Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatscourant 2020, 61166Circulaires

Circulaire politieke ambtsdragers provincies-aanpassing bezoldiging per 1 juli 2020, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Onderwerp: Wijziging per 1 juli 2020 van de bezoldiging van commissarissen van de Koning en gedeputeerden en per 1 januari 2021 geïndexeerde bedragen van de (onkosten)vergoeding en toelagen voor politieke ambtsdragers van provincies

Doelstelling: Informatie over regelgeving

Juridische grondslag: Hoofdstuk 2 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers

Relaties met andere circulaires: 9 augustus 2018, nr. 2018-0000661865, 29 november 2019, nr. 2018-0000925810 en 27 juni 2019, nr. 2019-0000344499

Ingangsdatum: 1 juli 2020

Geldig tot: 1 januari 2022

Publicatie op internet

Circulaires met betrekking tot de rechtspositie van politieke ambtsdragers worden uitsluitend bekend gemaakt op de site van de officiële bekendmakingen (Staatscourant) en op de website www.politiekeambtsdragers.nl. U kunt zich met een RSS-feed of e-mail-attendering abonneren op deze site. Als er een circulaire op deze site wordt gepubliceerd, ontvangt u een attendering.

1. Inleiding

1.1 Aanpassing bezoldigingsbedragen en toelagen

U wordt door middel van deze circulaire geïnformeerd over:

  • de wijziging van de bezoldigingsbedragen per 1 juli 2020 voor de commissaris van de Koning en de gedeputeerde,

  • de toekenning van een eenmalige uitkering in november 2020 voor de commissaris van de Koning en de gedeputeerde,

  • de wijziging van de tegemoetkoming voor de verzekering voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden voor de tijdelijke vervanger van een gedeputeerde,

  • de wijziging van de tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering voor een Statenlid,

  • de toelage van een lid van een vertrouwenscommissie of rekenkamerfunctie, de toelage van een lid van een bijzondere commissie,

  • de toelage van een fractievoorzitter.

Deze wijzigingen volgen de afspraken die in de CAO-Rijk zijn gemaakt voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (verder: CAO-Rijk). De CAO-Rijk geldt voor de periode van 1 juli 2020 tot 1 januari 2021.

1.2 Indexatie onkostenvergoedingen en vergoeding voor de werkzaamheden

Voor de indexatie van de bedragen van de bedragen van de (onkosten-) vergoedingen voor de commissaris van de Koning, de gedeputeerden, statenleden en commissieleden per 1 januari 2021 wordt gekeken naar de indexatiecijfers van september 2019 in vergelijking met de indexatiecijfers van september 2018.

Consumentenprijsindex

Voor een aantal bedragen is bepaald dat zij jaarlijks worden herzien aan de hand van de consumentenprijsindex. Voor de indexering met ingang van 1 januari 2021 betekent dit het volgende. De consumentenprijsindex voor september 2019 is vastgesteld op 106,70. Voor september 2018 is het indexcijfer vastgesteld op 103,95. Procentueel is dat een verhoging van 2,6. Dit betekent dat deze bedragen met ingang van 1 januari 2021 worden verhoogd met 2,6 %.

Indexatie op basis van CAO-lonen overheid

Voor een aantal andere bedragen is bepaald dat zij jaarlijks worden herzien aan de hand van het indexcijfer CAO-lonen overheid, inclusief bijzondere beloningen. Voor de indexering voor het jaar 2021 betekent dit het volgende. Het indexcijfer CAO-lonen overheid inclusief bijzondere beloningen voor september 2019 is vastgesteld op 115,1. Voor september 2018 is dit indexcijfer vastgesteld op 111,9. Procentueel is dat een verhoging van 2,9. Dit betekent dat deze bedragen met ingang van 1 januari 2021 worden verhoogd met 2,9 %.

1.3 Vooruitlopen op de regelgeving

Omdat het doorvoeren van bovenstaande wijzigingen in de regelgeving tijd vergt, wordt u, vooruitlopend op het formeel van kracht worden van die wijzigingen, door middel van deze circulaire geïnformeerd over deze aanstaande wijzigingen voor de commissaris van de Koning, de gedeputeerden, statenleden en commissieleden. U kunt deze wijzigingen nu al voorbereiden of doorvoeren.

