Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatscourant 2020, 61165Circulaires

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Onderwerp: Wijziging per 1 juli 2020 van de bezoldiging van burgemeesters en wethouders en per 1 januari 2021 geïndexeerde bedragen van de (onkosten)vergoeding en toelagen voor politieke ambtsdragers van gemeenten

Doelstelling: Informatie over regelgeving

Juridische grondslag: Hoofdstuk 3 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers

Relaties met andere circulaires: 9 augustus 2018, nr. 2018-0000660726, 18 november 2019, nr. 2019-0000594775 en 27 juni 2019, nr. 2019-0000344499

Ingangsdatum: 1 juli 2020

Geldig tot: 1 januari 2022

Publicatie op internet

Circulaires met betrekking tot de rechtspositie van politieke ambtsdragers worden uitsluitend bekend gemaakt op de site van de officiële bekendmakingen (Staatscourant) en op de website www.politiekeambtsdragers.nl. U kunt zich met een RSS-feed of e-mail-attendering abonneren op deze site. Als er een circulaire op deze site wordt gepubliceerd, ontvangt u een attendering.

1. Inleiding

1.1 Aanpassing bezoldigingsbedragen en toelagen

U wordt door middel van deze circulaire geïnformeerd over:

  • de wijziging van de bezoldigingsbedragen per 1 juli 2020 voor de burgemeester en de wethouder,

  • de toekenning van een eenmalige uitkering in november 2020 voor de burgemeester en de wethouder,

  • de wijziging van de mobiliteitstoelage voor de burgemeester,

  • de wijziging van de tegemoetkoming voor de verzekering voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden voor de tijdelijke vervanger van een wethouder,

  • de wijziging van de tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering voor een raadslid,

  • de toelage van een lid van een vertrouwenscommissie of rekenkamerfunctie, de toelage van een lid van een bijzondere commissie,

  • de toelage van een fractievoorzitter.

Deze wijzigingen volgen de afspraken die in de CAO-Rijk zijn gemaakt voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (verder: CAO-Rijk). De CAO-Rijk geldt voor de periode van 1 juli 2020 tot 1 januari 2021.

1.2 Indexatie onkostenvergoedingen en vergoeding voor de werkzaamheden

Voor de indexatie van de bedragen van de bedragen van de (onkosten-) vergoedingen voor burgemeesters, wethouders, raadsleden en commissieleden per 1 januari 2021 wordt gekeken naar de indexatiecijfers van september 2019 in vergelijking met de indexatiecijfers van september 2018.

Consumentenprijsindex

Voor een aantal bedragen is bepaald dat zij jaarlijks worden herzien aan de hand van de consumentenprijsindex. Voor de indexering met ingang van 1 januari 2021 betekent dit het volgende. De consumentenprijsindex voor september 2019 is vastgesteld op 106,70. Voor september 2018 is het indexcijfer vastgesteld op 103,95. Procentueel is dat een verhoging van 2,6. Dit betekent dat deze bedragen met ingang van 1 januari 2021 worden verhoogd met 2,6 %.

Indexatie op basis van CAO-lonen overheid

Voor een aantal andere bedragen is bepaald dat zij jaarlijks worden herzien aan de hand van het indexcijfer CAO-lonen overheid, inclusief bijzondere beloningen. Voor de indexering voor het jaar 2021 betekent dit het volgende. Het indexcijfer CAO-lonen overheid inclusief bijzondere beloningen voor september 2019 is vastgesteld op 115,1. Voor september 2018 is dit indexcijfer vastgesteld op 111,9. Procentueel is dat een verhoging van 2,9. Dit betekent dat deze bedragen met ingang van 1 januari 2021 worden verhoogd met 2,9 %.

1.3 Vooruitlopen op de regelgeving

Omdat het doorvoeren van bovenstaande wijzigingen in de regelgeving tijd vergt, wordt u, vooruitlopend op het formeel van kracht worden van die wijzigingen, door middel van deze circulaire geïnformeerd over deze aanstaande wijzigingen voor burgemeester, wethouders, raadsleden en commissieleden. U kunt deze wijzigingen nu al voorbereiden of doorvoeren.

