Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatscourant 2020, 59680Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 november 2020, nr. 2020-0000655623, tot wijziging van de bedragen, genoemd in de artikelen 13, eerste lid, onderdelen a en b, 14, eerste lid, 17, tweede lid, 18, eerste en derde lid, en 20, eerste en tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, tot vaststelling van de minimum-inkomensijkpunten, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van die wet, en van de factoren, bedoeld in artikel 19, tweede lid, van die wet, alsmede tot wijziging van de bedragen, genoemd in artikel 2a, tweede lid, onderdelen b en c, van het Besluit op de huurtoeslag (Regeling huurtoeslaggrenzen 2021)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Gelet op de artikelen 19, vierde lid, en 27, eerste, derde, vierde en vijfde lid, van de Wet op de huurtoeslag, en artikel 2a, vierde lid, van het Besluit op de huurtoeslag;

Besluit:

§ 1. Wijziging van de Wet op de huurtoeslag en het Besluit op de huurtoeslag

Artikel 1

De Wet op de huurtoeslag wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 13, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt ‘€ 737,14’ vervangen door ‘€ 752,33’.

2. In onderdeel b wordt ‘€ 432,51’ vervangen door ‘€ 442,46’.

B

Artikel 14, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt ‘€ 23.225’ vervangen door ‘€ 23.725’.

2. In onderdeel b wordt ‘€ 31.550’ vervangen door ‘€ 32.200’.

3. In onderdeel c wordt ‘€ 22.195,45’ vervangen door ‘€ 22.652,68’.

4. In onderdeel d wordt ‘€ 29.381,34’ vervangen door ‘€ 29.986,60’.

C

In artikel 17, tweede lid, wordt ‘€ 215,71’ vervangen door ‘€ 220,68’.

D

Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt ‘€ 24.400’ vervangen door ‘€ 24.875’.

b. In onderdeel b wordt ‘€ 31.700’ vervangen door ‘€ 32.325’.

c. In onderdeel c wordt ‘€ 25.000’ vervangen door ‘€ 25.625’.

d. In onderdeel d wordt ‘€ 32.925’ vervangen door ‘€ 33.700’.

2. In het derde lid wordt ‘€ 438,48’ vervangen door ‘€ 448,57’.

E

Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘€ 432,51’ vervangen door ‘€ 442,46’.

2. In het tweede lid wordt ‘€ 619,01’ vervangen door ‘€ 633,25’ en wordt ‘€ 663,40’ vervangen door ‘€ 678,66’.

Artikel 2

In artikel 2a, tweede lid, van het Besluit op de huurtoeslag wordt ‘€ 4.358’ vervangen door ‘€ 4.448’ en wordt ‘€ 47.825’ vervangen door ‘€ 48.800’.

§ 2. Vaststelling van bedragen en factoren ingevolge de Wet op de huurtoeslag

Artikel 3

Het minimum-inkomensijkpunt, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag, is:

  • a. voor een eenpersoonshuishouden: € 16.950;

  • b. voor een meerpersoonshuishouden: € 22.000;

  • c. voor een eenpersoonsouderenhuishouden: € 18.775;

  • d. voor een meerpersoonsouderenhuishouden: € 25.025.

Artikel 4

De factoren, bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, zijn:

huishoudens

factor-a

factor-b

Eenpersoons

0,000000623385

0,002453085056

Meerpersoons

0,000000361614

0,002075390738

Eenpersoonsouderen

0,000000840817

-0,004129343663

Meerpersoonsouderen

0,000000519036

-0,004315550434

§ 3. Slotbepalingen

Artikel 5

De Regeling huurtoeslaggrenzen 2020 wordt ingetrokken.

Artikel 6

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2021.

Artikel 7

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling huurtoeslaggrenzen 2021.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren

TOELICHTING

Algemeen

Op 1 januari van elk jaar worden op grond van artikel 27 van de Wet op de huurtoeslag (hierna: Wht) bij ministeriële regeling zowel de inkomensgerelateerde parameters als de huurgerelateerde parameters van die wet gewijzigd of opnieuw vastgesteld. Deze regeling voorziet daarin voor het jaar 2021. De Regeling huurtoeslaggrenzen 2021 is vastgesteld overeenkomstig de Wht zoals die luidt op 1 januari 2021.

