen. Vanaf het besmettingsrisico behorend bij niveau IV kan de gezaghebber plaatsen aanwijzen waar slechts evenementen tot 15 personen toegestaan zijn. Het cluster van besmettingen is namelijk gegroeid, waardoor een verdere beperking nodig is. De gezaghebber dient bij zijn afweging de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit in acht te nemen.

Artikel 5.4 Verbod op evenementen

Artikel 5.4 bepaalt dat het verboden is een evenement te organiseren op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen.

Bij evenementen zijn vaak personen die niet uit hetzelfde huishouden komen gedurende een langere periode bij elkaar. Ook komen vaak grotere groepen mensen samen, waarbij het niet altijd mogelijk is om voldoende afstand te houden. Door evenementen toe te staan bestaat daardoor een reëel risico op een snelle en brede verspreiding van het virus. Het tweede lid bepaalt dat het verbod op evenementen niet geldt voor huwelijksvoltrekkingen en herdenkingsplechtigheden. Dit zijn evenementen die te allen tijde door moeten kunnen gaan. Hierbij kunnen wel beperkingen worden gesteld omtrent groepsvorming.

De gezaghebber heeft wanneer de omstandigheden zoals benoemd bij risiconiveau IV zich verwezenlijken de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is evenementen te organiseren. De aanwezigheid een cluster dat niet in bedwang is en waarbij mogelijk sprake is van lokale verspreiding vergt vergaande maatregelen. Het toestaan van evenementen, waar vaak veel lokale mensen samen komen, kan op het moment van lokale verspreiding en een cluster van besmettingen niet meer verantwoord zijn. Om erger te voorkomen kan een verbod op evenementen daarom noodzakelijk zijn. De gezaghebber dient bij zijn afweging de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit in acht te nemen.

Artikel 5.5 Verbod op sportevenement

De gezaghebber heeft de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is een sportevenement te organiseren.

Een verbod op sportevenementen zorgt voor minder contactmomenten en minder mensen die de straat op gaan of gebruik maken van het openbaar vervoer. Ook wordt bij sportevenementen vaak geschreeuwd, hetgeen een rol kan spelen bij de verdere verspreiding van het virus (zie de toelichting onder artikel 4.7).

De gezaghebber heeft vanaf risiconiveau IV de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is sportevenementen te organiseren. De aanwezigheid een cluster dat niet in bedwang is en waarbij mogelijk sprake is van lokale verspreiding vergt vergaande maatregelen. Het toestaan van sportwedstrijden, waar vaak veel lokale mensen samen komen, kan op het moment van lokale verspreiding en een cluster van besmettingen niet meer verantwoord zijn. Om erger te voorkomen kan een verbod op sportevenementen daarom noodzakelijk zijn. De gezaghebber dient bij zijn afweging de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit in acht te nemen.

Artikel 5.6 Verbod op toeschouwers bij een sportevenement

Op grond van artikel 5.6 mogen bij sportevenementen (zoals sportwedstrijden) geen toeschouwers toegelaten worden. Hierdoor wordt drukte voorkomen, waardoor mensen beter een veilige afstand tot elkaar kunnen houden. Ook beperkt een verbod op toeschouwers het aantal reisbewegingen. De gezaghebber heeft wanneer de verspreiding van het virus zich bevindt in de situatie zoals beschreven bij niveau IV de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is toeschouwers toe te laten bij sportevenementen. Het verbieden van toeschouwers bij sportevenementen kan op dit moment noodzakelijk zijn om het virus in bedwang te krijgen. De gezaghebber dient bij zijn afweging de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit in acht te nemen.

§ 6 Overige maatregelen

Artikel 6.1 Hygiënemaatregelen

Op grond van artikel 6.1 moet de beheerder van een publieke, openbare of besloten plaats ervoor zorgen dat desinfecterend handmiddel beschikbaar is (onderdeel a) en dat oppervlakten regelmatig schoongemaakt worden (onderdeel b). Dit houdt bijvoorbeeld in dat winkelmandjes, stoelen, tafels of andere oppervlakten waarmee personen in aanraking komen gedesinfecteerd of schoongemaakt worden.

Hygiëne speelt een belangrijke rol in de bestrijding van het virus. Het is mogelijk dat het virus zich verspreidt via oppervlakten. Om die reden is het van belang dat beheerders hygiënemaatregelen nemen. Op deze manier wordt de kans op verspreiding van het virus zoveel mogelijk beperkt.