2. Bezoldiging burgemeester

2.1 De salarisverhoging per 1 juli 2020

Op grond van artikel 3.2.1, eerste lid en zevende lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers (hierna te noemen: het rechtspositiebesluit) wijzigt de bezoldiging van burgemeesters als in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Onlangs is in de CAO-Rijk afgesproken dat met ingang van 1 juli 2020 de salarisbedragen structureel worden verhoogd met 0,7%, ook voor de medewerkers die sinds 1 juli 2020 uit dienst zijn getreden.

Concreet betekent de bovenstaande afspraak voor de burgemeesters dat zij structureel met terugwerkende kracht tot 1 juli 2020 een salarisverhoging krijgen van 0,7%.

Inwonerklasse

Inwonertal

1-1-2020

1-7-2020

1

Tot en met 8.000

€ 6.565,43

€ 6.611,39

2

8.001-14.000

€ 7.222,66

€ 7.273,22

3

14.001-24.000

€ 7.874,99

€ 7.930,11

4

24.001-40.000

€ 8.560,56

€ 8.620,48

5

40.001-60.000

€ 9.280,72

€ 9.345,69

6

60.001-100.000

€ 10.062,61

€ 10.133,05

7

100.001-150.000

€ 10.668,75

€ 10.743,43

8

150.001-375.000

€ 11.431,71

€ 11.511,73

9

375.001 en meer

€ 12.246,36

€ 12.332,08

De salarisverhoging per 1 juli 2020 moet ook met terugwerkende kracht worden betaald aan diegenen die sinds 1 juli 2020 het ambt hebben verlaten.

2.2 Doorwerking salarisverhoging naar uitkeringen en pensioenen

Uitkeringen

De structurele verhoging van het salaris heeft een algemeen karakter en werkt daarom op basis van artikel 133, derde lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) door naar al ingegane Appa-uitkeringen.

Pensioenen

De verhoging van het salaris per 1 juli 2020 is pensioengevend met ingang van 1 januari 2021. Het pensioengevend inkomen wordt in de ABP-regeling namelijk volgens de zogenoemde ‘peildatumsystematiek’ berekend op basis van het vaste inkomen, zoals dat op 1 januari van elk kalenderjaar bekend is, verhoogd met de variabele pensioengevende inkomensbestanddelen van het voorgaande jaar.

Deze salarisaanpassing heeft geen effect op al lopende ABP-pensioenen. Die worden namelijk aangepast op basis van de prijsontwikkeling.

3. Eenmalige uitkering burgemeesters

3.1 Eenmalige uitkering in november 2020

In de CAO-Rijk is afgesproken dat alle werknemers die op 1 juli 2020 een arbeidsovereenkomst met de Staat der Nederlanden hebben en waarop de CAO-Rijk van toepassing is, in november 2020 een eenmalige uitkering van € 225,- ontvangen. Dit bedrag geldt bij een volledige arbeidsduur van gemiddeld 36 uur per week. Voor werknemers met een andere arbeidsduur geldt dit bedrag naar rato van de volledige arbeidsduur.

In artikel 3.2.1, dertiende lid, van het Rechtspositiebesluit is bepaald dat indien een éénmalige uitkering wordt toegekend aan ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de burgemeester een uitkering op gelijke voet ontvangt.

Gelet op deze bepaling hebben in november 2020 de burgemeesters die op peildatum 1 juli 2020 burgemeester waren, aanspraak op een éénmalige bruto uitkering van € 225,-.

3.2 Doorwerking eenmalige uitkering naar uitkeringen en pensioenen

Uitkeringen

Alleen de structurele verhogingen van het salaris werken op basis van artikel 133, derde lid, van de Appa door naar al ingegane Appa-uitkeringen. Aangezien de éénmalige uitkering van € 225,- geen structurele verhoging is, werkt deze dus niet door naar al ingegane Appa-uitkeringen.

Pensioenen

De éénmalige uitkering per november 2020 is pensioengevend per 1 januari 2021. Het pensioengevend inkomen wordt in de ABP-regeling namelijk volgens de zogenoemde ‘peildatumsystematiek’ berekend op basis van het vaste inkomen, zoals dat op 1 januari van elk kalenderjaar bekend is, verhoogd met de variabele pensioengevende inkomensbestanddelen van het voorgaande jaar.

Deze eenmalige uitkering heeft geen effect op al lopende ABP-pensioenen. Die worden namelijk aangepast op basis van de prijsontwikkeling.