De inkomensgerelateerde parameters betreffen de maximale inkomensgrenzen, genoemd in artikel 14, eerste lid, van de Wht, de minimum-inkomensijkpunten, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wht, de referentie-inkomensijkpunten, genoemd in artikel 18, eerste lid, van de Wht, en de factoren, bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wht. Voorts is een tweetal bedragen uit het Besluit op de huurtoeslag (hierna: Bht) gewijzigd.

De huurgerelateerde parameters uit de Wht betreffen de maximale huurgrens huurtoeslag, genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wht, de kwaliteitskortingsgrens, genoemd in artikel 20, eerste lid, van de Wht, en de aftoppingsgrenzen, genoemd in artikel 20, tweede lid, van de Wht, de bij het minimum-inkomensijkpunt behorende normhuur, genoemd in artikel 17, tweede lid, van de Wht, en de bij het referentie-inkomensijkpunt behorende normhuur, genoemd in artikel 18, derde lid, van de Wht.

Deze regeling heeft geen gevolgen voor de administratieve lasten voor het bedrijfsleven en de burger. Deze regeling betreft enkel cijfermatige aanpassingen van de parameters en heeft derhalve evenmin effecten op de regeldruk.

Artikelsgewijs

Artikel 1

A
onder 1

De maximale huurgrens huurtoeslag, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wht, is op de wijze als beschreven in artikel 27, eerste lid, van de Wht gewijzigd met de zogenoemde tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, met dien verstande dat in het eerste en tweede lid van artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 voor ‘kalenderjaar’ telkens wordt gelezen ‘berekeningsjaar’ en dat in het tweede lid van dat artikel voor ‘Consumentenprijsindex Alle Huishoudens afgeleid’ wordt gelezen ‘Consumentenprijsindex Alle Huishoudens’. Deze factor is gelet op het voorgaande berekend als de verhouding van de gemiddelde consumentenprijsindex over juli 2019 tot en met juni 2020 ten opzichte van de gemiddelde consumentenprijsindex over juli 2018 tot en met juni 2019, zijnde 1,0206.

De uitkomst daarvan is overeenkomstig artikel 27, zesde lid, van de Wht naar boven afgerond op hele eurocenten.

onder 2

De maximale huurgrens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel b (de zogenoemde jongerengrens), van de Wht is, op grond van artikel 27, derde lid, van de Wht, gewijzigd met het percentage van de huurprijsontwikkeling, zoals die naar redelijke verwachting in het tijdvak dat loopt van 1 juli 2020 tot 1 juli 2021 zal plaatsvinden, zijnde 2,3.

De uitkomst daarvan is overeenkomstig artikel 27, zesde lid, van de Wht naar boven afgerond op hele eurocenten.

B

De norminkomens, genoemd in artikel 14, eerste lid, van de Wht, zijn, op de wijze als beschreven in artikel 27, eerste lid, van de Wht, gewijzigd met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, met dien verstande dat in het eerste en tweede lid van laatstgenoemd artikel voor ‘kalenderjaar’ telkens wordt gelezen ‘berekeningsjaar’ en dat in het tweede lid van dat artikel voor ‘Consumentenprijsindex Alle Huishoudens, afgeleid van het Centraal Bureau voor de Statistiek’ wordt gelezen ‘Consumentenprijsindex Alle Huishoudens, van het Centraal Bureau voor de Statistiek’. Deze factor is berekend als de verhouding van de gemiddelde consumentenprijsindex over juli 2019 tot en met juni 2020 ten opzichte van de gemiddelde consumentenprijsindex over juli 2018 tot en met juni 2019, zijnde 1,0206.

Daarnaast is, op grond van artikel 27, tweede lid, van de Wht, overwogen of de bedragen, genoemd in artikel 14, eerste lid (norminkomens), moeten worden gewijzigd ter voorkoming van onbedoelde gevolgen van maatregelen met betrekking tot de inkomens boven het minimum-inkomensijkpunt. Dat is niet het geval.

onder 1 en 2

De onafgeronde bedragen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wht zijn vervolgens, op grond van artikel 27, zesde lid, van de Wht, naar boven afgerond op een veelvoud van € 25.

onder 3 en 4

Bij de ouderenhuishoudens worden de norminkomens, zoals die zijn opgenomen in artikel 14, eerste lid, onderdelen c en d, van de Wht, nog vermeerderd met het bedrag van de inkomensondersteuning, bedoeld in artikel 33a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, per kalenderjaar, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden (per 1 januari 2021: € 312,48 bij eenpersoonsouderenhuishoudens en € 624,96 bij meerpersoonsouderenhuishoudens). Voorts worden in verband met het afschaffen van de fiscale aftrekmogelijkheid voor buitengewone uitgaven in 2009, evenals in de Regeling huurtoeslaggrenzen 2020, de norminkomens voor eenpersoonsouderenhuishoudens verhoogd met € 665 en voor meerpersoonsouderenhuishoudens met € 1.462 (artikel 14, tweede lid, van de Wht).