Zo lang de mogelijkheid bestaat dat het virus zich verspreidt op Sint Eustatius, is het van belang dat hygiënemaatregelen worden getroffen. Om die reden geldt deze maatregel altijd.

Artikel 6.2 Mondkapje

Artikel 6.2, eerste lid, geeft de gezaghebber de bevoegdheid plaatsen aan te wijzen waar het verplicht is voor personen van dertien jaar en ouder om een mondkapje te dragen. De gezaghebber heeft niet de bevoegdheid om besloten plaatsen, waaronder woningen, aan te wijzen waar de mondkapjesplicht geldt, gelet op het besloten karakter van de plaats. De mondkapjesplicht geldt dus ook niet in plaatsen waar samenkomsten plaatsvinden ten behoeve van het belijden van godsdienst of levensovertuiging, zoals kerkgebouwen, moskeeën en synagogen.

Volgens het advies van het OMT van 4 mei 202021 volgt uit een publicatie22 dat niet-medische mondkapjes de verspreiding van het virus tegen kunnen gaan in situaties waarin voldoende afstand houden niet altijd lukt, zoals in het openbaar vervoer of in supermarkten. Dit geldt in het bijzonder voor verspreiding door personen die nog geen symptomen vertonen, ervan uitgaande dat personen met klachten zich isoleren en afstand houden. Volgens de publicatie houden de meeste materialen in niet-medische mondkapjes druppels die geproduceerd worden door de drager van het mondkapje in enige mate tegen. Veel mondkapjes zorgen op deze manier voor bescherming van de omgeving als een patiënt met het virus een niet-medisch mondkapje draagt. Volgens het OMT-advies van 13 oktober 2020 hebben niet-medische mondkapjes daarmee mogelijk een positief effect om de verspreiding van het virus tegen te gaan, met name door presymptomatische verspreiding van het virus vanuit de drager van het mondkapje.23 In dit advies schrijft het OMT verder dat het effect van breed niet-medisch mondkapjesgebruik groter wordt naarmate sprake is van een toenemend aantal besmettingsgevallen.

Niet-medische mondkapjes kunnen tegelijkertijd de overdracht van andere luchtwegvirussen enigszins tegengaan, wat de druk op huisartsenpraktijken en teststraten kan verminderen.24 Het gebruik van niet-medische mondkapjes kan de toenemende druk op de zorg daarmee beperken.

Het tweede lid van artikel 6.2 maakt een uitzondering op de mondkapjesplicht voor personen die vanwege een beperking of ziekte geen mondkapje kunnen dragen, opzetten of daarvan ernstig ontregeld kunnen raken (onderdeel a). Voorbeelden zijn personen die een verminderde arm-of handfunctie hebben en daardoor geen mondkapje op kunnen zetten, personen van wie de ademhaling te veel belemmerd wordt vanwege een longaandoening en personen met zintuigelijke beperkingen die gebarentaal spreken. Ook kan gedacht worden aan personen met (ernstige) brandwonden op hun gezicht waardoor geen mondkapje gedragen kan worden en personen die vanwege een verstandelijke beperking of psychische aandoening ontregeld raken als zijzelf een mondkapje dragen. Bij deze laatste groep is het ook mogelijk dat zij ontregeld raken als hun begeleider een mondkapje draagt. In dat geval hoeft ook de begeleider geen mondkapje te dragen. Hetzelfde geldt voor personen die samen zijn met iemand die afhankelijk is van non-verbale visuele signalen, bijvoorbeeld iemand die afhankelijk is van liplezen. Ook deze personen hoeven geen mondkapje te dragen (tweede lid, onderdelen b en c). Een verkoudheid wordt onder andere niet gezien als ziekte of beperking waardoor geen mondkapje gedragen kan worden. Personen die zicht beroepen op een van de uitzonderingen zullen de beperking of ziekte desgevraagd op enigerlei wijze aannemelijk moeten maken (of hun begeleider indien zij daartoe niet in staat zijn, bijvoorbeeld vanwege een verstandelijke beperking).