4. Geen doorwerking thuiswerkvergoeding

In de CAO-Rijk is een tijdelijke regeling afgesproken voor gemaakte kosten vanwege het thuiswerken van 14 maart 2020 tot en met 31 december 2020:

  • Werknemers hebben recht op een thuiswerkvergoeding van netto € 363, tenzij zij door hun werkgever zijn aangewezen om het werk op de werklocatie te verrichten.

  • De thuiswerkvergoeding van werknemers die in deeltijd werken, wordt naar rato van de arbeidsduur berekend. Daarnaast wordt de thuiswerkvergoeding van werknemers die later dan 13 maart 2020 in dienst zijn getreden naar rato van de thuisgewerkte maanden berekend.

  • Uitbetaling van de thuiswerkvergoeding geschiedt eenmalig in december 2020.

  • De thuiswerkvergoeding wordt door de werknemer aangevraagd en de leidinggevende controleert of de werknemer recht heeft op de thuiswerkvergoeding.

Werknemers die op grond van de CAO-Rijk reeds recht hebben op de telewerkvergoedingen bij verplicht telewerken van € 81,83 (bruto) per maand, hebben geen recht op de vergoeding. Ook zullen eventuele decentraal afgesproken maandelijkse vergoedingen die zijn vastgelegd in het Personeelsreglement in mindering worden gebracht op deze vergoeding.

De thuiswerkvergoeding strekt dus ter compensatie van de extra kosten die het thuiswerken met zich brengt. Het betreft derhalve een onkostenvergoeding en geen eenmalige uitkering.

Voor burgemeesters geldt bovendien dat zij al een vaste maandelijkse onkostenvergoeding ontvangen. Deze onkostenvergoeding geldt voor voorzieningen die voor eigen rekening komen maar die mede worden aangewend ten behoeve van de vervulling van het ambt. Tot de onkostenvergoeding behoren onder meer ook bureaukosten. De onkostenvergoeding kan dus mede worden gezien als een vergoeding voor thuiswerken. In dat geval is er op grond van de CAO-Rijk ook geen aanspraak op een thuiswerkvergoeding.

Om deze redenen heeft de tijdelijke regeling uit de CAO-Rijk voor compensatie van gemaakte kosten vanwege het thuiswerken geen doorwerking.

5. Mobiliteitstoelage burgemeester

Op grond van artikel 3.2.5, eerste lid, van het rechtspositiebesluit ontvangt een burgemeester die, nadat hij ten minste twee ambtstermijnen heeft vervuld in dezelfde gemeente, benoemd wordt tot burgemeester van een andere gemeente, indien die andere gemeente in een gelijke inwonersklasse is ingedeeld, ten laste van die andere gemeente eenmalig een mobiliteitstoelage op de bezoldiging. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat de mobiliteitstoelage op overeenkomstige wijze wordt gewijzigd als een wijziging van het loon is overeengekomen voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Op grond hiervan wordt de mobiliteitstoelage per 1 juli 2020 vastgesteld op € 10.476,83 (was € 10.404).

6. Eindejaarsuitkering en vakantie-uitkering burgemeester

6.1 Achtergrond

Voor de hoogte van de eindejaarsuitkering en vakantie-uitkering werd altijd aangesloten bij hetgeen gold voor het personeel in de sector Rijk. Met ingang van 1 januari 2020 is echter voor dit personeel een zogenaamd individueel keuzebudget (IKB) ingevoerd. Het budget bestaat uit verlof (tijd) en geld, welke elementen naar wens van de betrokken ambtenaar uitwisselbaar zijn. Het IKB wordt gevuld met bestaande arbeidsvoorwaarden, waaronder de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.

Een dergelijke regeling is voor politieke ambtsdragers niet uitvoerbaar, omdat zij geen verlofregeling kennen en dus ook geen geld voor tijd kunnen inwisselen of andersom. De desbetreffende bepalingen in het rechtspositiebesluit zijn daarom zodanig aangepast dat daarin niet langer wordt verwezen naar de rechtspositie van het personeel in de sector Rijk. Hiermee is dus geen inhoudelijke wijziging beoogd, maar juist een voortzetting van de bestaande aanspraken op de vakantie- en eindejaarsuitkering.

6.2 Eindejaarsuitkering in november 2020

Op grond van artikel 3.2.1, twaalfde lid, van het Rechtspositiebesluit heeft de burgemeester recht op een eindejaarsuitkering van 9,8 % van de genoten bezoldiging. Deze wordt toegekend in november 2020.

Hierbij wordt opgemerkt dat met het overzetten van de bepalingen van het Rechtspositiebesluit burgemeesters naar het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, per abuis de sinds enige jaren voor burgemeesters toegekende toeslag van 1,5 % op de eindejaarsuitkering niet is meegenomen, waardoor in het rechtspositiebesluit gesproken wordt van 8,3 %. Dit zal met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2019 in de regelgeving worden hersteld.

6.3 Eenmalige uitkering ad € 450,00 in november 2020

De burgemeester ontvangt naast de eindejaarsuitkering genoemd onder punt a, een éénmalige uitkering ad € 450,00 die door de gemeenten in de maand november aan de burgemeesters moet worden uitgekeerd. Dit is per 1 januari 2019 vastgelegd in artikel 3.2.1, veertiende lid, van het Rechtspositiebesluit. Deze eindejaarsuitkering is een vast bedrag en wordt dus niet geïndexeerd.

6.4 Vakantie-uitkering

Op grond van artikel 3.2.1, elfde lid, van het Rechtspositiebesluit ontvangt de burgemeester een vakantie-uitkering van 8 % van de genoten bezoldiging. Deze wordt toegekend in mei 2021.

7. Ambtstoelage burgemeester

In artikel 3.2.6, eerste en vijfde lid, van het rechtspositiebesluit is bepaald dat de burgemeester een ambtstoelage ontvangt die op 1 januari van elk jaar wordt gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van de consumentenprijsindex geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar.

Zoals beschreven in paragraaf 1.2, betekent dit voor de ambtstoelage een verhoging van 2,6 %. Het bedrag genoemd in artikel 3.2.6, eerste lid, van het rechtspositiebesluit wordt hiermee per 1 januari 2021 gewijzigd in € 412,02 (was € 401,58).

8. Bezoldiging wethouder

8.1 De salarisverhoging per 1 juli 2020

Op grond van artikel 3.2.1, derde lid en zevende lid, van het rechtspositiebesluit wijzigt de bezoldiging van wethouders als in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Onlangs is in de CAO-Rijk afgesproken dat met ingang van 1 juli 2020 de salarisbedragen structureel worden verhoogd met 0,7%.

Concreet betekent bovenstaande afspraak voor de wethouders dat zij structureel met terugwerkende kracht tot 1 juli 2020 een salarisverhoging krijgen van 0,7%.

Klasse

Inwonertal

Bezoldiging per maand

wethouders

per 1 januari 2020

Bezoldiging per maand

wethouders

per 1 juli 2020

1

Tot en met 8.000

€ 5.003,97

€ 5.039,00

2

8.001-14.000

€ 5.671,10

€ 5.710,80

3

14.001-24.000

€ 6.374,52

€ 6.419,14

4

24.001-40.000

€ 6.821,83

€ 6.869,58

5

40.001-60.000

€ 7.458,59

€ 7.510,80

6

60.001-100.000

€ 8.127,45

€ 8.184,34

7

100.001-150.000

€ 8.876,72

€ 8.938,86

8

150.001-375.000

€ 9.403,02

€ 9.468,84

9

375.001 en meer

€ 10.668,75

€ 10.743,43

De salarisverhoging per 1 juli 2020 moet ook met terugwerkende kracht worden betaald aan diegenen die sinds 1 juli 2020 het ambt hebben verlaten.

8.2 Doorwerking salarisverhoging naar uitkeringen en pensioenen

Uitkeringen

De structurele verhoging van het salaris heeft een algemeen karakter en werkt daarom op basis van artikel 133, derde lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) door naar al ingegane Appa-uitkeringen.

Pensioenen

De structurele verhoging van het salaris is pensioengevend met terugwerkende kracht tot 1 juli 2020. In tegenstelling tot de ABP-regeling wordt het pensioengevend salaris in de Appa-regeling met terugwerkende kracht naar

1 juli 2020 aangepast.

Deze salarisaanpassing heeft geen effect op al lopende Appa-pensioenen. Reeds ingegane Appa-pensioenen worden namelijk aangepast overeenkomstig de wijzingen van de ABP-pensioenen (indexatie op basis van prijsontwikkeling).

