Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie en Veiligheid | Staatscourant 2020, 61980 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie en Veiligheid | Staatscourant 2020, 61980 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Minister van Justitie en Veiligheid,
Gelet op artikel 21, tweede lid, van het Besluit bezoldiging politie;
Besluit:
In deze regeling wordt verstaan onder:
het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie;
de ambtenaar die beschikt over de licentie EASA part 66 B/C;
de toelage, bedoeld in artikel 2 onderscheidenlijk artikel 9;
de ambtenaar werkzaam bij de Landelijke eenheid in de LFNP functie Politie Vlieger of Chef Vlieger;
een volledige betrekking als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie.
1. De vlieger heeft aanspraak op een maandelijkse bruto luchtvaarttoelage.
2. Aanspraak op de luchtvaarttoelage bestaat niet dan wel gedeeltelijk over de periode waarin de vlieger geen dan wel gedeeltelijk aanspraak heeft op de voor hem geldende bezoldiging, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie.
3. De hoogte van de luchtvaarttoelage is afhankelijk van een basisbedrag en een vermenigvuldigingsfactor, die afhankelijk is van de categorie waarin de vlieger is ingedeeld op grond van artikel 3 en het totaal aantal jaren waarin de ambtenaar:
a. is aangesteld als vlieger en operationeel vliegt,
b. was aangesteld bij de sector Rijk in een functie waarvan operationeel vliegen onderdeel uitmaakte, voor zover hij daadwerkelijk operationeel gevlogen heeft tijdens die aanstelling, en
c. in de periode van 1 november 2008 tot en met 1 januari 2013 was aangesteld bij het Korps landelijke politiediensten in een functie waarvan operationeel vliegen onderdeel uitmaakte.
4. Het basisbedrag bedraagt één derde deel van het verschil tussen salarisnummer 5 en salarisnummer 4 van schaal 11 van bijlage I bij het Besluit bezoldiging politie. De uitkomst daarvan wordt rekenkundig afgerond op twee decimalen.
5. Het in het vierde lid bedoelde basisbedrag wordt vermenigvuldigd met de op de vlieger van toepassing zijnde factor volgens de hieronder opgenomen tabel. De uitkomst van deze berekening is de maandelijkse luchtvaarttoelage.
6. De jaarlijkse luchtvaarttoelage is de maandelijkse luchtvaarttoelage vermenigvuldigd met 12. Als de jaarlijkse luchtvaarttoelage het bedrag van € 38.602,– bruto overstijgt, bedraagt de jaarlijkse luchtvaarttoelage € 38.602,– bruto. Het zevende lid is van overeenkomstige toepassing.
7. Bij een andere betrekking dan een volledige betrekking wordt de luchtvaarttoelage naar evenredigheid vastgesteld.
8. De bedragen, genoemd in het zesde lid, worden bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig een algemene salarismaatregel in de sector politie. De bedragen worden rekenkundig afgerond op hele euro’s.
|
Jaren |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
Factor categorie I |
3 |
6 |
9 |
12 |
15 |
18 |
21 |
24 |
27 |
30 |
30 |
30 |
30 |
30 |
30 |
30 |
30 |
30 |
30 |
30 |
|
Factor categorie II |
5 |
10 |
15 |
20 |
25 |
30 |
35 |
40 |
45 |
50 |
55 |
60 |
65 |
70 |
75 |
80 |
80 |
80 |
80 |
80 |
1. De vlieger die gecertificeerd is voor het vliegen op eenmotorige vleugelvliegtuigen behoort tot categorie I.
2. De vlieger die gecertificeerd is voor het vliegen op meermotorige helikopters behoort tot categorie II.
3. De aanvang in een categorie en overgang naar een hogere categorie vinden steeds plaats op de eerste dag van de maand na de maand waarin de vlieger voor het eerst operationeel vliegen in de betreffende categorie is gaan uitoefenen.
4. Bij overgang van categorie I naar categorie II behoudt de vlieger zijn op dat moment geldende vermenigvuldigingsfactor, dan wel bij afwezigheid daarvan in categorie II de naast-hogere vermenigvuldigingsfactor.