Onderdeel d regelt dat een mondkapje ook niet gedragen hoeft te worden als dit de goede en veilige uitoefening van werkzaamheden in het kader van beroep of bedrijf onmogelijk maakt. Wanneer uit arbeidsomstandighedenwetgeving onomwonden volgt dat een mondkapje geen veilig en passend beschermingsmiddel is, moet het mogelijk zijn andere beschermingsmiddelen te gebruiken, zoals een spatscherm. In die gevallen kan een beroep worden gedaan op onderdeel d van het tweede lid van dit artikel. Dit doet overigens niet af aan het in voorkomend geval moeten treffen van andere maatregelen, zoals het houden van de veilige afstand waar mogelijk en voldoende ventileren.

Verder zijn personen uitgezonderd die gevraagd worden zich te identificeren op grond van een wettelijke bepaling (onderdeel e). Een mondkapjesplicht maakt het moeilijker om vast te stellen of de persoon die het mondkapje draagt dezelfde is als de persoon die op een identiteitsbewijs is weergeven. Deze controle kan bijvoorbeeld nodig zijn bij aankoop van leeftijdsgebonden producten, zoals tabak of alcoholhoudende drank. Om de vaststelling van de identiteit niet onmogelijk of erg lastig te maken, bepaalt het vijfde lid dat deze personen uitgezonderd zijn van de plicht tot het dragen van een mondkapje wanneer hen gevraagd wordt het mondkapje af te zetten op het moment dat zij zich moeten identificeren. Dit betekent dat de betrokken persoon direct na de vaststelling van de identiteit het mondkapje weer moet dragen. Het is aan de beheerder van een plaats om te bepalen of hij vraagt of het mondkapje afgezet moet worden voor de identificatie. Het staat iedere beheerder vrij hier zijn eigen beleid op te voeren.

Op grond van onderdeel f en g zijn leerlingen tijdens vervoer van en naar een instelling voor voortgezet onderwijs en personen tot en met zeventien jaar die deelnemen aan vervoer van en naar de locatie waar jongeren jeugdhulp ontvangen of zorglocaties voor jeugd uitgezonderd.

Deze uitzonderingen zijn uitputtend bedoeld. Dit betekent dat de beheerder van een publieke en openbare plaats gebonden zich in beginsel zal houden aan de uitzonderingen, zoals opgenomen in deze regeling. Wanneer een persoon bijvoorbeeld aannemelijk maakt geen mondkapje te kunnen dragen vanwege een beperking of ziekte, zal de beheerder in beginsel een uitzondering te maken voor deze persoon.

De gezaghebber heeft vanaf het moment dat de omstandigheden behorend bij niveau II zich verwezenlijken de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar mondkapjes gedragen moeten worden. Op dat moment is het virus namelijk aanwezig op het eiland. Doordat op Sint Eustatius slechts een beperkt aantal faciliteiten aanwezig is en de gemeenschap erg hecht is, bezoeken inwoners van Sint Eustatius al snel dezelfde plekken en is het risico op overdracht van het virus groot. Door de beperkte zorgfaciliteiten is het noodzakelijk om verdere verspreiding te voorkomen. Mondkapjes kunnen hier een bijdrage aan leveren. Een mondkapjesplicht is in dit niveau noodzakelijk om het virus in bedwang te kunnen houden. De gezaghebber dient bij zijn afweging de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit in acht te nemen.

Artikel 6.3 Uitzondering sport, cultuur en media

Als de gezaghebber van zijn bevoegdheid gebruik maakt om plaatsen aan te wijzen waar personen verplicht zijn een mondkapje te dragen, is op grond van artikel 6.3 een aantal personen uitgezonderd van die plicht. Allereerst zijn personen die een sport beoefenen uitgezonderd van het dragen van een mondkapje (onderdeel a). De reden hiervoor is dat het dragen daarvan een belemmering vormt voor het goed kunnen uitoefenen van de sport. Hetzelfde geldt voor personen die podiumkunsten beoefenen of acteren (onderdeel b). Onder ‘podiumkunsten’ valt onder andere toneel, dans, muziek(theater), cabaret en musical. Onder ‘muziek’ valt zowel de beoefening van instrumenten, indien het dragen van een mondkapje daarbij belemmerend werkt, als zang. Met ‘acteren’ wordt bedoeld het uitbeelden van een rol in een cinematografische setting, zoals films en televisieseries. Deze uitzondering geldt alleen voor zover een mondkapje de personen belemmert in de beoefening van podiumkunsten. Personen zijn ook uitgezonderd op het moment dat zij poseren voor beeldende kunst, voor zover het gaat om het op beeld vastleggen van personen (onderdeel c). Dit betreft bijvoorbeeld iemand die poseert voor een fotografisch kunstwerk. Tot slot zijn personen uitgezonderd die deelnemen aan de opname van media-aanbod in de zin van de Mediawet BES (onderdeel d). Het gaat dan om elektronische producten met beeld- of geluidsinhoud die bestemd zijn voor afname door het algemene publiek of een deel ervan. Dit begrip omvat zowel radio- en televisieprogramma’s die worden verzorgd door de omroepen als programmering van mediadiensten op aanvraag (online videocontent). Met ‘deelnemen’ wordt gedoeld op personen die feitelijk in beeld of op geluid komen, met uitzondering van publiek. Hierbij kan gedacht worden aan presentatoren, kandidaten, deskundigen, juryleden en figuranten. De uitzondering geldt niet voor personen die achter de schermen meehelpen aan de opname, zoals een cameraman, geluidsman of regisseur. Verder geldt de uitzondering alleen gedurende de opname.