De som van deze bedragen en verhogingen is, op grond van artikel 27, zesde lid, van de Wht, naar boven afgerond op een veelvoud van € 25.

Dit leidt voor 2021 tot een bedrag van € 23.650 voor eenpersoonsouderenhuishoudens en € 32.075 voor meerpersoonsouderenhuishoudens.

C

De normhuur voor het minimum-inkomensijkpunt (artikel 17, tweede lid, van de Wht) bepaalt mede de hoogte van de huurtoeslagbedragen. De normhuur maakt onderdeel uit van de zogenoemde basishuur (het gedeelte van de rekenhuur dat op grond van artikel 16 van de Wht ten minste voor rekening van de huurder blijft).

De normhuur die behoort bij het minimum-inkomensijkpunt is, op grond van artikel 27, derde lid, van de Wht, gewijzigd met het percentage van de verwachte huurprijsontwikkeling, zijnde 2,3, en op grond van artikel 27, zesde lid, van de Wht naar boven afgerond op hele eurocenten.

D
onder 1

De referentie-inkomensijkpunten zijn, op grond van artikel 27, vijfde lid, van de Wht, aangepast met hetzelfde percentage als waarmee de minimum-inkomensijkpunten zijn aangepast.

De niet afgeronde referentie-inkomensijkpunten zijn vervolgens op grond van artikel 27, zesde lid, van de Wht naar boven afgerond op een veelvoud van € 25.

Daarnaast is, op grond van artikel 27, vijfde lid, van de Wht, overwogen of de bedragen, genoemd in artikel 18, eerste lid (referentie-inkomensijkpunt), moeten worden gewijzigd ter voorkoming van onbedoelde afwijkingen tussen de in artikel 17, eerste lid, bedoelde gewijzigde jaarinkomens en de wijziging welke naar verwachting plaats zal vinden met betrekking tot de inkomens boven het minimum-inkomensijkpunt. Dat is niet het geval.

onder 2

De normhuur bepaalt mede de hoogte van de huurtoeslagbedragen. De normhuur maakt onderdeel uit van de zogenoemde basishuur (het gedeelte van de rekenhuur dat ten minste voor rekening van de huurder blijft).

Artikel 27, derde lid, van de Wht bepaalt dat jaarlijks per 1 januari de normhuur die behoort bij het referentie-inkomensijkpunt bij ministeriële regeling wordt gewijzigd met het percentage van de verwachte huurprijsontwikkeling, zijnde 2,3. Dit bedrag is op grond van artikel 27, zesde lid, naar boven afgerond op hele eurocenten.

E
onder 1

De kwaliteitskortingsgrens, genoemd in artikel 20, eerste lid, van de Wht, is, overeenkomstig artikel 27, derde lid, van de Wht, gewijzigd met het percentage van de verwachte huurprijsontwikkeling, zijnde 2,3, en op grond van artikel 27, zesde lid, van de Wht naar boven afgerond op hele eurocenten.

Het deel van de rekenhuur boven de basishuur wordt, op grond van artikel 21, eerste lid, onderdeel a, van de Wht, tot aan de kwaliteitskortingsgrens voor 100% gesubsidieerd.

onder 2

De aftoppingsgrenzen, genoemd in artikel 20, tweede lid, van de Wht, zijn, overeenkomstig artikel 27, derde lid, van de Wht, gewijzigd met het percentage van de verwachte huurprijsontwikkeling, zijnde 2,3.

De aftoppingsgrenzen zijn de bedragen waarboven de rekenhuur voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage wordt gesubsidieerd, op grond van artikel 21, eerste lid, onderdeel c, van de Wht. Artikel 7, tweede lid, van het Besluit op de huurtoeslag bepaalt dat gedeelte op 40%.

Artikel 2

Op verzoek van de huurder blijft voor de toepassing van artikel 2 van de Wht en van artikel 7 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en de op die artikelen berustende bepalingen, diens partner of een medebewoner buiten beschouwing indien sprake is van een verzorgingsbehoefte bij de huurder, diens partner of een medebewoner (artikel 2a van het Bht).