1. De vlieger heeft recht op een eenmalige verhoging van de luchtvaarttoelage ter grootte van 8,33% van de in het desbetreffende kalenderjaar genoten luchtvaarttoelage.
2. De eenmalige verhoging wordt in de maand december van het desbetreffende kalenderjaar uitbetaald.
1. Hij, die de bevoegdheid tot het uitoefenen van de functie vlieger tijdelijk dan wel blijvend verliest, waarbij dit verlies niet aan grove nalatigheid of opzet van hemzelf is te wijten, behoudt gedurende zijn aanstelling bij de politie aanspraak op de volgende toelage, tenzij een of meer van de gronden, genoemd in de artikelen 83 en 84 van het Besluit algemene rechtspositie politie van toepassing zijn:
a. gedurende 36 maanden 100% van de luchtvaarttoelage waarop aanspraak bestond in de maand waarin het verlies is ingegaan, indien ten minste tien jaren zijn verstreken vanaf het moment dat betrokkene voor het eerst aangesteld is als bedoeld in artikel 2, derde lid;
b. gedurende 24 maanden 100% van de luchtvaarttoelage waarop aanspraak bestond in de maand waarin het verlies is ingegaan, indien vijf tot tien jaren zijn verstreken vanaf het moment dat betrokkene voor het eerst aangesteld is als bedoeld in artikel 2, derde lid;
c. gedurende 12 maanden 100% van de luchtvaarttoelage waarop aanspraak bestond in de maand waarin het verlies is ingegaan, indien één tot vijf jaren zijn verstreken vanaf het moment dat betrokkene voor het eerst aangesteld is als bedoeld in artikel 2, derde lid;
2. Aansluitend maakt hij gedurende het eerste, het tweede en het derde jaar nadat de periode, genoemd in het eerste lid, is beëindigd aanspraak op een bedrag ter grootte van respectievelijk 75%, 50% en 25% van de luchtvaarttoelage, bedoeld in het eerste lid.
3. In afwijking van het eerste lid behoudt de vlieger de maandelijkse luchtvaarttoelage waarop aanspraak bestond in de maand waarin het verlies is ingegaan, indien hij:
a. op het moment van het verlies 50 jaar of ouder is en langer dan 10 jaar de luchtvaarttoelage heeft genoten; of
b. op 1 januari 2007 reeds de functie van vlieger vervulde in dienst van de politie en op het moment van het verlies na 1 november 2008 langer dan 20 jaar de luchtvaarttoelage heeft genoten.
1. In ieder geval elke vijf jaar na inwerkingtreding van deze regeling wordt er een arbeidsmarktonderzoek gedaan, waarna bijstelling van de hoogte van het in artikel 2, zesde lid, bedoelde maximumbedrag kan plaatsvinden.
2. Indien verlaging van het maximumbedrag leidt tot een lagere luchtvaarttoelage voor de vlieger vindt geleidelijke afbouw van de luchtvaarttoelage plaats volgens de systematiek beschreven in artikel 7.
1. Bij verlaging van het maximumbedrag tot en met een hoogte van € 20.000,– bruto per jaar bedraagt de jaarlijkse luchtvaarttoelage:
a. in het eerste jaar na bijstelling van het maximumbedrag de jaarlijkse luchtvaarttoelage die werd ontvangen voorafgaand aan de bijstelling.
b. in het tweede jaar na bijstelling van het maximumbedrag het verlaagde maximumbedrag + 66% van het verschil tussen de jaarlijkse luchtvaarttoelage die werd ontvangen voorafgaand aan de bijstelling en het verlaagde maximumbedrag.
c. in het derde jaar na bijstelling van het maximumbedrag het verlaagde maximumbedrag + 33% van het verschil tussen de jaarlijkse luchtvaarttoelage die werd ontvangen voorafgaand aan de bijstelling en het verlaagde maximumbedrag.