Artikel 6.4 Uitzondering mondkapjesplicht in onderwijsinstellingen

Wanneer de gezaghebber gebruik maakt van zijn bevoegdheid plaatsen aan te wijzen waar het verplicht is een mondkapje te dragen, kan het zo zijn dat het ook verplicht is in onderwijsinstellingen een mondkapje te moeten dragen. In dat geval regelt artikel 6.4 dat leerlingen, studenten en personeel op het moment dat zij gebruikmaken van een vaste zit- of staanplaats, uitgezonderd zijn van de plicht tot het dragen van een mondkapje. Dit is ingegeven door het feit dat het zittend of staand op een vaste plek eenvoudiger is anderhalve meter afstand in acht te nemen. Een docent hoeft dus bijvoorbeeld geen mondkapje te dragen op het moment dat hij lesgeeft vanaf een vaste staanplaats, maar wel als hij rond gaat lopen door het klaslokaal. De mondkapjesplicht geldt evenmin indien het dragen daarvan een belemmering vormt voor deelname aan dan wel verzorging van een onderwijsactiviteit. Hiervan kan in ieder geval sprake zijn bij lichamelijk opvoeding, zang, toneel en dans. Daarnaast kan dit ook aan de orde zijn bij bepaalde vormen van praktijkonderwijs.

Artikel 6.5 Mondkapje bij contactberoepen

Ingevolge artikel 6.5, eerste lid, heeft de gezaghebber de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar personen die een zogeheten contactberoep uitoefenen een mondkapje moeten dragen. Een geestelijke bedienaar oefent geen contactberoep uit, omdat die geen klanten of patiënten heeft.

Contactberoepen zijn beroepen waar vaak en direct contact met anderen is binnen een afstand van anderhalve meter. Omdat de veilige afstand niet gehouden kan worden bij de uitoefening van een contactberoep, kan het dragen van een mondkapje uitkomst bieden. Mondkapjes kunnen namelijk een bijdrage leveren aan het beperken van de overdracht van het virus.

Door voorzorgsmaatregelen te treffen die overdracht van het virus zoveel mogelijk beperken, is het mogelijk de uitoefening van contactberoepen doorgang te laten vinden, terwijl tegelijkertijd de bevolking van Sint Eustatius beschermd wordt tegen het virus.

Op grond van het tweede lid hoeven personen tot en met twaalf jaar ook in deze gevallen geen mondkapje te dragen (onderdeel a). Verder wordt een uitzondering gemaakt voor personen die vanwege een beperking of ziekte geen mondkapje kunnen dragen (onderdeel b). Hiervoor wordt verwezen naar de toelichting op artikel 6.2. Verder bestaat een uitzondering voor klanten of patiënten waarvoor het praktisch niet mogelijk is een mondkapje te dragen tijdens de uitoefening van het contactberoep, omdat zij een behandeling krijgen aan hun gezicht (onderdeel c). Voorbeelden zijn klanten van een kapper die scheert of een schoonheidsspecialist, waarbij niet in alle gevallen een mondkapje gedragen kan worden. Een behandeling aan het gezicht moet breed opgevat worden. Hieronder valt elke behandeling waarbij het noodzakelijk is dat het gezicht vrij is. Deze uitzondering geldt alleen voor zover een mondkapje de uitoefening van het contactberoep op een gepaste wijze in de weg staat. Deze plicht geldt niet voor zorgverleners en patiënten in zorglocaties, omdat zij uitgezonderd zijn op grond van onderdeel d.

De gezaghebber heeft vanaf het moment dat de omstandigheden behorend bij niveau II zich voordoen de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het slechts onder voorwaarden is toegestaan een contactberoep uit te oefenen. Het virus is aanwezig op het eiland en om te voorkomen dat het virus een groot deel van het eiland zal treffen, is het noodzakelijk ervoor te zorgen dat mensen voldoende afstand houden, dan wel te zorgen voor alternatieve bescherming. Doordat de beoefenaar van een contactberoep veelvuldig contact heeft met een groot deel van de mensen in Sint Eustatius, is dit des te belangrijker. Afstand houden is bij contactberoepen niet altijd mogelijk, waardoor het nodig is een mondkapje te dragen dat alternatieve bescherming kan bieden. De gezaghebber dient bij zijn afweging de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit in acht te nemen.

Artikel 6.6 Beperking uitoefening contactberoepen

Artikel 6.6 bepaalt dat het verboden is op door de gezaghebber aan te wijzen plaatsen een contactberoep uit te oefenen als er meer dan vijf personen aanwezig zijn in de inrichting waar het contactberoep wordt uitgeoefend. Hierdoor zullen minder personen met elkaar in contact komen en is het eenvoudiger een veilige afstand tot elkaar te houden.

De gezaghebber heeft vanaf de situatie zoals beschreven bij risiconiveau III de bevoegdheid om de uitoefening van een contactberoep alleen toe te staan als niet meer dan vijf personen in de inrichting waar het contactberoep wordt uitgeoefend aanwezig zijn. De aanwezigheid van een cluster van besmettingen, betekent op een klein eiland een groot risico. Dit risico is nog groter bij de uitoefening van contactberoepen, omdat de beoefenaar van een contactberoep veelvuldig contact heeft met een groot deel van de mensen op Sint Eustatius. Per dag ziet de beoefenaar van een contactberoep een groot aantal mensen. Door een beperking op het aantal aanwezige mensen in de inrichting in te stellen, kan de uitoefening van contactberoepen wel doorgang vinden, terwijl tegelijkertijd het risico op overdracht op een groot aantal mensen wordt beperkt. De gezaghebber dient bij zijn afweging de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit in acht te nemen.

Artikel 6.7 Verbod op uitoefening contactberoepen

In artikel 6.7 is bepaald dat de gezaghebber de bevoegdheid heeft om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is een contactberoep uit te oefenen.

Personen die een contactberoep uitoefenen komen veelvuldig in direct contact met andere personen. Verspreiding via druppelinfectie is (verreweg) de belangrijkste verspreidingswijze van het virus. Wanneer geen veilige afstand wordt gehouden tot andere personen, is de kans op overdracht velen malen groter. Om die reden kan het nodig zijn de uitoefening van contactberoepen niet toe te staan. Dit kan in het bijzonder van belang zijn op een kleinschalig eiland, waarbij degene die een contactberoep uitoefent met een groot deel van de eilandsbevolking in aanraking komt.

Het tweede lid bepaalt dat een eventueel verbod niet geldt voor een zorgverlener of mantelzorger. Het is namelijk noodzakelijk dat deze beroepen te allen tijde uitgeoefend worden.

De gezaghebber heeft vanaf het moment dat het besmettingsrisico aanwezig is als beschreven bij risiconiveau IV de bevoegdheid om de uitoefening van een contactberoep in zijn geheel te verbieden. De aanwezigheid van het virus, en in het bijzonder de mogelijkheid dat sprake is van lokale transmissie, maakt het noodzakelijk om contactmomenten te beperken. Doordat de beoefenaar van een contactberoep veelvuldig contact heeft met een groot deel van de mensen op Sint Eustatius, kan het noodzakelijk zijn een verbod op de uitoefening ervan in te stellen. Per dag ziet de beoefenaar van een contactberoep een groot aantal mensen. Een besmetting kan daarom al snel grote gevolgen hebben. Een ingrijpende maatregel als deze kan dan gerechtvaardigd zijn. De gezaghebber dient bij zijn afweging de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit in acht te nemen.

Artikel 6.8 Openstelling onderwijsinstellingen tot maximaal 15 personen

Het eerste lid van artikel 6.8 regelt dat de gezaghebber de bevoegdheid heeft om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is in een zelfstandige ruimte van een gebouw van een onderwijsinstelling meer dan vijftien personen gelijktijdig aanwezig te laten zijn als groep. In artikel 1, onder s, Wpg is een definitie opgenomen van gebouw. Personen zitten op school gedurende een lange periode bij elkaar in een ruimte, waardoor het des te belangrijker is om voldoende afstand te houden tot elkaar. Door een beperking in te stellen van het aantal personen dat aanwezig mag zijn in een gebouw van een onderwijsinstelling is het eenvoudiger die veilige afstand daadwerkelijk in acht te nemen. Een maximumaantal personen betekent ook minder contactmomenten en een minder grote kans op een grootschalige uitbraak. Daar komt bij dat het bron- en contactonderzoek eenvoudiger is bij een kleinere groep personen.

De gezaghebber heeft de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar de groepsgrootte in onderwijsinstellingen beperkt is tot vijftien personen vanaf het moment dat Saba zich bevindt in de situatie behorend bij risiconiveau IV. De aanwezigheid van het virus, en in het bijzonder de mogelijkheid dat sprake is van lokale transmissie, maakt het noodzakelijk om bijeenkomsten van grote groepen te beperken. Bij samenkomst van grote groepen kan het virus zich eenvoudig verspreiden. Daar komt bij dat ook ouders eenvoudig met elkaar in contact komen op school, hetgeen een extra risico met zich meebrengt. Om te voorkomen dat het virus een groot deel van het eiland zal treffen, is het noodzakelijk om grote groepen te voorkomen en het aantal contactmomenten en reisbewegingen te beperken. Alleen op deze manier is het mogelijk om het virus in bedwang te houden en grote en meer clusteruitbraken te voorkomen. De gezaghebber dient bij zijn afweging de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit in acht te nemen.

Artikel 6.9 Verbod op fysiek onderwijs

Het eerste lid van artikel 6.9 regelt dat de gezaghebber de bevoegdheid heeft om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is onderwijsactiviteiten te verrichten in onderwijsinstellingen. De sluiting van scholen voor fysiek onderwijs beperkt het aantal contactmomenten en het aantal reisbewegingen, waardoor het virus zich minder gemakkelijk kan verspreiden.

Onderwijsactiviteiten langs elektronische weg zijn wel nog toegestaan, omdat dan geen sprake is van contact met andere personen en het onderwijs geen reisbewegingen tot gevolgd heeft. Ook is het wel toegestaan examens, tentamens en toetsen af te nemen en kwetsbare studenten te begeleiden indien dit via elektronische weg niet mogelijk is.

De gezaghebber heeft de bevoegdheid om fysiek onderwijs in onderwijsinstellingen te verbieden vanaf de situatie zoals beschreven bij risiconiveau V. Een groot cluster van besmettingen is aanwezig op Sint Eustatius, en het cluster is niet meer in bedwang, waardoor vergaande maatregelen vereist zijn. Door scholen te sluiten, kan het virus bedwongen worden. Gelet op het belang van (fysiek) onderwijs voor de ontwikkeling van kinderen en jongeren, mag deze maatregel pas ingezet worden als het virus niet meer te controleren is en sprake is van een groot cluster. Het streven moet zijn de scholen zo lang mogelijk geopend te houden. Alleen wanneer het echt niet mogelijk is de scholen geopend te houden, mag de gezaghebber plaatsen aanwijzen waar het niet is toegestaan scholen geopend te hebben voor publiek. De gezaghebber dient bij zijn afweging de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit in acht te nemen.

Artikel 6.10 Kinderopvang

Het eerste lid van artikel 6.10 regelt dat de gezaghebber de bevoegdheid heeft om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is kinderopvang geopend te hebben. De sluiting kindercentra of voorzieningen voor gastouderopvang beperkt het aantal contactmomenten en het aantal reisbewegingen.

Het tweede lid bepaalt dat de sluiting van kindercentra of voorzieningen voor gastouderopvang niet geldt voor kindercentra of voorzieningen voor gastouderopvang die opvang bieden aan kinderen van ouders die werken in cruciale beroepen of vitale processen. Het is immers essentieel voor de bestrijding van het virus dat deze kindercentra en voorzieningen voor gastouderopvang openblijven. Onder telecommedewerkers wordt verstaan het personeel dat noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden uitvoert aan het telecomnetwerk, bijvoorbeeld op straat, maar ook in gebouwen teneinde de internetdiensten draaiende te houden. Ook wordt onder telecommedewerkers verstaan de werknemers op kantoor die van essentieel belang zijn voor het borgen van de internet- en telecomvoorzieningen.

De gezaghebber heeft vanaf risiconiveau IV de bevoegdheid om de kinderopvang te sluiten. De aanwezigheid van het virus, en in het bijzonder de mogelijkheid dat sprake is van lokale transmissie, maakt het noodzakelijk om verdere verspreiding te voorkomen. Het openhouden van de kinderopvang zorgt namelijk voor veel reisbewegingen van ouders die hun kinderen brengen. Ook komen ouders met elkaar in contact bij de kinderopvang, waardoor het risico op verdere verspreiding wordt vergroot. De gezaghebber dient bij zijn afweging de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit in acht te nemen.

Artikel 6.11 Uitzonderingen op aanwijzings- en bevelsbevoegdheid gezaghebber bij religieuze en levensbeschouwelijke gebouwen en plaatsen

Om verspreiding van het virus tegen te gaan is het noodzakelijk dat de veilige afstand ook bij de belijdenis van godsdienst en levensovertuiging in acht wordt genomen. De veiligeafstandsnorm geldt daarom ook voor de aanwezigen bij kerkdiensten en andere samenkomsten ten behoeve van het belijden van godsdienst of levensovertuiging, met uitzondering van geestelijke bedienaren voor zover deze hun taak niet op gepaste wijze kunnen uitoefenen met inachtneming van de veilige afstand en voor de personen jegens wie zij hun taak uitoefenen (artikel 58f, derde lid, aanhef en onder b en c Wpg). De bepalingen over groepsvorming zijn niet van toepassing (artikel 58g, tweede lid, aanhef en onder c, Wpg). Het wettelijk regime waarborgt dus dat deze samenkomsten voortgang kunnen blijven vinden, waarbij als voornaamste restrictie geldt dat de veilige afstand moet worden aangehouden.

De krachtens artikel 58l Wpg geldende zorgplicht voor beheerders van besloten plaatsen is ook van toepassing op plaatsen waar samenkomsten plaatsvinden ten behoeve van het belijden van godsdienst of levensovertuiging, zoals kerkgebouwen, moskeeën, tempels en synagogen. Op grond van artikel 6.11 bestaat ten aanzien van die plaatsen niet de mogelijkheid voor de gezaghebber om aanwijzingen of bevelen te geven op grond van artikel 58l, tweede tot en met vierde lid, Wpg. Dit hangt samen met de bijzondere grondwettelijke bescherming die aan de genoemde samenkomsten toekomt en de bijzondere verhouding tussen religies en levensbeschouwingen, enerzijds, en de staat, anderzijds, bij overheidsinterventies.25 Naast de ook voor deze samenkomsten reeds geldende anderhalvemeternorm wordt het thans niet noodzakelijk geacht in deze ministeriële regeling hieraan aanvullende voorwaarden te stellen.

§ 7 Slotbepalingen

Artikel 7.1 Inwerkingtreding en verval

De regering streeft ernaar de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 zo spoedig mogelijk in werking te laten treden. Deze regeling treedt op grond van artikel 9.1 op hetzelfde tijdstip in werking. Het tijdstip van inwerkingtreding van die wet en deze regeling is afhankelijk van het verloop van de parlementaire behandeling. Vanwege de vereiste spoed wordt bij de vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding afgeweken van de zogeheten vaste verandermomenten. Om die reden zal in elk geval ook worden afgeweken van de minimuminvoeringstermijn van drie maanden.26

Op het moment van invoering van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 en deze regeling worden de geldende noodverordeningen ingetrokken. Daarmee vervallen ook eventuele besluiten, zoals ontheffingen, die gebaseerd zijn op die noodverordeningen. Indien het gewenst is dat vergelijkbare ontheffingen gelden onder het nieuwe regime, zal dan ook een nieuw besluit genomen moeten worden.

Uiterste vervaldatum en tussentijdse beëindiging van maatregelen

Op grond van artikel 9.1 vervalt deze regeling op het tijdstip waarop hoofdstuk Va van de Wpg vervalt. Het gaat hier om een uiterste vervaldatum; als de noodzaak al eerder ontvalt aan deze regeling of onderdelen ervan, zal de regeling eerder worden ingetrokken of aangepast. In artikel 58c, zesde lid, Wpg is immers geëxpliciteerd dat maatregelen zo spoedig mogelijk worden gewijzigd of ingetrokken als deze niet langer noodzakelijk zijn. Uit artikel 58b, tweede lid, Wpg vloeit reeds voort dat maatregelen niet alleen noodzakelijk moeten zijn maar ook evenredig aan het beoogde doel. De toepassing van de krachtens hoofdstuk Va Wpg toegekende bevoegdheden - waaronder het treffen of in stand houden van maatregelen - is ingevolge dat artikellid immers alleen mogelijk als dit gelet op de ernst van de bedreiging van de volksgezondheid noodzakelijk is (sub a) en evenredig is aan het beoogde doel (sub c). Dit betekent dat een maatregel ook wijziging of intrekking behoeft als deze niet meer evenredig is aan de bestrijding van de epidemie of een directe dreiging daarvan. Ook voor wat betreft de onderdelen die voorzien in een beperking van grondrechten zullen deze gelet op de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit, worden gewijzigd indien niet langer aan die eisen is voldaan. Deze regeling zal in voornoemde omstandigheden dan ook worden ingetrokken, dan wel op onderdelen worden aangepast.

Artikel 7.2 Citeertitel

Dit artikel bevat de citeertitel van de onderhavige regeling: Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 Sint Eustatius.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, H.M. de Jonge


X Noot
1

Voor het Europese deel van Nederland en Bonaire en Saba worden aparte ministeriële regelingen vastgesteld.

X Noot
2

Zie ook aanwijzing 3.63 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

X Noot
3

Artikel 58f, eerste lid, Wpg en het Besluit veilige afstand, dat de veilige afstand bepaalt op anderhalve meter.

X Noot
4

Artikel 58f, derde lid, aanhef en onder a en b, Wpg.

X Noot
5

Kamerstukken II 2019/20, 35526, p. 76-77, en Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 23, antwoord 262.

X Noot
6

Kamerstukken II 2019/2020, 35 526, nr. 3, § 4.1.

X Noot
7

Voor de burgemeester in artikel 58e, tweede lid, onder a moet gezaghebber worden gelezen. Zie artikel 68a, onderdeel b.

X Noot
8

Artikel 68a, onderdeel e.

X Noot
9

Kamerstukken II, 2020/21, 35 526 nr. 24, p.8.

X Noot
10

Kamerstukken II 2019/2020, 35 526, nr. 3.

X Noot
11

Zie over de vraag wie als beheerder kan worden beschouwd: Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 3, p. 88.

X Noot
13

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 3, p. 85.

X Noot
14

Kamerstukken II, 2019/20, 35 526, 3, p. 76.

X Noot
15

OMT-advies 67.

X Noot
17

Field, M., Wiers, R.W., Christiansen, P. Fillmore, M.T. & Verster, J.C. (2010). Acute alcohol effects on inhibitory control and implicit cognition. Alcohol and Clinical Experimental Research 34, 1346-1352.

X Noot
18

Kuypers, K.P.C., Verkes, R.J., van den Brink, W., van Amsterdam, J.G.C. & Ramaekers, J.G. (2018). Intoxicated aggression: do alcohol and stimulant cause dose-related aggression? A review. European Neuropsychopharmacology, 1-34.

X Noot
19

Jang S, Han SH, Rhee J-Y. Coronavirus disease cluster associated with fitness dance classes, South Korea. Emerg Infect Dis. 2020 Aug [May 15, 2020]. https://doi.org/10.3201/eid2608.200633 DOI: 10.3201/eid2608.200633 Original Publication

X Noot
20

RIVM, ‘Afwegingskader binnensport’, 26 mei 2020.

X Noot
21

OMT-advies, ‘Inhoudelijke onderbouwing met betrekking tot adviezen over toepassing van niet-medische mondneusmaskers in openbare ruimten’, 4 mei 2020, te raadplegen via https://www.rivm.nl/documenten/covid-19-toepassing-mondneusmakers-openbare-ruimten.

X Noot
22

European Centre for Disease Prevention and Control. Using face masks in the community: Reducing COVID-19 transmission from potentially asymptomatic or pre-symptomatic people through the use of face masks, 8 April 2020. Stockholm: ECDC; 2020. https://www.ecdc.europa.eu/en/publications-data/using-face-masks-community-reducing-covid-19-transmission

X Noot
23

OMT-advies n.a.v. 80e OMT, 13 oktober 2020, Kamerstukken PM.

X Noot
24

OMT-advies n.a.v. 80e OMT, 13 oktober 2020.

X Noot
25

Zie hierover nader Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 23, p. 90 (antwoord 194).