2. Bezoldiging commissaris van de Koning

2.1 De salarisverhoging per 1 juli 2020

Op grond van artikel 2.2.1, eerste lid en derde lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers (hierna te noemen: het rechtspositiebesluit) wijzigt de bezoldiging van de commissaris van de Koning als in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Onlangs is in de CAO-Rijk afgesproken dat met ingang van 1 juli 2020 de salarisbedragen structureel worden verhoogd met 0,7%, ook voor de medewerkers die sinds 1 juli 2020 uit dienst zijn getreden.

Bovenstaande afspraak betekent voor de commissaris van de Koning structureel met terugwerkende kracht tot 1 juli 2020 een salarisverhoging van 0,7%. Met ingang van 1 juli 2020 geldt voor de commissaris een salarisbedrag van € 12.332,08 (was € 12.246,36).

De salarisverhoging per 1 juli 2020 moet ook met terugwerkende kracht worden betaald aan diegenen die sinds 1 juli 2020 het ambt hebben verlaten.

2.2 Doorwerking salarisverhoging naar uitkeringen en pensioenen

Uitkeringen

De structurele verhoging van het salaris heeft een algemeen karakter en werkt daarom op basis van artikel 133, derde lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) door naar al ingegane Appa-uitkeringen.

Pensioenen

De verhoging van het salaris per 1 juli 2020 is pensioengevend met ingang van 1 januari 2021. Het pensioengevend inkomen wordt in de ABP-regeling namelijk volgens de zogenoemde ‘peildatumsystematiek’ berekend op basis van het vaste inkomen, zoals dat op 1 januari van elk kalenderjaar bekend is, verhoogd met de variabele pensioengevende inkomensbestanddelen van het voorgaande jaar.

Deze salarisaanpassing heeft geen effect op al lopende ABP-pensioenen. Die worden namelijk aangepast op basis van de prijsontwikkeling.

3. Eenmalige uitkering commissaris van de Koning

3.1 Eenmalige uitkering in november 2020

In CAO-Rijk is afgesproken dat alle werknemers die op 1 juli 2020 een arbeidsovereenkomst met de Staat der Nederlanden hebben en waarop de CAO-Rijk van toepassing is, in november 2020 een eenmalige uitkering van € 225,- ontvangen. Dit bedrag geldt bij een volledige arbeidsduur van gemiddeld 36 uur per week. Voor werknemers met een andere arbeidsduur geldt dit bedrag naar rato van de volledige arbeidsduur.

In artikel 2.2.1, zesde lid, van het rechtspositiebesluit is bepaald dat indien een éénmalige uitkering wordt toegekend aan ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de commissaris van de Koning een uitkering op gelijke voet ontvangt.

Gelet op deze bepaling heeft in november 2020 de commissaris die op peildatum 1 juli 2020 commissaris van de Koning is, aanspraak op een éénmalige bruto uitkering van € 225,-.

3.2 Doorwerking eenmalige uitkering naar uitkeringen en pensioenen

Uitkeringen

Alleen de structurele verhogingen van het salaris werken op basis van artikel 133, derde lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) door naar al ingegane Appa-uitkeringen. Aangezien de éénmalige uitkering van € 225,- geen structurele verhoging is, werkt deze dus niet door naar al ingegane Appa-uitkeringen.

Pensioenen

De éénmalige uitkering per november 2020 is pensioengevend per 1 januari 2021. Het pensioengevend inkomen wordt in de ABP-regeling namelijk volgens de zogenoemde ‘peildatumsystematiek’ berekend op basis van het vaste inkomen, zoals dat op 1 januari van elk kalenderjaar bekend is, verhoogd met de variabele pensioengevende inkomensbestanddelen van het voorgaande jaar.

Deze eenmalige uitkering heeft geen effect op al lopende ABP-pensioenen. Die worden namelijk aangepast op basis van de prijsontwikkeling.

4. Geen doorwerking thuiswerkvergoeding

In de CAO-Rijk is een tijdelijke regeling afgesproken voor gemaakte kosten vanwege het thuiswerken van 14 maart 2020 tot en met 31 december 2020:

  • Werknemers hebben recht op een thuiswerkvergoeding van netto € 363, tenzij zij door hun werkgever zijn aangewezen om het werk op de werklocatie te verrichten.

  • De thuiswerkvergoeding van werknemers die in deeltijd werken, wordt naar rato van de arbeidsduur berekend. Daarnaast wordt de thuiswerkvergoeding van werknemers die later dan 13 maart 2020 in dienst zijn getreden naar rato van de thuisgewerkte maanden berekend.