2. Bij verlaging van het maximumbedrag onder een bedrag van € 20.000,– bruto per jaar bedraagt de jaarlijkse luchtvaarttoelage:
a. in het eerste jaar na bijstelling van het maximumbedrag de jaarlijkse luchtvaarttoelage die werd ontvangen voorafgaand aan de bijstelling.
b. in het tweede jaar na bijstelling van het maximumbedrag € 20.000,– + 66% van het verschil tussen de jaarlijkse luchtvaarttoelage die werd ontvangen voorafgaand aan de bijstelling en € 20.000,–.
c. in het derde jaar na bijstelling van het maximumbedrag € 20.000,– + 33% van het verschil tussen de jaarlijkse luchtvaarttoelage die werd ontvangen voorafgaand aan de bijstelling en € 20.000,–.
d. in het vierde jaar na bijstelling van het maximumbedrag een bedrag van € 20.000,– bruto.
e. in het vijfde jaar na bijstelling van het maximumbedrag het verlaagde maximumbedrag + 80% van het verschil tussen € 20.000,– en het verlaagde maximumbedrag.
f. in het zesde jaar na bijstelling van het maximumbedrag het verlaagde maximumbedrag + 60% van het verschil tussen € 20.000,– en het verlaagde maximumbedrag.
g. In het zevende jaar na bijstelling van het maximumbedrag het verlaagde maximumbedrag + 40% van het verschil tussen € 20.000,– en het verlaagde maximumbedrag.
h. In het achtste jaar na bijstelling van het maximumbedrag het verlaagde maximumbedrag + 20% van het verschil tussen € 20.000,– en het verlaagde maximumbedrag.
1. Indien bij een vlieger geleidelijke afbouw van de luchtvaarttoelage plaatsvindt op grond van artikel 7 en er gedurende de afbouwperiode, bedoeld in artikel 7, eerste dan wel tweede lid, sprake is van loss of licence als bedoeld in artikel 5, blijft de afbouwsystematiek van artikel 7, eerste respectievelijk tweede lid, op hem van toepassing.
2. Indien artikel 5 op een medewerker wordt toegepast en gedurende die toepassing verlaging van het maximumbedrag plaatsvindt op grond van artikel 6, tweede lid, vindt vanaf het moment van verlaging afbouw plaats volgens de afbouwsystematiek van artikel 7, eerste dan wel tweede lid.
3. Nadat de afbouwperiode, bedoeld in artikel 7, eerste respectievelijk tweede lid, is verstreken en er op grond van artikel 5 voor de medewerker nog afbouwjaren resteren wordt, voor het aantal jaren dat er nog aanspraak op artikel 5 bestaat dit artikel op hem toegepast, met dien verstande dat voor de luchtvaarttoelage waarop aanspraak bestond in de maand waarin het verlies is ingegaan wordt gelezen een twaalfde van het voor de medewerker geldende maximumbedrag, bedoeld in artikel 2, zesde lid, op het moment van voltooiing van de afbouw op grond van artikel 7.
4. Vanaf het moment van verlies van de bevoegdheid tot operationeel vliegen kan het totaal aantal afbouwjaren volgend uit artikel 7 en artikel 5, niet groter zijn dan op grond van artikel 5 voor de medewerker geldt.
1. De licentiehouder die werkzaam is binnen de afdeling luchtvaart van de Landelijke eenheid en zijn licentie nodig heeft voor de uitoefening van zijn functie, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel r, van het Besluit bezoldiging politie, heeft aanspraak op een maandelijkse luchtvaarttoelage ter grootte van € 1825,– bruto.
2. De jaarlijkse luchtvaarttoelage is de maandelijkse luchtvaarttoelage vermenigvuldigd met 12.
3. Bij een andere betrekking dan een volledige betrekking wordt de luchtvaarttoelage naar evenredigheid vastgesteld.
4. Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig een algemene salarismaatregel in de sector politie.
1. In ieder geval elke vijf jaar na inwerkingtreding van deze regeling wordt er een arbeidsmarktonderzoek gedaan, waarna bijstelling van het bedrag, genoemd in artikel 9, eerste lid, kan plaatsvinden.
2. Indien de luchtvaarttoelage licentiehouders wordt verlaagd vindt geleidelijke afbouw plaats volgens de systematiek beschreven in artikel 11.
1. Bij verlaging van de jaarlijkse luchtvaarttoelage, bedoeld in artikel 9, tweede lid, tot en met een hoogte van € 12.000,– bruto per jaar, bedraagt de jaarlijkse luchtvaarttoelage:
a. in het eerste jaar na bijstelling de jaarlijkse luchtvaarttoelage die werd ontvangen voorafgaand aan de bijstelling.
b. in het tweede jaar na bijstelling het verlaagde bedrag + 66% van het verschil tussen de jaarlijkse luchtvaarttoelage voor bijstelling en na bijstelling.
c. in het derde jaar na bijstelling het verlaagde bedrag + 33% van het verschil tussen de jaarlijkse luchtvaarttoelage voor bijstelling en na bijstelling.
2. Bij verlaging van de jaarlijkse luchtvaarttoelage, bedoeld in artikel 9, tweede lid, tot onder een bedrag van € 12.000,– bruto per jaar bedraagt de jaarlijkse luchtvaarttoelage:
a. in het eerste jaar na bijstelling van het maximumbedrag de jaarlijkse luchtvaarttoelage die werd ontvangen voorafgaand aan de bijstelling.
b. in het tweede jaar na bijstelling van het maximumbedrag € 12.000,– + 66% van het verschil tussen de jaarlijkse luchtvaarttoelage die werd ontvangen voorafgaand aan de bijstelling en € 12.000,–.
c. in het derde jaar na bijstelling van het maximumbedrag, € 12.000,– + 33% van het verschil tussen de jaarlijkse luchtvaarttoelage die werd ontvangen voorafgaand aan de bijstelling en € 12.000,–.
d. in het vierde jaar een bedrag van € 12.000,– bruto.
e. in het vijfde jaar het verlaagde jaarbedrag + 80% van het verschil tussen € 12.000,– en het verlaagde jaarbedrag.
f. in het zesde jaar het verlaagde jaarbedrag + 60% van het verschil tussen € 12.000,– en het verlaagde jaarbedrag.
g. in het zevende jaar het verlaagde jaarbedrag + 40% van het verschil tussen € 12.000,– en het verlaagde jaarbedrag.
h. in het achtste jaar het verlaagde jaarbedrag + 20% van het verschil tussen € 12.000,– en het verlaagde jaarbedrag.
De Regeling vliegtoelage vliegers Landelijke eenheid wordt ingetrokken.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus
Voorafgaand aan vaststelling van deze regeling waren voor zowel piloten als grondwerktuigkundigen bij de politie extra financiële arbeidsvoorwaarden beschikbaar gesteld. Voor piloten was dat geregeld in de Regeling vliegtoelage vliegers Landelijke Eenheid, waarin onder voorwaarden aanspraak bestond op een arbeidsmarkttoelage en een daarbij behorende afbouwregeling. Grondwerktuigkundigen met een EASA part 66 B/C licentie ontvingen een toelage voor werving en behoud op grond van artikel 19 van het Besluit bezoldiging politie (hierna: Bbp). In 2019 is een arbeidsmarktanalyse uitgevoerd om inzicht te verkrijgen in zowel de arbeidsmarkt, als de arbeidsvoorwaarden van ‘vergelijkbare’ functies. Het onderzoek geeft inzicht in vaste en variabele inkomenscomponenten bij de politie en de voornaamste partijen in de Nederlandse markt.
Uit het onderzoek kan geconcludeerd worden dat de arbeidsvoorwaarden van beide doelgroepen inclusief de thans toegekende arbeidsmarkttoelage of toelage werving en behoud zich op of boven het niveau bevinden van partijen met ‘vergelijkbare’ werkzaamheden in de arbeidsmarkt. Zonder toelagen zouden de grondwerktuigkundigen ofwel licentiehouders EASA part 66 B/C (hierna: licentiehouders) en piloten (hierna: vliegers) bij de politie een substantiële afstand tot de arbeidsvoorwaarden in de markt hebben. Vanwege het belang van het behoud van een kwantitatieve en kwalitatieve bezetting van de desbetreffende functies voor de politieorganisatie op korte en langere termijn blijft een arbeidsmarkttoelage nodig.
Bij het opstellen van een toekomstbestendig voorstel voor de arbeidsvoorwaarden voor vliegers en licentiehouders is gezocht naar een optimale balans tussen de mogelijkheid om in te spelen op de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en het bieden van financiële zekerheid voor de medewerkers. Om de huidige medewerkers te behouden én nieuwe instroom te kunnen realiseren, is de Regeling vliegtoelage vliegers Landelijke Eenheid omgevormd naar deze Regeling aanvullende arbeidsvoorwaarden luchtvaart politie, waarin aanvullende arbeidsvoorwaarden worden opgenomen voor vliegers en licentiehouders.
Vanwege de substantiële omvang van de toelage en de gewenste ‘rust’ bij de doelgroepen, is het gewenst om voor langere periode inkomenszekerheid te bieden. Het is echter ook wenselijk dat de toelage kan worden aangepast aan de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Om flexibiliteit in het systeem aan te brengen en tegelijkertijd inkomenszekerheid te bieden, vindt een eventuele grote afbouw van de toelage in twee stappen plaats. Indien de arbeidsmarkt aanleiding geeft tot een verlaging, zal in de eerste drie jaar een afbouw tot een ondergrens (afhankelijk van de doelgroep, zie hiertoe de artikelsgewijze toelichting) plaatsvinden. Indien een afbouw onder deze ondergrens passend is, vindt gedurende acht jaar afbouw plaats. Ook bij het verliezen van de bevoegdheid tot het uitoefenen van de functie vlieger vindt afbouw plaats, zoals dat ook al in de Regeling vliegtoelage vliegers Landelijke Eenheid geregeld was.
Bij verhoging van de toelage ontvangen alle betrokkenen direct de hogere toelage en is geen afbouw nodig.
In dit artikel zijn de belangrijkste definities opgenomen. In de functies Politie Vlieger of Chef vlieger is het taakaspect operationeel vliegen opgenomen. Deze functies zijn vastgelegd in het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) en zijn in de Regeling vaststelling LFNP nader toegelicht.
Dit artikel regelt de luchtvaarttoelage voor vliegers. Er bestaat geen of gedeeltelijke aanspraak op de toelage indien de vlieger geen of gedeeltelijke bezoldiging ontvangt omdat er bijvoorbeeld sprake is van een periode van schorsing of onbetaald verlof.
De luchtvaarttoelage wordt berekend door vermenigvuldiging van een basisbedrag en een vermenigvuldigingsfactor, die afhangt van onder meer het aantal jaren vliegervaring van de vlieger. Het gaat om jaren waarin een medewerker als vlieger was aangesteld én operationeel vliegt. Periodes van schorsing of onbetaald verlof tellen hierbij dus niet mee. In het derde lid is geregeld dat niet alleen de jaren bij de politie (onderdeel a en c) meetellen, maar ook de jaren bij een andere overheidsinstantie (onderdeel b). Indien iemand bijvoorbeeld eerder gevlogen heeft voor het ministerie van Defensie en overstapt naar de politie, tellen de jaren bij het ministerie van Defensie mee voor het bepalen van de vermenigvuldigingsfactor. Vliegervaring bij de commerciële luchtvaart telt niet mee. Overheidsvliegers beschikken over andere vaardigheden dan vliegers uit de commerciële luchtvaart, omdat de vliegervaring bij een overheidsinstantie (operationeel vliegen vanuit ongecontroleerde situaties) beter aansluit op de eisen die de politie aan vliegers stelt, dan vliegervaring bij de commerciële luchtvaart (vanuit een gecontroleerde situatie van A naar B vliegen). Als eerste jaar geldt het eerste volledig gewerkte jaar na het behalen van het vliegbrevet.
In het vierde tot en met achtste lid is opgenomen hoe die berekening van de luchtvaarttoelage geschiedt en welke bedragen aan die berekening ten grondslag liggen. Het basisbedrag sluit aan bij de salarisbedragen in bijlage I van het Bbp. Op die manier stijgt het basisbedrag mee met de algemene salarismaatregelen in de sector Politie. De jaarlijkse luchtvaarttoelage (de maandelijkse toelage vermenigvuldigd met twaalf) is gemaximeerd op € 38.601,60 bruto. Via het achtste lid beweegt ook dit bedrag mee met de algemene salarismaatregelen in de sector Politie. Rekenkundige afronding van het bedrag is nodig om te voorkomen dat er verschillen zouden kunnen ontstaan door indexering van het maximumbedrag op grond van het achtste lid en indexering van bijlage I van het Bbp. Ten slotte wordt de luchtvaarttoelage voor vliegers naar rato van het dienstverband vastgesteld: bij een groter of een kleiner aantal uren dan een aanstelling van 36 uur per week wordt de luchtvaarttoelage dienovereenkomstig aangepast.
Hoewel iets anders opgeschreven, is bovenstaande berekeningssystematiek gelijk aan de systematiek voor de berekening van de vliegtoelage zoals opgenomen in de Regeling vliegtoelage vliegers Landelijke Eenheid. Vliegers die een toelage ontvingen op grond van die regeling blijven een toelage ontvangen van dezelfde omvang. Het aantal jaren vliegervaring en de categorie waarin de vliegers zijn ingedeeld blijven immers gelijk.
Er worden twee categorieën vliegers onderscheiden. Dit houdt verband met het feit dat bij de politie in beginsel gevlogen kan worden met zowel vleugelvliegtuigen als helikopters en het vliegen met helikopters fysiek meer belastend is dan het vliegen met vleugelvliegtuigen.
In dit artikel is geregeld dat, conform staand beleid, de luchtvaarttoelage van vliegers ieder jaar eenmalig wordt verhoogd met 8,33%. Er wordt door toevoeging van dit artikel ten aanzien van de toelage vergelijkbaar gehandeld als met de toekenning van de reguliere eindejaarsuitkering van artikel 25b Bbp, zodat er op dit punt geen discrepantie met andere werkgevers is.
Bij blijvend of tijdelijk verlies van de bevoegdheid tot het uitoefenen van de functie, zonder nalatigheid of grove schuld van de vlieger (de zogenaamde loss of licence) ontstaat er voor de vlieger aanspraak op een afbouwregeling. Deze afbouwregeling is ongewijzigd overgenomen uit de Regeling vliegtoelage vliegers Landelijke Eenheid. De omvang en de duur van de afbouw zijn afhankelijk van het aantal jaren vliegervaring en de leeftijd van de vlieger en bieden een passende inkomensgarantie.
Om met de luchtvaarttoelage voor vliegers te kunnen inspelen op de ontwikkelingen in de arbeidsmarkt doet de werkgever uiterlijk na vijf jaar een arbeidsmarktonderzoek. Uitkomsten van dat onderzoek kunnen leiden tot het bijstellen van de maximale luchtvaarttoelage. Mocht de maximale luchtvaarttoelage naar beneden worden bijgesteld, vindt afbouw van de luchtvaarttoelage plaats, zoals beschreven in artikel 7. Hiermee wordt vliegers financiële zekerheid geboden.
Bij een neerwaartse bijstelling van het maximumbedrag aan jaarlijkse luchtvaarttoelage vindt afbouw van de toelage plaats. Indien het maximum wordt verlaagd naar € 20.000,– of hoger wordt de luchtvaarttoelage in drie jaar afgebouwd (100% - 66% - 33%). Dit is geregeld in het eerste lid. Indien het maximum wordt verlaagd naar een bedrag lager dan € 20.000,– vindt gedurende acht jaar afbouw plaats. In dat geval vindt in eerste instantie afbouw naar € 20.000,– per jaar plaats volgens de systematiek van het eerste lid. In tweede instantie wordt vanaf € 20.000,– in vijf jaar tijd afgebouwd naar het nieuwe verlaagde maximum (100% (= 20.000 euro) - 80% - 60% - 40% - 20%). Dit is geregeld in het tweede lid.
Voorbeeld indien het maximum wordt verlaagd naar € 25.000,–
In dat geval geldt afbouw conform het eerste lid in 3 jaar:
– Oorspronkelijke toelage € 38.602,–
– Nieuwe maximum € 25.000,–
– Verschil tussen oude en nieuwe maximum € 13.602,–
Jaar 1: € 38.602,– (100%)
Jaar 2: € 25.000,– + € 8.977,32 (66% van het verschil € 13.602,–) = € 33.977,32
Jaar 3: € 25.000,– + € 4.488,66 (33% van het verschil € 13.602,–) = € 29.488,66
Jaar 4: € 25.000,–
Voorbeeld indien het maximum wordt verlaagd naar € 15.000,–
In dat geval geldt afbouw conform het tweede lid in 8 jaar:
– Oorspronkelijke toelage € 38.602,–
– Nieuwe maximum € 15.000,–
– Verschil tussen oude maximum en € 20.000,– = € 18.602,–
– Verschil tussen € 20.000 en nieuwe maximum = € 5.000,–
Jaar 1: € 38.602,– (100%)
Jaar 2: € 20.000,– + € 12.277,32 (66% van het verschil € 18.602,–) = € 33.977,32
Jaar 3: € 20.000,– + € 6.138,66 (33% van het verschil € 18.602,–) = € 29.488,66
Jaar 4: € 20.000,–
Jaar 5: € 15.000,– + € 4.000,– (80% van het verschil € 5.000,–) = € 19.000,–
Jaar 6: € 15.000,– + € 3.000,– (60% van het verschil € 5.000,–) = € 18.000,–
Jaar 7: € 15.000,– + € 2.000,– (40% van het verschil € 5.000,–) = € 17.000,–
Jaar 8: € 15.000,– + € 1.000,– (20% van het verschil € 5.000,–) = € 16.000,–
Jaar 9: € 15.000,–
In alle gevallen gaat de feitelijke afbouw niet eerder in dan twaalf maanden na verlaging van het maximum. De afbouwsystematiek is beschreven uitgaande van de jaarlijkse luchtvaarttoelage. De maandelijkse luchtvaarttoelage wordt verkregen door de jaarlijkse luchtvaarttoelage te delen door twaalf.
Dit artikel regelt de samenloop van de afbouwsystematiek vanwege de verlaging van de maximale jaarlijkse luchtvaarttoelage (artikel 7) en de afbouwsystematiek in verband met de loss of licence (artikel 5). Indien beide situaties tegelijkertijd van toepassing zijn wordt eerst de afbouwsystematiek van artikel 7 toegepast, zodat de luchtvaarttoelage van de medewerker volledig is gedaald tot het nieuwe, verlaagde maximumbedrag, en wordt vervolgens, indien er nog afbouwjaren op grond van artikel 5 resteren, de afbouwsystematiek van artikel 5 toegepast. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien er op grond van artikel 7, eerste lid, een afbouwperiode van drie jaar wordt toegepast, maar de medewerker vanwege het aantal jaren dat hij als vlieger gevlogen heeft, recht heeft op een afbouw van in totaal 6 jaar op grond van artikel 5, eerste lid, onder a. Na de afbouw van artikel 7, eerste lid, kunnen dan nog maximaal drie afbouwjaren gelden op grond van artikel 5. Op deze manier worden medewerkers met en zonder loss of licence gelijkgesteld, terwijl tegelijkertijd rekening wordt gehouden met de duur van de afbouw in verband met de loss of licence, vanaf de maand van het verlies van de bevoegdheid.
Dit artikel regelt de luchtvaarttoelage voor licentiehouders. Alleen licentiehouders die werkzaam zijn binnen de afdeling luchtvaart van de Landelijke eenheid van de politie en
de licentie EASA part 66 B/C nodig hebben voor de uitoefening van hun functie, maken aanspraak op een luchtvaarttoelage.