9. Eenmalige uitkering wethouders

9.1 Eenmalige uitkering in november 2020

In de CAO-Rijk is afgesproken dat alle werknemers die op 1 juli 2020 een arbeidsovereenkomst met de Staat der Nederlanden hebben en waarop de CAO-Rijk 2020 van toepassing is, in november 2020 een eenmalige uitkering van € 225,- ontvangen. Dit bedrag geldt bij een volledige arbeidsduur van gemiddeld 36 uur per week. Voor werknemers met een andere arbeidsduur geldt dit bedrag naar rato van de volledige arbeidsduur.

In artikel 3.2.1, dertiende lid, van het rechtspositiebesluit is bepaald dat indien een éénmalige uitkering wordt toegekend aan ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de wethouder een uitkering op gelijke voet ontvangt.

9.2 Doorwerking éénmalige uitkering naar uitkeringen en pensioenen

Uitkeringen

De éénmalige uitkering van € 225,- werkt niet door naar al ingegane Appa-uitkeringen. Artikel 133, derde lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) ziet namelijk alleen op de doorwerking van structurele verhogingen van het salaris.

Pensioenen

Op grond van artikel 13d, eerste lid, van de Appa is de éénmalige uitkering pensioengevend.

De éénmalige uitkering heeft geen effect op al lopende Appa-pensioenen. Reeds ingegane Appa-pensioenen worden namelijk aangepast overeenkomstig de wijzingen van de ABP-pensioenen (indexatie op basis van prijsontwikkeling).

10. Geen doorwerking thuiswerkvergoeding

Zoals is beschreven in paragraaf 4 strekt de thuiswerkvergoeding ter compensatie van de extra kosten die het thuiswerken met zich brengt. Het betreft derhalve een onkostenvergoeding en geen eenmalige uitkering. Om dezelfde redenen als voor de burgemeester heeft deze tijdelijke regeling uit de CAO-Rijk geen doorwerking naar de wethouders. Voor wethouders geldt namelijk ook dat zij al een vaste maandelijkse onkostenvergoeding ontvangen. Deze onkostenvergoeding geldt voor voorzieningen die voor eigen rekening komen maar die mede worden aangewend ten behoeve van de vervulling van het ambt. Tot de onkostenvergoeding behoren onder meer ook bureaukosten. De onkostenvergoeding kan dus mede worden gezien als een vergoeding voor thuiswerken. In dat geval is er op grond van de CAO-Rijk ook geen aanspraak op een thuiswerkvergoeding.

11. Verzekering voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden tijdelijke vervanger wethouder

Op grond van artikel 3.2.15, eerste lid, van het rechtspositiebesluit ontvangt een tijdelijk vervanger van de wethouder die verlof heeft tijdens zwangerschap en bevalling of ziekte, per maand voor zijn of haar verzekering voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden het bij zijn gemeentegrootte behorende bedrag. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat dit bedrag bij ministeriële regeling overeenkomstige wijziging ondergaat als in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Met ingang van 1 juli 2020 gelden de volgende bedragen voor de tegemoetkoming voor de tijdelijke vervanger:

Klasse

Inwonertal

gemeente

Tegemoetkoming

per maand

voor de tijdelijke

vervanger met ingang

van 1 januari 2020

Tegemoetkoming

per maand

voor de tijdelijke

vervanger met ingang

met ingang van 1 juli 2020

1

Tot en met 8.000

€ 272,58

€ 274,49

2

8.001-14.000

€ 315,24

€ 317,45

3

14.001-24.000

€ 356,86

€ 359,36

4

24.001-40.000

€ 383,91

€ 386,60

5

40.001-60.000

€ 426,56

€ 429,55

6

60.001-100.000

€ 468,18

€ 471,46

7

100.001-150.000

€ 510,84

€ 514,42

8

150.001-375.000

€ 538,93

€ 542,70

9

375.001 en meer

€ 613,84

€ 618,14

12. Eindejaarsuitkering en vakantie-uitkering wethouder

12.1 Achtergrond

Voor de hoogte van de eindejaarsuitkering en vakantie-uitkering werd altijd aangesloten bij hetgeen gold voor het personeel in de sector Rijk. Met ingang van 1 januari 2020 wordt echter voor dit personeel een zogenaamd individueel keuzebudget (IKB) ingevoerd. Het budget bestaat uit verlof (tijd) en geld, welke elementen naar wens van de betrokken ambtenaar uitwisselbaar zijn. Het IKB wordt gevuld met bestaande arbeidsvoorwaarden, waaronder de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.