  • Uitbetaling van de thuiswerkvergoeding geschiedt eenmalig in december 2020.

  • De thuiswerkvergoeding wordt door de werknemer aangevraagd en de leidinggevende controleert of de werknemer recht heeft op de thuiswerkvergoeding.

Werknemers die op grond van de CAO Rijk reeds recht hebben op de telewerkvergoedingen bij verplicht telewerken van € 81,83 (bruto) per maand, hebben geen recht op de vergoeding. Ook zullen eventuele decentraal afgesproken maandelijkse vergoedingen die zijn vastgelegd in het Personeelsreglement in mindering worden gebracht op deze vergoeding.

De thuiswerkvergoeding strekt dus ter compensatie van de extra kosten die het thuiswerken met zich brengt. Het betreft derhalve een onkostenvergoeding en geen eenmalige uitkering.

Voor commissarissen van de Koning geldt bovendien dat zij al een vaste maandelijkse onkostenvergoeding ontvangen. Deze onkostenvergoeding geldt voor voorzieningen die voor eigen rekening komen maar die mede worden aangewend ten behoeve van de vervulling van het ambt. Tot de onkostenvergoeding behoren onder meer ook bureaukosten. De onkostenvergoeding kan dus mede worden gezien als een vergoeding voor thuiswerken. In dat geval is er op grond van de CAO-Rijk ook geen aanspraak op een thuiswerkvergoeding.

Om deze redenen heeft de tijdelijke regeling uit de CAO-Rijk voor compensatie van gemaakte kosten vanwege het thuiswerken geen doorwerking.

5. Eindejaarsuitkering en vakantie-uitkering commissaris van de Koning

5.1 Achtergrond

Voor de hoogte van de eindejaarsuitkering en vakantie-uitkering werd altijd aangesloten bij hetgeen gold voor het personeel in de sector Rijk. Met ingang van 1 januari 2020 is echter voor dit personeel een zogenaamd individueel keuzebudget (IKB) ingevoerd. Het budget bestaat uit verlof (tijd) en geld, welke elementen naar wens van de betrokken ambtenaar uitwisselbaar zijn. Het IKB wordt gevuld met bestaande arbeidsvoorwaarden, waaronder de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.

Een dergelijke regeling is voor politieke ambtsdragers niet uitvoerbaar, omdat zij geen verlofregeling kennen en dus ook geen geld voor tijd kunnen inwisselen of andersom. De desbetreffende bepalingen in het rechtspositiebesluit zijn daarom zodanig aangepast dat daarin niet langer wordt verwezen naar de rechtspositie van het personeel in de sector Rijk. Hiermee is dus geen inhoudelijke wijziging beoogd, maar juist een voortzetting van de bestaande aanspraken op de vakantie- en eindejaarsuitkering.

5.2 Eindejaarsuitkering in november 2020

Op grond van artikel 2.2.1, vijfde lid, van het rechtspositiebesluit heeft de commissaris van de Koning recht op een eindejaarsuitkering van 8,3 % van de genoten bezoldiging. Deze wordt toegekend in november 2020.

5.3 Vakantie-uitkering

Op grond van artikel 2.2.1, vierde lid, van het rechtspositiebesluit ontvangt de commissaris van de Koning een vakantie-uitkering van 8 % van de genoten bezoldiging. Deze wordt toegekend in mei 2021.

6. Ambtstoelage en overige ambtskosten commissaris van de Koning

In artikel 2.2.6, eerste lid, van het rechtspositiebesluit is bepaald dat de commissaris van de Koning een ambtstoelage ontvangt en een vergoeding voor overige ambtskosten. In het vijfde lid van dit artikel is bepaald dat deze bedragen bij ministeriele regeling worden gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van de consumentenprijsindex geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar.

Zoals beschreven in paragraaf 1.2, betekent dit voor de ambtstoelage en de vergoeding voor de overige ambtskosten in 2021 een verhoging van 2,6 %. Het bedrag voor de ambtstoelage genoemd in artikel 2.2.6, eerste lid, van het rechtspositiebesluit wordt hiermee per 1 januari 2021 gewijzigd in € 676,81 (was € 659,66) en het bedrag voor de overige ambtskosten wordt per 1 januari 2021 gewijzigd in € 517,48 (was € 504,36).

7. Bezoldiging gedeputeerde

7.1 De salarisverhoging per 1 juli 2020

Op grond van artikel 2.2.1, tweede en derde lid, van het rechtspositiebesluit wijzigt de bezoldiging van de gedeputeerde als in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Onlangs is in de CAO-Rijk afgesproken dat met ingang van 1 juli 2020 de salarisbedragen structureel worden verhoogd met 0,7%.

Bovenstaande afspraak betekent voor de gedeputeerde structureel met terugwerkende kracht tot 1 juli 2020 een salarisverhoging van 0,7%. Met ingang van 1 juli 2020 geldt voor de gedeputeerde een salarisbedrag van € 9.192,33 (was € 9.128,43).

De salarisverhoging per 1 juli 2020 moet ook met terugwerkende kracht worden betaald aan diegenen die sinds 1 juli 2020 het ambt hebben verlaten.

7.2 Doorwerking salarisverhoging naar uitkeringen en pensioenen

Uitkeringen

De structurele verhoging van het salaris heeft een algemeen karakter en werkt daarom op basis van artikel 133, derde lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) door naar al ingegane Appa-uitkeringen.

Pensioenen

De structurele verhoging van het salaris is pensioengevend met terugwerkende kracht tot 1 juli 2020. In tegenstelling tot de ABP-regeling wordt het pensioengevend salaris in de Appa-regeling met terugwerkende kracht naar

1 juli 2020 aangepast.

Deze salarisaanpassing heeft geen effect op al lopende Appa-pensioenen. Reeds ingegane Appa-pensioenen worden namelijk aangepast overeenkomstig de wijzingen van de ABP-pensioenen (indexatie op basis van prijsontwikkeling).

8. Eenmalige uitkering gedeputeerde

8.1 Eenmalige uitkering in november 2020

In de CAO-Rijk is afgesproken dat alle werknemers die op 1 juli 2020 een arbeidsovereenkomst met de Staat der Nederlanden hebben en waarop de CAO-Rijk 2020 van toepassing is, in november 2020 een eenmalige uitkering van € 225,- ontvangen. Dit bedrag geldt bij een volledige arbeidsduur van gemiddeld 36 uur per week. Voor werknemers met een andere arbeidsduur geldt dit bedrag naar rato van de volledige arbeidsduur.

In artikel 2.2.1, zesde lid, van het rechtspositiebesluit is bepaald dat indien een éénmalige uitkering wordt toegekend aan ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de gedeputeerde een uitkering op gelijke voet ontvangt.

8.2 Doorwerking éénmalige uitkering naar uitkeringen en pensioenen

Uitkeringen

De éénmalige uitkering van € 225,- werkt niet door naar al ingegane Appa-uitkeringen. Artikel 133, derde lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) ziet alleen op de doorwerking van structurele verhogingen van het salaris.

Pensioenen

Op grond van artikel 13d, eerste lid, van de Appa is de éénmalige uitkering pensioengevend.

De éénmalige uitkering heeft geen effect op al lopende Appa-pensioenen. Reeds ingegane Appa-pensioenen worden namelijk aangepast overeenkomstig de wijzingen van de ABP-pensioenen (indexatie op basis van prijsontwikkeling).

9. Geen doorwerking thuiswerkvergoeding

Zoals is beschreven in paragraaf 4 strekt de thuiswerkvergoeding ter compensatie van de extra kosten die het thuiswerken met zich brengt. Het betreft derhalve een onkostenvergoeding en geen eenmalige uitkering. Om dezelfde redenen als voor de commissaris van de Koning heeft deze tijdelijke regeling uit de CAO-Rijk geen doorwerking naar de gedeputeerden. Voor gedeputeerden geldt namelijk ook dat zij al een vaste maandelijkse onkostenvergoeding ontvangen. Deze onkostenvergoeding geldt voor voorzieningen die voor eigen rekening komen maar die mede worden aangewend ten behoeve van de vervulling van het ambt. Tot de onkostenvergoeding behoren onder meer ook bureaukosten. De onkostenvergoeding kan dus mede worden gezien als een vergoeding voor thuiswerken. In dat geval is er op grond van de CAO-Rijk ook geen aanspraak op een thuiswerkvergoeding.

10. Verzekering voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden tijdelijke vervanger gedeputeerde

Op grond van artikel 2.2.15, eerste lid, van het rechtspositiebesluit ontvangt een tijdelijk vervanger van de gedeputeerde die verlof heeft tijdens zwangerschap en bevalling of ziekte, per maand een bedrag voor zijn verzekering voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat dit bedrag bij ministeriële regeling overeenkomstige wijziging ondergaat als in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Met ingang van 1 juli 2020 wordt het bedrag gewijzigd in € 618,14 (was € 613,84).

11. Eindejaarsuitkering en vakantie-uitkering gedeputeerde

11.1 Achtergrond

Voor de hoogte van de eindejaarsuitkering en vakantie-uitkering werd altijd aangesloten bij hetgeen gold voor het personeel in de sector Rijk. Met ingang van 1 januari 2020 wordt echter voor dit personeel een zogenaamd individueel keuzebudget (IKB) ingevoerd. Het budget bestaat uit verlof (tijd) en geld, welke elementen naar wens van de betrokken ambtenaar uitwisselbaar zijn. Het IKB wordt gevuld met bestaande arbeidsvoorwaarden, waaronder de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.

Een dergelijke regeling is voor politieke ambtsdragers niet uitvoerbaar, omdat zij geen verlofregeling kennen en dus ook geen geld voor tijd kunnen inwisselen of andersom. De desbetreffende bepalingen in het rechtspositiebesluit zijn daarom zodanig aangepast dat daarin niet langer wordt verwezen naar de rechtspositie van het personeel in de sector Rijk. Hiermee is dus geen inhoudelijke wijziging beoogd, maar juist een voortzetting van de bestaande aanspraken op de vakantie- en eindejaarsuitkering.

11.2 Eindejaarsuitkering in november 2020

Gelet op artikel 2.2.1, vijfde lid, van het rechtspositiebesluit ontvangt een gedeputeerde een eindejaarsuitkering van 8,3 % van de genoten bezoldiging. Deze wordt toegekend in november 2020.

11.3 Vakantie-uitkering

Gelet op artikel 2.2.1, vierde lid, van het rechtspositiebesluit ontvangt een gedeputeerde een vakantie-uitkering van 8 % van de genoten bezoldiging. Deze wordt toegekend in mei 2021.

12. Onkostenvergoeding gedeputeerde

12.1 Onkostenvergoeding gedeputeerde

In artikel 2.2.6, tweede lid en vijfde lid, van het rechtspositiebesluit is bepaald dat de gedeputeerde een ambtstoelage ontvangt die op 1 januari van elk jaar wordt gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van de consumentenprijsindex geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar.

Zoals beschreven in paragraaf 1.2, betekent dit voor de ambtstoelage in 2021 een verhoging van 2,6 %. Het bedrag voor de ambtstoelage genoemd in artikel 2.2.6, tweede lid, van het rechtspositiebesluit wordt hiermee per 1 januari 2021 gewijzigd in € 379,06 (was € 369,45).

12.2 Onkostenvergoeding waarnemende gedeputeerde

In het tweede lid is tevens bepaald dat indien een gedeputeerde gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken met de waarneming van het ambt van commissaris van de Koning is belast, hij voor die tijd per maand een ambtstoelage bij waarneming en een vergoeding voor overige ambtskosten ontvangt, die eveneens elk jaar wordt gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van de consumentenprijsindex. Ook deze ambtstoelage en vergoeding voor overige ambtskosten bij waarneming wordt in 2021 verhoogd met 2,6 %.

Het bedrag voor de ambtstoelage genoemd in artikel 2.2.6, tweede lid, van het rechtspositiebesluit wordt hiermee per 1 januari 2021 gewijzigd in € 676,81 (was € 659,66) en het bedrag voor de overige ambtskosten wordt per 1 januari 2021 gewijzigd in € 517,48 (was € 504,36).

13. Vergoeding statenleden

In artikel 2.1.1, eerste lid en derde lid, van het rechtspositiebesluit is bepaald dat de vergoeding voor de werkzaamheden van statenleden per 1 januari van elk jaar wordt herzien aan de hand van het indexcijfer CAO-lonen overheid inclusief bijzondere beloningen geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar.

Zoals beschreven in paragraaf 1.2, betekent dit voor de vergoeding voor de werkzaamheden van statenleden in 2021 een verhoging van 2,9 %. Concreet betekent dit dat de vergoeding per maand genoemd in artikel 2.1.1, eerste lid, van het rechtspositiebesluit per 1 januari 2021 € 1.270,38 bedraagt (was € 1.234,57).

14. Tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering voor de statenleden

In artikel 2.1.10, eerste lid, van het rechtspositiebesluit is bepaald dat een statenlid ten laste van de provincie een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering ontvangt. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat dit bedrag bij ministeriële regeling overeenkomstige wijziging ondergaat als in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Met ingang van 1 juli 2020 geldt voor de tegemoetkoming een bedrag van € 112,20 per jaar (was € 111,42).

15. Toelage lid vertrouwenscommissie en rekenkamerfunctie

Op grond artikel 2.1.2 van het rechtspositiebesluit wordt aan een statenlid dat lid is van een vertrouwenscommissie of een rekenkamerfunctie, voor de duur van de activiteiten van de commissie of de duur van de uitoefening van de rekenkamerfunctie een toelage per maand verleend. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat dit bedrag bij ministeriële regeling overeenkomstige wijziging ondergaat als in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Met ingang van 1 juli 2020 geldt voor de toelage een bedrag van € 125,72 (was € 124,85).

16. Toelage lid bijzondere commissie

In artikel 2.1.4 van het rechtspositiebesluit is bepaald dat provinciale staten die besluiten een bijzondere commissie in te stellen, bij verordening kan besluiten aan de statenleden die lid zijn van die commissie, een toelage per maand toe te kennen voor de duur van de activiteiten van de commissie. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat dit bedrag bij ministeriële regeling overeenkomstige wijziging ondergaat als in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Met ingang van 1 juli 2020 geldt voor de toelage een bedrag van € 125,72 (was € 124,85).

17. Toelage fractievoorzitter

In artikel 2.1.5 van het rechtspositiebesluit is bepaald dat de vergoeding voor de werkzaamheden van de fractievoorzitters voor de duur van de uitoefening van het voorzitterschap wordt verhoogd met een toelage per maand, vermeerderd met een bedrag voor elk statenlid dat de fractie telt, de fractievoorzitter zelf niet meegerekend. In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat dit bedrag bij ministeriële regeling overeenkomstige wijziging ondergaat als in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Met ingang van 1 juli 2020 geldt voor de toelage een bedrag van € 73,34 (was € 72,83). Het bedrag bedoeld voor de vermeerdering van de toelage is per 1 juli 2020 vastgesteld op € 10,47 (was € 10,40). Met ingang van 1 juli 2020 is het maximumbedrag vastgesteld op € 157,15 (was € 156,06).

18. Onkostenvergoeding statenleden

In artikel 2.1.6, eerste lid en derde lid, van het rechtspositiebesluit is bepaald dat de onkostenvergoeding van statenleden per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling wordt gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van de consumentenprijsindex geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar.

Zoals beschreven in paragraaf 1.2, betekent dit voor de onkostenvergoeding van statenleden in 2021 een verhoging van 2,6 %. Het bedrag genoemd in artikel 2.1.6, eerste lid, van het rechtspositiebesluit wordt hiermee per 1 januari 2021 gewijzigd in € 181,28 (was € 176,69).

19. Commissieleden

In artikel 2.4.1, eerste lid en derde lid, van het rechtspositiebesluit is bepaald dat de vergoedingen voor het bijwonen van vergaderingen voor commissieleden per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling worden gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde indexcijfer CAO-lonen overheid, inclusief bijzondere beloningen, geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalender jaar.

Zoals beschreven in paragraaf 1.2, betekent dit voor de vergoeding voor de werkzaamheden per vergadering van leden van provinciale commissies in 2021 een verhoging van 2,9 %. Concreet betekent dit dat de vergoeding per vergadering genoemd in artikel 2.4.1, eerste lid, van het rechtspositiebesluit per 1 januari 2021 € 122,53 bedraagt (was € 119,08).

20. Vragen en informatie op internet

Informatie die betrekking heeft op politieke ambtsdragers kunt u vinden op de volgende internetsite: www.politiekeambtsdragers.nl. Op deze site vindt u alle actuele wet- en regelgeving, circulaires en brochures over politieke ambtsdragers voor het Rijk, de provincie, de gemeente, de waterschappen en ook voor het Koninkrijk en de BES-eilanden voor zover deze afkomstig is van het Ministerie van BZK. U vindt hier dus niet de modelverordeningen van het IPO, de VNG of de provinciale en gemeentelijke verordeningen.

Voor eventuele nadere vragen kunt u ook contact opnemen met het Ministerie van BZK via postbus.helpdeskpa@minbzk.nl

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voor deze, R. Bagchus, Directeur Democratie en Bestuur