Het maandbedrag van € 1825,– bruto (per 1 juli 2020) geldt bij een aanstelling van 36 uur per week. Bij een kleiner of groter aantal uren wordt de luchtvaarttoelage naar rato van het dienstverband vastgesteld. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling ontvingen licentiehouders een toelage met nagenoeg dezelfde nettowaarde.
Om met de luchtvaarttoelage voor licentiehouders te kunnen inspelen op de ontwikkelingen in de arbeidsmarkt doet de werkgever uiterlijk na vijf jaar een arbeidsmarktonderzoek. Uitkomsten van dat onderzoek kunnen leiden tot het bijstellen van de luchtvaarttoelage. Mocht de luchtvaarttoelage naar beneden worden bijgesteld, vindt afbouw van de luchtvaarttoelage plaats, zoals beschreven in artikel 11. Hiermee wordt licentiehouders financiële zekerheid geboden.
Bij een neerwaartse bijstelling van de jaarlijkse luchtvaarttoelage voor licentiehouders vindt afbouw van de toelage plaats. Indien het maximum wordt verlaagd naar € 12.000,– of hoger wordt de luchtvaarttoelage in drie jaar afgebouwd (100% - 66% - 33%). Dit is geregeld in het eerste lid. Indien het maximum wordt verlaagd naar een bedrag lager dan € 12.000,– vindt gedurende acht jaar afbouw plaats. In dat geval vindt in eerste instantie afbouw naar € 12.000,– per jaar plaats volgens de systematiek van het eerste lid. In tweede instantie wordt vanaf € 12.000,– in vijf jaar tijd afgebouwd naar het nieuwe verlaagde maximum (100% (= 12.000 euro) - 80% - 60% - 40% - 20%). Dit is geregeld in het tweede lid.
Voorbeeld indien het maximum wordt verlaagd naar € 17.000,–
In dat geval geldt afbouw conform het eerste lid in 3 jaar:
– Oorspronkelijke toelage € 21.900,–
– Nieuwe maximum € 17.000,–
– Verschil tussen oude en nieuwe maximum € 4.900,–
Jaar 1: € 21.900,– (100%)
Jaar 2: € 17.000,– + € 3.234 (66% van het verschil € 4.900,–) = € 20.234,–
Jaar 3: € 17.000,– + € 1.617 (33% van het verschil € 4.900,–) = € 18.617,–
Jaar 4: € 17.000,–
Voorbeeld indien het maximum wordt verlaagd naar € 11.000,–
In dat geval geldt afbouw conform het tweede lid in 8 jaar:
– Oorspronkelijke toelage € 21.900,–
– Nieuwe maximum € 11.000,–
– Verschil tussen oude maximum en € 12.000,– = € 9.900,–
– Verschil tussen € 12.000 en nieuwe maximum = € 1.000,–
Jaar 1: € 21.900,– (100%)
Jaar 2: € 12.000,– + € 6.534 (66% van het verschil € 9.900,–) = € 18.534,–
Jaar 3: € 12.000,– + € 3.267 (33% van het verschil € 9.900,–) = € 15.267,–
Jaar 4: € 12.000,–
Jaar 5: € 11.000,– + € 800,– (80% van het verschil € 1.000,–) = € 11.800,–
Jaar 6: € 11.000,– + € 600,– (60% van het verschil € 1.000,–) = € 11.600,–
Jaar 7: € 11.000,– + € 400,– (40% van het verschil € 1.000,–) = € 11.400,–
Jaar 8: € 11.000,– + € 200,– (20% van het verschil € 1.000,–) = € 11.200,–
Jaar 9: € 11.000,–
In alle gevallen gaat de feitelijke afbouw niet eerder in dan twaalf maanden na verlaging van het maximum. De afbouwsystematiek is beschreven uitgaande van de jaarlijkse luchtvaarttoelage. De maandelijkse luchtvaarttoelage wordt verkregen door de jaarlijkse luchtvaarttoelage te delen door twaalf.
De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-61980.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.