Een dergelijke regeling is voor politieke ambtsdragers niet uitvoerbaar, omdat zij geen verlofregeling kennen en dus ook geen geld voor tijd kunnen inwisselen of andersom. De desbetreffende bepalingen in het rechtspositiebesluit zijn daarom zodanig aangepast dat daarin niet langer wordt verwezen naar de rechtspositie van het personeel in de sector Rijk. Hiermee is dus geen inhoudelijke wijziging beoogd, maar juist een voortzetting van de bestaande aanspraken op de vakantie- en eindejaarsuitkering.

12.2 Eindejaarsuitkering in november 2020

Gelet op artikel 3.2.1, twaalfde lid, van het rechtspositiebesluit ontvangt een wethouder een eindejaarsuitkering van 8,3 % van de genoten bezoldiging. Deze wordt toegekend in november 2020.

12.3 Vakantie-uitkering

Gelet op artikel 3.2.1, elfde lid, van het rechtspositiebesluit ontvangt een wethouder een vakantie-uitkering van 8 % van de genoten bezoldiging. Deze wordt toegekend in mei 2021.

13. Onkostenvergoeding wethouder

13.1 Onkostenvergoeding wethouder

In artikel 3.2.6, tweede lid en vijfde lid, van het rechtspositiebesluit is bepaald dat de wethouder een ambtstoelage ontvangt die op 1 januari van elk jaar wordt gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van de consumentenprijsindex geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar.

Zoals beschreven in paragraaf 1.2, betekent dit voor de ambtstoelage een verhoging van 2,6 %. Het bedrag voor de ambtstoelage genoemd in artikel 3.2.6, tweede lid, van het rechtspositiebesluit wordt hiermee per 1 januari 2021 gewijzigd in € 379,06 (was € 369,45).

13.2 Onkostenvergoeding waarnemende wethouder

In het tweede lid is tevens bepaald dat indien een wethouder gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken met de waarneming van het ambt van burgemeester is belast, hij voor die tijd per maand een ambtstoelage bij waarneming ontvangt, die eveneens elk jaar wordt gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van de consumentenprijsindex. Ook deze ambtstoelage bij waarneming wordt verhoogd met 2,6 %. Dit bedrag wordt hiermee per 1 januari 2021 gewijzigd in € 412,02 (was € 401,58).

14. Vergoeding raadsleden

In artikel 3.1.1, eerste lid en vierde lid, van het rechtspositiebesluit is bepaald dat de vergoeding voor de werkzaamheden van raadsleden per 1 januari van elk jaar wordt herzien aan de hand van het indexcijfer CAO-lonen overheid inclusief bijzondere beloningen geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar.

Zoals beschreven in paragraaf 1.2, betekent dit voor de vergoeding voor de werkzaamheden van raadsleden een verhoging van 2,9 %. Concreet betekent dit dat de vergoedingen per maand genoemd in artikel 3.1.1, eerste lid, van het rechtspositiebesluit per 1 januari 2021 als volgt bedragen:

Klasse

Inwonertal

Vergoeding

werkzaamheden

per maand per

1 januari 2020

Vergoeding

werkzaamheden

per maand per

1 januari 2021

1

Tot en met 8.000

€ 1.018,29

€ 1.047,82

2

8.001-14.000

€ 1.018,29

€ 1.047,82

3

14.001-24.000

€ 1.018,29

€ 1.047,82

4

24.001-40.000

€ 1.018,29

€ 1.047,82

5

40.001-60.000

€ 1.324,40

€ 1.362,81

6

60.001-100.000

€ 1.549,75

€ 1.594,69

7

100.001-150.000

€ 1.759,46

€ 1.810,49

8

150.001-375.000

€ 2.049,73

€ 2.109,17

9

375.001-

€ 2.495,45

€ 2.567,82

15. Tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering voor de raadsleden

In artikel 3.1.10, eerste lid, van het rechtspositiebesluit is bepaald dat een raadslid ten laste van de gemeente een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering ontvangt. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat dit bedrag bij ministeriële regeling overeenkomstige wijziging ondergaat als in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Met ingang van 1 juli 2020 geldt voor de tegemoetkoming een bedrag van € 112,20 per jaar (was € 111,42).

16. Toelage lid vertrouwenscommissie en rekenkamerfunctie

Op grond artikel 3.1.2 van het rechtspositiebesluit wordt aan een raadslid dat lid is van een vertrouwenscommissie of een rekenkamerfunctie, voor de duur van de activiteiten van de commissie of de duur van de uitoefening van de rekenkamerfunctie een toelage per maand verleend. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat dit bedrag bij ministeriële regeling overeenkomstige wijziging ondergaat als in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Met ingang van 1 juli 2020 geldt voor de toelage een bedrag van € 125,72 (was € 124,85).

17. Toelage lid bijzondere commissie

In artikel 3.1.4 van het rechtspositiebesluit is bepaald dat de gemeenteraad die besluit een bijzondere commissie in te stellen, bij verordening kan besluiten aan de raadsleden die lid zijn van die commissie, een toelage per maand toe te kennen voor de duur van de activiteiten van de commissie. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat dit bedrag bij ministeriële regeling overeenkomstige wijziging ondergaat als in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Met ingang van 1 juli 2020 geldt voor de toelage een bedrag van € 125,72 (was € 124,85).

18. Toelage fractievoorzitter

In artikel 3.1.5 van het rechtspositiebesluit is bepaald dat de vergoeding voor de werkzaamheden van de fractievoorzitters voor de duur van de uitoefening van het voorzitterschap wordt verhoogd met een toelage per maand, vermeerderd met een bedrag voor elk raadslid dat de fractie telt, de fractievoorzitter zelf niet meegerekend. In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat dit bedrag bij ministeriële regeling overeenkomstige wijziging ondergaat als in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Met ingang van 1 juli 2020 geldt voor de toelage een bedrag van € 73,34 (was € 72,83). Het bedrag bedoeld voor de vermeerdering van de toelage is per 1 juli 2020 vastgesteld op € 10,47 (was € 10,40). Met ingang van 1 juli 2020 is het maximumbedrag vastgesteld op € 157,15 (was € 156,06).

19. Onkostenvergoeding raadsleden

In artikel 3.1.6, eerste lid en derde lid, van het rechtspositiebesluit is bepaald dat de onkostenvergoeding van raadsleden per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling wordt gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van de consumentenprijsindex geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar.

Zoals beschreven in paragraaf 1.2, betekent dit voor de onkostenvergoeding van raadsleden een verhoging van 2,6 %. Het bedrag genoemd in artikel 3.1.6, eerste lid, van het rechtspositiebesluit wordt hiermee per 1 januari 2021 gewijzigd in € 181,28 (was € 176,69).

20. Commissieleden

In artikel 3.4.1, eerste lid en derde lid, van het rechtspositiebesluit is bepaald dat de vergoedingen voor het bijwonen van vergaderingen voor commissieleden per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling worden gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde indexcijfer CAO-lonen overheid, inclusief bijzondere beloningen, geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalender jaar.

Zoals beschreven in paragraaf 1.2, betekent dit voor de vergoeding voor de werkzaamheden per vergadering van leden van gemeentelijke commissies een verhoging van 2,9 %. Concreet betekent dit dat de vergoedingen per vergadering genoemd in artikel 3.4.1, eerste lid, van het rechtspositiebesluit per 1 januari 2021 als volgt bedragen:

Klasse

Inwonertal

Vergoeding

werkzaamheden

per vergadering

per 1 januari 2020

Vergoeding

werkzaamheden

per vergadering

per 1 januari 2021

1

Tot en met 10.000

€ 63,92

€ 65,77

2

10.001-20.000

€ 70,66

€ 72,71

3

20.001-50.000

€ 84,77

€ 87,23

4

50.001-100.000

€ 104,31

€ 107,33

5

100.001-250.000

€ 133,21

€ 137,08

6

250.001-

€ 168,88

€ 173,78

21. Vragen en informatie op internet

Informatie die betrekking heeft op politieke ambtsdragers kunt u vinden op de volgende internetsite: www.politiekeambtsdragers.nl. Op deze site vindt u alle actuele wet- en regelgeving, circulaires en brochures over politieke ambtsdragers voor het Rijk, de provincie, de gemeente, de waterschappen en ook voor het Koninkrijk en de BES-eilanden voor zover deze afkomstig is van het Ministerie van BZK. U vindt hier dus niet de modelverordeningen van de VNG of de gemeentelijke verordeningen.

Voor eventuele nadere vragen kunt u ook contact opnemen met het Ministerie van BZK via postbus.helpdeskpa@minbzk.nl

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voor deze, R. Bagchus, Directeur Democratie en Bestuur