In voorkomende gevallen kan, ingevolge artikel 2a, tweede lid, van het Bht een beroep worden gedaan op deze zogenoemde ‘bijzondere gevallen’ indien (onder meer) het voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 over het berekeningsjaar van de buiten beschouwing te laten persoon, niet meer bedraagt dan het bedrag, bedoeld in artikel 2a onderdeel b van het Bht. dan wel het gezamenlijke toetsingsinkomen van de huurder, diens partner en de medebewoners, met inbegrip van de hiervoor bedoelde buiten beschouwing te laten persoon, niet meer bedraagt dan het bedrag bedoeld in artikel 2a, onderdeel c van het Bht.

Op grond van artikel 2a, vierde lid, van het Bht zijn die bedragen, genoemd in artikel 2a, tweede lid, onderdelen b en c, van het Bht, geïndexeerd op de wijze zoals beschreven in artikel 27, eerste lid, van de Wht en dus aangepast met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, met dien verstande dat in het eerste en tweede lid van laatstgenoemd artikel voor ‘kalenderjaar’ telkens wordt gelezen ‘berekeningsjaar’ en dat in het tweede lid van dat artikel voor ‘Consumentenprijsindex Alle Huishoudens, afgeleid van het Centraal Bureau voor de Statistiek’ wordt gelezen ‘Consumentenprijsindex Alle Huishoudens, van het Centraal Bureau voor de Statistiek’, zijnde 1,0206. Vervolgens is het bedrag, genoemd in artikel 2a, tweede lid, onderdeel c, van het Bht, op grond van artikel 2a, vierde lid, van het Bht naar boven afgerond op een veelvoud van € 25.

Artikel 3

Op grond van artikel 27, vierde lid, van de Wht, zijn de minimum-inkomensijkpunten vastgesteld. De basis voor deze bedragen wordt blijkens artikel 17, eerste lid, van de Wht, voor eenpersoons- en meerpersoonshuishoudens gevormd door de bedragen die in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag zijn opgenomen.

Het minimum-inkomensijkpunt wordt verkregen door:

    • a) voor een eenpersoonshuishouden: de uitkomst van 81% van het twaalfvoud van het voor de maand januari van het berekeningsjaar geldende bedrag per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, te vermeerderen met € 572;

    • b) voor een meerpersoonshuishouden: de uitkomst van 108% van het twaalfvoud van het bedrag per maand, bedoeld in onderdeel a, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, te vermeerderen met € 144.

Voor ouderenhuishoudens wordt het minimum-inkomensijkpunt gebaseerd op bedragen die in de Algemene Ouderdomswet zijn opgenomen.

De niet afgeronde minimum-inkomensijkpunten zijn vervolgens, op grond van artikel 27, zesde lid, van de Wht, naar boven afgerond op een veelvoud van € 25.

Voor ouderen is daarenboven de ongewijzigde franchise van € 1.675 voor alleenstaanden en € 1.050 voor gehuwden bijgeteld.

Ten slotte is, evenals in de Regeling huurtoeslaggrenzen 2020, voor ouderen een bedrag van € 665 voor eenpersoonshuishoudens onderscheidenlijk € 1.462 voor meerpersoonshuishoudens toegevoegd als (gedeeltelijke) compensatie voor het verlies aan huurtoeslag als gevolg van het afschaffen van de fiscale aftrekmogelijkheid voor buitengewone uitgaven.

Artikel 4

De normhuren, bedoeld in artikel 17, tweede en derde lid, van de Wht, zijnde het inkomensafhankelijke deel van de eigen bijdrage van de huurtoeslagontvanger aan de huurprijs, worden berekend overeenkomstig de in artikel 19, tweede lid, van de Wht opgenomen formule. De bij de berekening volgens die formule gebruikte factoren zijn, op grond van artikel 19, vierde lid, van de Wht, per 1 januari herzien. Dit artikel bevat de voor 2021 geldende factoren.

Artikel 6

Op grond van het bepaalde in de Wet op de huurtoeslag treedt deze regeling in werking met ingang van 1 januari 2021. Dit past bovendien binnen het stelsel van de vaste verandermomenten. Omdat gelet op de jaarindeling (toeslagjaar) een latere inwerkingtreding tot hoge publieke kosten leidt, is afgezien van een minimuminvoeringstermijn van twee maanden.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren